In eigen land ziet het er slecht uit voor president Erdogan, maar dankzij zijn steun aan de islamisten die in Syrië president Assad ten val brachten heeft hij veel verloren stemmen teruggewonnen. En meteen liet hij zijn neo-Ottomaanse dromen doorschemeren, aldus deze Turkse columnist.
Jarenlang pochte Turkije met zijn jonge bevolking, maar nu is de bevolkingsgroei gedaald tot een historisch dieptepunt. Waren er zeven jaar geleden nog 2,11 kinderen per vrouw, nu zijn dat er nog maar 1,51, ondanks de oproep van Erdogan om minstens drie kinderen te krijgen. En de crisis betreft niet alleen het geboortecijfer. Veel mensen hebben überhaupt weinig belangstelling om een gezin te stichten. De stijgende kosten van het levensonderhoud hebben geleid tot minder huwelijken, het scheidingspercentage is bijna verdubbeld. De reactie van een student bij een straatenquête op de vraag wat hij verwacht van 2025 is bijna tragisch: ‘Het belangrijkste is dat ik niet doodga.’
Wat brengt een student ertoe om zo’n uitspraak te doen? De oorzaken moeten worden gezocht in de economie. De huurprijzen van appartementen stegen in 2024 met 52 procent. De meubelprijzen zijn de afgelopen vijf jaar met 555 procent gestegen en de prijzen voor grote en kleine huishoudelijke apparaten zelfs met 615 procent. Voor jongeren is het om economische redenen al moeilijk geworden om verder te studeren, laat staan om een gezin te stichten. In de afgelopen vijf jaar hebben ongeveer 325.000 studenten de universiteit verlaten om bij te dragen aan het gezinsinkomen.
Groeiende armoede
Degenen die ervoor kiezen om werk te zoeken in plaats van te studeren, moeten het vaak doen met een minimumloon van omgerekend ongeveer 600 euro – net als minstens de helft van alle werkende mensen in het land. Van de werkenden in Turkije verdient 90 procent minder dan 1200 euro per maand. Deze situatie betekent dat de armoede zich blijft uitbreiden. Ongeveer 40 procent van de Turkse bevolking kan zich niet meer regelmatig vlees of vis veroorloven, 15 procent kan zijn verwarmingskosten niet meer betalen, 12 procent kon vorige maand de huur niet betalen, 60 procent kan versleten meubilair niet vervangen, 31 procent kan zelfs een lekkend dak niet laten repareren. Een week vakantie per jaar is voor 58 procent van de werkende Turken onbetaalbaar.
Deze cijfers kun je lezen als pure statistieken. Maar voor ons is het de realiteit. Als we onze huur betalen, hebben we niet genoeg te eten; als we genoeg eten, belanden we op straat. De uitspraak van de student verbaast ons dus minder. Ook vinden we het niet meer dan logisch dat het aantal stemmen voor Erdogan, die deze situatie heeft gecreëerd, afneemt. En toch is niet gezegd dat de regering zal gaan veranderen. Erdogan is een meester in het inzetten van nationalistische en islamistische retoriek om de massa’s die hij laat verhongeren voor zich te winnen.
Door de jaren heen heb ik beschreven hoe Erdogan er herhaaldelijk in is geslaagd om externe gebeurtenissen om te zetten in stemmen. Net toen je dacht dat hij tegen een grens was aangelopen, werd de situatie in Syrië een reddingslijn. Nadat zijn partij tweede was geworden in de lokale verkiezingen van 2024, joeg Erdogan, die zich in 2028 niet opnieuw kandidaat mag stellen, het proces aan dat leidde tot de omverwerping van Assad.
Een obstakel voor persoonlijke vrijheid
In Turkije heerst na de herverkiezing van president Erdogan vooral onder jongeren een groot gevoel van uitzichtloosheid, schrijft Süddeutsche Zeitung in een artikel dat in editie 231 van 360 werd gepubliceerd.
Veel jonge, hoogopgeleide mensen overwegen Turkije te verlaten, niet alleen door de economische crisis, maar ook vanwege de politieke situatie. Een onderzoek wees uit dat maar liefst twee derde van de jongeren bereid is te emigreren. De sfeer is bedrukt; gesprekken gaan vaak over hoe ze naar Europa of de VS kunnen ontsnappen, bijvoorbeeld via visumafspraken of illegale routes. Zelfs de jeugd uit de hogere klasse voelt zich nu steeds meer gemarginaliseerder. ‘Wij zijn beschaafder geworden – in tegenstelling tot de aanhangers van de president.’
Veel jongeren beschouwen de regering als een obstakel voor hun carrière en hun persoonlijke vrijheid. Onderwijsinstellingen blijven oases van intellectuele vrijheid, maar buiten de muren ervaren jongeren de groeiende kloof tussen de seculiere en conservatieve delen van de samenleving. Voor velen is emigratie niet alleen een economische keuze, maar ook een manier om zich aan de toenemende autoritaire controle en de politieke verdeeldheid te onttrekken. Zo dreigt het land een hele generatie te verliezen, net als tijdens de eerdere gastarbeidermigratie. En dat terwijl Europa dichterbij is dan ooit.
Tot 2010 noemde Erdogan Assad een vriend en brachten de families samen vakanties door. Na het uitbreken van de Arabische Lente werd Assad plotseling zijn vijand en stookte hij gewapende milities op Syrisch grondgebied op om hem ten val te brengen. Toen de omverwerping van Assad een gemeenschappelijke zaak werd voor het Westen, moedigde Ankara de milities van Hayat Tahrir al-Sham (HTS) aan om naar Damascus op te rukken. De omverwerping van Assad in minder dan twee weken bezorgde Erdogan zowel in eigen land als in het Westen nieuwe faam.
Hoewel Erdogan eerder met betrekking tot militaire operaties in Syrië had gezegd dat hij ‘het op niemands grondgebied had gemunt’, liet hij na de val van Assad zijn neo-Ottomaanse dromen doorschemeren door te zinspelen op het Turkse grondgebied: ‘Turkije is groter dan Turkije. Als natie kunnen we onze horizon niet beperken tot 782.000 vierkante kilometer. Net zoals een mens zijn lot niet kan ontlopen, kunnen Turkije en de Turkse natie hun lot niet ontlopen, ze kunnen zich er niet voor verstoppen.’ Zijn extreemrechtse bondgenoot Devlet Bahçeli deed er nog een schepje bovenop: ‘Zoals Damascus werd veroverd, zo staat ook de verovering van Jeruzalem voor de deur.’
Na het succes dat hij in Syrië boekte, gaat Erdogan in eigen land nog brutaler te werk
Na de val van Assad kwam het eerste officiële bezoek aan Damascus uit Turkije. De Turkse inlichtingenchef Ibrahim Kalın, die jarenlang woordvoerder van het presidentieel paleis was geweest, had een ontmoeting met HTS-chef Ahmed al-Sharaa. Daarna woonde hij het vrijdaggebed bij in de Umayyad-moskee, die eveneens deel uitmaakte van Erdogans fantasieën om Assad omver te werpen. Na het hoofd van de inlichtingendienst bezocht de Turkse minister van Buitenlandse Zaken de nieuwe politieke leider van Syrië. Vervolgens was Erdogan zelf aan de beurt. Ik durf te wedden dat hij zichzelf biddend in de Umayyad-moskee liet fotograferen voor op zijn campagneposter voor de volgende verkiezingen, die vermoedelijk vervroegd zullen plaatsvinden.
Door HTS te steunen, heeft Erdogan de val van Assad versneld en de stemmen teruggewonnen die hij had verloren. Mede door delegaties naar Damascus te sturen gaf hij de internationale gemeenschap een signaal: als jullie iets willen bereiken in de regio, moeten jullie bij mij zijn. Tegelijkertijd haastte hij zich om PKK-leider Öcalan, die momenteel een levenslange gevangenisstraf uitzit in Turkije, in te zetten om de Koerden, die een deel van Syrië controleren, te ontwapenen en te integreren in de nieuwe regering die in Damascus zou worden opgericht. Vier jaar lang was elk bezoek aan Öcalan verboden, maar nu heeft Erdogan vertegenwoordigers van de pro-Koerdische partij ontmoet en verklaard bereid te zijn om samen te werken.
Na het succes dat hij in Syrië boekte, gaat Erdogan in eigen land nog brutaler te werk en probeert hij alles uit de weg te ruimen waarvan hij denkt dat het zijn herverkiezing in de weg kan staan. Dit zou er weleens toe kunnen leiden dat we allemaal voor 2025 slechts die ene wens kunnen doen: het belangrijkste is dat we niet doodgaan.
Aartsrivalen
Ten eerste verklaarde Erdogan de financiële oorlog aan gemeenten die bestuurd worden door de grootste oppositiepartij, zijn aartsrivaal. In dezelfde week opende hij de aanval op drie journalisten van de oppositie. Tegen een van hen werd een proces aangespannen: ze werd voor zevenenhalf jaar naar de gevangenis gestuurd. De tweede werd ’s ochtends vroeg voor haar huis gearresteerd. De derde, Özlem Gürses, presentatrice van een van de populairste nieuwsprogramma’s, kreeg huisarrest en een enkelband. Haar tv-zender verplaatste de studio vervolgens naar haar woonkamer, waar zij het ochtendprogramma nu ter plekke opneemt.
Degenen die Gürses onder huisarrest plaatsten, lieten tegelijkertijd IS-terroristen vrij die bloedige aanslagen hadden gepleegd in Turkije. Bij de aanslag op de luchthaven van Istanboel in 2016 doodde IS 45 mensen, onder wie drie buitenlandse terroristen. Zes Turkse burgers die de terroristen hadden geholpen en een rol hadden gespeeld bij het plannen van de aanslag werden onmiddellijk gearresteerd en veroordeeld tot 46 keer ‘levenslang’. Maar wat een toeval: op het moment dat Erdogans inlichtingenchef in Damascus de hand van Al-Sharaa schudde, liet onze rechterlijke macht deze IS-terroristen vrij. Een paar dagen later werden bovendien achttien mensen vrijgelaten die IS aantoonbaar financieel hadden gesteund.
En terwijl de straffen tegen deze terroristen werden herroepen, nam de rechter vorige week een ‘gevaarlijke’ persoon onder handen: een zestienjarige middelbare scholier werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf voor het beledigen van de president. En met dit vonnis werd de wens van de student om in 2025 niet te sterven ook een leuze van middelbare scholieren.
Het regime van dictator Bashar al-Assad werd op 8 december omvergeworpen door rebellen. Wie zijn nu de baas in Syrië en hoe zullen zij regeren?
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.
Hoe heeft de machtsovername in Syrië plaatsgevonden?
‘Na meer dan een jaar van onophoudelijke conflicten in het Midden-Oosten zal de verbluffende capitulatie van het Syrische regime van president Bashar al-Assad de geschiedenis ingaan als een van de grootste schokken in de regio’, schrijft Andrew Englander van Financial Times. In slechts twaalf dagen marcheerden rebellen vanuit het noorden en vervolgens het zuiden naar het hart van Damascus, waarbij ze de hoofdstad veroverden en een einde maakten aan de meer dan vijftig jaar durende dynastieke heerschappij van de Assads over het land. In minder dan twee weken bereikten ze wat tienduizenden gewapende oppositiestrijders in dertien afschuwelijke jaren burgeroorlog niet voor elkaar hadden gekregen.’
‘De val van Bashar al-Assad was een week geleden nog bijna ondenkbaar’, schrijft de BBC op 8 december. Op die dag maakten rebellengroepen de val van ‘tiran’ Bashar al-Assad bekend in een toespraak op de Syrische publieke televisie. ‘De eerste aanval kwam onverwachts’, aldus The New York Times. ‘Jarenlang had de islamistische groep Hayat Tahrir al-Sham zijn controle geconsolideerd in zijn bolwerk in Idlib in het noordwesten van Syrië. Op 27 november begonnen de rebellen plotseling met een snelle opmars naar het oosten, richting Aleppo, een belangrijke stad waar tijdens de lange burgeroorlog van het land enkele van de wreedste en langdurigste gevechten plaatsvonden.’ Ze namen op 30 november ‘bijna zonder weerstand Aleppo in, de op een na grootste stad van het land. Daarna Hama, en enkele dagen later de belangrijkste stad Homs. Opstandelingen rukten ook op vanuit het oosten en zuiden, zodat Damascus geïsoleerd raakte. Binnen enkele uren vielen strijders de hoofdstad binnen, de zetel van Assads macht’, schetst de Britse omroep de razendsnelle opmars.
‘Uiteindelijk trokken de rebellen de hoofdstad binnen zonder een echt gevecht te hoeven leveren. Ze passeerden verlaten militaire controleposten terwijl er berichten rondgingen over soldaten die hun uniform hadden uitgetrokken’, voegt NYT toe. Assad was inmiddels gevlucht naar Rusland, zo maakten de autoriteiten daar bekend. In een statement op Telegram van afgelopen maandag zegt Assad dat hij niet van plan was geweest om te vluchten, maar dat hij op verzoek van de Russen is geëvacueerd, zo bericht Al Jazeera.
Wie is nu de baas in Syrië?
Hayat Tahrir al-Sham, wat Organisatie voor de Bevrijding van de Levant betekent, is de belangrijkste rebellengroep die het offensief aanvoerde dat leidde tot de val van president Bashar al-Assad. De groep leidt nu de overgang naar een nieuwe Syrische regering, legt The New York Times uit. Mohammed al-Bashir, een rebellenleider die is aangesloten bij Hayat Tahrir al-Sham, is benoemd tot interim-premier tot 1 maart. Al-Bashir stond eerder aan het hoofd van het bestuur in Idlib, een gebied in het noordwesten dat al jaren in handen is van de rebellen.
‘De staat van dienst van Hayat Tahrir al-Sham [in Idlib] kan enkele aanwijzingen geven over hoe het een veel groter gebied zal overzien. De groep handhaafde een robuuste interne veiligheidsmacht om andere militaire facties en binnenlandse critici het hoofd te bieden, wat leidde tot regelmatige protesten tegen de autoritaire methoden en de strenge gevangenisomstandigheden’, aldus de New Yorkse krant. De rebellengroepen zeiden amnestie te zullen verlenen aan lagere regeringsmedewerkers en militairen, maar beloofde hoge functionarissen van het vorige regime die betrokken waren bij martelingen en andere misstanden, op te sporen en te straffen.
‘We zullen de criminelen, moordenaars en veiligheids- en militaire officieren die betrokken waren bij het martelen van het Syrische volk ter verantwoording roepen,’ zei HTS-leider Ahmed al-Sharaa. Tot 2016 stond HTS bekend als Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al Qaida, maar dat jaar splitste de groep zich af van de terreurorganisatie. Oprichter Ahmad al-Sharaa vocht tegen de Amerikanen als lid van Islamitische Staat (IS) in Irak onder de schuilnaam Abu Muhammad al-Jolani, aldus The Economist. ‘HTS en Al-Sharaa zweren dat ze die tijd achter zich hebben gelaten.’
Het is nog niet gezegd dat buitenlandse mogendheden de nieuwe regering in Syrië haar gang laten gaan en de controle over het hele land laten voeren, aldus het Britse tijdschrift. Sommige buitenlandse mogendheden waren al actief in Syrië en hebben hun activiteit weer opgevoerd. ‘In het noorden botsen de aan Turkije gelieerde milities met Koerden die autonoom bestuur willen. In centraal Syrië bombarderen de Verenigde Staten IS-kampen uit angst dat de groep de jihad weer zal aanwakkeren. Israël heeft militaire uitrusting en chemische wapens vernietigd – en is de Golanhoogte binnengedrongen en heeft meer Syrisch grondgebied bezet’, somt The Economist op. Het Russische leger is begonnen met een grootschalige terugtrekking uit Syrië, bericht CNN, maar zal naar verwachting proberen om enkele belangrijke militaire bases te behouden, zoals de haven van Tartus.
