Tag: arbeiders

  • Portugal: tienduizenden protesteren tegen hervorming van arbeidswetten

    Portugal: tienduizenden protesteren tegen hervorming van arbeidswetten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bolivia en de VS kondigen herstel van hun diplomatieke betrekkingen aan

    » Turkije vaardigt arrestatiebevel uit tegen Netanyahu en andere Israëliërs

    Werknemers denken dat hun rechten worden bedreigd

    Zaterdag marcheerden demonstranten in Lissabon om te protesteren tegen het plan van de centrumrechtse minderheidsregering, dat de productiviteit wil verhogen en meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt wil introduceren. De hervorming – die een wijziging van 100 artikelen van de arbeidswet vereist – is bedoeld om de beperkingen op onderaanneming te verlagen, ontslagprocedures te versoepelen en meer flexibiliteit in werktijden mogelijk te maken.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Na de mars riep de grootste vakbond van Portugal, de CGTP, op tot een algemene staking op 11 december, aldus Diário de Notícias. De vakbonden zijn van mening dat de voorstellen van de regering van Luis Montenegro de rechten van werknemers bedreigen en eisen de intrekking ervan. Verwacht wordt dat de Portugese premier de hervorming in het parlement kan doorvoeren dankzij de stemmen van zijn centrumrechtse Democratische Alliantie en de extreemrechtse partij Chega, de belangrijkste oppositiepartij.

  • Mijnbouwsector komt moeilijk aan personeel voor de energietransitie

    Mijnbouwsector komt moeilijk aan personeel voor de energietransitie

    Veel internationale mijnbouwbedrijven hebben grote moeite jonge werknemers binnen te halen. De sector heeft een imago van zwaar werk, seksisme, milieuschade en uitbuiting, maar is essentieel voor de energietransitie. ‘Er is geen verse aanvoer terwijl we wel ervaring verliezen.’

    Lily Dickson snelde over de campus van de Universiteit van Leeds toen een actievoerende student haar een folder in handen drukte. Daarin werd opgeroepen tot een verbod op het werven van personeel onder studenten voor bedrijven in de mijnbouw en de olie- en gaswinning. De 24-jarige promovenda in de geologie was verbouwereerd. Ze kwam net terug uit Finland, waar ze met het mijnbouwbedrijf Mawson Gold uit Vancouver naar nieuwe vindplaatsen van kobalt in Europa had gezocht. 

    Het was geen loze oproep en ook geen op zichzelf staand incident. Vorig jaar hebben al vier Britse universiteiten mijnbouwbedrijven verboden nog personeel te werven of deel te nemen aan carrièrebeurzen op hun campus. Het hoort bij de algemene trend dat studenten en jonge werkenden zich afkeren van een sector die in hun ogen schadelijk is voor de aarde.

    Bedrijven die gespecialiseerd zijn in het delven van koper, lithium en andere metalen die onmisbaar worden geacht voor de productie van groene energie, hebben naar eigen zeggen grote moeite met het werven van genoeg jong personeel om de energietransitie aan te kunnen. De meeste mijnbouwbedrijven in de VS, Australië en Europa zeggen dat hun groeiplannen gevaar lopen als deze trend zich voortzet. Er dreigen vooral tekorten aan hooggeschoolde krachten als ingenieurs, geologen en data-analisten. ‘Veranderende maatschappelijke verwachtingen zetten ons als werkgever onder druk om beter te leren uitleggen wie we zijn en waar we voor staan’, zo is te lezen in het laatste jaarverslag van Rio Tinto. 

    De mijnbouwsector bungelt onder aan de lijst van carrièrekeuzes voor jongeren

    Ondanks de rol die ze spelen in de energietransitie kampen mijnbouwbedrijven met het imago van een ‘vuile’ industrie, vanwege mijnrampen in het verleden en beschuldigingen van uitbuiting en seksueel geweld. De sector bungelt onder aan de lijst van carrièrekeuzes voor jongeren. In een mondiale enquête van adviesbureau McKinsey zei 70 procent van de respondenten in de leeftijdscategorie van vijftien tot dertig dat ze waarschijnlijk of zelfs zeer zeker niet in de mijnbouw willen werken. Volgens het Amerikaanse Centrum voor Onderwijsstatistiek lag het aantal geologen en aardwetenschappers dat in 2020 in de VS is afgestudeerd bijna 25 procent lager dan in 2015, terwijl het totaal aantal afgestudeerde studenten in het land in die periode met 8 procent gestegen is. En het aantal inschrijvingen voor dergelijke studies daalde ook in Canada en Australië, landen waar de mijnbouw een economische factor van belang is. Volgens McKinsey daalde het aantal studenten dat een studie in de mijnbouwkunde voltooide in Australië tussen 2014 en 2020 met 63 procent. En in Canada lag het aantal inschrijvingen voor mijnbouwkunde in 2020 volgens de Mining Industry Human Resources Council tien procent lager dan in 2016.

    Steenkool is groen

    Als je in het streven naar groene brandstoffen geen alternatief kunt vinden voor fossiele brandstoffen, kun je die laatste natuurlijk nog altijd gewoon als ‘groen’ aanmerken. Dat is althans het opmerkelijke standpunt van Indonesië, schrijft Courrier International.

    De Indonesische Hoge Autoriteit voor Financiële Diensten, die verantwoordelijk is voor de classificatie van economische activiteiten aan de hand van hun impact op het milieu, is van plan om de bouw van nieuwe kolengestookte elektriciteitscentrales voor de verwerking van mineralen zoals aluminium en nikkel, groen te verklaren. Dat Indonesië de vijfde grootste producent en grootste exporteur van steenkool ter wereld is, speelt daarbij ongetwijfeld een doorslaggevende rol.

