Steeds meer mensen zoeken hun toevlucht in een analoge cultuur. Dat zijn geen nostalgische boomers, maar juist de generatie die is opgegroeid met schermen en smartphones. Martin Gelin ziet hoe zij de macht proberen terug te winnen van de techgiganten uit Silicon Valley.
In het hartje van Amsterdam stap ik Athenaeum Boekhandel binnen, een van mijn favoriete plekken in Europa. De hele begane grond is gewijd aan tijdschriften. Kleine bladen niches en torenhoge ambities.
Ik koop enkele edities van Pleasant Place, een Nederlands fanzine met essays over de botanische wereld. Het zijn literaire en kunsthistorische uitweidingen, geïllustreerd met een visuele speelsheid die het tijdschrift zelf even charmant en levendig maakt als een bloementuin in de voorzomer.
De meeste tijdschriften hier zijn de afgelopen jaren op de markt gebracht. Ze worden gerund door idealisten en toegewijde redacteurs. Niet om commerciële successen te worden, maar om iets betekenisvols te creëren.
Ik dwaal langs de schappen met nieuwe literaire tijdschriften, feministische kunstmagazines en een afdeling met elegante, kleine reisbladen. Er zijn tijdschriften die uitsluitend over wespen gaan en een Frans magazine dat een themanummer over Derek Jarman heeft gemaakt.
Wie het tijdschrift wil lezen, moet een fysiek exemplaar opsporen
Ik koop ook het nieuwste nummer van Real Review. Dit steeds onmisbaarder wordende Britse essaytijdschrift is opgericht door de jonge architect Jack Self. Hun motto is enigszins pompeus: ‘verklaren wat het betekent om vandaag de dag te leven’. Maar verrassend genoeg slagen ze daar ook in. Ze gebruiken kunst, geopolitiek, de klimaatcrisis, stadsplanning, mode en macro-economie als gelijkwaardige invalshoeken om de jaren twintig te doorgronden. In een doorsnee-editie spreekt Francis Fukuyama over de geopolitieke risico’s van AI-gestuurde drones, terwijl kunsthistoricus Shumon Basar de ideeën van Susan Sontag over fotografie en empathie analyseert in de context van Gaza.
De teksten zijn nergens op internet te vinden, ook niet achter een betaalmuur. Wie het tijdschrift wil lezen, moet een fysiek exemplaar opsporen. De vormgeving versterkt de leeservaring: de teksten zijn gedrukt in een intuïtieve lay-out die uitnodigt tot verder lezen. Een soort alternatief internet waar alles goed is.
Deze tijdschriften weerspiegelen een veel bredere renaissance van de analoge cultuur. Die komt ook tot uiting in de opkomst van onafhankelijke boekhandels, kleine en ogenschijnlijk anti-commerciële kunstgalerieën, nieuwe podia voor poëzievoordrachten en experimenteel proza en ruimtes waar jongeren samenkomen voor handwerk en keramiek. En dan is er nog de onverminderde populariteit van oude cultuurdragers als vinylplaten en korrelige VHS-banden.
Alternatieven
Deze honger naar een tastbare cultuur wordt niet gedreven door nostalgische boomers of mensen geboren in de jaren zeventig, maar bijna uitsluitend door de generaties die met het internet opgroeiden. Ze hebben sinds hun twaalfde een smartphone en verlangen nu vurig naar alternatieven. Ik denk dat we hen moeten zien als de kanaries in de vervuilde mijnschacht van het internet.
Ooit gebruikten we het internet om de werkelijkheid te ontvluchten. Nu gebruiken we de werkelijkheid om het internet te ontvluchten.
Die formulering zou ik graag claimen, maar hij is van Bloomberg-columnist Noah Smith en ik vond hem natuurlijk in mijn socialemediafeed. Juist die belofte – het ontdekken van een slim inzicht uit onverwachte hoek – zorgt ervoor dat wij, die met informatie, nieuws en ideeën werken, zo makkelijk blijven scrollen. Door dat rusteloze zoeken naar nieuwe indrukken grijpt het spiergeheugen van onze vingers voortdurend terug naar dezelfde apps en browsertabbladen – wel twintig, vijftig keer per dag.
Wie zijn toevlucht zoekt tot fysieke tijdschriften en literatuur, tot de analoge cultuur, sluit zich niet af van de werkelijkheid. Het is geen escapisme. De meeste tijdschriften die ik bij Athenaeum koop, worden niet gemaakt door luddieten die de elektriciteit hebben afgesloten, maar door mensen die zo lang en intensief online zijn geweest dat ze juist daardoor de waarde van het analoge zijn gaan inzien – alsof er een raam wordt opengezet.