Ook valt nog te bezien hoe HTS en de andere facties die betrokken waren bij de val van Assad, zoals het door Turkije gesteunde Syrische Nationale Leger – een verzameling milities – , de macht zullen verdelen. Maar vooralsnog werken ze samen, schrijft Financial Times. ‘Naast het risico op botsingen tussen rebellen, bestaat de vrees dat IS – dat ooit grote delen van het noorden en noordoosten van Syrië in handen had – zal proberen de chaos uit te buiten en een comeback te maken’, aldus de zakenkrant.
Hoe zal Syrië opgebouwd worden?
‘In een deel van de wereld dat geteisterd wordt door etnisch geweld en religieuze strijd, vrezen velen het ergste’, schrijft The Economistover de toekomst van Syrië na Assad. ‘De Arabische lente van 2010-2012 heeft geleerd dat landen die hun dictators hebben afgezet vaak worden overheerst door mannen die niet minder despotisch zijn. Reden temeer om te hopen op en te werken aan een betere uitkomst in Syrië.’
Economisch gaat het niet goed met Syrië, schrijft Haaretz. ‘Bijna veertien jaar burgeroorlog heeft onbeschrijfelijke schade toegebracht aan de economie, de infrastructuur en het menselijk kapitaal.’ Volgens de Wereldbank is de Syrische economie tussen 2010 en 2023 met 84 procent gekrompen. Haaretz vervolgt: ‘Een econoom schat dat de fysieke schade in het hele land 150 miljard dollar bedraagt (…). Eind 2023 waren er naar schatting 410.000 Syriërs gedood door oorlogsgeweld, waarmee de burgeroorlog het bloedigste conflict van de eenentwintigste eeuw is. Ongeveer de helft van de vooroorlogse bevolking is naar het buitenland gevlucht of ontheemd.’
Aan de overgangsregering van Mohammed al-Bashir nu de taak om het grondwerk te leggen voor de wederopbouw. Hun doel is om tot 1 maart ‘het land te stabiliseren door basisvoorzieningen te bieden aan burgers en een machtsstrijd tussen gewapende groepen over staatsmiddelen en ministeries te voorkomen’, aldus Al Jazeera. Daarna moet er een manier gevonden worden om de macht te delen, anders verliezen HTS en de overgangsregering hun geloofwaardigheid, waarschuwen deskundigen, en kan het geweld weer oplaaien.
Experts vrezen echter dat ‘HTS zal proberen met ijzeren vuist over heel Syrië te heersen. Volgens een rapport van het Syrian Network for Human Rights heeft HTS critici en tegenstanders gedwongen laten verdijwen en mensen doodgemarteld’, bericht Al Jazeera. De eerste acties van het nieuwe regime waren daarentegen gericht op verzoening.
Geir Pedersen, de speciale gezant van de Verenigde Naties voor Syrië, zei vorige week dat HTS en andere gewapende groepen die de hoofdstad controleren ‘geruststellende verklaringen’ hebben afgegeven over de vorming van een regering van ‘eenheid en inclusiviteit’, meldt The New York Times. Hij drong er bij de gewapende groepen in Syrië op aan om burgers te beschermen en een regering te vormen die de vele etnische en religieuze gemeenschappen in het land vertegenwoordigt.
In Aleppo, de eerste stad die door de rebellenalliantie werd veroverd toen die vorige maand met haar offensief begon, bood de HTS amnestie aan voormalige soldaten van het regime, ging de groep van deur tot deur om christelijke inwoners te verzekeren dat hun niets zou overkomen en stuurde ze de volgende boodschap naar Koerden: ‘Diversiteit is een kracht waar we trots op zijn’, schrijft The Guardian. ‘Naar verluidt heeft Al-Sharaa zelf diplomatieke inspanningen geleid om sjiitische leiders voor zich te winnen en zo belangrijke steden zonder verliezen veilig te stellen voor de rebellen’, voegt de Britse krant toe. ‘Het lijkt duidelijk dat Al-Sharaa’s focus lokaal is en zijn belang nationalistisch: het algmene welzijn van Syrië en zijn toegetakelde, getraumatiseerde, lijdende bevolking.’
The Economist waarschuwt HTS: ‘Als Al-Sharaa probeert om Syrië permanent te leiden als een gigantisch Idlib – een soennitisch leengoed gedomineerd door de HTS – zal hij falen. Syrië zal verdeeld blijven tussen rivaliserende krijgsheren.’ Ook het Britse tijdschrift roept op tot een inclusieve regering met oog voor minderheden: ‘De essentiële voorwaarde voor een stabiel Syrië is een tolerante en inclusieve regering.’ Maar voor The Economist sluit op een positieve toon af: ‘Maar voordat we de toekomst afschrijven, moeten we even stilstaan bij de vreugde van de Syriërs over het omverwerpen van een tirannieke dynastie.’
De val van het Assad-regime in Syrië heeft de machtsdynamiek in het Midden-Oosten op zijn kop gezet. De internationale gemeenschap wacht gespannen op de volgende stappen van de rebellen en de reacties van Iran en Rusland.
De Amerikaanse strategie in het Midden-Oosten werd jarenlang gedomineerd door Iran, dat het hart vormde van een ‘sjiitische sikkel’. Syrië speelde de rol van doorgang voor Iraanse wapens die door terroristische groepen werden gebruikt om Israël aan te vallen, en was ook de basis voor de Russische marine- en luchtmacht in de regio.
Maar toen de Syrische regering na meer dan een halve eeuw regeren afgelopen weekend met verbazingwekkende snelheid ten val kwam, waardoor nog een cruciaal element van de sikkel werd verbrijzeld, waren Amerikaanse inlichtingendiensten verrast. Vrijdagavond nog dachten hoge Amerikaanse functionarissen dat president Bashar al-Assad ongeveer 50 procent kans had om stand te houden – ook al zou dat betekenen dat hij naar de chemische wapens moest grijpen die hij tegen zijn eigen volk had gebruikt.
Washington ontwaakte zondagochtend in een nieuwe realiteit. Het is misschien wel de meest gedenkwaardige omwenteling tot nu toe in de veertien maanden sinds de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 een golf van gewelddadige vergelding ontketende en de machtsdynamiek in de regio veranderde.
Nu Assad is verdreven, slechts zes weken voor de inauguratie van de voor zijn tweede termijn verkozen president Trump, doen twee dringende en verwante vragen de ronde in Washington, die onder andere betekenen dat Trumps termijn er dramatisch anders uitziet dan toen hij bijna vier jaar geleden zijn ambt neerlegde.
Nieuw tijdperk van kwetsbaarheid
Ten eerste: zullen de rebellen de Iraniërs en de Russen van Syrisch grondgebied verdrijven, zoals sommige van hun leiders hebben aangekondigd? Of zullen ze een soort schikking treffen met de twee machten die hen in een lange burgeroorlog te gronde hebben gericht?
Ten tweede: zullen de Iraniërs – verzwakt door het verlies van Hamas en Hezbollah, en nu van Assad – concluderen dat hun beste strategie is om nieuwe onderhandelingen met Trump aan te gaan, slechts enkele maanden nadat ze huurmoordenaars hadden gestuurd om hem te vermoorden? Of zullen ze daarentegen de ontwikkeling van een kernbom versnellen, die door sommige Iraniërs wordt gezien als hun laatste verdedigingslinie in een nieuw tijdperk van kwetsbaarheid?
Het kan nog maanden duren voordat het antwoord op een van deze vragen duidelijk wordt. Maar wat er nu komen gaat, zal aantonen of zondag puur een bevrijdingsdag was en het begin markeerde van een wederopbouw, dan wel de opmaat blijkt te zijn naar nog meer militaire actie.
Voor de val van Damascus zei de leider van Hayat Tahrir al-Sham, de rebellengroepering die voorheen gelinkt was aan Al-Qaida en die de bliksemaanvallen op de regering van Assad leidde, tegen een interviewer van CNN dat ‘de revolutie is overgegaan van chaotisch naar meer gestructureerd’.
Maar militieleider Mohammad al-Jolani, die door de Verenigde Staten nog steeds gezocht wordt als terrorist, gaf geen informatie over hoe de groep denkt te zullen regeren. ‘Het belangrijkst is om instituties op te bouwen,’ zei hij, waarmee hij suggereerde dat hij een samenleving wil opbouwen waarheen ontheemde Syriërs kunnen terugkeren en die ze kunnen helpen opbouwen. ‘Het is niet langer de bedoeling dat één enkele heerser willekeurige beslissingen neemt.’
President Biden verklaarde dat dit ‘moment van kansen’ voor de wereld ‘ook een moment van risico’s en onzekerheid is’
Zoals Dan Shapiro, een voormalige Amerikaanse ambassadeur in Israël en nu een hoge Pentagonfunctionaris met verantwoordelijkheid voor het Midden-Oosten, het verwoordde: ‘Niemand zou een traan moeten laten om het Assad-regime.’ Minstens 580.000 mensen stierven in het eerste decennium van de burgeroorlog die in 2011 begon, schatte de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties drie jaar geleden, en miljoenen raakten gewond of ontheemd.
Maar het is één ding om de afzetting van Assad te vieren, die volgens de Russische staatstelevisie zondag in Moskou is aangekomen. Het is iets anders om het machtsvacuüm dat daaruit voortvloeit in goede banen te leiden – en om ervoor te zorgen dat Syrië geen terroristische staat van een ander soort wordt en ook niet een ‘mislukte’ staat, zoals Libië dat werd nadat Moammar al-Qadhafi dertien jaar geleden werd afgezet en vermoord.
President Biden erkende dit nadat hij zondagmiddag vanuit de Roosevelt Room van het Witte Huis verklaarde dat dit ‘moment van kansen’ voor de wereld ‘ook een moment van risico’s en onzekerheid is’ zodat ‘de vraag wat hierna komt ons allemaal bezighoudt’.
‘Vergis je niet, sommige rebellengroepen die Assad ten val hebben gebracht, hebben hun eigen grimmige staat van dienst op het gebied van terrorisme en mensenrechtenschendingen,’ zei hij. Hij merkte op dat leiders als Jolani ‘nu weliswaar de juiste dingen zeggen, maar naarmate ze meer verantwoordelijkheid op zich nemen, zullen we niet alleen hun woorden, maar ook hun daden beoordelen’.
Kroonjuweel
Die beoordeling zal echter grotendeels aan de regering van Trump overgelaten worden. Deze zal ook een test zijn voor de betekenis van zijn berichten op social media, waarin hij beweert dat de beste strategie voor de Verenigde Staten is om zich erbuiten te houden.
Het is onwaarschijnlijk dat Trump zich die luxe kan veroorloven. De Verenigde Staten hebben al een militaire troepenmacht van negenhonderd man in het oosten van Syrië, die IS-troepen opjaagt en aanvalt. En hoewel Trump tijdens zijn eerste termijn aanvankelijk de neiging had om zich terug te trekken, wisten zijn militaire adviseurs hem ervan te overtuigen dat een Amerikaanse terugtrekking uit de Syrische bases de strijd tegen de IS-strijdkrachten zou kunnen ondermijnen en belemmeren.
Op zondag, terwijl Assad op de vlucht was geslagen, namen de Verenigde Staten samenscholingen van IS-strijders onder vuur. Ze lieten bommen en raketten vallen in een poging tot terrorismebestrijding die volgens functionarissen geen verband hield met de val van Damascus. Een hoge regeringsfunctionaris noemde dit een ‘belangrijke aanval’.
En of Trump het nu erkent of niet, de Verenigde Staten hebben er groot belang bij dat Rusland wordt verdreven van zijn marinebasis in Tartus, de enige haven aan de Middellandse Zee waar Russische oorlogsschepen worden gerepareerd en ondersteund. ‘Voor Rusland is Syrië het belangrijkste strategische punt om een grote macht in de regio te worden, een gebied dat traditioneel onder invloed staat van de Verenigde Staten,’ zegt Natasha Hall, Syrië-expert bij het Center for Strategic and International Studies in Washington.
Het is duidelijk dat de Iraniërs dit weekend net zo verbijsterd waren als iedereen
Rusland heeft ook een Syrische luchtmachtbasis gebruikt om duizenden Syriërs te doden die zich verzetten tegen Assad. In een tijdperk van nieuwe koude oorlogen, waarin Rusland zijn invloed probeert uit te breiden, is de mogelijkheid dat Moskou permanent de toegang tot Syrië verliest een enorm strategisch voordeel voor de Verenigde Staten. Het zal ook een interessante eerste test zijn van hoe Trump omgaat met president Poetin, juist nu de onderhandelingen over de toekomst van Oekraïne op het punt staan te beginnen.
Maar de belangrijkere vraag is hoe de nieuwe president Iran zal aanpakken. In de afgelopen weken heeft hij belangstelling getoond voor nieuwe onderhandelingen met Teheran, zes jaar nadat hij de nucleaire overeenkomst met het land uit 2015 had opgezegd. De Iraniërs hebben ook enige interesse getoond in een dialoog – hoewel het niet duidelijk is of ze bereid zijn het nucleaire programma op te geven waarin ze de afgelopen jaren zoveel hebben geïnvesteerd.
Het risico is dat de Iraanse leiders besluiten dat het land zo verzwakt is – zijn bondgenoten zijn lamgelegd, de weg om wapens te verschepen via Syrië is in gevaar, zijn luchtafweer is weggevaagd door recente Israëlische aanvallen – dat het meer dan ooit een kernwapen nodig heeft.
Het is duidelijk dat de Iraniërs dit weekend net zo verbijsterd waren als iedereen. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Abbas Araghchi, zei op de staatstelevisie dat Teheran overrompeld was door de snelheid van de gebeurtenissen. ‘Niemand kon dit geloven,’ aldus Araghchi.
Iran is al dichter bij een kernwapen dan op enig ander moment in de twintig jaar dat Iran zich inspande om zijn nucleaire capaciteiten op te bouwen. Op vrijdag zei Rafael M. Grossi, de directeur-generaal van het Internationaal Atoomenergieagentschap, de nucleaire waakhond van de Verenigde Naties, dat Iran de productie van uranium dat bijna geschikt is voor bommen in een ‘dramatische stroomversnelling’ heeft gebracht. Het land heeft al een voorraad die voldoende is om vier bommen te maken, hoewel het een jaar tot achttien maanden kan duren om er een kernkop van te maken. De verklaring van Grossi suggereerde dat het land nu in zo’n hoog tempo bezig is dat het er nog veel meer kan produceren.
Dat kan gewoon een onderhandelstrategie zijn. Maar het is duidelijk dat het Iraanse leiderschap onder druk staat en de val van een oude bondgenoot en volgeling als Assad zal bij sommige Iraanse leiders waarschijnlijk de angst oproepen dat hun hetzelfde lot te wachten staat. Of die nieuwe onzekerheid hen ertoe zal aanzetten om zich via onderhandelingen uit de nesten te werken dan wel om naar het ultieme overlevingswapen te grijpen, is een van de vele raadsels van de toekomst.
Voormalig premier Mohammed Ghazi al-Jalali zal toezicht houden op de staatsinstellingen totdat ze worden overgedragen. Dat bericht Al Jazeera. Het hoofd van Hayat Tahrir al-Sham (HTS), Abu Mohammed al-Julani, zei dat al-Jalali, die in september door Assad tot premier werd benoemd, tot de overgang aan het roer zal blijven.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Oppositielegers zeiden zondag dat ze de hoofdstad Damascus hadden ‘bevrijd’ in een bliksemoffensief. Ze zeiden dat Bashar al-Assad de stad was ontvlucht, daarmee is een einde gekomen aan het 24-jarige bewind van de ‘Beul van Damascus’. Zijn verblijfplaats is onbekend.