    Dat leidt tot zorgen over een kenniskloof in de toekomst, als de bedrijven aangewezen zullen zijn op afzettingen met een lagere dichtheid aan metalen. ‘Er zijn al vaker mensen uit het vak gestapt, maar nu is er geen verse aanvoer terwijl we door de pensioenuitstroom wel ervaring verliezen,’ zegt Alex Gorman, mijnbouwkundig analist bij Peel Hunt. Volgens Rohitesh Dhawan, hoofd van de brancheorganisatie International Council on Mining and Metals, is meer dan de helft van het arbeidsbestand in de Amerikaanse mijnbouw boven de 45. ‘De gemiddelde werknemer in onze branche is tegenwoordig aan de oude kant, meer richting pensioen,’ zegt hij. En nu het moeilijker wordt om nieuwe mensen te werven, zit zijn branche daardoor ‘aan twee kanten klem’.

    Belemmering

    Volgens een onderzoek van McKinsey zegt 86 procent van de leidinggevenden in de sector steeds meer moeite te hebben om de benodigde mensen te vinden en vast te houden. En bijna drie kwart van die topmensen meent dat dit gebrek aan nieuw talent een belemmering vormt voor het behalen van beoogde productiecijfers en strategische doelen. Rio Tinto heeft al gewaarschuwd dat het tot vertragingen of tegenvallende prestaties kan leiden.

    Volgens het Amerikaanse Bureau voor Arbeidsstatistiek was het percentage openstaande vacatures voor de mijnbouw en de houtkap in de VS in maart 5,1 procent, een stuk hoger dan de 3,6 procent van vijf jaar geleden. In Canada is het vacaturepercentage in de mijnbouw al sinds 2015 gestaag aan het stijgen, met een voorlopig hoogtepunt van 4 procent voor werk in de mijnen en steengroeven en iets meer dan 6 procent voor ondersteunende taken in de mijnbouw. En volgens het Australische Bureau voor de Statistiek is het aantal vacatures in de mijnbouw ook in Australië gestegen van 2500 in mei 2016 (het laagste niveau sinds 2009) tot 10.600 in februari van dit jaar.

    Het beeld bestaat dat mijnbouwbedrijven in het verleden geen verantwoordelijkheid namen voor mijnrampen

    Het lukt de branche ook moeilijk om vrouwen aan te trekken. De mijnbouw is een van de weinige sectoren waar nog bijna alleen mannen werken en de werkomgeving vaak onveilig voor vrouwen wordt genoemd. Volgens een rapport van Rio Tinto uit 2022 op basis van een enquête onder tienduizend werknemers had 28 procent van de vrouwen die in de mijnbouw werkzaam zijn weleens te maken met seksuele intimidatie en hadden in de vijf jaar daarvoor 21 vrouwen melding gedaan van aanranding of verkrachting of een poging daartoe. ‘Het kan intimiderend zijn om de enige vrouw op de werkvloer te zijn,’ zegt Alex Gorman, die eerder in haar carrière ook gewerkt heeft voor koperwinningsprojecten in Botswana. ‘En als je een gezin hebt, is het moeilijk om als geoloog op locatie te moeten werken.’ 

    Een onderzoek van accountantsbureau EY wees vorig jaar uit dat 12 procent van het wereldwijde personeelsbestand in de mijnbouw en metaalindustrie uit vrouwen bestaat, een disbalans die alleen wordt overtroffen door de bouw. Ook het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posities blijkt een struikelblok te zijn bij het aantrekken van meer divers jong personeel. 

    Daarnaast worden mijnbouwbedrijven beticht van het uitbuiten van lokale arbeidskrachten. ‘Men neemt over het algemeen te weinig verantwoordelijkheid, met name met betrekking tot de uitbuiting van landen in Sub-Sahara-Afrika,’ zegt Haydon Mort, de CEO van Geologize Ltd., een communicatiebedrijf dat mijnbouwbedrijven helpt hun imago te bewaken. Dat de bedrijven nu moeite hebben om personeel te werven, komt doordat het beeld bestaat dat ze in het verleden geen verantwoordelijkheid namen voor mijnrampen, en die slechte reputatie wordt volgens experts versterkt door verwijten van uitbuiting van lokale arbeidskrachten. De bedrijven zetten wel stappen tegen die beeldvorming en het gebrek aan nieuw personeel. Zo werven ze inmiddels ook onder studenten bedrijfskunde en datawetenschappen. En ze zoeken hun personeel vaker in de regio’s waar hun mijnen zich bevinden en potentiële werknemers het bedrijf vaak al kennen.

