Tag: arbeid

  • De jeugd wil zich niet meer uitsloven voor een habbekrats

    De jeugd wil zich niet meer uitsloven voor een habbekrats

    Geen zin in werken is niet een generatieverschijnsel. Misschien dat jongeren voor het eerst durven te dromen van een leven zonder tolpoortjes.

    Mijn vader, die dierenarts is en vlak voor zijn pensioen zit, vroeg onlangs voor het eerst of ik wou helpen bij een chirurgische ingreep. Ik zei natuurlijk ja, onnadenkend als ik ben, maar algauw sloeg de schrik me om het hart en was ik bang dat ik zou flauwvallen of overgeven en tot mijn schande eerder een sta-in-de-weg zou zijn dan behulpzaam. Ik weet niet zo goed wat ik me in het hoofd haalde – een explosie van bloed of ingewanden of zo? – maar ik betrapte me op iets heel onverwachts: totale fascinatie vanwege de precieze en bekwame handelingen van iemand die al veertig jaar lichamen opensnijdt en weer dichtmaakt, een vaardigheid die hij door stug volhouden perfect onder de knie had gekregen.

    Ach kijk, dacht ik, dit is wat hij deed tijdens mijn balletuitvoeringen of piano-optredens en al die dingen in mijn jeugd waar hij niet bij kon zijn. Eindelijk begreep ik het: dat was belangrijk. En vanuit deze openbaring ten overstaan van een opengesneden poezenlijfje, vol ontzag en liefde, terwijl ik met een pincet een bloedvat dicht klemde, vroeg ik hem: ‘Hé, ga je dit niet missen?’

    En mijn vader, die bepaald niet met zijn gevoelens te koop loopt, keek me priemend aan – sorry voor het cliché maar zo was het – en siste woedend: ‘Ik heb twintig jaar vergooid.’ En ik kon alleen maar knikken. Het is waar: mijn vader droomt al van zijn pensioen zolang het me heugt. Het mag voor mij dan niet meer belangrijk zijn maar híj betreurt nog altijd de schooluitvoeringen waar hij niet bij kon zijn, het leven dat hij niet geleefd heeft, dat andere, niet geleefde leven want ja, dat was verdomme zijn leven.

    Mentale kwetsbaarheid

    Ik wilde per se met deze anekdote te beginnen om niet klakkeloos aan te nemen dat de huidige hekel aan werk louter een generatiekwestie is, ondanks de berichten waarmee we dagelijks worden doodgegooid: over dat de generatie Z geen leidinggevende meer wil zijn; dat de lazy girl jobs (banen voor luie meisjes) horen bij een generatie die inspanningen schuwt; dat alles erop wijst dat burn-outs voorkomen bij vijfentwintigjarigen, maar dat dat dan door mentale problemen zou komen; dat het Chinese tangping – ‘gaan liggen’ als protest tegen uitbuiting op het werk – een TikTok-dingetje zou zijn. 

    De conclusie lijkt steeds hetzelfde: het zijn de jongeren die er de brui aan geven want vroeger, in een utopisch verleden, fungeerde werk wel degelijk als middel tot zelfverwezenlijking.

    Wat volgens mij niet klopt. En niet omdat er niets nieuws is in de manier waarop mijn generatie en de volgende zich verhouden tot werk, maar omdat het moeilijk voorstelbaar is dat er vroeger een gouden tijdperk vol arbeidsethos bestond waarin de mensen iedere ochtend fluitend opstonden, vol verlangen om aan de slag te gaan. Wat is veranderd lijkt niet zozeer de uitputting maar eerder het feit dat je er voor het eerst hardop voor uit mag komen. Het kan ook zijn dat we ons voor het eerst beginnen toe te staan om te dromen van iets wat vroeger alleen aan wat rijkelui was voorbehouden: de mogelijkheid van een leven zonder tolpoortjes.

    Onlangs las ik dat er in de Griekse mythologie godinnen bestonden die zich uitsluitend bezighielden met het reguleren van de dromen van de koningen, die vast niet gelijk waren aan die van een boer. Dromen zijn nooit democratisch geweest: niet alle dromen waren evenveel waard en ze kwamen niet allemaal door dezelfde deur naar binnen. Er waren reële dromen en bedrieglijke dromen, dromen die ergens op sloegen en dromen die gedoemd waren in de ochtend te verdampen. Misschien hebben we lange tijd aangenomen dat de onze, die van de werkers, hoorden bij die tweede categorie: onbeduidende dromen, een soort compensatie, zonder anker in de werkelijkheid. 

    Wat nu aan het veranderen zou kunnen zijn is niet zozeer onze relatie tot werken als wel het karakter van wat we onze verbeelding toestaan. Het is of we ons voor het eerst collectief afvragen: hé, stel je voor dat we zouden kunnen leven zoals rijke mensen altijd al hebben geleefd, zonder de plicht om ons brood te verdienen omdat brood simpelweg een recht was? 

    Mogen alleen rijke mensen genieten?

    Misschien was de grote sensatie tijdens de pandemie niet alleen de ontdekking dat onze bazen ons, ook al liep ons leven gevaar, nog zouden willen verplichten om door te werken, maar ook dat andere, opzienbarender feit: dat velen ontdekten hoe hun leven zonder werk zou zijn en niet langer bang waren voor dat cliché dat ons, armen, van kinds af aan is ingeprent om ons huiverig te maken voor onze koningsdromen: dat er mensen zijn – mensen zoals jij dus – die als ze niet zouden werken, niet zouden weten wat ze met hun leven aanmoesten. Maar de mensen wisten precies wat ze met hun leven aanmoesten als ze thuis moesten blijven omdat ze op non-actief waren gesteld: ze lazen als nooit tevoren; ze gingen zorgen voor hulpbehoevende buurtbewoners, ze begonnen aan yoga te doen, brood te bakken, taart te bakken; online te studeren of door te geven wat ze al wisten zodat anderen gratis konden studeren; te mediteren voor een raam met uitzicht op een autoloze straat, waarin de vogels kwinkeleerden.

    Ik vroeg de vrouwen om me heen wat ze zouden doen als ze niet hoefden te werken, en er was er maar een die zei dat ze zou doorgaan met werken (het ging om een creatief beroep, ‘al zou ik er wel veel minder uren in stoppen’, zei ze erbij). De anderen, we waren met een overweldigende meerderheid, leek het dat we zouden gaan klooien met onze vriendinnen, meer kinderen of meer honden of meer katten zouden nemen, of een reusachtige, fraaie tuin zouden aanleggen, dus zorgen voor levende dingen en alleen studeren voor zover het in dat kader nodig was en verder niks; geen balletvoorstelling van onze dochters of nichtjes meer missen; een verantwoordelijke en genotvolle ledigheid creëren die ons zou behoeden voor de spijt van morgen, dat wil zeggen oud worden met het gevoel te veel te hebben gestoken in een bepaalde deskundigheid in ruil voor bijna niks, een habbekrats.

    een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn

    Het is, zeker weten, als in dat gedicht van Li Yuansheng dat in 2014 niets meer of minder dan een hype in China veroorzaakte: ‘Ik wil niksen met jou; bijvoorbeeld / het hoofd buigen, naar de vissen kijken; bijvoorbeeld / de thee koud laten worden, zien hoe het spel van de schaduwen langzaam oplost; ja, ze aan hun lot overlaten, samen de zonsondergang verdoen; bijvoorbeeld rondlopen; praten tot de hemel de sterren kwijtraakt / ik wil die tijd waarin de wind blaast verspillen; gaan zitten in een gang, kijken naar het niets / dat je blik bevolkt met de wolken / die zwart langstrekken aan de andere kant van het glas’.

    Maar tot het zo ver is willen, nee eisen we al het andere: fatsoenlijke lonen die de gelegenheid bieden een kind groot te brengen zonder partner, zonder dat het recht op scheiding in discussie is omdat twee huizen erop nahouden in dit land bijna onmogelijk is; fatsoenlijke roosters om er met onze kinderen op uit te kunnen trekken, want de doekjes voor het bloeden mogen niet betekenen dat zij meer tijd tussen tralies doorbrengen; en universeel recht op een woning, OP Z’N MINST. 

    Kortom, vriendinnen, een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn dat niet langer ons leven afpakt, dat, zeker weten, elders is.  

  • Door AI kom je nu om in de klusjes

    Door AI kom je nu om in de klusjes

    Tips van AI-chatbots maken het mogelijk om huishoudelijke en administratieve taken zelf te regelen, zonder behoefte aan een professional. Maar is dat wenselijk? AI verplaatst arbeid niet alleen van werknemer naar machine, maar ook van werknemer naar consument.

    Laatst zagen mijn vrouw en ik een rat in onze tuin. Normaal zou ik de ongediertebestrijding hebben gebeld, maar nu won ik eerst advies in bij ChatGPT, dat me aanraadde een val te zetten, een kooi met vlees erin. Dus deed ik dat, en het gaf een korte voldoening – het tevreden gevoel dat je zelf iets hebt opgelost, zonder daar een vakman voor te moeten betalen en te moeten wachten tot die komt opdagen. (Het loste niks op. De rat liet mijn kooi links liggen.)

    Uit de ervaringen van één academicus in Oxford kun je geen algemene conclusies trekken, maar ik weet dat ik niet de enige ben die de laatste tijd zijn eigen ongediertebestrijder, klusjesman of boekhouder is geworden. Een kwart van de Amerikanen heeft gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie bij het invullen van hun belastingaangifte. Uit een analyse van 1,1 miljoen ChatGPT-gesprekken bleek dat bijna driekwart van de berichten niet werkgerelateerd was. Mensen wendden zich vooral tot de chatbot voor praktische tips in hun dagelijks leven: over gezondheid, klusjes in huis, financiële beslissingen en meer van zulke zaken waarvoor ze vroeger hadden aangeklopt bij een vakman.

    We horen altijd dat AI de banen van mensen gaat inpikken. Wat niemand erbij zegt, is dat we veel van dat werk nu op ons eigen bordje krijgen. De AI-revolutie brengt een grote arbeidsverschuiving teweeg: niet van werknemer naar machine, maar van werknemer naar consument. Dat we alles zelf kunnen, schenkt misschien voldoening, maar met al die klusjes kunnen we onszelf ook ongemerkt gaan overbelasten. Werk dat vroeger werd uitbesteed, wordt nog steeds gedaan. Het is alleen overgeheveld van de arbeidsmarkt naar het huishouden, in de vorm van nieuwe soorten onzichtbare, onbetaalde arbeid.

    Werk dat vroeger werd uitbesteed, wordt nog steeds gedaan. Het is alleen overgeheveld van de arbeidsmarkt naar het huishouden

    De tendens richting zelfbediening is een van de krachtigste en meest veronachtzaamde ontwikkelingen in de geschiedenis van arbeid. In de negentiende eeuw was in veel steden de reiniging van kleding een belangrijk beroep, en een van de zwaarste. Water sjouwen, hout hakken, wasgoed koken in loog, elk kledingstuk met de hand op een wasbord schoon schrobben, uitwringen, drogen en stijven, strijken met zware, op de kachel opgewarmde strijkbouten. Daar ging bijna de hele week aan op. Wasvrouwen werkten overal. Zelfs in gezinnen waar de vrouw des huizes zelf kookte en al het naaiwerk deed, werd een ander betaald om de was te doen. Toen in Atlanta in de jaren 1880 de zwarte wasvrouwen staakten, hoopte de vuile was zich op en liep de hele stadseconomie vast.

    Aan deze wereld kwam langzaam een einde met de komst van de wasmachine en de infrastructuur die deze mogelijk maakte: elektriciteit, stromend water, synthetische wasmiddelen. Maar daarmee was het werk niet verdwenen. Consumenten kochten nu een wasmachine en deden het zelf. De wasvrouw was vervangen door haar voormalige klanten.

    Historicus Ruth Schwartz Cowan wijst op nog een ander ironisch gevolg: dat de huisvrouw per saldo vaker en meer huishoudelijk werk is gaan doen, waarbij de lat hoger kwam te liggen – en allemaal onbetaald. Mannen droegen geen losse kragen en manchetten meer, zodat het hele overhemd in de was moest. Kinderen kregen voortaan elke dag schone kleren aan in plaats van elke week. De wasvrouw verloor haar baan. De huisvrouw kreeg er een berg werk bij.

    Dat patroon herhaalt zich steeds. Met zelfscankassa’s wordt het scannen van de artikelen een klusje voor de klant. Via internet kunnen reizigers nu zelf de vluchtschema’s en hotelbeoordelingen bekijken waar vroeger alleen de reisagent bij kon. Met online beleggingsdiensten heeft iedereen een effectenmakelaar in zijn broekzak. En dankzij de smartphone is de bankmedewerker vervangen door jouzelf.

    We zijn eraan gewend geraakt om onze eigen kassabediende, reisagent en bankmedewerker te zijn

    We zijn eraan gewend geraakt om onze eigen kassabediende, reisagent en bankmedewerker te zijn. Het is vaak efficiënter om deze dingen zelf te kunnen doen. Maar door AI begint de zelfbedieningseconomie zich uit te breiden naar vakgebieden die een jarenlange opleiding vergen, zoals geneeskunde en rechten. In januari werden wereldwijd dagelijks door 40 miljoen mensen vragen aan ChatGPT gesteld over zaken rond gezondheidszorg: van symptoomherkenning tot onbegrijpelijke facturen en conflicten met verzekeraars.

    Dat kan tastbare resultaten opleveren. Er is een man die zegt dat zijn gezin met hulp van Claude een ziekenhuisrekening van 195.000 dollar heeft kunnen verlagen tot nog geen 33.000 dollar, door het opsporen van verkeerd gebruikte codes en dubbel opgevoerde kosten. De chatbot gaf boekhoudadvies dat ze anders misschien nooit hadden gekregen. Toen de wasmachine goedkoop genoeg werd voor de middenklasse, had dat een democratiserend effect. Op slag konden miljoenen gezinnen dagelijks over schone kleding beschikken. Dat effect zie je nu ook.

    Maar zelfbediening levert niet automatisch hetzelfde resultaat op als advies van een vakman. De financieel specialist ziet codes waar de patiënt niet bij zou stilstaan. De accountant wijst op aftrekmogelijkheden waarvan de belastingbetaler het bestaan niet eens vermoedt. De chatbot geeft antwoord op wat je vraagt, de expert vertelt je wat je moet vragen. De voor- en nadelen van AI in een notendop: de geboden expertise is breder toegankelijk, maar ook oppervlakkiger.

    De AI-revolutie heeft je baan misschien nog niet ingepikt. Maar ze heeft je al wel aan het werk gezet. 

    Bovendien voelt elk afzonderlijk geval van zelfbediening nooit als een grote belasting. We denken aan het geld dat we op een accountant besparen, maar staan meestal niet stil bij de avond die we zelf aan die klus besteden. Daar bestaat een term voor: het negeren van opportuniteitskosten – de goed gedocumenteerde neiging om over het hoofd te zien wat iets ons kost wanneer de prijs niet in geld maar in tijd wordt betaald.

    Naarmate steeds meer consumenten gebruikmaken van AI, worden vakmensen wellicht steeds moeilijker te vinden: het is nu al zoeken naar een kassa of een bankloket waar nog iemand achter zit.

    Wanneer het werk verschuift naar de consument, verdwijnt het uit de arbeidsstat istieken. Een bedrijf kan een werknemer vervangen door een machine, of de taak doorschuiven naar de klant; in beide gevallen verdwijnt een betaalde baan. Als jij het werk thuis doet, registreert niemand jouw uren. Daarom verhoogt de digitale revolutie de arbeidsproductiviteit – en de bedrijfswinsten –, terwijl mensen zich tegelijk steeds zwaarder belast voelen.

    Al lang voordat de wasvrouw uit het collectief geheugen verdween, was ze uit de statistieken verdwenen. Voor veel beroepen dreigt hetzelfde lot. De AI-revolutie heeft je baan misschien nog niet ingepikt. Maar ze heeft je al wel aan het werk gezet. 

  • Zal AI in de toekomst leiden tot hogere belastingen?

    Zal AI in de toekomst leiden tot hogere belastingen?

    De arbeidsmarkt krijgt binnenkort een heel ander aanzien door de razendsnelle opkomst van kunstmatige intelligentie. Wereldwijd kunnen er honderden miljoenen banen verdwijnen. Een verhoging van de vermogens- en winstbelasting zou weleens onvermijdelijk kunnen zijn.

    De Verenigde Staten zijn nog steeds onomstreden koploper op het gebied van technologische innovatie. Door de aanhoudende dominantie van de ‘Magnificent Seven’ – Alphabet, Amazon, Apple, Meta, Microsoft, Nvidia en Tesla – is de Amerikaanse toppositie in de technologiesector verstevigd en hebben andere economieën moeite om aan te haken.

    Kijk naar de Europese Unie: 381 miljard euro bedroegen in 2023 de totale bruto interne uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling door overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen en ngo’s. Dat komt ongeveer overeen met de 350 miljard dollar aan herinvesteringen die de zeven toonaangevende Amerikaanse technologiebedrijven alleen al in 2024 deden. 

    De invloed van de tech-boom op de mondiale financiële markten is ondertussen ingrijpend. Het aandeel van de sector bedraagt bijna 30 procent van de S&P 500 – meer dan de twee daaropvolgende grootste sectoren (de S&P 500 is een index die door zijn brede samenstelling een betrouwbaar beeld geeft van de ontwikkelingen op de Amerikaanse aandelenmarkt). Deze extreme concentratie, die voortkomt uit stijgende waardebepalingen van de Magnificent Seven, heeft twee tegengestelde effecten: de animo van investeerders stijgt erdoor, maar tegelijkertijd nemen de zorgen over mogelijke risico’s toe.

