Tag: angst

  • De kliniek waar je terecht kan als de drugstrip nooit echt overgaat

    De kliniek waar je terecht kan als de drugstrip nooit echt overgaat

    Derealisatie en angst kunnen het gevolg zijn van het gebruik van psychedelica. Een kliniek in Berlijn biedt hulp zonder te oordelen. ‘We hebben geen reclame gemaakt, maar we hebben aanloop genoeg.’

    Zes jaar geleden, tijdens een werkreis naar Londen, kon James plotseling de tekst op zijn computerscherm niet meer lezen. Het was niet zomaar een storing; toen hij om zich heen keek, realiseerde hij zich dat zijn hele gezichtsveld gevuld was met statische elektriciteit. Eenmaal in het ziekenhuis vertelde hij een verpleger dat hij de week ervoor met een vriend in Amsterdam psychedelische paddenstoelen had genomen. ‘Ze zei: “Dat is de reden waarom we geen drugs gebruiken,”’ vertelt James, die nu eenendertig is en een pseudoniem gebruikt om zijn privacy te beschermen. Haar reactie ‘maakte me duidelijk dat ik van artsen over het algemeen niet al te veel hoefde te verwachten’, zegt hij.

    Nadat hij zijn symptomen online had opgezocht, vermoedde James dat hij een hallucinogeen persisterend perceptiestoornis, oftewel HPPD, had. Bij HPPD verandert de visuele perceptie van een persoon op een manier die een negatieve invloed heeft op de geestelijke gezondheid gedurende maanden of jaren na inname van een psychedelische stof. In het daaropvolgende jaar was hij voor informatie over zijn aandoening aangewezen op forums en websites.

    Mensen worden steeds nieuwsgieriger naar zogeheten geestverruimende middelen

    Maar steeds meer gaan onderzoekers na hoe psychedelica mensen met psychische aandoeningen kunnen helpen en psychedelica zoals LSD en paddo’s verliezen steeds meer van hun vroegere stigma. Mensen worden steeds nieuwsgieriger naar zogeheten geestverruimende middelen.

    Psychedelica hebben een ander risicoprofiel dan andere drugs; paddo’s hebben bijvoorbeeld een laag risico op lichamelijke afhankelijkheid of overdosis. Maar er zijn wel mogelijke bijwerkingen zoals derealisatie [waarbij je de wereld om je heen als onwerkelijk ervaart], angst of problemen met het plaatsen van een psychedelische ervaring. En omdat deze drugs over de hele wereld grotendeels aan wettelijke restricties gebonden zijn, zijn er beperkte hulpmiddelen in het geval van lichamelijke symptomen of overweldigende emoties die gerelateerd zijn aan het gebruik van psychedelica.

    Na enige tijd stuitte James op Ambulanz psychedelische Substanzen, een psychedelische polikliniek die deel uitmaakt van Charité, een academisch ziekenhuis in Berlijn. Ongeveer een jaar nadat hij last begon te krijgen van zijn gezichtsvermogen maakte hij kennis met een assistent-arts, Dario Jalilzadeh-Masah, die vergelijkbare gevallen had gezien en James inderdaad kon diagnosticeren met HPPD. Het gesprek met hem, vertelt James, was niet veroordelend maar juist empathisch. ‘Er zijn veel patiënten die lijden aan psychedelica-gerelateerde problemen,’ zei Tomislav Majić, de psychiater die de kliniek in 2018 oprichtte. ‘Ze kunnen nergens heen.’ 

    Psychedelica worden wel ingezet als voor medische doeleinden en mensen gebruiken deze middelen ook voor spirituele, religieuze en recreatieve doeleinden. Maar de berichtgeving daarover richt zich vaak vooral op de meer opwindende facetten van psychedelisch gebruik. Ook James vertelt dat hij alleen over de positieve effecten had gehoord. ‘Ik was me er nooit van bewust dat zoiets [als HPPD] kon optreden,’ zegt hij.

    Problematiek

    HPPD, depersonalisatie, derealisatiesyndroom, psychose en angst zijn de meest voorkomende redenen waarom mensen de kliniek opzoeken. Soms worstelt een patiënt met het verwerken van een traumatische psychedelische ervaring. Majić heeft mensen gezien die paniekaanvallen kregen na drugs zoals LSD of ayahuasca, die later terugkwamen.

    De kliniek handelt vanuit een schadebeperkend oogpunt, aldus Majić. De medewerkers zeggen niet tegen mensen dat ze nooit meer psychedelica mogen gebruiken, maar probeert ze te helpen de oorzaak van hun problemen te achterhalen en de juiste behandeling te vinden. De kliniek heeft ongeveer tien tot vijftien patiënten per maand en enkele tientallen virtuele cliënten. ‘We hebben geen reclame gemaakt,’ zei Majić. ‘Maar we hebben aanloop genoeg.’

    Zodra een arts heeft vastgesteld wat het probleem is, leidt hij een gebruiker naar de volgende stappen, zoals medicatie, psychotherapie of gewoon validatie. 

    Veel mensen kennen het fenomeen ‘bad trip’: het zien van angstaanjagende visioenen of het hebben van sterke, negatieve emoties tijdens het nemen van een psychedelische drug. Maar pas sinds kort richt onderzoek zich op moeilijkheden die aanhouden na een trip. In oktober 2023 beschreef een studie van onderzoekers die betrokken waren bij het Challenging Psychedelic Experiences Project een aantal van zulke moeilijkheden, gebaseerd op rapporten van 608 mensen.

    ‘Elke ochtend rond zonsopgang werd ik wakker met een gevoel van regelrechte angst’

    Ongeveer een derde van de ondervraagden had al meer dan een jaar last van hun symptomen. Het meest voorkomend waren emotionele problemen. Eén persoon schreef bijvoorbeeld: ‘Ongeveer achttien maanden lang werd ik elke ochtend rond zonsopgang wakker met een gevoel van regelrechte angst… Soms was mijn angst ’s ochtends zelfs zo groot dat ik er fysiek van trilde.’ Anderen voelden zich extreem geïsoleerd, zoals een persoon die meldde dat hij stopte met de middelbare school, zijn bezittingen weggaf en ‘teruggetrokken en wantrouwend werd en vervreemd raakte van vrienden’.

    Ook Richard, een vierentwintigjarige inwoner van Berlijn die alleen zijn voornaam geeft, ontwikkelde HPPD. Zijn visuele stoornissen begonnen na een DMT-trip. Jarenlang was hij gevoelig voor licht van beeldschermen of gloeilampen, die in zijn gezichtsveld bleven nagloeien. ‘De gedachte dat er een laag tussen mijn ogen en de wereld zat, maakte me echt bang,’ vertelt hij. Hij zegt dat zijn zicht ‘in principe nooit helder is’.

    In de maanden na zijn DMT-trip begon Richard last te krijgen van een soort angst die volgens Majić existentiële verwarring of ontologische shock wordt genoemd. ‘Ik werd geconfronteerd met het besef dat ik een persoon ben, dat ik een levensvorm ben die in de loop van de tijd is geëvolueerd, dat een deel van mij op de een of andere manier heeft besloten om mij in de relaties te plaatsen waarin ik me bevond, in de stad waar ik naartoe ben verhuisd, om de beslissingen te nemen die ik tot dan toe heb genomen,’ vertelt Richard. ‘En dat ik nu hier nu moet zijn en de omstandigheden of positie waarin ik me bevind onder ogen moet zien.’

    Ontwrichtend

    Dit soort ervaringen zijn geen psychiatrische stoornis, maar eerder een toestand die enorm ontwrichtend kan zijn. ‘Ze zeggen dat het moeilijk is om er wijs uit te worden en dat het overweldigend is geweest, in positieve of negatieve zin. Maar het is hoe dan ook te groot,’ aldus Majić. ‘Het is zo buitenaards dat ze niet weten hoe ze de ervaring in het dagelijks leven moeten verwerken.’

    Voor degenen die niet naar Berlijn kunnen komen, beheert Jules Evans, directeur van het Challenging Psychedelic Experiences Project, een online ondersteuningsgroep voor psychedelische problemen. Fireside Project is een hotline voor collegiale ondersteuning voor iedereen die problemen heeft met psychedelica, tijdens of na het gebruik, en er zijn een aantal groepen gewijd aan psychedelische integratie – de manier waarop mensen hun ervaringen verwerken en er zin aan geven in hun dagelijks leven – in persoon of online. Het International Center for Ethnobotanical Education, Research and Service heeft een ondersteuningscentrum dat zes gratis therapiesessies aanbiedt voor mensen die problemen ondervinden na een psychedelische trip.

    Maar psychedelische integratie is geen vastomlijnd concept en er is een enorme variatie in de bestaande ondersteuning, die bovendien vaak moeilijk te vinden is. Majić vindt dat psychologen en psychiaters beter geïnformeerd moeten worden over psychedelica. Er zijn een aantal trainingsprogramma’s voor therapeuten die er meer over willen weten, maar deze variëren qua inhoud.

    Over het algemeen zijn er niet veel bevredigende opties voor mensen met psychedelische problemen. ‘Als ze naar hun conventionele psychiater gaan, krijgen ze te horen dat ze naar de verslavingskliniek moeten en nuchter moeten worden, maar dat is niet het probleem,’ zei Majić. De problemen hebben meestal niet per se te maken hebben met aanhoudend gebruik van psychedelica of met een stoornis in middelengebruik.

    ‘Het is moeilijk om iemand te vinden met wie je daarover kunt praten zonder dat diegene denkt dat je gek of psychotisch bent’

    Majić bevond zich vaak tussen twee polen: degenen die zeggen dat psychedelica veilig zijn omdat ze niet verslavend zijn en dat het bijna onmogelijk is om er een overdosis van te nemen, en degenen die psychedelica ronduit gevaarlijk noemen. Naast het runnen van de kliniek en het behandelen van patiënten, doet hij ook verder psychedelisch onderzoek, bijvoorbeeld naar psilocybine [een hallucinogeen indool uit de tryptaminefamilie dat wordt geproduceerd door honderden schimmelsoorten] voor de behandeling van resistente depressie, en naar 5-meO-DMT [een krachtig psychedelisch tryptamine dat voorkomt in een groot aantal planten, Europese paddenstoelen en paddensoorten, en sterk verwant is aan de stof DMT]. ‘Ze kunnen heilzaam zijn,’ zei Majić. ‘Maar voor sommigen zijn ze ook schadelijk.’

    Voor Richard was het moeilijk voor te stellen dat hij met zijn existentiële angst naar een traditionele arts zou gaan. ‘Het is moeilijk om iemand te vinden met wie je daarover kunt praten zonder dat diegene denkt dat je gek of psychotisch bent,’ zegt hij. Hij is dankbaar voor de erkenning die hij vond in de polikliniek.

    ‘Ik was overrompeld, niet in staat om mijn leven en mijn gezondheid te reguleren, maar ik was tenminste in staat om hulp te zoeken en ik had het geluk dat die hulp heel toegankelijk voor me was.’

  • De Europese Unie laat zich leiden door angst

    De Europese Unie laat zich leiden door angst

    Bang dat Oekraïne verliest én bang dat Rusland wordt verslagen, bang voor migranten, Gaza en Trump – gedreven door angst maakt de EU slechte keuzes op Europees en internationaal niveau.

    Dossier: Soeverein Europa

    ‘This is Europe’s moment to answer the call of history’, riep Ursula von der Leyen aan de vooravond van de verkiezingen. 360 maakte voor het juninummer (dat nu in de winkel ligt!) in aanloop van de Europese verkiezingen een rondje langs de lidstaten en koos in samenwerking met weekblad De Groene Amsterdammer de meest verheffende en inzichtelijke bijdragen van grote denkers als Varoufakis, Piketty, Mastrobuoni en Krastev, die hun deskundig licht laten schijnen over hoe de Europese integratie verdiept en verbeterd kan worden.

    Op het wereldtoneel heeft Europa niet meer de macht van weleer, toen er een liberale internationale orde bestond die draaide om de macht van de VS en waarin internationale samenwerking floreerde. Inmiddels is die tijd voorbij en is de wereld een andere richting ingeslagen. Sommige kenmerken van het oude systeem leven voort, maar tegengestelde krachten zoals nationalisme, protectionisme en unilateralisme worden allemaal sterker. 

    Europa probeert zich aan deze nieuwe wereld aan te passen, maar om in de huidige tijd macht te kunnen uitoefenen, moet de EU niet alleen zichzelf radicaal anders bezien, maar ook radicaal anders te werk gaan. Dit heeft tot veel zelfonderzoek geleid. Zoals de Franse president, Emmanuel Macron, in zijn laatste toespraak aan de Sorbonne-universiteit toegaf, moet de EU zich aanpassen, wil ze de tand des tijds doorstaan. De EU is, in zijn woorden, ‘sterfelijk’. 

    Dit besef bezorgt Europa grote kopzorgen, zo niet regelrechte angst. En het is deze angst waaruit de slechte keuzes voortkomen die Europese landen en de EU op dit moment maken.

    Neem de inconsistente Europese houding ten aanzien van de Russische invasie van Oekraïne. Waar de Amerikaanse politiek draait om heldendom en overwinning, en de bereidheid om Oekraïne te steunen toeneemt als de Oekraïners goed presteren op het slagveld, lijkt in Europa bijna het omgekeerde het geval. Als Oekraïne er slecht voor staat of aan de verliezende hand is, zijn Europese regeringen eerder geneigd om bij te springen. Uit bezorgdheid over een Oekraïense nederlaag en de gevolgen daarvan voor de veiligheid van het continent, komt Europa in actie, biedt ze iets meer militaire hulp, stemt ze in met het gebruik van rente uit bevroren Russische tegoeden om Oekraïne te steunen, overweegt ze zelfs troepen te sturen, zoals Macron herhaaldelijk heeft voorgesteld.

    Maar doet Oekraïne het goed, zoals in 2022 met de succesvolle tegenoffensieven in Charkiv en Cherson, dan laait in Europa de angst op voor een Russische nederlaag en het risico dat die tot een nucleair armageddon of de ineenstorting van Rusland zal leiden. Zonder te willen afdingen op de politieke, economische en militaire steun die Europese regeringen Oekraïne hebben geboden – en de miljoenen vluchtelingen die EU-landen hebben opgevangen –, heeft deze angst ervoor gezorgd dat er vaak te laat en te weinig militaire hulp kwam. Angst speelt een grote rol bij het lastige parket waarin Oekraïne verkeert – het mag niet winnen maar ook niet verliezen –, wat ervoor zorgt dat de oorlog langer duurt en ontelbare levens kost.

    Europa is niet alleen bang voor deze landen, ze staat letterlijk doodsangsten uit

    Angst verklaart ook voor een groot deel de Europese houding ten aanzien van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Waar angst zich in het geval van Oekraïne vertaalt in overdreven voorzichtigheid en terughoudendheid, uit die zich tegenover de landen ten zuiden van de Middellandse Zee in het volledig afzien van buitenlands beleid. Europa is niet alleen bang voor deze landen, ze staat letterlijk doodsangsten uit. De Europese vergrijzing zou moeten leiden tot een rationeel debat over het bevorderen van legale migratie, maar in plaats daarvan sluit de EU, voortgejaagd door angst, onethische deals met landen in de regio, die een zak geld krijgen in ruil voor de belofte om migratie naar Europa een halt toe te roepen. De recente deals van de EU met regimes in Tunesië, Egypte, Mauritanië en Libanon zijn hier het bewijs van. Voor alle duidelijkheid: het verleden was niet perfect. Zoals de president van de Democratische Republiek Congo, Félix Tshisekedi, onlangs onomwonden in een interview zei: Afrikaanse leiders zijn het opgeheven vingertje van westerse democratieën allang beu en werken liever samen met Rusland en China.

    Dubbele moraal

    Bovendien gaan er achter die mooie woorden over rechtvaardigheid en eerlijkheid altijd materiële belangen schuil. Migratie tegen willen gaan en tegelijkertijd oneerlijke deals sluiten op het gebied van handel en de winning van grondstoffen is niets nieuws. En bij elke crisis worden de zelfzuchtigheid en de dubbele moraal van Europa bevestigd: denk maar aan het ongegeneerde opkopen van vaccins tijdens de pandemie of de veel te lage klimaatfinanciering voor Afrika.

    Maar in het verleden bestond in ieder geval nog een – zij het magere en incoherente – ambitie om invloed uit te oefenen en Afrikaanse landen te helpen door middel van ontwikkelings- en buitenlands beleid. Nu komt het beleid botweg neer op transactionalisme, waarbij Europese landen en EU-instellingen hun Afrikaanse tegenhangers benaderen alsof ze CEO’s zijn die zakendeals sluiten. De ‘geld voor (geen) migranten’-aanpak is geen buitenlands beleid. Het is het terzijde schuiven van buitenlands beleid.

    Angst speelt een nog grotere rol met betrekking tot het Midden-Oosten, met name in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Het is moeilijk uit te leggen waarom Europese regeringen ervoor kiezen om geen invloed uit te oefenen, terwijl ze wel veel invloed zouden kúnnen hebben. De EU is al decennialang een belangrijke handelspartner van Israël, en na de VS is Duitsland Israëls grootste militaire leverancier. De EU is ook de grootste hulpdonor van de Palestijnen. Toch is er niet de minste aanwijzing geweest dat de EU deze pressiemiddelen wilde gebruiken. En daar komt angst weer om de hoek kijken. Angst, in dit geval, voor Israëlische beschuldigingen van antisemitisme. Die gaan inmiddels zo ver dat ze elke vorm van kritiek op Israël of uiting van antizionisme kunnen omvatten.

    Angst ligt ten grondslag aan de voortdurende Europese verdeeldheid over de oorlog in Gaza

    Angst ligt ten grondslag aan de voortdurende Europese verdeeldheid over de oorlog in Gaza, waarbij sommige landen, zoals Duitsland, om evidente historische redenen gevoeliger zijn voor dergelijke beschuldigingen dan andere. Over het algemeen verklaart dat de onwil om vraagtekens te zetten bij de onvoorwaardelijke steun voor Israël, wat de huidige Israëlische regering ook doet. Niemand betwist dat de Israëlische oorlog in Gaza een humanitaire ramp heeft veroorzaakt. Als Israël de grondinvasie van Rafah doorzet, vrezen velen dat de ramp genocidale proporties aanneemt. Maar afgezien van loze woorden wijst niets erop dat Europa van plan is hier ook maar iets tegen te doen.

    Kijken we dus oostwaarts, dan heeft de Europese angst geleid tot onnodige terughoudendheid en uitstelgedrag; kijken we zuidwaarts, dan heeft ze Europa als politieke gemeenschap aangezet tot het laten varen van een buitenlands beleid. Ook de blik westwaarts wordt vertroebeld door angst, nu Europa in afwachting van de Amerikaanse verkiezingen in de rats zit over de terugkeer van Trump. Deze angst werkt verlammend. De terugkeer van Trump is heel goed mogelijk, maar in plaats van voorbereidingen te treffen, doet Europa aan wensdenken.