    Ze hoopt dat verjonging van het personeelsbestand ertoe leidt dat mijnbouwbedrijven veranderen en meer gaan doen aan sociaal verantwoord ondernemen en beperking van de milieuschade

    Rio Tinto noteerde vorig jaar een stijging van 30 procent in het aantal afgestudeerden dat zich inschreef voor een opleidingstraject bij het bedrijf. ‘Dit was met 256 afgestudeerden de grootste lichting die we ooit hebben gehad,’ aldus een woordvoerder, die erbij zegt dat het bedrijf dit jaar de driehonderd hoopt te halen. BHP verwacht 3500 nieuwe mensen te werven met een nieuw programma van leerling- en stageplaatsen die niet alleen bedoeld zijn voor mensen met een universitaire opleiding. En ook non-profitorganisaties proberen bij te dragen aan de mobilisatie van talent voor wat zij zien als een snelgroeiende industrie. De vrijwilligersorganisatie Women in Mining U.K. helpt scholen bijvoorbeeld met het ontwikkelen van lespakketten over milieukunde en geologie voor met name de basisschool. ‘Iedereen krijgt al een beetje geologie op school als er wordt verteld over vulkanen, en dat kan verder worden uitgebouwd,’ zegt directeur Stacy Hope. Ze streeft ook naar de instelling van stageplaatsen en beurzen voor jonge vrouwen met interesse in dit vakgebied. Ze hoopt dat verjonging van het personeelsbestand er ook toe leidt dat mijnbouwbedrijven veranderen en meer gaan doen aan sociaal verantwoord ondernemen en beperking van de milieuschade.

    Authentiek

    Codelco, een Chileens staatsbedrijf in de kopermijnbouw, heeft al succes met het werven van personeel in de regio. In een recente enquête kwam het uit de bus als het bedrijf waar Chileense studenten na hun studie het liefst zouden werken, ondanks de sancties die het onlangs door de milieuwaakhond kreeg opgelegd. Andere bedrijven in de top-10 waren Nestlé en Walmart, aldus Merco, het onderzoeksbureau dat deze ranglijst opstelt. En ook het Egyptische goudmijnbouwbedrijf Centamin werkt nu meer met lokale arbeidskrachten dan met Europese en Australische expats. Door binnen Afrika te werven kunnen ze volgens directeur Martin Horgan mensen aantrekken uit landen als Congo, Ghana en Zimbabwe, waar meer recente ervaring met mijnbouw is dan in bijvoorbeeld Europa.

    Haydon Mort van Geologize zegt dat ook sociale media zoals Instagram een goed middel zijn om jongere mensen te bereiken. Hij voegt eraan toe dat de industrie wel verantwoordelijkheid moet nemen voor bestaande problemen zoals de milieuschade. ‘Je moet authentiek zijn,’ zegt hij. ‘Transparant zijn over de gevolgen die je activiteiten zullen hebben voor het milieu en voor de gemeenschap.’

    ‘Dingen zoals het zoeken naar een Europese vindplaats voor kobalt, dat is iets waar de maatschappij echt baat bij kan hebben’

    Maar niet iedereen onderschrijft de opvatting dat de mijnbouw van cruciaal belang is voor de energietransitie. ‘Een beetje mijnbouw is wel nodig, maar de huidige door winstbejag gedreven industrie is verantwoordelijk voor grootschalige ecologische verwoesting en talloze gevallen van inbreuken op de mensenrechten,’ zegt Jamie Kelsey Fry, een woordvoerder van het Britse Extinction Rebellion.

    Lily Dickson was een van de acht vrouwen op de in totaal vijfentwintig studenten die aan haar universiteit vorig jaar de master in geologie behaalden. De meeste van haar jaargenoten werken inmiddels al in de sector. Zij wil eerst nog promoveren, maar is daarna ook wel van plan om in de mijnbouw te gaan werken. De sector biedt haar de kans om te reizen, in de buitenlucht te werken en onderzoek naar duurzaamheid te doen, en het werk sluit aan bij haar fascinatie voor hoe de wereld werkt. ‘Als je eenmaal inziet dat de mijnbouw van cruciaal belang is, is het zaak om daarbij betrokken te raken,’ zegt Dickson. ‘Het is spannend werk. Dingen zoals het zoeken naar een Europese vindplaats voor kobalt, dat is iets waar de maatschappij echt baat bij kan hebben.’

    Lees ook:

  • Jonge Zuid-Koreanen hebben het gehad met de overwerkcultuur

    Jonge Zuid-Koreanen hebben het gehad met de overwerkcultuur

    Overwerken is voor jonge Zuid-Koreanen normaal en een manier om hun financiële toekomst te waarborgen. Maar toen de overheid voorstelde om de werkweek uit te breiden naar 69 uur, kwamen zij in verzet. ‘Gezond en gelukkig leven kan pas als je de baas bent over je eigen leven.’

    ‘Het was voor mij normaal geworden dat ik werkte tijdens vakanties en in het weekend,’ vertelt Lee Sang-hyuk (35). Hij was in dienst bij een groot farmaceutisch bedrijf in de buurt van Seoul, waar overwerken aan de orde van de dag was. ‘Gaandeweg realiseerde ik me dat mijn kwaliteit van leven en mijn gezondheid er door de overuren op achteruitgingen. Ik had nooit energie en verwaarloosde mijn persoonlijke relaties.’

    Hij kreeg rugpijn van alle uren die hij achter zijn bureau doorbracht en werd angstig en lusteloos, vertelt hij. ‘De paar keren dat ik met mijn vrienden kon afspreken, kon ik daar niet eens van genieten, omdat ik alleen maar aan mijn werk kon denken. Ik dacht dat het aan mij lag.’

    Uiteindelijk deed Lee wat ooit als ondenkbaar gold in de Zuid-Koreaanse cultuur, waarin lange werkdagen de norm zijn: hij nam ontslag.

    En hij is niet de enige. Het verhaal van Lee is tekenend voor een grotere ontwikkeling in Zuid-Korea: een generatie van vastberaden jongeren die in opstand komt tegen de verstikkende greep van de strenge werkcultuur. Millennials en Gen Z’ers, die in Zuid-Korea samen de ‘MZ-generatie’ worden genoemd, vormen de voorhoede van een mogelijke omwenteling van de nationale werkcultuur.