    Optimisten en sceptici

    Al met al is het geen wonder dat er een hevig debat woedt over de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie: hoe de verstorende effecten te beheersen? Je hebt tech-optimisten die denken dat AI uiteindelijk goed zal zijn voor de werkgelegenheid. Ze wijzen op eerdere technologische omwentelingen. Weliswaar maakten die sommige arbeid overbodig door automatisering, ze leidden ook tot nieuwe bedrijfstakken en beroepen die het banenverlies ruim compenseerden en in één moeite door de productiviteit en economische groei stimuleerden.

    De optimisten hebben misschien een punt. Aan het begin van de twintigste eeuw werkte 40 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking in de landbouw. Nu is dat aandeel nog geen 2 procent. Toen het werk in de agrarische sector verdween, konden de mensen die brodeloos waren geworden terecht in nieuwe bedrijfstakken, die de ruggengraat van de moderne economie zouden gaan vormen. Het opvallendste voorbeeld is de dienstensector, die bijna 80 procent van de werkgelegenheid uitmaakt, tegen slechts 20 procent in de voorheen toonaangevende productie- en bouwsector tezamen.

    Er zijn echter ook tech-sceptici – met name onder beleidsmakers – die het niet zo rooskleurig inzien voor de werkgelegenheid. Ze vrezen dat AI een tijdperk van toenemende werkloosheid zal inluiden, waarbij steeds meer mensen overbodig worden in het arbeidsproces en de economische winst voornamelijk naar kapitaalbezitters vloeit.

    ‘wereldwijd staan arbeidsmarkten op het punt diepgaand te veranderen door AI’

    Goldman Sachs komt met wel heel verontrustende cijfers: volgens de bank kunnen door AI wereldwijd 300 miljoen voltijdsbanen verdwijnen. Het World Economic Forum is duidelijk optimistischer: dat voorspelt dat er 83 miljoen banen verloren gaan, maar 69 miljoen bij komen. Een nettoverlies dus van 14 miljoen banen, of slechts 2 procent van de huidige werkgelegenheid in bedrijfstakken die met AI te maken hebben.

    Eén ding staat vast: wereldwijd staan arbeidsmarkten op het punt diepgaand te veranderen door AI. Massale werkloosheid in de technologiesector zou de ongelijkheid kunnen vergroten, vooral tussen kapitaalbezitters en de miljoenen nieuwe werklozen. 

    Belastingen

    Ondertussen dient zich een dringende vraag aan: zullen de huidige winsten door AI leiden tot hogere belastingen in de toekomst? Beleidsmakers moeten immers nieuwe inkomstenbronnen zien aan te boren, willen ze de effecten van het banenverlies verzachten, sociale onrust voorkomen en essentiële overheidsdiensten, zoals nationale veiligheid, onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur behouden. Sommige overheden zien zich wellicht gedwongen om gaten in de begroting te dichten door de belastingen op de meest winstgevende sectoren te verhogen.

    Dat krijgen bedrijven en investeerders dan op hun bord, aangezien beleidsmakers zullen proberen de winst die voortkomt uit automatisering te herverdelen. Twee aspecten zijn van belang: ten eerste zijn bedrijven het primaire doelwit van belastingverhogingen, aangezien de fiscale basis krimpt vanwege banenverlies door technologische innovatie. In de tweede plaats kan de consumentenvraag dalen door lagere werkgelegenheid en minder besteedbaar inkomen, met nadelige gevolgen voor de economische groei.

    Hierdoor komen ondernemers in een lastig parket. Om belastingverhogingen te voorkomen, moeten ze de fiscale basis in stand houden en dus zorgen voor hoge werkgelegenheid. Maar hogere efficiëntie en meer winst bereik je alleen via automatisering – met het gevaar van hogere vennootschapsbelasting en een zwakkere consumentenvraag.

    Op korte termijn zal automatisering leiden tot meer efficiëntie en hogere winstmarges. Na verloop van tijd zullen deze winsten waarschijnlijk worden verminderd door hogere vennootschaps- en vermogensbelasting, aangezien overheden op zoek moeten naar nieuwe inkomsten om een universeel basisinkomen te financieren, dat essentieel is voor het waarborgen van de levensstandaard en het behouden van economische en sociale stabiliteit.

    Als de door AI veroorzaakte werkloosheid en extreme ongelijkheid niet worden aangepakt, kunnen ze grote schade toebrengen aan het sociale weefsel dat markten nodig hebben om te functioneren. Overheden zullen dan misschien genoodzaakt zijn de belastingen te verhogen, zodat de voordelen van automatisering niet ten koste gaan van de sociale cohesie op de lange termijn.

    Dambisa Moyo, internationaal econoom, schreef vier New York Times-bestsellers, waaronder Edge of Chaos: Why Democracy Is Failing to Deliver Economic Growth – and How to Fix It (Basic Books, 2018).

  • Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Sinds werknemers tijdens de pandemie de lusten (en lasten) van het thuiswerken hebben leren kennen, willen miljoenen mensen niet meer terugkeren naar hun kantoorbaan. Er staat een revolutie op de arbeidsmarkt voor de deur.

    De coronapandemie mag dan officieel voorbij zijn, maar als een reeks wissels op het spoor heeft ze tal van levens totaal verschillende richtingen op gestuurd. Miljoenen mensen keren niet meer terug naar hun arbeidsroutine van vóór de pandemie. Dit dwingt zowel werkgevers als werknemers om nieuwe modellen te bedenken die aan hun veranderende behoeften voldoen. Uit al die probeersels met hybride modellen rijst een cruciale vraag op: hoeveel werk volstaat?

    Solliciteren

    Thomas Edison zou in de jaren 1920 sollicitanten een kom soep voor hun neus gezet hebben met zout en peper ernaast. Als ze de soep op smaak brachten voordat ze een hap namen, werden ze afgewezen: hij wilde niet dat mensen die hij in dienst nam zich door aannames lieten leiden.

    De soeptest wordt niet meer gebruikt, maar generaties werkzoekenden bereiden zich nog altijd voor op de klassieke verwachtingen waaraan zij denken te moeten voldoen. Je moet je opdoffen. Je moet doen alsof projectmanagement, of data-entry, of telemarketing je enige echte passie is. Je moet een antwoord hebben op stompzinnige vragen als: beschrijf jezelf in één zin. Of noem je grootste zwakte. Uit een onderzoek uit 2017 bleek dat 73 procent van de sollicitanten zegt dat het zoeken naar een baan een van de stressvolste ervaringen in hun leven is. Het is daarom steeds gebruikelijker dat sollicitanten vooraf een lijst met interviewvragen krijgen, zodat kandidaten doordachte antwoorden kunnen geven. ‘Een sollicitatiegesprek moet niet onnodig eng of moeilijk zijn en het moet niemand opzettelijk laten struikelen,’ zeggen hr-managers.

    The Wall Street Journal meldt dat meer docenten studenten helpen met ­elementaire basisvaardigheden, zoals sollicitatiebrieven schrijven en mensen bij hun naam noemen als ze met hen praten. Ze hopen dat deze cursussen de generatiekloof zullen helpen overbruggen en de scholieren zullen helpen bij het voeren van een geslaagd sollicitatiegesprek.

    De postpandemische veranderingen en experimenten kunnen in ieder geval in ontwikkelde landen leiden tot een revolutie op de arbeidsmarkt die niet meer is vertoond sinds de industriële revolutie, toen de overgang van landbouw naar fabriekswerk diepgaande veranderingen in werkomgeving, arbeidstijden en loon tot gevolg had. De huidige veranderingen kun je op twee niveaus bekijken. Op macroniveau ontstaat er geleidelijk een nieuwe balans tussen werk en privé. Met de nadruk op ‘geleidelijk’, zoals het ook een halve eeuw aan arbeidsconflicten, vakbondsacties en bedrijfsexperimenten duurde voordat de werkdag in de Verenigde Staten terugging van veertien naar acht uur en de werkweek van zeven naar vijf dagen.

    In 1914 verbaasde de Ford Motor Company concurrenten door de werkdag te beperken tot acht uur en werknemers een minimumloon van 5 dollar per dag uit te betalen. Het Congres maakte deze innovatie in 1938 tot wet, de Fair Labor Standards Act, en zo ontstond wat cultuurhistoricus Fred Turner het ‘sociaal pact uit het industriële tijdperk’ noemt. Evenzo leidden recente experimenten met een 32-urige werkweek tot gunstige effecten: minder vermoeidheid, een betere geestelijke gezondheid en een tevredener levensgevoel. Sterker, wie zijn week eenmaal zo heeft ingedeeld, wil meestal niet meer terug.

    Nieuwe arbeidsroutine

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen. Tijdens de lockdowns moesten veel werknemers zich een nieuwe arbeidsroutine aanwennen; daarbij genoten ze van de mogelijkheid om te pauzeren, meer tijd met hun dierbaren door te brengen en te sporten zonder de stress van het woon-werkverkeer of van de kantooromgeving. Deze ervaringen droegen later bij aan de zogeheten Great Resignation [grote ontslaggolf] in de VS en een toenemende populariteit van ‘quiet quitting’ [het afzweren van overwerk en andere overbodige inzet voor je werkgever]. 

    Dus toen bedrijven hun werknemers begonnen te verzoeken om terug te keren naar de status quo van vóór de pandemie, leidde de vraag ‘Hoeveel werk volstaat?’ al snel tot een andere: ‘Volstaat waarvoor?’ Om de kost te verdienen? Om aan de productiviteitsverwachtingen van werkgevers te voldoen? Om te voorzien in ons streven naar geluk, of misschien om met pensioen te kunnen gaan? De antwoorden variëren al naargelang wie de vraag stelt en wie erop ingaat. Voor miljoenen werknemers met een laag inkomen is het antwoord eenvoudig: ‘volstaan’ betekent het verdienen van een loon waarmee ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden.

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen

    Onder degenen die het zich kunnen veroorloven om tijd en geld tegen elkaar af te wegen, komen twee groepen werknemers naar voren in de brede discussie over wat een adequate hoeveelheid werk precies inhoudt. De eerste groep bestaat uit zorgverleners, een sector die nog steeds gedomineerd wordt door vrouwen, maar geleidelijk meer mannen aantrekt. In de arbeidseconomie verwijst ‘werk’ traditioneel naar betaalde arbeid waarbij goederen en diensten worden geproduceerd in ruil voor een geldelijke vergoeding. Maar sinds de integratie van vrouwen in de beroepsbevolking (inclusief die van arbeidseconomen) heeft het onderzoeksveld zich uitgebreid naar onbetaald werk. Dit omvat een gezin stichten, een thuis scheppen en in de behoeften voorzien van degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit zorgwerk is, zoals de Amerikaanse activist Ai-jen Poo zegt, ‘het werk dat al het andere werk mogelijk maakt’. Voor velen heeft deze vorm van arbeid evenveel betekenis als hun formele baan, of zelfs meer.

    Als we met de vraag ‘hoeveel werk volstaat?’ ook onbetaald werk bedoelen, wordt duidelijk dat miljoenen mensen met zorgtaken en betaalde banen vaak veel langer moeten werken dan de traditionele achturige werkdag. Het is dan niet verwonderlijk dat velen, als ze de kans krijgen, ervoor kiezen het aantal betaalde werkuren te verminderen om voor anderen te kunnen zorgen. Gezien het sociale belang van zorgwerk moet deze onmisbare maar onbetaalde vorm van arbeid terug te vinden zijn in economische statistieken en door overheden worden erkend in hun uitkeringsbeleid.

    Vrije tijd als gegeven

    Amerikanen geloven over het algemeen heilig in een volledige werkweek. Werk is alles voor ons, schrijft geschiedenisprofessor James Livingstone in No More Work: Why Full Employment Is a Bad Idea.

    Een baan geeft zin, doel en structuur aan ons dagelijks leven; door je werk kom je je bed uit, kun je je rekeningen betalen en ontwikkel je een gevoel van verantwoordelijkheid, aldus Aeon. Maar zoals antropoloog David Graeber in zijn boek Bullshit Jobs: A Theory stelt, zijn er miljoenen zinloze banen waar geen haan naar zal kraaien als die opeens verdwijnen. Sinds de pandemie weten we ook welke banen wel en welke banen niet als essentieel worden gekenmerkt en dat je de typische van 9 tot 5-baan ook heel anders kunt invullen.

    Ook Livingstone vindt bovenstaande beweringen niet langer plausibel, want er is niet genoeg ‘zinvol’ werk voor iedereen en bovendien betaalt het in de meeste gevallen nauwelijks de rekeningen. De krapte op de arbeidsmarkt voor essentiële banen is weer een ander probleem, dat zou kunnen worden opgelost door omscholing, maar daar blijkt weinig animo voor.
    Net zoals in veel Europese landen ligt het werkloosheidscijfer in de VS al onder de 6 procent, wat dicht in de buurt komt van wat economen ‘volledige werkgelegenheid’ noemen, maar de inkomensongelijkheid is niet veranderd. De zogeheten bullshit jobs lossen de sociale problemen niet op. Bovendien voorspellen economen dat bijna de helft van de bestaande banen binnen twintig jaar zal verdwijnen door automatisering. Daarom, stelt Livingstone, zullen we ons een wereld moeten voorstellen waarin werk niet langer zaligmakend is noch ons inkomen bepaalt of ons dagelijks leven domineert.

    Wat zouden we doen als we niet meer hoefden te werken om in ons levensonderhoud te voorzien? vraagt hij zich af. Als we meer vrije tijd zouden hebben? Die door een falende arbeidsmarkt afgedwongen ethische en morele omslag houdt in dat er een heel nieuw referentiekader bedacht moet worden voor de betekenis van werk, aldus Livingstone. Over de gevolgen voor de economie moeten economen zich op hun beurt buigen.

    Tegencultuur

    Een andere belangrijke groep werknemers die zich afvraagt ‘hoeveel werk volstaat’, bestaat uit jonge mensen, met name jongere millennials en leden van generatie Z, van wie velen tijdens de pandemie hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. Net zoals veel jonge mensen in de jaren zestig de tegencultuur omarmden – ‘turn on, tune in, drop out’ – en het conformisme van hun ouders verwierpen, zetten veel gen Z’ers nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur, die ze geneigd zijn te verwerpen als het zoveelste giftige product uit Silicon Valley.

    Gen Z’ers zijn opgegroeid in twee tumultueuze decennia, getekend door de terroristische aanslagen van 11 september, de introductie van de smartphone en sociale media, de financiële crisis van 2008 en de pandemie. Tegenwoordig worden ze geconfronteerd met neerwaartse sociale mobiliteit, tegen de achtergrond van een toenemende politieke polarisatie die de democratie onder druk zet, en een dreigende klimaatramp. Dit alles in aanmerking genomen is het niet vreemd dat ze kritisch staan tegenover de levenswijze van hun ouders en zich richten op het behoud van hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid.

    Veel gen Z’ers zetten nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur

    Gen Z-iconen zoals turnster Simone Biles en tennisster Naomi Osaka, die zich terugtrokken uit grote sportevenementen om hun geestelijke gezondheid te beschermen, toonden de drive, het lef en het uithoudingsvermogen die nodig zijn om uit te blinken op het hoogste niveau. Maar door het idee te verwerpen dat hun waarde – zeker als prominente vrouwen van kleur – afhangt van de verwachtingen van anderen, lieten ze perfect zien dat persoonlijk welzijn niet mag worden opgeofferd aan goedkeuring van buitenaf. Hun besluit dat het leven om meer moet draait dan om productie en succes alleen is een daad van verzet tegen het kapitalisme zelf.

    Sinds de opkomst van ChatGPT en zijn concurrenten draait de discussie over de toekomst van werk om de mate waarin menselijke arbeid noodzakelijk blijft. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt stevig zal ontwrichten, doordat traditioneel werk en arbeidsomgevingen uit het industriële tijdperk overbodig zullen worden. Maar ongeacht wat ons te wachten staat, kunnen we de vraag waar en hoelang we werken niet beantwoorden zonder eerst de meest fundamentele vraag te beantwoorden: waarom we werken.

    Het is geen kwestie van ‘niet willen’

    Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen ‘niet willen werken’, maar klopt dat wel? Dat vroeg de Mexicaanse arbeidsmarktonderzoeker Nataly Hernández zich af in zakenkrant El Economista. Ook Mexicaanse bedrijven kunnen moeilijk personeel vinden, ondanks het feit dat er 2 miljoen werkzoekenden zijn en 6 miljoen mensen in de beroepsgeschikte leeftijd zich momenteel niet op de arbeidsmarkt begeven.

    ‘Het is opvallend dat dit gebeurt in ons land, waar zo veel mensen willen werken, onder wie veel jonge mensen die met hun vaardigheden kunnen bijdragen aan de economie,’ aldus Hernández. Volgens haar zijn de beschikbare banen in Mexico slecht te combineren met een gezinsleven, door een gebrek aan flexibele werktijden en goede kinderopvang, waardoor vooral jonge vrouwen worden uitgesloten.

  • Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Fabrieken in heel Azië hebben moeite om jonge werknemers aan te trekken. Het geglobaliseerde productiemodel dat de verkoop van goedkope goederen over de hele wereld mogelijk maakte, is daardoor niet meer in stand te houden.

    De werkplek heeft ramen van de vloer tot het plafond, een café waar matcha wordt geserveerd en er zijn gratis yoga- en danslessen. Werknemers komen bij elkaar tijdens maandelijkse teambuildingsessies en om bier te drinken, te karten of te bowlen. Dit is niet Google. Dit is een kledingfabriek in Vietnam. 

    Azië, de werkplaats van de wereld en de bron van veel van de spullen die Amerikanen kopen, loopt tegen een groot probleem aan: de meeste jonge mensen willen niet in een fabriek werken. Daarom probeert deze kledingfabriek de werkvloer aantrekkelijker te maken. Ondertussen gaan er alarmbellen rinkelen bij westerse bedrijven die erop vertrouwen dat de goedkope arbeidskrachten uit deze regio betaalbare consumptiegoederen produceren. 

    ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken’

    De nadagen van de ultragoedkope Aziatische fabrieksarbeid zijn begonnen. Het is de nieuwste uitdaging voor het geglobaliseerde productiemodel, dat de afgelopen drie decennia een breed scala aan goedkoop gefabriceerde goederen voor consumenten over de hele wereld mogelijk maakte. Amerikanen die gewend zijn aan goedkope mode en flatscreens zullen binnenkort wellicht te maken krijgen met hogere prijzen.

    ‘Nergens ter wereld kun je wat dat betreft nog krijgen wat je wil,’ zegt Paul Norriss, de Britse medeoprichter van de Vietnamese kledingfabriek UnAvailable in Ho Chi Minhstad. ‘Mensen zullen hun consumentengedrag moeten aanpassen, en dat geldt ook voor merken.’

    Trainingsprogramma

    Werknemers van in de twintig, traditioneel gezien de arbeidskrachten in de kledingindustrie, stoppen vaak voortijdig met het trainingsprogramma van zijn bedrijf, zegt Norriss. En degenen die blijven, werken er vaak maar een paar jaar. Norriss hoopt dat het aantrekkelijker maken van de werkplek het verschil zal gaan maken. ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken,’ zegt hij.

    Als gevolg van de crisis hebben Aziatische fabrieken de lonen moeten verhogen en soms dure strategieën moeten toepassen om hun werknemers te behouden: van het verbeteren van het aanbod in kantines tot het realiseren van crèches voor de kinderen van werknemers. 

    Ook Nike gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten

    Speelgoedfabrikant Hasbro zei eerder dit jaar al dat het tekort aan arbeidskrachten in Vietnam en China de kosten heeft opgedreven. Barbiefabrikant Mattel, die een grote productiebasis heeft in Azië, worstelt ook met stijgende loonkosten. Beide bedrijven hebben de prijzen van hun producten verhoogd. Ook Nike, dat de meeste van zijn schoenen in Azië maakt, gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten. 

    ‘Amerikaanse consumenten die altijd gewend zijn geweest aan min of meer vaste prijzen voor bepaalde producten zullen zich moeten instellen op een nieuwe situatie,’ zegt de Londense econoom Manoj Pradhan, coauteur van The Great Demographic Reversal.

    Generatieprobleem

    Vanaf de jaren negentig werden China en andere Aziatische productiecentra onderdeel van de wereldeconomie, waardoor landen met arme boeren veranderden in grootmachten op productiegebied. Duurzame goederen zoals koelkasten en sofa’s werden goedkoper. Maar nu stuiten deze productielanden op een generatieprobleem. Jongere werknemers, die beter opgeleid zijn dan hun ouders en ervaring hebben met Instagram, TikTok en andere sociale media, vinden dat hun werk zich niet binnen fabrieksmuren zou moeten afspelen.

    Demografische verschuivingen spelen daarbij een rol. Jonge mensen in Azië krijgen minder en op latere leeftijd kinderen dan hun ouders, wat betekent dat ze, wanneer ze in de twintig zijn, minder onder druk staan om een vast inkomen te verdienen. Dankzij een bloeiende dienstensector kunnen ze kiezen voor minder slopend werk, als medewerker in een winkelcentrum of als receptionist in een hotel.

    In China is het probleem acuut. De jeugdwerkloosheid in de steden bedroeg daar in juni 21 procent, ook al hebben fabrieken een tekort aan arbeidskrachten. Multinationals hebben hun productie verplaatst van China naar landen als Maleisië, Indonesië, Vietnam en India, maar ook daar zeggen fabriekseigenaren moeite te hebben om jongeren aan te trekken.

    ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte’

    Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties zijn de fabriekslonen in Vietnam sinds 2011 meer dan verdubbeld, tot 320 dollar per maand – een drie keer zo hoge stijging als in de VS. In China stegen de fabriekssalarissen van 2012 tot 2021 (de laatste periode waarover gegevens van de VN beschikbaar zijn) met 122 procent. 

    Nguyen Anh Tuan, een 25-jarige Vietnamees, stopte eerder dit jaar als monteur in een fabriek voor auto-onderdelen in een voorstad van Hanoi, om te gaan werken als motorrijder voor Grab, het lokale equivalent van Uber. Hij vervoert passagiers voor een lager uurloon dan hij in de fabriek verdiende, maar zegt dat de verandering de moeite waard is, want nu is hij zijn eigen baas. ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte,’ zegt Tuan over de drie jaar die hij in de fabriek werkte. Hij zou alleen nog verleid kunnen worden tot fabriekswerk als ze zijn vroegere maandsalaris van 400 dollar zouden verdubbelen, zegt hij.

    In het verleden konden fabrikanten hun productie simpelweg naar minder dure bestemmingen verplaatsen, maar tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. Veel landen in Afrika en Zuid-Azië met grote hoeveelheden arbeidskrachten zijn politiek instabiel of hebben geen goede infrastructuur of voldoende geschoolde arbeidskrachten. Kledingmerken kregen het zwaar te verduren toen ze hun activiteiten uitbreidden naar Myanmar en Ethiopië, en daar werden geconfronteerd met onlusten en burgeroorlog. Bangladesh is een betrouwbare basis voor de productie van kleding, maar een restrictief handelsbeleid en te grote drukte in de havens verhinderen een verdere ontwikkeling.

    Liever boer

    India heeft een enorme bevolking en bedrijven die op zoek zijn naar alternatieven voor China gaan vaak die kant op. Maar ook in India beginnen fabrieksmanagers te klagen hoe moeilijk het is om jonge werknemers vast te houden. Veel jongeren worden liever boer, gesteund door socialewelzijnsprogramma’s, of verkiezen tijdelijke baantjes in de stad boven het leven in een industrieel centrum met fabrieksslaapzalen. Gediplomeerde ingenieurs verlaten fabrieken voor IT-banen.

    Aziatische fabriekseigenaren proberen de banen aantrekkelijker te maken door onder meer het subsidiëren van crèches en het financieren van technische trainingsprogramma’s. Sommigen verplaatsen hun fabrieken naar landelijke gebieden waar mensen eerder bereid zijn om met hun handen te werken. Dat brengt ze echter wel verder weg van havens en leveranciers, en dwingt ze om zich aan te passen aan het leven op het platteland, waar werknemers vaak tijdens de oogsttijd afwezig zijn. 

    Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen

    Christina Chen, de Taiwanese eigenaar van een meubelbedrijf dat zijn producten verkoopt aan Amerikaanse winkelketens, besloot vier jaar geleden om haar fabriek weg te halen uit het zuiden van China, in de hoop dat het elders makkelijker zou zijn om personeel te werven. Eerst overwoog ze de industriegebieden rond Ho Chi Minhstad, maar ze hoorde vreselijke verhalen over een hoog personeelsverloop en torenhoge lonen.

    In plaats daarvan vestigde ze zich op het platteland van Noord-Vietnam. Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen, zegt ze, waardoor het werk mondeling moet worden uitgelegd, of met visuele demonstraties. Maar het personeel is wel stabieler, zegt ze.

    Ze is blij met de jongere werknemers die wel kunnen lezen. Ze betrekt hen bij de besluitvorming, nodigt ze uit om haar Amerikaanse inkopers te ontmoeten die langskomen en laat hen foto’s zien van hun tafels en stoelen in Amerikaanse winkels. Haar bedrijf, Acacia Woodcraft Vietnam, is gedeeltelijk geautomatiseerd, zegt ze, maar voor veel taken is nog steeds menselijk vakmanschap nodig. 

    Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31

    Het arbeidslandschap zag er twintig jaar geleden heel anders uit, toen je om werknemers te vinden alleen maar de fabriekspoorten hoefde te openen en de arbeiders op de fiets binnenstroomden. In 2001 meldde Nike dat ruim 80 procent van zijn fabrieksarbeiders in Azië werkte en dat de gemiddelde arbeider 22 jaar oud was, alleenstaand en opgegroeid op het platteland. Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31, mede doordat de Aziatische landen snel vergrijzen.

    Extra trainingen

    Maxport Limited Vietnam, een toeleverancier van Nike die in 1995 werd opgericht, heeft de strijd om werknemers zien toenemen. Bij de fabrieken van dit bedrijf schijnt nu zonlicht door de ramen en Maxport heeft duizenden planten en bomen geplant. Het bedrijf geeft jonge werknemers extra trainingen, zodat ze kunnen doorgroeien tot supervisor. Toch heeft het moeite om jonge mensen aan te trekken. Het is gestopt met een trainingsprogramma voor jongeren die net van de middelbare school komen, deels omdat maar weinigen van hen daarna een baan accepteerden, zegt senior complianceofficer Do Thi Thuy Huong. Ongeveer 90 procent van de werknemers van Maxport is dertig jaar of ouder.

    Lovesac, een meubelfabrikant in Connecticut, zegt dat zijn personeelsbestand in China aan het vergrijzen is en dat het moeilijker is geworden om jongere werknemers te vinden om vacatures in te vullen. Directeur Shawn Nelson zegt dat jongeren uit landen als China en Vietnam, die tegenwoordig smartphones hebben en in contact staan met de rest van de wereld, minder interesse hebben in fabriekswerk. ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen,’ zegt hij. ‘Dan werken ze liever in een winkel.’ 

    ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen’

    Het bedrijf is van plan om een aantal activiteiten naar de VS te verplaatsen. Later dit jaar wil het beginnen met de productie van stoelen in een geautomatiseerde fabriek in North Carolina.

    Aziatische fabrieken die automatiseren hebben veel moeite om werknemers te vinden die de geavanceerde machines kunnen bedienen. Managers zeggen dat er niet genoeg jongeren zijn die geïnteresseerd zijn in werktuigbouwkunde, en dat degenen die dat wel zijn voor andere beroepen kiezen.

    Abhyuday Jindal, directeur van Jindal Stainless, een Indiase fabrikant van roestvrij staal, zegt dat werknemers uit generatie Z zich aangetrokken voelen tot de IT-sector en dat de meesten van hen ‘op zoek gaan naar een kantoorbaan, ook als ze worden aangenomen voor een technische functie’.

    Fabrieken ‘moeten ofwel meer betalen voor de vaardigheden die ze zoeken, ofwel concessies doen aan de capaciteiten die ze nodig hebben,’ zegt Richard Jackson, directeur van het in Thailand gevestigde wervingsbureau JacksonGrant.

    Uniform

    In Maleisië, een hub voor halfgeleiders en elektronica, laten fabrieken het dragen van een uniform achterwege – daar hebben jonge werknemers een hekel aan – en laten ze hun faciliteiten opnieuw ontwerpen. ‘We proberen onze fabrieken wat sexyer te maken, tussenwanden te openen, meer glas te gebruiken, meer licht binnen te laten, leuke muziek te draaien en een Apple-achtige omgeving te creëren,’ zegt Syed Hussain Syed Husman, voorzitter van de Maleisische werkgeversfederatie, die de fabrikanten vertegenwoordigt.

    Jonge mensen uit ontwikkelingslanden die anders fabriekswerk zouden doen, gaan nu aan de slag in de zorg voor het groeiende aantal ouderen in ontwikkelde landen; ze vullen de gaten op in de vergrijzende beroepsbevolking van die landen. Susi Susanti, een 29-jarige Indonesische, zegt dat ze na haar middelbare school een baan in een fabriek probeerde. Maar de druk die haar managers haar oplegden om sneller te werken, eerst in een elektronicafabriek en daarna in een baan waarbij ze schoenen maakte, beviel haar allerminst. Ze zei tegen haar moeder dat ze iets anders wilde gaan doen.

    Tijdens een zes maanden durende cursus leerde ze de basis van het Mandarijn, en vervolgens ging ze aan de slag als verzorgster van een ouder echtpaar in Taiwan. Haar loon is drie keer zo hoog als wat ze in haar thuisland in de fabrieken verdiende, zegt Susanti, en het is minder vermoeiend. ‘Als het goed gaat met de persoon voor wie ik zorg, kan ik me ontspannen.’ 

    Lees ook:

  • Mijnbouwsector komt moeilijk aan personeel voor de energietransitie

    Mijnbouwsector komt moeilijk aan personeel voor de energietransitie

    Veel internationale mijnbouwbedrijven hebben grote moeite jonge werknemers binnen te halen. De sector heeft een imago van zwaar werk, seksisme, milieuschade en uitbuiting, maar is essentieel voor de energietransitie. ‘Er is geen verse aanvoer terwijl we wel ervaring verliezen.’

    Lily Dickson snelde over de campus van de Universiteit van Leeds toen een actievoerende student haar een folder in handen drukte. Daarin werd opgeroepen tot een verbod op het werven van personeel onder studenten voor bedrijven in de mijnbouw en de olie- en gaswinning. De 24-jarige promovenda in de geologie was verbouwereerd. Ze kwam net terug uit Finland, waar ze met het mijnbouwbedrijf Mawson Gold uit Vancouver naar nieuwe vindplaatsen van kobalt in Europa had gezocht. 

    Het was geen loze oproep en ook geen op zichzelf staand incident. Vorig jaar hebben al vier Britse universiteiten mijnbouwbedrijven verboden nog personeel te werven of deel te nemen aan carrièrebeurzen op hun campus. Het hoort bij de algemene trend dat studenten en jonge werkenden zich afkeren van een sector die in hun ogen schadelijk is voor de aarde.

    Bedrijven die gespecialiseerd zijn in het delven van koper, lithium en andere metalen die onmisbaar worden geacht voor de productie van groene energie, hebben naar eigen zeggen grote moeite met het werven van genoeg jong personeel om de energietransitie aan te kunnen. De meeste mijnbouwbedrijven in de VS, Australië en Europa zeggen dat hun groeiplannen gevaar lopen als deze trend zich voortzet. Er dreigen vooral tekorten aan hooggeschoolde krachten als ingenieurs, geologen en data-analisten. ‘Veranderende maatschappelijke verwachtingen zetten ons als werkgever onder druk om beter te leren uitleggen wie we zijn en waar we voor staan’, zo is te lezen in het laatste jaarverslag van Rio Tinto. 

    De mijnbouwsector bungelt onder aan de lijst van carrièrekeuzes voor jongeren

    Ondanks de rol die ze spelen in de energietransitie kampen mijnbouwbedrijven met het imago van een ‘vuile’ industrie, vanwege mijnrampen in het verleden en beschuldigingen van uitbuiting en seksueel geweld. De sector bungelt onder aan de lijst van carrièrekeuzes voor jongeren. In een mondiale enquête van adviesbureau McKinsey zei 70 procent van de respondenten in de leeftijdscategorie van vijftien tot dertig dat ze waarschijnlijk of zelfs zeer zeker niet in de mijnbouw willen werken. Volgens het Amerikaanse Centrum voor Onderwijsstatistiek lag het aantal geologen en aardwetenschappers dat in 2020 in de VS is afgestudeerd bijna 25 procent lager dan in 2015, terwijl het totaal aantal afgestudeerde studenten in het land in die periode met 8 procent gestegen is. En het aantal inschrijvingen voor dergelijke studies daalde ook in Canada en Australië, landen waar de mijnbouw een economische factor van belang is. Volgens McKinsey daalde het aantal studenten dat een studie in de mijnbouwkunde voltooide in Australië tussen 2014 en 2020 met 63 procent. En in Canada lag het aantal inschrijvingen voor mijnbouwkunde in 2020 volgens de Mining Industry Human Resources Council tien procent lager dan in 2016.

    Steenkool is groen

    Als je in het streven naar groene brandstoffen geen alternatief kunt vinden voor fossiele brandstoffen, kun je die laatste natuurlijk nog altijd gewoon als ‘groen’ aanmerken. Dat is althans het opmerkelijke standpunt van Indonesië, schrijft Courrier International.

    De Indonesische Hoge Autoriteit voor Financiële Diensten, die verantwoordelijk is voor de classificatie van economische activiteiten aan de hand van hun impact op het milieu, is van plan om de bouw van nieuwe kolengestookte elektriciteitscentrales voor de verwerking van mineralen zoals aluminium en nikkel, groen te verklaren. Dat Indonesië de vijfde grootste producent en grootste exporteur van steenkool ter wereld is, speelt daarbij ongetwijfeld een doorslaggevende rol.

    Dat leidt tot zorgen over een kenniskloof in de toekomst, als de bedrijven aangewezen zullen zijn op afzettingen met een lagere dichtheid aan metalen. ‘Er zijn al vaker mensen uit het vak gestapt, maar nu is er geen verse aanvoer terwijl we door de pensioenuitstroom wel ervaring verliezen,’ zegt Alex Gorman, mijnbouwkundig analist bij Peel Hunt. Volgens Rohitesh Dhawan, hoofd van de brancheorganisatie International Council on Mining and Metals, is meer dan de helft van het arbeidsbestand in de Amerikaanse mijnbouw boven de 45. ‘De gemiddelde werknemer in onze branche is tegenwoordig aan de oude kant, meer richting pensioen,’ zegt hij. En nu het moeilijker wordt om nieuwe mensen te werven, zit zijn branche daardoor ‘aan twee kanten klem’.

    Belemmering

    Volgens een onderzoek van McKinsey zegt 86 procent van de leidinggevenden in de sector steeds meer moeite te hebben om de benodigde mensen te vinden en vast te houden. En bijna drie kwart van die topmensen meent dat dit gebrek aan nieuw talent een belemmering vormt voor het behalen van beoogde productiecijfers en strategische doelen. Rio Tinto heeft al gewaarschuwd dat het tot vertragingen of tegenvallende prestaties kan leiden.