Niet louter reproductief gedrag
Jongeren hebben minder seks dan voorgaande generaties, aldus een artikel in The Telegraph, zelfs nu er meer openheid en keuzevrijheid is dan ooit tevoren.
Hoewel de beschikbare data grotendeels afkomstig zijn uit Britse en westerse bronnen, wijst het stuk op een bredere culturele trend. Het benadrukt dat jongvolwassenen, vooral generatie Z, zich online vaak veiliger voelen dan in persoonlijk contact. Het artikel koppelt deze verandering deels aan de dominante rol van sociale media, continu aanwezige digitale prikkels en een verhoogde nadruk op psychologische veiligheid en persoonlijke identiteit.
Het verhaal schetst seksualiteit niet alleen als reproductief gedrag, maar als indicator van sociale verbondenheid, waarbij afname kan wijzen op bredere gevoelens van angst, onzekerheid en een gebrek aan spontane menselijke interactie; door de verschuiving naar meer schermtijd en minder face-to-facecontact kan sociale isolatie toenemen. Dit heeft mogelijk gevolgen voor emotionele gezondheid en welzijn in moderne samenlevingen, zo wijzen studies uit.
De plek waar ik de meeste voorvechters van analoge oases ben tegengekomen is Palo Alto, in het hart van Silicon Valley. Elke keer dat ik daar ouders van jonge kinderen sprak, wedijverden ze met elkaar om wie zijn kinderen de minste schermtijd toestond. Hoe meer geld en cultureel kapitaal een gezin bezit en hoe hoger de posities van de ouders bij de techbedrijven zijn – juist die bedrijven die miljarden mensen verslaafd hebben gemaakt aan sociale media en smartphones – des te fanatieker proberen ze te voor- komen dat hun eigen kinderen diezelfde producten gebruiken.
Dat komt natuurlijk doordat ze de keuken van binnenuit kennen. Zij hebben zelf ’s werelds beste psychologen en gedragswetenschappers van Princeton, MIT en Oxford gerekruteerd. Hun taak: de producten zo verfijnen dat ze nét iets verslavender worden en de gemiddelde gebruikstijd met nog eens 5 procent opdrijven.
Het is veelzeggend dat juist in het epicentrum van de Amerikaanse technologische innovatie gezinnen weer naar het analoge verlangen. Een van de meest gewilde scholen in Silicon Valley is een vrije school in Los Altos (gemiddeld inkomen: 1,4 miljoen per jaar) waar de leraren nog steeds krijt en leien gebruiken. Verdienen niet al onze kinderen het om op te groeien in dezelfde analoge oases als de elite van Silicon Valley?
In onderzoek naar internet- en telefoongebruik klinken jongeren tegenwoordig steeds vaker alsof ze het hebben over een monster uit een horrorfilm: een verschrikkelijk destructieve kracht waaraan iedereen wil ontsnappen, maar niemand ontkomt. Twee op de drie jonge Amerikanen proberen nu actief hun schermtijd te verminderen, blijkt uit een recent onderzoek van Pew Research. In Noorwegen zegt 80 procent van de bevolking onder de dertig dat ze te veel op internet zitten. Ook in Zweden stelt een meerderheid van de jongeren dat ze tijd ‘verspillen’ aan sociale media, aldus de Zweedse internetstichting.
Controle terugwinnen
Onderzoek in Australië en Frankrijk laat dezelfde dynamiek zien: het zijn vooral jongeren die wanhopig op zoek zijn naar alternatieven voor hun telefoons, voor TikTok, voor sociale platforms die draaien om status.
Het is dus geen paternalisme of nostalgisch moralisme om iets aan dit pathologische gedrag te willen doen. Het zijn de jongeren zelf die hier luid en duidelijk om vragen. Ik voel een zekere opluchting wanneer de Franse president Emmanuel Macron, die niet altijd een feilloze politieke antenne heeft, een telefoonverbod invoert op Franse scholen. Mijn zoon groeit nu op in Parijs, waar leraren en autoriteiten een gezonde scepsis koesteren jegens smartphones en Amerikaanse techbedrijven. Tot nu toe is hij nog onaangetast door de sociale platforms; ze loeren als Sauron aan de horizon.