    Van 40 naar 69 uur

    De druppel die de emmer deed overlopen diende zich aan in maart. Toen stelde de regering voor om de regels omtrent arbeidsuren te herzien en een werkweek van maximaal 69 uur toe te staan. Onder de huidige wet geldt voor bedrijven een werkweek van 40 uur, met maximaal 12 overuren, al zijn er uitzonderingen.

    Het plan zou bedrijven flexibiliteit bieden door ze in staat te stellen gemiddelde arbeidsuren over langere perioden te berekenen

    Het plan werd gepresenteerd als een ‘oplossing voor de uitdagingen op de arbeidsmarkt’. Het zou bedrijven flexibiliteit bieden door ze in staat te stellen gemiddelde arbeidsuren over langere perioden te berekenen. Voordat hij president werd zei Yoon Suk-yeol, een conservatief van wie bekend is dat hij het bedrijfsleven een warm hart toedraagt, dat mensen indien nodig ook 120 uur per week mochten werken.

    Ook werd het plan aan de man gebracht als een manier om werkende vrouwen te ondersteunen. Vrouwen zouden meer overuren kunnen maken, die ze in de toekomst konden inwisselen voor vrije dagen. Die tijd zouden ze bijvoorbeeld kunnen besteden aan gezins- en zorgtaken (Zuid-Korea heeft het laagste geboortecijfer ter wereld).

    Maar jongeren, vakbonden en politici van de oppositie kwamen tegen het plan in opstand, waarna de regering zich gedwongen zag haar beslissing te heroverwegen. Een woordvoerder van de Democratische Partij, de belangrijkste oppositiepartij, noemde de regering van Yoon ‘schaamteloos’ en zei dat het land steeds meer begon te lijken op de ‘arbeidshel uit het verleden’. Jonge werknemers demonstreerden tegen een ‘onverantwoord en onmenselijk beleid dat niet aansluit bij de realiteit’. Ook op sociale media kreeg het voorstel veel kritiek.

    Zuid-Korea behoort tot de landen met de langste werkdagen in de geïndustrialiseerde wereld

    De regering leek snel terug te krabbelen en Kim Eun-hye, de perschef van Yoon, beloofde om in de toekomst beter te luisteren naar de mening van werknemers, vooral die van de MZ-generatie. Er is evenwel nog geen vervangend beleid voorgesteld en de angst bestaat dat het voorstel later dit jaar in een andere vorm zal terugkeren.

    Zuid-Korea behoort tot de landen met de langste werkdagen in de geïndustrialiseerde wereld. Dit wordt vaak gezien als een erfenis van de opmerkelijke economische groei die het land heeft doorgemaakt. In het verleden bleven mensen vaak tot hun pensioen bij één bedrijf werken, omdat dat werkzekerheid en inkomensgarantie bood. In ruil hiervoor werd doorgaans van hen verwacht dat ze lange dagen maakten en zich toegewijd toonden aan het bedrijf.

    ‘Dat idee is nog springlevend,’ zegt Lee over de generatie van zijn ouders, die nog altijd gelooft dat je jezelf moet opofferen voor je familie en je land. ‘In het begin zeiden mijn ouders dat ik me erdoorheen moest slepen, dat dat goed zou zijn voor mijn carrière. Maar toen ik er uiteindelijk voor koos om te vertrekken, steunden ze me en vonden ze dat ik een moedige keuze had gemaakt.’

    Dood door overwerk

    Te lange werkdagen zijn in Zuid-Korea meermaals in verband gebracht met een verhoogd risico op zelfmoord. Dit is de belangrijkste doodsoorzaak onder mensen tussen de 10 en 39 jaar.

    ‘Jongeren hebben ondervonden hoe schadelijk lange werkdagen kunnen zijn,’ zegt Kim Ji-hyun, hoofd beleid van de Youth Community Union, een activistische groep die pleit voor betere werkomstandigheden voor jongvolwassenen. ‘Ze realiseren zich dat ze als werknemers niet altijd meedelen in de winsten van het bedrijf, hoe hard ze ook werken.’

    Jongeren zijn steeds terughoudender om zich voor langere tijd aan één bedrijf te binden, vooral nu de kosten van het levensonderhoud stijgen. Uit een onderzoek van informatieportaal JobKorea bleek dat 55 procent van de werknemers van de MZ-generatie geen managementfunctie nastreeft, en dat 47 procent zich zegt voor te bereiden op de overstap naar een ander bedrijf.

    Ze werkte soms tot vier uur ’s nachts en had het gevoel dat ze continu moest bewijzen dat ze haar best deed

    ‘Ze hebben misschien gezien hoe familieleden, kennissen of vrienden in hun eentje moeten zien te overleven, zelfs als ze ziek zijn geworden door te veel over te werken. Het is meer dan logisch dat ze ertegen protesteren. Ze weten dat het verkeerd is,’ zegt Kim.

    Lee Myung-ha (36) werkte voor een overheidsinstantie en moest vaak dag en nacht beschikbaar zijn om internationale zaken te regelen. Ze werkte soms tot vier uur ’s nachts en had het gevoel dat ze continu moest bewijzen dat ze haar best deed. ‘Ik was mezelf niet meer,’ zegt ze. Als jongste lid van haar team werd ze ook geacht aanvullende, tijdrovende taken op zich te nemen, zoals het organiseren van verjaardagsfeestjes en de aankoop van kantoorartikelen. Ze vertelt dat ze nooit voor deze extra taken betaald kreeg.