    Volgens het Amerikaanse Bureau voor Arbeidsstatistiek was het percentage openstaande vacatures voor de mijnbouw en de houtkap in de VS in maart 5,1 procent, een stuk hoger dan de 3,6 procent van vijf jaar geleden. In Canada is het vacaturepercentage in de mijnbouw al sinds 2015 gestaag aan het stijgen, met een voorlopig hoogtepunt van 4 procent voor werk in de mijnen en steengroeven en iets meer dan 6 procent voor ondersteunende taken in de mijnbouw. En volgens het Australische Bureau voor de Statistiek is het aantal vacatures in de mijnbouw ook in Australië gestegen van 2500 in mei 2016 (het laagste niveau sinds 2009) tot 10.600 in februari van dit jaar.

    Het beeld bestaat dat mijnbouwbedrijven in het verleden geen verantwoordelijkheid namen voor mijnrampen

    Het lukt de branche ook moeilijk om vrouwen aan te trekken. De mijnbouw is een van de weinige sectoren waar nog bijna alleen mannen werken en de werkomgeving vaak onveilig voor vrouwen wordt genoemd. Volgens een rapport van Rio Tinto uit 2022 op basis van een enquête onder tienduizend werknemers had 28 procent van de vrouwen die in de mijnbouw werkzaam zijn weleens te maken met seksuele intimidatie en hadden in de vijf jaar daarvoor 21 vrouwen melding gedaan van aanranding of verkrachting of een poging daartoe. ‘Het kan intimiderend zijn om de enige vrouw op de werkvloer te zijn,’ zegt Alex Gorman, die eerder in haar carrière ook gewerkt heeft voor koperwinningsprojecten in Botswana. ‘En als je een gezin hebt, is het moeilijk om als geoloog op locatie te moeten werken.’ 

    Een onderzoek van accountantsbureau EY wees vorig jaar uit dat 12 procent van het wereldwijde personeelsbestand in de mijnbouw en metaalindustrie uit vrouwen bestaat, een disbalans die alleen wordt overtroffen door de bouw. Ook het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posities blijkt een struikelblok te zijn bij het aantrekken van meer divers jong personeel. 

    Daarnaast worden mijnbouwbedrijven beticht van het uitbuiten van lokale arbeidskrachten. ‘Men neemt over het algemeen te weinig verantwoordelijkheid, met name met betrekking tot de uitbuiting van landen in Sub-Sahara-Afrika,’ zegt Haydon Mort, de CEO van Geologize Ltd., een communicatiebedrijf dat mijnbouwbedrijven helpt hun imago te bewaken. Dat de bedrijven nu moeite hebben om personeel te werven, komt doordat het beeld bestaat dat ze in het verleden geen verantwoordelijkheid namen voor mijnrampen, en die slechte reputatie wordt volgens experts versterkt door verwijten van uitbuiting van lokale arbeidskrachten. De bedrijven zetten wel stappen tegen die beeldvorming en het gebrek aan nieuw personeel. Zo werven ze inmiddels ook onder studenten bedrijfskunde en datawetenschappen. En ze zoeken hun personeel vaker in de regio’s waar hun mijnen zich bevinden en potentiële werknemers het bedrijf vaak al kennen.

    Ze hoopt dat verjonging van het personeelsbestand ertoe leidt dat mijnbouwbedrijven veranderen en meer gaan doen aan sociaal verantwoord ondernemen en beperking van de milieuschade

    Rio Tinto noteerde vorig jaar een stijging van 30 procent in het aantal afgestudeerden dat zich inschreef voor een opleidingstraject bij het bedrijf. ‘Dit was met 256 afgestudeerden de grootste lichting die we ooit hebben gehad,’ aldus een woordvoerder, die erbij zegt dat het bedrijf dit jaar de driehonderd hoopt te halen. BHP verwacht 3500 nieuwe mensen te werven met een nieuw programma van leerling- en stageplaatsen die niet alleen bedoeld zijn voor mensen met een universitaire opleiding. En ook non-profitorganisaties proberen bij te dragen aan de mobilisatie van talent voor wat zij zien als een snelgroeiende industrie. De vrijwilligersorganisatie Women in Mining U.K. helpt scholen bijvoorbeeld met het ontwikkelen van lespakketten over milieukunde en geologie voor met name de basisschool. ‘Iedereen krijgt al een beetje geologie op school als er wordt verteld over vulkanen, en dat kan verder worden uitgebouwd,’ zegt directeur Stacy Hope. Ze streeft ook naar de instelling van stageplaatsen en beurzen voor jonge vrouwen met interesse in dit vakgebied. Ze hoopt dat verjonging van het personeelsbestand er ook toe leidt dat mijnbouwbedrijven veranderen en meer gaan doen aan sociaal verantwoord ondernemen en beperking van de milieuschade.

    Authentiek

    Codelco, een Chileens staatsbedrijf in de kopermijnbouw, heeft al succes met het werven van personeel in de regio. In een recente enquête kwam het uit de bus als het bedrijf waar Chileense studenten na hun studie het liefst zouden werken, ondanks de sancties die het onlangs door de milieuwaakhond kreeg opgelegd. Andere bedrijven in de top-10 waren Nestlé en Walmart, aldus Merco, het onderzoeksbureau dat deze ranglijst opstelt. En ook het Egyptische goudmijnbouwbedrijf Centamin werkt nu meer met lokale arbeidskrachten dan met Europese en Australische expats. Door binnen Afrika te werven kunnen ze volgens directeur Martin Horgan mensen aantrekken uit landen als Congo, Ghana en Zimbabwe, waar meer recente ervaring met mijnbouw is dan in bijvoorbeeld Europa.

    Haydon Mort van Geologize zegt dat ook sociale media zoals Instagram een goed middel zijn om jongere mensen te bereiken. Hij voegt eraan toe dat de industrie wel verantwoordelijkheid moet nemen voor bestaande problemen zoals de milieuschade. ‘Je moet authentiek zijn,’ zegt hij. ‘Transparant zijn over de gevolgen die je activiteiten zullen hebben voor het milieu en voor de gemeenschap.’

    ‘Dingen zoals het zoeken naar een Europese vindplaats voor kobalt, dat is iets waar de maatschappij echt baat bij kan hebben’

    Maar niet iedereen onderschrijft de opvatting dat de mijnbouw van cruciaal belang is voor de energietransitie. ‘Een beetje mijnbouw is wel nodig, maar de huidige door winstbejag gedreven industrie is verantwoordelijk voor grootschalige ecologische verwoesting en talloze gevallen van inbreuken op de mensenrechten,’ zegt Jamie Kelsey Fry, een woordvoerder van het Britse Extinction Rebellion.

    Lily Dickson was een van de acht vrouwen op de in totaal vijfentwintig studenten die aan haar universiteit vorig jaar de master in geologie behaalden. De meeste van haar jaargenoten werken inmiddels al in de sector. Zij wil eerst nog promoveren, maar is daarna ook wel van plan om in de mijnbouw te gaan werken. De sector biedt haar de kans om te reizen, in de buitenlucht te werken en onderzoek naar duurzaamheid te doen, en het werk sluit aan bij haar fascinatie voor hoe de wereld werkt. ‘Als je eenmaal inziet dat de mijnbouw van cruciaal belang is, is het zaak om daarbij betrokken te raken,’ zegt Dickson. ‘Het is spannend werk. Dingen zoals het zoeken naar een Europese vindplaats voor kobalt, dat is iets waar de maatschappij echt baat bij kan hebben.’

    Lees ook:

  • Jonge Zuid-Koreanen hebben het gehad met de overwerkcultuur

    Jonge Zuid-Koreanen hebben het gehad met de overwerkcultuur

    Overwerken is voor jonge Zuid-Koreanen normaal en een manier om hun financiële toekomst te waarborgen. Maar toen de overheid voorstelde om de werkweek uit te breiden naar 69 uur, kwamen zij in verzet. ‘Gezond en gelukkig leven kan pas als je de baas bent over je eigen leven.’

    ‘Het was voor mij normaal geworden dat ik werkte tijdens vakanties en in het weekend,’ vertelt Lee Sang-hyuk (35). Hij was in dienst bij een groot farmaceutisch bedrijf in de buurt van Seoul, waar overwerken aan de orde van de dag was. ‘Gaandeweg realiseerde ik me dat mijn kwaliteit van leven en mijn gezondheid er door de overuren op achteruitgingen. Ik had nooit energie en verwaarloosde mijn persoonlijke relaties.’

    Hij kreeg rugpijn van alle uren die hij achter zijn bureau doorbracht en werd angstig en lusteloos, vertelt hij. ‘De paar keren dat ik met mijn vrienden kon afspreken, kon ik daar niet eens van genieten, omdat ik alleen maar aan mijn werk kon denken. Ik dacht dat het aan mij lag.’

    Uiteindelijk deed Lee wat ooit als ondenkbaar gold in de Zuid-Koreaanse cultuur, waarin lange werkdagen de norm zijn: hij nam ontslag.

    En hij is niet de enige. Het verhaal van Lee is tekenend voor een grotere ontwikkeling in Zuid-Korea: een generatie van vastberaden jongeren die in opstand komt tegen de verstikkende greep van de strenge werkcultuur. Millennials en Gen Z’ers, die in Zuid-Korea samen de ‘MZ-generatie’ worden genoemd, vormen de voorhoede van een mogelijke omwenteling van de nationale werkcultuur.

    Van 40 naar 69 uur

    De druppel die de emmer deed overlopen diende zich aan in maart. Toen stelde de regering voor om de regels omtrent arbeidsuren te herzien en een werkweek van maximaal 69 uur toe te staan. Onder de huidige wet geldt voor bedrijven een werkweek van 40 uur, met maximaal 12 overuren, al zijn er uitzonderingen.

    Het plan zou bedrijven flexibiliteit bieden door ze in staat te stellen gemiddelde arbeidsuren over langere perioden te berekenen

    Het plan werd gepresenteerd als een ‘oplossing voor de uitdagingen op de arbeidsmarkt’. Het zou bedrijven flexibiliteit bieden door ze in staat te stellen gemiddelde arbeidsuren over langere perioden te berekenen. Voordat hij president werd zei Yoon Suk-yeol, een conservatief van wie bekend is dat hij het bedrijfsleven een warm hart toedraagt, dat mensen indien nodig ook 120 uur per week mochten werken.

    Ook werd het plan aan de man gebracht als een manier om werkende vrouwen te ondersteunen. Vrouwen zouden meer overuren kunnen maken, die ze in de toekomst konden inwisselen voor vrije dagen. Die tijd zouden ze bijvoorbeeld kunnen besteden aan gezins- en zorgtaken (Zuid-Korea heeft het laagste geboortecijfer ter wereld).

    Maar jongeren, vakbonden en politici van de oppositie kwamen tegen het plan in opstand, waarna de regering zich gedwongen zag haar beslissing te heroverwegen. Een woordvoerder van de Democratische Partij, de belangrijkste oppositiepartij, noemde de regering van Yoon ‘schaamteloos’ en zei dat het land steeds meer begon te lijken op de ‘arbeidshel uit het verleden’. Jonge werknemers demonstreerden tegen een ‘onverantwoord en onmenselijk beleid dat niet aansluit bij de realiteit’. Ook op sociale media kreeg het voorstel veel kritiek.

    Zuid-Korea behoort tot de landen met de langste werkdagen in de geïndustrialiseerde wereld

    De regering leek snel terug te krabbelen en Kim Eun-hye, de perschef van Yoon, beloofde om in de toekomst beter te luisteren naar de mening van werknemers, vooral die van de MZ-generatie. Er is evenwel nog geen vervangend beleid voorgesteld en de angst bestaat dat het voorstel later dit jaar in een andere vorm zal terugkeren.

    Zuid-Korea behoort tot de landen met de langste werkdagen in de geïndustrialiseerde wereld. Dit wordt vaak gezien als een erfenis van de opmerkelijke economische groei die het land heeft doorgemaakt. In het verleden bleven mensen vaak tot hun pensioen bij één bedrijf werken, omdat dat werkzekerheid en inkomensgarantie bood. In ruil hiervoor werd doorgaans van hen verwacht dat ze lange dagen maakten en zich toegewijd toonden aan het bedrijf.

    ‘Dat idee is nog springlevend,’ zegt Lee over de generatie van zijn ouders, die nog altijd gelooft dat je jezelf moet opofferen voor je familie en je land. ‘In het begin zeiden mijn ouders dat ik me erdoorheen moest slepen, dat dat goed zou zijn voor mijn carrière. Maar toen ik er uiteindelijk voor koos om te vertrekken, steunden ze me en vonden ze dat ik een moedige keuze had gemaakt.’

    Dood door overwerk

    Te lange werkdagen zijn in Zuid-Korea meermaals in verband gebracht met een verhoogd risico op zelfmoord. Dit is de belangrijkste doodsoorzaak onder mensen tussen de 10 en 39 jaar.

    ‘Jongeren hebben ondervonden hoe schadelijk lange werkdagen kunnen zijn,’ zegt Kim Ji-hyun, hoofd beleid van de Youth Community Union, een activistische groep die pleit voor betere werkomstandigheden voor jongvolwassenen. ‘Ze realiseren zich dat ze als werknemers niet altijd meedelen in de winsten van het bedrijf, hoe hard ze ook werken.’

    Jongeren zijn steeds terughoudender om zich voor langere tijd aan één bedrijf te binden, vooral nu de kosten van het levensonderhoud stijgen. Uit een onderzoek van informatieportaal JobKorea bleek dat 55 procent van de werknemers van de MZ-generatie geen managementfunctie nastreeft, en dat 47 procent zich zegt voor te bereiden op de overstap naar een ander bedrijf.

    Ze werkte soms tot vier uur ’s nachts en had het gevoel dat ze continu moest bewijzen dat ze haar best deed

    ‘Ze hebben misschien gezien hoe familieleden, kennissen of vrienden in hun eentje moeten zien te overleven, zelfs als ze ziek zijn geworden door te veel over te werken. Het is meer dan logisch dat ze ertegen protesteren. Ze weten dat het verkeerd is,’ zegt Kim.

    Lee Myung-ha (36) werkte voor een overheidsinstantie en moest vaak dag en nacht beschikbaar zijn om internationale zaken te regelen. Ze werkte soms tot vier uur ’s nachts en had het gevoel dat ze continu moest bewijzen dat ze haar best deed. ‘Ik was mezelf niet meer,’ zegt ze. Als jongste lid van haar team werd ze ook geacht aanvullende, tijdrovende taken op zich te nemen, zoals het organiseren van verjaardagsfeestjes en de aankoop van kantoorartikelen. Ze vertelt dat ze nooit voor deze extra taken betaald kreeg.

    Misbruik

    Uit een onderzoek van Gapjil 119, een maatschappelijke organisatie die campagne voert tegen machtsmisbruik en een slechte behandeling van werknemers, blijkt dat 59 procent van de deelnemers niet voor hun overuren betaald krijgt. ‘Behalve over grensoverschrijdend gedrag op het werk gaan de meeste vragen die we krijgen over lonen en werktijden,’ zegt Oh Jin-ho, uitvoerend directeur van Gapjil 119.

    Hij benadrukt dat er geen wettelijke verplichting is om gewerkte uren nauwkeurig bij te houden. Dat geldt in het bijzonder voor werknemers die een contract hebben in een ‘dekkend loonsysteem’, waarbij overuren worden verrekend in het salaris. Dit systeem biedt volgens hem veel ruimte voor misbruik: werkgevers vragen hun werknemers om extra uren te draaien, en die kunnen dat moeilijk weigeren. ‘En hoewel het onder de Koreaanse arbeidswetgeving verplicht is om voor overuren anderhalf keer het normale loon te betalen, gebeurt dat in de praktijk vaak niet,’ vertelt Oh.

    Volgens hem staat het uitbreiden van de werkweek naar 69 uur gelijk aan het wettelijk bevorderen van dood door overwerk. Officieel eist die doodsoorzaak zo’n vijfhonderd levens per jaar, maar waarschijnlijk ligt het werkelijke cijfer hoger.

    Bijna de helft van de ondervraagden uit de MZ-generatie zou geen baan aannemen waarvoor ze meer uren moeten werken dan ze willen

    Politici debatteren nog over wetgeving die moet voorkomen dat bedrijven misbruik maken van het dekkend loonsysteem. Ondertussen roepen actievoerders op tot de afschaffing ervan. Uit een recent onderzoek van het Zuid-Koreaanse ministerie van Arbeid blijkt dat jongeren het liefst 42 uur per week willen werken. Bijna de helft van de ondervraagden uit de MZ-generatie zou geen baan aannemen waarvoor ze meer uren moeten werken dan ze willen, zelfs als ze voor de extra uren worden betaald.

    Een ambtenaar van het ministerie van Arbeid zegt dat de regering de bezorgdheid van de burgers erkent en verschillende sectoren om feedback heeft gevraagd. ‘We zullen ook een landelijk onderzoek uitvoeren en klankbordgroepen formeren, en we zijn van plan om later dit jaar een uitgebreid, herzien plan aan te kondigen voor het urensysteem,’ aldus de ambtenaar.

    Lee Myung-ha werkt nu dertig uur per week als manager in een wijnwinkel in Seoul. Sinds het opzeggen van haar kantoorbaan haalt ze plezier uit nieuwe dingen. ‘Ik kan nu makkelijker op vakantie, ik heb tijd om met mijn vrienden af te spreken en nieuwe dingen te leren,’ zegt ze. Ze geeft wel toe dat dit alleen kan omdat ze geld bespaart door nog bij haar ouders te wonen.

    ‘De eerste stap is dat de werktijden worden teruggedraaid, zodat werknemers voldoende rust krijgen’

    Lee Sang-hyuk, die nu een apotheek runt in Bucheon, vlak bij Seoul, zegt dat een evenwichtig leven van essentieel belang is. Hij gelooft dat Zuid-Korea een efficiëntere werkcultuur nodig heeft om op de wereldmarkt te kunnen blijven concurreren. ‘De eerste stap is dat de werktijden worden teruggedraaid, zodat werknemers voldoende rust krijgen,’ zegt hij. ‘Gezond en gelukkig leven kan pas als je de baas bent over je eigen leven.’

