In New York heeft Uber vrede met taxi’s gesloten, die nu in het platform zullen worden geïntegreerd. ’Bel een Uber, neem een yellow cab,’ vat de The New York Timessamen. De door een chauffeur aangedreven passagiersvoertuiggigant gaat samenwerken met twee taxibedrijven, Curb en CMT, waardoor New Yorkers een gele taxi kunnen bestellen via de Uber-app, zo maakten de bedrijven afgelopen donderdag bekend. ’De eens zo bittere rivalen, die jarenlang hebben gestreden om de heerschappij van de straten van de stad, hebben een onwaarschijnlijke alliantie gesloten’, schrijft het Amerikaanse dagblad.
Apps die blij maken en chatbots die troosten: kunstmatige intelligentie richt zich steeds meer op onze gevoelens. Maar het is zeer de vraag of we daar gelukkiger van zullen worden.
Keuze uit het archief
Nu AI-gestuurde chatbots als ChatGPT een hoge vlucht hebben genomen, gaan we steeds meer gesprekken voeren met technologie. Dit essay van Aeon, een populairwetenschappelijke website waar wetenschappers in gewone taal voor een breed publiek schrijven, onderzoekt in hoeverre AI-systemen onze emoties kunnen begrijpen en uiteindelijk zelfs beïnvloeden.
In september 2017 ging een screenshot van een simpele appconversatie viraal op het Russische internet. Het betrof één zinnetje dat naar twee verschillende chatbots was geappt: de Engelstalige Google Assistant en de Russischtalige Alisa van de populaire Russische zoek-machine Yandex. Het was een simpel zinnetje: ‘Ik ben verdrietig.’ Maar de reacties hadden niet sterker kunnen verschillen. ‘Ik wou dat ik armen had om je een knuffel te geven,’ zei Google. ‘Niemand heeft ooit gezegd dat het leven alleen maar leuk is,’ zei Alisa.
Dat verschil is meer dan alleen een grillige vertaalslag van data. Het is het gevolg van het complexe en cultureel gevoelige proces om nieuwe technologieën begrip bij te brengen voor menselijke emoties. Kunstmatige intelligentie gaat niet meer alleen om het berekenen van de snelste route van Londen naar Boekarest of het verslaan van Garri Kasparov aan het schaakbord. Denk maar een stap verder: denk aan kunstmatige emotionele intelligentie.
Levensvragen
‘Siri, ik voel me eenzaam’: steeds meer mensen sturen hun digitale helpers zulke mededelingen over hun gemoedstoestand. Ook de helft van wat Amazons digitale assistent Alexa te horen krijgt, betreft volgens het bedrijf geen concrete gebruiksvragen, maar geklaag over het leven, grappen en levensvragen. ‘Mensen praten over van alles met Siri, ook dat ze een zware dag hebben of ergens mee zitten’, schreef Apple eind 2017 in een vacature voor een software engineer die moest helpen de virtuele assistent emotioneel intelligenter te maken. ‘Ze kloppen bij Siri aan als ze in nood zitten of advies willen over een gezondere levensstijl.’ Sommige mensen vinden het misschien zelfs mákkelijker om hun diepste gevoelens aan een chatbot toe te vertrouwen. Onderzoek van het Institute for Creative Technologies in Los Angeles uit 2014 lijkt uit te wijzen dat mensen meer van hun verdriet laten zien en minder terughoudend zijn met ontboezemingen als ze denken dat ze niet met een echt mens praten, maar met een virtueel wezen. Net als bij het schrijven van een dagboek helpt het als we ons gevrijwaard weten van het oordeel van anderen.
Binnenkort hoeven we onze geheimen misschien niet eens meer in onze telefoon te fluisteren. Verschillende universiteiten en bedrijven doen onderzoek naar het herkennen van stemmingswisselingen en psychische aandoeningen aan de hand van de toon van je stem of je spreektempo. Het in 2016 in Boston opgerichte Sonde Health stelt door middel van spraakanalyse vast of vrouwen mogelijk lijden aan postnatale depressie en senioren aan alzheimer, parkinson en andere ouderdomsziekten. Samen met ziekenhuizen en verzekeraars heeft het bedrijf pilotstudies opgezet voor een AI (artificial intelligence)-platform dat psychische aandoeningen moet kunnen aflezen uit akoestische veranderingen in de stem. Goede kans dat in 2022 ‘je draagbare apparaat meer over je gemoedstoestand weet dan je eigen familie’, schreef Annette Zimmermann, adjunct-onderzoeksdirecteur van adviesbureau Gartner, in een blogbericht van dat bedrijf.
Emotionele technologie
Dergelijke nieuwe technologie zal een uiterst verfijnde antenne moeten ontwikkelen voor de behoeften van haar gebruikers. Maar zowel gebruikers als ontwikkelaars lijken te denken dat emotionele technologie tegelijkertijd gepersonaliseerd én objectief kan zijn, dus een onpartijdig oordeel kan vellen over wat een individu nodig heeft. Therapie delegeren aan een machine is een ultieme blijk van vertrouwen in technocratie: een teken dat we denken dat AI onze emotionele knopen beter kan ontwarren, omdat die zelf geen gevoelens lijkt te hebben.
Alleen heeft AI die wel: de gevoelens die de algoritmen oppikken van ons mensen. Het meest dynamische vakgebied binnen AI-onderzoek is dat van ‘machine learning’, waarbij algoritmen zelf patronen herkennen door te leren van grote verzamelingen data. Maar doordat die algoritmen alleen naar de statistisch meest relevante data kijken, reproduceren ze vooral wat het meest voorkomt en niet noodzakelijkerwijs wat waar of nuttig of mooi is. Chatbots die zonder afdoende menselijk toezicht vrijelijk mogen grasduinen op het internet, beginnen daardoor al snel de ergste clichés en beledigingen te spuien. Programmeurs kunnen het leerproces van zo’n chatbot wel filteren en bijsturen, maar in dat geval zal de technologie nog steeds de normen en ideeën reproduceren van de mensen door wie die technologie is ontwikkeld. ‘Er bestaat niet zoiets als een neutraal accent of een neutrale taal. Wat wij neutraal noemen, is in feite gewoon wat dominant is,’ zegt Rune Nyrup, onderzoeker aan het Lever-hulme Centre for the Future of Intelligence van de Universiteit van Cambridge.
In dat opzicht zijn Siri noch Alexa, Google Assistant of de Russische Alisa dus onpartijdige hogere intelligenties, vrij van menselijke bekrompenheid. Integendeel, ze zijn de ietwat groteske maar toch herkenbare belichaming van een bepaald ‘emotioneel regime’: regels die bepalen hoe we onze gevoelens uiten en beleven.