    Misbruik

    Uit een onderzoek van Gapjil 119, een maatschappelijke organisatie die campagne voert tegen machtsmisbruik en een slechte behandeling van werknemers, blijkt dat 59 procent van de deelnemers niet voor hun overuren betaald krijgt. ‘Behalve over grensoverschrijdend gedrag op het werk gaan de meeste vragen die we krijgen over lonen en werktijden,’ zegt Oh Jin-ho, uitvoerend directeur van Gapjil 119.

    Hij benadrukt dat er geen wettelijke verplichting is om gewerkte uren nauwkeurig bij te houden. Dat geldt in het bijzonder voor werknemers die een contract hebben in een ‘dekkend loonsysteem’, waarbij overuren worden verrekend in het salaris. Dit systeem biedt volgens hem veel ruimte voor misbruik: werkgevers vragen hun werknemers om extra uren te draaien, en die kunnen dat moeilijk weigeren. ‘En hoewel het onder de Koreaanse arbeidswetgeving verplicht is om voor overuren anderhalf keer het normale loon te betalen, gebeurt dat in de praktijk vaak niet,’ vertelt Oh.

    Volgens hem staat het uitbreiden van de werkweek naar 69 uur gelijk aan het wettelijk bevorderen van dood door overwerk. Officieel eist die doodsoorzaak zo’n vijfhonderd levens per jaar, maar waarschijnlijk ligt het werkelijke cijfer hoger.

    Bijna de helft van de ondervraagden uit de MZ-generatie zou geen baan aannemen waarvoor ze meer uren moeten werken dan ze willen

    Politici debatteren nog over wetgeving die moet voorkomen dat bedrijven misbruik maken van het dekkend loonsysteem. Ondertussen roepen actievoerders op tot de afschaffing ervan. Uit een recent onderzoek van het Zuid-Koreaanse ministerie van Arbeid blijkt dat jongeren het liefst 42 uur per week willen werken. Bijna de helft van de ondervraagden uit de MZ-generatie zou geen baan aannemen waarvoor ze meer uren moeten werken dan ze willen, zelfs als ze voor de extra uren worden betaald.

    Een ambtenaar van het ministerie van Arbeid zegt dat de regering de bezorgdheid van de burgers erkent en verschillende sectoren om feedback heeft gevraagd. ‘We zullen ook een landelijk onderzoek uitvoeren en klankbordgroepen formeren, en we zijn van plan om later dit jaar een uitgebreid, herzien plan aan te kondigen voor het urensysteem,’ aldus de ambtenaar.

    Lee Myung-ha werkt nu dertig uur per week als manager in een wijnwinkel in Seoul. Sinds het opzeggen van haar kantoorbaan haalt ze plezier uit nieuwe dingen. ‘Ik kan nu makkelijker op vakantie, ik heb tijd om met mijn vrienden af te spreken en nieuwe dingen te leren,’ zegt ze. Ze geeft wel toe dat dit alleen kan omdat ze geld bespaart door nog bij haar ouders te wonen.

    ‘De eerste stap is dat de werktijden worden teruggedraaid, zodat werknemers voldoende rust krijgen’

    Lee Sang-hyuk, die nu een apotheek runt in Bucheon, vlak bij Seoul, zegt dat een evenwichtig leven van essentieel belang is. Hij gelooft dat Zuid-Korea een efficiëntere werkcultuur nodig heeft om op de wereldmarkt te kunnen blijven concurreren. ‘De eerste stap is dat de werktijden worden teruggedraaid, zodat werknemers voldoende rust krijgen,’ zegt hij. ‘Gezond en gelukkig leven kan pas als je de baas bent over je eigen leven.’

  • Hoe burn-out een modewoord werd

    Hoe burn-out een modewoord werd

    Is chronische stress een signaal dat we teleurgesteld zijn in ons werk, dat zelden oplevert wat ons werd voorgespiegeld? Volgens hoogleraar Jonathan Malesic is het arbeidsregime afgestemd op de winst voor enkelen en de uitputting van velen.

    Wat hebben bankiers, influencers op TikTok en prins Harry met elkaar gemeen? Het klinkt als het begin van een flauwe grap, maar om het antwoord valt allerminst te lachen. Want die hard werkende professionals hebben allemaal last van een burn-out.

    Al vijf decennia lang bestuderen psychologen het fenomeen burn-out, en beroepsgroepen zoals artsen en maatschappelijk werkers waarschuwen er al langer voor binnen hun gelederen. In de afgelopen twee jaar is de culturele status van het verschijnsel radicaal veranderd. ‘Burn-out’ is niet langer een gespecialiseerde term die een toestand van uitputting beschrijft bij werknemers in bepaalde zware beroepen in de dienstverlening; het is een storm geworden die door de professionele elite raast. Iedereen, van dierenartsen tot accountmanagers bij Amazon, lijdt aan een burn-out; bij The New York Times lijkt het wel een vast thema, zo overvloedig als erover wordt geschreven. Hoe is ‘burn-out’ een sleutelwoord van onze tijd geworden?