Al-Jalali zei op zijn beurt, in een interview met Al Arabiya, dat zijn overgangsregering bereid is de macht over te dragen aan elke regering die door het volk wordt gekozen. Hij had contact gehad met de leider van de HTS om het beheer van de huidige overgangsperiode te bespreken en zei dat Syrië vrije verkiezingen zou moeten houden.
Het noordwesten van Syrië heeft na een burgeroorlog en een aardbeving dringend behoefte aan internationale hulp. Maar die steun is moeilijk te leveren. Het Syrische regime wil het getroffen gebied, dat in handen is van de rebellen, alleen maar meer laten lijden.
Er moest een van de zwaarste aardbevingen sinds een eeuw aan te pas komen, maar nu besteedt de wereld eindelijk weer aandacht aan Syrië: een land dat door twaalf jaar burgeroorlog in puin ligt, waar de politieke macht is verdeeld tussen de regering, milities en buitenlandse mogendheden en waar miljoenen binnenlandse ontheemden wonen.
De meeste beelden van de verwoesting zijn tot dusver afkomstig uit Turkije, waar op 6 februari vroeg in de ochtend een aardbeving met een kracht van 7,8 op de schaal van Richter plaatsvond, die gevolgd werd door nog een beving met een magnitude van 7,5. Er zijn inmiddels meer dan 41.000 doden vastgesteld in Turkije. Het totale dodental in Syrië bedraagt meer dan zesduizend.
Maar het leed in het noordwesten van het land, dat door rebellen is bezet en waartoe steden als Idlib behoren, is niet minder schrijnend. De aardbevingen volgen op jaren van meedogenloze bombardementen op de regio door Russische en Syrische regeringstroepen. Dit gebied, waar bijna drie miljoen ontheemden wonen, is al afgesneden van de internationale gemeenschap. Veel van de infrastructuur – waaronder ziekenhuizen, die vaak het doelwit van Russische vliegtuigen zijn – is geheel of gedeeltelijk verwoest door de oorlog. De aardbevingen hebben de situatie er nagenoeg ondraaglijk gemaakt.
Politiseren
Na de ramp van maandag heeft Syrië dus dringender dan ooit behoefte aan internationale hulp. Maar die is moeilijk te leveren. Hoewel Turkije al op uitgebreide steun kan rekenen, ligt hulpverlening aan Syrië door het voortdurende conflict en de internationale sancties tegen het Assad-regime logistiek en politiek gezien zeer ingewikkeld. En dat geldt in het bijzonder voor die kwetsbare gebieden in het noordwesten.
De Syrische en Russische regering zijn al begonnen de noodhulp te politiseren. Ze eisen dat de sancties tegen het regime worden opgeheven en zullen waarschijnlijk proberen hun macht over het noordwesten te heroveren. Het is daarom zaak dat de VS snel, en zelfs unilateraal, actie ondernemen. Niet alleen in de vorm van diplomatieke en militaire stappen, ook moeten ze Damascus en Moskou nauwgezet in de gaten houden.
De Syrische en Russische regeringen hielden zelfs al vóór de aardbeving streng toezicht op hulp die via de Turkse grens het land bereikte. De Syrische regering spreekt al langer de wens uit dat hulp aan gebieden die door de oppositie worden gecontroleerd, via Damascus loopt. Rusland gebruikt voortdurend zijn vetorecht om voorstellen van de Verenigde Naties voor meer hulp te blokkeren, evenals voorstellen om goederen te leveren via de Syrisch-Turkse hulpverleningsroute bij de Bab-al Hawa-grens.
Die route is nu door de aardbeving vernield. De humanitaire voorraden die al onderweg waren, waren na drie tot vijf dagen bedorven. Damascus krijgt enige noodhulp van Algerije, Iran, Irak en de Verenigde Arabische Emiraten, evenals van de Verenigde Naties. Maar door de moeilijke bereikbaarheid van het gebied en alle politieke obstakels waagt tot dusver bijna niemand zich aan de noordwestelijke regio.
De Syrische VN-ambassadeur heeft inmiddels hulp gevraagd aan andere landen en internationale hulporganisaties, maar pleit er tegelijkertijd voor om de hulp aan het noordwesten uitsluitend via de Syrische regering te laten lopen. Dat betekent dat de levens van mensen die het Syrische regime zijn ontvlucht en in rebellengebieden wonen mogelijk weer in handen zijn van Bashar al-Assad. Op sociale media roepen sommige pro Assad-accounts al op om hulp aan de rebellengebieden te weigeren.
Het Syrische regime schept er genoegen in de rebellengebieden nog meer te zien lijden
Gezien de omvang van de schade lijkt het niet meer dan logisch om internationale hulpinspanningen voor Syrië zoveel mogelijk te verwelkomen – ook als die hulp via Damascus loopt. Dit zou betekenen dat de regering van Assad via de noordgrens onbelemmerde toegang moet verlenen tot de oppositiegebieden. Maar het Syrische regime zal zich daar ongetwijfeld tegen verzetten en er genoegen in scheppen de rebellengebieden nog meer te zien lijden. Bovendien zal het de hulp aan Damascus afschilderen als teken van internationale steun voor het Assad-regime.
Charles Lister, onderzoeker bij het Middle East Institute in Washington, D.C., vindt het begrijpelijk dat Turkije zich nu op zijn eigen situatie concentreert. Maar volgens hem bestaan er andere grensovergangsgebieden die de Verenigde Staten – met toestemming van Turkije en gecoördineerd met de Koerden en andere lokale krachten – kunnen gebruiken om hulp te verlenen aan het noordwesten van Syrië. Eenheden van het Amerikaanse leger zijn bovendien al aanwezig in delen van het noordwesten en -oosten van Syrië en zouden hulpgoederen uit vliegtuigen kunnen afwerpen. Maar door het winterweer en een gebrek aan precisie bij het droppen is deze optie verre van ideaal. Het Amerikaanse leger zou ook zijn basis in het noordoosten van het land als knooppunt kunnen gebruiken voor het organiseren van humanitaire hulp. Hulporganisaties kunnen dan daarvandaan, in coördinatie met de Turken en de Koerden, de rebellengebieden bereiken.
Toenadering
De afgelopen maanden hebben de VAE en Jordanië toenadering gezocht tot Assad, die vorig jaar op bezoek was in Abu Dhabi. De Verenigde Staten verzetten zich tegen een dergelijke toenadering. Het land heeft sinds de aardbeving hulp toegezegd aan mensen aan weerszijden van de grens, maar geen toenadering gezocht tot de regering van Assad.
Over hoe de Amerikaanse regering Noordwest-Syrië zal bijstaan heeft ze nog weinig laten weten. President Joe Biden zei op 6 februari dat ‘ook humanitaire partners die door de VS gesteund worden reageren op de verwoestingen in Syrië’. Zijn verklaring werd nog eens herhaald door de woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
De Syriërs zijn al veel te lang verwaarloosd en vergeten
Samantha Power, administratief medewerker bij USAID [het Amerikaanse agentschap voor ontwikkelingshulp], tweette op 7 februari dat ze met Raed al-Saleh heeft overlegd over hoe dit Amerikaanse agentschap urgente hulp kan bieden aan de Syriërs. Al-Saleh is het hoofd van Syria Civil Defence, de humanitaire vrijwilligersgroep die ook bekendstaat als de Witte Helmen en actief is in het rebellengebied. De Witte Helmen verrichten al jaren heldhaftig werk door mensen uit het puin van gebombardeerde huizen, gebouwen en ziekenhuizen te redden. Al hun drieduizend vrijwilligers zoeken momenteel naar overlevenden, maar naar verluidt raakt hun brandstof op.
Logistiek gezien wordt het een nachtmerrie. Maar de Verenigde Staten en de internationale gemeenschap moeten aandringen op onmiddellijke noodhulp aan Syriërs in de oppositiegebieden. Daarna moeten er creatieve oplossingen komen om de vooruitzichten voor Syriërs op de lange termijn te verbeteren, zonder het regime vrij te pleiten.
Deze aardbeving leert ons dat het absoluut noodzakelijk is dat de internationale gemeenschap is voorbereid op mogelijke problemen in een kwetsbaar gebied als Noordwest-Syrië. En dat de diepe wonden van deze regio niet simpelweg kunnen worden dichtgeschroeid en vervolgens genegeerd, zoals Washingtons strategie lijkt te zijn geweest. De Syriërs zijn al veel te lang verwaarloosd en vergeten.
Eyad A. is de eerste handlanger van het Assad-regime die veroordeeld is voor oorlogsmisdaden. Woensdag deed een Duitse rechter de historische uitspraak. ‘Het vonnis schept een precedent om degenen die in Syrië blijven moorden ter verantwoording te roepen voor hun daden.’
In ’s werelds eerste proces wegens misdaden tegen de menselijkheid door de Syrische staat, heeft de rechtbank in de Duitse stad Koblenz een vonnis geveld. Eyad A., werkzaam voor de Syrische geheime dienst, moet een gevangenisstraf van vierenhalf jaar uitzitten, bericht Deutsche Welle.
Eyad A. werd schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan foltering en ernstige vrijheidsberoving. In het vonnis staat dat A., als onderdeel van ‘een wijdverbreide en systematische aanval op de burgerbevolking’, anderen heeft geholpen bij het van hun vrijheid beroven en het folteren van dertig in hechtenis genomen personen, meldt de Frankfurter Allgemeine Zeitung. ‘De rechtbank noemt Eyad A. een “medeplichtige” en beschuldigt hem niet persoonlijk van marteling, maar stelt dat hij op de hoogte was van de “regelmatige en systematische folteringen in de gevangenis (…) en de folteringen van de gedetineerden heeft gedoogd”.’
De federale aanklager had vijfenhalf jaar gevangenisstraf geëist tegen A. Maar de verdediging vroeg om vrijspraak met het argument dat A.’s leven in gevaar zou zijn geweest als hij bevelen niet had opgevolgd en dat hij zou zijn terechtgesteld als hij was gevlucht. Inderdaad nam hij weliswaar deel aan de arrestatie van demonstranten tegen het Assad-regime, maar gehoorzaamde hij niet aan het bevel van een meerdere om op hen te schieten.
(1/3) PRESS RELEASE⁰ Verdict in the #AlKhatib trial: In the first worldwide trial to address state crimes in #Syria, Eyad A. was sentenced today to 4 years & 6 months in prison for aiding and abetting crimes against humanity
Eyad A. was slechts een ‘radertje’, oordeelt de Süddeutsche Zeitungin een commentaar. Omdat zijn verklaringen de procedure tegen hem in de eerste plaats mogelijk maakten en de procedure tegen hoofdverdachte Anwar R., die als kolonel van de Syrische geheime dienst leiding had over de beruchte Al-Khatib-gevangenis, vergemakkelijkten, viel de straf lager uit.
Anwar R. wordt beschuldigd van medeplichtigheid aan ten minste 4000 gevallen van foltering en 58 moorden. Zijn proces werd vorige week gescheiden van het proces tegen Eyad A., in oktober wordt een vonnis verwacht, schrijft de Neue Zürcher Zeitung.
‘De naar Duitsland gevluchte mensen zijn in eerste plaats slachtoffers van de oorlog, maar er zitten ook daders tussen’
De rechtszaken tegen Eyad A. en Anwar R. tonen sterke gelijkenissen: beiden waren als vluchteling Duitsland binnengekomen nadat ze zich hadden losgemaakt van het regime van Assad en Syrië waren ontvlucht, aldus SZ in een ander artikel. De rechtszaak tegen R. loopt nog.
‘De naar Duitsland gevluchte mensen zijn in eerste plaats slachtoffers van de oorlog, maar er zitten ook daders tussen. Syriërs die in naam van de staat of als lid van milities misdaden begaan hebben’, schrijft Süddeutsche Zeitungin april bij de start van het proces tegen Eyad A. en Anwar R. In het artikel ‘De spion, de aanklager, de meeloper en het regime’ beschrijft SZ hoe de Syrische vluchteling Anwar al-Bunni strijdt voor de berechting van Syrische oorlogsmisdadigers in Duitsland.
De rechtszaak in Koblenz is het eerste strafproces tegen leden van het Syrische regime wegens misdaden tegen de menselijkheid. Het proces werd mogelijk gemaakt door het sinds 2002 in Duitsland geldende beginsel van ‘universele jurisdictie’ dat het mogelijk maakt ernstige misdrijven op het gebied van de mensenrechten te bestraffen, ongeacht waar zij zijn gepleegd en tegen wie zij zijn gericht.
Zulke procedures in derde landen zijn des te belangrijker omdat een rechtszaak bij het Internationaal Strafhof niet mogelijk is, schrijft NZZ in een commentaar. De reden hiervoor is dat Syrië geen lid is van het tribunaal en dat Rusland in de VN-Veiligheidsraad een proces in het hof in Den Haag blokkeert.
‘Voor veel Syriërs heeft de uitspraak een grote symbolische betekenis’, schrijft de Frankfurter Allgemeine. Zij hopen dat het proces een signaal aan Damascus zal zijn dat geen enkele dader nog veilig is.
Ook SZ schrijft dat ‘het vonnis in Koblenz een precedent schept om degenen die in Syrië blijven moorden ter verantwoording te roepen voor hun daden’.
Maar er zijn ook kanttekeningen te plaatsen bij de veroordeling. ‘Nu kan men aanvoeren dat een proces tegen een simpele stroman als Eyad A. slechts een zwak substituut is voor een proces tegen de werkelijke plegers van foltering en oorlogsmisdaden in Syrië, in de eerste plaats president Bashar al-Asad’, aldus het commentaar van NZZ. ‘Hij wordt niet alleen als staatshoofd beschermd door immuniteit tegen vervolging in derde landen. Hij is ook veilig voor het Internationaal Strafhof, dankzij de bescherming Rusland.’
‘Voor het eerst erkent een rechtbank de martelingen voor wat ze zijn: een misdaad tegen de menselijkheid’
‘Ook kan worden aangevoerd dat een vonnis tegen een deserteur als Eyad A. een verkeerd signaal afgeeft aan andere aanhangers van het regime die overwegen naar het buitenland over te lopen’, vervolgt NZZ. ‘De medewerker van de Al-Khatib-gevangenis in Damascus brak al vrij vroeg met het regime en toonde tijdens het proces berouw voor zijn daden. Zijn advocaten voerden aan dat hij geen andere keuze had dan om mee te werken met het regime.’
NZZ plaatst ook vraagtekens bij het feit dat de rechtszaak in Duitsland wordt gevoerd: ‘Is een proces in Koblenz, dat niet eens in het Arabisch wordt vertaald, een geschikte manier om de burgeroorlog in Syrië aan te pakken? Kan een Duitse provinciale rechtbank recht doen aan de complexiteit van een conflict waarbij verschillende machten betrokken zijn, die ook bloed aan hun handen hebben?’
Al die bezwaren zijn gerechtvaardigd, concludeert NZZ, maar ‘dankzij de zorgvuldige voorbereiding van het federale parket en de geëngageerde steun van Syrische advocaten en Duitse mensenrechtenactivisten, heeft het proces ook belangrijke inzichten opgeleverd in het martelapparaat van Assad. Voor de overlevenden en alle andere gemartelde slachtoffers van het regime biedt het vonnis voldoening, omdat voor het eerst een rechtbank hun mishandeling erkent voor wat die is: een misdaad tegen de menselijkheid.’
Martelgevangenissen
De folterpraktijken in de Syrische gevangenissen zijn nauwgezet onderzocht in het proces dat sinds april vorig jaar bij de rechtbank van Koblenz loopt. Zowel overlevenden als familieleden van slachtoffers van foltering zijn als getuige en medeaanklager opgetreden. Zij beschreven herhaaldelijk gruwelijke details uit de martelgevangenissen.