  • ‘Om onze afhankelijkheid van China te verminderen moeten we weer de fabriek in’

    ‘Om onze afhankelijkheid van China te verminderen moeten we weer de fabriek in’

    Als westerse landen minder afhankelijk van China willen worden, dan moeten ze de productie in eigen huis nieuw leven inblazen, schrijft de Zweedse veiligheidsexpert Elisabeth Braw. Maar waar gaan ze de arbeiders vandaan halen? Omscholing kan een oplossing bieden.

    Nu jonge experts zo warm lopen voor deglobalisering en voor haar jongere zusje de-risking [risicomijding door banken], trekken zelfs politiek leiders die vrijhandel voorstaan de conclusie dat westerse landen hun productieafhankelijkheid van China moeten verminderen. Hoe? Door productie in eigen huis nieuw leven in te blazen, of deze te verplaatsen naar bevriende landen. Maar wie gaat er werken in al die fabrieken die er dan in het Westen zullen verrijzen?

    Als het de westerse landen ernst is met friendshoring [handel drijven met en/of produceren in ‘bevriende’ of ‘vertrouwde’ landen om politieke risico’s te vermijden], zullen we weer veel meer met onze handen moeten gaan werken – zij het geholpen door robots. En ja, daar moeten ook academici aan te pas komen. 

    Vorige week presenteerde Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, haar voorstel voor een nieuwe economische veiligheidsstrategie ten behoeve van de Europese Unie. Het zou gaan om ‘een oefening in nieuw economisch denken’. Nationale leiders moeten zich nu buigen over de strategie die als uitgangspunt heeft dat ‘een economische macht als de EU meer aandacht dient te schenken aan de veiligheidsrisico’s in haar handels- en investeringsbeleid. Uitvoering van de strategie betekent dat de EU zich op het internationale toneel meer zal gedragen als de Verenigde Staten en Japan.’

    Wat is er tegen een strategie die de EU minder afhankelijk maakt van China en in één moeite door gekwalificeerde banen creëert?

    Dit betekent minder afhankelijkheid van China en meer productiebanen en raderen in de eigen toeleveringsketen. Klinkt goed. Wat is er tegen een strategie die de EU minder afhankelijk maakt van China en in één moeite door gekwalificeerde banen creëert, zoals de Amerikanen dat doen met hun anti-inflatiewet (Inflation Reduction Act)?

    Er zal een veel grotere behoefte ontstaan aan productiemedewerkers, én aan arbeiders van het soort dat onze economie nu al draaiende houdt, zoals machinisten, vrachtwagenchauffeurs – en zelfs mijnwerkers, als de EU ook de afhankelijkheid van door China bewerkte zeldzame mineralen wil verminderen.

    Het is alleen maar goed om dergelijke banen te creëren, banen die de binnenlandse productie stimuleren, maar… zo gemakkelijk gaat dat niet. Dat blijkt wel uit ontwikkelingen in de VS, dat Europa al een stap voor was op het gebied van globalisering, en nu een hele grote stap voor is wat betreft deglobalisering. Er zijn simpelweg niet genoeg arbeiders voor de banen die het Westen hoopt te creëren omwille van de nationale veiligheid en welvaartsgroei.

    Strategische rivalen

    In de Amerikaanse mijnbouwsector bijvoorbeeld is er ‘schaarste aan ingenieurs die arbeidslocaties opzetten, mijnwerkers die ruwe metalen winnen en vrachtwagenchauffeurs die ze verplaatsen voor verwerking – een extra kopzorg voor producenten die sowieso al moeite hebben om materialen te leveren voor elektrische auto’s, zonnepanelen en windparken,’ aldus The Wall Street Journal.

    Om te begrijpen wat de toekomst voor ons in petto heeft, is het nuttig de situatie in Duitsland te bekijken: dat land heeft al 100.000 onvervulde vacatures in de transportsector, en een tekort van nog eens 100.000 werknemers in productie- en installatiediensten – en dan hebben we het nog niet eens over vacatures in de gezondheidszorg, de horeca en het onderwijs.

    De belangrijkste reden dat westerse landen moeite hebben om al die beoogde nieuwe fabrieken van personeel te voorzien, is dat ze ooit de globalisering enthousiast omarmden

    Ondertussen is Tesla – dat onlangs een nieuwe fabriek in Brandenburg heeft gebouwd – bezig met de werving van 12.000 arbeiders om daar elektrische auto’s te bouwen. Aangezien er geen 12.000 arbeiders voor de auto-industrie beschikbaar zijn, leidt het bedrijf van Elon Musk nu leerlingen op en werft het mensen die ervaring hebben op andere terreinen en schoolt die om. Vorige week heeft bondskanselier Olaf Scholz een deal gesloten waarbij Intel een halfgeleiderfabriek in Maagdenburg zal opzetten. Waar het fabriekspersoneel vandaan moet komen is vooralsnog volkomen onduidelijk. 

    De belangrijkste reden dat westerse landen moeite hebben om al die beoogde nieuwe fabrieken van personeel te voorzien, is dat ze ooit de globalisering enthousiast omarmden. Andere landen zouden goederen produceren en zijzelf gingen zich richten op de diensteneconomie. Dat pakte erg goed uit, totdat duidelijk werd dat dergelijke landen strategische rivalen konden worden. En zo kwam het dat het Westen nu weer handarbeiders nodig heeft – zowel in fabrieken als voor het vervoeren van goederen over lange toeleveringsketens.

    Hard werken

    Ondertussen hebben westerse landen hun bevolking opgeleid voor een hoogwaardige diensteneconomie. In 1993 telde Duitsland bijvoorbeeld 1.775.661 universiteitsstudenten; dat aantal was in 2021 met liefst 66 procent gestegen. Westerse landen zitten nu dus opgescheept met te veel academisch geschoolde burgers die niet staan te trappelen om met hun handen te werken, en met te weinig mensen die bijvoorbeeld een vrachtwagen kunnen besturen of vuilnis willen ophalen – taken die zelfs in de hoogtijdagen van de globalisering noodzakelijk waren.

    Nu deze landen het fabriekswerk weer in ere willen herstellen, worden ze niet alleen geconfronteerd met een algeheel tekort aan handarbeiders, maar ook met een dreigend tekort aan werknemers in de groeiende productiesector. De Europese ontkoppeling van Russische energie is om deze reden in zwaar weer terechtgekomen: 900 Noorse booreilandwerkers – van wie er al te weinig zijn – hebben gedreigd in staking te gaan.

    Mensen die op school steeds te horen hebben gekregen dat de weg naar een comfortabel middenklassebestaan en sociale status via de universiteit leidt, zullen zich waarschijnlijk niet laten omscholen voor handarbeid. Want zoals de academisch geschoolden die het hebben geprobeerd kunnen beamen: dat is hard werken. Toen enkele leden van de Baader-Meinhof-groep [een terroristische organisatie in de Bondsrepubliek Duitsland] zich in de fabriek voegden bij de West-Duitse arbeiders – namens wie de groep beweerde haar gewapende revolutie te voeren – gaven ze er al na een paar dagen de brui aan.

    Maar er is veel gebeurd sinds zo’n vijfendertig jaar geleden de moderne globalisering in het Westen aanving. De banen die in deze landen eind jaren tachtig begonnen te verdwijnen behelsden grotendeels fysiek werk. De banen waaraan nu behoefte is, zijn in hoge mate technisch en vereisen veel expertise. Breng maar eens een bezoek aan een Duitse autofabriek, dan wordt dat meteen duidelijk.

    Scholen en universiteiten doen er goed aan studenten te helpen werkervaring op te doen in de productiesector

    Het is helemaal niet zo gek te stellen dat veel toekomstige productiebanen meer vaardigheden met zich meebrengen dan een hoop kantoorbanen waarvoor je een universitair diploma nodig hebt. Het is geen verrassing dat Tesla samenwerkt met lokale universiteiten om arbeiders op te leiden voor de fabriek in Brandenburg, of dat de staat Arizona – die halfgeleiderbedrijven wil aantrekken om de productie uit China over te nemen – niet alleen de krachten heeft gebundeld met bedrijven, maar ook met Arizona State University, waar een uitgebreid programma is ontwikkeld om mensen op te leiden voor de goedbetaalde banen die er nu aankomen.

    Arbeiders hadden altijd al meer vaardigheden dan universitair geschoolden hun toedichtten, en naarmate de productie technologisch gezien steeds verfijnder wordt, zullen die vaardigheden alleen maar toenemen. Zonder arbeiders die de machines kunnen bedienen om de geavanceerde goederen te produceren die nu te riskant zijn om in China te laten maken, kunnen we bij voorbaat afscheid nemen van het idee van friendshoring. We zouden er dan ook goed aan doen onze opvattingen over handmatig werk bij te stellen.

    Scholen en universiteiten doen er dus goed aan studenten te helpen werkervaring op te doen in de productiesector. En degenen die zo verstandig zijn de waarde en vaardigheden van productiewerk in te zien, zouden moeten overwegen zichzelf op dat gebied verdienstelijk te maken. Simpel gesteld: de fabrieksarbeider is terug van weggeweest – krachtiger dan ooit. Wat zou Karl Marx hebben gedacht van deze wending in het globaliseringsverhaal?

  • Wat is een ‘goede baan’ nog waard?

    Wat is een ‘goede baan’ nog waard?

    Het mantra ‘als je maar hard werkt, krijg je vanzelf een goede baan’ gaat gezien de onzekerheid op de arbeidsmarkt niet meer op. Volgens deze Britse schrijver moeten we ons daarom minder focussen op werk. ‘Misschien kunnen we onze kinderen helpen hun eigen weg naar “succes” te zoeken.’

    Toen ik een kind was in de relatief zorgeloze jaren negentig van de vorige eeuw, kreeg ik het nodige voor mijn kiezen: vriendschapsproblemen, huiswerk, ruzietjes met broers en zussen en wanstaltige mode . Maar één ding stond als een paal boven water: hoe je het beste uit je leven kon halen.

    Dat werd je in die predigitale dagen bijgebracht door een paar betrouwbare volwassenen: docenten, familieleden en ouders. En die zeiden maar zelden iets anders dan: ‘Volg een goede opleiding, kies een goede baan en beklim de ladder.’ Over het algemeen gold de regel dat als je tussen je kinderjaren en de volwassenheid door de vereiste hoepels sprong, succes en geluk je deel zouden worden.

    Vandaag de dag is het allemaal minder overzichtelijk. De weg naar beoogd succes is bezaaid met valkuilen, en hoe je financiële stabiliteit en potentieel geluk bereikt is minder duidelijk dan voorheen. Huizenprijzen rijzen de pan uit en voor starters is het moeilijker dan ooit om de onroerendgoedmarkt te betreden. De huidige financiële crisis heeft de baanonzekerheid verhoogd en gezien de stijgende pensioenleeftijd is een comfortabel pensioen allerminst gegarandeerd.

    Dus wat staat ons te doen, als ouders? Het lijkt verkeerd om te doen alsof de wereld niet is veranderd, of om onze kinderen aan te moedigen iets na te streven wat in de praktijk misschien onhaalbaar is. Maar als de doelen en dromen die het vuur van hun ambitie moeten aanjagen ontbreken, waar halen ze dan de motivatie vandaan die nodig is om vooruit te komen?

    Roze bril

    Kortgeleden begon mijn dertienjarige dochter zich af te vragen waarom ze naar school moet om vakken te leren die haar toch niet interesseren. Hoe kan ik haar uitleggen dat ze elke dag naar school moet terwijl ze twee jaar geleden nog thuis moest blijven voor haar eigen veiligheid? Hoe kan ik haar duidelijk maken dat ze zonder opleiding misschien geen ‘goede’ baan krijgt, terwijl ik er na mijn eigen ervaringen niet langer zeker van ben hoe een ‘goede baan’ eruit zou moeten zien? Is dat een baan die een hoger inkomen oplevert? Of persoonlijke voldoening? Zullen, met AI aan de horizon, banen waarin ze mogelijk geïnteresseerd is over vijf jaar überhaupt nog wel bestaan? En bovendien, hoe kan ze zelfs maar naar de toekomst kijken als we in allerijl op een klimaatramp afstevenen en er vlak bij huis een oorlog woedt?

    In mijn eigen kinderjaren was mijn enige echte nieuwskennis afkomstig van het brave Britse jeugdjournaal. Het was zó beperkt, dat toen een klasgenootje me vertelde dat haar vader tijdens de Golfoorlog als piloot naar Bagdad was vertrokken, ik er gewoon van uitging dat vaders daar nu eenmaal soms naartoe gingen. Hoewel mijn kinderen over het algemeen geen nieuws lezen of zien, sijpelt er toch op de een of andere manier iets door. (‘Ik haat die bullebak!’ merkte mijn zoon kortgeleden op terwijl hij naar een scherm in een afhaalrestaurant keek. Ik wilde hem net de les lezen, totdat ik me omdraaide en zag dat hij het over Kim Jong-un had.)

    Maar misschien moet ik die roze bril waardoor ik naar mijn eigen kinderjaren kijk eens afzetten. Ja, er werd me een gevoel van stabiliteit gegeven, maar aan het advies dat voor iedereen zou gelden, had ik steeds minder naarmate ik ouder werd. Na acht jaar lesgeven kreeg ik een totale burn-out en begon een nieuw leven in Frankrijk. Dit hielp me mijn idee van ‘succes ’opnieuw te definiëren.

    Ik leerde dat een baan nooit boven je geestelijke gezondheid gaat; dat geld, hoe aantrekkelijk ook, niet alle problemen oplost. Naar Frankrijk verhuizen, waar de onroerendgoedprijzen lager zijn, gaf me financiële ademruimte, en ik was in staat een carrière als freelancer op te bouwen. Dat heeft verbluffend goed uitgepakt: ik doe nu wat ik leuk vind, bepaal mijn eigen werktijden en lijd nooit meer aan de ‘zondagavondstress’ die de laatste uren van mijn weekend placht te vergallen.

    Een goede opleiding is nog altijd van het allergrootste belang, maar dat geldt ook voor relaties, vrije tijd, sport en begrip voor de wereld om je heen

    Mijn vijf kinderen zijn allemaal hier geboren, ze hebben nooit meegemaakt dat hun ouders bij het krieken van de dag verdwenen en tot diep in de nacht proefwerken nakeken. In plaats daarvan zien ze hun vader maar zelden zonder penseel en hun moeder er lustig op los typen op de computer in haar werkkamer thuis (wat ze niet als ‘werk’ beschouwen omdat ik voor een scherm zit). Ik laat liever zien wat een evenwichtig en gelukkig leven is dan dat ik mijn kinderen van stabiele, onwrikbare toekomstadviezen voorzie die waarschijnlijk toch niet langer opgaan.

    Daar komt nog bij dat niet alle veranderingen per definitie slecht zijn: banen worden flexibeler en jongere generaties zetten vraagtekens bij het idee dat werk voor alles gaat. Belangrijk is ook dat hoewel er misschien meer beren op de weg naar rijkdom zijn, het niet langer taboe is om over geestelijk welzijn te praten en dat voorrang te geven. (Toen ik op mijn vierentwintigste in de ziektewet ging met een depressie, bood mijn arts aan iets anders op het formulier te zetten zodat ik niet gestigmatiseerd zou raken.)

    Misschien ben ik nu in staat een beter toekomstbeeld voor te spiegelen dan het smalle weggetje naar een ‘goed leven’ dat me in mijn eigen kinderjaren werd voorgespiegeld. Misschien kan ik mijn kinderen leren dat ze niet vanuit een teruggetrokken bestaan naar financieel succes moeten streven, maar moeten bedenken wat het betekent om voldaan en tevreden te zijn en volledig je draai te vinden. Een goede opleiding is nog altijd van het allergrootste belang, maar dat geldt ook voor relaties, vrije tijd, sport en begrip voor de wereld om je heen.

    Welke weg je precies moet volgen is niet langer duidelijk, maar wellicht zijn de valkuilen minder diep dan gedacht. Misschien leiden er meer wegen naar Rome, die bij een ander soort leven passen, met andere doelen en andere maatstaven. En misschien kunnen we onze kinderen helpen hun eigen weg naar ‘succes’ te zoeken, een weg die niet alleen naar een mooie carrière leidt maar ook naar voldoening, veiligheid, geestelijk welzijn en een prettig leven.

  • Waar zullen we in de toekomst ons geld mee verdienen?

    Waar zullen we in de toekomst ons geld mee verdienen?

    Over tien jaar zullen miljoenen banen zijn verdwenen, en miljoenen andere zijn ontstaan. De kunst voor bedrijven en werknemers is om in te spelen op toekomstige behoeftes. Speciale afdelingen proberen deze glazen bol fulltime te ontcijferen.

    Een bouwopzichter bij de Duitse Spoorwegen zal in de toekomst met drones moeten werken. De opzichter moet weten hoe je de kleine vliegende robots moet bedienen en de data van de cameraopnames moet gebruiken. Hij of zij zal over meer vaardigheden moeten beschikken dan nu. Om precies te zijn: zes.

    Hoe het concern dat zo precies weet? Sinds ongeveer een jaar is een nieuw team, lab 1, uitsluitend bezig met de vraag welke beroepen er in de toekomst zullen bestaan. Sommigen van hen doen dat fulltime, anderen besteden een derde van hun uren eraan. ‘Wij willen niet overvallen worden door wat er straks gaat gebeuren, maar het nu al weten,’ zegt Kerstin Wagner, hoofd personeelwerving bij de Spoorwegen. ‘Wij willen de kristallen bol voorspelbaar maken.’

    Toekomstige sollicitatiegesprekken

    De vijftien werknemers uit heel verschillende afdelingen hebben daarvoor een eigen methode bedacht. Eerst analyseren ze bij een functieomschrijving hoe die er nu uitziet en ondervragen ze de werknemer: wat doe je elke dag? Welke vaardigheden zijn daarvoor nodig? Bij de bouwopzichter is het bijvoorbeeld niet meer zo dat hij perrons opmeet en de gegevens met de hand op papier noteert. Hij gebruikt een digitaal bouwdagboek.

