Tag: arbeidswet

  • Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Sinds werknemers tijdens de pandemie de lusten (en lasten) van het thuiswerken hebben leren kennen, willen miljoenen mensen niet meer terugkeren naar hun kantoorbaan. Er staat een revolutie op de arbeidsmarkt voor de deur.

    De coronapandemie mag dan officieel voorbij zijn, maar als een reeks wissels op het spoor heeft ze tal van levens totaal verschillende richtingen op gestuurd. Miljoenen mensen keren niet meer terug naar hun arbeidsroutine van vóór de pandemie. Dit dwingt zowel werkgevers als werknemers om nieuwe modellen te bedenken die aan hun veranderende behoeften voldoen. Uit al die probeersels met hybride modellen rijst een cruciale vraag op: hoeveel werk volstaat?

    Solliciteren

    Thomas Edison zou in de jaren 1920 sollicitanten een kom soep voor hun neus gezet hebben met zout en peper ernaast. Als ze de soep op smaak brachten voordat ze een hap namen, werden ze afgewezen: hij wilde niet dat mensen die hij in dienst nam zich door aannames lieten leiden.

    De soeptest wordt niet meer gebruikt, maar generaties werkzoekenden bereiden zich nog altijd voor op de klassieke verwachtingen waaraan zij denken te moeten voldoen. Je moet je opdoffen. Je moet doen alsof projectmanagement, of data-entry, of telemarketing je enige echte passie is. Je moet een antwoord hebben op stompzinnige vragen als: beschrijf jezelf in één zin. Of noem je grootste zwakte. Uit een onderzoek uit 2017 bleek dat 73 procent van de sollicitanten zegt dat het zoeken naar een baan een van de stressvolste ervaringen in hun leven is. Het is daarom steeds gebruikelijker dat sollicitanten vooraf een lijst met interviewvragen krijgen, zodat kandidaten doordachte antwoorden kunnen geven. ‘Een sollicitatiegesprek moet niet onnodig eng of moeilijk zijn en het moet niemand opzettelijk laten struikelen,’ zeggen hr-managers.

    The Wall Street Journal meldt dat meer docenten studenten helpen met ­elementaire basisvaardigheden, zoals sollicitatiebrieven schrijven en mensen bij hun naam noemen als ze met hen praten. Ze hopen dat deze cursussen de generatiekloof zullen helpen overbruggen en de scholieren zullen helpen bij het voeren van een geslaagd sollicitatiegesprek.

    De postpandemische veranderingen en experimenten kunnen in ieder geval in ontwikkelde landen leiden tot een revolutie op de arbeidsmarkt die niet meer is vertoond sinds de industriële revolutie, toen de overgang van landbouw naar fabriekswerk diepgaande veranderingen in werkomgeving, arbeidstijden en loon tot gevolg had. De huidige veranderingen kun je op twee niveaus bekijken. Op macroniveau ontstaat er geleidelijk een nieuwe balans tussen werk en privé. Met de nadruk op ‘geleidelijk’, zoals het ook een halve eeuw aan arbeidsconflicten, vakbondsacties en bedrijfsexperimenten duurde voordat de werkdag in de Verenigde Staten terugging van veertien naar acht uur en de werkweek van zeven naar vijf dagen.

    In 1914 verbaasde de Ford Motor Company concurrenten door de werkdag te beperken tot acht uur en werknemers een minimumloon van 5 dollar per dag uit te betalen. Het Congres maakte deze innovatie in 1938 tot wet, de Fair Labor Standards Act, en zo ontstond wat cultuurhistoricus Fred Turner het ‘sociaal pact uit het industriële tijdperk’ noemt. Evenzo leidden recente experimenten met een 32-urige werkweek tot gunstige effecten: minder vermoeidheid, een betere geestelijke gezondheid en een tevredener levensgevoel. Sterker, wie zijn week eenmaal zo heeft ingedeeld, wil meestal niet meer terug.