Volgens hen was er sprake van verkrachtingen, werden gevangenen aan hun polsen opgehangen, mishandeld met elektrische schokken, overgoten met kokend water en werden hun vingernagels uitgetrokken, aldus het dagblad uit Frankfurt. Volgens een getuigenissenrapport waren systematische foltering, uithongering en afranselingen aan de orde van de dag in de gevangenissen van het Syrische regime, aldus FAZ.
Sinds hun arrestatie zijn bijna 100.000 Syriërs ‘verdwenen’, onder wie bijna 1740 kinderen
‘De getuigenissen werden geïllustreerd door schokkende foto’s die door een ex-militair fotograaf het land uit werden gesmokkeld en die in het geheugen blijven hangen van iedereen die ze ooit onder ogen kreeg’, aldus SZ.
Volgens de organisatie Syrian Network for Human Rights zijn van maart 2011 tot eind 2020 in Syrië bijna 15.000 mensen aantoonbaar vermoord door foltering, waarvan 98,7 procent door medewerkers van het Syrische regime. Bovendien zijn sinds hun arrestatie bijna 100.000 Syriërs ‘verdwenen’, onder wie bijna 1740 kinderen.
Niet alleen in Duitsland, maar ook in Zweden, Noorwegen en Oostenrijk zijn aanklachten tegen hooggeplaatste ambtenaren van het Syrische staatsapparaat ingediend. Tot dusver wordt alleen in Koblenz een proces gevoerd, bericht FAZ.
Volgens schattingen van Syrische mensenrechtenactivisten, zoals Al-Bunni, die het proces in Koblenz steunen en begeleiden, wonen in Duitsland tussen de vierhonderd en vijfhonderd criminele handlangers van het regime.
Syrische oorlogsmisdadigers in Nederland
Ook in Nederland zijn aanwijzingen dat zich hier Syrische oorlogsmisdadigers bevinden die asiel hebben gekregen, zo blijkt uit onderzoek van NRC van afgelopen december. Het artikel rept van ‘enkele tientallen [Syriërs in Nederland] die door het regime zijn ingezet om demonstranten in elkaar te slaan, burgers te martelen of te vermoorden’.
Vijftig jaar geleden greep Hafez al-Assad de macht in Syrië. Voor de vader van huidig machthebber Bashar al-Assad ging het pad van studentenleider tot dictator niet over rozen. Neue Zürcher Zeitung maakte een portret van de stamvader van de huidige Syrische dictator.
Toen Hafez al-Assad in 1930 ter wereld kwam in een arm bergdorp bestond het Syrië dat hij later zou regeren nog niet. Met het einde van de Eerste Wereldoorlog was er ook een einde gekomen aan het Ottomaanse rijk, en Parijs en Londen verdeelden het Midden-Oosten onder elkaar. Het Arabische cultuurgebied langs de oostelijke kust van de Middellandse Zee werd opgedeeld. Het zuiden werd het Britse Palestina, waaruit later Israël en Jordanië ontstonden. Ten noorden daarvan splitste Frankrijk de rest van het Ottomaanse Syrië op langs religieuze grenzen: Libanon voor de christenen, de kustgebieden rondom Latakia voor de alawieten en de bergen ten zuiden van Damascus voor de druzen. Een groot deel van de vroegere provincie Aleppo wees Parijs toe aan Turkije. Overbleef het rompstaatje Syrië.
Assad zal later voor zijn gasten uit het Westen betogen vol verwijt afsteken over de verminking van het grote Syrië. Al op zestienjarige leeftijd sloot hij zich aan bij de juist opgerichte Baath-partij, die de Arabische natie wilde verenigen en vernieuwen (baath betekent ‘wedergeboorte’). Hun ideologen zochten antwoorden op existentiële vragen: welke grenzen moet het vaderland hebben? Hoe kunnen de Arabieren hun rechtmatige positie in de wereld opeisen? En hoe brengen we de oude elite ten val?
De macht in Syrië was toen in handen van de soennitische bourgeoisie in de grote steden, die de religieuze minderheden minachtte als ‘onvolwaardige Arabieren’. De oprichters van de Baath-partij waren echter afgestudeerd aan de Parijse elite-universiteit de Sorbonne. Zij introduceerden subversieve ideeën zoals secularisme en socialisme in het Midden-Oosten. En die vielen vooral bij de minderheden – alawieten, druzen, ismaëlieten en christenen – in vruchtbare aarde.
Ook al mocht Assad het westerse imperialisme graag ervanlangs geven, hij en andere alawieten profiteerden indirect van de Franse koloniale tijd. Om de soennitische meerderheid in Syrië te controleren en opstanden te onderdrukken had Parijs bij voorkeur alawieten en bijbehorende andere ‘betrouwbare’ minderheden gerecruteerd voor zijn speciale Levanttroepen. ‘Door de diensttijd bij de Fransen ontstond er een alawitische militaire traditie die beslissend is voor de latere opkomst van de geloofsgemeenschap,’ schrijft historicus Patrick Seale in zijn Assad-biografie.
Maar de Fransen brachten vooral ook onderwijs in de afgelegen dorpen van de in hoofdzaak alawitische kustgebieden. Onder de Ottomanen was dit ondenkbaar. Zij zagen in de alawieten, wier geloof verwant is met de sjiitische islam, goddeloze ketters. Maar Assad kon nu als een van de eerste kinderen in zijn dorp naar een basisschool, en later naar een gymnasium in Latakia, waar hij tot de besten van zijn klas behoorde.
De robuust gebouwde Assad was niet alleen een goede leerling. Als jonge partij-activist bewees hij op straat al snel over leiderskwaliteiten te beschikken, en op zijn eenentwintigste werd hij tot voorzitter van de Syrische studentenunie gekozen. Hij en zijn medestrijders deelden pamfletten uit, schreven slogans op de muren en relden tegen de politie en tegen rivaliserende partijgangers, zoals de islamistische Moslimbroeders. ‘De broeders hadden het op Assad gemunt en probeerden meermaals hem een pak slaag te geven,’ schrijft Seale. Eén keer hadden ze hem geïsoleerd en zouden ze hem een mes in de rug gestoken hebben.
Gevechtspiloot
Assad wilde eigenlijk medicijnen studeren, maar daarvoor hadden zijn ouders, vooraanstaande boeren in het dorp Kurdaha, geen geld. Daarom ging Assad naar de militaire academie, om gevechtspiloot te worden. Aangezien ook veel andere jongemannen uit achtergestelde bevolkingsgroepen en minderheden deze weg kozen, werd het leger een broedplaats voor revolutionairen die zich tegen de heersende klasse van de soennitische ondernemersfamilies en grootgrondbezitters verzetten. Van de onafhankelijkheid tot de machtsovername door Hafez al-Assad in 1970 beleefde Syrië zestien militaire staatsgrepen, waarvan er negen succes hadden.
Assads voorbeeld was het Egyptische staatshoofd Gamal Abdel Nasser
De opkomst van de alawieten begon in 1963 met een door Baath-officieren geleide coup, waaraan ook Assad deelnam. Drie jaar eerder had de jonge luchtmachtofficier met vier kameraden buiten medeweten van de Baath-leiding het Militair Comité opgericht. Twee van hen waren alawieten, twee ismaëlieten, een eveneens met de sjiieten verwante geloofsrichting. Op weg naar de macht schakelden ze eerst hun tegenstanders en vervolgens elkaar uit.
Assads voorbeeld was het Egyptische staatshoofd Gamal Abdel Nasser. Die bracht in 1952 met zijn vrije officieren de monarchie ten val, ging de confrontatie aan met de westerse grootmachten en zocht toenadering tot de Sovjet-Unie. Vooral de nationalisering van het Suezkanaal in 1956 tegen de Britse en Franse belangen in maakte Nasser tot een held in de hele Arabische wereld. Men verwachtte zo veel van Nasser dat Syrië twee jaar later een unie met Egypte aanging.
De Verenigde Arabische Republiek (VAR) mislukte echter al gauw omdat Nasser zijn Syrische partners degradeerde tot onderdanen. Hij decimeerde het Syrische officierskorps, ontnam de partijen hun macht en begon socialistische hervormingen door te voeren – hij nationaliseerde onder andere de banken. Daarmee riep hij in Syrië het verzet op van zowel de conservatieve krachten als de linkse Arabische nationalisten. In 1961 maakten conservatieve soennitische officieren uit Damascus een eind aan het verbond met Egypte. Slechts twee jaar later bracht Assads militaire comité samen met overtuigde nasseristen de ‘secessionisten’ weer ten val, waarbij Assad de taak had om Dumair, het steunpunt van de luchtmacht ten oosten van Damascus, onder zijn controle te brengen.
Een paar weken voor de coup in Damascus had de Iraakse tak van de Baath-partij in februari 1963 de macht overgenomen in Bagdad. Het idee van een pan-Arabische unie tussen Syrië, Irak en Egypte werd serieus besproken, er was zelfs een ontwerp voor een grondwet. Maar Assad en zijn Baath-officieren wensten een Arabische federatie met Egypte op voet van gelijkheid. Omdat dat voor de machtsbewuste Nasser onbespreekbaar was, lanceerde de Egyptische president een propagandacampagne tegen de Baath-partij. Dat was het einde van de pan-Arabische illusies in Damascus: Assads Militair Comité zuiverde het officierskorps van het leger van nasseristen en dwong pro-Egyptische ministers tot aftreden.
Voor de Baath-officieren leek het nu duidelijk dat ze het leger volledig onder controle moesten hebben om hun regime te stabiliseren. De strijdkrachten moesten niet meer een afspiegeling zijn van het partijenlandschap waarin verschillende fracties met elkaar rivaliseerden, maar een exclusief instrument in dienst van één partij: de Baath. In opdracht van het Militair Comité organiseerde de pas 33-jarige luchtmachtcommandant Assad een hiërarchische partijstructuur binnen het leger en zorgde ervoor dat de sleutelposities werden bezet door loyalisten.
Terwijl hij zich op de achtergrond geduldig bezighield met de strategische personeelspolitiek, liet Assad de regeringsposten over aan andere leden van het Militair Comité. De alawiet Mohammed Umran werd plaatsvervangend regeringsleider, Salah Jadid – ook een alawiet – klom op tot chef van de generale staf [andere bronnen vermelden dat Salah Jadid een druus was, en niet een alawiet-red]. De rol van staatshoofd werd overgedragen aan de soenniet Amin al-Hafiz, die algauw gold als Syriës sterke man. Later zei Assad echter: ‘Zonder onze toestemming kon hij geen soldaat overplaatsen.’
Geëlimineerd
Maar nauwelijks was de Baath aan de macht en had ze haar rivalen geëlimineerd of er ontstonden scheuren tussen de partij en haar militaire vleugel, en ook binnen het Militair Comité. Umran was het niet eens met de meedogenloze manier waarop Hafiz, Jadid en Assad in 1964 een gewapende opstand van de door de lokale zakenwereld gesteunde Moslimbroeders neersloegen. Umran wendde zich daarom tot Michel Aflak, de oprichter en jarenlange secretaris-generaal van de Baath, en verried hem de geheime structuren van het Militair Comité. Om tegen het Militair Comité op te treden verbond de civiele partij-elite zich met generaal Hafiz, die onafhankelijk wilde zijn.
In februari 1966 kwam het tot een confrontatie tussen de oude Baath-garde rondom de oud-student van de Sorbonne Michel Aflak en het door Jadid aangevoerde Militair Comité. Zwaarbewapende eenheden – waarbij Assads jongere broer Rifaat een van de commandanten was – vielen de residentie van het staatshoofd Hafiz aan, die na lange gevechten moest capituleren. Hafiz, Aflak en andere wegbereiders van het Baathisme gingen in ballingschap. Umran werd in 1972 in het Libanese Tripoli vermoord, kort voor zijn geplande terugkeer naar Syrië.
Na de coup werd Assad minister van Defensie, maar al gauw beleefde hij een paar van zijn zwartste en leerzaamste dagen. Verzwakt door de eindeloze interne machtsstrijd had het Syrische leger in de Zesdaagse oorlog van 1967 op de Golanhoogten niets in te brengen tegen Israël. In de nasleep liep de spanning met Jadid op. ‘Assad was bereid samen te werken met alle Arabische staten, ook de zogenaamd reactionaire monarchieën Jordanië en Saoedi-Arabië, om een sterke positie tegenover Israël te verwerven,’ verklaart Syrië-expert Nikolaos van Dam. Voor Jadid kon daar geen sprake van zijn: ‘Zijn mensen wilden zich concentreren op de opbouw van een socialistische staat in Syrië.’
Terwijl het regime de klassenstrijd streed, rijke families onteigende en hun leden ontsloeg uit overheidsdienst, installeerde Assad als defensieminister zijn mensen op de sleutelposities in het leger. Onder invloed van Jadid onthief het partijcongres Assad van zijn functie. Maar kort daarop, op 13 november 1970, liet de toen 40-jarige Assad zijn tegenspeler bij een vreedzame coup arresteren. Tot zijn dood in 1993 zat Jadid in een gevangenis in Damascus. ‘Dat was het einde van degenen die meenden dat de partij machtiger was dan het leger,’ aldus Van Dam.
Als Hafez nog had geleefd was het mogelijk niet eens tot een burgeroorlog gekomen in Syrië
Assad voelde zich sterk genoeg om af te zien van een soennitische stroman voor het hoogste ambt in de staat. In 1973 liet hij zich door een volksraadpleging tot president kiezen. De alleenheerschappij van Assad en zijn door alawieten gecontroleerde veiligheidsdienst verzekerden Syrië decennialang van een voordien onvoorstelbare politieke stabiliteit. Dat hij zich verzoende met de (soennitische) hogere en middenklasse in de steden doordat hij een liberalere economische politiek voerde, droeg daar ook aan bij. ‘Assad was pragmatischer dan alle andere Baath-leiders, geen marxist of leninist,’ zegt de Syrische publicist en activist Ayman Abdel Nur. ‘Hij begreep de gelaagdheid van de samenleving en gaf elke groep iets wat ze graag wilden.’
Ook in de buitenlandse politiek toonde Assad zich flexibel. Met Sovjet-Russische wapenhulp bouwde hij een leger van 400.000 man op zonder zich aan de communistische doctrine of het dictaat van Moskou te onderwerpen. Hoewel hij zichzelf beschouwde als Arabisch nationalist en reïncarnatie van de intussen gestorven Nasser, ging Assad na de islamitische revolutie van 1979 in Iran een alliantie aan met het anti-Israëlische moellahregime en later met de sjiitische Hezbollah-militie in Libanon. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, zocht Assad toenadering tot het Westen en nam in de Golfoorlog van 1990 deel aan de coalitie tegen de Iraakse dictator Saddam Hoessein.
Toen Hafez al-Assad in het jaar 2000 stierf, nam zijn jongere zoon Bashar de leiding over. De door Hafez opgebouwde ‘sjiitische as’ van Iran tot Libanon bleek na het uitbreken van de burgeroorlog in 2011 van levensbelang voor het overleven van het alawitische regime. Maar als Hafez nog had geleefd was het mogelijk niet eens tot een burgeroorlog gekomen, meent Abdel Nur. Het netwerk van de vader was veel uitgebreider dan dat van zijn zoon Bashar. Het omvatte alle religieuze groeperingen en alle belangrijke zakenlieden, in het bijzonder die van Damascus en Aleppo. Ieder kreeg wat hem toekwam. Alleen met hun steun zou het Assad senior in 1982 gelukt zijn de hernieuwde opstand van de Moslimbroeders in Hama neer te slaan. Die slachting kostte wel zo’n 20.000 doden.