    Daarna spreekt het team met deskundigen uit de eigen onderneming en van buitenaf die goed thuis zijn op het gebied van technologie, politiek en maatschappij, demografische veranderingen, milieu en duurzaamheid. Zij moeten vertellen welke trends er in hun vakgebieden zijn en hypothesen opstellen over de effecten die dat op hun speciale vakgebied zal hebben – en wanneer.

    Na deze vijf analyses overlegt de personeelsafdeling van de Spoorwegen welke bijscholingen belangrijk zijn voor de werknemers en wat voor banen er gecreëerd moeten worden. Bij de bouwopzichter zou het in toekomstige sollicitatiegesprekken aankomen op digitale vaardigheden, de omgang met data en de visualisering daarvan. Bij presentaties zouden er in elk geval geen plattegronden meer aan de wand hangen. ‘Maar we hebben het hier niet over een radicale verandering in de komende een of twee jaar, maar over een ontwikkeling in tien jaar,’ zegt Kerstin Wagner.

    Van de vijfhonderd beroepsprofielen bij de Duitse Spoorwegen heeft het lab er vijf uitgezocht waarbij de methode eerst getest wordt: treinmachinist, bouwopzichter, data-analist, signaalmonteur en elektricien. Daarna moeten alle overige beroepsbezigheden doorgenomen worden. Een nieuw beroep dat pas sinds kort bij de Spoorwegen is ontstaan, is geomaticus. Zijn taak: geodata verzamelen en geschikt maken voor multimediale producten. 

    ‘Kleine ondernemingen kijken twee jaar vooruit en denken niet na over wat in 2030 belangrijk zal zijn’

    Het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken houdt er rekening mee dat in de komende zes jaar 1,3 miljoen arbeidsplaatsen zullen verdwijnen en 2,1 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen zullen ontstaan. Voor het jaar 2035 rekent het ministerie op een toename van 3,3 miljoen en een afname van 4 miljoen arbeidsplaatsen. Niet alleen bij de Duitse Spoorwegen stelt men zich de vraag welke banen heel concreet schuilgaan achter deze cijfers.

    Bij het autoconcern BMW heet het, heel in het algemeen, dat de personeelsafdeling analyseert welke competenties belangrijker worden en welke onbelangrijk, en dat men prognoses maakt hoe groot de behoefte aan werknemers in de toekomst zal zijn.

    ‘Maar alleen grote bedrijven kunnen zich bezighouden met langetermijn perspectieven,’ zegt Oliver Stettes, arbeidsmarktdeskundige bij het Institut der Deutsche Wirtschaft (IW) in Keulen, dat dicht bij de werkgevers staat. ‘Kleine ondernemingen kijken twee jaar vooruit en denken niet na over wat in 2030 belangrijk zal zijn.’

    Soms wacht men met een verandering tot die wordt afgedwongen. Juist nu moeten bedrijven hun arbeidsorganisatie veranderen omdat werknemers vanwege de pandemie thuis moeten werken. Het businessmodel kan plotseling veranderen omdat klanten andere wensen hebben. Zo werd al voor covid-19 steeds vaker online gekocht in plaats van in winkels. Waaruit het beroep van e-commercehandelaar voortkwam.

    Met sociale media werd ook de socialemediamanager geboren. Iedereen heeft het plotseling over duurzaamheid: ondernemingen maken daar speciale afdelingen voor. In de fabriek zullen machines steeds meer met elkaar in contact staan. Wat daar nu al ontbreekt, zal daarom nog belangrijker worden: informatici die kunstmatige intelligentie programmeren en grote hoeveelheden data kunnen analyseren. De gezondheidszorg zal verder groeien, en nog veel meer personeel nodig hebben, alleen al omdat de mensen steeds ouder worden.

    Jobreport 2020

    Een onderneming die precies weet welke banen gevraagd worden, is LinkedIn. Dat sociale netwerk voor professionals heeft wereldwijd 700 miljoen leden, van wie meer dan 15 miljoen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. ‘Wij zien in real time welke nieuwe vaardigheden onze leden opgeven, wat voor arbeidsplaatsen worden aangeboden en naar welke banen de mensen overstappen,’ zegt Kristin Keveloh. Zij geeft leiding aan alle projecten rondom economische diagrammen voor de Duitstalige wereld.

    In het Jobreport 2020 heeft Linkedin uiteengezet welke beroepen tussen 2015 en 2019 steeds belangrijker werden – en nog zullen worden. ‘Wij kunnen niet in de toekomst kijken, maar wij zien aan de hand van onze verzamelde data veranderingen en trends die de arbeidsmarkt in de komende jaren zullen beïnvloeden,’ zegt Kristin Keveloh.

    Volgens het rapport zijn mensen die verstand hebben van kunstmatige intelligentie en data-analyse de meest gevraagden. Gevolgd door een ‘site reliability engineer’, die de ontwikkeling van sites en apps coördineert. Aangezien nieuwe technologieën het dagelijks leven ook in de toekomst sterk zullen bepalen, moet er volgens LinkedIn van uitgegaan worden dat dit beroep voortaan van elementair belang zal zijn. 

    Binnen tien jaar zouden er cybercityanalisten kunnen bestaan

    Hoe de wereld van het werk verandert, willen ook economen als Oliver Stettes weten. Daarom analyseert hij de cijfers van de Bundesagentur für Arbeit, van de microcensus, of bekijkt hij gedetailleerde enquêtes van werknemers en bedrijven. ‘Sommige anderen zijn stoutmoedig en stellen berekende scenario’s op,’ zegt hij. ‘Maar dat is voor mij een blik in een glazen bol.’

    Enzo Weber ziet dat anders. Weber leidt het onderzoek naar prognosen een economische analyses bij het Institut für Arbeitsmarkt und Berufsforschung (IAB). Naast enquêtes benut hij ook modelberekeningen. Hij kijkt daarbij naar parameters als de demografie en de consumptie – en ontwikkelt op basis daarvan scenario’s. Een resultaat kan bijvoorbeeld het aantal bakkers zijn dat in 2035 zal bestaan. ‘Natuurlijk kan er in de toekomst iets gebeuren dat niet te voorzien is,’ zegt hij. ‘Dat is altijd de onzekere factor bij prognoses.’

    Sinds meer dan tien jaar werkt Weber mee aan het Qube-project, waarin het IAB met het Bundesinstitut für Berufsbildung toekomstprojecties voor verschillende kwalificaties en beroepen opstelt. Volgens dit onderzoek zal er ongeveer evenveel vraag zijn naar opvoeders, artsen, ouderenverzorgers en loodgieters. Wie werkt in de verkoop, in de gastronomie of de metaalbewerking zal in het jaar 2035 met fellere concurrentie te maken krijgen. Treinmachinisten hoeven zich ondanks de digitalisering geen zorgen te maken. Enerzijds gaan binnenkort heel veel machinisten met pensioen, anderzijds zullen treinen wel autonomer rijden, maar ze moeten toch gecontroleerd worden.

    Binnen tien jaar zouden er cybercityanalisten kunnen bestaan die zich bezighouden met de in een gedigitaliseerde stad beschikbaar komende big data. Personal data brokers zouden de persoonlijke data van hun klanten kunnen beheren en te gelde maken.

    Op deze ideeën kwam het IT-adviesbureau Cognizant. In de studie ‘21 toekomstige jobs’ speculeert het welke beroepen er zouden kunnen bestaan, waar nu nog niemand een idee van heeft. Bekeken werden de belangrijkste macro-economische, demografische, zakelijke en technologische ontwikkelingen van deze tijd. Behalve met digitalisering zouden mensen binnenkort geld kunnen verdienen met het gezelschap houden van ouderen.

  • Insectenzwerm in aantocht | Iran blokkeert Signal | Dreun voor Spaans toerisme

    Insectenzwerm in aantocht | Iran blokkeert Signal | Dreun voor Spaans toerisme

    8,8 procent van de mondiale arbeidsuren verloren

    Volgens een recente studie van ILO, de Internationale Arbeidsorganisatie van de VN, ging vorig jaar door de coronapandemie 8,8 procent van de mondiale arbeidsuren verloren, vergeleken met het vierde kwartaal van 2019. Dat komt neer op 255 miljoen voltijdbanen, ‘ongeveer vier keer het aantal dat verloren ging tijdens de wereldwijde financiële crisis van 2009’, schrijft The Japan Times.


    Insectenzwermen in aantocht

    Miljarden cicades, die lange tijd onder de grond hebben geleefd, zullen dit jaar in grote delen van het oosten van de VS opduiken in enorme zwermen, begeleid door luide paringsroepen. Deze zogenoemde periodieke cicades verblijven zo’n zeventien jaar onder de grond als nimfen en zuigen vloeistoffen uit de wortels van planten om te groeien. Als ze volwassen zijn komen ze massaal tevoorschijn. 

    De laatste keer dat dit gebeurde, in onder meer New York, Ohio, Illinois en Georgia, was in 2004. De zwermen cicades zullen verschijnen zodra de temperaturen hoog genoeg zijn en naar verwachting is dat midden mei. ‘Ze kunnen zich met miljoenen verzamelen in parken, bossen en woonwijken en lijken echt overal te zijn’, aldus Gary Parsons, een entomoloog aan de Michigan State University, geciteerd door The Guardian.

    Volgens Parsons zijn de cicades niet schadelijk voor mensen, maar als huisdieren ze eten kunnen ze ziek worden. Waarschijnlijk is de lange ondergrondse ontwikkeling een overlevingsstrategie en biedt de massale gesynchroniseerde verschijning bescherming tegen natuurlijke vijanden.

    Volgens een artikel uit Nature dat we eerder deels publiceerden, is de zwerm aan krekels goed voor het milieu.


    Techsector wil regulatie China

    De China Strategy Group (CSG), een groep van invloedrijke Amerikaanse tech-professionals en beleidsonderzoekers onder leiding van voormalig Google-CEO Eric Schmidt, heeft een rapport gepubliceerd waarin Washington wordt opgeroepen de ‘asymmetrische concurrentie’ met China aan te pakken op het gebied van technologie. 

    ‘Het technologische leiderschap van Amerika is fundamenteel voor zijn veiligheid, welvaart en democratische manier van leven. Maar dit cruciale voordeel loopt gevaar, nu China de Verenigde Staten op kritieke gebieden aan het inhalen is’, aldus het CSG-rapport, waarover South China Morning Post berichtte. ‘Dringende beleidsoplossingen zijn nodig om de Amerikaanse concurrentiepositie te verbeteren en de cruciale technologische voordelen van de VS te behouden.’ 

    Volgens het rapport hanteert China afwijkende spelregels, waardoor de Chinese industrie kan profiteren van ‘bedrijfsspionage, onvrijwillige surveillance en de vage scheidslijn tussen de publieke en private sector’.

    CSG werd vorig jaar juli opgericht om ‘problemen rond het concurrentievermogen van de VS met China op het gebied van technologie’ aan te pakken.


    Iran blokkeert Signal

    De Iraanse regering heeft de berichtenapp Signal geblokkeerd nadat Iraniërs er massaal accounts hebben aangemaakt. Gebruikers stapten in groten getale over van WhatsApp naar Signal uit bezorgdheid over hun privacy, nadat WhatsApp een nieuw privacy-beleid aankondigde. Dat nieuwe beleid roept vragen op over de manier waarop WhatsApp met gebruikersdata zal omgaan. 

    Signal wordt daarentegen door velen beschouwd als veilig, door de manier waarop de app communicatie codeert. Sinds maandag kunnen Iraniërs echter niet meer communiceren via Signal.

    ‘Iraniërs hebben recht op privacy. We geven niet op’

    Op Twitter liet Signal weten dat het probeert om ‘de censuur van Iran’ heen te werken. ‘Aanmeldingen voor Signal konden niet worden tegengehouden en daarom heeft de Iraanse censuur nu al het verkeer met Signal stopgezet’, aldus het bedrijf. ‘Maar Iraniërs hebben recht op privacy. We geven niet op.’

    Met de blokkering van Signal zijn WhatsApp en Instagram, beiden eigendom van Facebook, nu de enige grote toegankelijke sociale media platforms in Iran, meldt Al Jazeera.


    Pompidou vier jaar dicht

    De verbouwing en renovatie van het Centre Pompidou in Parijs zal zo’n €200 miljoen gaan kosten. Het postmoderne, kleurige bouwwerk van Renzo Piano en Richard Rogers uit 1977, dat scherp contrasteert met de omringende klassieke Parijse architectuur, gaat in 2023 voor vier jaar dicht voor de grootste opknapbeurt sinds 1997. 

    Ventilatie- en verwarmingsinstallaties moeten worden gemoderniseerd en stukken asbest verwijderd, schrijft Le Figaro uit Parijs. Volgens de Franse minister van Cultuur, Roselyne Bachelot, zou de renovatie niet alleen langer duren maar ook duurder uitvallen als het museum tijdens de renovatie open zou blijven.

    Na de opening eind jaren zeventig baarde het Centre Pompidou opzien omdat de felgekleurde waterleidingen en het ventilatiesysteem aan de buitenkant van het gebouw zijn bevestigd, evenals de buisroltrap. Net als alle andere musea en culturele attracties in Parijs was het Centre Pompidou vanwege corona gesloten van maart tot juni vorig jaar. In oktober werd het museum opnieuw gesloten. 


    Dreun voor Spaans toerisme

    Cijfers over 2020 die nu beschikbaar zijn, bevestigen wat al werd verwacht: de coronacrisis heeft desastreus huisgehouden in de toerismesector van Spanje. De inkomsten daalden in 2020 met meer dan 75 procent. Minder dan 20 miljoen buitenlandse bezoekers bezochten Spanje vorig jaar en zij gaven minder dan €20 miljard uit. In 2019 telde Spanje 83,5 miljoen bezoekers, die bijna €92 miljard spendeerden, bericht El País

    De ineenstorting van de sector is ongekend; volgens officiële gegevens is het ruim een halve eeuw geleden dat er zo weinig toeristen naar Spanje kwamen. Uitzicht op herstel is er voorlopig nog niet, want mobiliteit tussen landen blijft voorlopig minimaal.


    Onrust in Tunesië

    Honderden anti-regeringsdemonstranten stonden deze week tegenover de oproerpolitie buiten het Tunesische parlement, terwijl de regering binnen aankondigde het kabinet te wijzigen om de groeiende onrust te beteugelen. 

    Tunesië kampt met een grote politieke en economische crisis die wordt verergerd door de coronapandemie, meldt Al Araby. Woedende demonstranten beschuldigen de politieke klasse ervan geobsedeerd te zijn door een strijd om de macht, terwijl er geen aandacht is voor het lijden van de bevolking.

    Premier Hichem Mechichi liet weten met de aanstelling van elf nieuwe ministers voor Binnenlandse Zaken, Justitie, Volksgezondheid en andere belangrijke portefeuilles, een ‘effectiever’ team te willen creëren dat hervormingen kan doorvoeren.

  • Chinese Alliantie van Ridders neemt het op voor maaltijdbezorgers

    Chinese Alliantie van Ridders neemt het op voor maaltijdbezorgers

    Bezorgers in China draaiden al overuren, maar door de coronacrisis is de druk nog hoger geworden. Bij gebrek aan sociale zekerheid creëren medewerkers nu zelf onlinenetwerken om juridische informatie en dagelijkse tips uit te wisselen.

    De covid-19-epidemie die begin 2020 uitbrak, heeft ons land op de proef gesteld. De strenge lockdowns die in alle regio’s werden opgelegd, hebben menselijk contact tot een minimum beperkt. Maar om het bewoners mogelijk te maken te voldoen aan de richtlijnen van de overheid en zichzelf te beschermen tegen ziekte, moesten koeriers en scooterbezorgers grotere risico’s nemen en harder werken. Alleen op die manier konden ze de essentiële dagelijkse producten die de bevolking nodig heeft garanderen. Ongeveer 700.000 [van de miljoenen] koeriers bleven in het hele land werkzaam om het leven voor anderen gemakkelijker te maken.

    Wat betekent het om deel uit te maken van dit ‘grote leger’? Wie is zich werkelijk bewust van de onzekerheid van een dergelijk beroep? Om daarachter te komen, volgden we een dag lang twee bezorgers en luisterden naar hun verhalen.

    Algoritmen

    Fang Zhilong is een van hen. Hij komt uit de provincie Anhui [in het oosten van China], die hij op zeventienjarige leeftijd verliet. Hij had verschillende baantjes, totdat hij naar Shanghai kwam en bezorger werd.

    Als bezorger ben je verwikkeld in een strijd tegen de klok waarin elke seconde telt, zegt Zhilong. Wie controleert en organiseert je werk? Niet de directeur of manager, maar een computerprogramma dat op algoritmen is gebaseerd en automatisch leveringsbonnen rondstuurt.

    De IT-platforms brengen maaltijdbezorgers automatisch de geoptimaliseerde deadlines die ze hebben berekend, waarbij rekening wordt gehouden met de snelheid van het personeel en de route. Maar er wordt geen rekening gehouden met het weer of de situatie op de weg, of met de snelheid waarmee de gerechten door de restaurants worden bereid, die de duur van de bezorging aanzienlijk kunnen verlengen.

    Erger nog, de punctualiteit van de bezorgers bepaalt hun vergoeding. In het ergste geval kan dit ertoe leiden dat ze geen opdrachten meer krijgen. Algoritmen die gebruikmaken van kunstmatige intelligentie controleren voortdurend de route, de verplaatsingssnelheid en de kwaliteit van dienstverlening van de werknemers. Dit werk biedt dus geenszins de vrijheid, flexibiliteit en hoge vergoedingen die hun bij de onlinewerving in het vooruitzicht worden gesteld.