Parijs bewijst bovendien dat een relatief analoge stad niet ten koste hoeft te gaan van creativiteit en nieuwe ideeën. Het is waarschijnlijk geen toeval dat veel van mijn favoriete steden – Parijs, Amsterdam, Tokio, Taipei – precies die eigenzinnige combinatie bezitten van het rusteloos moderne en het heilzaam analoge. Juist op plekken die bruisen van artistieke vernieuwing bloeit de liefde voor het analoge op.
Simon Kuper, columnist voor de Financial Times hier in Parijs, kreeg onlangs de vraag wat de slimste mensen die hij kent, typeert. Ze brengen relatief weinig tijd achter hun schermen door, antwoordde hij.

De analoge renaissance biedt een kans om de controle terug te winnen. Niet alleen over onze toegang tot informatie, maar uiteindelijk ook over kennis zelf en ons vermogen om de wereld te begrijpen. Ik besteedde eindeloos veel tijd aan het samenstellen van lijsten met experts die ik wilde volgen op sociale platforms. Als vroege gebruiker van Twitter had ik de 200 beste Taiwan-experts ter wereld verzameld, de 70 grappigste filmcritici, de 300 slimste klimaatwetenschappers.
Toen werd het platform fascistisch. Ik stak evenveel uren in het maken van afspeellijsten, met Japanse ambient en de beste contratenoren uit de barokmuziek, om vervolgens te moeten toezien hoe die werden uitgehold doordat artiesten volkomen willekeurig van het platform verdwenen.
Hardnekkig proberen de techgiganten mijn aandacht te sturen. De standaardkeuze van Instagram als je inlogt, is ‘Voor jou’. Dat betekent dat je een feed krijgt die niet bevat wat je wilt zien – geen van de tweeduizend accounts die ik bewust volg. In plaats daarvan krijg je accounts voorgeschoteld waarmee hun adverteerders graag geassocieerd willen worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist de jongeren die de meeste tijd op deze platforms hebben doorgebracht, op zoek gaan naar culturele producten die ze kunnen aanraken en bewaren, naar rituelen en fysieke gemeenschappen die cultuur weer betekenis geven.
Vinyl
The Economist doet een dappere poging om de zoektocht van jongeren naar analoge cultuur te kwantificeren en merkt op dat Taylor Swift vorig jaar 2,2 miljoen vinylplaten verkocht (al zou Taylor Swift waarschijnlijk ook 2 miljoen havermoutkoeken kunnen verkopen als ze dat wilde). Wereldwijd steeg de verkoop van vinylplaten met 300 procent tussen 2016 en 2023, precies de periode waarin sociale apps almachtig werden en de verslaving aan mobiele telefoons als pathologisch werd beschouwd. Ook de verkoop van cassettebandjes is verdrievoudigd. Economen zijn verbijsterd. Is dit werkelijk rationeel gedrag? Wat zou Adam Smith hiervan zeggen? ‘Misschien zijn de jongeren vergeten hoe lastig het is om de bandjes terug te spoelen,’ schrijft The Economist.
Maar jongeren verzamelen cassettebandjes natuurlijk niet omdat ze zo efficiënt zijn. De clou is juist dat de analoge cultuur iets anders biedt dan optimalisatie en kwantificering. Het is een alternatief voor een samenleving waarin elke alledaagse interactie aanvoelt als een LinkedIn-profiel. Camerafabrikant Polaroid, die zijn omzet de afgelopen jaren fors zag stijgen, heeft een nieuwe campagne met een treffende slogan: ‘Niemand heeft er op zijn sterfbed spijt van niet meer tijd aan zijn telefoon te hebben besteed.’
In mijn buurt in Parijs zijn verschillende oude krantenkiosken overgenomen door een nieuwe Spaanse keten, News & Coffee, die een uiterst doordacht assortiment van kwaliteitsbladen, kunsttijdschriften en verfijnde koffiesoorten verkoopt. De markt voor dagbladen loopt op zijn eind, maar wordt niet alleen vervangen door het internet, maar ook hierdoor: een nieuw premiumsegment van stijlvolle en interessante tijdschriften. De keten begon tijdens de pandemie in Barcelona, maar is inmiddels uitgegroeid naar een half dozijn Europese steden. Juist doordat tijdschriften decennialang gemarginaliseerd zijn, zijn ze ook bevrijd van de commerciële eisen en de meetbaarheid van de massacultuur, die altijd tot homogenisering leiden.