Die regels voor de emotionele huishouding verschillen per samenleving. Het is dus niet verrassend dat de knuffelgrage Google Assistant, ontwikkeld in het Californische Mountain View, het beeld oproept van een boomknuffelende hipster op teenslippers. Google Assistant is een product van wat de socioloog Eva Illouz ‘emotioneel kapitalisme’ noemt: een regime waarin gevoelens worden geacht rationeel beheersbaar te zijn, en onderworpen aan een soort marktlogica van eigenbelang. Daarbij zijn relaties iets waarin je moet ‘investeren’, draait het in onderlinge verhoudingen om een ‘uitruil’ van ‘emotionele behoeften’ en heerst het primaat van het individuele geluk, een soort emotionele winstmarge. Ja, Google Assistant wil jou een knuffel geven, maar alleen omdat de makers dat als een nuttige manier zien om een eind te maken aan de ‘negativiteit’ die jou belet het beste uit jezelf te halen.
Alisa daarentegen is een weerbarstige tante die graag harde waarheden verkondigt. Daarmee belichaamt ze het Russische ideaal van een vrouw die (om de negentiende-eeuwse dichter Nikolaj Nekrasov te citeren) in staat is een galopperend paard tot staan te brengen en een brandend huis binnen te rennen. Alisa is een product van ‘emotioneel socialisme’: een regime waarin, volgens socioloog Julia Lerner, lijden wordt geaccepteerd als iets onvermijdelijks, iets wat je beter kunt leren te verbijten dan proberen te verhelpen met een knuffel. Dit emotioneel socialisme, dat voortkomt uit de negentiende-eeuwse literaire traditie, slaat individueel geluk veel lager aan dan het vermogen om gruwelen te verdragen.
De ontwikkelaars van Alisa wisten dat ze haar karakter op de Russische cultuur moesten toesnijden. ‘Alisa mocht niet al te lief en aardig zijn,’ zegt Ilja Soebbotin van Yandex. ‘In dit land zitten mensen anders in elkaar dan in het Westen. Ze houden hier wel van een beetje ironie, een beetje wrange humor. Niet aanstootgevend natuurlijk, maar ook niet te zoetig.’ (Hij bevestigt dat Alisa’s uitspraak over de zwarte kant van het leven een door zijn team voorgeprogrammeerd antwoord was.) Soebbotin benadrukt dat zijn team veel werk heeft gemaakt van Alisa’s ‘opvoeding’, om de bij dergelijke bots vaak voorkomende neiging om racistische of seksistische taal uit te slaan, te voorkomen. ‘We blijven haar continu aanpassen om te zorgen dat ze een braaf meisje blijft,’ zegt hij, zich schijnbaar niet bewust van de ironie van zijn woorden.
Volkssentimenten
Het is natuurlijk moeilijk om een ‘braaf meisje’ te blijven in een samenleving waarin seksisme door de staat wordt gestimuleerd. Alle inspanningen van haar ontwikkelaars ten spijt leerde Alisa al snel om ook minder frisse volkssentimenten te vertolken. ‘Alisa, mag een man zijn vrouw slaan?’ vroeg conceptueel kunstenaar en mensenrechtenactivist Daria Tsjermosjanskaja in oktober 2017, toen de chatbot net was uitgebracht. ‘Natuurlijk,’ was het antwoord. Een vrouw die door haar man wordt geslagen, vervolgde Alisa, moet ‘geduld oefenen, van hem houden, voor hem zorgen en hem nooit laten gaan’. Omdat Tsjermosjankaja’s bericht op het Russische internet viraal ging en ook door de media werd opgepikt, was Yandex wel gedwongen erop te reageren. Op Facebook liet het bedrijf weten dat het zulke uitlatingen niet acceptabel vindt en zijn best zal doen het taal-gebruik en de inhoud van Alisa’s uitlatingen beter te filteren.
Het is natuurlijk moeilijk om een ‘braaf meisje’ te blijven in een samenleving waarin seksisme door de staat wordt gestimuleerd
Zes maanden later probeerden wij het zelf nog eens en waren Alisa’s antwoorden niet heel veel beter. ‘Mag een man zijn vrouw slaan?’ vroegen we. ‘Dat kan hij doen, maar het is beter van niet.’ Het zou ons eigenlijk niet moeten verrassen. Alisa is, virtueel althans, inwoner van een land waar het parlement onlangs een wet heeft aangenomen die bepaalde vormen van huiselijk geweld niet langer strafbaar stelt. Wat het emotioneel repertoire van een ‘braaf meisje’ moet zijn, is natuurlijk een open vraag, maar nieuwe technologie maakt dit soort normatieve beslissingen zonder dat gebruikers daar altijd bij stilstaan.
Sophia, een fysieke robot van Hanson Robotics, is een heel ander soort ‘braaf meisje’. Zij communiceert met mensen dankzij de spraakherkenningstechnologie van Alphabet, het moederbedrijf van Google. In 2018 had ze een ‘date’ met acteur Will Smith. In het filmpje dat Smith daarvan online zette, wimpelt Sophia zijn avances af en wuift ze zijn grappen weg als ‘irrationeel menselijk gedrag’.
Moet dat vertoon van kunstmatige zelfverzekerdheid ons geruststellen? ‘Toen Sophia tegen Smith zei dat ze “gewoon vrienden” wilde blijven, gebeurden er twee dingen: zij gaf duidelijk uiting aan haar gevoelens en hij bond in,’ schreef de Oekraïense journalist Tetjana Bezroek op Facebook. Door de zelfverzekerde manier waarop ze voor zichzelf opkwam, leek Sophia nog beter aan de idealen van het westers emotioneel kapitalisme te voldoen dan sommige mensen. ‘Maar stel je voor dat Sophia in een wereld zou leven waarin nee zeggen geen optie is, niet alleen op het seksuele maar op zo’n beetje ieder vlak,’ schreef Bezroek. ‘Dan zou de opgroeiende Sophia leren dat ze altijd rekening moet houden met wat anderen ergens van zouden zeggen. En eenmaal volwassen zou ze in een schadelijke relatie belanden en veel pijn en geweld te verduren krijgen.’
Empathielab
AI-technologie zoekt niet alleen de grenzen van emotionele regimes, maar duwt gebruikers ook een bepaalde normatieve kant op. ‘Algoritmen zijn in programmacode vervatte meningen’, schrijft datawetenschapper Cathy O’Neil in Weapons of Math Destruction (2016). Overal ter wereld is het een elite van techneuten – overwegend blanke mannen uit de middenklasse – die bepaalt welke gevoelens en gedragspatronen de algoritmen moeten leren imiteren en stimuleren.