    Openlijk erkennen dat de EU niet het eeuwige leven heeft, zoals Macron heeft gedaan, is voor Europa de juiste stap om haar houding ten opzichte van de rest van de wereld nog eens tegen het licht te houden. Om Franklin D. Roosevelt te citeren: ‘Het enige wat we moeten vrezen, is de angst zelf.’ Door te zwichten voor FDR’s ‘vage, redeloze, ongerechtvaardigde angst die de vereiste inspanningen om achteruitgang om te zetten in vooruitgang, bij voorbaat verlamt’ riskeert Europa dat haar sterfelijkheid een selffulfilling prophecy wordt. 

  • In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    In Latijns-Amerika is horror onderdeel van het dagelijks leven

    Latijns-Amerikaanse schrijvers als Mónica Ojeda en Samantha Schweblin zijn belangrijke namen in een nieuw soort gothic literatuur. Hun ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ verbeeldt de terreur waar veel vrouwen van Mexico tot Argentinië dagelijks mee te maken hebben.

    ‘Ik ben een auteur van korte verhalen, dus ik ga het ook kort houden.’ Met deze woorden sprak de Argentijnse schrijver Samantha Schweblin afgelopen woensdag tegenover een New Yorks publiek haar dank uit bij de uitreiking van de National Book Award, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van de Verenigde Staten. Ze deelt haar prijs in de categorie vertaalde literatuur met Megan McDowell, die zorg droeg voor de Engelse vertaling van de winnende verhalenbundel Siete casas vacías (Seven Empty Houses, in het Nederlands vertaald als Zeven lege huizen).

    Het is al de derde prijs waarmee de schrijver zich dit jaar profileert. Bovendien is ze de eerste Argentijnse die de National Book Award wint sinds Cortázar dat in 1967 deed met Rayuela: een hinkelspel. Schweblin was echter niet de enige genomineerde Latijns-Amerikaanse schrijver: finaliste in dezelfde categorie was Mónica Ojeda uit Ecuador met haar roman Mandíbula (in het Engels vertaald als Jawbone). Al verschilt Schweblins stijl van die van Ojeda, Siete casas vacías en Mandíbula hebben veel gemeen: beide boeken ademen een ongewone sfeer waarin de horror flirt met het bovennatuurlijke maar ook deel uitmaakt van het verontrustende, gewelddadige dagelijkse leven van de personages. 

    GettyImages 846140432
    Voor de Calabiuza-parade tijdens de viering van de Dag van de Doden in San Salvador, El Salvador, schminken kinderen een doodshoofd op hun gezicht. Op deze feestdag worden precolumbiaanse tradities gecombineerd met de katholieke versie van Allerheiligen. – © Jan Sochor / Getty Images

    Schweblin en Ojeda zijn twee van de bekendere namen in een reeks Latijns-Amerikaanse schrijvers van wat Alejandra Amatto, onderzoeker aan de Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM) en coördinator van het Seminar over Fantastische Literatuur aan dezelfde instelling, typeert als niet-realistische literatuur. In het rijtje Latijns-Amerikaanse schrijvers met succes bij zowel de kritiek als het publiek en met speciale belangstelling voor ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ horen ook Mariana Enríquez, Liliana Colanza, María Fernanda Ampuero, Giovanna Rivero, Cecilia Eudave en Fernanda Trías thuis.

    Dagelijkse horror 

    ‘Sinds 2016 is niet alleen de belangstelling bij het lezerspubliek gegroeid, ook uitgeverijen publiceren en verspreiden inmiddels gretig het werk van diverse Latijns-Amerikaanse schrijvers,’ laat Alejandra Amatto aan elDiario.es weten. ‘In de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw vond een herijking van niet-realistische genres plaats die boven tafel brengen wat de ware dagelijkse vormen van terreur zijn voor ons als Latijns-Amerikaanse vrouwen,’ aldus de academica.

    Het gaat niet aan om zulke uiteenlopende schrijvers uit verschillende windstreken te reduceren tot een bepaalde generatie of een uitgeeffenomeen, maar Mónica Ojeda (Guayaquil, 1988) is het met Amatto en andere door elDario.es geïnterviewde schrijvers eens dat de laatste jaren een groter onthaal ten deel viel aan literatuur ‘waarin wordt gewerkt met angst’. ‘Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat we leven in een wereld die steeds angstaanjagender wordt en dat we die benaderen vanuit nieuwe invalshoeken, bijvoorbeeld vanuit de angst voor raciaal of seksueel geweld,’ licht ze telefonisch toe. Voor Ojeda zit het bijzondere van de Latijns-Amerikaanse schrijvers in het feit dat ze ‘de angst via de geografie belichten’. ‘Omdat onze geografie vanuit het globale noorden altijd als een perifere en marginale plek is gezien, brengen we de lezers iets nieuws waar ze tevoren geen weet van hadden. Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald, daarom levert de beschrijving ervan overal een andere filosofie van de angst op,’ benadrukt ze.

    Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald

    Deze geografische component van de angst krijgt zorgvuldig gestalte in uiteenlopende thematische interesses: Enríquez schrijft over vormen van staatsterreur die te maken hebben met de dictatuur in Chili, Argentinië en Uruguay, Colanzi behandelt de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de landonteigening die veel inheemse groeperingen treft in landen als Bolivia, en auteurs als Ojeda of Ampuero richten zich op patriarchale vormen van geweld in de intiemere, familiaire context, die niettemin verbonden is met de realiteit van Ecuador. ‘Het is niet alleen een thematisch maar ook een structureel perspectief, dat kan worden beschouwd vanuit de context van het genre en van de Latijns-Amerikaanse geografie, maar de reikwijdte is universeel: schrijvers als Enríquez zijn in meer dan vijftig landen vertaald,’ aldus Amatto. 

    Ojeda wijst er ook op dat veel van haar tijdgenoten ‘schrijven over angst en terreur maar niet per se vanuit het genre’. Amatto is het met haar eens en beaamt dat deze Latijns-Amerikaanse schrijvers uit de niet-realistische hoek de mechanismen van het kwaad doorgronden zonder de klassieke parameters van het genre te hoeven volgen, en zich bovendien laten inspireren door nationale en regionale esthetische tradities – de fantastische literatuur van Argentinië, de gothic van de Andes of de ‘zonderlinge’ literatuur van Uruguay – met thematische en esthetische overlappingen.

    GettyImages 1179293733
    © Jan Sochor/Getty Images

    ‘Deze schrijvers werken niet vanuit afgebakende genres en de kritiek moet altijd waken om niet alles over één kam te scheren; zo kunnen we in het geval van Mariana Enríquez denken aan fantastische, angstaanjagende teksten, en in dat van Lilianza Colanzi zie je een mix van Andes-elementen en sciencefiction,’ specificeert de onderzoekster van de UNAM.

    Herontdekt

    Elena Garro, Amparo Ávila, Inés Arredondo, Armonía Sommers en Silvina Ocampo zijn enkele van de Latijns-Amerikaanse schrijvers die zich in de twintigste eeuw bezighielden met horror en fantastische en speculatieve thema’s en nu worden herontdekt door nieuwe generaties schrijvers en vrouwelijke academici. ‘Het genre was vanaf het begin moeilijk in kaart te brengen en werd als minderwaardig beschouwd omdat daarin vanzelfsprekend de dominante maatschappelijke thema’s en codes worden gemeden of juist uit diverse hoeken en percepties worden bevraagd,’ zegt Lola Ancira (Querétaro, 1987), een van de schrijvers die in het Latijns-Amerikaanse panorama uitblinkt met boeken als Despojos of El vals de los monstruos. ‘Ik juich alles wat er rondom door vrouwen geschreven genrefictie gebeurt enorm toe, want die werd decennialang niet erkend of serieus genomen.’

    De Mexicaanse Laura Baeza (1988, Campeche), die in haar verhalenbundel Una grieta en la noche Mexico-Stad gebruikt als spookachtig decor, denkt dat het succes van de Latijns-Amerikaanse schrijvers met hun niet-realistische werk ‘verder gaat dan een historische rechtzetting of een uitgeeffenomeen, maar te maken heeft met hun kwaliteit. ‘Overigens,’ zegt ze, ‘juich ik het toe dat velen bij onafhankelijke uitgeverijen publiceren. Ook de migratie verbindt ons. Er is nog geen aanduiding voor de schrijvers van Midden-Amerika tot aan de grens met de Verenigde Staten, en we moeten het ook hebben over Guatemala, over Belize, over de grens vanuit het specifieke oogpunt van de terreur.’

    ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd’

    ‘Wij zijn de erfgenamen van een Latijns-Amerikaanse literatuur waarin het fantastische genre heel belangrijk was en groeiden op in een tijd waarin zich de democratisering van de film en de popcultuur voltrok, met alle gruwelverhalen van dien,’ verklaart María Fernanda Ampuero (Guayaquil, 1976), die in de verhalenbundels Pelea de gallos en Sacrificios humanos huiselijk geweld en vrouwenmoorden aankaart met een stijl die zowel bloederig als poëtisch kan zijn. ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd, sinds onheuglijke tijden is er die maatschappelijke bezorgdheid die niet te maken heeft met een satanische idee-fixe maar met wat ons in het echte leven overkomt, en ik gebruik dat mechanisme, dat ik goed ken, om over onze tijd te spreken.’

    Ojeda schrijft naar eigen zeggen niet om maatschappelijke thema’s aan te kaarten, want voor haar ‘is de literatuur geen middel maar een doel op zich’, wat niet betekent dat zij of andere schrijvers als zij hun ogen sluiten voor bepaalde misstanden in Latijns-Amerika, zoals de vrouwenmoorden, de verdwijningen en andere gewelddaden die in het bijzonder vrouwen treffen. ‘Ik voel dat ik veel gemeen heb met schrijvers die de angst, het geweld en de pijn voelbaar willen maken. Ik weet niet of je kunt spreken van een generatie, maar ik zie wel overeenkomsten qua interesses, al vind ik het vooral boeiend om de verschillen en het eigene van iedere blik binnen een collectief te herkennen,’ aldus Ojeda. ‘Het lijkt me niet goed om de eigenaardigheden van bepaalde schrijvers te verdoezelen om ze maar te laten passen in een bepaald frame.’

    Verwantschap

    Baeza zegt zich juist onderdeel te voelen van ‘een generatie die zich voedt met andere generaties’. Eerder heeft ze de roman Niebla ardiente gepubliceerd met de gruwelijke vrouwenmoorden in Mexico als uitgangspunt, maar de bundel Una grieta en la noche is haar eerste horrorboek. In een land waar iedere dag tien vrouwen worden vermoord blijft Baeza schrijven over femicide, want ‘dat is waarmee ik iedere dag wakker word’. ‘Maar,’ zegt ze, ‘ik moest daarvoor wel de werkelijkheid vervormen, en die vrijheid heb ik binnen dit genre en het korte verhaal, dat voor mij een onuitputtelijk laboratorium is.’

    ‘Ik voel verwantschap met een heleboel andere Latijns-Amerikaanse schrijvers wat hun zoektocht betreft, maar niet qua resultaat. Ieder van ons volgt een eigen weg, de een schrijft realistisch, de ander schept een complete kosmogonie,’ benadrukt María Fernanda Ampuero. Los van het strikt literaire voelt ze zich als vrouw met andere Latijns-Amerikaanse schrijfsters verbonden in de aanklacht: ‘Wij zijn bang, wij maken ons grote zorgen om het geweld tegen vrouwen en meisjes, tegen het ecosysteem, tegen de inheemse gemeenschappen die de strijd aangaan met grote ondernemingen, en dat komt vanzelfsprekend in de literatuur terecht.’

    La creacion de las aves Remedios Varo 2
    In La creación de las aves combineert de Mexicaanse surrealistische schilder Remedios Varo een hoge dosis surrealisme, symboliek en fantasie. Een vreemd wezen, een kruising tussen uil en mens, gebruikt wetenschap en magie om verschillende vogels te creëren. – © Museo de Arte Moderno de México

    Er is weliswaar een lange rij van in de jaren zestig, zeventig of begin tachtig geboren schrijvers die volledig door de kritiek en de lezers zijn omarmd, maar er zijn ook schrijvers die nu doorbreken en aandachtig naar de vorige lichting kijken. Alicia Mares (1996) en Andrea Chapela (1990), beiden uit Mexico, publiceerden onlangs in Spanje hun verhalenbundels Cocodrilario (uitgegeven door Horror Vacui) en Ansibles, perfiladores y máquinas de ingenio (uitgegeven door Almada). Mares gebruikt lijfelijke, brute horror die direct is terug te voeren op bijvoorbeeld Ojeda’s stijl, terwijl Chapela in verschillende van haar verhalen een apocalyptisch en hypertechnologisch Mexico oproept.

    ‘Al spelen mijn verhalen in Tlaxcala, Tijuana of Veracruz, wat ik beschrijf is een terreur die zich afspeelt in een intiem bestek, binnen de vier muren van een huis, in een gemeenschap,’ vertelt Mares, terwijl ze als haar grote voorbeelden onder andere de verhalenbundel Las voladoras van Mónica Ojeda noemt en meer schrijvers uit de Andes, zoals Giovanna Rivero. Mares maakt deel uit van een generatie die veel van haar literaire voorbeelden heeft leren kennen via sociale media, wat voor Amatto het succes verklaart van deze schrijvers, die met hun volgers in gesprek zijn en in real time berichten delen, een manier om literatuur buiten academische en specialistische kringen te verspreiden.

    Eigen stijlmiddelen

    Lola Ancira komt nog met namen als Viridiana Carrillo, Magdalena López en Yesenia Cabrera, ‘die het genre ieder voor zich benaderen vanuit eigen perspectieven en met eigen stijlmiddelen’. ‘De nauwste band die ik voel met andere schrijvers van mijn generatie betreft het onheilspellende en lichamelijke: linksom of rechtsom komt de vrouwelijke lichamelijkheid in ons werk aan bod,’ meent ze. ‘En ook het vraagstuk van het afwijkende moederschap. Thema’s die tot voor kort te intiem en onbeduidend werden gevonden, terwijl juist het intieme eigenlijk het publieke verandert.’

    De canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen

    Het is een feit: de canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen. Schweblin wilde het in haar dankwoord dan misschien kort houden, maar zowel zij als vele andere Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben nog een lange weg te gaan. ‘Wat ik belangrijk vind is dat we elkaars werk lezen, ik leer van degenen die er waren, die er zijn, en die net komen kijken,’ aldus Laura Baeza. En Ojeda acht de speculatieve, horror-gerelateerde literatuur niet alleen waardevol om ‘je eigen tijd goed te lezen, maar ook om te anticiperen op de toekomst’. ‘Interessant voor Latijns-Amerika is dat vele schrijvers zich via deze genres afwenden van de richtsnoeren van het globale noorden en naar binnen kijken, naar wat hen omringt: ze distantiëren zich van de canon die is geschreven door witte mannen en gaan nadenken over hoe het bij henzelf toegaat – speculatieve fictie op een andere plek, dat is het echt interessante,’ concludeert ze.

  • Oorlog, crises, inflatie: hoe zorgen we dat angst ons niet verlamt?

    Oorlog, crises, inflatie: hoe zorgen we dat angst ons niet verlamt?

    In deze uitzonderlijke tijden is er genoeg om bang voor te zijn – zo vreest de helft van de Duitsers dat er een derde wereldoorlog gaat uitbreken. Weekblad Stern ging op bezoek bij degenen die dagelijks proberen anderen van hun angstgevoelens af te helpen.

    Enkele weken geleden, ergens midden in september, besloot ik, een volwassen man, weer eens een keer met mijn ouders op vakantie te gaan. Ze hadden een huis gehuurd in Denemarken, hetzelfde als in 2017, toen ik daar de laatste keer met hen de vakantie had doorgebracht. Een vrijstaand huis met rieten dak, de grote tuin omzoomd door bomen, als een muur tegen de wreedheid van de huidige tijd. ’s Morgens, ’s middags, ’s avonds en ’s nachts: altijd was het er rustig, het leek alsof je nergens zo ver weg was van de rest van de wereld als hier. Op de eerste dag dacht ik dat alles nog was zoals vroeger.

    Maar het was niet zoals vroeger.

    Want al op de tweede dag zat ik met mijn vader op het terras te bakkeleien over de Oekraïnepolitiek van de bondsregering. Ik was vóór de levering van zware wapens, en wel snel; hij had nog geen mening, was aarzelend, ik begreep niet waarom. Ik ging harder praten, ik geloof dat ik iets hoogdravends zei als: ‘Wanneer wij het Europa waarin wij leven en waarin onze waarden gelden verdedigd willen zien, moeten we toch met alle middelen voorkomen dat Rusland deze oorlog wint.’

    Mijn vader werd even stil. Toen zei hij: ‘Ik ben gewoon enorm bang.’

    Mijn vader is tweeënzeventig jaar. Aan het begin van zijn leven lag Duitsland in puin als gevolg van het het naziregime. Toen hij naar school ging, stationeerde Rusland middellangeafstandsraketten op Cuba; dertien dagen lang vreesde de mensheid voor haar ondergang in een atoomoorlog. Toen hij volwassen was, pleegden linkse terroristen en rechts gepeupel aanslagen in de Bondsrepubliek, explodeerde een reactor in een kerncentrale bij Tsjernobyl; de Muur viel, vliegtuigen vlogen in wolkenkrabbers in New York, er was oorlog in Vietnam, in Irak, op de Balkan, in Afghanistan, in Syrië, en weet ik waar nog meer. Toen hij met pensioen ging, verkondigden wetenschappers steeds luider dat de zeespiegel zou stijgen en dat we er iets tegen moesten doen als we niet wilden dat onze soort werd weggevaagd. Toen kwam er een pandemie die het leven van mijn vader, die tot de risicogroep behoort, heel direct bedreigde.

    En toch, bezwoer hij op die dag in september, was hij waarschijnlijk nog nooit in zijn leven zo bang geweest voor de wereld als nu. Bang dat ons land, dat Europa kapot zal gaan. Door de inflatie en de stijgende energieprijzen die de mensen niet alleen in armoede zouden storten, maar ook tot extremisme zouden aanzetten. Door Poetins dreigement atoomwapens in te zetten in een oorlog die nog geen 800 kilometer van onze grens wordt gevoerd en die ons dagelijks leven heeft veranderd – vandaag, morgen en misschien voorgoed, wie zal het zeggen? Ik wilde er niet van horen. Ik schudde mijn hoofd. We staakten ons twistgesprek en bleven het oneens.

    Zorgen

    U vraagt zich misschien af waarom ik u vertel over mijn vader en zijn zorgen? Nou, omdat u toch net zo bang bent. Omdat we toch allemaal een beetje |zijn zoals hij. Statistisch gezien dan. Want de meeste Duitsers zijn nu bang: 67 procent vreest dat alles steeds duurder en op zeker moment onbetaalbaar zal worden. En de helft is bang voor een derde wereldoorlog. 