    Nieuwe arbeidsroutine

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen. Tijdens de lockdowns moesten veel werknemers zich een nieuwe arbeidsroutine aanwennen; daarbij genoten ze van de mogelijkheid om te pauzeren, meer tijd met hun dierbaren door te brengen en te sporten zonder de stress van het woon-werkverkeer of van de kantooromgeving. Deze ervaringen droegen later bij aan de zogeheten Great Resignation [grote ontslaggolf] in de VS en een toenemende populariteit van ‘quiet quitting’ [het afzweren van overwerk en andere overbodige inzet voor je werkgever]. 

    Dus toen bedrijven hun werknemers begonnen te verzoeken om terug te keren naar de status quo van vóór de pandemie, leidde de vraag ‘Hoeveel werk volstaat?’ al snel tot een andere: ‘Volstaat waarvoor?’ Om de kost te verdienen? Om aan de productiviteitsverwachtingen van werkgevers te voldoen? Om te voorzien in ons streven naar geluk, of misschien om met pensioen te kunnen gaan? De antwoorden variëren al naargelang wie de vraag stelt en wie erop ingaat. Voor miljoenen werknemers met een laag inkomen is het antwoord eenvoudig: ‘volstaan’ betekent het verdienen van een loon waarmee ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden.

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen

    Onder degenen die het zich kunnen veroorloven om tijd en geld tegen elkaar af te wegen, komen twee groepen werknemers naar voren in de brede discussie over wat een adequate hoeveelheid werk precies inhoudt. De eerste groep bestaat uit zorgverleners, een sector die nog steeds gedomineerd wordt door vrouwen, maar geleidelijk meer mannen aantrekt. In de arbeidseconomie verwijst ‘werk’ traditioneel naar betaalde arbeid waarbij goederen en diensten worden geproduceerd in ruil voor een geldelijke vergoeding. Maar sinds de integratie van vrouwen in de beroepsbevolking (inclusief die van arbeidseconomen) heeft het onderzoeksveld zich uitgebreid naar onbetaald werk. Dit omvat een gezin stichten, een thuis scheppen en in de behoeften voorzien van degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit zorgwerk is, zoals de Amerikaanse activist Ai-jen Poo zegt, ‘het werk dat al het andere werk mogelijk maakt’. Voor velen heeft deze vorm van arbeid evenveel betekenis als hun formele baan, of zelfs meer.

    Als we met de vraag ‘hoeveel werk volstaat?’ ook onbetaald werk bedoelen, wordt duidelijk dat miljoenen mensen met zorgtaken en betaalde banen vaak veel langer moeten werken dan de traditionele achturige werkdag. Het is dan niet verwonderlijk dat velen, als ze de kans krijgen, ervoor kiezen het aantal betaalde werkuren te verminderen om voor anderen te kunnen zorgen. Gezien het sociale belang van zorgwerk moet deze onmisbare maar onbetaalde vorm van arbeid terug te vinden zijn in economische statistieken en door overheden worden erkend in hun uitkeringsbeleid.

    Vrije tijd als gegeven

    Amerikanen geloven over het algemeen heilig in een volledige werkweek. Werk is alles voor ons, schrijft geschiedenisprofessor James Livingstone in No More Work: Why Full Employment Is a Bad Idea.

    Een baan geeft zin, doel en structuur aan ons dagelijks leven; door je werk kom je je bed uit, kun je je rekeningen betalen en ontwikkel je een gevoel van verantwoordelijkheid, aldus Aeon. Maar zoals antropoloog David Graeber in zijn boek Bullshit Jobs: A Theory stelt, zijn er miljoenen zinloze banen waar geen haan naar zal kraaien als die opeens verdwijnen. Sinds de pandemie weten we ook welke banen wel en welke banen niet als essentieel worden gekenmerkt en dat je de typische van 9 tot 5-baan ook heel anders kunt invullen.