In tegenstelling tot zijn vader kreeg Bashar de macht in de schoot geworpen. De oogarts werd in het jaar 2000 alleen maar opvolger omdat zijn oudere broer Bassel – een parachutist en commandant in de republikeinse garde – bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Bashar heeft de erfenis verspeeld, zoals zonen van rijke ouders meestal doen, volgens Abdel Nur: ‘Hij werd te begerig.’ De hele economie werd onder controle gebracht van zijn neef Rami Makhlouf. ‘Daarom zijn de Syriërs geflipt.’
Maar ondanks alle goede eigenschappen geldt ook voor Hafez al-Assad: ‘Hij was een moordenaar, net als zijn zoon. Maar hij had politieke ervaring.’
Een van de oudste kranten ter wereld, opgericht in 1780. Dagblad van wereldklasse bekend om zijn intellectuele diepgaande stijl en zijn liberale signatuur.
Kader: Misdaden tegen de menselijkheid
Duitse federale aanklagers onderzoeken sinds november of er voldoende bewijzen bestaan om het regime van president Bashar al-Assad aan te klagen voor misdaden tegen de menselijkheid.
Die Deutsche Welle en Der Spiegel kregen exclusieve toegang tot getuigenissen en documenten diedeel uitmaken van wat omschreven wordt als ‘baanbrekend onderzoek’.
Het Duitse federale parket ontving begin oktober een beroep van drie ngo’s over de vermeende sarinaanvallen in 2013 en 2017, naar aanleiding van het in 2002 in Duitsland geïntroduceerde principe van universele jurisdictie over internationale misdrijven. Daarmee werd de rechtsmacht uitgebreid om tot vervolging van een internationale macht over te kunnen gaan, zelfs als de misdaden niet op het grondgebied van de aanklagende partij zijn gepleegd. Dat kan sinds 2002 maar is nauwelijks eerder gebruik van gemaakt.
Het Internationaal Strafhof in Den Haag kan geen recht spreken over het conflict in Syrië omdat Assads bondgenoot Rusland in de Veiligheidsraad een vetorecht heeft.
Dit was voor het consortium van ngo’s aanleiding om gezamenlijk beroep aan te tekenen bij het federale parket van Karlsruhe, waar een speciale eenheid voor oorlogsmisdaden al een informeel onderzoek was gestart naar de oorlog in Syrië in 2011.
De president werd eerder door het OPCW, de waakhond van de Verenigde Naties voor chemische wapens, al verantwoordelijk gesteld voor drie chemi- sche aanvallen in maart 2017 in de stad Al-Lataminah, in het westen van Syrië.
Het rapport van de VN was gebaseerd op inter- views met ooggetuigen die bij de aanval aanwezig waren, onderzoek dat ter plaatse werd uitgevoerd, het oordeel van artsen en experts, en de analysevan beelden. Minstens 106 mensen zouden bij de chemische aanvallen met het zenuwgas sarin en met chloorgas door de Syrische luchtmacht om het leven zijn gekomen. ‘Mensen waren als insecten die worden gedood door insecticiden. Ze lagen op straat, auto’s stopten, je kon de lijken binnen opgestapeld zien liggen,’ vertelde een verpleegster. Het is een van de weerzinwekkende verhalen, in handen van de Duitse pers, van mensen die de aanslagen overleefd hebben.
De huidige demissionaire minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag slaagde er destijds in als Nederlandse speciale coördinator van de vernietigingsmissie van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW), 96 procent van de voorraad dodelijke gassen te ontmantelen. Of dat daadwerkelijk gebeurd is, kon de Veiligheidsraad van de VN niet met zekerheid zeggen omdat er afwijkingen in de oorspronkelijke opgave van de voorraad wapens werden vastgesteld. Sarin is reukloos en onzichtbaar en leidt tot vrijwel onmiddellijke verlamming van de luchtwegen. Overlevenden van de aanval wijzen het regime van Bashar al-Assad unaniem als schuldig aan.
Bewijs komt voornamelijk van ooggetuigen, hoog- geplaatst militair personeel en onderzoekers van het Syrische Centrum voor Wetenschappelijke Studies en Onderzoek, dat verantwoordelijk is voor het chemische wapenprogramma van het land. Er wordt beweerd dat de jongere broer van president Assad, Maher al-Assad, toen de militaire commandant was die in 2013 opdracht gaf voor het gebruik van zenuwgas. Volgens getuigenverklaringen is het vrijwel onmogelijk dat het dodelijke sarin zonder de goedkeuring van president Bashar al-Assad gebruikt zou zijn. Volgens documenten in het bezit van Deutsche Welle is het niet onwaarschijnlijk dat president Assad zijn broer toestemming heeft gegeven om de aanval uit te voeren.
De vraag is of er voldoende informatie is voor het federaal parket. Volgens deskundigen op het gebied van internationaal recht, meldt Der Spiegel, worden oorlogsmisdaden vaak gepleegd in een systeem van strijdkrachten, waarin het bestaan van een hiërarchie een dergelijke willekeur toelaat. Volgens Robert Haynes, universitair hoofddocent internationaal recht aan de Universiteit van Leiden, kan iedereen
die bevelen geeft voor aanslagen verantwoordelijk gesteld worden. Zelfs als het bevel niet persoonlijk werd gegeven, maar van hogerhand kwam.
In Duitsland is de wet over universele rechtsmacht nog maar één keer toegepast, op de veroordeling van de Rwandese Hutu-rebellenleider Ignace Murwhanashyaka en zijn medeplichtige. Beiden werden veroordeeld voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Het vonnis werd drie jaar later vernietigd en de Hutuleider stierf in de gevangenis voordat een nieuw proces van start kon gaan. In Koblenz werd een strafrechtelijke procedure ingesteld tegen een hooggeplaatst lid van het Assad-regime wegens vermeende systematische foltering.
Of de Duitse aanklagers meer succes hebben inhun missie tegen de oorlogsvoering van het Syrische regime is uiteraard nog de vraag.
Vijftig jaar geleden greep Hafez al-Assad de macht in Syrië. Voor de vader van huidig machthebber Bashar al-Assad ging het pad van studentenleider tot dictator niet over rozen. Neue Zürcher Zeitung maakte een portret van de stamvader van de huidige Syrische dictator.
Toen Hafez al-Assad in 1930 ter wereld kwam in een arm bergdorp bestond het Syrië dat hij later zou regeren nog niet. Met het einde van de Eerste Wereldoorlog was er ook een einde gekomen aan het Ottomaanse rijk, en Parijs en Londen verdeelden het Midden-Oosten onder elkaar. Het Arabische cultuurgebied langs de oostelijke kust van de Middellandse Zee werd opgedeeld. Het zuiden werd het Britse Palestina, waaruit later Israël en Jordanië ontstonden. Ten noorden daarvan splitste Frankrijk de rest van het Ottomaanse Syrië op langs religieuze grenzen: Libanon voor de christenen, de kustgebieden rondom Latakia voor de alawieten en de bergen ten zuiden van Damascus voor de druzen. Een groot deel van de vroegere provincie Aleppo wees Parijs toe aan Turkije. Overbleef het rompstaatje Syrië.
Assad zal later voor zijn gasten uit het Westen betogen vol verwijt afsteken over de verminking van het grote Syrië. Al op zestienjarige leeftijd sloot hij zich aan bij de juist opgerichte Baath-partij, die de Arabische natie wilde verenigen en vernieuwen (baath betekent ‘wedergeboorte’). Hun ideologen zochten antwoorden op existentiële vragen: welke grenzen moet het vaderland hebben? Hoe kunnen de Arabieren hun rechtmatige positie in de wereld opeisen? En hoe brengen we de oude elite ten val?
Subversieve ideeën
De macht in Syrië was toen in handen van de soennitische bourgeoisie in de grote steden, die de religieuze minderheden minachtte als ‘onvolwaardige Arabieren’. De oprichters van de Baath-partij waren echter afgestudeerd aan de Parijse elite-universiteit de Sorbonne. Zij introduceerden subversieve ideeën zoals secularisme en socialisme in het Midden-Oosten. En die vielen vooral bij de minderheden – alawieten, druzen, ismaëlieten en christenen – in vruchtbare aarde.
Ook al mocht Assad het westerse imperialisme graag ervanlangs geven, hij en andere alawieten profiteerden indirect van de Franse koloniale tijd. Om de soennitische meerderheid in Syrië te controleren en opstanden te onderdrukken had Parijs bij voorkeur alawieten en bijbehorende andere ‘betrouwbare’ minderheden gerecruteerd voor zijn speciale Levanttroepen. ‘Door de diensttijd bij de Fransen ontstond er een alawitische militaire traditie die beslissend is voor de latere opkomst van de geloofsgemeenschap,’ schrijft historicus Patrick Seale in zijn Assad-biografie.
Op weg naar de macht schakelden ze eerst hun tegenstanders en vervolgens elkaar uit
Maar de Fransen brachten vooral ook onderwijs in de afgelegen dorpen van de in hoofdzaak alawitische kustgebieden. Onder de Ottomanen was dit ondenkbaar. Zij zagen in de alawieten, wier geloof verwant is met de sjiitische islam, goddeloze ketters. Maar Assad kon nu als een van de eerste kinderen in zijn dorp naar een basisschool, en later naar een gymnasium in Latakia, waar hij tot de besten van zijn klas behoorde.
De robuust gebouwde Assad was niet alleen een goede leerling. Als jonge partij-activist bewees hij op straat al snel over leiderskwaliteiten te beschikken, en op zijn eenentwintigste werd hij tot voorzitter van de Syrische studentenunie gekozen. Hij en zijn medestrijders deelden pamfletten uit, schreven slogans op de muren en relden tegen de politie en tegen rivaliserende partijgangers, zoals de islamistische Moslimbroeders. ‘De broeders hadden het op Assad gemunt en probeerden meermaals hem een pak slaag te geven,’ schrijft Seale. Eén keer hadden ze hem geïsoleerd en zouden ze hem een mes in de rug gestoken hebben.
Gevechtspiloot
Assad wilde eigenlijk medicijnen studeren, maar daarvoor hadden zijn ouders, vooraanstaande boeren in het dorp Kurdaha, geen geld. Daarom ging Assad naar de militaire academie, om gevechtspiloot te worden. Aangezien ook veel andere jongemannen uit achtergestelde bevolkingsgroepen en minderheden deze weg kozen, werd het leger een broedplaats voor revolutionairen die zich tegen de heersende klasse van de soennitische ondernemersfamilies en grootgrondbezitters verzetten. Van de onafhankelijkheid tot de machtsovername door Hafez al-Assad in 1970 beleefde Syrië zestien militaire staatsgrepen, waarvan er negen succes hadden.
De opkomst van de alawieten begon in 1963 met een door Baath-officieren geleide coup, waaraan ook Assad deelnam. Drie jaar eerder had de jonge luchtmachtofficier met vier kameraden buiten medeweten van de Baath-leiding het Militair Comité opgericht. Twee van hen waren alawieten, twee ismaëlieten, een eveneens met de sjiieten verwante geloofsrichting. Op weg naar de macht schakelden ze eerst hun tegenstanders en vervolgens elkaar uit.
Assads voorbeeld was het Egyptische staatshoofd Gamal Abdel Nasser. Die bracht in 1952 met zijn vrije officieren de monarchie ten val, ging de confrontatie aan met de westerse grootmachten en zocht toenadering tot de Sovjet-Unie. Vooral de nationalisering van het Suezkanaal in 1956 tegen de Britse en Franse belangen in maakte Nasser tot een held in de hele Arabische wereld. Men verwachtte zo veel van Nasser dat Syrië twee jaar later een unie met Egypte aanging.
Assad (midden) in 1969 tijdens een ontmoeting met de Egyptische president Gamal Abdel Nasser (rechts)
De Verenigde Arabische Republiek (VAR) mislukte echter al gauw omdat Nasser zijn Syrische partners degradeerde tot onderdanen. Hij decimeerde het Syrische officierskorps, ontnam de partijen hun macht en begon socialistische hervormingen door te voeren – hij nationaliseerde onder andere de banken. Daarmee riep hij in Syrië het verzet op van zowel de conservatieve krachten als de linkse Arabische nationalisten. In 1961 maakten conservatieve soennitische officieren uit Damascus een eind aan het verbond met Egypte. Slechts twee jaar later bracht Assads militaire comité samen met overtuigde nasseristen de ‘secessionisten’ weer ten val, waarbij Assad de taak had om Dumair, het steunpunt van de luchtmacht ten oosten van Damascus, onder zijn controle te brengen.
Een paar weken voor de coup in Damascus had de Iraakse tak van de Baath-partij in februari 1963 de macht overgenomen in Bagdad. Het idee van een pan-Arabische unie tussen Syrië, Irak en Egypte werd serieus besproken, er was zelfs een ontwerp voor een grondwet. Maar Assad en zijn Baath-officieren wensten een Arabische federatie met Egypte op voet van gelijkheid. Omdat dat voor de machtsbewuste Nasser onbespreekbaar was, lanceerde de Egyptische president een propagandacampagne tegen de Baath-partij. Dat was het einde van de pan-Arabische illusies in Damascus: Assads Militair Comité zuiverde het officierskorps van het leger van nasseristen en dwong pro-Egyptische ministers tot aftreden.
Het leger wordt de partij
Voor de Baath-officieren leek het nu duidelijk dat ze het leger volledig onder controle moesten hebben om hun regime te stabiliseren. De strijdkrachten moesten niet meer een afspiegeling zijn van het partijenlandschap waarin verschillende fracties met elkaar rivaliseerden, maar een exclusief instrument in dienst van één partij: de Baath. In opdracht van het Militair Comité organiseerde de pas 33-jarige luchtmachtcommandant Assad een hiërarchische partijstructuur binnen het leger en zorgde ervoor dat de sleutelposities werden bezet door loyalisten.
Terwijl hij zich op de achtergrond geduldig bezighield met de strategische personeelspolitiek, liet Assad de regeringsposten over aan andere leden van het Militair Comité. De alawiet Mohammed Umran werd plaatsvervangend regeringsleider, Salah Jadid – ook een alawiet – klom op tot chef van de generale staf [andere bronnen vermelden dat Salah Jadid een druus was, en niet een alawiet-red]. De rol van staatshoofd werd overgedragen aan de soenniet Amin al-Hafiz, die algauw gold als Syriës sterke man. Later zei Assad echter: ‘Zonder onze toestemming kon hij geen soldaat overplaatsen.’
Maar nauwelijks was de Baath aan de macht en had ze haar rivalen geëlimineerd of er ontstonden scheuren tussen de partij en haar militaire vleugel, en ook binnen het Militair Comité. Umran was het niet eens met de meedogenloze manier waarop Hafiz, Jadid en Assad in 1964 een gewapende opstand van de door de lokale zakenwereld gesteunde Moslimbroeders neersloegen. Umran wendde zich daarom tot Michel Aflak, de oprichter en jarenlange secretaris-generaal van de Baath, en verried hem de geheime structuren van het Militair Comité. Om tegen het Militair Comité op te treden verbond de civiele partij-elite zich met generaal Hafiz, die onafhankelijk wilde zijn.
In februari 1966 kwam het tot een confrontatie tussen de oude Baath-garde rondom de oud-student van de Sorbonne Michel Aflak en het door Jadid aangevoerde Militair Comité. Zwaarbewapende eenheden – waarbij Assads jongere broer Rifaat een van de commandanten was – vielen de residentie van het staatshoofd Hafiz aan, die na lange gevechten moest capituleren. Hafiz, Aflak en andere wegbereiders van het Baathisme gingen in ballingschap. Umran werd in 1972 in het Libanese Tripoli vermoord, kort voor zijn geplande terugkeer naar Syrië.