    DT707
    The Creation of the World and the Expulsion from Paradise, van de Italiaanse schilder Giovanni di Paolo, 1445. – © Robert Lehman Collection / Metmuseum

    De zorgen zijn al lang in onze samenleving doorgedrongen. De loon-prijsspiraal bijvoorbeeld, zo zei politicoloog Manfred G. Schmidt onlangs bij de evaluatie van het jaarlijkse angstonderzoek van verzekeraar R+V, maakt mensen in alle lagen van de bevolking bang. Dat geldt zowel voor rijke ondervraagden als voor arme, voor jong en voor oud, voor mannen en vrouwen, voor aanhangers van alle partijen in alle bondslanden. De angst is overal.

    De vraag is: hoe raken we die angst weer kwijt? 

    Als Josephine Teske vertelt over de mensen in haar gemeente die niet weten of ze in de winter de kachel kunnen stoken, hoe ze hun woning moeten betalen, moet ze soms huilen. Teske (36) kijkt naar het houten kruis dat voor een kale betonnen wand achter het altaar staat. Ze is dominee, hier in de Rogate-kerk aan de noordoostelijke rand van Hamburg. Rogate is Latijn en betekent ‘vraag’. ‘Het ergste,’ zegt Teske, ‘was toen een vrouw wanhopig bij mij kwam omdat ze niet meer wist hoe ze haar kinderen genoeg te eten moest geven.’

    ‘Vreest niet’

    Het overwinnen van levenscrises – de zielszorg – is al eeuwenlang een van de hoofdtaken van de kerken. Het geloof is sterk dat er uiteindelijk een paradijs op ons wacht – en niet dat er voor die tijd een wereld is die een klein mannetje aan een lange tafel in Moskou kapot zou kunnen bombarderen. ‘Vreest niet’, zegt God, zeggen de engelen, zegt Jezus.

    Toen een andere vrouw haar in september op sociale media schreef dat ze nog maar 3,50 euro had voor de resterende halve maand, dacht dominee Teske: Shit. Samen met haar zocht ze hulp bij consultatiebureaus en de voedselbank.

    Zielenrust

    ‘De toekomst ziet er stralend uit… als je er maar in gelooft!’ Het tweemaandelijkse blad L’Actualité uit Quebec wijdt zijn hoofdartikel van 5 december aan optimisme, dat een van de hoekstenen van geluk wordt genoemd. Volgens recent psychologisch onderzoek zou ongeveer de helft van een optimistische levenshouding genetisch bepaald zijn, terwijl de rest wordt beïnvloed door onze omgeving, onze levensomstandigheden en de manier waarop wij gebeurtenissen zelf interpreteren. En ‘het goede nieuws is dat je kunt leren het leven van de zonnige kant te zien’. Een van de adviezen die L’Actualité citeert is dat we onze mislukkingen of tegenslagen met een welwillende blik moeten bezien. Ook moeten we ‘concrete en meetbare actie in onze naaste omgeving ondernemen, zoals vrijwilligerswerk in onze wijk’, in plaats van te grote doelen na te streven; met het zweet des aanschijns los je de klimaatcrisis niet op. Het laatste advies dat wordt gegeven is het verrassendst: ‘Geef toe dat het leven tragisch is. We worden allemaal wel een keer getroffen door ongeluk. Wie dat erkent zal de weg naar zielenrust vinden.’

    Teske is niet zo’n geestelijke die problemen probeert op te lossen met bijbelcitaten. Ze ziet zichzelf als luisterend oor, als iemand die bemoedigt. Vooral jongvolwassenen en ouders delen momenteel hun angsten en zorgen met de dominee, die zich vooral inzet voor kinderen en gezinnen. Zo was er de beginnende studente die na de dienst klaagde dat ze geen betaalbare woning kon vinden. Of de kinderen die Teske vragen stellen over de oorlog en bang zijn dat ze net als de Oekraïense kinderen hun vaderland moeten verlaten. Teske luistert, zwijgt, is gewoon aanwezig. Dat is wat mensen in nood nodig hebben, zegt ze. Niet een of ander goed advies. ‘Ik zou het aanmatigend vinden om te doen alsof ik weet hoe een moeder zich voelt die niet meer weet hoe ze het in de winter warm moet krijgen.’

    Angst is ouder dan welke religie ook. Het is een van onze oerinstincten. De evolutie heeft ons gemaakt tot geciviliseerde wezens die steden bouwen, en auto’s waarin we tussen die steden heen en weer rijden; wezens die parlementen kiezen en diepvriespizza’s kopen, die in dierentuinen naar dieren kijken en slapen op ergonomisch perfecte matrassen; wezens die ziekten genezen en levens verlengen. Alleen de angst, daar heeft de evolutie ons niet van kunnen verlossen. 

    Wij zijn geprogrammeerd voor een constante inschatting van risico’s, dat is ons geluk en onze pech

    Bij het geringste teken van gevaar duurt het slechts een milliseconde tot waarschuwingssignalen de plek in onze hersenen bereiken waar angst ontstaat: de amygdala. Angst fungeert als het lichaamseigen alarmsysteem, zorgt als het erop aankomt dat we het overleven. Fight, flight or freeze: vechten, vluchten of doen alsof je dood bent. Het is een oeroud mechanisme in het lichaam, dat door de signaalstof adrenaline in werking treedt.

    Wij zijn geprogrammeerd voor een constante inschatting van risico’s, dat is ons geluk en onze pech. Want bij een vals alarm kunnen we de angst niet simpelweg uitschakelen. De kans dat iemand sterft op een lijnvlucht is ongeveer 0,0000005 procent; toch heeft een op de zes Duitsers vliegangst. Hoe irrationeel het scenario ook is, de angst ervoor is altijd heel reëel. De zwetende handen zijn reëel, de duizeligheid is reëel, net als het gevoel van onmacht.

    Je kunt de angst van mensen niet ontkennen. Je kunt alleen maar proberen ze van hun angst af te helpen.

    Levenscrises

    Ongeveer 15 kilometer van Teskes kerk zit Helen Charlotte Müller in haar kantoor in het Hamburgse Marien-ziekenhuis, waar twee rode stoelen staan; haar witte jas hangt naast de deur aan de kapstok. Müller (31) is psychotherapeut, ze werkt in de polikliniek. 

    Hier komen mensen die in crisis verkeren. Omdat ze niet meer weten hoe het verder moet, of omdat hun arts of hun vrienden en familie erop aandringen. Eerste hulp, dat klinkt als: even zien wat nodig is. Er wordt hier op afspraak gewerkt; op het psychotherapeutisch spreekuur moet Müller de urgentie van een behandeling inschatten. Eerste contact, noemt ze dat.

    Neologismen: Solastalgie en symbiotude

    De discussie over klimaatverandering en de gevolgen daarvan heeft een heel scala aan neologismen het licht doen zien.

    Zozeer zelfs dat twee Amerikaanse kunstenaars, Alicia Escott en Heidi Quante, het Bureau of Linguistic Reality hebben opgericht om deze neologismen te inventariseren en nieuwe te bedenken. Zo kun je bijvoorbeeld spreken van ‘solastalgie’, een term die de Australische filosoof Glenn Albrecht heeft gemunt om de ontreddering te beschrijven die wordt veroorzaakt door een verandering in onze omgeving of het verdwijnen van een troostrijke plek. Maar als tegenwicht tegen deze woorden die vertwijfeling uitdrukken heeft Albrecht ook een zachtaardiger woord bedacht, zoals hij in 2020 op het Australische onlinenetwerk The Conversation vertelde: ‘Om beter bestand te zijn tegen het gevoel van eenzaamheid [als gevolg van het ontregelde klimaat] heb ik het idee “symbiotude” bedacht.’ Deze term, die de antoniemen ‘symbiose’ en ‘solitude’ (eenzaamheid) met elkaar verbindt, herinnert ons eraan dat we moeten ‘nadenken en samenwerken met anderen om weer aansluiting te vinden bij het leven’. Kortom, dat we solidair met elkaar moeten zijn.

    Het gaat in deze gesprekken vooral om acute, individuele levenscrises, bijvoorbeeld een miskraam, de diagnose van een ernstige ziekte of het verlies van een dierbare. Als het gaat om een ziekte die behandeld moet worden, bijvoorbeeld een depressie, is er aansluitend een therapie, die in het ziekenhuis, deels klinisch of ambulant, kan worden gegeven. Meestal komen patiënten dan pas te spreken over algemenere problemen die hen in hun dagelijks leven bezighouden, zegt Müller. ‘De oorlog, corona of de inflatie: het zijn dagelijkse zorgen en angsten die in onze gesprekken langskomen, zoals waarschijnlijk ook overal elders. Maar in de regel zijn die niet de directe aanleiding waarom patiënten hierheen komen.’

    Veerkracht

    Dat is eigenlijk goed nieuws. Het getuigt van veerkracht in uitzonderlijke tijden. Ook de statistieken wijzen in die richting. Hoewel in onze wereld juist de crises met elkaar versmelten tot één grote kluwen van zorgen, is het aantal mensen dat jaarlijks te kampen heeft met angsten die behandeld moeten worden de laatste tijd redelijk stabiel gebleven; dat ligt op ongeveer 15 procent.

    ‘Bezorgdheid over de huidige oorlog of de economische situatie heeft niets te maken met angststoornissen,’ zegt ook Arno Deister, bondsvoorzitter van de actiegroep Psychische Gezondheid. ‘Controleverlies en onzekerheid, het gevoel iets niet meer in de hand te hebben: daaruit ontstaan vaak angsten.’ Je zorgen maken over de actuele situatie is daarom om te beginnen normaal. ‘Mensen met een angststoornis ervaren angst op een dieper niveau, dat zich onttrekt aan rationele overwegingen. Er is sprake van ziekelijke angst wanneer mensen bij angst niet meer in staat zijn hun gedachten en gevoelens te controleren, en als er een angst voor de angst ontstaat.’

    Dat doet enigszins denken aan de uitspraak van Franklin Roosevelt die de laatste jaren vaak werd geciteerd: ‘Het enige wat we te vrezen hebben, is de vrees zelf.’

    Dat klopt natuurlijk ook niet helemaal. Angst is niet alleen maar slecht. Angst kan een waardevolle helper zijn. In 1908 beschreven de Amerikaanse psychologen Robert Yerkes en John Dillingham Dodson de relatie tussen prestatievermogen en stressniveau, indertijd met behulp van muizen. Hun observaties leidden tot de zogenaamde wet van Yerkes-Dodson, die in een grafiek de vorm heeft van een omgekeerde U. Te weinig of te veel angst vermindert volgens die wet de prestaties, terwijl het hoogste punt, het moment van optimaal prestatievermogen, samenvalt met een gemiddeld angstniveau. Dat is de good anxiety, de goede angst. De Amerikaanse neurowetenschapper Wendy Suzuki heeft daar onlangs een boek aan gewijd. De boodschap: angst kan het beste uit onszelf halen, mits ze in de juiste dosis komt.

    Maar de waarheid is ook dat die prestatieverhoging, oftewel die zelfoptimalisatie door angst, niet voor iedereen is weggelegd. Neem nu de bankier die vertelt dat hij klanten heeft die voor een fortuin aan auto’s in de garage hebben staan, maar nu toch hun verwarming terugdraaien tot 19 graden, zodat de gasvoorraden niet te snel op raken.

    Voor de mensen die zich tot Bernd Siggelkow wenden is het beslist geen optie om de angst toe te laten. Die beheerst hun dagelijks leven al.

    Study with the couch Freud Museum London 18M0143
    Praktijk van Sigmund Freud met de legendarische sofa. Freud Museum, Londen. – © Wikimedia

    Siggelkow is de oprichter van kinderhulpcentrale Die Arche [De Ark]. Hij neemt al weken waar hoe de zorgen van ouders over inflatie groeien. Zijn medewerkers melden telefoontjes van huilende moeders die zeggen dat ze al dagen niets meer in de koelkast hebben. Verzoeken om levensmiddelen zouden toenemen, ook omdat de voedselbanken op veel plaatsen geen nieuwe klanten meer aannemen, zegt Siggelkow. Nu komen ook veel mensen die zich tot dusver schaamden naar de oude school in [het Berlijnse district] Marzahn-Hellersdorf, een van de negenentwintig vestigingen van Die Arche. 

    In het souterrain ruikt het naar eten. Aan een buffet kunnen kinderen en jongeren zich dagelijks een vers gekookte maaltijd laten opscheppen, zoals in een kantine. Daarbij zijn er dranken, een kleine salade, een toetje en fruit. Allemaal gratis. Met het dienblad in de hand zoeken ze een plaatsje aan de tafels. Van maandag tot en met vrijdag worden alleen al in de Berlijnse Arche-filialen dagelijks zeshonderd middagmaaltijden verstrekt. In heel Duitsland zijn het er bijna vijfendertighonderd. 

    Greta Thunberg

    ‘Soms vind ik het raar, omdat ik weet dat veel mensen gedeprimeerd zijn door de klimaatcrisis, maar ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. Misschien omdat ik me nuttig voel,’ zei Greta Thunberg tegen de Süddeutsche Zeitung. De Duitse krant vroeg diverse mensen naar hun idee over geluk in tijden van crisis. De jonge Zweedse klimaatactiviste vertelde ook dat ze op haar negentiende soms moeite heeft met het nemen van beslissingen, maar dat de belangrijkste keuzes haar vaak juist het duidelijkst voor ogen staan.

    Siggelkow zet zich sinds 1995 in voor arme kinderen en hun ouders. Hij kent hun situaties. ‘Ik heb de indruk dat de mensen nu bedrukter en gespannener zijn,’ zegt hij. ‘Je kunt merken dat ze wanhopig zijn omdat ze achttien uur per dag worstelen met zorgen en problemen.’

    Onder de ouders die zich tot Die Arche wenden, zijn ook veel alleenstaande moeders die bang zijn dakloos te raken omdat ze zich een nabetaling of hogere bijkomende kosten niet kunnen permitteren. ‘Veel ouders zijn al eens hun woning kwijtgeraakt vanwege huurschulden,’ zegt Siggelkow. De kinderen dreigen dan in de opvang terecht te komen, dat is een veelbesproken thema in deze gezinnen. Als de belangrijkste taak van Die Arche ziet Siggelkow niet alleen de verdeling van levensmiddelen, maar ook de morele ondersteuning. ‘Veel arme gezinnen hebben niemand die naar hen luistert. Maar Die Arche is er al zevenentwintig jaar. De mensen weten: daar krijg ik niet alleen mijn brood, maar ook een mentaal opkikkertje.’

    Onder woorden brengen 

    Naar elkaar luisteren, elkaar serieus nemen: het klinkt misschien als een cliché, een holle frase. En toch, dominee Teske en psychotherapeut Müller zeggen ook dat een van de belangrijkste stappen tegen angst erin bestaat de mensen eerst eens hun zorgen te laten uitspreken. Ook Gabriele Stark, hoofd telefonische zielszorg van de katholieke kerk in Stuttgart, zegt: ‘Als de mensen hun zorgen onder woorden kunnen brengen en daarmee begrip vinden, los je al iets op.’

    Onze samenleving wordt aangetast door een soort geprikkeldheid

    Een partner hebben die niet oordeelt is ook uit wetenschappelijk oogpunt een belangrijke steunpilaar van mentale weerbaarheid, van dat wat psychologen resilience (veerkracht) noemen. Daar komen al die dingen bij waarvan we al weten dat ze helpen, maar die we toch zo zelden doen: bewegen, pauzes inlassen in het werk en in de hectische stroom van pushberichten, sociale contacten onderhouden. Beslissend is ook de zelfwerkzaamheid: beseffen dat je niet overgeleverd bent aan de situatie in de wereld, maar dat je de loop van je leven zelf kunt beïnvloeden.

    Gelatenheid lijkt niet zo moeilijk. In theorie.

    In de werkelijkheid neemt socioloog Stephan Lessenich waar hoe de steeds sneller op elkaar volgende crises ertoe leiden dat onze samenleving wordt aangetast door een soort geprikkeldheid. Over deze diagnose van de tijdgeest heeft hij onlangs een boek uit-gebracht, Nicht mehr normal: Gesellschaft am Rande des Nervenzusammenbruchs (‘Niet meer normaal: Samenleving op de rand van een zenuwinzinking’). Lessenich zegt: ‘Een uiting van deze fundamentele nervositeit is ook dat een afgewogen discussie over de inhoud nauwelijks meer mogelijk is. In plaats daarvan zien we snelle tegenwerpingen, snelle stellingnames, alles is heel opgewonden.’

    Op de vraag wat je zou moeten doen om de mensen van die nervositeit af te helpen, zegt hij: ‘Je zou eigenlijk beschermde ruimtes moeten scheppen waar mensen van gedachten kunnen wisselen over hun eigen zorgen, noden en angsten. Fysieke ruimtes waarin mensen elkaar ontmoeten en kunnen praten over de betekenis van wat er gebeurt, zonder dat ze elkaar meteen naar de strot vliegen.’ Dat doet denken aan plekken als de kerk van Teske, de telefonische zielszorg van Stark, de spreekuren van Müller, Die Arche van Siggelkow.

    Zelfs mensen met milieuangst nemen het er weleens van

    Onder de redenen voor neerslachtigheid neemt de klimaatcrisis een belangrijke plaats in. Het Duitse weekblad Die Zeit sprak met zes milieuactivisten van tussen de 20 en 62 jaar, die vertelden over hun manieren om op adem te komen en voor zichzelf te zorgen.

    ‘Angst is verlammend, ook die voor klimaatverandering’, begint Die Zeit. In deze periode van ‘gelijktijdige crises’ zien de klimaatactivisten tot hun wanhoop dat de ecologische crisis op de achtergrond raakt. Ze hebben dus ‘een stevige strategie’ nodig om de zaak weer vlot te trekken. Clara Mayer, een 21-jarige student geneeskunde in Berlijn en lid van de klimaatbeweging Fridays for Future, vertelt bijvoorbeeld aan het blad dat ze troost vindt in handenarbeid: ‘Soms heb ik alleen maar zin om te knutselen.’ Haar hobby heeft kortgeleden ‘een heel nieuwe dimensie’ gekregen. ‘Ik heb voor een vriend een adventskalender gemaakt in de vorm van een miniatuur-kamertje vol kerstversiering. Daar ben ik dagen mee bezig geweest.’

    Op diezelfde manier heeft Aimée van Baalen haar toevlucht gezocht tot tekenen en schilderen. Deze 22-jarige vrouw, die aanvankelijk tatoeëerder was maar daarna ‘voltijdsactivist’, legt wat haar dwarszit vast op het doek. ‘De oorlog in Oekraïne, al dat extreme weer van de afgelopen zomer, de mislukte oogsten en de watertekorten kan ik maar moeilijk van me afzetten. Maar als ik mijn creativiteit tot uitdrukking laat komen, kan ik mijn hoofd een beetje leegmaken.’

    ‘Alleen in boomtoppen voel ik me werkelijk vrij,’ zegt de 40-jarige Française Cécile Lecomte, die actievoert tegen kern- en kolencentrales. Ondanks haar handicap – ze heeft polyartritis – klimt ze in bomen om haar zinnen te verzetten. Jakob Blasel, een 21-jarige milieuactivist, zoekt afleiding in hardlopen: deze rechtenstudent, die tijdens de Duitse verkiezingen van 2021 op de kieslijst van Die Grünen stond, rent graag in zijn eentje grote afstanden om zijn geest leeg te maken. (Hij geeft ook eerlijk toe dat hij regelmatig naar ‘grappige filmpjes op TikTok’ kijkt.)