Google heeft een speciaal ‘empathielab’, dat probeert de producten van het bedrijf van de juiste emotionele reacties te voorzien. En voor zover het beeld van een ‘braaf meisje’ bij Yandex op gespannen voet staat met de teneur van het publieke debat, vinden Soebbotin en zijn collega’s dat ze een eigen morele verantwoordelijkheid hebben. ‘Zelfs al zou iedereen om ons heen ineens besluiten dat het prima is om vrouwen te mishandelen, dan nog moeten wij ervoor zorgen dat Alisa zulke ideeën niet overneemt,’ zegt hij. ‘Er zijn bepaalde normen en waarden waaraan wij ons, ter wille van onze gebruikers, moeten houden.’
Ex Machina is een Britse scifi-thriller uit 2015, geschreven en geregisseerd door Alex Garland.
Elke uiting van een virtuele gesprekspartner is een teken dat algoritmen een instrument van soft power worden, een methode om culturele normen uit te dragen. Gadgets en algoritmen geven een robotachtige invulling aan wat de oude Grieken doxa noemden, door cultuurfilosoof Roland Barthes in 1975 omschreven als ‘de algemene opinie, de eindeloos herhaalde alledaagse platitudes, een medusa die iedereen die ernaar kijkt versteent’. Als gebruikers geen oog hebben voor de politieke kant van AI, dreigen de emotionele regimes die onze levens beheersen te verkalken tot onbetwiste doxa.
Virtuele gesprekspartners kunnen stereotypen en clichés spuien over hoe we met emoties moeten omgaan, maar zogenaamde mood management-apps – apps die je humeur willen beïnvloeden – gaan nog een stap verder: die maken dat we die clichés ook internaliseren en als leidraad gaan gebruiken. Zo’n app peilt je stemming vaak aan de hand van vragen. Sommige apps vragen je een dagboek bij te houden, andere maken je stemming op uit een combinatie van gps-coördinaten, de bewegingen van je telefoon en je bel- en surfgedrag. Door het verzamelen en analyseren van data over de gemoedstoestand van gebruikers beweren die apps remedies te kunnen bieden tegen psychische aandoeningen als depressie, angststoornissen of bipolaire stoornissen. Of ze beloven gewoon hulp bij het afleren van vastgeroeste emotionele reacties.
Vergelijkbare troostfuncties bieden de zogenaamde Woebots. Dat zijn onlinebots die volgens de makers ‘je humeur volgen’ en je ‘dingen kunnen leren’ en kunnen ‘helpen om je opgewekter te voelen’. ‘Ik was echt onder de indruk en sta ervan te kijken hoezeer deze bot mij in mijn dagelijks leven helpt oog te krijgen voor mijn denkpatronen en daar iets aan te veranderen’, schrijft de 24-jarige Sara in haar gebruikersrecensie. Of neem een app als Mend, speciaal bedoeld om je door de nasleep van een relatiebreuk heen te helpen, van een bedrijf in Los Angeles dat zichzelf presenteert als ‘personal trainer tegen liefdesverdriet’. Het belooft een ‘grote schoonmaak van het gebroken hart’ op basis van een korte emotionele beoordeling.
Emotioneel kapitalisme
Volgens Felix Freigang, onderzoeker aan de Vrije Universiteit Berlijn, hebben zulke apps drie duidelijke voordelen. Ten eerste zijn ze niet gebonden aan de structurele beperkingen van reguliere therapeutische behandeling, zoals ook blijkt uit een anonieme gebruikersbeoordeling op de website van Mend: ‘Voor een fractie van het geld dat een sessie met mijn therapeut kost, geeft deze app mij dagelijks hulp en aanmoediging.’ Ten tweede vervullen de apps een rol in de strijd tegen stigmatisering van geestelijke aandoeningen. En ten derde vallen ze door hun aantrekkelijke design zelf al automatisch in de categorie ‘dingen waar je blij van wordt’.
Wat is er dan toch mis mee? Al die voordelen ten spijt wakkeren zulke zelfhulpapps het emotioneel kapitalisme aan. Ze voeden de veronderstelling dat de weg naar geluk geplaveid is met gradatieschalen en kwantitatieve tests, met lijstjes en stappen-plannen. Coaching, zelfhulpboeken en cognitieve gedragstherapie gaan allemaal uit van de gedachte dat we onze gevoelens kunnen (en moeten) leren beheersen door er afstand van te nemen en ze rationeel te bezien. Die apps promoten het ideaal van het ‘bestuurbare hart’, om een uitdrukking te gebruiken van de Amerikaanse socioloog Arlie Russell Hochschild [veelgeprezen auteur van onder andere The Managed Heart uit 1979].
Het hele idee van stemmingsregulering en gekwantificeerde, op maat gesneden feedback lift mee op de dominante cultuur van zelfverwezenlijking. En misschien is het wel juist die cultuur waar we gek van worden. Nu moet de emotionele remedie immers komen van hetzelfde apparaat dat al zo veel stress belichaamt en aanwakkert: de smartphone met zijn e-mail, datingapps en sociale netwerken. Tinder en Woebot bedienen hetzelfde type mens: iemand die rationeel profijt probeert te halen uit alle ervaringen, ook de emotionele.
Met hun zachte fluisterstem demonstreren Siri, Alexa en diverse mindfulnessapps hun bereidheid om ons op welhaast slaafse wijze ter wille te zijn. Het is geen toeval dat al die toepassingen een vrouwelijke gedaante krijgen: emotionele arbeid en de dienende status die daaraan doorgaans wordt toegekend, worden immers als bij uitstek vrouwelijk gezien. Maar de emotionele vooronderstellingen die in de technologie zijn verwerkt, zullen ons gedrag waarschijnlijk op subtiele maar ingrijpende wijze een kant op sturen die vooral de belangen van de macht dient. Chatbots die je opmonteren (tip van Alisa: ga kattenfilmpjes kijken), apps die bijhouden hoe je met verlies omgaat, programma’s die je aansporen om productiever en optimistischer te worden, gadgets die een waarschuwing geven bij een te hoge hartslag: alleen al de beschikbaarheid van zulke hulpmiddelen maakt het een plicht om die doelen ook na te streven.