    Dat de term recentelijk zo populair is geworden, heeft natuurlijk veel te maken met de pandemie

    Dat de term recentelijk zo populair is geworden, heeft natuurlijk veel te maken met de pandemie. Corona was de oorzaak van een uitputtingsepidemie onder werknemers. De stress en de sociale ontwrichting als gevolg van een slecht gemanagede, schijnbaar eindeloos durende gezondheidscrisis stelden grenzen aan wat werknemers konden verdragen. Toch kunnen we de alomtegenwoordigheid van de burn-out niet alleen aan corona toeschrijven. De uitputting bij verpleegkundigen en leraren verklaart ten dele het toegenomen gebruik van het begrip, maar de term komt nog het meest voor bij hoogopgeleide externe medewerkers in de technologie, financiën en media. Is het syndroom dan echt het gevolg van chronische stress op het werk, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie het heeft geclassificeerd? Is het een vorm van depressie? Of is het veeleer een signaal dat we teleurgesteld zijn in ons werkende leven, dat zelden oplevert wat ons werd voorgespiegeld? 

    De intelligente en zorgvuldige studie The End of Burn-out van Jonathan Malesic schept duidelijkheid in een verwarrende discussie. Hij werpt een kritische blik op de term burn-out, die in het maatschappelijke discours een nonchalante, haast complimenteuze klank heeft gekregen. Journalistieke verhalen over het verschijnsel, zoals het veelgelezen essay van Anne Helen Petersen uit 2019, leggen vaak nadruk op de heldhaftige inspanningen van de opgebrande werknemer die tegen beter weten in tot het gaatje gaat. Dergelijke verhalen hebben het prestige van de burn-out aanzienlijk verhoogd, betoogt Malesic. Hierin wordt de aandoening op één lijn geplaatst met ‘het Amerikaanse ideaal van constant werken’. Maar ze bieden hooguit een verkapt beeld van wat een burn-out werkelijk is.

    Valse belofte

    Psycholoog Christina Maslach is een van de grondleggers van het onderzoek naar de burn-out; de Maslach Burnout Inventory is de standaard beoordelingswijze geworden bij mensen met klachten. Volgens haar bestaat de aandoening uit drie componenten: uitputting; cynisme of depersonalisatie (bijvoorbeeld wanneer artsen hun patiënten gaan zien als ‘problemen’ die opgelost moeten worden, in plaats van als mensen die een behandeling nodig hebben); en een gevoel van ineffectiviteit of zinloosheid. Over uitputting zou je nog kunnen opscheppen, maar over ineffectief werk kan dat niet. Verhalen over de wanhopige werknemer als arbeidsheld gaan voorbij aan het belangrijke feit dat een burn-out je vermogen aantast om je werk te doen. Een ‘nauwkeurige diagnostische checklist’, schrijft Malesic, kan helpen om nonchalant gebruik van de term tegen te gaan en mensen die eraan lijden aansporen om hulp te zoeken.

    We bleven hopen dat we door onze aanhoudende inspanningen datgene zouden vinden waarnaar we op zoek zijn

    Malesic is in meer geïnteresseerd dan alleen de klinische geschiedenis van de burn-out. Als godsdienstwetenschapper diagnosticeert hij het verschijnsel als een aandoening van de ziel. Ze komt volgens hem voort uit een kloof tussen het ideaalbeeld dat we van het werk hebben en de realiteit. Amerikanen koesteren grote fantasieën over wat werk hun kan bieden: geluk, waardering, identiteit en verbinding. De realiteit is echter veel minder rooskleurig. Sinds de jaren zeventig zijn de arbeidsomstandigheden in veel economische sectoren steeds slechter geworden. Terwijl onze economie de ongelijkheid in de hand werkt en steeds veeleisender wordt, hebben velen van ons die fantasieën alleen maar versterkt.

    We bleven hopen dat we door onze aanhoudende inspanningen datgene zouden vinden waarnaar we op zoek zijn, en zouden worden wie we willen zijn. Een valse belofte, zegt Malesic. Zijn boek wordt zelden polemisch, toch is de strekking ervan sterk moreel-religieus. Hij verzet zich tegen het wrange idee dat we onze waardigheid ontlenen aan ons werk, waardoor degenen die niet werken – ouderen en mensen met een beperking – geen waarde hebben. Integendeel: alle mensen hebben intrinsieke waardigheid, maar door een arbeidsregime dat is afgestemd op de winst voor enkelen en de uitputting van velen, slagen we er niet in elkaars menselijkheid in ere te houden.

    Geen schim van zichzelf

    Malesic is misschien een ongeloofwaardige spreekbuis voor burn-outslachtoffers, omdat hij de perfecte baan leek te hebben. Als hoogleraar met een vaste aanstelling kon hij lesgeven over zijn geliefde onderwerpen: religie, ethiek en theologie. Hij had intelligente en vriendelijke collega’s en zijn salaris en secundaire arbeidsvoorwaarden waren royaal. Maar niemand had door dat hij geen schim meer was van zijn vroegere zelf. ’s Middags kon hij amper lesgeven. Door zijn langeafstandshuwelijk was hij veel alleen en hij vulde zijn avonden met ijs eten en bier drinken. Zijn ongeïnspireerde en onverschillige studenten, met hun neiging naar verveling en plagiaat, hadden hem geestelijk gebroken.

    Een depressie was het niet, niet helemaal althans, want gesprekstherapie en antidepressiva hielpen niet

    Malesic zegde zijn baan op en besloot uit te zoeken wat er met hem aan de hand was. Een depressie was het niet, niet helemaal althans, want gesprekstherapie en antidepressiva hielpen niet. Zijn baan opzeggen hielp daarentegen wel. Zo kwam hij tot de conclusie dat hij een burn-out had. 