    Ook Livingstone vindt bovenstaande beweringen niet langer plausibel, want er is niet genoeg ‘zinvol’ werk voor iedereen en bovendien betaalt het in de meeste gevallen nauwelijks de rekeningen. De krapte op de arbeidsmarkt voor essentiële banen is weer een ander probleem, dat zou kunnen worden opgelost door omscholing, maar daar blijkt weinig animo voor.
    Net zoals in veel Europese landen ligt het werkloosheidscijfer in de VS al onder de 6 procent, wat dicht in de buurt komt van wat economen ‘volledige werkgelegenheid’ noemen, maar de inkomensongelijkheid is niet veranderd. De zogeheten bullshit jobs lossen de sociale problemen niet op. Bovendien voorspellen economen dat bijna de helft van de bestaande banen binnen twintig jaar zal verdwijnen door automatisering. Daarom, stelt Livingstone, zullen we ons een wereld moeten voorstellen waarin werk niet langer zaligmakend is noch ons inkomen bepaalt of ons dagelijks leven domineert.

    Wat zouden we doen als we niet meer hoefden te werken om in ons levensonderhoud te voorzien? vraagt hij zich af. Als we meer vrije tijd zouden hebben? Die door een falende arbeidsmarkt afgedwongen ethische en morele omslag houdt in dat er een heel nieuw referentiekader bedacht moet worden voor de betekenis van werk, aldus Livingstone. Over de gevolgen voor de economie moeten economen zich op hun beurt buigen.

    Tegencultuur

    Een andere belangrijke groep werknemers die zich afvraagt ‘hoeveel werk volstaat’, bestaat uit jonge mensen, met name jongere millennials en leden van generatie Z, van wie velen tijdens de pandemie hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. Net zoals veel jonge mensen in de jaren zestig de tegencultuur omarmden – ‘turn on, tune in, drop out’ – en het conformisme van hun ouders verwierpen, zetten veel gen Z’ers nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur, die ze geneigd zijn te verwerpen als het zoveelste giftige product uit Silicon Valley.

    Gen Z’ers zijn opgegroeid in twee tumultueuze decennia, getekend door de terroristische aanslagen van 11 september, de introductie van de smartphone en sociale media, de financiële crisis van 2008 en de pandemie. Tegenwoordig worden ze geconfronteerd met neerwaartse sociale mobiliteit, tegen de achtergrond van een toenemende politieke polarisatie die de democratie onder druk zet, en een dreigende klimaatramp. Dit alles in aanmerking genomen is het niet vreemd dat ze kritisch staan tegenover de levenswijze van hun ouders en zich richten op het behoud van hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid.

    Veel gen Z’ers zetten nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur

    Gen Z-iconen zoals turnster Simone Biles en tennisster Naomi Osaka, die zich terugtrokken uit grote sportevenementen om hun geestelijke gezondheid te beschermen, toonden de drive, het lef en het uithoudingsvermogen die nodig zijn om uit te blinken op het hoogste niveau. Maar door het idee te verwerpen dat hun waarde – zeker als prominente vrouwen van kleur – afhangt van de verwachtingen van anderen, lieten ze perfect zien dat persoonlijk welzijn niet mag worden opgeofferd aan goedkeuring van buitenaf. Hun besluit dat het leven om meer moet draait dan om productie en succes alleen is een daad van verzet tegen het kapitalisme zelf.

    Sinds de opkomst van ChatGPT en zijn concurrenten draait de discussie over de toekomst van werk om de mate waarin menselijke arbeid noodzakelijk blijft. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt stevig zal ontwrichten, doordat traditioneel werk en arbeidsomgevingen uit het industriële tijdperk overbodig zullen worden. Maar ongeacht wat ons te wachten staat, kunnen we de vraag waar en hoelang we werken niet beantwoorden zonder eerst de meest fundamentele vraag te beantwoorden: waarom we werken.

    Het is geen kwestie van ‘niet willen’

    Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen ‘niet willen werken’, maar klopt dat wel? Dat vroeg de Mexicaanse arbeidsmarktonderzoeker Nataly Hernández zich af in zakenkrant El Economista. Ook Mexicaanse bedrijven kunnen moeilijk personeel vinden, ondanks het feit dat er 2 miljoen werkzoekenden zijn en 6 miljoen mensen in de beroepsgeschikte leeftijd zich momenteel niet op de arbeidsmarkt begeven.