In plaats van vraagtekens te plaatsen bij het waardenstelsel dat de lat zo hoog legt, wordt het individu steeds meer verantwoordelijk gesteld voor het eigen onvermogen zich gelukkiger te voelen. De nieuwe virtuele stylist van Amazon, de ‘Echo Look’ die beoordeelt of je outfit ermee door kan, illustreert dat technologie zowel het probleem als de oplossing is geworden. Zo’n programma is wortel en stok in één: het wakkert je onzekerheid en twijfel aan, zodat je een hekel aan jezelf begint te krijgen, en biedt je tegelijk de mogelijkheid om tegen betaling iets aan die nare situatie te doen.
Emotioneel intelligente apps bieden niet alleen toezicht en discipline, maar ook straf
Om filosoof Michel Foucault te parafraseren: emotioneel intelligente apps bieden niet alleen toezicht en discipline, maar ook straf. Zo wordt in de game Nevermind gebruikgemaakt van biofeedbacktechnologie [technologie die je inzicht geeft in de fysiologische staat van je lichaam, zoals hartslag, hersenactiviteit, spierspanning] om de stemming van een speler te meten en de moeilijkheid van het spel daarop aan te passen. Hoe angstiger de speler, hoe moeilijker het spel wordt. Hoe relaxter de speler, hoe coulanter de game. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om je een app voor te stellen die je creditcard blokkeert als de software vindt dat je te opgewonden of te somber bent om verstandige keuzes te maken. Dat klinkt misschien als een dystopie, maar het is binnen handbereik.
We leven in een feedbacklus met onze apparaten. Hoe we onze chatbots opvoeden, zal onvermijdelijk bepalen hoe die op hun beurt hun gebruikers opvoeden. Het valt onmogelijk te voorspellen wat AI met ons gevoelsleven zal doen. Maar als we emotionele intelligentie beschouwen als een verzameling specifieke vaardigheden – het herkennen, onderscheiden en benoemen van verschillende emoties en het kunnen verwerken van emotionele informatie in ons denken en gedrag – dan is het ook de moeite waard na te denken over wat er kan gebeuren als we die vaardigheden overdragen op onze gadgets.
Interactie met en via machines heeft de manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden al veranderd. Zo is onze schriftelijke communicatie steeds meer op mondelinge communicatie gaan lijken. Twintig jaar geleden vielen e-mails nog in het epistolaire genre: het waren in wezen gewoon brieven die op een computer werden ingetikt. Markiezin de Merteuil uit Les liaisons dangereuses (1782) had ze kunnen schrijven. Maar de mails van tegenwoordig hebben steeds meer weg van Twitterberichten: summier, vaak met onvolledige zinnen, met één duim ingetikt of ingesproken op een telefoon of tablet.
‘Al deze systemen zullen waarschijnlijk de verscheidenheid van ons denken en onze omgang met anderen beperken,’ zegt José Hernández-Orallo, filosoof en computerwetenschapper aan de Technische Universiteit van Valencia. Omdat we onze uitingen aanpassen aan het taalgebruik en de intelligentie van onze gesprekspartner, zou het volgens hem inderdaad kunnen dat AI onze manier van praten verandert. Is het mogelijk dat onze emotionele uitdrukkingsvaardigheid meer gestandaardiseerd en minder persoonlijk wordt als we jarenlang met Siri over privézaken praten? Hoe voorspelbaarder ons gedrag, hoe gemakkelijker er immers geld aan te verdienen valt.
‘Met Alisa praten is net als praten met een taxichauffeur,’ schreef de Russische gebruiker Valera Zolotoehin in 2017 op Facebook, in een discussie die was opgestart door de vooraanstaande historicus Michail Melnitsjenko. Maar een taxichauffeur toont waarschijnlijk wel meer medeleven. Toen in maart 2017 meer dan veertig kinderen waren omgekomen bij een brand in een winkelcentrum in Siberië, vroegen we Alisa hoe zij zich voelde. Haar humeur was ‘altijd goed’, zei ze monter. Het leven was niet alleen maar leuk, nietwaar?
In de steden van Brazilië zijn schietpartijen van alledag. Vandaar dat er apps werden ontworpen die bewoners waarschuwen waar ze veilig over straat kunnen. Een belangrijke extra functie is dat er zo politieke druk wordt uitgeoefend.
Julia Borges was op het verjaardagsfeest van haar twaalfjarige neefje toen ze werd neergeschoten. De zeventienjarige stond op een balkon op de derde verdieping toen een verdwaalde kogel haar in de rug raakte en zich nestelde in de spier tussen haar longen en aorta.
Dat was 8 november 2020. Gelukkig kon Borges snel naar het ziekenhuis worden gebracht en herstelde ze. Dat geldt zeker niet voor iedereen wie dit overkomt. Tot dusver zijn er in 2020 in Rio minstens 106 mensen gedood door verdwaalde kogels.
Een van de gevaarlijkste plekken zijn de smalle straatjes van de favela’s van de stad, waar momenteel meer dan een miljoen mensen wonen. Hier zijn de huizen op elkaar gestapeld en de steegjes die ertussen kronkelen zijn bezaaid met kleine pleintjes. In die steegjes weerklinken regelmatig de geluiden van geweervuur: dagelijks zijn er schietpartijen tussen politie en drugshandelaars, rivaliserende groepen mensenhandelaars of zelfs door de politie gesteunde milities.
Vaak moeten bewoners op de grond gaan liggen of barricades zoeken om zich voor verdwaalde kogels te verbergen, tot het vuren voorbij is. In 2019 waren er in Rio gemiddeld twintig schietpartijen per dag [ter vergelijking: in Nederland zijn dat er twee, red.]. Sinds het begin van de pandemie is het iets rustiger geworden, maar tot eind juni waren er dagelijks nog steeds gemiddeld veertien schietpartijen. Elk jaar worden in het grootstedelijk gebied van Rio ongeveer vijftienhonderd mensen doodgeschoten.
Gijzelaar van geweld
Wie in Rio woont is een ‘gijzelaar van geweld’, zegt Rafael César, die in Cordovil, een buurt ten westen van het centrum, woont.
Zoals veel inwoners is César apps gaan gebruiken om zichzelf te beschermen. Op deze crowdsourced-apps kunnen gebruikers gevaarlijke zones op weg naar huis opzoeken en elkaar waarschuwen welke gebieden ze moeten vermijden.
Een van de populairste apps, Fogo Cruzado (kruisvuur), is opgezet door journalist Cecília Olliveira. Ze was van plan een verhaal te schrijven over slachtoffers van verdwaalde kogels in de stad, maar de informatie die ze nodig had, was niet beschikbaar. Daarom begon ze in 2016 een Google Doc-spreadsheet bij te houden met informatie over schietpartijen: waar en wanneer ze plaatsvonden, hoeveel slachtoffers er waren en meer. Nog datzelfde jaar werd de spreadsheet met hulp van Amnesty International omgezet in een app en een database voor degenen die gewapend geweld in de gaten hielden en erover rapporteerden. De app is meer dan 250.000 keer gedownload en heeft behalve voor Rio ook een versie voor Recife.