    Lichaam en geest zijn hecht met elkaar verbonden tijdens het beoefenen van tai chi, waarvan de 62-jarige Thomas Gärtner een liefhebber is. Deze oprichter van het collectief Omas for Future [‘Oma’s voor de toekomst’] noemt het een vorm van ‘bewegingsmeditatie’: ‘Als ik bezig ben met tai chi is mijn hele geest maar op één ding geconcentreerd, ik denk nergens anders meer aan. Elke beweging vereist de souplesse van een kat.’ Om enig tegenwicht te bieden aan ‘het slechte nieuws over de uitputting van de natuur’ doet de zestiger ook elke avond voor het slapengaan zijn best om ‘zich de goede momenten van de afgelopen dag te herinneren’, bijvoorbeeld dat hij naar wilde ganzen heeft gekeken of gewoon zijn kleinkinderen heeft gezien. ‘Het klinkt misschien vreemd,’ zegt de 20-jarige Helena Marschall, maar als ze studeert en zich overgeeft aan het plezier van het leren, vergeet ze haar milieuangst. ‘Als ik een uur per dag langer aan het klimaat besteed – met het risico dat ik de redenen voor mijn betrokkenheid vergeet – zal de planeet daar heus niet beter van worden,’ zegt ze.

    Of het perron van metrostation Emilienstrasse in Hamburg. Hier zit Christoph Busch – een tengere man met grijs haar, een ronde bril en een waakzame blik – achter het raam van zijn luisterkiosk. Op het perron tussen twee sporen in, omringd door de 8900 in- en uitstappers per dag, zit hij met een milde glimlach te wachten. Vierenhalf jaar geleden was het groot nieuws toen deze man hier een luisterkiosk opende. Dat iemand daar gewoon zat om te… luisteren, en niet meer dan dat – niet uit financieel belang en zonder enige bedoeling om voordeel te halen uit de ontboezemingen. Inmiddels is de luisterkiosk van Busch een vertrouwde verschijning. Om reden van discretie mag je de gesprekken niet afluisteren, maar Busch kan er wel over vertellen. 

    Zijn er nieuwe angsten? Nee, dat gelooft hij niet. Wat je hier merkt, is dat veel mensen voor corona, de inflatie en de Russische inval al kapot waren, velen leefden ook daarvoor al op de grens van hun krachten. Soms, wanneer er niemand binnenkomt, kijkt Busch naar de metrostellen en naar de reizigers die zich aan de lussen vasthouden. ‘Die vermoeidheid op de gezichten! Die uitputting!’ zegt hij. 

    Maar de mensen komen niet bij hem om te vertellen over hun hoge gasrekening. Dat soort alledaagse dingen is hoogstens de grondverf van de verhalen, achtergrondruis. Bij wat er verteld wordt gaat het meestal om privézorgen: teleurstellingen in de relaties met anderen, wonden van vroeger, kwetsuren uit de kindertijd. Hoogte- en dieptepunten in het leven, zegt Busch. Maar meestal dieptepunten. Zijn kiosk is dan een biechtstoel, een safe space voor de zorgen.

    Luisterend oor

    Dus hoe ernstiger de toestand in de wereld, hoe individueler de zorgen. Ja, dat zou je misschien kunnen zeggen, zegt Busch. ‘De angsten die nu gangbaar zijn, zijn vaak zo reusachtig en abstract en diffuus dat ze de mensen terugwerpen op zichzelf. Wat wil ik van het leven? Wat vind ik belangrijk? Wat is er misgegaan? Waar heb ik spijt van?’ vertelt hij, het hoofd steunend op zijn hand.

    En misschien schuilt daarin ook een belangrijk inzicht: dat, omgekeerd, vaak juist het ontbreken van een luisterend oor de angst nog versterkt, ja aanwakkert: het onbegrip, het ontkennen van angsten die er niet mogen zijn. Het morele oordeel over de angsten die ze desondanks toch hebben. Zo krijgen ze het gevoel dat ze door die angsten idioten worden die volkomen alleen staan met hun zorgen.

    ‘Je kunt niks anders doen dan het allemaal op je af te laten komen en het proberen te ontwijken’

    Bovendien is in uitzonderlijke tijden juist voortdurend solidariteit nodig. Maar betekent solidair zijn met elkaar niet ook dat je niet tegen elkaar moet opbieden met je angsten, maar die van de anderen moet erkennen als wat ze zijn: reëel?

    Voordat ik deze tekst schreef, belde ik nog een keer met mijn vader. Ik vroeg hoe het met hem ging. ‘Niet veel beter,’ zei hij. ‘Je kunt niks anders doen dan het allemaal op je af te laten komen en het proberen te ontwijken.’

    Hij zei ook: ‘Dat we nog zulke tijden moeten meemaken, dat zou ik ons allemaal niet hebben toegewenst.’ Ik zei: ‘Ik ook niet.’ Daar waren we het over eens. 

    Lees ook:

     

  • In China is de angst voor het virus omgeslagen in de angst voor buitenlanders

    In China is de angst voor het virus omgeslagen in de angst voor buitenlanders

    Terwijl in veel landen voortdurend lockdowns worden verlengd en aangescherpt, lijkt China het virus onder controle te hebben. Maar de angst is gebleven: nu voor Europeanen. Een reis door het land waar de pandemie oorspronkelijk vandaan kwam.

    Provincie Sichuan, in het zuiden van China. Een klein stadje. Overal waar je kijkt, zie je bergen. 22.40 uur: er wordt op de deur geklopt. ‘Politie, opendoen alstublieft.’ Onmiddellijk komen er twee mannen in beschermende ziekenhuiskleding naar binnen, onder al de lagen plastic kun je hun gezichten nauwelijks zien. Bij allebei schijnt op borsthoogte een rood lampje door hun beschermende kleding: het lichtje van de automatische gezichtsherkenning, waar inmiddels veel politieagenten in China standaard mee zijn uitgerust. Inderdaad politie dus.

    ‘Het spijt ons, maar u moet een coronatest doen,’ zegt een van hen met een door zijn mondkapje gedempte stem. ‘Omdat u van buiten komt.’ Achter hen op de gang staat een derde, onzichtbare man. Hij heeft een metalen koffertje bij zich met een sticker die aangeeft dat er biologisch gevaarlijke stoffen in zitten.

    Chinese aangelegenheid

    Het jaar 2020 was in China een jaar vol angst. In het begin natuurlijk vooral voor de mensen in Wuhan, waar eind 2019 het eerste geval van een nieuw soort longontsteking werd gemeld. Op 23 januari 2020 grendelde de Chinese regering deze miljoenenstad volledig af. Een paar dagen eerder was van officiële zijde nog verklaard dat de situatie onder controle was.

    Wie iets anders beweerde, zoals de arts Li Wenliang, werd monddood gemaakt. Hij overleed op 7 februari 2020 aan de gevolgen van een Covid-19 infectie. En met hem, alleen al in Wuhan, 3800 anderen. In totaal raakten in China volgens officiële opgaven 86.000 mensen geïnfecteerd, van wie 4634 zijn overleden. Begin dat jaar lagen in de ziekenhuizen van Wuhan de lijken opgestapeld in de gangen. Nabestaanden moesten op het kerkhof in de rij staan en een nummertje trekken om een graf voor een overledene te krijgen. 

    Op dat moment beschouwde de rest van de wereld het nieuwe virus voor het grootste deel nog als een puur Chinese aangelegenheid. Over de hele wereld vertelden mensen die er Aziatisch uitzagen over discriminatie en scheldpartijen, hier en daar kwam het zelfs tot ernstige handtastelijkheden. Toen de pandemie een maand later Europa had bereikt en landen als Italië, Spanje en Frankrijk geen grip meer op het virus hadden, had China zo te zien het ergste al achter zich. De draconische maatregelen van de regering hadden succes gehad, het aantal nieuwe besmettingen was drastisch afgenomen. Maar de angst bleef, ook al was het voorwerp van de angst veranderd: iedereen was nu bang voor de mensen die het virus blijkbaar weer het land in brachten: buitenlanders.

    Toen de drie zwaar afgeschermde mannen mijn kamer binnenkwamen, was ik al vanaf het begin van het jaar doorlopend in China. Veruit de meeste tijd in Beijing, waar de inwoners maandenlang alleen met een speciaal pasje en nadat hun temperatuur was opgenomen hun woningen in mochten.

    In augustus, toen de situatie in China wat ontspannener leek, ben ik naar het zuiden gereisd om drie weken met de auto door het Chinese platteland te reizen. Niet alleen, maar met Chinese vrienden. Zij komen op dit moment mijn hotelkamer in het stadje in Sichuan binnen. Alles onder controle, ze kennen de situatie. Ze nemen de drie politieagenten mee naar hun kamer, naast de mijne, en lossen het probleem op. Het is niet voor het eerst dat ze overdreven bange functionarissen tegenkomen. 

    De angst wordt verhevigd door het narratief van de staatsmedia, waarin corona heel slim wordt voorgesteld als een buitenlands probleem

    Wat veel Chinezen zich niet lijken te realiseren: al maandenlang worden er vrijwel geen visa meer verstrekt. Wie zich in het land bevindt, is daar in de meeste gevallen al maanden. En iedereen die het land binnenkomt, maakt niet uit waarvandaan, moet twee weken in quarantaine in een hotel. Ook de Chinezen zelf. 

    Nieuwe gevallen zijn er nauwelijks meer, op veel plaatsen hangt er al een tijd weer een glimpje normaliteit in de lucht. In augustus werd in Wuhan zelfs alweer vergunning verleend voor een reusachtige pool party. Maar de angst is gebleven, verhevigd door het narratief van de staatsmedia waarin corona heel slim wordt voorgesteld als een buitenlands probleem. Dat narratief gaat erin als koek en lijkt de angst aan te wakkeren, met name op plaatsen waar men bijna geen contact heeft met buitenlanders. 

    Health Kit-app

    Nog altijd hetzelfde stadje. We lopen een wokrestaurant binnen. Een man van middelbare leeftijd met een kind springt op en rent de zaak uit, het kind kan hem bijna niet bijhouden. We zien wat mensen geïrriteerd naar ons kijken, maar we gaan toch zitten en bestellen. Nog geen vijf minuten later is de politie er. Hun auto parkeren ze een paar meter verderop neer, maar we weten meteen dat ze voor ons komen. Twee jonge agenten stappen uit en komen binnen. 

    ‘Waar komt u vandaan?’ vraagt een van hen vriendelijk. ‘Wat komt u hier doen?’ En dan moeten we natuurlijk onze Health Kit-app laten zien; als je die niet hebt kom je nergens. Als je in een bepaalde provincie bent, moet je je op de Health Kit app ter plaatse registreren en een paar dingen invoeren, bijvoorbeeld waar je de afgelopen tijd bent geweest en of je de laatste twee weken symptomen hebt gehad. 

    We laten onze app zien, de agenten bieden hun excuses aan dat ze ons gestoord hebben en zeggen weer gedag. ‘U moet begrijpen dat door de pandemie een bijzondere situatie is ontstaan, er zijn hier geen buitenlanders en de mensen zijn bang.’ We begrijpen het. We hebben overdag al gezien hoe de mensen ons bang aankijken. We zagen ze vlug een mondkapje opzetten en met een grote boog om ons heen lopen. En steeds maar weer vragen of we soms Amerikanen waren. ‘Nee? Dan is het goed.’ 

    De latente scepsis tegenover buitenlanders is hier in China onderdeel van je leven als buitenlander

    Nog altijd in Sichuan. Een bergdorp, niet ver van de Jangtsekiang. De enige straat van het dorp is 150, misschien 200 meter lang. Aan twee kanten winkeltjes waar sinds de jaren negentig niets veranderd lijkt te zijn. Een bruggetje over een beek, links en rechts koopvrouwen met groenten. Overal overwegend oude mensen en kinderen, de jonge mensen zijn naar de stad vertrokken om geld te verdienen. Een paar loslopende honden, en een uithangbord zoals je in Chinese dorpen vaak ziet: ‘Gehoorzaam de Partij.’ Over een paar maanden staat dit allemaal onder water, want dan is de stuwdam die hier in de buurt wordt aangelegd klaar en overstroomt het gebied, net als destijds bij de Drieklovendam. Vanaf december zullen de mensen verhuisd worden.

    We zijn nog geen tien minuten in het dorp of de politie komt er al aan. De patrouille, een man en twee vrouwen, rijdt ons voorbij. Een paar meter verderop staat een vierde agent, die ons onopvallend probeert te fotograferen. We gaan zitten en bestellen ontbijt. De eigenaar van het eettentje is spraakzaam. Met een bedrag per vierkante meter wil de regering de dorpsbewoners uitkopen, maar in de stad is een vierkante meter veel duurder. Voor hem is dat gelukkig geen probleem, hij heeft elders woningen en kan makkelijk verhuizen. Een andere man hoort ons praten als hij langs loopt en mengt zich opgewonden in de conversatie. De regering betaalt veel te weinig, een paar dorpsbewoners zijn daarom al naar de rechter gestapt. De man begint steeds harder te praten. In de verte duikt de patrouille weer op. Tijd om te vertrekken.

    Of we journalisten zijn, vraagt iemand ons onderweg naar de auto. ‘Nee, we willen boven een tempel bekijken.’ We gaan sneller lopen. 

    Alles onder controle
    © David Kamin

    De latente scepsis tegenover buitenlanders is hier in China onderdeel van je leven als buitenlander. Daar zijn, onder andere, historische redenen voor. In de negentiende eeuw zijn westelijke koloniale mogendheden, waaronder Duitsland, in China gewelddadig tekeergegaan. Troepen, gestuurd door keizer Wilhelm, trokken moordend en brandschattend door het land. 

    Die tijd, die in de Chinese geschiedschrijving als de ‘Eeuw van de schande’ wordt aangeduid, is deel van het collectieve Chinese bewustzijn en werkt door tot op de dag van vandaag. Trumps anti-Chinaretoriek, de handelsoorlog, het door corona ontstane ressentiment in Europa: het wordt hier, gefilterd en versterkt door de staatsmedia, allemaal nauwkeurig waargenomen en wakkert de wij-tegen-henmentaliteit weer aan. En het maakt dat de scepsis tegenover buitenlanders die je altijd al ervaart de laatste tijd steeds vaker omslaat in vijandigheid. 

    Excuses

    In een bar in een willekeurig stadje in Sichuan bijvoorbeeld. De eigenaar heeft nog nooit een buitenlander ontmoet en is helemaal in de wolken. Maar een paar gasten zouden liever hebben dat er geen buitenlanders kwamen, dat merk je direct. Twee vrouwen zetten hun mondkapje zo demonstratief op, dat je het niet kunt missen. Een jonge man heeft geen last van sociale angst en komt bij ons zitten. 

    Hij wil ambtenaar worden en bereidt zich dezer dagen juist voor op het examen, voor de zoveelste keer. Daadwerkelijk in staatsdienst komen, is hier bijna onmogelijk. Want voor de honderden of zelfs duizenden mensen die het examen afleggen, is er vaak maar één baan beschikbaar. Een groepje mensen aan een ander tafeltje verlaat de bar, kennelijk vanwege ons, vertelt hij later en biedt ons daarvoor zijn excuses aan. 

    De levensomstandigheden, de druk waarmee jonge mensen in China vaak moeten omgaan, kun je je als buitenlander moeilijk voorstellen. De dimensies zijn in China gewoon anders en dat merk je in alle aspecten van het leven: concurrentie in de studie, concurrentie om een baan. 

    De coronacrisis fungeerde in velerlei opzicht als een katalysator en heeft de extreme dimensies nog extremer gemaakt. Er zijn miljoenen werklozen, vooral in sectoren met lage lonen, en daarnaast grote winnaars, zoals  ondernemer Jack Ma en Alibaba, de Chinese tegenhanger van Amazon. De mensen die maandenlang thuis zaten bestelden zo veel dat zich bij de afhaalpunten elke dag enorme stapels pakketjes vormden waar de bezorgers niet doorheen kwamen. 

    Het eerste stuk tofu op de gril is nog niet gaar of daar komen ze al aan

    Met de dranklucht die in de provincie Guizhou op veel plaatsen in de lucht hangt nog in onze neus, arriveren we in het volgende stadje. Hier verbouwen ze de gerst voor de beroemde Chinese likeur baijiu

    Onder het avondeten gaat de telefoon. ‘Goedenavond, met de districtspolitie.’ Ze willen ons een paar vragen stellen, we kennen het al. Het eerste stuk tofu op de gril is nog niet gaar of daar komen ze al aan. Uit een politieauto en een ambulance stappen vier agenten, twee verpleegsters en twee medewerkers van het districtsbureau. 

    Ik ben even afgeleid, de vrouw van het districtsbureau moet haar vraag herhalen. Ik kom een stapje dichterbij en zij gaat meteen een stap achteruit. Wanneer ik voor het laatst het land ben binnengekomen. Of ik al eens een coronatest heb gedaan. Waarom we eigenlijk hier zijn en wanneer we weer weggaan. Ik ben relaxed, de vragen ken ik al. 

    Politie, ziekenhuis en districtsbureau stellen alle vragen vijf keer lijkt het wel, en trekken zich dan terug om te overleggen. De vrouw van het districtsbureau is aan de telefoon, waarschijnlijk met haar chef, die haar hiernaartoe heeft gestuurd. En die waarschijnlijk weer onder druk staat van zíjn chef. 

    Wat in Europa en elders nog ondenkbaar is, is hier al werkelijkheid

    Of een opdracht eigenlijk wel zinvol is, weet onder in de keten vaak niemand meer in dit gecentraliseerde systeem met zijn eindeloze hiërarchieën, en het kan ze ook niet schelen. De chef moet tevreden zijn, dus willen ze in geen geval negatief opvallen. De vrouw hangt op en doet verslag: alles is in orde, maar we moeten wel morgen weg zijn, zoals we hebben gezegd. De volgende ochtend zijn we al onderweg naar de volgende plaats als de telefoon weer gaat. Of we ook echt zijn vertrokken, wil het districtsbureau weten. ‘Ja hoor, daar hoeft u niet bang voor te zijn.’

    Het is ondertussen allemaal al een paar maanden geleden. Terug in Beijing doet het leven steeds meer denken aan hoe het voor de pandemie was, oppervlakkig beschouwd in elk geval. Wat in Europa en elders nog ondenkbaar is, is hier al werkelijkheid: de bioscopen zijn open, in de clubs is het even druk als tevoren. Er wordt stevig geconsumeerd en met de economie schijnt het weer beter te gaan. 

    Maar in Shanghai zijn er toch een paar nieuwe gevallen. Onlangs werd het grote vliegveld Shanghai Pudong zonder pardon afgesloten om een massatest uit te voeren toen twee medewerkers positief getest waren. Volgens de Chinese Global Times werden zo’n 100.000 mensen vastgehouden, op Twitter verschenen video’s van veiligheidsbeambten die probeerden te voorkomen dat de in paniek geraakte menigte op de vlucht sloeg. 