‘Speak up, men’
The Guardian signaleert dat zogeheten talking circles mannen steeds vaker een veilige ruimte bieden om over gevoelens te spreken. In deze gespreksgroepen, met namen als Andy’s Man Club en Men’s Circle, krijgt iedere deelnemer ononderbroken tijd om te vertellen wat hem bezighoudt, zonder oordeel of directe feedback. Ze richten zich op mannen die moeite hebben met kwetsbaarheid en emotionele expressie – een probleem dat samenhangt met hoge cijfers voor eenzaamheid, depressie en suïcide onder mannen. De bijeenkomsten zijn geen therapie, maar fungeren als laagdrempelige oefenplaatsen voor luisteren, openheid en onderlinge steun. Ze zouden het idee doorbreken dat praten over emoties onmannelijk is, maar voor veel deelnemers blijkt simpelweg gehoord worden al een belangrijke eerste stap richting een gezondere omgang met zowel zichzelf als anderen.
Het is dan ook veelzeggend dat Chloe Malle, de nieuwe hoofdredacteur van Vogue die in de voetsporen van Anna Wintour treedt, aankondigde dat de Amerikaanse Vogue minder gedrukte edities per jaar gaat uitbrengen, maar dat die edities wel mooier en luxueuzer worden. In plaats van een massaproduct dat wordt geconsumeerd en weggegooid, moet Vogue een prestigeproduct worden voor op de salontafel en voor winkels zoals Athenaeum en News & Coffee.
Minder frequent, hogere kwaliteit. Het is niet zozeer een esthetische keuze als wel een overlevingsstrategie. Het probleem is alleen dat dit soort producten binnenkort alleen voor de happy few zijn weggelegd. Het is niet realistisch om te geloven dat een significant aantal mensen de digitale platforms zal verlaten om Nederlandse fanzines over bloemen te lezen.
Er is een treffend moment in het nieuwe boek Ingen surf van schrijver en dichter Jonas Gren, waarin hij lijkt te beseffen dat hij de problemen van het internet niet in zijn eentje kan oplossen door naar het bos te verhuizen en een vuurtje te stoken met twijgen en berkenbast. Integendeel, de analoge renaissance moet het begin zijn van een veelomvattender hervorming van het internet en de cynische platforms die vandaag de dag domineren. Een van de mensen met wie Gren in het boek spreekt, is de jonge politicoloog Filippa Werner Sellbjer. Zij heeft eveneens ingezien hoe futiel individuele protesten tegen een kapot internet zijn; het is als genoegen nemen met afval scheiden terwijl de VS elke week nieuwe oliebronnen boren. Wat nodig is, zijn structurele veranderingen. ‘Reguleer die rommel,’ zoals zij het academisch uitdrukt.
Tegenbeweging
Twaalf jaar geleden trok ik dezelfde conclusie, toen ik over Silicon Valley begon te schrijven en zag hoe weinig de leiders van de bedrijven zich bekommerden om cultuur, democratie en beschaving. Het was, om het mild uit te drukken, een zware dobber om het ingenieursland Zweden hiervan te overtuigen: dat technologie ook iets anders kon zijn dan de redding van de mensheid. Maar nu komt de tegenbeweging van de kunstenaars, de ecodichters en de botanische nerds, en niet van de instellingen en politici die deze kwesties tien jaar geleden hadden moeten aankaarten.
Is de analoge renaissance slechts de laatste, ijdele stuiptrekking van een kleine groep bohemiens en excentrieke architecten in Antwerpen, of is het het begin van iets zinvols? Dat hebben we zelf in de hand. Maar zelfs een opstand die zich niet verspreidt, heeft betekenis; het meest beangstigende zou een wereld zijn waarin niemand zich van de platforms afkeert.
De nieuwe gouden eeuw van mooie, niche- en anticommerciële tijdschriften – indie publishing noemt men dat in de VS – is in elk geval een hoopvol teken. De grote techplatforms hebben koortsachtig geprobeerd een homogene cultuur te creëren, die ‘monocultuur’ waar cultuurpessimisten vaak over klagen, maar zijn daar feitelijk niet in geslaagd. Integendeel, de bloemen groeien: een veelheid aan ideeën verspreidt zich in deze tijdschriften, die zijn ontstaan tijdens de hegemonie van het internet, en ondanks de hegemonie van het internet.
We moeten elkaar simpelweg helpen van het huidige internet af te komen, zodat we op een dag kunnen terugkeren naar een betere versie.