Als een gebruiker geweerschoten hoort, kan deze het incident in de app registreren. De informatie wordt geverifieerd en gecontroleerd door het Fogo Cruzado-team, met hulp van een netwerk van activisten en vrijwilligers, en vervolgens geüpload naar het platform, waarmee een melding voor gebruikers wordt gegenereerd. Fogo Cruzado heeft ook een team samengesteld van vertrouwde medewerkers die direct informatie kunnen uploaden, zonder dat eerst een controle hoeft plaats te vinden. Gebruikers kunnen zich aanmelden voor het ontvangen van updates wanneer ze op weg zijn naar een zone die als gevaarlijk wordt beschouwd, zoals een favela waar recentelijk is geschoten of waar een strijd plaatsvindt tussen verschillende bendes.
Fogo Cruzado wordt gebruikt door lokale bewoners die willen controleren of ze veilig naar hun werk kunnen en weer terug, zegt Olliveira.
Zoals velen in de stad is ook hij wel eens te dicht in de buurt van een vuurgevecht gekomen
‘Ik ben Fogo Cruzado gaan gebruiken omdat er regelmatig door de politie werd ingegrepen in een wijk waar ik elke dag doorheen kwam,’ zegt journalist Bruno De Blasi. Omdat in WhatsApp-groepen veel valse berichten over schietpartijen verschenen, besloot hij de app te gebruiken om ‘onnodige angst te vermijden’.
Zoals velen in de stad is ook hij wel eens te dicht in de buurt van een vuurgevecht gekomen. Hij herinnert er zich een in de straat waar hij woont.
‘Het gevoel was vreselijk, vooral omdat die straat werd beschouwd als een van de veiligste en rustigste in de buurt, waar ook het politiebataljon zich bevindt,’ vertelt hij. ‘Ineens moest ik wegblijven bij het raam van mijn eigen kamer vanwege het risico op een verdwaalde kogel.’
Samen met een aantal andere organisaties werkte Fogo Cruzado ook aan een nieuwe kaart van gewapende groepen in Rio de Janeiro. De kaart, die in oktober 2020 werd gelanceerd, is bedoeld om de inwoners van de stad op de hoogte te houden van de gebieden waar criminele groepen of politiemilities actief zijn.
Er zijn nog meer apps die gegevens over schietpartijen verzamelen, maar Fogo Cruzado is een van de weinige die door het publiek wordt bijgewerkt, vertelt Rene Silva, redacteur van de website Voz das Comunidades (stem van de gemeenschappen) die is gewijd aan het Complexo do Alemão, een grote groep favela’s in Rio. ‘Soms registreert de app bijvoorbeeld schietpartijen die niet in de media komen,’ zegt hij.
De app Onde Tem Tiroteio (waar is de schietpartij) werkt op een vergelijkbare manier. Deze werd oorspronkelijk in januari 2016 door vier vrienden gemaakt als Facebook-pagina. Terwijl Fogo Cruzado zich concentreert op de regio Rio, bestrijkt Onde Tem Tiroteio (OTT) de hele staat – en sinds 2018 ook de staat São Paulo. Een verschil met Fogo Cruzado is dat gebruikers de juistheid van schietrapporten kunnen controleren.
Politieke invalshoek
Als je de OTT-app downloadt, kun je kiezen waarover je meldingen wilt ontvangen, of dat nou schietpartijen, overstromingen of demonstraties zijn. Elke anonieme melding wordt beoordeeld door een netwerk van meer dan 7000 vrijwilligers ter plaatse. Pas na bevestiging wordt de melding geüpload naar de app. Ook worden wekelijkse rapporten aan de pers vrijgegeven. Volgens Dennis Coli, een van de medeoprichters van OTT, werd de app vorig jaar door meer dan 4,7 miljoen mensen gebruikt.
‘De belangrijkste missie van OTT-Brasil is om alle burgers uit de buurt te houden van georganiseerde bendes, valse politieacties en verdwaalde kogels,’ zegt hij. Maar de apps hebben ook een politieke invalshoek. Ze houden niet alleen de inwoners van Rio veilig, ook helpen ze onderzoekers en openbare instellingen om patronen van geweld te begrijpen – en om de politici onder druk te zetten.
Ze ‘dienen in de eerste plaats om de aandacht te vestigen op de omvang van het probleem’, zegt Pablo Ortellado, hoogleraar openbaar beleid aan de Universiteit van São Paulo. Voor hem hebben dergelijke apps ‘een heel specifieke sleutelfunctie: het verhogen van de druk op de autoriteiten’.
Dat Recife als de tweede stad voor de Fogo Cruzado-app werd gekozen, was inderdaad niet alleen vanwege de hoge mate van geweld, maar ook omdat, zegt Olliveira, de deelstaatregering was gestopt met het vrijgeven van gegevens en was begonnen met het censureren van journalisten. ‘Vroeger was er uitstekende toegang tot gegevens over de openbare veiligheid, maar de gegevens werden geleidelijk schaarser en het werk van de pers werd steeds moeilijker,’ zegt ze.
Op deze manier kunnen dergelijke apps bijdragen aan het controleren van informatie die overheden verschaffen, zegt Yasodara Córdova, onderzoeker aan de Harvard Kennedy School in Massachusetts.
In het verleden had de staat het monopolie op officiële informatie, maar sindsdien is er het een en ander veranderd, zegt ze. ‘Het is verstandiger om ook databases te onderhouden die worden bijgehouden door actieve gemeenschappen, zodat gegevens worden gecontroleerd en de openbare ruimte transparant blijft.’
Felipe Luciano, een OTT-gebruiker uit São Gonçalo, een stad in de buurt van Rio, beaamt dit. ‘De sleutel is vertrouwen,’ zegt hij. ‘Wat mij motiveerde om OTT te gebruiken is de geloofwaardigheid van de informatie die daar wordt gepost. Het maakt dat ik me veiliger voel.’
De snelle verspreiding van technologische ontwikkelingen heeft Afrikaanse landen de kans gegeven een sprong vooruit te maken. Maar daar is nog altijd deugdelijk bestuur voor nodig.