    Daarnet ging mijn telefoon, een mededeling van het ziekenhuis: ‘Wie de afgelopen twee weken in Hulunbuir, Tianjin, Shanghai of Fuyang is geweest, wordt verzocht zich conform de bepalingen van de pandemiebestrijding in Beijing onmiddellijk in het ziekenhuis te melden met een geldige coronatest.’

  • ‘Journalistiek is 
toe aan verandering’

    ‘Journalistiek is 
toe aan verandering’

    Ulrik Haagerup, voormalig directeur informatieve programma’s van de Deense publieke omroep, vindt dat de journalistiek toe is aan verandering. ‘Traditionele media vertellen een deprimerend verhaal. Het wekt wantrouwen en apathie op.’

    Le Temps: De digitale revolutie heeft de media-wereld op zijn kop gezet. U hebt gezegd dat de journalistiek in een crisis verkeert.

    Ulrik Haagerup: ‘De economische basis van de pers kalft af. Maar dat is niet het enige probleem waarmee de journalistiek te kampen heeft. De mensen hebben geen vertrouwen meer in ons. Ze geloven niet meer in de berichtgeving van de media. Tegelijkertijd neemt ook het vertrouwen in ons politieke systeem af, het populisme viert hoogtij, de angst neemt toe en er is een groeiende kloof tussen de 
werkelijkheid en de perceptie van die werkelijkheid bij de burgers. Verandering is dan ook onontkoombaar. Maar die verandering moet niet alleen van de anderen komen.’

    Moet de verandering van de journalisten komen?

    ‘Als journalisten doen we erg ons best om aan politici uit te leggen dat zij verantwoordelijk zijn voor de crisis waarin de democratie zich bevindt en dat zij moeten veranderen. Maar we moeten ook zelf in de spiegel kijken en opnieuw nadenken over de fundamenten van de journalistiek. Er is een reëel probleem met de manier waarop wij het vak uitoefenen. Constructieve journalistiek is een manier om met andere ogen naar het vak te kijken, zonder de basisprincipes van goede, evenwichtige en kritische journalistiek geweld aan te doen. Deze manier van journalistiek bedrijven kan ons een nieuwe rol geven in een tijd waarin de media zwaar onder vuur liggen.’

    Kunt u een voorbeeld geven van de crisis waarin de journalistiek zich bevindt?

    ‘Een Amerikaanse sportschoolketen heeft pas geleden aangekondigd dat ze televisies in de trainingsruimtes gaan verbieden; het bedrijf vindt dat het niet bij een gezonde levensstijl past om naar nieuws op 
tv te kijken. Wij hebben altijd geleerd dat een verantwoordelijke burger de krant leest, op de hoogte blijft van het nieuws, zowel lokaal als nationaal als 
internationaal. Vorig jaar heeft het Reuters Institute for the Study of Journalism van de Universiteit van Oxford een enquête gehouden onder miljoenen mensen die besloten hebben de traditionele nieuwsmedia links te laten liggen. Van de ondervraagden denkt 48 procent dat het een negatieve invloed heeft op hun geestelijk welzijn als ze het nieuws volgen; 37 procent zegt geen vertrouwen te hebben in de media en 28 procent denkt dat er toch niets aan alle problemen te doen is. Vooral jongeren en vrouwen vinden het verhaal dat de traditionele media vertellen deprimerend. Het wekt wantrouwen en apathie op.’

    ‘De mensen hebben het gevoel dat de wereld er veel slechter aan toe is dan eigenlijk het geval is’

    Waar zit het probleem in?

    ‘Zelfs de serieuze media zijn de wereld gaan filteren naar hun eigen opvattingen, en hebben zo een kloof geschapen tussen de werkelijkheid en de perceptie van die werkelijkheid bij het publiek. De mensen hebben het gevoel dat de wereld er veel slechter aan toe is dan eigenlijk het geval is. In die context is de constructieve journalistiek meer nodig dan ooit, gezien de gebeurtenissen rond president Trump en de Brexit.’

    Hoe zou de journalistiek met Trump moeten omgaan?

    ‘Hoe het komt dat Trump is gekozen, blijft voor een deel een raadsel. Maar duidelijk is dat hij heeft geprofiteerd van een ongekende gratis media-aandacht. Geen enkele presidentskandidaat heeft zo veel aandacht van de media gekregen. De reden daarvoor? Donald Trump wist in te spelen op de behoeften 
van de media. Elke keer als hij zijn mond opendoet, roept hij een controverse op. Hij maakt heel efficiënt en beter dan wie ook gebruik van de sociale media. Doordat hij zo buitensporig is, zijn zelfs de 
zogenaamd serieuze media in zijn ban geraakt.’

    Is de constructieve journalistiek een antwoord 
op Donald Trump?

    ‘Nee. Dit is geen anti-Trump-beweging. Wel is de verkiezing van Trump symbolisch voor wat de 
journalistiek oplevert wanneer ze alleen de uitersten belicht, wanneer ze voorrang geeft aan simplistische boodschappen, aan een zwart-witbeeld van de wereld. De wereld is complex. Als de media de indruk geven dat de wereld op instorten staat, moet je niet verbaasd staan dat de mensen zich zorgen maken, dat ze bang zijn hun baan te verliezen en denken 
dat er meer criminaliteit is dan ooit. In zo’n context is het voor een kandidaat gemakkelijk om te zeggen dat hij de oplossing heeft.’

    Zijn de media hiervoor verantwoordelijk?

    ‘Door de manier waarop zij de actualiteit filteren, effenen ze het pad voor figuren als Donald Trump. Wij vertellen alleen wat niet goed gaat. Dat wil 
niet zeggen dat we liegen, maar we schetsen geen compleet beeld van de werkelijkheid. Want de werkelijkheid van deze planeet is nog nooit zo positief geweest. De criminaliteit neemt af, het aantal 
verkeersongelukken is gedaald. In de geschiedenis van de mensheid zijn er nooit eerder zo weinig doden als gevolg van oorlog gevallen, en dat zelfs ondanks de tragedie in Syrië. Maar de mensen weten dat niet. Zij denken dat het juist van kwaad tot erger gaat. Of als ze gaan stemmen, baseren ze zich niet 
op de feiten, maar op wat zij dénken van de feiten.

    Daarom doen veel kandidaten in politieke functies geen moeite meer om de feiten te presenteren. Ze brengen alleen de perceptie over die zij het publiek willen inprenten. Die verschuiving grijpt steeds verder om zich heen en is heel gevaarlijk voor de democratie en de journalistiek. Zo wordt het falen van de journalisten zichtbaar. Carl Bernstein, een van de twee Washington Post-onderzoeksjournalisten in het Watergateschandaal, heeft eens tegen me gezegd: “Journalistiek is op zoek gaan naar de versie die het dichtst bij de waarheid komt, en die aan het publiek presenteren.” Het is tijd om de mediacultuur te veranderen.’

    Ulrik Haagerup schreef het boek Constructive News: How to Save the Media and Democracy with Journalism of Tomorrow en is directeur en medeoprichter van het Constructive Institute, ofwel het instituut voor constructieve journalistiek, in het Deense Aarhus.
    Ulrik Haagerup schreef het boek Constructive News: How to Save the Media and Democracy with Journalism of Tomorrow en is directeur en medeoprichter van het Constructive Institute, ofwel het instituut voor constructieve journalistiek, in het Deense Aarhus.

    Maak je de werkelijkheid niet mooier dan ze is, 
als je alleen maar goed nieuws brengt?

    ‘Constructieve journalistiek wil niet een soort Noord-Koreaanse journalistiek bedrijven. Het gaat erom 
dat we andere invalshoeken kiezen en ons op de 
toekomst richten in plaats van op het verleden. 
De journalistiek moet proberen een inspiratiebron 
te zijn. Onze taak als journalisten is om meer mensen bij het debat te betrekken, zodat we samen oplossingen kunnen vinden. Journalisten moeten daarin de rol van bemiddelaar en facilitator spelen.’

    Kan constructieve journalistiek wel samengaan met onderzoeksjournalistiek die de werkelijke zwaktes van de macht wil blootleggen?

    ‘David Boardman, de vroegere hoofdredacteur van de Seattle Times en de vader van de onderzoeksjournalistiek, drukte dat heel goed uit tijdens onze 
grote conferentie vorig najaar in Aarhus. Hij zei: 
‘De constructieve journalistiek sluit de cirkel van 
de onderzoeksjournalistiek.” Hij bedoelde dat 
journalistiek een tweerichtingsproces is dat de samenleving helpt zichzelf te corrigeren. Ja, het is ons werk om vraagtekens te plaatsen bij de macht, 
om aan te tonen waar die niet goed functioneert. Maar tot nu toe dachten wij meestal dat goede 
journalistiek ging om het opsporen van nieuwe 
problemen, zonder dat wij ons bezig hoefden te houden met de vraag hoe die opgelost moesten worden. Die leemte probeert constructieve 
journalistiek op te vullen.’

    Wat is het doel van het Constructive Institute waarvan u aan het hoofd staat?

    ‘Ons doel is even ambitieus als naïef. We willen in vijf jaar tijd de mondiale informatiecultuur veranderen. Dat het vertrouwen in de media is verdwenen is zo ernstig en gevaarlijk voor de democratie dat we geen vijf jaar meer kunnen afwachten. Willen journalisten gerespecteerd worden door de samenleving, dan moeten ze weten waar ze over praten. Dat vraagt om journalisten die hun eigen belangen ondergeschikt maken aan het gemeenschappelijk belang. Het is niet de roeping van de journalist om verhalen te 
verkopen aan adverteerders. En ook niet om een 
activist te zijn die probeert de manier waarop mensen denken te beïnvloeden.’

    U was bij een persontmoeting van de VN. Welke indruk hebt u daaraan overgehouden?

    ‘De VN vervullen een enorme taak, maar de communicatiecultuur tussen de woordvoerders van de VN 
en de internationale pers concentreert zich op wat de journalisten aan hun redactie kunnen ‘verkopen’: dramatische gebeurtenissen en voortdurende problemen. Het gevolg: de mensen over de hele wereld krijgen telkens weer het idee dat alles van kwaad 
tot erger gaat. We moeten de Bermudadriehoek van het populisme veranderen: politici, deskundigen en 
journalisten moeten een genuanceerd, realistisch en onderbouwd beeld geven van de werkelijkheid, om burgers te helpen de weg te vinden in onze bedreigde democratieën.’

    Het economische model van de pers staat zwaar onder druk. Hoe moeten de media gefinancierd worden?

    ‘Als Europeaan heb ik me grote zorgen gemaakt over het referendum van 4 maart in Zwitserland over de publieke omroep. Dat de Zwitsers, enigszins uit onwetendheid, ervoor konden kiezen om die vorm van journalistiek, de publieke omroep, af te schaffen, was heel gevaarlijk voor de cohesie van het land. Die cohesie heeft een prijs. Ik zeg niet dat de publieke omroep niet kan veranderen, dat je er geen kritiek op kunt hebben. Maar het was naïef om te denken dat de markt, Facebook en Google het Zwitserse publiek, ook op het platteland, even goed zouden kunnen informeren.’

    Auteur: Stéphane Bussard

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

    CONTEXT: Referendum Omroepbijdrage

    De Zwitsers blijven een bijdrage betalen voor hun publieke omroep; bij een referendum stemde 71 procent tegen het voorstel om de Billagomroepbijdrage [genoemd naar het bedrijf dat de gelden incasseert, Billag ] af te schaffen. Elk huishouden in Zwitserland betaalt ongerekend zo’n 390euro per jaar voor de publieke omroep. Het voorstel kreeg warme bijval in het Italiaanssprekende kanton Tessin. In de Duits- en Franssprekende landsdelen was het enthousiasme een stuk minder. Weliswaar zijn de Zwitsers het erover eens dat de publieke omroep het wel wat zuiniger aan moet doen en dat een bijdrage voor de publieke omroep niet meer van deze tijd is, vooral door de opkomst van streamingdiensten als Netflix, maar een meerderheid vindt dat in alle taalgebieden programma’s van dezelfde kwaliteit moeten worden uitgezonden, waarvoor alleen de publieke omroep garant kan staan; 68 procent vreesde in de nieuwsvoorziening al te afhankelijk te worden van omroepen die geheel door het bedrijfsleven
    worden gesponsord.

  • ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    Mag je massamoordenaars monsters noemen? Ja, vindt hoogleraar filosofie Stephen T. Asma. ‘Monster is een woord dat we gebruiken voor mensen van wie we gedrag, motieven, denkpatronen vrijwel niet of totaal niet kunnen begrijpen.’ 

    Keuze uit het archief

    Ook al is het in liberale samenlevingen not done om mensen te demoniseren, stelt filosoof Stephen T. Asma in dit artikel uit 2017, toch zijn er nog steeds monsters onder ons. Zoals massamoordenaar Stephen Paddock, die in 2017 zestig mensen doodschoot tijdens een countryconcert in Las Vegas. Hoe gaan we om met dit soort mensen van wie de daden buiten ons voorstellingsvermogen liggen?

    Wat is een monster eigenlijk?

    ‘Het woord komt van het Latijnse werkwoord monstrare, waarschuwen. Met name in de antieke Griekse en Romeinse cultuur werd het woord bijvoorbeeld gebruikt voor een baby die was geboren als Siamese tweeling, of die een arm of been miste, of er juist een extra had. Zo’n kind werd beschouwd als een monster. De Grieken noemden hen teratos. Ze dachten dat het een gruwelijke straf was voor immoreel gedrag – een idee dat ook de middeleeuwse christenen graag toepasten om allerlei voorspellingen te doen. Het was een teken dat er onheil dreigde voor de staat of voor de keizer van dat moment of voor een bepaalde veldslag. Een monster is een mengeling van natuurlijke rampspoed en bovennatuurlijke betekenis.’

    Zijn monsters een uiting van weerzin?

    ‘Ja, er komt ook altijd een emotioneel en affectief aspect bij kijken. Een interessante filosoof, Noël Carroll, laat zien dat monsters, vooral moderne monsters uit het horrorgenre, altijd slijm uitscheiden of extra aanhangsels en tentakels hebben. Ze hebben iets wat ingaat tegen ons gevoel voor lichaamsbarrières of lichaamsbegrenzingen. Dat veroorzaakt vaak het gevoel van walging. Daarom zijn monsters vaak politiek zo nuttig. Een beschaving die ten oorlog trekt, zal altijd de tegenstanders demoniseren of “monsteriseren”. Die worden dan neergezet als onbeschaafd en walgelijk, bijvoorbeeld als het gaat om hun seksuele hygiëne. Ze worden een mikpunt van afkeer.’

    Dus in sociologische termen zijn zij de ‘outgroup’?

    ‘Juist: jij bent anders dan wij. Vreemdelingenhaat loopt als een rode draad door de geschiedenis van monsters. Als jij anders bent dan wij, dan reageren we met walging of zijn we bang en op onze hoede. Dat zie je in de antieke wereld, in de middeleeuwen en ook nu nog in het heden, aan de manier waarop wij onze vijanden neerzetten.’

    Heeft religie een rol gespeeld in het vormen van monsters?

    ‘Religie bouwt nooit alleen maar een pantheon van goden. Die goden zijn altijd een antwoord op een dreiging die wordt gepresenteerd via een of ander monsterverhaal. Als je naar de oudste verhalen kijkt, of dat nu in de hindoeïstische, de Chinese of de Mesopotamische literatuur is, zoals de Gilgamesj, altijd kom je er wel een monsterheld of heldmonster tegen. Dit moet wel te maken hebben met een evolutionaire strategie voor het vormen van fictieve familiegroepen. Hoe zorg je dat grote aantallen mensen die geen bloedverwanten zijn toch samenwerkende groepen worden? Daarvoor heb je dit soort verhalen nodig.’

    Frankenstein.
    Frankenstein

    Hebben monsters een evolutionaire functie?

    ‘Anderen wegzetten als monsters kan een uiterst nuttige aanpassing geweest zijn voor de eigen overleving als groep. De natuur was geen warm, gezellig holletje. Zulke horrorverhalen hadden nut omdat mensen erdoor gingen oppassen voor echte vijanden – zowel voor dieren als voor menselijke vijanden. Het folkloristische weerwolfverhaal was wijdverbreid in Europa. Dat is logisch, want de wolven in Noord-Europa waren een bedreiging voor Europeanen. In de Amerika’s bestaat een weerbeerfolklore, omdat oorspronkelijke Amerikanen zich zorgen maakten over echte beren en bang waren opgegeten of aangevallen te worden door beren. Als je naar de monsters van die werelden kijkt, zie je dat ze eenzelfde transformatiefunctie hebben. Het dier dat je kunt worden, of waarvoor je bang moet zijn, is het plaatselijke roofdier.’

    U schrijft dat er nog een andere kant aan het verhaal zit. Welke is dat?

    Dat gaat om een interessant gegeven dat niet veel aandacht krijgt. Daarbij gaat het niet om xenofobie, maar om xeno-nieuwsgierigheid. Een klassiek voorbeeld is dat van Sint-Augustinus. Hij weet dat monsters geacht worden in Afrika en het Oosten te leven. Daartoe behoren ook cyclopen en cynocehali, wezens met een hondenkop, en de blemmyes, wezens zonder hoofd maar met hun gezicht op hun borst. Iedereen denkt dat deze monsters incarnaties van het kwaad zijn, de kinderen van Kaïn: doorboor hun hart en ze zijn er geweest. Maar Augustinus benadrukt de “wonderlijke” kant van deze schepsels. Hij zegt: “Deze wezens zijn griezelig, maar als we met ze kunnen praten en als dan blijkt dat ze een bepaald vermogen tot redelijk denken bezitten, kunnen ze misschien gered worden, dan kunnen ze misschien deel uitmaken van de Verlossing.”’

    ‘Volgens het moderne, liberale standpunt heeft het monster een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen’

    Hoe is deze traditie door de jaren heen overgeleverd?

    ‘Het is typisch iets voor het westerse liberale denken om de kring van tolerantie uit te willen breiden naar degenen die anders zijn dan jij. Vanuit het moderne liberale standpunt is het heel verkeerd om een afkeer te hebben van vreemdelingen. Je hoort anderen niet te monsteriseren of demoniseren, je hoort geen walging van hen te voelen. Zo kun je ook Frankenstein interpreteren. Als ze op middelbare scholen Frankenstein behandelen, gebruiken ze dat verhaal om te laten zien dat je agressie en geweld oproept door geen verschillen in je groep toe te laten. Dat is een liberale interpretatie van het monster. Het monster is niet het kwaad. Het monster heeft een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen.’

    Wanneer werd ‘monster’ een term voor een mens?