Defensieminister
Na de coup werd Assad minister van Defensie, maar al gauw beleefde hij een paar van zijn zwartste en leerzaamste dagen. Verzwakt door de eindeloze interne machtsstrijd had het Syrische leger in de Zesdaagse oorlog van 1967 op de Golanhoogten niets in te brengen tegen Israël. In de nasleep liep de spanning met Jadid op. ‘Assad was bereid samen te werken met alle Arabische staten, ook de zogenaamd reactionaire monarchieën Jordanië en Saoedi-Arabië, om een sterke positie tegenover Israël te verwerven,’ verklaart Syrië-expert Nikolaos van Dam. Voor Jadid kon daar geen sprake van zijn: ‘Zijn mensen wilden zich concentreren op de opbouw van een socialistische staat in Syrië.’
Terwijl het regime de klassenstrijd streed, rijke families onteigende en hun leden ontsloeg uit overheidsdienst, installeerde Assad als defensieminister zijn mensen op de sleutelposities in het leger. Onder invloed van Jadid onthief het partijcongres Assad van zijn functie. Maar kort daarop, op 13 november 1970, liet de toen 40-jarige Assad zijn tegenspeler bij een vreedzame coup arresteren. Tot zijn dood in 1993 zat Jadid in een gevangenis in Damascus. ‘Dat was het einde van degenen die meenden dat de partij machtiger was dan het leger,’ aldus Van Dam.
Als Hafez nog had geleefd was het mogelijk niet eens tot een burgeroorlog gekomen in Syrië
Assad voelde zich sterk genoeg om af te zien van een soennitische stroman voor het hoogste ambt in de staat. In 1973 liet hij zich door een volksraadpleging tot president kiezen. De alleenheerschappij van Assad en zijn door alawieten gecontroleerde veiligheidsdienst verzekerden Syrië decennialang van een voordien onvoorstelbare politieke stabiliteit. Dat hij zich verzoende met de (soennitische) hogere en middenklasse in de steden doordat hij een liberalere economische politiek voerde, droeg daar ook aan bij. ‘Assad was pragmatischer dan alle andere Baath-leiders, geen marxist of leninist,’ zegt de Syrische publicist en activist Ayman Abdel Nur. ‘Hij begreep de gelaagdheid van de samenleving en gaf elke groep iets wat ze graag wilden.’
Ook in de buitenlandse politiek toonde Assad zich flexibel. Met Sovjet-Russische wapenhulp bouwde hij een leger van 400.000 man op zonder zich aan de communistische doctrine of het dictaat van Moskou te onderwerpen. Hoewel hij zichzelf beschouwde als Arabisch nationalist en reïncarnatie van de intussen gestorven Nasser, ging Assad na de islamitische revolutie van 1979 in Iran een alliantie aan met het anti-Israëlische moellahregime en later met de sjiitische Hezbollah-militie in Libanon. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, zocht Assad toenadering tot het Westen en nam in de Golfoorlog van 1990 deel aan de coalitie tegen de Iraakse dictator Saddam Hoessein.
Burgeroorlog
Toen Hafez al-Assad in het jaar 2000 stierf, nam zijn jongere zoon Bashar de leiding over. De door Hafez opgebouwde ‘sjiitische as’ van Iran tot Libanon bleek na het uitbreken van de burgeroorlog in 2011 van levensbelang voor het overleven van het alawitische regime. Maar als Hafez nog had geleefd was het mogelijk niet eens tot een burgeroorlog gekomen, meent Abdel Nur. Het netwerk van de vader was veel uitgebreider dan dat van zijn zoon Bashar. Het omvatte alle religieuze groeperingen en alle belangrijke zakenlieden, in het bijzonder die van Damascus en Aleppo. Ieder kreeg wat hem toekwam. Alleen met hun steun zou het Assad senior in 1982 gelukt zijn de hernieuwde opstand van de Moslimbroeders in Hama neer te slaan. Die slachting kostte wel zo’n 20.000 doden.
In tegenstelling tot zijn vader kreeg Bashar de macht in de schoot geworpen. De oogarts werd in het jaar 2000 alleen maar opvolger omdat zijn oudere broer Bassel – een parachutist en commandant in de republikeinse garde – bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Bashar heeft de erfenis verspeeld, zoals zonen van rijke ouders meestal doen, volgens Abdel Nur: ‘Hij werd te begerig.’ De hele economie werd onder controle gebracht van zijn neef Rami Makhlouf. ‘Daarom zijn de Syriërs geflipt.’
Maar ondanks alle goede eigenschappen geldt ook voor Hafez al-Assad: ‘Hij was een moordenaar, net als zijn zoon. Maar hij had politieke ervaring.’
Hadden de Syriërs beter niet in opstand kunnen komen tegen president Assad? Het lijkt gezien alle slachtoffers misschien een terechte vraag, maar dat is het niet, schrijft Youssef Bazzi. ‘De schuld ligt niet bij de bevolking, maar bij het regime.’
‘De revolutie had nooit mogen uitbreken,’ zeggen miljoenen Syriërs en andere Arabieren. Een opvatting die stoelt op de rampspoed en de verschrikkingen die alle Syriërs hebben bezocht. Het contrast tussen de dromen die de aanhangers van de revolutie koesterden en wat er op die revolutie volgde, is dan ook ondraaglijk.
Als er geen revolutie was geweest, zo luidt de verleidelijke redenering, waren er geen 500.000 Syriërs omgekomen en geen 2 miljoen mensen door kogels of granaatscherven verwond, zouden er geen 250.000 gevangenen zijn gemarteld noch 5 miljoen burgers zijn gevlucht of in ballingschap gegaan, waren er geen 6 miljoen anderen ontheemd geraakt en geen tientallen steden en honderden dorpen verwoest.
Zeven jaar van pijn, van tranen, van honger, van angst en moeten vluchten hadden voorkomen kunnen worden als de Syriërs deze vervloekte revolutie niet waren begonnen. Het leven was doorgegaan zoals het zich generaties lang had voltrokken, in een prachtig, bruisend, rijk en kalm Syrië. Zelfs een meedogenloze tirannie zou verre te verkiezen zijn geweest boven een vernietigd, verscheurd, verloren land.
De noodzakelijke uitkomst van een dergelijke logica is dat het bewind niet verantwoordelijk is voor wat deze oorlog heeft aangericht
De overtuigingskracht van een dergelijke voorstelling van zaken berust op een typisch menselijk instinct, waarvan het Syrische regime en zijn aanhangers gebruik hopen te maken om de meerderheid van de bevolking de schuld van de burgeroorlog in de schoenen te schuiven. Deze burgers hadden de vastbeslotenheid van het regime en de middelen die het tot zijn beschikking had onderschat door het aanvankelijk, in al zijn wreedheid, met een civiele opstand te tarten. Vervolgens grepen die burgers naar de wapens om hun huis en haard en dierbaren te verdedigen, en vernietigden ze het land.
De Syriërs verwijten dat zij een bloedige tragedie hebben uitgelokt omdat zij in opstand kwamen, dat zij voor politiek realisme hadden moeten kiezen, is een zuivere vorm van hypocrisie: het regime treft geen blaam, juist vanwege zijn brute aard. De schuld ligt dus bij de Syriërs, die na tientallen jaren van repressie beter hadden moeten weten. De noodzakelijke uitkomst van een dergelijke logica is dat het bewind niet verantwoordelijk is voor wat deze oorlog heeft aangericht.
De Syriërs die spijt hebben van de revolutie die in maart 2011 uitbrak, hadden liever continu onder het juk van een tirannie geleefd. Dat was immers altijd beter dan de dood die nu al zeven jaar lang om zich heen grijpt in het land. Ze vergeten één ding: vanaf 1970, toen Hafez Assad, vader van de huidige president, de macht greep, hebben Syriërs herhaaldelijk het risico van een revolutie en de prijs van de onderdrukking tegen elkaar afgewogen. Ruim veertig jaar lang aanvaardden ze dat een afschuwelijk regime beter was dan oorlog en vernietiging, dat stilte en angst de voorkeur genoten boven de strop. Degenen die zich thans in spijt wentelen zijn vergeten dat het Syrische volk gedurende het bewind van de Baath-partij het hoofd boven water hield met wijsheden als ‘liever vernedering dan het graf’ of ‘liever onderwerping dan de dood’.
De Syriërs hadden de lessen geleerd van de in bloed gesmoorde opstanden van Hama, Jisr al-Shoeghoer en Aleppo in de vroege jaren tachtig. Maar de wapenstilstand die ze daarop met Assad sloten omwille van civiele vrede en stabiliteit werd op den duur ondraaglijk. Zijn we al vergeten dat de Syriërs afzagen van een opstand in 2000, na het overlijden van president Hafez Assad, en in 2005, toen de Syrische troepen zich gedwongen uit Libanon terugtrokken? Tweemaal werd de ‘Damasceense lente’ afgezegd uit vrees dat deze in een uitslaande brand zou ontaarden.
Je kunt het ook zo zien: het regime heeft de revolutie zelf veroorzaakt. Het heeft er zelf voor gezorgd dat de mensen van Deraa, Homs en de buitenwijken van Damascus niet meer konden zwijgen. Het heeft de demonstraties aangegrepen om de woede op te stoken en te verspreiden. Het onderdrukte de protestbeweging op buitensporige wijze, om alle Syriërs te pijnigen. Met andere woorden, de revolutie is door het regime gefabriceerd. Dit was het moment waarop het had gewacht om het land de oorlog te verklaren.
Voor iedereen die het discours van loyalisten van het Syrische regime de afgelopen zeven jaar heeft gevolgd, de speeches van Bashar Assad heeft gehoord, alsmede de lof die ‘dichters’ en ‘kunstenaars’ hem toezongen, was het duidelijk hoe mateloos zij de Syriërs minachtten, hoe hartgrondig ze het volk haatten en hoezeer zij het wensten uit te roeien. Het regime en zijn handlangers wilden niet langer gedwongen samenleven met de meerderheid van de bevolking. In de ogen van het bewind was de revolutie een oorlog waard. Er deed zich onverhoopt de kans voor om Syrië buit te maken, het te koloniseren zelfs. Deze oorlog is namelijk een ware kolonisatieoorlog, compleet met uitroeiing, zuivering van hele gemeenschappen en demografische herschikking.
Nu, na zeven jaar, na wat in formele diplomatieke taal wordt gekenschetst als ‘de ergste humanitaire ramp sinds de Tweede Wereldoorlog’, luidt de eis aan de Syriërs dat zij een eind maken aan het bloedvergieten en het land beschermen – wat ervan is overgebleven. Niet alleen worden zij geacht te capituleren en hun nederlaag te erkennen (een kwestie van tijd), ook dienen zij, en dat is het allermoeilijkste, terug te keren in de schoot van het regime. Onder twee voorwaarden: ten eerste dat het regime wordt schoongewassen van alles wat het heeft aangericht en dat de schanddaden van zijn leger, zijn milities en zijn bondgenoten worden vergeten. De tweede eis, nog erger dan stilzwijgen, spijt en berouw, is de verplichting om van dit regime te houden. De zegevierende macht is niet langer tevreden met een geterroriseerd en onderdanig volk, want dat levert geen duurzame loyaliteit op. Elke terugkeer onder de vleugels van het bewind die een gedwongen indruk maakt, wordt streng bestraft. Aan de machthebbers de taak om ieders geest en geweten te doorzoeken op mogelijke kiemen van toekomstige opstandigheid.
Absolute liefde
Absolute liefde als voorwaarde voor overleving. Erger nog, de slachtoffers moeten uit het collectieve geheugen verdwijnen. Het is zaak dat de doden hun dood verbergen en dat de gefolterden hun beulen bedanken en hun handen kussen. Wat de levenden betreft: zij moeten zich schamen dat ze het hebben overleefd. Het regime eist van de Syriërs dat zij de door hun president tegen hen gepleegde misdaden beschouwen als een zegen, omdat hij ze van de zonde en de zelfmoord heeft gered.
Daarom is het idee dat de revolutie had moeten worden vermeden, niets anders dan een veroordeling tot slavernij. Het is het onveranderlijke antwoord op de vraag die de handlangers van Assad stelden toen zij de hoofden van de demonstranten met hun laarzen verpletterden: ‘Ach, is dat wat jullie willen? Vrijheid?’
Syria TV is een van de vele particuliere Syrische nieuwskanalen met een multimediasite. Het is gevestigd in Turkije en propageert de ‘waarden van de revolutie’ door op te roepen tot inclusief burgerschap en zowel de dictatuur als religieus extremisme te verwerpen. Syria TV is in 2017 opgericht door een groep jonge Syrische journalisten.
In Syrië zijn door de oorlog veel mannen spoorloos. Hoe moeten hun echtgenotes zich opstellen? De Syrische Islamitische Raad heeft onlangs een fatwa uitgevaardigd.
De Syrische Islamitische Raad heeft op 17 september een fatwa uitgevaardigd met regels waaraan een vrouw gebonden is als haar echtgenoot afwezig of spoorloos is. Volgens de officiële website van de Raad zijn er veel vrouwen van wie de echtgenoot soms al jaren gevangenzit zonder dat ze weten waar hij is of hoe het met hem gaat, of hij dood is of nog in leven. Hoe dienen vrouwen zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen? Moeten ze hun man als overleden beschouwen? Kunnen ze om een echtscheiding vragen? Mogen ze hertrouwen?
De rechtsgeleerden noemen een man vermist als er niets van hem is vernomen, als er geen nieuws van hem is, als het niet bekend is of hij dood is of levend of als hij gevangen is genomen dan wel spoorloos als gevolg van de oorlog. In die gevallen wordt ervan uitgegaan dat hij nog leeft, wat betekent dat de echtgenote niet mag hertrouwen noch haar aandeel mag erven. Dat mag allebei pas als zijn dood door een islamitische rechter is bevestigd.
In geval van aanhoudende vermissing kan de echtgenote een rechter verzoeken de dood vast te stellen of de scheiding wegens geleden schade uit te spreken. Indien de rechter de dood waarschijnlijk acht, stelt hij een wachttijd in. Als de echtgenoot niet binnen die tijd opdaagt, wordt bepaald dat hij is overleden.
Als blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig
Als later blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig. De vrouw moet dan drie maandstonden wachten alvorens terug te keren naar haar eerste echtgenoot, met een nieuw huwelijkscontract. Als hij haar terugkeer niet wenst, kan hij teruggave eisen van de bruidsschat van de tweede echtgenoot. Wat zijn keuze ook is, er valt niet aan te tornen.
Volgens de Raad mag een vrouw hoe dan ook om opheffing van het huwelijk verzoeken indien de afwezigheid van de echtgenoot haar nadeel heeft berokkend, hij haar met te weinig middelen van bestaan heeft achtergelaten, of wanneer zij vreest in zonde te vervallen. De rechter buigt zich echter pas een jaar na de verdwijning van de echtgenoot over dit verzoek, teneinde diens rechten veilig te stellen.
Wanneer een huwelijk wordt opgeheven nog voordat het is geconsumeerd, moet de vrouw de bruidsschat terugbetalen aan de familie van de verdwenen of afwezige echtgenoot. Als het huwelijk wordt ontbonden nadat het al is geconsumeerd, behoort de bruidsschat haar volledig toe.
Indien de echtgenoot afwezig blijft, maar er wel informatie over hem bekend is zonder dat hij kan worden bereikt, bijvoorbeeld omdat hij naar een ver land is afgereisd of omdat hij ergens is waar hij niet weg kan, is het huwelijk nog geldig en kan de vrouw niet hertrouwen. Doet zij dat toch, dan is het nieuwe huwelijk nietig en zal het worden ontbonden, ook als zij schade heeft geleden door de langdurige afwezigheid van haar oorspronkelijke echtgenoot.