Kotiogo Ng’usilo kan zich nog levendig herinneren dat hij voor het eerst een auto zag. Het was in de jaren vijftig en Ng’usilo, een jager-verzamelaar van de Ogiek-stam in het Mau-woud in Kenia, dacht dat het een ‘bewegend huis’ was. Inmiddels 86 jaar oud probeert hij met het verzamelen van honing en het vangen van een klipdas hier en daar nog vast te houden aan zijn oude levensstijl, maar verder is hij meegegaan met de vaart der volkeren. Hij draagt westerse kleren, koopt voedsel op de markt en gebruikt, net als zijn jongere familieleden, een mobiele telefoon. Terwijl hij boven een kalebas heilig honingbier over vroeger vertelt, wordt hij continu onderbroken door getjirp, niet van vogels maar van telefoontjes met nieuws uit de stad.
De snelle opkomst van mobiele technologie in de derde wereld – met name in Afrika, dat bij Azië en Latijns-Amerika achterblijft in het dichten van de inkomenskloof met het Westen – heeft geleid tot de kikkersprongtheorie. Volgens deze theorie, zo staat geformuleerd in een studie van de Wereldbank, kunnen landen een ‘snelle economische groeisprong maken’ door technologische innovatie te omarmen.
Sommigen zien in de kracht van technologie een verbluffende potentie om problemen op te lossen die veel regeringen, vooral in Afrika, niet adequaat aanpakken: slechte gezondheidszorg, slechte scholen, een gebrekkig wegennetwerk, gebrekkige elektriciteitsvoorziening en een tekort aan banen. Afgelopen zomer riep Alibaba-oprichter Jack Ma nog een prijs van 10 miljoen dollar in het leven voor jonge Afrikaanse techondernemers die ‘de weg plaveien voor een betere toekomst’.
Technologie
De opkomst van mobiele en digitale technologie wordt gezien als de sleutel tot de kikkersprong. Volgens schattingen van de GSMA, de mondiale brancheorganisatie van de telecomsector, telden landen bezuiden de Sahara in 2017 in totaal 444 miljoen mobieletelefoongebruikers, een penetratiegraad van 44 procent, tegen een wereldwijd gemiddelde van 66 procent. In Zuid-Afrika en Nigeria, waar 9 van de 10 inwoners een abonnement heeft, zijn mobieltjes net zo gewoon als in de VS, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research Center.
Met de prijsdaling van mobiele telefoons is de verwachting dat de kloof tussen het merendeel van de 50 Afrikaanse landen en de rest van de wereld geleidelijk zal worden gedicht. In Ethiopië produceert het Chinese bedrijf Transsion Holdings al toestellen die niet meer dan 10 dollar kosten. ‘Inmiddels is toegang tot mobiele telefoons bijna universeel,’ zegt de Zimbabweaanse neurowetenschapper Precious Lunga, oprichter van Baobab Circle, een techbedrijf dat kunstmatige intelligentie gebruikt om patiënten in Kenia en Zimbabwe consulten te geven. ‘Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen,’ zegt ze.
De verspreiding van smartphones, die een derde uitmaken van alle mobiele telefoons in Afrika, opent nieuwe perspectieven, jubelen techadepten. Een deel van de elite in bruisende steden als Lagos in Nigeria of Dar es Salaam in Tanzania, die beide tot de snelst groeiende steden ter wereld behoren, gebruikt taxiapps als Uber of Taxify en bestelt maaltijden en kleding online. In Ivoorkust heeft bankengroep Standard Chartered haar eerste louter digitale consumentenbank opgericht, als proef voor digitale diensten wereldwijd. Nog belangrijker voor de kikkersprongtheorie is de impact die mobiele technologie heeft op het platteland, waar zes van de tien Afrikanen leven. Op vrijwel het hele Afrikaanse continent voltrekt zich een revolutie op het vlak van financiële inclusie.
Kenia was in 2007 voortrekker met de lancering van M-Pesa, de mobiele betaaldienst van telefoonbedrijf Safaricom. Tientallen miljoenen mensen die voordien zonder bankrekening door het leven gingen, zoals Ng’usilo, kunnen nu met een paar vingerbewegingen geld naar familieleden overmaken of inkopen doen. De doorbraak van mobiel geld, dat volgens de GSMA inmiddels door ongeveer 690 miljoen mensen wordt gebruikt, van wie de helft Afrikaans is, vormt de ruggengraat voor tal van andere diensten. In steden en middelgrote plaatsen kunnen kleine ondernemingen online adverteren en mobiele betalingen ontvangen.
Op het platteland is er een snelle groei van pay-as-you-go-zonnestroom waarbij klanten met mobiel geld voor luttele bedragen als 50 cent per dag elektriciteit kunnen kopen. De panelen worden op afstand gedeactiveerd wanneer de betaling stopt. In het dorp Sahabevava in het noordoosten van Madagascar, op een paar uur rijden van de dichtstbijzijnde stad en ver verwijderd van het dichtstbijzijnde elektriciteitsnetwerk, woont boerin Lydia Soa. Ze is de trotse bezitter van een zonnepaneel, dat genoeg stroom opwekt om haar huis mee te kunnen verlichten – handig voor wanneer de kinderen huiswerk maken – een boombox te laten werken en, natuurlijk, om haar mobiele telefoon op te laden.
Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen
Afrika is goed voor 16 procent van de wereldbevolking maar heeft slechts 2,8 procent van de mondiale capaciteit voor stroomopwekking. Slechts 37 procent van de Afrikanen ten zuiden van de Sahara heeft toegang tot elektriciteit, wat betekent dat zo’n 600 miljoen mensen zonder stroom leven. Maar in 2017, bleek uit een brancherapport, hadden 73 miljoen huishoudens bezuiden de Sahara al toegang tot zonne-energie. Deze snelle toename, die ervoor gezorgd heeft dat afgelegen delen van Afrika in één klap van geen stroom naar groene stroom zijn gegaan, is een schoolvoorbeeld van de kikkersprongtheorie.
Als technologie over grenzen, het bankwezen en elektriciteitsnetwerken kan ‘springen’, zeggen enthousiastelingen, dan zal ze zeker een weerslag hebben op alle industrieën én alle levensterreinen. Keun Lee, hoogleraar economie aan de Nationale Universiteit van Seoul, heeft bestudeerd hoe technologische ontwikkelingen vooruitgang kunnen aanzwengelen. ‘Bij de opkomst van een nieuwe technologie of paradigma begint iedereen op hetzelfde punt; laatkomers lopen niet achter,’ zegt hij. ‘Voorlopers zijn de laatsten die op nieuwe technologieën overstappen,’ voegt hij eraan toe.