    De legendarische socioloog C. Wright Mills opperde dat de ‘sociologische verbeelding’, waarmee we kunnen begrijpen hoe onze eigen ervaringen bredere sociale en historische krachten weerspiegelen, ons kan helpen onze schijnbare privéproblemen te koppelen aan maatschappelijke kwesties. De burn-out biedt als individuele manifestatie van een kapot arbeidssysteem een uitgelezen kans om nieuw licht te werpen op dat systeem. De opkomst van de burn-out loopt ruwweg parallel met de ontwikkeling van een specifieke fase in de Amerikaanse economische geschiedenis.

    Uitzendbranche

    In de jaren zeventig doofde de naoorlogse bezieling uit en nam de ongelijkheid exponentieel toe. De opkomst van de uitzendbranche, twee decennia daarvoor, was daarvan de voorbode. Consultants begonnen bedrijven te adviseren dat ze hun vaste werknemers moesten ontslaan. ‘De uitzendkracht werd de ideale werknemer,’ merkt Malesic op. De werknemer werd beschouwd als een blok aan het been, niet langer als een productieve kracht. Als gevolg van de deregulering en de afnemende macht van de vakbonden wisten bedrijven het risico te verschuiven van kapitaal naar arbeid. Ondertussen stelde de groeiende dominantie van de dienstensector nieuwe emotionele eisen aan werknemers. In dienstverlenende banen zijn onze persoonlijkheid en emoties ‘de belangrijkste productiemiddelen’: dat is wat de werkgevers inhuren en waarover zij controle uitoefenen.

    In die context ontstond een nieuwe morele richtlijn voor het werk: een ‘eenrichtingsstelsel van beloning’ tussen werkgevers en werknemers, zoals socioloog Allison Pugh het noemt. Werknemers moeten zich met hart en ziel aan hun werk wijden, willen ze een baan krijgen (en behouden), terwijl hun werkgevers zich niet verplicht voelen iets terug te doen. Het zijn de ideale omstandigheden voor een burn-outepidemie. Hierbij mogen we één feit niet vergeten: sinds 1974 is de arbeidsproductiviteit gestegen, terwijl de reële lonen gelijk zijn gebleven. We werken harder en krijgen er niets voor.

    Hard werken is waarschijnlijk de meest algemeen gekoesterde waarde in de VS

    Ondertussen zijn, als compensatie voor een steeds onzekerder economie, onze fantasieën over werk alsmaar intenser geworden. Hard werken is waarschijnlijk de meest algemeen gekoesterde waarde in de VS. Uit een recent onderzoek van Pew Research Center blijkt dat 80 procent van de Amerikanen zichzelf omschrijft als ‘hardwerkend’; geen enkele andere eigenschap werd zo vaak genoemd. Het werk zelf is slechter geworden, maar onze werkidealen blijven verheven. Als een burn-out, zoals Malesic zegt, voortkomt uit de discrepantie tussen het ideale en het reële, dan is de aandoening een straf voor idealisten.

    William Morris droomde in zijn beroemde essay Useful Work versus Useless Toil van een politieke transformatie waarbij al het werk plezierig zou worden gemaakt. Malesic daarentegen vindt dat ons werk helemaal niet het middelpunt van ons leven zou moeten zijn. Sinds Max Webers studie van de protestantse ethiek wordt het christelijke gedachtengoed vaak verantwoordelijk gehouden voor giftige arbeidsidealen. Malesic stelt echter dat het gif het tegengif kan leveren. Religieuze erediensten en de joodse sabbat zijn bijvoorbeeld vormen van vrije tijd die bevestigen dat er hogere waarden zijn dan werk. Hij laat ons gemeenschappen zien die denken en handelen op een religieuze manier, waarbij werk marginaal is of binnen strikt in acht genomen grenzen wordt uitgevoerd: een benedictijns klooster in de woestijn van New Mexico en een non-profitorganisatie in Dallas die voor de een een droomwerkplek lijkt en voor de ander een charismatische sekte. Dergelijke voorbeelden laten zien hoe gemeenschappen waarin werk ondergeschikt is aan hogere doelen economisch kunnen overleven en tegelijkertijd het welzijn van hun leden kunnen bevorderen.

    Nerveuze uitputting

    Het uitstekende boek van Malesic heeft één tekortkoming. Ondanks de grote zorgvuldigheid waarmee hij de klinische geschiedenis van de burn-out blootlegt, onze werkidealen aanklaagt en nieuwe manieren voorstelt om ons leven te organiseren, blijft de politieke lading van zijn centrale term erg vaag. Is de burn-out een wapen van de zwakkeren, een manier om terug te slaan tegen een onrechtvaardig arbeidsregime? Of is het de nieuwste aanstellerij van een in zichzelf gekeerde en neurotische elite die voortdurend claimt het slachtoffer te zijn, terwijl ze op veilige afstand staat van de deaths of despair die de Amerikaanse arbeidersklasse teisteren en van het vuile werk in slachthuizen, gevangenissen en dergelijke?

    Malesic heeft aandacht voor de druk op de werkplek, die vrouwen en raciale minderheden naar een burn-out dirigeert. Ook is zijn benadering van invaliditeit verfrissend: hij laat zien hoe leven met een beperking ons ertoe kan brengen ons heersende verhaal over werk te heroverwegen; daarvoor baseert hij zich op het voortreffelijke essay The Right Not to Work van de gehandicapte kunstenaar Sunny Taylor. Klassenverschillen komen echter nauwelijks in zijn analyse voor, behalve in een beknopte bespreking over de ‘witteboordendienstbaarheid’ die tegenwoordig van de arbeidersklasse wordt verwacht en in een interview met een fervent fietser die een vinger verloor tijdens zijn werk in een bandenfabriek. Hij vermeldt niet hoe wijdverbreid de burn-out is onder mensen uit de arbeidersklasse; in zijn boek gaat het meestal over artsen en hoogleraren.