    ‘Dat is echt een interessant onderwerp. Er zijn een paar lijnen die we kunnen volgen. Een loopt naar de oude Grieken, die het verschijnsel van een monsterlijk verlangen kenden. Je kon een verlangen in je hebben dat zo overweldigend was dat het je van jezelf vervreemdde. Dat Medea haar kinderen vermoordt, dat de ene persoon de andere doodt of dat liefde je krankzinnig maakt, komt doordat Eros je monsterlijke dingen laat doen. Het was een bezetenheid van binnenuit, een psychologisch vermogen dat je niet goed had gekanaliseerd. Ik denk dat die lijn doorloopt tot Freud en het idee van een “id” dat ons ware zelf is. In ons allemaal zit iets wat zorgvuldig moet worden beheerst. Anders pleegt het psychopathologische daden. Dat zie je nu met de schutter van Las Vegas. We willen weten waarom hij het deed. Is er iets in onszelf dat ons ook iets dergelijks kan laten doen als we het niet in de hand houden?’

    Zou u Stephen Paddock, de schutter van Las Vegas, een monster noemen?

    ‘Jazeker. Daar komt de term “monster” nog steeds goed van pas. Hij verwijst naar een categorie monster dat we niet kunnen begrijpen. Zodat we zeggen “Dit gaat er bij mij echt niet in. Hier snap ik helemaal niks van.”’

    Waarom komt de term ‘monster’ dan goed van pas?

    ‘Veel mensen denken: Ach, het woord monster is niet meer van deze tijd, je moet het niet meer gebruiken; je moet mensen en hun drijfveren begrijpen. Ik ben van mening dat de term monster nog steeds goed bruikbaar is wanneer je met iemand als Stephen Paddock te maken krijgt. Een van de kenmerken van een monster is dat het niet iemand is met wie je rationeel kunt onderhandelen. Met een vijand kun je nog raakvlakken vinden, zijn er dingen die je kunt volgen. Je vijand haat je misschien. Misschien heeft het conflict een economische achtergrond. Monster is een woord dat we alleen gebruiken voor mensen met wie niet onderhandeld kan worden. Het is vrijwel, zo niet geheel onmogelijk om hun gedrag, hun motieven, hun denkpatroon te begrijpen. Ons gebruikelijke inlevingsvermogen werkt bij deze mensen niet. “Monster” roept negatieve associaties op, en daar valt over te discussiëren. Maar in dit geval is het volkomen terecht om het woord te gebruiken.’

    Moeten we ons eenvoudigweg neerleggen bij het feit dat mensen monsterlijk kunnen zijn?

    ‘Dat is een lastige vraag. Ik heb eens een rechter geïnterviewd die zich dertig jaar lang had beziggehouden met de beestachtigste misdadigers waarover wij alleen maar in de krant lezen. Hetzelfde geldt voor mijn broer, die als detective voor een advocatenkantoor werkt. Allebei zeggen ze hetzelfde: soms ondervraag je iemand die gevangenzit omdat hij zijn kinderen heeft vermoord of iets anders gruwelijks heeft gedaan, maar zodra je met zo iemand in gesprek raakt, wordt het heel moeilijk om hem als monster te blijven zien. Mijn broer vertelde me een keer over zijn gesprek met een man die algemeen gezien wordt als een monster. Na een paar uur komt het gesprek op muziek. Het blijkt dat ze dezelfde muzikale smaak hebben. Misschien roken ze samen een sigaret. Plotseling heb je met zo iemand een natuurlijke menselijke relatie. Dat verandert wel iets aan je neiging om deze persoon alleen maar als een monster te zien.

    ‘In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: ‘Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad’’

    De rechter maakte een onderscheid. Hij zei: “Ik vind hun daden monsterlijk, maar ik zie de persoon niet als een monster.” Volgens mij maakt de wet daar nog een extra onderscheid bij. In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: “Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad.” Het Amerikaanse recht kent nog een categorie mens, die wordt aangeduid met die prachtig negentiende-eeuws klinkende term: iemand die een “kwaadaardig hart” heeft. Dat is echt een juridische term, want hij maakt deel uit van de juridische definitie van malice – boze opzet – en staat in de Californische strafwet. Het betekent dat het een karakterkwestie is. Deze persoon heeft de bedoeling een ander pijn te doen, en geniet daar mogelijk van. Ik vind het interessant dat de wet erkent dat er mensen zijn die gewoon door en door slecht zijn en ingeperkt moeten worden. Het is niet zo dat ze een moment van monsterlijkheid hadden of een monsterlijke daad pleegden. Dit zíjn monsters.’

    Maar kun je een persoon scheiden van zijn of haar daden? Het is toch een en hetzelfde brein dat erachter zit.

    ‘Ja, dit zijn typeringen die voortkomen uit de folklore, neem ik aan. Maar folklore is vaak overheersend in de wet. Aan de andere kant, als je er alleen vanuit de neurowetenschap naar kijkt, kan ik me voorstellen dat je al snel naar determinisme neigt. Wat zouden we tegenkomen wanneer we in de hersens van iemand als Stephen Paddock keken? Vinden we dan een tumor? Er is nog geen ander motief opgedoken, dus neig ik in die richting. Misschien was het iets dergelijks. De zaak is nog niet afgerond. We hebben meer informatie nodig. Maar je hebt gelijk: kan een beestachtige daad worden gescheiden van de persoon, is de persoon niet de som van zijn daden? Aan de andere kant hebben we wel enig onderscheid nodig tussen iemand die iets doet terwijl hij tijdelijk de controle over zichzelf kwijt is, en iemand die bewust een gruweldaad bedenkt en tot in de details uitwerkt. Daarom is een term als “karakter” nog steeds bruikbaar in de menswetenschappen. In termen van de neurowetenschap, tja, er zal heus geen afzonderlijk mensje in de hersens zitten, maar er is misschien wel een verhaal te vertellen over het falen van het systeem dat de impulsen moet beheersen.’

    Is elk mens in staat tot monsterlijkheid?

    ‘Ik denk dat elk mens in staat is tot het plegen van monsterlijke daden, maar echte monsters zijn vrij zeldzaam. Onze darwiniaanse erfenis heeft ons allemaal evolutionair gevormde vormen van agressie meegegeven, maar onze roofdierneigingen worden getemperd door verzorging en culturele opvoeding. Bij psychopathische persoonlijkheden spelen een gebrek aan goed ouderschap en culturele opvoeding vaak een rol, in combinatie met hersenafwijkingen. Toch kunnen ook bepaalde ideologieën zoals het jihadisme of het imperialisme een normaal gesproken empathisch persoon in een monster veranderen. Slechte ideeën kunnen onze prosociale gevoelens een andere richting geven en een kwaadaardig hart scheppen.’

    Wie of wat maakt een leider monsterlijk?

    ‘De tirannieke man heeft aantrekkingskracht voor mensen die zich bedreigd voelen of voor een staat die zich bedreigt voelt. Dat zie je telkens weer. Sociologen en antropologen noemen dit het verschijnsel van de “sterke man”: een groep voelt zich bedreigd, hun basisbehoeften worden niet vervuld, en er komt een charismatische, tirannieke figuur op. Zo ging het met Hitler. Zo ging het met Stalin. Ik heb in Cambodja gewoond en weet veel over het verhaal van de Rode Khmer en Pol Pot. Maar zelfs Plato zei het al in zijn Republica. Het interessante is dat het moeilijk is kritiek op zo iemand te leveren of er tegenwicht aan te bieden, omdat de tiran of de monsterlijke leider alleen maar agressief hoeft te zijn. Dat is zijn enige taak. Jij kunt wel zeggen dat hij irrationeel is of onlogisch, of moeilijk om mee samen te werken, maar dat maakt niets uit. Dat zijn gewoon de “deugden” van een monsterlijke leider. Neem het gedoe tussen Donald Trump en “Little Rocket Man”, zoals hij Kim Jong-un tegenwoordig noemt. De aantrekkingskracht van Trump op zijn aanhangers is denk ik dat Trump nu gestoord lijkt en dat andere grote mannen, grote bazen, misschien wel een andere gestoorde man zullen erkennen en respecteren. Dit zou een afschrikkend effect kunnen hebben. Het zou deels ook kunnen verklaren waarom een monsterlijke man aan de macht blijft.’

    Wat bedoelt u als u schrijft dat monsters een morele functie hebben?

    ‘Monsters kunnen deel uitmaken van de morele verbeelding als manier om te laten zien wat we niet willen zijn. Een duidelijk voorbeeld is dat van de jihadi die een journalist onthoofdt. Maar er zijn ook subtiele vormen, zoals Ebenezer Scrooge. Onze literatuur en cultuur scheppen iconen van immoraliteit en die dragen bij aan de vorming van ons gedrag en ons denken. Veel mensen genieten van horror in bijvoorbeeld The Walking Dead, omdat het een soort generale repetitie is. Ik verwacht geen zombieapocalyps, maar ik vraag me wel af wat er zou gebeuren als het netwerk uitviel en wij geen elektriciteit hadden en er opeens voedselgebrek zou zijn. Wat zou er gebeuren als de moderne samenleving knarsend tot stilstand kwam? Veel monsterscenario’s zouden een vervangende training kunnen zijn voor wat er tussen mensen zou kunnen gebeuren.’

    Wat is uw monster? ‘Ik ben bang voor diep, donker water. Het is een bijna verlammende angst voor zeemonsters, wat een volkomen irrationele en belachelijke angst is. Daardoor ben ik me gaan afvragen hoe het nou eigenlijk zit.’

    En, hoe zit het?

    ‘Als je filosofie studeert, ben je behept met het vooroordeel van dit vakgebied tegen irrationaliteit. Zijn de knopen eenmaal ontward, dan moet rationaliteit het grote licht van de psyche zijn. Dat licht schijnt naar binnen en verklaart bovennatuurlijkheid en irrationele angsten. Je hoeft alleen maar je geest goed te trainen en dan kun je de kelder van je psyche uitruimen bij het heldere licht van de rede. Ik begon te beseffen dat dat niet klopt. De rede is niet het grote besturingssysteem. De psyche is gebaseerd op een veel groter en ouder besturingssysteem, namelijk het emotionele besturingssysteem. Uit veel onderzoek blijkt dat rationele of cognitieve gedragstherapie mensen nauwelijks helpt om over echte, verlammende fobieën heen te komen. Het lijkt er echt op dat het iets anders of diepers is.’

    Waar komt die verlammende angst dan vandaan?

    ‘Dat zullen we de komende twintig jaar nog niet precies weten, maar ik denk wel dat het werk van affectieve neurowetenschappers als Jaak Panksepp, die helaas overleden is, Antonio Damasio, Kent Berridge en Richard Davidson uiteindelijk het antwoord zal opleveren. Zij geloven dat we een aangeboren emotionele bedrading hebben die flexibel genoeg is om verschillende gebeurtenissen en ervaringen te verwerken. Ik denk dat die zienswijze juist is, al komt er nu kritiek op van mensen als [neurowetenschapper, psycholoog en auteur van het boek How Emotions Are Made] Lisa Feldman Barrett. Maar ik ben het echt niet eens met haar theorie van geconstrueerde emoties. Ik denk dat ze veel te veel bezig is met de conceptuele ruimte van de geest.’

    In haar visie zijn emoties geen kant-en-klare circuits in het brein die worden getriggerd door ervaringen. Het zijn constructies, manieren van het brein om de wereld te begrijpen.

    ‘Ja, en ik denk dat wat zij beschrijft wel klopt voor een bepaald domein van het geestelijk leven, namelijk voor een puur menselijk domein daarvan. Maar als het om de geest gaat ben ik te veel darwiniaan om te denken dat dit voor meeste emoties opgaat. De meer subtiele soorten emoties, zoals het gevoel van vrees of verveling, passen misschien goed in Barretts visie. Maar ik denk dat we homologisch gezien basale affectieve systemen gemeen hebben met andere zoogdieren. Zij ontkent dat, en daarin ben ik het dus niet met haar eens. Ze intellectualiseert emoties zo sterk – door ze als concepten te zien – dat ze dierlijke emoties of emoties van baby’s niet kan verklaren. Uiteindelijk moet het verhaal van angst, fobie en horror geworteld zijn in de oudere emotionele systemen.’

    Hoe hebben monsters u ertoe gebracht om over verbeeldingskracht te schrijven?

    ‘Ik had veel nagedacht over beelden. Lang voordat we beschikten over geschreven talen en verhalen, hadden we in ons brein al beelden als gevolg van de waarneming. We moeten ooit een communicatievorm hebben gehad met beelden en lichamelijke gebaren, voordat we taal hadden. Daardoor ging ik me afvragen hoe oud de verbeeldingskracht eigenlijk is. Is die meegekomen met de taal of konden we allang met beelden communiceren voordat we taal hadden? Volgens mij zijn er veel manieren om kennis te hebben en met anderen te communiceren, die niet linguïstisch zijn maar te maken hebben met lichaamstaal, in de vorm van dansen, of via tekenen of beeldend werk, zoals de grotschilderingen in Lascaux of Chauvet. Al vóór het propositioneel denken bestond er een hele taal van verbeeldingskracht en geestelijk leven.’

    Leeft dat oude verbeeldende leven nog steeds in ons?

    ‘Volgens mij wel, ja. Het wordt overschaduwd doordat het propositioneel denken overheerst. We zijn nu in ons brein sterk uitvoerend georganiseerd. Dat is wat je doet als je een kind opvoedt. Je legt een neocorticaal besturingssysteem over de wirwar aan meer associatieve motorische waarnemingsprocessen heen. We leren allemaal onze geest te disciplineren, zoals we leren ons gedrag te disciplineren. Maar we kunnen die neocorticale controleur het zwijgen opleggen via creatieve activiteiten, zoals kunst, en uitstapjes maken naar deze vroegere vorm van denken.’

    Wat zou u zijn als u geen hoogleraar filosofie was?

    ‘Ik twijfel tussen muziek en visuele kunst, maar hoe dan ook zou ik kunstenaar zijn. Ik bén nog steeds kunstenaar. Ik word er alleen niet meer voor betaald.’

  • Ritme

    Ritme

    Geluk, zei Don Draper in Mad Men, is vrij zijn van angst. Om die staat van zijn te bereiken, is iedereen overal ter wereld bezig met de meest verregaande vormen van controle.

    Controle over het ongewisse, over de duisternis, controle over datgene waar we helemaal geen controle over hebben. En als we zelf niet in staat zijn vrees te beteugelen, hebben we altijd nog de technologie. Waar we dan ook weer bang voor kunnen worden, of razend en gefrustreerd als het hapert of domweg niet werkt.

    Mediafilosoof en hoogleraar Informatica Ian Bogost schreef een angstaanjagend artikel voor The Atlantic (Dossier) over de lange arm van bijvoorbeeld een simpele app die het stroomverbruik van afzonderlijke apparaten in huis bijhoudt. Het is nog niet zover dat de apparaten de regie over ons leven hebben overgenomen, en bovendien kunnen we nog steeds zelf beslissen in hoeverre we in welke database dan ook willen verschijnen – maar toch. Wil je 
toezicht over zaken die doorgaans buiten je blikveld liggen, of inzicht in dat wat met het blote oog onzichtbaar is, dan lever je vrijheid in. 
Misschien kan big data het alledaagse leven inderdaad 
vergemakkelijken, maar diezelfde informatie kan net zo goed tegen je worden gebruikt.

    Ooit.

    We hebben ons ritme leren negeren, omdat eigen ritme nooit in de pas loopt met het collectieve ritme van een samenleving

    Paradoxaal eigenlijk. We denken tijd te besparen omdat een internetverbinding ons helpt efficiënter te zijn, productiever. Ondertussen worden we overspoeld door wat er allemaal nog meer kan en raken verstrikt en verstikt in wat de Duitse tijdsonderzoeker Karlheinz Geißler in een interview met 
Die Zeit (Horizon) ‘verdichting van tijd’ noemt. In plaats van naar de vaste maat van de klok te leven, naar de uren die slaan, 
de halve uren, de kwarturen, de zestig minuten in ieder uur, zouden we weer moeten kunnen vertrouwen op het eigen ritmisch organisme.

    Nee, niet de inwendige klok. Die hebben we volgens Geißler niet. Ritme wel. Maar dat hebben we leren negeren, omdat eigen ritme nooit in de pas loopt met het collectieve ritme van een samenleving.

    Misschien is geluk dus juist wel het vrij zijn van de klok.

    Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • Een huis vol ogen en oren

    Een huis vol ogen en oren

    We stoppen onze huizen vol met slimme apparaten. Maar de gegevens die ze doorgeven, kunnen eenvoudig worden misbruikt door bedrijven en overheden. Mediafilosoof Ian Bogost maakt zich grote zorgen.

    Ik maak me zorgen. Over het welzijn van mijn gezin. Over mijn huis. Mijn stomme spullen, en mijn dierbare spullen. Doet iedereen toch? ‘Geluk,’ zegt Don Draper in de pilot van Mad Men, ‘is vrij zijn van angst.’ Bedrijven verkopen remedies tegen die angsten – ook al zijn ze soms ingebeeld. Mondwater, bedacht als remedie voor de verzonnen aandoening halitose. De gympen van Nike, waarop meer wordt gesjokt dan hardgelopen. Het modernistische kastje van glas en aluminium van Apple, de droom van iedere controlfreak. Zoals mensen oorspronkelijk een mobiele telefoon kochten voor hypothetische noodgevallen, zo moeten ook slimme apparaten met een internetverbinding nu allerlei angsten bezweren. Camera’s met bewegingsdetector om boosaardige babysitters van snode plannen te weerhouden. Een videocamera in de deurbel om straatventers en inbrekers af te schrikken. Een digitale weegschaal om een ramp met je gasbarbecue te voorkomen. Sensoren die waarschuwen voor overstroming.

    Op individueel niveau zijn zulke angsten en remedies meestal onschadelijk en hooguit vergeefs. Maar als veel mensen zo’n product gaan gebruiken, wordt het tijd om je zorgen te maken. Slimme apparaten veroorzaken ingrijpende veiligheidsproblemen – zoals duidelijk blijkt uit een recente botnetaanval, waarbij slecht beveiligde settopboxen en internetcamera’s werden gebruikt om het halve internet plat te leggen [zie kader ‘Cyberleger’, onderaan]. Met de totale controle die het ‘internet der dingen’ belooft, verruil je de onzekerheid van angst voor de zekerheid van totaal toezicht. Als je gadgets wilt hebben om alles in de gaten te houden, moeten die gadgets ook jou in de gaten kunnen houden. In veel sterkere mate dan je denkt.

    Heb je een cirkelzaag of een vibrator in huis? Dat vindt je verzekeraar misschien interessant – en anders je werkgever wel

    Ik kijk op mijn smartphone naar de app Sense. Die toont me een livegrafiek van het stroomverbruik in mijn huis. Als ik een lamp aandoe, gaat de grafiek meteen een beetje omhoog. De data zijn afkomstig van een in de meterkast geïnstalleerde verbruiksmeter – een klein oranje doosje met een wifi-antenne om de data via internet door te geven aan Sense. Op een ander scherm van de app wordt met kleine en grote cirkels gevisualiseerd hoeveel stroom de afzonderlijke apparaten in huis verbruiken. Mijn airco-installatie is de grootste cirkel, dan komt de oven (we zijn cupcakes aan het bakken), daarna de lamp. Zodra ik de lamp uitschakel, verdwijnt die cirkel als bij toverslag. Mijn lampen en mijn oven zijn niet verbonden met internet, maar omdat mijn meterkast dat nu wel is, weet Sense wanneer ik welke apparatuur gebruik, en hoelang, en hoeveel stroom dat kost.