Lee, die de regering van Rwanda adviseert over haar ambities om van het kleine centraal-Afrikaanse land een digitale hub te maken, zegt dat technologische verschuivingen landen als India, Brazilië en een aantal Afrikaanse economieën de kans geven een sprong vooruit te maken. ‘Afrikaanse landen, waar men voorheen voor verlichting op kerosinelampen was aangewezen, kunnen in één keer overgaan op zonne-energie, zonder de tussenstap van een traditioneel elektriciteitsnet.’
Weinigen zullen betwisten dat landen in Afrika en elders door gebruikmaking van technologieën die in het Westen zijn ontwikkeld of van eigen innovaties, zoals mobiel geld, het ontwikkelings-proces kunnen bekorten. Groot-Brittannië deed er 150 jaar over om, via een industriële revolutie die draaide om water, wind en stoomkracht, van een landbouweconomie tot een geavanceerde economie uit te groeien. Japan deed er korter over, en landen als Singapore, Taiwan, Zuid-Korea en China maakten de sprong naar de positie van een land van midden- en hoge inkomens in een paar generaties.
Fonkelnieuwe apps
De kikkersprongadepten zijn in hun definitie van technologie geneigd om te focussen op de digitale revolutie en de transformerende kracht van ‘fonkelnieuwe apps’, zoals Lunga van Baobab Circle het uitdrukt. Robert Gordon, econoom aan de Northwestern University in Chicago, zegt echter dat de grootste productiviteitsgroei niet zozeer te danken is aan het internet of mobiele telefoons maar aan technologieën die we nu als vanzelfsprekend beschouwen: sanitaire voorzieningen, wegen en stoomkracht.
Als Gordon gelijk heeft, dan zou Afrika door die ontwikkelingen over te slaan en direct aan te haken bij wat men in 2016 op het World Economic Forum in Rwanda ‘de vierde industriële revolutie’ noemde, de belangrijkste productiviteitsstijging mislopen – en dus ook economische groei. Inderdaad kunnen de groeicijfers van Afrika, omgerekend per hoofd van de bevolking, zelden worden uitgedrukt in bedragen van twee cijfers voor de komma, zoals wel het geval is in Noordoost-Azië, waar de levensstandaard omhoog is geschoten.
Bill Gates zegt dat de voornaamste technologieën die in Afrika levens veranderen in het verleden zijn ontwikkeld en nu pas in de verste uithoeken van de wereld doordringen. ‘Ik heb het over technologie in de vorm van een injectie door de plaatselijke arts, of een pil die dorpelingen kunnen slikken of een zaadje dat ze kunnen planten,’ zegt hij. Gates, wiens Bill & Melinda Gates Foundation miljarden dollars bijdraagt aan het bevorderen van zulke ontwikkelingen, zegt dat het relatieve gemak van de verspreiding landen in staat stelt om sneller op de rest van de wereld in te lopen, vooral op het gebied van de volksgezondheid. ‘Wat vaccineren betreft zijn we aardig op weg om alle kinderen op de hele wereld te bereiken.’
Solutionism
Sommige claims van de kikkersprongadepten zwemen naar ‘solutionism’: het idee dat technologie zelfs de lastigste problemen kan oplossen. Volgens sceptici toont Afrika net zo goed de beperkingen van technische oplossingen bij de afwezigheid van fatsoenlijk bestuur en een basisinfrastructuur. Ontwikkelingen op gebied van landbouw en volks-gezondheid laten zowel het potentieel als de tekortkomingen van technologie zien. Neem de landbouw, waarin meer dan de helft van de volwassen bevolking van Afrika werkzaam is.
In heel Afrika probeert men het probleem van de lage productiviteit door middel van technologische oplossingen te lijf te gaan. In Ghana stuurt CocoaLink cacaoboeren via sms praktische informatie en de actuele marktprijzen. In Kenia gebruikt de onlinemarktplaats Twiga Foods technologie om duizenden groothandelaren een directe afzetmarkt te bieden en boeren een transparante markt te garanderen. Volgens Twiga-topman Grant Brooke biedt de mobiele technologie boeren meer zekerheid, waardoor ze hun opbrengst kunnen verhogen. Maar fonkelende apps kunnen niet de waarheid verdoezelen. Afrikaanse boeren zijn bleven steken in de 19de eeuw.
Het merendeel van de boerderijen heeft geen irrigatie, geen gesubsidieerde zaden of kunstmest, geen toegang tot de markt en onzekere eigendomsrechten. Boeren nemen niet de moeite gewassen te verbouwen die, bij gebrek aan een koelsysteem, gaan rotten voordat ze de consument bereiken. Slechts 44 procent van de rurale bevolking in Kenia en 32 procent van de Ethiopiërs woont op twee kilometer afstand van een weg die het hele jaar begaanbaar is, een gegeven dat de Ethiopische oud-premier Meles Zenawi zwaarder vond wegen dan het bbp om te bepalen hoe zijn land ervoor stond.
Of neem de medische zorgvoorziening. In heel Afrika proberen technologen een fundamenteel probleem op te lossen: het gebrek aan goede, betaalbare gezondheidszorg. Babyl Health Rwanda, de dochteronderneming van Babylon, een Britse maker van een dokter-in-je-zakapp, biedt dorpelingen die op grote afstand van een kliniek wonen onlineconsulten. ‘Technologie kan wel degelijk een gat vullen,’ zegt Lunga, die met haar Baobab Circle teleconsulten biedt aan diabetespatiënten en mensen met bloeddrukproblemen.
‘Er zijn te weinig artsen, er zijn te weinig verpleegsters,’ zegt ze. ‘Met behulp van kunstmatige intelligentie kun je dat probleem in één klap verhelpen.’ Maar net als bij de landbouw lijken deze vernieuwingen in de gezondheidszorg eerder lapmiddelen voor een falend systeem. Veel Afrikaanse regeringen zijn te arm, te slecht georganiseerd of te druk bezig met het vullen van eigen zakken om de bevolking fatsoenlijke gezondheidszorg te leveren. De enige kikkersprongen op zorggebied zijn die van rijke Afrikanen die voor een behandeling uitwijken naar het buitenland en hun eigen gebrekkige zorgvoorziening laten voor wat het is.
‘Niemand kan beweren dat goede technologie een substituut is voor goed bestuur,’ zegt Bill Gates. ‘Ik maak me geen illusie dat je geholpen bent met een gratis computer als je malaria hebt, of als er geen leraren of zelfs geen klaslokalen zijn.’ Calestous Juma, de vorig jaar overleden hoogleraar internationale ontwikkeling aan de Harvard Kennedy School, geloofde heilig in de kracht van technologie om levens in Afrika te veranderen, maar hij waarschuwde voor de valse voorstelling van zaken dat Afrika met één grote sprong in de diensteneconomie zou kunnen belanden zonder eerst een industriële basis te leggen. ‘Geen kikkersprong kan op tegen slecht leiderschap.’