    De beste historische vergelijking die Malesic vindt met de burn-out is neurasthenie, een toestand van nerveuze uitputting

    De beste historische vergelijking die Malesic vindt met de burn-out is neurasthenie, een toestand van nerveuze uitputting. Het was de ziekte van de welgestelde, hoogopgeleide negentiende-eeuwse Amerikaanse intellectuelen. De taal die doet denken aan de burn-out duikt inderdaad op in American Nervousness, de klassieke verklaring over neurasthenie die in 1881 werd gepubliceerd door de arts George M. Beard. Hij vergelijkt het menselijk zenuwstelsel met een elektrisch circuit: ‘Er breekt een periode aan waarin de hoeveelheid kracht onvoldoende is om alle lampjes brandende te houden; de zwakste lampjes doven het eerst.’

    Dit precedent is zo evident dat het nog een andere reden biedt om te vermoeden dat de burn-out, net als neurasthenie, een exclusieve aandoening is. Het is bizar, stelt Daniel Markovits in zijn recente boek The Meritocracy Trap, hoe hard de superrijken werken in de huidige economische orde. De rijkste 1 procent bestaat grotendeels uit directeuren, investeerders, consultants, advocaten en gespecialiseerde artsen die extreem veel werken, soms meer dan zeventig uur per week. Het is onwaarschijnlijk dat deze werkverslaafde elite erg hoog zou scoren als het aankomt op inefficiëntie (uitputting en cynisme zijn een ander verhaal). Maar de vreemde werkethiek die de rijken voor zichzelf hebben bedacht is wel uitermate relevant als je de burn-out wilt begrijpen als cultureel fenomeen, vooral nu het zijn traditionele slachtoffers overstijgt – artsen, verpleegkundigen, leraren, maatschappelijk werkers – en toeslaat in de ruimere gelederen van kenniswerkers.

    Arbeidersklasse

    De arbeidsidealen die Malesic bestempelt als verhalen die de ziel verwoesten, zijn voor een groot deel die van de midden- en hogere klasse; veel mensen uit de arbeidersklasse, die door ervaring wijs zijn geworden, hebben allang door dat uitbuiting een realiteit is. Het moge duidelijk zijn dat ook in de arbeidersklasse burn-outs voorkomen. Uit een recent Brits onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat slechtbetaalde, laagopgeleide werknemers vaker het gevoel hebben dat hun baan zinloos is.

    De burn-out is ook niet alleen een Amerikaans verschijnsel. Van de tang ping-protestbeweging in China tot de verontwaardiging over sterfte door overwerk in Japan en Zuid-Korea: in rijke landen groeit het verzet tegen onmenselijke arbeidsidealen die van welvaart een vloek maken. Zweden en een paar andere Europese landen geven werknemers met een burn-out betaald verlof, en in Finland kunnen burn-outpatiënten in aanmerking komen voor betaalde revalidatieworkshops.

    In de strijd voor humanere arbeidsomstandigheden heeft de burn-out dus weinig invloed. Bovendien bewijst Malesic ons een dienst door te verhelderen hoe onze massale waanideeën ons ervan weerhouden te floreren op het werk. ‘Burn-out’ is hooguit een overgangsterm: als onderwerp van culturele fixatie is het op z’n minst een begrip dat gemakkelijk kan worden weggekaapt door de elite. Op z’n best is het bijna volledig een fenomeen van de elite.

    De term heeft culturele bekendheid verworven, juist omdat hij weerklank vindt bij welgestelde professionals

    Dat de burn-out mainstream aan het worden is, betekent niet dat er een beter maatschappelijk gesprek ontstaat over de positieve kanten van het nietsdoen, of over het streven naar minder vervreemdende vormen van werk. De term heeft culturele bekendheid verworven, juist omdat hij weerklank vindt bij welgestelde professionals die van overwerk een fetisj maken. De burn-out zal de kenniswerkers en de arbeidersklasse niet dichter bij elkaar brengen, als die laatste consequent buiten de cijfers wordt gehouden of als de arbeiders anders over hun uitbuiting denken. Malesic hoopt de term ‘burn-out’ te beperken tot de officiële klinische criteria. Maar juist de brede betekenis van de term maakt hem aantrekkelijk; zelfverklaarde burn-outgevallen kunnen zichzelf feliciteren met hun ijver, terwijl ze het stigma van depressie of een andere zwaardere diagnose ontlopen.

    De burn-out is een indicator dat er iets is misgegaan in de manier waarop we ons werk organiseren. Maar als concept blijft het vastzitten in een oud denkkader: een arbeidsethos dat al twijfelachtig was in de Amerikaanse industriële periode. Een arbeidsethos dat nu nog moeilijker op waarde kan worden geschat, in deze periode van extreme ongelijkheid en toenemende onzekerheid bij beroepen die ooit zekerheid boden. De burn-out van Malesic lijkt voorbestemd om het lot van neurasthenie achterna te gaan, en misschien wel dat van alle ideeën die ooit in de tijdgeest opkwamen: fel branden om vervolgens weer uit te doven.

    Jonathan Malesic, The End of Burnout: Why Work Drains Us and How to Build Better Lives (‘Het einde van de burn-out: Waarom werk ons leegzuigt en hoe we een beter leven kunnen opbouwen’), University of California Press, 288 pagina’s.