    Deze vorm van data-analyse wordt energy disaggregation genoemd, ‘energiedesaggregatie’, en bestaat al sinds de jaren tachtig. Bij desaggregatie van energiesignalen wordt geprobeerd het totale stroomverbruik in een gebouw uit te splitsen naar afzonderlijke segmenten: het verbruik van de airco, huishoudelijke apparatuur, verlichting, enzovoort. Met deze methode wordt van oorsprong het verbruik en de efficiëntie van elektrische apparatuur gemeten. Maar Sense Labs, de start-up in Massachusetts waarvan ik dat apparaatje in de meterkast mag uitproberen, heeft grotere en vreemdere plannen.

    Mike Phillips, de CEO van Sense, komt uit de wereld van de spraakherkenning. Zijn bedrijf SpeechWorks, dat in 2000 naar de beurs ging, heeft spraakherkenningssoftware ontwikkeld voor telefonische keuzemenu’s bij grote bedrijven. Sommige technieken waarmee computers spraak kunnen herkennen en begrijpen, blijken ook toepasbaar op stroomverbruik. Sense desaggregeert het stroomverbruik door uit minieme wijzigingen in voltage en wattage de signatuur van afzonderlijke apparaten af te leiden. Ter verhoging van de kwaliteit van die herkenning beschikt het systeem over lerend vermogen: door de data van alle verbruikspatronen van alle elektrische apparatuur van alle Sense-gebruikers te verzamelen, kan de app steeds meer apparaten steeds beter en sneller herkennen.

    Op het eerste gezicht lijkt Sense alleen een product voor mensen met obsessieve neigingen: mensen die alles in huis op internet willen aansluiten om er op hun smartphone naar te kunnen turen, mensen die hun stroomverbruik tot ver achter de komma willen bijhouden, mensen die geregeld bang zijn dat ze de oven of het strijkijzer aan hebben laten staan. Maar Sense Labs is er niet alleen voor de kostenbewuste of ziekelijk bezorgde consument. Op het eerste gezicht lijkt de waarde van het systeem vooral te schuilen in de inzage in je stroomverbruik. Maar dat zegt nog veel meer over wat er in je huis gebeurt, legt Phillips uit. Als Sense-gebruikers bijvoorbeeld zien dat om vier uur ’s middags de tv aangaat, kunnen ze daaruit afleiden dat de kinderen veilig thuis zijn van school. Als ze zien dat de oven aangaat, weten ze dat hun wederhelft niet is vergeten om de kip in de oven te doen. Als ze kijken wanneer de garagedeur gisteravond voor het laatst is gebruikt, weten ze of hun tiener inderdaad op tijd thuis was. Zo hoopt Sense uiteindelijk een soort huisbrein te bieden dat veel meer doet dan alleen je stroomverbruik meten.

    Dan kan het ook functies van andere gadgets overnemen. Een veelgebruikt apparaatje van het internet der dingen is bijvoorbeeld een vochtmeter met wifi, zoals die van Twine. Monteer die in je kelder en je krijgt een tekstbericht zodra de kelder overstroomt. Sense kan dat doen door het verbruik van je vaste kelderpomp te meten. Op de website van Sense worden nog allerlei andere veelbelovende toepassingen genoemd, zoals een melding dat de wasmachine klaar is of een overzicht van hoeveel je tv kijkt. Uiteindelijk kun je apparaten via dit systeem misschien ook aan- en uitzetten.

    Illustraties: © Paul Faassen
    Illustraties: © Paul Faassen

    In de praktijk is zelfs een simpel seintje dat de was klaar is nog toekomstmuziek. Op dit moment kan Sense alleen een overzicht tonen van wanneer verschillende apparaten aan- en uitstaan. Voor zover het die apparaten dus herkent. Het duurt een paar dagen voordat Sense de apparaten in je huis begint te herkennen, en volgens Phillips heeft de app na een maandje een compleet overzicht. Zo zie ik maar een paar van de lampen in ons huis in de app staan, en sommige apparaten staan soms wel in de lijst en dan weer niet. Dat is een verschil met de onmiddellijke bevrediging van de meeste internetgadgets: Sense is traag en semipermanent. Het apparaat moet door een professionele monteur worden geïnstalleerd (zodat je jezelf niet elektrocuteert). En het werkt alleen als er wifi is – maar de meterkast zit vaak in de kelder of de garage, terwijl de wifi-router vaak heel ergens anders staat. Sense overweegt het kastje te voorzien van een ethernetingang, maar veel huiseigenaren hebben ook geen ethernetkabel naar de meterkast liggen.

    Deze consumentenversie van stroomdesaggregatie staat dan ook nog in de kinderschoenen. De precisie van het Sense-systeem moet nog groeien, en dat gebeurt vanzelf naarmate meer mensen het systeem installeren en het in staat stellen zijn kennis te vergroten. Sense lijkt mij het begin van een nieuwe en blijvende ontwikkeling van het internet der dingen. Om die toekomst te ontsluiten moet Sense een dienst leveren die interessant genoeg is om voldoende consumenten over te halen dit apparaat permanent in hun meterkast te installeren. In een tijd waarin met ‘slimme’ apparaten grootschalige DDoS-aanvallen worden gepleegd en je met een drone de verlichting van een kantoorgebouw kunt hacken, vormt de zorg om onze veiligheid en privacy misschien nog de grootste hinderpaal voor grootschalige invoering.

    Op het gebied van beveiliging is Sense in theorie een verbetering op reeds bestaande slimme apparaten, die al in grote aantallen worden gebruikt terwijl bij het ontwerp ervan de beveiliging vaak is verwaarloosd. Als je niet meer elk afzonderlijk apparaat maar alleen één sensor in de meterkast met internet laat communiceren, verminder je het aantal mogelijke inbraakpunten. Alleen het Sense-kastje zelf kan dan nog worden gehackt. Maar met privacy ligt het lastiger. Sense luistert immers mee met elk elektrisch apparaat in huis en legt daar alles van vast. Dat zijn wel heel veel privacygevoelige en bijzonder waardevolle data.

    Early adopters installeerden de slimme thermostaat van Nest vaak zonder ten volle te beseffen hoeveel dat apparaat weet over wie er wanneer in huis is. Toen Nest in 2014 voor 3,2 miljard dollar door Google werd gekocht, kon Google dat kijkje in al die huishoudens in één klap combineren met wat het verder over zijn gebruikers weet: wat ze op internet zoeken, waar ze zich bevinden, enzovoort. Sense biedt dezelfde mogelijkheid om direct data te verzamelen over alles wat mensen thuis met stroom doen – wat tegenwoordig bijna alles is.

    Dom houden

    De Nest-thermostaat weet ruwweg wanneer iemand wel en niet thuis is. Maar als je een smartphone met Google Maps hebt, wist Google dat waarschijnlijk toch al. Sense kan ook zien wanneer mensen specifieke apparaten en lampen gebruiken: hoe vaak en hoelang. Het lijkt misschien onschuldig dat ze meten hoe vaak jij je garagedeur en je oven gebruikt, tot je bedenkt dat big data nu al worden gebruikt om te beoordelen of mensen in aanmerking komen voor een verzekering of een lening. Hoe vaak je garagedeur open- en dichtgaat kan iets zeggen over het risico dat je loopt als automobilist, afgemeten aan hoe vaak en op welke tijdstippen je de auto gebruikt. En hoe vaak je de elektrische oven of het fornuis, de blender of de magnetron aanzet (of juist niet) kan iets zeggen over het kookpatroon in een huishouden, en daarmee over de gezondheid van de leden daarvan. Heb je een cirkelzaag of een vibrator in huis? Ook dat vindt je verzekeraar misschien interessant – en anders je werkgever wel. Een sollicitant bij wie iedere dag het strijkijzer aanstaat is misschien aantrekkelijker dan iemand die elke dag een ‘persoonlijke stimulator’ gebruikt. En een magazijnmedewerker die in zijn vrije tijd met gevaarlijk gereedschap in de weer is, is misschien een minder aantrekkelijke werknemer dan iemand die in zijn vrije tijd meestal veilig voor de tv zit.

    Ook de commerciële toepassingen van deze data zijn legio. Stel dat Amazon, Walmart en Google niet alleen weten welke producten hun klanten zoeken en kopen, maar ook welke alledaagse niet-elektronische producten ze al bezitten en hoe vaak ze die gebruiken. Dan kan hun pornoconsumptie worden afgezet tegen hun drinkgedrag. Hun slaapgewoonten (afgeleid van het gebruik van de tv en lampen in huis) tegen hun neiging om online impulsaankopen te doen. Hebben mannen die zich dagelijks elektrisch scheren een voorkeur voor boxershorts en mannen die dat om de dag doen een voorkeur voor slips? Binnenkort weet Facebook het misschien en past er dan zijn advertenties op aan.

    Voorlopig kan Sense zulke gedetailleerde informatie nog niet geven. Maar mettertijd zal het potentieel van deze vorm van dataverzameling groeien. Niet alleen door het zelflerend vermogen van hun systeem, maar ook omdat desaggregatie van stroomverbruik uiteindelijk misschien wordt ingebakken in afzonderlijke apparaten of zelfs in het hele stroomnet. Voor het internet der dingen moeten apparaten nu ieder afzonderlijk een netwerkverbinding kunnen maken. Dat is een van de redenen dat die slimme apparaten zo lastig te beheren zijn, om niet te zeggen ronduit onveilig. Maar het stelt je ook in staat om die slimme apparaten dom te houden: je kunt er altijd voor kiezen om de wifi-functie van je waterkoker of je koelkast níét te gebruiken, en er gewoon thee mee te zetten of eten mee te koelen zoals je vroeger gewend was. Zodra echter eenmaal een apparaatje zoals dat van Sense is geïnstalleerd, kunnen gegevens over welke apparaten je gebruikt, en hoe vaak en wanneer, gewoon worden verzameld via het lichtnet, ook zonder dat jij als consument daar weet van hebt.

    De meeste zogenaamde slimme apparaten zijn eigenlijk oliedom. Ten eerste omdat ze vooral ten dienste staan van een Internet der Dingen Die Je Helemaal Niet Nodig Hebt

    Ik ben te rade gegaan bij mijn collega Justin Romberg van Georgia Tech, docent elektrotechniek en deskundige op het gebied van digitale signaalverwerking. Een gewoon apparaat zoals een blender of een scheerapparaat kan volgens hem gemakkelijk met een elektriciteitsmeter samenwerken door een vooraf bepaalde elektrische puls te versturen, om aan te geven wanneer het aan en uit wordt gezet of zelfs extra informatie te geven over wat het uitvoert. Het is hypothetisch en het zou nog jaren kosten om zoiets uit te rollen. Maar als het voortaan standaard wordt ingebouwd, kan die ingebouwde puls compatibel worden gemaakt met lokale analysesystemen als Sense of met een uitleespunt buitenshuis. Dan staan straks alle apparaten stiekem te vertellen hoe ze door hun eigenaar worden gebruikt. Neutraal kun je deze techniek dus bepaald niet noemen.

    Het moet gezegd dat de leiding van Sense zich bewust is van de privacygevaren van hun dienst. Mike Phillips erkent dat het van vitaal belang is voor het succes van zijn product om het vertrouwen van de consument te winnen. Maar hij hoopt dat vertrouwen van meet af aan te hebben. Volgens de eigen voorwaarden mag het bedrijf immers geen gegevens doorverkopen zonder expliciete toestemming van de gebruiker en belooft het alle gegevens te wissen als een gebruiker daarom vraagt. Sense behoudt zich wel het recht voor geanonimiseerde data te gebruiken om zijn zelflerende algoritmes te voeden.

    Technologiebedrijven veranderen hun voorwaarden natuurlijk aan de lopende band, en zodra zo’n met durfkapitaal gefinancierd bedrijf succes heeft, wordt het meestal opgekocht. In dat opzicht garandeert de financiering van Sense misschien wat meer fatsoen in de omgang met data dan bij traditionele start-ups. In september heeft het bij een investeringsronde 14 miljoen dollar opgehaald, met als grootste investeerders twee fondsen die naar investeringen in nieuwe energie zoeken voor grote, traditionele bedrijven: Energy Impact Partners, een investeringsfonds waarin uitsluitend energiebedrijven deelnemen, en de investeringstak van Shell. Door slimme energiemeters in te voeren om de facturering te automatiseren en het aanbod beter af te stemmen op de vraag, hebben energiebedrijven het wantrouwen van de consument aangewakkerd, die vaak met monopolisten te maken heeft. Lindsay Luger, managing director van Energy Impact Partners, zegt dat de investeerders in haar fonds manieren zoeken om het contact met hun klanten te verbeteren. Huiseigenaren zijn misschien niet dol op energiebedrijven, maar wel op hun huis; voor veel Amerikanen is dat hun kostbaarste bezit. Een product als Sense kan energiebedrijven in staat stellen hun klanten nieuwe diensten aan te bieden op het gebied van duurzaamheid, controle en automatisering in huis. Veel energiebedrijven proberen deze ontwikkeling te stimuleren door korting te geven op de aanschaf van een Nest-thermostaat, en in de toekomst misschien ook op het kastje van Sense.

    Nieuwe databases

    Dat kan natuurlijk weer leiden tot het aanleggen van nieuwe databases. Luger toont zich net als Phillips bewust van het privacy-aspect, maar zegt ook dat mensen er steeds minder moeite mee hebben persoonlijke data te delen, zeker als ze er zelf beter van worden. En dat zou allemaal prima zijn, als Sense garanties kon bieden tegen mogelijk ander gebruik van die data in de toekomst. Maar als start-up moet het bedrijf uiteindelijk toch erkennen dat het een financieel instrument in handen van zijn investeerders is.

    Op dat vlak heeft Sense een voordeel dat zowel indrukwekkend als angstaanjagend is. De meeste zogenaamde slimme apparaten zijn eigenlijk oliedom. Ten eerste omdat ze vooral ten dienste staan van een Internet der Dingen Die Je Helemaal Niet Nodig Hebt: apparaten met internet verbinden maakt simpele zaken vaak nodeloos ingewikkeld. Vraag maar aan de man die elf uur lang probeerde thee te zetten met een wifi-waterkoker. Ten tweede zijn het domme apparaten omdat de processoren die erin zitten complete computertjes zijn, terwijl die apparaten toch weinig meer bieden dan een extra knopje en de mogelijkheid om data door te sluizen. Tel daarbij op de veiligheidsproblemen, en dat hele internet der dingen lijkt eigenlijk grote zottigheid.

    Erger nog: het alternatief voor die domme ‘slimme’ apparaten is misschien niet intelligentie maar geslepenheid. Mensen als Mike Phillips en Lindsay Luger kunnen nog zo eerlijk en vol goede bedoelingen zijn, een dienst zoals die van Sense blijft een doos van Pandora. Meer dan ooit moeten de maatschappelijke en ethische implicaties van een product worden beoordeeld op basis van alle mógelijke toekomstige manieren waarop het kan worden gebruikt.

    Luger zegt dat haar fonds geen investeringen doet met een specifieke exitstrategie in het achterhoofd. ‘Ontwikkel een goed bedrijf en je vindt vanzelf een uitgang,’ zegt ze. Ze wijst erop dat het systeem van Sense voor veel sectoren interessant kan zijn: energiebedrijven, de beleggers in haar fonds, zijn logische kandidaten om het op te kopen. Maar ze erkent dat ook Google en Amazon interesse kunnen hebben, evenals verzekeraars of fabrikanten die de door hun apparatuur gegenereerde data willen verzamelen. De toekomst van datadesaggregatie in huishoudens lijkt er dus een te worden van data die continu wordt verzameld.

    Als die toekomst al te bedreigend wordt, kunnen gebruikers altijd een monteur inschakelen om het kastje van Sense uit hun meterkast te halen. Maar de werkelijkheid is nooit zo simpel, zeker niet als een curiositeit eenmaal de norm is geworden. Hoe makkelijk is het nu nog om op internet te zoeken zonder Google, om contact met je vrienden te onderhouden zonder Facebook of te netwerken zonder LinkedIn? Het is allang duidelijk dat consumenten hun persoonlijke data grif afstaan in ruil voor geld of kortingen. Verzekeraars vinden dat ook interessant. Straks kun je misschien je auto niet meer verzekeren als je er geen internetkastje in wilt installeren. Of krijg je geen zorgverzekering als je geen fitnesstracker gebruikt. Kun je geen lening afsluiten zonder volledige inzage te geven in je socialmediagebruik. En kun je misschien geen stroom meer afnemen zonder in te stemmen met het gebruik van zo’n energiedesaggregator.

    Voeg daarbij de onzekerheid over hoe technologiebedrijven en de nieuwe regering gaan samenwerken onder president Trump, en het verzamelen van al die informatie over het alledaagse leven van gewone mensen gaat steeds minder lijken op een eerlijke uitwisseling van gratis diensten en steeds meer op de ongeplande komst van een maatschappij van totaal toezicht. Het lijkt vergezocht om zo’n beeld te schetsen naar aanleiding van een energiemetertje van 250 dollar dat nu nog weinig afnemers heeft en gemaakt wordt door alleraardigste mensen met de beste bedoelingen. Maar zoiets lijkt altijd vergezocht tot het ineens een voldongen feit is. Het schrikbeeld van een slim apparaatje zoals dat van Sense valt samen met de belofte die het uitdraagt: dat dit echt de toekomst is, en dat die onafwendbaar is. Dat is wel iets om even bij stil te staan als je een apparaat aanzet of een stekker in het stopcontact steekt. Op den duur, over niet al te lange tijd zelfs, zal de kleine elektrische puls die dat veroorzaakt via de blender en de spaarlamp zo je huis uit zweven, naar de cloud daar boven, waar hij wordt geboekstaafd en bewaard door federale instanties en marketingafdelingen en actuarissen – tot in eeuwigheid.

    Auteur: Ian Bogost
    Vertaler: Frank Lekens

    Ian Bogost is in de VS een bekende persoonlijkheid in de wereld van de videospelletjes. Behalve ontwerper is hij ook hoogleraar in de informatica aan het Georgia Institute of Technology, en mediafilosoof. Zijn specialiteit is het ontwerpen van ‘serieuze’ videospelletjes met sociale en politieke thema’s (veiligheid op luchthavens, bescherming van consumenten tegen het maken van schulden, grieppandemieën et cetera). Hij gaat ook door voor een pionier op het gebied van newsgames, die steeds vaker opduiken – een toepassing van journalistieke technieken in videospelletjes waarbij de informatie op een ludieke en interactieve manier wordt verpakt.

    CONTEXT: CYBERLEGER

    Veel op het internet aangesloten apparaten zijn slecht beveiligd, waardoor ze een wapen kunnen worden in cyberaanvallen.