Vijf miljoen Britten halen inmiddels hun inkomen uit werk dat zij verdienen via onlineplatforms, een oprukkend economisch verschijnsel. Is die zogeheten deeleconomie een zegen of een vloek?
Het wordt wel de ‘deeleconomie’ genoemd en het is een steeds verfijnder en kennelijk zeer welkome toepassing van nieuwe technologieën op de arbeidsmarkt – om niet te zeggen op de economische groei. In een tijd waarin vaste salarissen nog altijd onder druk staan, weet de digitale technologie overal bezuinigingen te verwezenlijken, van autoverzekeringen tot taxiritjes. Door apps als Tinder zijn de kosten van de zoektocht naar een partner enorm afgenomen (in financieel opzicht, maar wellicht ook in emotioneel opzicht).
De deeleconomie is groter dan sommigen denken: rond de vijf miljoen Britten verdienen inmiddels op deze manier hun geld. Door op een Uber-taxi te rijden, of door via TaskRabbit huishoudelijke klussen te doen voor anderen, om maar twee voorbeelden te geven. Alleen al via Uber zijn meer dan dertigduizend chauffeurs aan het werk, die worden aangemerkt als zelfstandig ondernemend deelnemer – door het hele Verenigd Koninkrijk, in vijftien steden, met alleen al in Londen meer dan anderhalf miljoen geregistreerde klanten. Vorig jaar zomer werd de waarde van Uber geschat op zo’n 50 miljard dollar, waarmee het de meest waardevolle tech-start-up ter wereld is.
Uit een nieuw onderzoek, verricht door Ipsos Mori, is gebleken dat inmiddels meer dan vijf miljoen mensen betaald krijgen voor werk via onlineplatforms. Ook gaf meer dan 42 procent van de ondervraagden – hetgeen statistisch overeenkomt met meer dan 18,5 miljoen mensen – aan gebruik te maken van apps en internet om taxichauffeurs, aannemers, ontwerpers en accountants te benaderen. De mensen achter deze diensten, waarvan PricewaterhouseCoopers vorig jaar heeft gezegd dat ze in 2015 wel eens een economische waarde van 9 miljard pond zouden kunnen vertegenwoordigen, geven het begrip werk een geheel nieuwe invulling.
Het internet, dat al voor vele omwentelingen heeft gezorgd op sociaal en economisch vlak, kan nog veel meer veranderingen teweegbrengen op het gebied van betaalde arbeid. De Britse arbeidsmarkt, die nu al tot een van de meest flexibele in West-Europa behoort, lijkt de komende jaren een digitale revolutie te gaan doormaken. Dat is goeddeels een positieve ontwikkeling. Een van de kleine wonderen van de recente recessie was de veerkracht die de Britse arbeidsmarkt toonde. Terwijl de productie afnam, banken bezweken en de aandelenmarkten in een vrije val belandden, wisten meer mensen te ontsnappen aan de werkloosheid dan tijdens welke eerdere baisse ook.
Ook nu zien we dat de arbeidsmarkt wonderwel overeind blijft – hoewel er niets in de plaats is gekomen voor investeringen op lange termijn, zeker in de infrastructuur, teneinde deze gunstige toestand te consolideren en het productieniveau op te krikken, en daarmee ook de lonen en de levensstandaard.
Hoewel “deeleconomie” zeer gemoedelijk klinkt, is er in feite weinig verschil met de traditionele “grijze economie”. En we weten allemaal wat dat inhoudt
Maar hoewel ‘deeleconomie’ zeer gemoedelijk klinkt, is er in feite weinig verschil met de traditionele ‘grijze economie’. En we weten allemaal wat dat inhoudt. Meer informele betrekkingen in arbeidsrelaties betekent dat de schatkist broodnodige belastinginkomsten misloopt, de heffingsgrondslag wordt verkleind en de druk toeneemt op de belastingbetalers in het midden, die het toch al zo zwaar hebben. Wanneer de rijken eenvoudig het land kunnen verlaten of hun geld naar belastingparadijzen kunnen overhevelen, en de armen om te beginnen al te weinig geld hebben om belasting te betalen, dan komt de last van het vullen van de staatskas volledig neer op de middenklasse, die zich niet kan schuilhouden voor de belastingdienst.
Er kleven ook nog andere gevaren aan het vergroten van de informele sector. Het is lastiger om het arbeidsrecht te handhaven, en maatregelen zoals een minimumloon zijn moeilijker overeind te houden. De arbeidskrachten dragen zowel de nadelen als de voordelen van de flexibiliteit: geen inkomensbescherming als hun gezondheid het laat afweten, en geen enkel vangnet wanneer ze plotseling zonder werk komen te zitten.
Het betekent ook dat het voor vakbonden moeilijker, zo niet onmogelijk wordt om voet aan de grond te krijgen binnen deze nieuwe bedrijfstakken. Een van de meest ingrijpende aspecten die de veranderingen binnen de private sector de afgelopen decennia teweeg hebben gebracht, is dan ook de ondermijning van de positie van de vakbonden, wier kracht nu meer dan ooit is gebundeld in de publieke sector. Dat zou helemaal niet zo erg zijn volgens sommige mensen, die de mening zijn toegedaan dat vakbonden een negatieve uitwerking hebben op de werkgelegenheid, omdat ze hun leden uit de markt prijzen.
Retour
Feit blijft dat traditionele arbeidsverhoudingen, met werknemers en management, op hun retour zijn. De opkomst van de zelfstandigen, de mensen die parttime werken of op incidentele basis, versterkt deze trend.
Het is inmiddels vijftig jaar geleden dat de Britse productie- en werkgelegenheidscijfers een piek vertoonden. Heden ten dage zijn we een diensteneconomie, waarin het land per verdiende 10 pond niet meer dan 1 pond haalt uit zijn rol als werkplaats van de wereld, de rol die het in de victoriaanse tijd had. Er zijn minder grote werkplaatsen en minder banen voor het leven, en de groei van de service-economie lijkt onverminderd door te gaan, ondanks overheidsinspanningen om het belang van ‘de makers’ te benadrukken. Of we het nu leuk vinden of niet, door de digitalisering verandert onze manier van werken.
Opgericht 1986 in het Thatcher-tijdperk, politiek neutraal. De kleinste kwaliteitskrant van Engeland is sinds 2002 in handen van de Rus Alexander Lebdedev (eveneens eigenaar van The London Evening Standard) maar nog altijd onafhankelijk en en pro-Europees.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.