De toelichting van de Syrische Islamitische Raad hierbij luidt: ‘Indien de vrouw in bevrijd gebied woont [dus niet onder de controle van het officiële bewind], wordt haar zaak rechtstreeks aan een shariarechtbank voorgelegd. Indien verblijvend in een derde land, machtigt zij een persoon of een gespecialiseerde instantie om haar zaak voor te leggen aan een gerecht in bevrijd gebied, teneinde langs deze weg een uitspraak te verkrijgen over scheiding of overlijden.’
Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar?
Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.
‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’
Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’
Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.
Keuze tussen twee kwaden
Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.
‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’
Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.
Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’
In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.
Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als “een schandvlek”. “Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord”
Mark Afeeva, een in sportzaken gespecialiseerde advocaat in Londen, vindt Syrië ‘een duidelijk geval van systematische staatsinmenging in de sport’ en zegt: ‘De wereldvoetbalbond heeft simpelweg de ballen niet om op te treden tegen wat overduidelijk een zeer kwalijke zaak is.’
Fadi Dabbas, vicevoorzitter van de Syrische voetbalbond en teamchef van het nationale elftal, wijst alle beschuldigingen van de hand. Volgens hem zijn ze afkomstig van spelers in ballingschap die tegen het regime zijn: ‘De regering beschermt het Syrische volk, en hun probleem is dat zij Syrië verlaten hebben en alleen voor zichzelf spreken.’
De mogelijke WK-deelname van Syrië stelt niet alleen de FIFA, maar ook spelers en supporters voor een moreel dilemma. Honderden Syrische spelers zijn het land ontvlucht. Daaronder ook voormalige leden van de nationale selectie, zoals verdediger Firas al-Ali. Kort nadat zijn nichtje van dertien bij een regeringsaanval was omgekomen, is hij Syrië halsoverkop ontvlucht. Nu zit hij in een tentenkamp bij Karkamis, aan de Turkse grens. Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als ‘een schandvlek’, zegt hij. ‘Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord. Die spelers voeren de vlag des doods.’
Seremban, Maleisië. Een klamme middag in september 2016. In de lobby van The Royale Bintang Resort & Spa zitten de spelers van het Syrische nationale elftal te wachten op de bus die hen naar het trainingsveld moet brengen. Hun thuiswedstrijd in de derde kwalificatieronde spelen ze hier in Maleisië, want het Syrische team is als een weeskind dat van pleeggezin naar pleeggezin zwerft. Normaal werkt het zijn thuiswedstrijden af in het stadion van Damascus of Aleppo, maar dat mag niet meer van de FIFA, omdat de veiligheid van spelers en supporters daar niet gegarandeerd is. In de tweede speelronde kon Syrië zijn thuiswedstrijden nog afwerken in Oman, maar ditmaal kon het team nergens in het Midden-Oosten terecht. Enkele dagen voor de eerste wedstrijd deed Macau een aanbod, dat al snel weer werd ingetrokken. In arren moede heeft de Syrische bond nu zijn toevlucht genomen tot Seremban, een industriestad aan de andere kant van de Indische Oceaan, meer dan 7500 kilometer van Syrië vandaan.
De spelers hebben een afmattende reis achter de rug. ‘Eerst hoorden we dat we zouden spelen in Qatar, toen in Libanon of Macau,’ zegt aanvoerder Abdulrazak al-Hussein. ‘Ik weet niet hoe het precies gegaan is. Je zou toch niet steeds overal geweigerd moeten worden.’ Drie dagen eerder hebben ze uit met 1-0 verloren van Oezbekistan. Na de lange reis hierheen moeten ze over twee dagen aantreden tegen Zuid-Korea. Tien jaar geleden speelden ze al eens in eigen land tegen dat team, voor 35.000 man publiek. Terwijl ze zitten te wachten, vragen de spelers zich af hoeveel supporters er ditmaal zullen opdagen. ‘Hopelijk toch wel drie,’ zegt er een lachend.
Met al deze problemen is het helemaal een wonder dat het team nog niet is uitgeschakeld. Naast de logistieke problemen en het ontbreken van belangrijke spelers zit de nationale ploeg ook op zwart zaad. Sancties van de EU en de VS hebben de FIFA gedwongen om de ontwikkelingsgelden voor het Syrische voetbal te bevriezen. Hier in Seremban trainen ze op een armetierig veldje om geen 3500 dollar veldhuur aan het stadion te hoeven betalen, zegt Kouteiba al-Refai, de gekweld kijkende secretaris-generaal van de bond, die zelf ook geen salaris ontvangt.
Na de tweede speelronde staat Syrië tweede in de groep, achter Japan. Het land is in 31 jaar niet zo dicht bij kwalificatie voor een WK geweest. Door de FIFA is het zwakke team op het schild geheven als de ultieme underdog. Op de website fifa.com staan verhalen over hoe het kleine land tegen de klippen op een WK-ticket in de wacht lijkt te slepen. ‘De prestatie van Syrië lijkt welhaast een wonder’, stond er in februari nog te lezen. Maar in al die verhalen blijft één detail steeds onvermeld: dat het elftal een regime vertegenwoordigt dat wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking. Impliciet onderschrijft de FIFA zo het standpunt van het regime dat het nationale elftal politiek neutraal is. Volgens Dabbas, de zakenman die optreedt als teamchef, willen ze ‘alle Syriërs verenigen’ en ‘de wereld laten zien dat Syrië nog leeft’. Tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat ze ‘voor onze president’ spelen: ‘Elke Syriër in Syrië vertegenwoordigt president Assad, en zijne excellentie president Bashar al-Assad vertegenwoordigt ons. Wij zijn trots op onze president. We zijn trots op wat hij heeft bereikt. Wij willen hem bedanken voor wat hij voor ons land heeft gedaan, we staan achter hem en volgen zijn leiding.’ Volgens Dabbas volgt Assad de verrichtingen van het team op de voet.
Er zijn genoeg tekenen dat de nationale ploeg niet het hele Syrische volk vertegenwoordigt, maar vooral een wrede dictatuur die hiermee zijn menselijke gezicht wil tonen. In november 2015 verscheen toenmalig bondscoach Fajer Ebrahim op een persconferentie in een T-shirt met een foto van Assad. Het is Syrische vluchtelingen niet ontgaan dat hij het podium van het WK toen aangreep om Assad te prijzen als ‘de beste man ter wereld’. Ook toen hij in Kuala Lumpur door ESPN werd geïnterviewd, begon hij spontaan Assad te prijzen. ‘Zonder onze president zou Syrië worden vernietigd,’ zei hij. Op de vraag of een voetbalcompetitie de geëigende plek was voor politieke uitspraken, was zijn antwoord: ‘Alles heeft nu met alles te maken.’
Omdat het regime al duizenden critici heeft gemarteld en vermoord, is het soms moeilijk in te schatten hoe oprecht de uitlatingen van spelers en leden van de technische staf zijn. Volgens Anas Ammo zijn familieleden van sommige spelers opgepakt of gedood. ‘Ze moeten in feite wel spelen om hun familieleden in leven te houden,’ zegt Ammo, die ons verzoekt geen namen te noemen, om spelers en hun familie niet in gevaar te brengen. Andere spelers zijn oprecht trouw aan Assad. Maar Ammo zegt ook van twee spelers te weten dat ze bang zijn dat de overheid hun paspoort intrekt, zodat ze niet meer in het buitenland kunnen spelen. Volgens hem zou een groot deel van het team ervandoor gaan als hun paspoort niet kon worden ingetrokken.
‘Wat ik ook doe, twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken’
Nauwelijks bekomen van de lange vliegreis treden de Syriërs op een benauwde avond in september aan in het Tuanku Abdul Rahman-stadion in Seremban. Dat heeft een capaciteit van 45.000 man, maar ondanks de gratis toegang zitten er nog geen vijfduizend toeschouwers. Ter hoogte van de middenlijn zit een honderdtal Syriërs hun team aan te moedigen, vooral studenten die zijn overgekomen uit Kuala Lumpur. Het altijd sterke Zuid-Korea speelt dreigend maar komt niet tot scoren, en al snel is Syrië alleen nog bezig om er een 0-0 uit te slepen, en daarmee zijn eerste wedstrijdpunt in deze speelronde. Om de zoveel minuten gaat er weer een Syriër naar de grond om tijd te rekken. De supporters rollen een spandoek uit: een enorme foto van Assad. ‘Syrië, Syrië,’ scanderen ze. Beveiligers snellen toe en laten het spandoek weghalen. Dan klinkt het eindsignaal: 0-0. Iemand van de technische staf maakt een radslag en de reservespelers stormen het veld op. ‘Dit is geen prestatie, dit is een wonder,’ zegt aanvoerder Hussein na afloop. ‘Vandaag hebben we bewezen dat we niet gewoon spelers zijn, maar helden.’
Dan Berlijn. Een ijskoude, regenachtige middag in februari. Een andere werkelijkheid. Twee dozijn Syrische vluchtelingen dicht opeengepakt in de kleedkamer van de SV Buchholz, een amateurclub die uitkomt op het achtste niveau. Een grijze keet met een sportveldje, midden in een woonwijk. Een voor een trekken de Syriërs een groen voetbalshirt uit een papieren zak. Voor het raam hebben ze de vlag van de Syrische revolutie gehangen – groen-wit-zwart met drie rode sterren. Ten minste twee teams, een in Turkije en een in Duitsland, voetballen namens het Vrije Syrië. Alle spelers hier in Berlijn maken deel uit van de Syrische vluchtelingenpopulatie, inmiddels al bijna zes miljoen mensen groot. Er zitten veteranen bij uit de Syrische competitie; volgens hun coach Nihad Saadeddine vertegenwoordigen ze ‘de mensen die zijn onderdrukt door het regime’ en ‘de sporters die hun leven hebben gegeven voor hun land’.
Dan druppelen ook de spelers van SV Buchholz binnen. Opgewekt en zorgeloos, blond en kerngezond, als modellen uit een Duitse reisbrochure. De Syriërs vormen zelfs in hun nieuwe tenues nog een verfomfaaid groepje, een verzameling mannen die met de moed der wanhoop strijden voor de goede zaak. ‘Veel van onze spelers hier hebben gevangengezeten of zijn gewond geraakt,’ zegt Saadeddine. Hij is 35 maar ziet er tien jaar ouder uit, met dun haar en holle ogen. Hij was middenvelder, maar zegt tijdens het beleg van Homs in zijn knie te zijn geraakt door een sluipschutter; daarna raakte hij praktisch bedolven onder een muur waarachter een mortiergranaat insloeg toen hij vrouwen en kinderen uit een woning probeerde te halen. Eenmaal in Oostenrijk, waar hij nu woont, stelden artsen drie wervelbreuken bij hem vast. Hij geeft zijn spelers een peptalk: ‘Wij vechten ergens voor, jongens: wij willen de misdadigheid van dit regime aan de kaak stellen en laten zien wat ze met sporters en andere gevangenen doen. In het team van het Vrije Syrië vertegenwoordig je miljoenen mensen.’
Een van de spelers is Jaber al-Kurdi. Hij werd in 2013 door het regime opgepakt in Hama, waar hij bij de club Taliya speelde. Kurdi zegt dat hij achter de oppositie stond maar nooit een wapen heeft opgenomen. ‘Hoe zouden deze handen een geweer moeten vasthouden?’ zegt hij. ‘Meisjeshanden zijn nog groter.’ Het enige wat hij gedaan heeft, zegt hij, was in demonstraties meelopen en vluchtelingen helpen met kleding en onderdak. ‘Ik kan niet tegen bloed. Maar toen ik mensen in mijn stad zag die in parken en op straat sliepen, kon ik niet werkloos toezien.’
De gevangenissen van Assad worden door Human Rights Watch ‘een martelarchipel’ genoemd. Kurdi werd zonder vorm van proces vastgehouden in verschillende detentiecentra in Hama, Homs en Damascus. Op de ‘Palestijnse’ afdeling van de militaire inlichtingendienst in Damascus werden zijn voetzolen met een rubberslang bewerkt en kreeg hij elektrische schokken op zijn hoofd. Hij werd een week lang opgesloten in een klein hok waarin hij zich nauwelijks kon verroeren en niet eens ruimte had om te gaan zitten. ‘Het was daar koud, en af en toe kwamen ze even langs om me nat te gooien met water en gingen dan weer weg,’ zegt Kurdi. Na negen maanden werd hij voorgeleid bij een militaire rechter, die zijn vrijlating gelastte. De bewaker van wie hij zijn bezittingen terugkreeg – een lege portemonnee – maakte met een mes ook nog snel een jaap in zijn wijsvinger. ‘Als aandenken,’ zei hij erbij. Kurdi laat het kleine litteken zien.
Hier in Duitsland is hij in therapie voor zijn terugkerende nachtmerries, waarin Syrische veiligheidsagenten hem achterna zitten in de platgebombardeerde straten van Hama. ‘Ik ben hier niet gelukkig,’ zegt hij, als hij tijdens een gesprek in tranen uitbarst. ‘Duitsland heeft ons opgenomen en biedt ons veiligheid, daar zijn we dankbaar voor. Maar geestelijk zijn we niet gelukkig. Ons volk wordt afgeslacht.’
Er is één naam die in bijna elk gesprek met de voetballers valt: die van Jihad Qassab, een veertiger die vroeger de ster was van Karama in Homs. Het is niet duidelijk waarom deze oud-middenvelder op 19 augustus 2014 is opgepakt. Hij is nooit berecht. Zijn familie en vrienden denken dat hij in de militaire gevangenis in Saydnaya is beland, het duistere hart van Assads martelarchipel. Volgens Amnesty International, dat zich baseert op getuigenverklaringen, worden de sterkere gevangenen daar door bewakers gedwongen om de zwakkere te verkrachten. Er worden continu mensen afgetuigd. In een ondergrondse executieruimte kunnen tientallen gevangenen tegelijkertijd worden opgehangen. Amnesty noemt Saydnaya ‘een slachthuis’ en schat dat er in vier jaar tijd bijna 13.000 gevangenen zijn geëxecuteerd.
Vorig jaar september, twee jaar na zijn verdwijning, werd bekendgemaakt dat Qassab is overleden. Dat nieuws kwam naar buiten via moskeeën in Homs en werd opgepikt door sociale media, het Syrisch Netwerk voor Mensenrechten en reguliere media. Nadere details zijn niet bekendgemaakt. ‘In elk ander land zou Jihad zijn geëerd om zijn verdiensten voor de sport,’ zegt Mohamed Hameed, oud-speler van Karama en een goede vriend van Qassab. ‘In Syrië, onder Assad, wordt hij opgepakt en gemarteld.’
Qassabs stoffelijke resten zijn volgens zijn vrienden nooit vrijgegeven, en sommigen zijn ervan overtuigd dat hij nog leeft. Rashad Shamma, die hem goed kende, zegt dat hij bij zijn snoepwinkeltje in Saoedi-Arabië een kleine herdenkingsdienst voor Qassab heeft gehouden. Het is tekenend voor de onwerkelijke sfeer van geweld in Syrië dat een ster als Qassab zomaar kan verdwijnen, dood worden verklaard en worden herdacht in een ceremonie, en dat Shamma vervolgens rustig kan zeggen: ‘Misschien leeft hij nog. Wie zal het zeggen?’
Fadi Dabbas van de Syrische voetbalbond zegt desgevraagd dat hij nog nooit van de man heeft gehoord. Als hij erop wordt gewezen dat Qassab meer dan tien jaar in de Syrische competitie heeft gespeeld, zegt hij: ‘Ik weet niet wat er met hem is gebeurd nadat hij bij zijn club is gestopt. Ik heb daar geen informatie over.’