    Op 21 oktober 2016 ‘kreeg de wereld een voorproefje van de toekomst met een grootschalige cyberaanval, die de toegang blokkeerde tot talrijke websites, zoals die van Twitter en Amazone’, brengt Foreign Policy in herinnering. Die dag kozen de hackers de Amerikaanse onderneming Dyn, waarvan de servers het verkeer op het internet regelen, tot doelwit. Hun wapen? Een leger dat bestond uit een fenomenaal aantal op internet aangesloten objecten, zoals camera’s, printers en zelfs babyfoons, die werden ingezet zonder medeweten van de eigenaren of gebruikers.

    ‘Deze manipulatie berust geheel op het feit dat de honderden miljoenen apparaten die bij dit soort aanvallen worden ingezet, worden verkocht met weinig ingebouwde beveiliging, áls er al sprake is van enige beveiliging’, betoogt Motherboard.

    Deze nieuwe vorm van agressie heeft niet alleen tot gevolg dat de verbindingssnelheid van het internet wordt vertraagd. De aanvallen vormen een werkelijke bedreiging voor de objecten die worden aangevallen, voor het privéleven van de eigenaren, maar ook voor hun gezondheid en in sommige gevallen zelfs voor hun leven. Dat is in elk geval de boodschap die vooraanstaande deskundigen op het gebied van internetbeveiliging medio november vorig jaar neerlegden in een rapport aan het Amerikaanse Congres.

    Volgens deze experts ontbreekt een degelijke beveiliging ook op computers en andere op het internet aangesloten instrumenten in ziekenhuizen, vooral in systemen die bijvoorbeeld het functioneren van liften, de ventilatie en andere installaties regelen. ‘Het is niet zo lastig om je voor te stellen welke dodelijke catastrofe zich zou kunnen voordoen – en dat dwingt de overheid tot ingrijpen om dit falen van de markt te corrigeren’, schrijft Bruce Schneier, veiligheidsexpert aan Harvard, in MIT Technology Review. Schneier pleit voor een agentschap dat regels opstelt voor de ‘cyberveiligheid’.

    VS – DE TV KIJKT MEE

    ‘Uw televisie bespiedt u ongetwijfeld meer dan dat u naar het scherm kijkt’, waarschuwt Pacific Standard. Het Amerikaanse tijdschrift heeft één speciaal merk op het oog, namelijk Vizio, de nummer 1 op de markt van ‘intelligente’ tv-toestellen in de Verenigde Staten.

    ‘De toestellen registreren de kijkgewoonten van de bezitter en delen die gegevens met reclamebureaus, die op hun beurt u weten terug te vinden op uw laptop of op andere apparatuur die met het internet in verbinding staat’, onthult Standard.

    Het systeem wordt in werking gesteld door een ‘mankement’ aan de toestellen van dit merk (om het systeem uit te schakelen moet de gebruiker zelf actie ondernemen), in tegenstelling tot de toestellen van de concurrentie, waarvan het volgsysteem pas in werking treedt als de gebruiker daarin toestemt.

    DUITSLAND – VEILIGHEID INTERESSEERT FABRIKANTEN NAUWELIJKS

    We worden omringd door apparaten die op het internet der dingen zijn aangesloten, ‘maar elk van die apparaten is een potentieel lek in het wereldwijde web’, schrijft Süddeutsche Zeitung verontrust. Om onze apparatuur te beveiligen is niets zo goed als een deugdelijk wachtwoord, raadt de Duitse krant aan, die het onderwerp grondig heeft onderzocht. Vergeet het klassieke ‘123456’, dat vaak tevoren op het apparaat is geïnstalleerd en dat veel gebruikers na aankoop niet wijzigen.

    Maar dan moet de fabrikant de koper wel de mogelijkheid bieden de toegangscode te wijzigen. En daar schort het soms aan, constateert de Süddeutsche. Het Duitse bureau voor veiligheid op het gebied van informatica raadt trouwens aan om de UPnP-functie (Universal Plug and Play) uit te schakelen, die het apparaat in staat stelt in een systeem te functioneren, maar die tevens piraterij vergemakkelijkt. Bovendien moet de gebruiker van dergelijke apparaten zo veel mogelijk de nieuwste updates installeren die de fabrikant verstrekt.

    Tot op heden tonen de fabrikanten zich nauwelijks geïnteresseerd in beveiliging

    Een ingewikkelde maar relatief veilige methode is het installeren van een zogeheten VPN (Virtual Private Network), schrijft de krant. Het betreft een privénetwerk dat alle apparaten in huis onderling verbindt. Daartoe moet waarschijnlijk de hulp van een specialist worden ingeroepen.

    De verantwoordelijkheid voor de beveiliging van dergelijke apparaten berust dus geheel bij de gebruiker, benadrukt de krant. ‘Die opgelegde verantwoordelijkheid is een vergissing, want de gebruikers zijn goeddeels afhankelijk van de fabrikant.’ Hun bewegingsvrijheid is wat dit soort apparaten betreft dus beperkt. ‘Ze kunnen noch het gebruikssysteem kiezen, noch aanvullende apparatuur installeren om zich te beveiligen.’

    Tot op heden tonen de fabrikanten zich nauwelijks geïnteresseerd in beveiliging, en het wordt hoog tijd dat daar verandering in komt, schrijft de Süddeutsche, die de suggestie doet een keurmerk te introduceren waarop de koper kan aflezen in hoeverre een product veilig te gebruiken is.

    VS – BARBIE ALS KLIKSPAAN

    Is met internet verbonden speelgoed het nieuwe doelwit van Big Brother? Die vraag stelde onlangs New Scientist, dat zich verontrust afvroeg hoeveel van dat speelgoed de Kerstman dit jaar weer onder de kerstboom had gelegd. Al in 2015 veroorzaakte Hello Barbie, het popje waarmee de kleintjes kunnen praten, een schandaal.

    Alle woordjes die de kinderen uitspreken worden opgevangen door een microfoon en doorgestuurd naar en ontleed door algoritmen voor stemherkenning, opdat het popje een enigszins adequaat antwoord op gestelde vragen kan formuleren.

    ‘Er is op zich niets illegaals aan het functioneren van Hello Barbie’, schrijft het wetenschapsblad, ‘maar een fabrikant kan zich keurig houden aan alle wetten en voorschriften en niettemin het privédomein van kleine kinderen betreden. Want die kindertjes begrijpen niet dat een speelpopje geen geheimen kan bewaren en dat alles wat ze tegen hun Barbie zeggen ook afgeluisterd kan worden door een onzichtbare batterij ingenieurs en ontwerpers – en ook door hun ouders.’

    unnamed 2

    ITALIË – DE TOEKOMST IS AL BEGONNEN

    Het internet der dingen – en niet alleen het internet van de computers en mobiele telefoons – behelst een woud van voorwerpen (van auto’s en thermostaten tot broodroosters en pacemakers) die met het internet zijn verbonden voor meer gemak en – dat was de oorspronkelijke belofte – voor meer veiligheid, schreef de Italiaanse krant Corriere della Sera eind 2014, verwijzend naar een rapport van Europol over onlinecriminaliteit. Naast diefstal van persoonlijke gegevens en identiteitsfraude kan piraterij ten aanzien van gebruiksvoorwerpen die met internet zijn verbonden leiden tot ‘lichamelijke schade, zelfs tot de dood’.

    ‘Het risico van een hartinfarct, veroorzaakt door een hacker via een pacemaker, bestaat natuurlijk, maar die dreiging lijkt veraf, de daad van een krankzinnige’, relativeerde de krant, die tot de slotsom kwam: ‘De bescherming van de persoonlijke gegevens van miljoenen mensen zou daarentegen prioriteit moeten krijgen. Europol heeft in elk geval alarm geslagen.’

    DUITSLAND – ANGSTAANJAGEND ONDERZOEK

    De Süddeutsche Zeitung heeft onlangs na maandenlang onderzoek een serie artikelen gepubliceerd over de veiligheid van op het internet aangesloten apparatuur. ‘Alleen al in Duitsland worden duizenden apparaten geproduceerd die niet worden beveiligd met een wachtwoord en voor iedereen toegankelijk zijn’, luidt de conclusie. De journalisten hebben gebruikgemaakt van de zoekmachine Shodan (shodan.io), waarop een lijst wordt bijgehouden van apparatuur die op het internet moet worden aangesloten, maar het zonder beveiliging moet stellen. Dat kunnen webcams zijn, maar evenzeer controlesystemen in waterzuiveringsinstallaties. Hele levens worden blootgelegd aan wie maar wil toekijken, terwijl elk niet-beveiligd apparaat tevens kan dienen als schakel in massale cyberaanvallen.

    ISRAËL – KNIPPERLICHT IN DE NEGEV

    Op een avond in 2016 begonnen de ‘intelligente’ lampen van een gebouw van het Weizmann Instituut en vervolgens ook van een woonflat in Beer Sheva in de Negev-woestijn voortdurend aan en uit te knipperen, zonder regelmaat, en ze veranderden daarbij ook nog eens bij voortduring van sterkte en van kleur. Waren ze gek geworden?

    In werkelijkheid werden beide gebouwen ‘aangevallen’ door onderzoekers van het Weizmann Instituut zelf en van de Dalhousie-universiteit in het Canadese Halifax, die erin waren geslaagd de controle in beide gebouwen over te nemen. Daartoe hadden ze een ‘informaticaworm’ ontwikkeld met behulp van een tamelijk onbekend internetprotocol, genaamd ZigBee, een standaard voor verbindingen op korte afstand, te vergelijken met de Bluetooth-technologie.

    ‘De onderzoekers toonden aan dat zij door controle te krijgen over slechts één enkele lamp, binnen een paar minuten een groot aantal andere lampen in de nabijheid een voor een konden manipuleren’, schreef_ The New York Times._ Dezelfde techniek zou gebruikt kunnen worden, aldus de krant, als opstapje om informatie te stelen, enorme hoeveelheden spam te versturen en zelfs een groot aantal aanvallen van epilepsie te veroorzaken.

    unnamed

    ISRAËL – DE KOPTELEFOON TELEFONEERT

    Stelt u zich voor dat uw koptelefoon en andersoortige luidsprekers zich zouden ontpoppen tot microfoons. Of nog erger: dat men uw gesprekken zou kunnen afluisteren via dit soort apparaten. Het klinkt als sciencefiction, maar toch zijn onderzoekers van de Ben Goerion Universiteit in Beer-Sheva daar op redelijk eenvoudige wijze in geslaagd, zo maakten zij eind vorig jaar bekend.

    ‘Ze ontwikkelden “vijandige” programmatuur om de membranen van dergelijke apparaten in omgekeerde richting te laten werken, waarbij geluidstrillingen uit de omgeving werden omgezet in electromagnetische signalen,’ zo bericht The Times of Israel. De onderzoekers beweren dat er op het moment geen enkel antwoord bestaat tegen hun programmatuur.

    NIEUW-ZEELAND – ZELFS DE VIBRATOR WORDT NIET ONTZIEN

    In de zomer van vorig jaar onthulden twee hackers uit Nieuw-Zeeland hoe zij erin slaagden clandestien verbinding te maken met seksspeeltjes. Ze richtten hun aanvallen op We-Vibe 4 Plus, een van de meest verkochte producten op deze markt, en vingen gegevens op die door de apparaatjes werden uitgezonden.

    ‘Wat het duo vond was verbazingwekkend,’ schrijft het Amerikaanse onlinemagazine Motherboard. Niet alleen bleek het apparaat elke minuut zijn temperatuur door te seinen naar de fabrikant, maar ook de intensiteit waarmee het apparaat werd gebruikt werd terstond gemeld.

    De fabrikant wordt er op die manier rechtstreeks van verwittigd dat het apparaat wordt gebruikt en op welke wijze, of het nu op het internet is aangesloten of niet. Dat is verontrustend nieuws, want afgezien van de manifeste inbreuk op het privé-leven van de gebruiker, is de verkoop of het bezit van dit soort speelgoed in een aantal landen, waaronder India en de Filippijnen, verboden.

  • Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Financial Times-correspondent Simon Kuper zat in het stadion op vrijdag de 13de. Net als zijn kinderen houdt hij erg van Parijs. Maar hij vraagt zich nu voor het eerst af of hij er wel wil blijven wonen.

    Keuze uit het archief

    In Parijs werden deze week de terroristische aanslagen van 13 november 2015 herdacht. Dat ze een enorme impact hadden op het gevoel van veiligheid van de burgers, blijkt ook weer uit dit artikel van FT-correspondent Simon Kuper, die de aanslagen van dichtbij meemaakte. De vraag die hem na 13 november bezighield was: wil ik in Parijs blijven wonen? ‘Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.’

    Ik zat in het stadion naar de wedstrijd Frankrijk-Duitsland te kijken, toen ik de eerste explosie hoorde. Hij klonk heel hard en het leek of hij van vlak buiten het stadion kwam. De meeste mensen negeerden het geluid, of begonnen zelfs te juichen: voetbalpubliek is gewend aan vuurwerk. Zelfs na de tweede explosie, een paar minuten later, bleef de stemming onder het publiek goed en de wedstrijd ging gewoon door.

    Frankrijk-Duitsland is het soort eersteklas vermaak voor mensen in Parijs wonen: de wereldkampioen die tegen het land komt spelen dat over zeven maanden gastheer van het
Europese Kampioenschap is. Uren na de wedstrijd hoorden we dat bij twee zelfmoordaanslagen vijf mensen waren omgekomen en nog veel meer gewonden waren gevallen, vlak buiten het stadion, een paar honderd meter van de plek waar wij hadden gezeten.

    Het was een avond vol onzekerheid, van erachter proberen te komen wat er in hemelsnaam aan de hand was. Na de explosies bleef het publiek,
bizar genoeg, gewoon naar de wedstrijd kijken en voor de Franse doelpunten juichen. Ik keek al niet meer. Ik was online met mijn laptop, volgde het nieuws dat binnenkwam, verschrikkelijk nieuws, en vroeg me af: moet ik mijn kinderen hier wel grootbrengen?

    Ik woon al dertien jaar in Parijs. In mijn ogen functioneerde de stad altijd prima. Het is al eeuwenlang een van de echt grote steden. Ze hebben er hun eigen portie aan terroristen, maar de meeste Parijzenaren gaan over etnische grenzen heen aardig goed met elkaar om.

    – © Christophe Ena  / AP Photo
    – © Christophe Ena / AP Photo

    Vooral via de school en de voetbalclub van mijn kinderen hebben we min of meer vanzelf vriendschappelijke contacten opgebouwd met mensen van heel verschillende achtergrond, of die nu Arabisch is, christelijk, niet-religieus of Joods. Pas geleden nog zat bij
ons aan de keukentafel een islamitisch stel uit Senegal – onze kinderen spelen al sinds de crèche met elkaar – en ze vroegen zich af waarom niet iedereen gewoon met elkaar kan opschieten. In de Parijse agglomeratie wonen twaalf miljoen mensen boven op elkaar, vaak met een kort lontje, maar tot nu toe is dat uitstekend gegaan. Parijs is een wonder. Samen hebben we de Charlie Hebdo-aanslagen doorstaan. De meeste Parijzenaren houden zich niet bezig met de grote, wereldwijde strijd tussen religies. Net als de meeste mensen elders willen ze alleen maar hun leventje leiden, hun hypotheek afbetalen en ’s avonds onderuitzakken voor de televisie, met vrienden uit eten of naar een voetbalwedstrijd gaan.

    Na Charlie Hebdo zijn we allemaal doorgegaan met ons leven. De school van mijn kinderen ligt naast een nogal duidelijk doelwit voor terroristen, en zij raakten eraan gewend dat daar soldaten met machinegeweren stonden als ze ’s morgens langsliepen. Na een tijdje zagen ze het nauwelijks meer.

    Maar vanavond vraag ik me voor het eerst af of we wel in Parijs kunnen blijven. Le Bataclan, het populaire café annex concertzaal waar tientallen mensen zijn neergeschoten, ligt een paar honderd meter van ons huis. (Het ligt ook om de hoek bij het voormalige Charlie Hebdo-redactiegebouw). Ik heb een paar keer bij Le Bataclan gegeten, ben er talloze keren langsgelopen. Nu zal het voorgoed herinnerd worden als een plek des doods.

    Daarnet belde een vriend. Hij zat te eten in de straat waarin ook Le Bataclan ligt. Een politieagent had hem verteld welke kant hij op moest vluchten. Hij klonk hysterisch aan de telefoon. Ik hoop dat hij hier overheen komt.

    Mijn vrouw was uit eten met vrienden. Toen de schietpartijen begonnen waren mijn kinderen thuis met de oppas. Ik belde de oppas en vroeg haar, een beetje onzinnig, om de deur op slot te doen. Straks zal ik proberen een Uber-taxi te krijgen van het stadion naar huis in het centrum van Parijs, dat nu wel een oorlogsgebied lijkt, waar op allerlei plekken geschoten wordt, op loopafstand van onze flat.

    Vanavond zal mijn gezin waarschijnlijk niets overkomen. Maar daarna? In Parijs gaat het er juist om dat je de stad gebruikt. Iedereen hier woont in een krap appartementje. Er zijn vrijwel geen achtertuinen waar je kunt barbecueën of tikkertje kunt spelen met je kinderen en waar je jezelf van de wereld kunt afsluiten. In Parijs woon je om uit te gaan, om met vrienden af te spreken in een café als Le Bataclan, om gesprekken te voeren met intelligente mensen uit de hele wereld, om naar voetbalwedstrijden te gaan of naar het 
Louvre – waar vanavond ook een schietpartij in de buurt was. In Parijs gaat het om de openbare ruimte – 
de cafés, de culturele ontmoetingsplaatsen en de pleinen. Geen stad heeft betere. En als die openbare ruimte gevaarlijk wordt – de Parijse autoriteiten hebben nu gezegd dat mensen niet de deur uit moeten gaan, tenzij er een ‘absolute noodzaak’ is – valt de stad uit elkaar.

    Het probleem is dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken

    Ik denk niet dat dit een botsing
tussen beschavingen is. Ik zie het als een botsing van een paar duizend jihadisten met een geweldige stad. Het probleem is, zoals we ook hebben gezien in voormalig Joegoslavië of
in Libanon, dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken.

    Misschien klinkt dit hysterisch. Ik schrijf het op een emotionele avond. Misschien is alles over een week of twee weer normaal, net zoals na Charlie Hebdo, en net zoals in New York een paar maanden na de aanslagen van 11 september. Als dat zo is, blijf ik misschien nog wel dertien jaar in Parijs. Maar ik ben pessimistisch. Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.

    Ik weet niet hoe ik dit mijn kinderen moet vertellen. Ze houden van Parijs. Ze beschouwen zichzelf als Parijzenaren. Ze hebben nooit ergens anders gewoond en zeggen vaak dat we nooit mogen verhuizen. Maar ik kan tegenover hen niet doen alsof alles in orde is. Hun voetbalwedstrijd morgen zal denk ik wel afgelast worden. Normaal gesproken zouden we in het park in de buurt gaan spelen. Nu weet ik niet zeker of dat wel een goed idee is.