    ‘Het is opvallend dat dit gebeurt in ons land, waar zo veel mensen willen werken, onder wie veel jonge mensen die met hun vaardigheden kunnen bijdragen aan de economie,’ aldus Hernández. Volgens haar zijn de beschikbare banen in Mexico slecht te combineren met een gezinsleven, door een gebrek aan flexibele werktijden en goede kinderopvang, waardoor vooral jonge vrouwen worden uitgesloten.

  • De hardnekkige mythe van de luie Fransman

    De hardnekkige mythe van de luie Fransman

    Frankrijk staat al maanden op zijn kop vanwege een omstreden nieuwe arbeidswet, die onlangs door premier Valls werd doorgedrukt. Maar volgens de Belgische topeconoom Bob Hancké lost de nieuwe wet niets op.

    Een paar jaar geleden schreef zowel de Financial Times als The Guardian een nogal kritiekloos artikel over een brief die Maurice Taylor, de bestuursvoorzitter van de Amerikaanse bandenfabrikant Titan International, had gestuurd aan Arnaud Montebourg, de toenmalige Franse minister van Industriële Vernieuwing. Die was bepaald niet vleiend.

    In zijn brief haalde Taylor uit naar de Franse werknemers en vakbonden. Hij noemde de werknemers lui, de vakbonden dwaas, en vroeg vervolgens aan Montebourg: ‘Hoe stom denkt u dat we zijn?’ (Montebourg was zo brutaal geweest te suggereren dat Taylor misschien wel geïnteresseerd was in de overname van een Franse Goodyear-bandenfabriek in Noord-Frankrijk.) In wezen deed de brief het voorkomen alsof de sterke vakbonden in Frankrijk fnuikend waren voor de arbeidsproductiviteit, en daarmee voor economische groei. Taylor meldde dat toen hij een jaar eerder met Franse werknemers had gesproken, die hem hadden verteld dat drie uur werken per dag ‘de Franse gewoonte’ was.

    Een beetje verbaasd

    Ik heb altijd genoten van de tirades van Amerikaanse bestuursvoorzitters. Ze worden meestal niet gehinderd door enige kennis van de manier waarop Europese economieën feitelijk werken, op een paar bij elkaar geraapte anekdotes na om hun slechte boodschap te ondersteunen. Maar ik moet toegeven dat ik in dit geval een beetje verbaasd was dat het zo beroerd ging met de Franse arbeidsproductiviteit. Toen ik me bijna twintig jaar geleden in de Franse economie begon te verdiepen, was de opmerkelijkste verandering die we bespeurden wellicht de gestage groei van de arbeidsproductiviteit in Frankrijk in de late jaren tachtig en vroege jaren negentig van de vorige eeuw. Maar misschien wist Taylor iets wat ik niet wist. Dus raadpleegde ik de statistieken op de OESO-website om te kijken wat er gebeurd was.

    Ik vergeleek het bnp-percentage per gewerkt uur in 2011 van een handvol landen met dat van de Verenigde Staten – een manier om de arbeidsproductiviteit van landen te vergelijken op basis van die in de VS, wat gebruikelijk is in internationale vergelijkingen. Ik keek ook naar het totale gemiddelde van het aantal gewerkte uren per werknemer – een manier om, in de wereld van Maurice Taylor, luiheid te meten. Ik nam in mijn vergelijking ook het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten mee, vermoedelijk Taylors favoriete landen om zaken mee te doen. Om de tegenovergestelde reden nam ik Frankrijk mee, evenals Duitsland, omdat de Duitse economie als het voorbeeld geldt dat iedereen zou moeten nastreven, en de grote Zuid-Europese economieën die zich, volgens de meeste berekeningen, momenteel met de grootste problemen geconfronteerd zien.