    Evalueren

    Bezorgers worden gerekruteerd met de belofte dat ze zelf hun schema kunnen indelen, maar in werkelijkheid zijn ze verplicht de controletool te downloaden en moeten ze dus voldoen aan de eisen van het algoritme. Het is dan ook niet moeilijk te begrijpen waarom koeriers onderweg zo veel haast hebben: ze kunnen zich de gevolgen van een slechte stiptheidsscore simpelweg niet veroorloven.

    Ook consumenten dragen bij aan het toezicht, door bezorgers te evalueren. Een slechte beoordeling kan een inhouding van 20 yuan [2 euro 50] betekenen; een klacht kan leiden tot verlies van enkele honderden yuan. Bezorgers doen dus hun uiterste best om de negatieve feedback van klanten over gemiste levertijden te vermijden. Die druk is zo groot dat in het contact met vervelende klanten soms vrijwel al hun waardigheid verloren gaat.

    Om te voorkomen dat bezorgers een bestelling als afgeleverd rapporteren voordat deze daadwerkelijk bezorgd is, bieden bezorgbedrijven zoals Meituan een track-optie op hun platform aan. In het geval van overtreding van de voorschriften krijgen koeriers een boete van 500 yuan [64 euro].

    Twee categorieën

    Bij Meituan zijn de bezorgers op te delen in twee categorieën: gespecialiseerde koeriers en zelfstandige bezorgers. De eersten zijn volwaardige werknemers, die, afhankelijk van de wijk, een basissalaris ontvangen van 2000-3000 yuan [250-380 euro] voor 450 tot 600 leveringen per maand. Ze krijgen ook premies, onder meer voor warm of slecht weer (deze worden echter vaak onder verschillende voorwendselen ingehouden) en verzekeringen. Ze bezorgen vaak in een afgebakend gebied en leggen dus minder grote afstanden af dan zelfstandige koeriers. Ze ontvangen bestellingen automatisch via het computersysteem, in tegenstelling tot de oproepkoeriers, die vouchers handmatig moeten verwerken, wat in het begin nog best lastig is.

    Het platform dwingt zelfstandige scooterkoeriers verder om een ​​ongevallenverzekering af te sluiten van 3 yuan [38 cent] per dag. Geen van hen heeft volledige sociale zekerheid, en slechts weinigen hebben een arbeidsovereenkomst (dit is meestal een contract dat wordt gesloten met het agentschap, in plaats van met het bedrijf zelf). Scooterbezorgers kunnen daarom niet terugvallen op de regels van de arbeidswet die op hun beroep van toepassing zijn, en dragen de meeste risico’s die aan hun beroep verbonden zijn zelf.

    Wie zijn de bezorgers?

    Volgens een rapport uit 2018 van het platform Meituan, de grootste bezorgdienst in China, is 75 procent van de koeriers afkomstig uit landelijke regio’s, vaak uit de provincies Henan, Anhui, Sichuan, Jiangsu of Guangdong. De meesten zijn jong – 82 procent van hen is geboren in de jaren tachtig en negentig – en bijna de helft van de bezorgers woont al ruim negen jaar op plek waar ze werken. 90 procent van de scooterkoeriers is man, slechts 10 procent is vrouw.

    De conclusie van het rapport over dit snelgroeiende beroep in China: het wordt doorgaans uitgeoefend door jonge mannen van het platteland die carrière willen maken in de grote steden waar ze komen te wonen.

    In de eerste helft van 2020 publiceerde Meituan zijn cijfers, waaruit blijkt dat in China 3 miljoen scooterkoeriers voor hen werkzaam zijn. Ze vormen de hoeksteen van de markt voor afhaalmaaltijden, die jaarlijks bijna 300 miljard yuan [38,5 miljard euro] aan omzet genereert, oftewel bijna de helft van de nationale afhaalmarkt.

    Alliantie van Ridders

    Guo Yongqiang werd geboren in de provincie Gansu [in het noordwesten van China]. Op vijftienjarige leeftijd verliet hij samen met zijn twee jaar oudere broer zijn geboorteplaats om elders werk te zoeken. Ze begonnen in de restaurantbusiness in Shanghai, tot Yongqiang op zijn achttiende bezorger werd. Hij werkt nu overdag als bewaker en bezorgt in zijn overige tijd voor Meituan. Hij is ook de woordvoerder in Shanghai van de WeChat-groep van de ‘Alliantie van Ridders van het Bezorgen van Maaltijden’ (Waisong Jianghu Qishi Lianmeng), die ongeveer honderd leden heeft.

    Tijdgebrek en uitputting zijn verschijnselen die jonge koeriers aanzienlijk vertragen in hun sociale vooruitgang naar volwassenheid

    Tijdgebrek en uitputting zijn verschijnselen die jonge koeriers aanzienlijk vertragen in hun sociale vooruitgang naar volwassenheid, zegt Yongqiang. Zonder enige garantie op vooruitgang in hun professionele carrière en met zeer beperkte mogelijkheden voor salarisverhogingen worden ze gedwongen om op een houtje te bijten. Als ze genoeg geld opzij hebben gezet, gaan ze meestal terug naar hun geboorteplaats, kopen een huis, trouwen en krijgen kinderen.

    Omdat de platforms hun niet toestaan om vakbonden te vormen, gebruiken koeriers het internet om bewegingen te mobiliseren en te lanceren. Lukt het de Alliantie van Ridders om meer solidariteit te creëren en hun eisen te ingewilligd te krijgen?

    julian tong U7cjxm0WP1Q unsplash 1 2 1
    © Unsplash

    Fang Zhilong maakte op WeChat het openbare account aan voor scooterkoeriers uit het district Lujiazui in Shanghai. Daarop zijn goede adressen te vinden voor het huren van elektrische scooters en lithiumbatterijen tegen aantrekkelijke prijzen, andere handige winkels en de locatie van oplaadpunten. Daarnaast vind je er praktische informatie over kleding, eten, accommodatie en aanbiedingen voor deeltijdbanen.

    Het meest trots is Zhilong op de deal die hij tot stand heeft gebracht met de scooterverhuurdienst in een foodcourt in Lujiazui. Hij onderhandelde de prijs van 14 of 15 yuan naar beneden tot 10 tot 12 yuan, zodat bezorgers maandelijks veel geld kunnen besparen en tegelijkertijd lokale handelaren ondersteunen die te maken hebben met een klantendaling als gevolg van de epidemie.

    Binnen de gemeenschap heerst een sfeer van solidariteit. Wanneer een van de leden in de problemen komt met bijvoorbeeld het op tijd bezorgen van een maaltijd, of tegen andere moeilijkheden aanloopt in het dagelijks leven, schieten de anderen te hulp. Iedereen weet hoe zwaar het is om zonder deze steun in de grote stad de kost te verdienen.

    Scooterridders

    De Alliantie van Ridders is opgericht door een bezorger uit Beijing, die erop gebrand is zijn medemensen te verenigen en hun zaak te verdedigen. Elke dag publiceert hij video’s over de problemen waarmee de ‘scooterridders’ in hun dagelijks leven of op hun werk te maken krijgen.

    ‘Wij zijn ons er terdege van bewust dat we door ons te verenigen onze stem kunnen laten horen. Maar veel mensen geven er niets om en besteden hun vrije tijd liever aan TikTok, omdat ze denken dat deze kwestie niemand interesseert,’ zegt Fang Zhilong.

    De nieuwe mini-app die in het voorjaar online werd gezet door de Alliantie van de Ridders, maakt het mogelijk bezorgers te ontzien als ze in de problemen komen door schade na een ongeval. Hij biedt verschillende functionaliteiten: een discussieforum waarop koeriers live kunnen chatten, een reparatiedienst waarmee je snel de dichtstbijzijnde scootergarage kunt vinden, rubrieksadvertenties voor gebruikte onderdelen en informatie om onderlinge hulp tussen koeriers te gemakkelijker te maken.

    Bovendien moedigt de app bezorgers van wie de rechten worden geschonden aan om op ‘Juridisch probleem’ te klikken en wordt financiële hulp geboden als het inderdaad op een zaak aankomt. Alles wijst erop dat de tussenkomst van arbeidsrechtspecialisten kan bijdragen aan het verbeteren van de ongunstige positie waarin bezorgers zich bevinden.

    Toenemende onzekerheid

    Half september demonstreerden koeriers van Meituan in de stad Zhangjiajie, in Hunan, om te protesteren tegen de willekeurige prijsdaling van de ritten, schrijft de Hongkongse site China Labour Bulletin. In China zijn de afgelopen twee jaar ongeveer vijftig van dergelijke protesten geregistreerd.

    Nu de onzekerheid door de pandemie alleen maar groter is geworden, heeft Beijing in mei een noodbudget van 559 miljard dollar vrijgegeven. Het grootste gedeelte hiervan ging echter naar ondersteuning van bedrijven en maar heel weinig naar vergoedingen voor ontslagen werknemers, aldus de site.

    Tijdens de lockdown maakten veel huishoudens gebruik van hun spaargeld om de crisis het hoofd te bieden, aldus The Diplomat.

    Het officiële werkloosheidspercentage onder stadsbewoners is in april gestegen tot 6 procent; 19,3 procent van de jonge afgestudeerden is werkloos, terwijl 2,7 procent van de plattelandsmigranten en 10 procent van de servicemedewerkers hun baan hebben verloren.

  • 1. Niet langer een droombaan

    1. Niet langer een droombaan

    In Polen geldt vrachtwagenchauffeur niet langer als droombaan. Jongeren laten zich afschrikken door de arbeidsomstandigheden, werkgevers helpen de markt met lage prijzen om zeep.

    In Polen is transport een strategische sector die goed is voor 6,5 procent van het bnp. Het succes van de hele economie hangt ervan af. Als het transport stagneert, hebben handel, industrie en bouw daaronder te lijden. Die situatie dreigt nu de sector kampt met personeelstekort. Want het is lang niet zo’n pretje meer om in Polen vrachtwagenchauffeur te zijn. Alleen al de werktijden: Poolse chauffeurs zijn weken achtereen van huis.

    De oplossing lijkt simpel: geef die chauffeurs vrije weekends, zoals ook in bijvoorbeeld Duitsland gebeurt. Maar dat gaat niet, zegt Maciej Wronski, voorzitter van de Poolse organisatie van transportwerkgevers TLP. ‘Voor landen als Frankrijk en Duitsland is alles dichtbij. Polen bevindt zich aan de periferie. We kunnen de werktijden van de chauffeurs alleen reduceren als de consumenten geen sinaasappels van Sicilië meer willen, want dat traject kun je onmogelijk in twee dagen afleggen.’

    Tegenover die lange werkweken staat dan wel een bovengemiddeld salaris: een ervaren internationaal chauffeur verdient tussen de 1400 en 1900 euro netto per maand, terwijl het gemiddelde salaris voor andere beroepen 800 euro lager ligt. Je zou zeggen dat het vak dan toch aantrekkelijk is. Maar de realiteit suggereert anders. Polen telt meer dan 600 duizend gekwalificeerde chauffeurs. Dat zijn er 100 duizend te weinig. Per jaar zeggen 25 duizend het beroep vaarwel. Het aantal chauffeurs in opleiding is gedaald van 100 duizend in 2009 tot 35 duizend nu. Als de sector in het huidige tempo blijft groeien – ongeveer 8,8 procent per jaar – zal Polen in 2025 900 duizend chauffeurs nodig hebben.

    Werken, eten en slapen in de cabine

    Chauffeur zijn betekent leven als een nomade. Je werkt, je eet en je slaapt in de cabine van je truck. Op rustplaatsen is soms één wc voor honderd chauffeurs en het is er vaak twintig graden onder nul. De chauffeurs krijgen last van hun wervelkolom, van hun gewrichten en van hun ogen – vanwege het ’s nachts rijden – evenals van spijsverteringsproblemen omdat ze noodgedwongen blikvoedsel en instantsoep eten in hun cabine. Ze hebben geen deel aan het gezinsleven, zien hun kinderen niet opgroeien. Ze werken 24 uur per dag, want als ze niet rijden bewaken ze de lading.

    Werkgevers en werknemers zijn het erover eens dat het aan de arbeidsomstandigheden te wijten is dat jongeren geen belangstelling meer hebben voor het beroep.

    ‘Truckers hebben het idee dat het salaris niet opweegt tegen het altijd maar van huis zijn. De voorkeuren zijn veranderd, jongeren willen elk weekend thuis doorbrengen. Hoewel het moeilijk te realiseren is, moeten we steeds vaker bedingen dat een chauffeur na twee weken onderweg te zijn geweest een lang weekend thuis kan zijn’, zegt Zenon Kopyscinski, voorzitter van een onafhankelijke vakbond van vrachtwagenchauffeurs. Hij wijst erop dat er in Polen geen trucks met een Duits nummerbord rijden. ‘Dat komt doordat de Duitse bonden hebben afgesproken dat de chauffeurs in het weekend thuis zijn. Bij ons gebeurt dat niet en zit je soms wel zes weken achter elkaar achter het stuur. Daarom beginnen buitenlandse transporteurs filialen in Polen en buiten ze de Polen uit.’

    Volgens de vakbondsman zijn de salarissen ook te laag, maar de werkgevers delen die mening niet. ‘We kunnen de salarissen verhogen’, zegt Maciej Wronski, ‘en dan? Brengen moeders hun kind dan naar de crèche om een truck te gaan besturen? De arbeidsmarkt is krap. Onze organisatie telt de grootste ondernemingen in de sector, we betalen meer dan het gemiddelde. Een werkgever die is gespecialiseerd in het transport van hoogwaardige goederen vertelde me laatst dat hij zijn chauffeurs meer dan 2300 euro netto betaalt, en toch kan hij geen gekwalificeerd personeel vinden. De oudste chauffeurs gaan met pensioen en er dienen zich geen jongeren aan om ze te vervangen.’

    ‘Er is altijd wel een Pool die het voor minder doet’

    Jan, chauffeur sinds begin jaren negentig, is onderweg naar Stockholm. Vroeger vertrok hij, net als alle Poolse chauffeurs, voor vier weken. Tegenwoordig werkt hij voor een Zweedse transporteur en zit hij vier dagen achter het stuur, gevolgd door drie dagen thuis. Hoe dat kan? ‘We lossen elkaar af, heel simpel. Ik rijd van Stockholm naar Berlijn, daar neemt een collega het over, en dan ga ik weer naar huis’, legt hij uit. Volgens hem ligt het niet aan het salaris dat Poolse chauffeurs steeds minder voor Poolse transporteurs willen werken, maar aan de organisatie van het werk en de hoogte van de sociale premies. ‘In Polen verdient een internationaal chauffeur minstens 1150 euro netto. Dat is redelijk, maar volgens contract krijg hij een minimumsalaris van 350 euro netto. De rest wordt in de vorm van een reiskostenvergoeding betaald, waarover geen inkomstenbelasting en geen sociale premies zoals voor pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid worden geheven. Ik wil niet afzien van een pensioen.’ Volgens een TLP-enquête denkt 17 procent van de chauffeurs er net zo over als Jan en kiezen ze hun werkgever op grond van het reële salaris.

    Vakbondsman Kopyscinski stelt voor een minimumsalaris voor de branche in het leven te roepen van 1200 euro netto voor internationaal transport en 800 euro voor nationaal transport. ‘Dat garandeert dat chauffeurs een redelijk pensioen krijgen’, zegt hij. ‘Ik heb een man in een ziekenhuis ontmoet die veertig jaar in het vak had gezeten en heel Azië had doorkruist. Hij kreeg 400 euro pensioen per maand en hij wou in het ziekenhuis blijven om te kunnen bezuinigen op medicijnen en eten.’

    Chauffeur Jan doet er nog een schepje bovenop: ‘In Polen helpen de bedrijven zelf de markt om zeep door onder de prijs te gaan zitten. Als mijn Zweedse werkgever voor een bepaald traject bijvoorbeeld 1000 euro rekent en een Pool 600, dan is er altijd wel een andere Pool die het voor nog minder doet.’

    Momenteel behelpt de sector zich door Oekraïners aan te trekken. Maar ook die bron droogt op, omdat de meeste gekwalificeerde en ervaren chauffeurs uit dit buurland inmiddels al zijn geworven.

    Auteur: Adriana Rozwadowska
    Vertaler: Peter Bergsma

    Beeld: Een vrachtwagenfile op de grens tussen Polen en Duitsland. – © Ulrich Baumgarten via Getty Images

    Gazeta Wyborcza
    Polen | dagblad | oplage 396.000

    ‘De Verkiezingsgazet’ is opgericht na de val van de Muur en uitgegroeid tot een grote krant, ondanks zijn bescheiden middelen. Doelstelling: nieuws brengen op informatieve en seculiere wijze.

  • Voor een hongerloon Europa door

    Voor een hongerloon Europa door

    Het rommelt in de transportsector. Vrachtwagenchauffeurs klagen over slechte arbeidsomstandigheden en marktinflatie. Over de West-Europese snelwegen rijden Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs ver onder West-Europees minimumloon en soms weken achtereen.

    Het onderwerp staat op de agenda van de Europese Unie, maar de vraag is hoe hoog. ‘De sector heeft behoefte aan duidelijke regels, die rechtvaardig zijn en stroken met de aard van de activiteit,’ bepleitte enkele maanden geleden de Europese commissaris van Transport Violeta Bulc. Desondanks lijkt de herziening van het sociaal statuut voor vrachtwagenchauffeurs niet klaar te zijn voor de Europese verkiezingen van mei 2019. Begin juli hebben de leden van het Europees Parlement diverse teksten verworpen, waardoor een gemeenschappelijk standpunt nog altijd op zich laat wachten.