    Misschien was Taylor op een groep uitzonderlijk knorrige Franse werknemers gestuit, maar de verzamelde statistieken laten er weinig twijfel over bestaan dat de Fransen nog steeds van aanpakken weten

    Franse werknemers, zo toonden de cijfers, waren niet plotseling ten prooi gevallen aan het Club Med-syndroom en namen niet, zoals Taylor suggereert, twee derde van hun werkdag vrij. De Franse arbeidsproductiviteit per uur houdt vrijwel gelijke tred met die van de Verenigde Staten. Verbazingwekkend genoeg – althans voor wie niet de moeite neemt de feiten te checken – is het totale aantal gewerkte uren daar zelfs hoger dan in het nijvere Duitsland. Misschien was Taylor op een groep uitzonderlijk knorrige Franse werknemers gestuit, maar de verzamelde statistieken laten er weinig twijfel over bestaan dat de Fransen nog steeds van aanpakken weten.

    Misschien nog wel verbazingwekkender is dat het gemiddelde aantal gewerkte uren per jaar in Italië en Spanje – ook twee landen die dikwijls als luie paria’s worden behandeld – hoger is dan, of bijna even hoog is als, dat in de VS; hun probleem, zo suggereren deze getallen, is arbeidsproductiviteit, niet luiheid. En daarmee komt de bal bij de regeringen (denk aan opleiding) en het management (denk aan kapitaalsinvesteringen en technologie) te liggen.

    Een gallisch ritueel: betogers in Parijs tegen de arbeidswet. – © Getty Images
    Een gallisch ritueel: betogers in Parijs tegen de arbeidswet. – © Getty Images

    De mythes rond de Franse arbeid zijn verhevigd, zowel in Frankrijk zelf als daarbuiten, sinds de Franse regering een hervorming van de arbeidswet voorstelde, die ze onlangs heeft doorgevoerd. Deze wet heeft voornamelijk aangetoond dat men zich op vele manieren kan vergissen in de reden waarom de economie van een land met problemen kampt. De recente razernij in Frankrijk over de arbeidswetshervorming legt inderdaad de vinger op enkele onplezierige waarheden over het land, maar zeer weinige daarvan hebben iets te maken met de Franse werknemers op zich.

    De nieuwe wet – die sinds zijn aanvankelijke introductie al behoorlijk is verwaterd – neemt enkele van de heiligste Franse koeien op de korrel, zoals een nogal ingrijpende uitbreiding van de ‘normale’ werkweek tot 46 uur, waar echter een genereuze compensatie tegenover staat vanaf het 36ste uur, evenals een herdefiniëring van wat vakbonden is toegestaan in het geval van meningsverschillen en stakingen. Kortom, de Franse arbeidswet lijkt sterk op die van Duitsland, het land waaraan iedereen in de Eurozone geacht wordt een voorbeeld te nemen – geen socialistisch paradijs, maar ook weer geen meedogenloze kapitalistische wedren.

    Het wekt geen verbazing dat veel Fransen de nieuwe wet, of in elk geval een groot deel daarvan, als bewijs zien dat deze socialistische regering haar bevolking een neoliberale koers door de strot probeert te duwen ten bate van de economische machthebbers van het land. Hoewel de vakbonden betrekkelijk gematigd zijn geweest in hun oordeel, staat de Franse werknemers gewoontegetrouw het schuim op de lippen, terwijl alle andere groeperingen voor wie de wet gevolgen zou kunnen hebben, van studenten en militant links tot het antiglobalistische Front National, hun bezorgdheid hebben uitgesproken.

    Eenvoudig

    Om de zaak nog erger te maken werd het wetsvoorstel gedaan zonder veel overleg met de vakbonden die de betrokken partijen vertegenwoordigen. In plaats van de tijd te nemen om een achterban te creëren en vervolgens een versie in te dienen die op brede steun kon rekenen, heeft de regering de wet eigenhandig herschreven en voor goedkeuring naar de Assemblée gestuurd.

    Het gevolg is dat een groot deel van het land zijn toevlucht heeft genomen tot het gallische ritueel van ‘sociale mobilisering’ – met andere woorden: pas op, reiziger, als je je in de nabije toekomst per trein of vliegtuig door Frankrijk begeeft, want de kans dat je piloten en conducteurs het werk neerleggen is groot.