    De afgevaardigden bestrijden het feit dat chauffeurs op internationale routes als ‘tijdelijke arbeidskrachten’ worden beschouwd en eisen regels die de beroepsgroep beter beschermen. Het herzieningsproject waarmee de Europese Commissie in mei 2017 is begonnen, stuit op weerstand. Enerzijds bij lidstaten als Frankrijk, die zich zorgen maken over de concurrentie van transporteurs uit landen met minder hoge kosten. Anderzijds bij Oost-Europese lidstaten, gesteund door Spanje en Portugal, die de beoogde maatregelen te kostbaar vinden voor hun transportondernemingen.

    1. Niet langer een droombaan

    2. Saksen komt in actie

    Beeld: Een vrachtwagenrustplaats aan de A2 in Magdeburg, Duitsland. – © Klaus-Dietmar Gabbert / dpa-Zentralbild / dpa Photo via Newscom

  • Ethiopië wil de volgende textielreus worden

    Ethiopië wil de volgende textielreus worden

    Met miljarden aan Chinees kapitaal denkt Ethiopië de concurrentie aan te kunnen met goedkope kledingproducenten in Azië. Tenzij er een burgeroorlog komt.

    Opgetogen staat Raghav Pattar, vicedirecteur van Indochine International, in het zonnige kantoor van de splinternieuwe fabriek van dit kledingbedrijf. Het is november, nauwelijks een half jaar sinds Hawassa Industrial Park werd geopend en er zijn al veertienhonderd lokale arbeiders aan het werk. Pattar streeft ernaar om in 2019 twintigduizend Ethiopiërs in dienst te hebben. ‘Twee jaar geleden was de grond waar deze fabriek op staat nog landbouwgrond,’ vertelt hij. ‘Welk land kan in twee jaar tijd zo snel veranderen? Ethiopië!’

    Pattar is een enthousiaste immigrant uit India, die ook in Bangladesh en Egypte in de kledingindustrie heeft gewerkt. Vanuit het raam van zijn kantoor heeft hij zicht op de fabrieksvloer, waar tientallen vrouwen zomen naaien, logo’s stempelen en ondergoed aan het persen zijn voor Warner’s, een merk dat voornamelijk bij Walmart wordt verkocht. ‘De overheid werkt enorm mee,’ zegt hij. ‘Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week hebben ze hier mensen aan het werk gezet om dit complex mogelijk te maken. En er is geen corruptie. Helemaal niet!’

    Hawassa Industrial Park werd heel snel gebouwd, dankzij een Chinees staatsbouwbedrijf dat in hoog tempo 56 identieke rood-grijze metalen grote loodsen neerzette, waar volgens de Ethiopian Investment Commission in negen maanden tijd al voor 250 miljoen dollar textiel is geproduceerd. Maar Pattar is zo enthousiast omdat hij Belay Hailemichael op bezoek heeft, de vriendelijk pratende manager die de leiding heeft over het centrale helpcentrum. Belay helpt bedrijven aan import- en exportvergunningen en visa voor hoger personeel en stroomlijnt de aanvoer van nieuwe arbeidskrachten. Dat zijn vooral vrouwen, die een lange stoffige busreis uit hun dorpje achter de rug hebben en urenlang hebben gewacht om te solliciteren naar een baan met een basissalaris van 25 dollar per maand. Het helpcentrum test hun handvaardigheid en verdeelt ze in drie categorieën: de getalenteerden, die achter de naaimachine komen te zitten en de minder getalenteerde ‘tweetjes’ en ‘drietjes’, die dozen moeten inpakken en de vloer moeten aanvegen.

    Ethiopische arbeidsters aan het werk in een fabriek van het Chinese schoenenbedrijf Huajian vlak bij de hoofdstad Addis Abeba. Het is een van de grootste schoenenfabrieken ter wereld. – © HH
    Ethiopische arbeidsters aan het werk in een fabriek van het Chinese schoenenbedrijf Huajian vlak bij de hoofdstad Addis Abeba. Het is een van de grootste schoenenfabrieken ter wereld. – © HH

    We staan aan het begin van een nieuw tijdperk in de kledingindustrie. Dit door droogte geteisterde, nergens aan zee grenzende land met honderd miljoen inwoners in de Hoorn van Afrika komt onder in de distributieketen te staan die zogenaamde fast fashion en sportsokken van ‘vijf voor een tientje’ produceert. Gelokt door belastingvoordelen, beloofde investeringen in de infrastructuur en zeer goedkope arbeidskrachten zijn landen waar de westerse wereld eerst hun productie naartoe verhuisden, met name China en Sri Lanka, nu de tussenpersonen geworden die de productie hier opvoeren voor Guess, Levi’s, H&M en andere merken. Deze ondernemingen waarderen Ethiopië omdat de regering hun zo veel goedkope arbeidskrachten en belastingvoordelen levert als ze maar willen. De opening van het Hawassa Industrial Park is slechts het recentste onderdeel van een uitgebreid gecentraliseerd programma: sinds 2014 heeft Ethiopië vier reusachtige door de staat gerunde industrieterreinen geopend, en er staan er tot 2020 nog acht in de planning.

    De ondernemingen die zich hier vestigen zijn de eerste vijf jaar gevrijwaard van inkomensbelasting en hoeven ook geen belasting te betalen op de import van kapitaalgoederen en bouwmateriaal. Ethiopië kan zo gul zijn omdat het land heel veel geld uit China ontvangt: volgens het China Africa Research Initiative aan de John Hopkins University School of Advanced Studies 10,7 miljard dollar aan leningen tussen 2010 en 2015. Nu wordt veel van dat geld besteed aan lucratieve contracten met Chinese bedrijven die met behulp van Ethiopische arbeidskrachten dammen, wegen en mobiele netwerken aanleggen. Met deze infrastructuur zal het land volgens de Ethiopische regering bij de mondiale middenklasse gaan behoren. ‘Het plan is dat er eind 2025 in totaal 2 miljoen banen gecreëerd zijn in de verwerkende industrie,’ aldus Belachew Mekuria van de Ethiopian Investment Commission. ‘We zijn nu een agrarisch land, maar dat gaat veranderen.’

    Burgeroorlog

    Tenzij er eerst een burgeroorlog komt. Tijdens de Olympische zomerspelen in Rio de Janeiro van 2016 vroeg marathonloper Feyisa Lilesa aandacht voor de crisis waar zijn land in verzeild dreigde te raken. Toen hij als tweede over de eindstreep kwam, hief hij zijn armen in een ‘X’ – een antiregeringssymbool. Feyisa behoort tot de grootste etnische groep in het land, de Oromo. Sinds 2015 organiseren de Oromo massademonstraties om hun ongenoegen te uiten over onder andere de landroof van boeren ten behoeve van door de autocratische regering geplande fabrieken. De Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) heeft de macht in het parlement en beweert alle meer dan zeventig etnische groepen van Ethiopië te vertegenwoordigen, maar in de praktijk hebben vooral Tigray het voor het zeggen, die slecht zes procent uitmaken van de bevolking. De afgelopen jaren zijn tijdens onlusten honderden Oromo omgekomen, fabrieken afgebrand en veel dissidenten in de gevangenis beland.

    Half februari verraste de Ethiopische regering het land door honderden gevangen vrij te laten – een verzoenend gebaar naar de Oromo en misschien ook naar de investeerders van wie de transitie in Ethiopië afhankelijk is. Bovendien trad premier Haile Mariam Desalegne af.

    Het Hawassa Park heeft tot weinig protesten geleid. De vijfhonderd kleinschalige boeren die het veld moesten ruimen voor het industrieterrein, dat vlak buiten het stadje Hawassa ligt, zijn Sidama, een etnische groep die weinig politieke invloed heeft. Maar hun beschuldigingen van landroof zijn een herhaling van de aanklachten van de Oromo. Urese Dinsa (69), een boer en voormalig voorzitter van de kieswijk waar het terrein nu gesitueerd is, zegt dat hij erin werd geluisd met de belofte van 37.000 dollar en banen voor zijn kinderen in ruil voor het achterlaten van het stukje grond van 1 hectare waarop hij zeventien jaar had verbouwd. Hij merkt op dat in het begin veel van hun stukje grond verdreven vrouwen werk in de fabriek konden bemachtigen, maar dat nu nog niet eens tien procent daar nog werkt. Ze zijn niet gewend aan de strak geregelde werkdagen. ‘Ze krijgen maar een half uur om te lunchen,’ vertelt Urese. ‘Ze hebben pijn in hun rug. Ze zijn doodmoe. Van dat werk wordt iedereen ziek.’

    Veel van de managers op het industrieterrein – vooral Sri Lankanen die zijn ingevlogen om de efficiënte werkmethoden over te brengen die in de naaiateliers in hun land zijn ontwikkeld – zouden die kritiek zien als een illustratie van een van hun belangrijkste klachten: de geschiedenis van Ethiopië heeft zijn burgers niet geschikt gemaakt voor de ontberingen van de industrie. ‘Ethiopië is nooit gekoloniseerd geweest,’ legt David Müller uit, die uit Sri Lanka was overgekomen om personeelsmanager te worden van Hela Indochine, een Chinees-Sri Lankaans kledingbedrijf in een van de loodsen op het industrieterrein. ‘Daar zijn ze trots op en dat brengt een zekere opstandigheid met zich mee.’

    Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopische Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren

    Efficiency is een probleem en Müller is strikt. Al zijn werknemers krijgen eerst een vijfdaags introductieprogramma waarin de nadruk wordt gelegd op persoonlijke hygiëne, persoonlijke verzorging en discipline. ‘Het is een lastig proces,’ vertelt Müller, ‘en soms pikken ze het niet op.’

    Een Ethiopische vrouw met een afgeronde opleiding, die anoniem wil blijven omdat ze represailles vreest, beschrijft hoe ze in een depressie geraakte nadat ze zes weken lang leiding had gegeven aan veertig vrouwen die aan een productielijn werkten waar broeken werden gemaakt. ‘Steeds als de vrouwen een doel niet haalden, begonnen de bazen te schreeuwen,’ vertelt ze. Als gevolg hiervan gingen de vrouwen langzamer werken, verstopten ze zich op het toilet of gingen buiten een luchtje scheppen in plaats van dat ze harder gingen werken. Ze heeft vaak gezien dat een naaister op haar rug werd geslagen. Als ze op hun enige vrije dag moesten werken of moesten overwerken, kregen ze niet het beloofde extra loon. (Pattar zegt niets te weten van problemen met de betaling of van mishandelingen.) ‘Ik zei tegen mijn chefs: “Die vrouwen zijn niet opgeleid of geschoold. Je kan niet verwachten dat ze honderdtwintig broeken per uur afleveren. Als je ze opjaagt, zullen ze alleen maar slechte producten afleveren.”’ Ze nam ontslag en werkt nu als receptioniste in een hotel waar ze 63 dollar per maand verdient, iets meer dan in de fabriek.

    Bijna net zo lastig als het leidinggeven aan niet-opgeleide arbeidskrachten die in een hoog tempo goederen moeten produceren is het om die goederen de fabriek uit te krijgen. Hawassa Industrial Park ligt 270 kilometer van de hoofdstad Addis Abeba en 1000 kilometer van de dichtstbijzijnde haven in Djibouti. Het ligt dus eigenlijk enorm afgelegen. Alemayehu Geda, een econoom verbonden aan de universiteit van Addis Abeba, denkt dat, hoewel de bedrijven het industrieterrein dichterbij de haven gebouwd hadden willen hebben, ‘de regerende partij de indruk wil wekken dat ze iedereen tevreden proberen te stellen’.

    Het transport naar de kust zou binnenkort al sneller kunnen. De China Civil Engineering Construction Corp. heeft een 3,4 miljard dollar kostende, 750 kilometer lange spoorweg aangelegd van de hoofdstad naar Djibouti. Die is sinds januari al in gebruik voor passagiers, maar het vrachtvervoer kan pas van start gaan als de politieke onrusten voorbij zijn. Voorlopig moeten Hawassa’s fabrikanten hun goederen per vrachtwagen naar de haven vervoeren. Dat is een ramp. De route loopt dwars door het woongebied van de Oromo. Demonstrerende boeren blokkeren urenlang het verkeer. Uitgebrande bussen en vrachtwagens liggen verspreid over het droge landschap en botsingen tussen grote vrachtwagens en kamelen komen regelmatig voor. Bovendien zijn er drie douaneposten met steeds heel veel papierwerk. Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren. Het gevolg is dat chauffeurs twee of drie dagen vast komen te zitten bij een douanepost en in hun vrachtwagen moeten slapen.

    Ook levert het problemen op als je Ethiopische spullen wilt kopen. Een Sri Lankaans bedrijf dat overhemden produceert, de Hirdaramani Group, importeert iedere maand vijf scheepscontainers met kartonnen dozen uit hun eigen land. ‘Als je ze in Ethiopië koopt,’ legt manager Gayan Nanayakkara uit, ‘zitten er nietjes in en dan komen ze bij de douane niet langs de metaaldetector.’

    Dat zou in theorie een kans zijn voor kleine, lokale ondernemingen. In 2014 begon de Wereldbank een project van 270 miljoen dollar om ‘de Ethiopische competitiegeest’ aan te wakkeren, deels door ‘de banden tussen de industriële zone en de lokale economie te versterken’. Maar daarvoor moeten culturele verschillen worden overbrugd. Al langer dan drie jaar is de Wereldbank zeven binnenlandse bedrijven – producenten van dozen, knopen en afgewerkt leer – aan het klaarstomen voor hun entree in de mondiale distributieketen. Susan Kayonde, een ontwikkelingsspecialist bij de Wereldbank, schreef in een e-mail dat ‘de impact van onze steun (bijvoorbeeld hogere verkoopcijfers, toegenomen werkgelegenheid) pas over drie tot zes maanden gemeten kan worden’. De nieuwe bedrijven zijn net begonnen met het aanschaffen van machines en het opleiden van werknemers.

    Het verschil tussen het initiatief van de Wereldbank en de leningen van de Chinese regering is dat bij die leningen geen filantropische richtlijnen zitten, die op zijn minst de illusie wekken dat Ethiopië zijn eigen groei controleert. Stefan Dercon, een ontwikkelingseconoom aan de Universiteit van Oxford die onlangs een jaar lang onderzoek heeft gedaan bij Ethiopische fabrieken, vreest dat het land ‘tegen de wind in vaart en kan omslaan. Ik vind echt dat ze zouden moeten minderen met de leningen en de ontwikkeling van de infrastructuur.’ Hij is echter wel voorstander van meer industrie in Ethiopië. ‘Als meer buitenlandse bedrijven zich daar vestigen en gaan concurreren bij de werving van personeel, zullen uiteindelijk de lonen omhooggaan,’ aldus Dercon. Tot dan is een baan in de fabriek beter dan het alternatief: ‘Die vrouwen zullen anders de hele dag niets anders doen dan van koeienvlaaien brandstofplaggen maken.’

    ‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’

    Alemayehu is sceptisch. Volgens hem zullen de industrieterreinen in Ethiopië het niet redden. Ik heb een artikel gelezen over een Chinees schoenenbedrijf, Huajian,’ vertelt hij. ‘Hun logistieke kosten zijn verachtvoudigd in Ethiopië. ‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’ Alemayehu heeft de bewering van zijn regering dat de economie jaarlijks elf procent zou groeien tegen het licht gehouden, en schat dat de werkelijke groei ongeveer zes procent zal zijn. Hij hekelt de regering voor haar pogingen om buitenlandse investeerders te lokken door haar munteenheid te devalueren. Vorig jaar oktober bijvoorbeeld verlaagde het land de waarde van de birr met vijftien procent. ‘Ik heb honderd exportfirma’s geïnterviewd,’ zegt hij, ‘en niemand noemde de wisselkoers een probleem. Iedereen noemde de logistiek en de bureaucratie als de grote problemen in Ethiopië. Door de birr te devalueren worden alleen de armen getroffen. De voedselprijzen zijn al gestegen.’

    Desalniettemin zijn sommige jonge arbeiders razend enthousiast. ‘We hebben het nu beter in de stad,’ vertelt een arbeidster die broekzomen naait voor Indochine. (Ze vroeg om niet haar naam te vermelden.) Ze is met zeven broertjes en zusjes opgegroeid op een boerderij met 1 hectare grond op tachtig kilometer van de stad en deelt nu een kamer met een andere arbeidster in een betonnen flat met een golfplaten dak in een buitenwijk van Hawassa. ‘Ver weg van de stad kunnen we ons niet schoon en netjes houden. En we doen hier ervaring op,’ zegt ze.

    Ze hoopt dat ze ooit een zelfstandige kleermaakster kan worden. Haar maandsalaris bedraagt 23,70 dollar, plus 7,30 dollar voor maaltijden en als ze elke dag aanwezig is geweest, een aanwezigheidsbonus van 7,30 dollar. Haar deel van de huur is 9 dollar per maand, dus dan houdt ze 29,30 dollar over als ze haar bonus heeft gekregen. Ze geeft per dag ongeveer 50 cent uit aan eten en houdt maar net genoeg geld over om wasmiddel en vervoer naar de kerk te kunnen betalen. ‘Wasmiddel is duur,’ zegt ze.

    Onlangs heeft ze een dag moeten missen op haar werk omdat ze kou had gevat. Toen kreeg ze haar bonus niet en ze is bang dat ze nu schulden moet maken. Haar kamer wordt verlicht door één enkel bungelend peertje. Ze slaapt op het kale beton en ook de muren zijn bijna helemaal kaal, op een doek na waarop staat: ‘Of ik nu een makkelijk of een moeilijk leven heb, ik ben God dankbaar.’

    Auteur: Bill Donahue
    Vertaler: Paul Bruijn

    Bloomberg Businessweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 980.000

    Businessweek schrijft zinnig en intelligent over het zakenleven wereldwijd.* Aarzelt niet om een mening te geven of standpunt in te nemen.* Sinds 2009 onderdeel van Bloomberg News, met 15.000 medewerkers.