    Door de kwestie van de arbeidswetshervorming zo hoog op te laten spelen, heeft het land zich gevoelig getoond voor dezelfde mythes die Maurice Taylor ertoe bewogen zijn bandenfabriek elders te openen. De Franse groei en werkloosheid houden geen verband met een meer flexibele arbeidssituatie, en hebben dat ook nooit gedaan. Het probleem met Frankrijk is eenvoudig: het zit in een monetaire unie met Duitsland – een veel sterkere en beter georganiseerde economie, waar werknemers goed zijn opgeleid, werkgevers en vakbonden met elkaar praten, management en werknemers samenwerken en het geldwezen een strategisch belang heeft bij wat bedrijven doen – en betaalt daarom een hoge prijs voor het feit dat het geen controle meer heeft over de belangrijkste instrumenten voor economische aanpassing, of het nu gaat om rentepercentages, wisselkoersen of fiscaal beleid.

    Waarom wordt er dan zo’n drama gemaakt van de Franse arbeidswet? Omdat veel spelers in het veld een slaatje uit al het gedoe kunnen slaan

    Er zijn verschillende manieren om uit deze impasse te geraken: ofwel Frankrijk kan uit de Eurozone stappen, ofwel Duitsland kan kiezen tussen het drastisch verhogen van zijn binnenlandse vraag of het verlaten van de euro, zodat zijn reële wisselkoers anderen meer lucht geeft. Hervormingen van de arbeidsmarkt hebben hier weinig mee te maken.

    Waarom wordt er dan zo’n drama gemaakt van de Franse arbeidswet? Omdat veel spelers in het veld een slaatje uit al het gedoe kunnen slaan. De wet is het startsein geweest voor grote manoeuvres ter linkerzijde als voorbereiding op de presidentsverkiezingen, die over iets meer dan een jaar gehouden zullen worden. President François Hollande is, zacht uitgedrukt, niet erg populair. Hij duikt voorlopig weg achter de verschansing van deze wet, zich er volledig van bewust dat zo’n ruk naar het centrum hem linkse stemmen zal kosten zonder dat die per se door rechtse stemmen zullen worden gecompenseerd.

    Maar de wet is een perfecte kans voor enkele belangrijke spelers in Hollandes Parti Socialiste om hun profiel bij de partijbasis aan te scherpen. Het is niet toevallig dat Martine Aubry, die in de jaren negentig van de vorige eeuw minister van Arbeid en Sociale Zaken was en de 35-urige werkweek invoerde, tot de meest uitgesproken tegenstanders van de nieuwe wet behoort.

    Ze zal goede, substantiële redenen hebben voor haar problemen met het wetsvoorstel. (Het is overigens belangrijk ons te herinneren dat haar wet, die de 35-urige werkweek invoerde, nauwelijks een succes was: het aantal gewerkte uren in Frankrijk nam zelfs toe na de invoering van de wet.) Er bestaat ook weinig twijfel dat haar ambitie om een gooi naar het presidentschap te doen, net als in 2011, toen ze verloor van Hollande, nog onverminderd groot is en dat dit een te mooie kans is om te laten liggen.

    En zo zal de Franse politiek, dramatisch genoeg, haar tijd vullen met discussies over iets wat niet van belang is en haar ogen sluiten voor de werkelijke, veel wezenlijker oorzaken van de Franse malaise. In veel opzichten doen de Franse politici en de Brusselse beleidsmakers, evenals de economen die hen op de huid zitten, mij denken aan de spreekwoordelijke dronkaard die zijn sleutels zoekt in het licht van de straatlantaarn. Hij komt niet veilig thuis.

    Auteur: Bob Hancké
    Vertaler: Peter Bergsma

    Bob Hancké is universitair hoofddocent Politieke Economie aan de London School of Economics and Political Science.

    Foreign Policy
    VS | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 106.000

    Gericht op wetenschap, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.