In Berlijn mogen de gevluchte Syriërs dan een symbolische strijd voor hun land voeren, voor het handjevol Duitse toeschouwers dat op die kille zondagmiddag in de gestage regen staat te kijken verliezen ze met 5-2 van SV Buchholz. De wedstrijd heeft iets heroïsch en tegelijkertijd iets ongemakkelijks. De Syriërs maken het eerste doelpunt, uit een prachtige voorzet van de zijkant, maar in de tweede helft worden ze weggespeeld door de Duitsers. Die zijn veel beter in conditie en kunnen regelmatig trainen: de Syriërs zijn de vorige dag pas voor het eerst bij elkaar gekomen. Een Syrische verdediger krijgt bij een van de vele Duitse schoten op doel de bal keihard in zijn gezicht. Hij blijft minutenlang uitgeteld op de grond liggen voordat hij weer opstaat en wankel wegloopt.
‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek’
De Vrije Syriërs willen een alternatief vormen voor het nationale elftal van Assad. Maar dat blijkt deze middag een ijle droom. Syrië heeft maar één echt nationaal elftal, en de spelers die goed genoeg zijn om daarvoor geselecteerd te worden, moeten zelf beslissen wat dat team volgens hen vertegenwoordigt.
Toen Firas al-Khatib in juli 2012 besloot het nationale elftal de rug toe te keren, stond zijn stad Homs in brand. Khatib is een van de bekendste inwoners van Homs en een van de beroemdste Syrische sporters – al sinds zijn tienerjaren is hij een ster. Begin deze eeuw verliet hij zijn land voor een voetbalcarrière die hem van België via China uiteindelijk naar Koeweit voerde, waar hij nu al meer dan tien jaar in de competitie speelt en topscorer aller tijden is. Met de miljoenen die hij verdient, heeft hij meebetaald aan een straat in zijn stad Homs, de Al Khatib-straat, met een voetbalveld en een moskee die ook zijn familienaam draagt. Maar al verdiende hij zijn geld in het buitenland, hij kwam altijd terug naar Syrië om voor zijn land uit te komen. ‘In het nationale elftal heb je 24 miljoen mensen achter je, 24 miljoen Syriërs die hopen dat je wint,’ zegt hij.
Toen hij bij een demonstratie in Koeweit aankondigde geen interlands meer te willen spelen, was dat een tegenslag voor Assad. Gehuld in een sjerp in de kleuren van de revolutie zei Khatib tegen de uitzinnige menigte: ‘Ik wil hier in het bijzijn van de media zeggen dat ik niet meer voor het Syrische elftal zal spelen zolang er in Syrië bommen vallen.’ Khatib werd op de schouders gehesen en toegejuicht.
Als we hem in februari spreken, kost het hem moeite om uit te leggen waarom hij nu misschien toch weer voor zijn land wil uitkomen. Aan de misdaden tegen de burgerbevolking is immers nog geen eind gekomen. ‘Het is heel ingewikkeld wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek.’
Maar er valt wel iets af te leiden uit de dingen hij zegt. Bijvoorbeeld dat hij al zes jaar niet meer in de Al Khatib-straat is geweest. En zijn vader niet meer ziet, die vanwege zijn gezondheid niet kan reizen. ‘Dit is de moeilijkste tijd in mijn leven,’ zegt hij. ‘Ik wil niet terugkeren om voor het nationale elftal te spelen of voor of tegen de regering te kiezen. Ik wil naar Syrië als burger die terugkeert naar zijn land. Ik wil mijn ouders eindelijk weer zien, en mijn broers.’ Khatib zegt dat hij nog steeds droomt van een carrière in Homs als voorzitter van de lokale club Karama.
Toen Khatib zijn boycot aankondigde, heerste alom het idee dat het regime van Assad op omvallen stond. ‘Dat was een goede revolutie,’ zegt hij. ‘Mensen wilden vooruitgang, een sterker land, een beter leven.’ Nu zit Assad weer vast in het zadel. Zijn regering heeft niet alleen Homs, maar sinds december ook Aleppo weer in handen, ooit de dichtstbevolkte stad van het land. De Syrische profcompetitie, lange tijd beperkt tot de steden Damascus en Latakia, kan nu ook weer in andere delen van het land worden gehouden. Eind januari speelden Ittihad en Hurriya, de twee aartsrivalen uit Aleppo, hun eerste stadsderby sinds 2012. De regering buitte het meteen uit als een symbool van de teruggekeerde rust.
‘Ik heb gezegd dat ik niet wilde spelen zolang er geen eind kwam aan dat moorden, al die doden,’ zegt Khatib. ‘Nu vraag je waarom ik van standpunt ben veranderd. Het is een voetbalbeslissing, geen politieke beslissing. We willen gelukkig zijn, we willen iets waar we blij van worden. In Syrië zijn nu alleen dingen die ons verdrietig maken.’
Hij heeft op dat moment nog vijf weken de tijd om te beslissen of hij meespeelt met de volgende wedstrijd. Na de 0-0 tegen Zuid-Korea heeft Syrië gewonnen van China en gelijkgespeeld tegen Iran, de nummer één van de groep. Syriës WK-debuut is binnen bereik.
Maar hoe kan Khatib meespelen in de ploeg van een regering die burgers blijft bombarderen en zich schuldig maakt aan moord en marteling op ‘mensen van wie je houdt, op ploeggenoten’? ‘Een heel, heel, heel moeilijke vraag,’ zegt Khatib met een klaaglijke glimlach. ‘Ik kan er niet over praten, echt. Ik wil wel. Maar het gaat niet.’
Paradijs op aarde
Andere spelers piekeren er niet over om ooit nog voor Assad te spelen. Firas al-Ali bijvoorbeeld. ‘Voor mij was Syrië een paradijs op aarde,’ zegt de voormalige verdediger van het nationale elftal. Maar hij zit niet meer in Syrië en al helemaal niet in een paradijs. Het vluchtelingenkamp bij het Turkse Karkamis heeft meer weg van een open gevangenis. De bijna zevenduizend bewoners van dit tentenkamp (waaronder bijna tweeduizend kinderen) zijn vrij om te gaan – maar ze kunnen nergens heen.
Vroeger had Ali drie huizen. Nu passen al zijn bezittingen in een van de honderden strak in het gelid opgestelde tenten op de zongeblakerde droge grond. Zijn tent is precies even groot als alle andere, binnen is alles keurig netjes ingericht. Witte glasgordijnen langs de wand, een oosters tapijt op de houten vloer. Een U-vormige zithoek van fleurige kussens. Op een kookplaatje staat een klein zilveren theepotje te pruttelen en er staan zelfs een kleine tv en een koelkastje. Hier woont Ali (31) nu al drie jaar met zijn vrouw en drie kinderen. Zijn jongste dochter Aysha is hier geboren. Voor Syrische voetballiefhebbers moet het onvoorstelbaar zijn: hun ster in zulke primitieve omstandigheden. Bij Shorta, een van de Syrische topclubs, verdiende hij meer dan een ton per jaar, een fortuin in Syrië. En hij zat in de nationale selectie. ‘Uit de 23 miljoen inwoners werd ik gekozen als een van de beste twintig van mijn land,’ zegt hij. ‘Ik was beroemd en werd overal herkend. Financieel had ik niets te klagen. Het kwam nooit in me op om naar het buitenland te gaan.’
Nu is Ali een vluchteling. En hij zegt liever hier te blijven dan ooit nog voor Syrië uit te komen. In 2011 werd zijn geboortestad Hama aangevallen door regeringstroepen. Zijn negentienjarige neef Adbullah, een student aardrijkskunde, werd doodgeschoten bij protesten. Later kwam een nicht van hem om toen haar huis werd geraakt door een van de vatenbommen die de regeringstroepen over woonwijken uitstrooien. Ali was kort na de inslag ter plekke. ‘Het is een nachtmerrie als iemand zo aan stukken gereten wordt,’ zegt hij. ‘Ze was vrij fors, maar we hebben niets meer van haar teruggevonden.’ Ali begon mee te lopen in demonstraties, met gezichtsbedekking omdat hij zo herkenbaar was. Hij had het gevoel dat hij een dubbelleven leidde: tegen Assad protesteren op straat en voor hem spelen op het voetbalveld.
Op een ochtend kwam hij in het Abbasiyyin-stadion in Damascus voor de training en zag dat er een legerbasis van was gemaakt. ‘Wij hadden de helft van het stadion om te trainen, de andere helft was voor de Vierde Divisie. Ik zag het met mijn eigen ogen! Artillerie op een sportveld. Vanuit het stadion waar ik aan het trainen was, rukten zij uit om demonstraties neer te slaan. Soms hoorde ik geweervuur buiten het stadion. En de demonstranten hadden toen nog geen wapens. De enige wapens waren in handen van de regeringstroepen.’
Fajer Ebrahim, de man met een foto van Assad op zijn T-shirt, was toen nog bondscoach. Hij zei openlijk dat de regering de opstand moest neerslaan. Door wedstrijden te winnen, hield hij zijn spelers voor, zouden ze de wereld laten zien dat de protesten weinig uithaalden. De meningen van de spelers waren verdeeld. Ali raakte gedemotiveerd, zijn prestaties gingen achteruit: ‘Ik was er niet bij met mijn hoofd. Al die vrienden en familieleden die stierven.’
Op trainingskamp voor een toernooi in India kreeg Ali bericht dat Alaa, zijn nichtje van dertien, was omgekomen bij een regeringsaanval op een dorp buiten Hama. Een halfuur later schoof hij met het nationale elftal aan voor het avondeten. Toen een van zijn ploeggenoten de demonstranten bespotte, gooide Ali een lepel naar zijn hoofd. De andere spelers moesten hen uit elkaar houden. Ali ging naar zijn kamer en belde zijn familie.
‘Ik stop ermee,’ zei hij tegen zijn zus.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.
’Ik wil nooit meer voor ze spelen,’ antwoordde hij.
Hij liet zich de volgende ochtend om half zes ophalen door twee van zijn broers, met wie hij in één ruk doorreed naar gebied dat in handen was van rebellen. Als bekend voetballer kon hij bij controleposten meteen doorrijden, de militairen wisten nog niet dat hij op de vlucht was. Zo belandde hij met zijn jonge gezin uiteindelijk in Turkije. Vrij, maar niet vrij van problemen. ‘Mijn banktegoeden werden door het regime in beslag genomen,’ zegt hij. ‘Ik had drie huizen, die zijn vernietigd. Een stukje grond, dat ben ik ook kwijt. Ik heb niets meer.’
We spreken hem bij het ‘winkelcentrum’ van het tentenkamp: een verzameling stalletjes waar van alles te koop is, van voedsel in blik tot kookgerei en stroomaggregaten. Een van de verkopers brengt Ali een schotel gegrild vlees, waarmee hij snel een stalletje induikt om te ontkomen aan de vele vliegen. Hij slijt zijn dagen vooral met het geven van voetballes aan de kinderen, voor wie hij hier een beroemdheid is. ‘Het is zwaar, maar ik heb nergens spijt van,’ zegt hij. ‘Hoe moet je je voelen als je speelt voor de vlag en het portret van de man die als enige verantwoordelijk is voor de dood en verdrijving van meer dan zeven miljoen Syriërs?’
Is Syriës nationale elftal niet meer dan een propagandawapen voor Assad, een middel om te doen alsof er niets aan de hand is? Anas Ammo’s antwoord op die vraag was het aanleggen van een mensenrechtendossier tegen de Syrische regering. Zo wil hij zijn steentje bijdragen aan de oppositie. Vroeger werkte hij als sportjournalist voor de Syrische krant Al-Watan en was hij onbezoldigd woordvoerder voor Ittihad, de grootste club van Aleppo. Nu houdt hij kantoor in Mersin, een kuststadje in Turkije. Vijf jaar geleden kwam hij tot het inzicht dat veel voetballers slachtoffer werden van Assads wrede onderdrukking en dat het regime zijn geliefde sport als propagandamiddel misbruikte. Tientallen spelers zijn gedood en duizenden op de vlucht gejaagd; volgens Ammo ‘is een complete generatie voetballers weggevaagd’. In de loop van de oorlog heeft het regeringsleger stadions in alle grote steden gebruikt als uitvalsbases of detentiecentra. Zo blijkt uit filmopnamen van activisten dat vanuit het Abbasiyyin-stadion in Damascus raketten werden afgevuurd. Maar volgens Fadi Dabbas van de voetbalbond zijn er nooit stadions voor militaire doeleinden gebruikt. Hij verwijt de westerse media partijdigheid.
Volgens de statuten van de FIFA moeten de aangesloten voetbalbonden ‘onafhankelijk en zonder inmenging van derden’ kunnen opereren. Op die clausule is de afgelopen tien jaar al 24 keer een beroep gedaan bij aanklachten tegen nationale bonden, resulterend in twintig schorsingen als gevolg van duidelijke overheidsbemoeienis. Zo werd Irak in 2009 geschorst omdat de regering het bestuur van de voetbalbond naar huis had gestuurd en vervangen door mensen van de veiligheidsdienst. In 2014 werd Nigeria geschorst omdat de regering het bondsbestuur had ontslagen na de teleurstellende resultaten op het WK in Brazilië. Volgens Ammo vormen ook het gebruik van het Syrische nationaal elftal als propagandamiddel en het gebruik van stadions voor militaire doeleinden een inbreuk op de FIFA-statuten. Door daar niet tegen op te treden maakt de FIFA zich volgens hem ‘medeplichtig aan alle tegen voetballers gepleegde misdaden en alle schade die is toegebracht aan stadions en sportfaciliteiten’.
Ammo mailde zijn informatie door aan Ayman Kasheet, een voormalige profvoetballer die asiel heeft gekregen in Zweden. In augustus 2014 reisde Kasheet naar Zürich om de FIFA hierop aan te spreken, maar hij kwam niet voorbij de receptie. Om iets te bereiken, begreep hij, moest hij een gedegen rapport opstellen. Hij volgde een cursus van Amnesty International over het documenteren van mensenrechtenschendingen. Dat resulteerde in een twintig pagina’s tellende ‘aanklacht’ namens ‘meer dan tweeduizend sporters die zijn afgesneden van de Syrische voetbalbond’. Het rapport bevat een lijst van tien spelers (waarvan negen met foto) die vermoedelijk gevangen worden gehouden door het regime, plus elf minderjarige en twintig meerderjarige spelers die door de regeringstroepen zouden zijn gedood. Ook bevat het rapport foto’s en filmpjes van stadions die door de strijdkrachten zijn bezet.
Als Kasheet de informatie eerst naar de FIFA mailt en het rapport vervolgens ook persoonlijk komt afgeven bij de receptie op het hoofdkantoor, hoort hij niets terug. Dan gaat hij in augustus 2015 weer naar het hoofdkantoor in Zürich, nu samen met een tolk die alles filmt. Na veel gesoebat krijgt hij Alexander Koch te spreken, het hoofd Communicatie. ‘Hij zegt dat het fijn zou zijn als de FIFA iets met dit rapport zou doen, want de enige manier om druk uit te oefenen is via de FIFA, omdat de voetbalbond daaronder valt,’ zegt de tolk tegen Koch. Koch lijkt wat van zijn stuk gebracht. ‘Het probleem is dat dit allemaal niet over het voetbal gaat,’ zegt hij. Volgens Koch moet Kasheet zijn klacht indienen bij de Syrische bond, zodat die weer een klacht kan indienen bij de FIFA. Kasheet probeert duidelijk te maken dat zijn aanklacht juist gericht is tégen de Syrische bond, die aan de leiband van Assad loopt.
Een maand later bevestigt de FIFA bij monde van vicesecretaris-generaal Markus Kattner dat deze zaak buiten de competentie van de bond ligt. ‘De FIFA steunt alle pogingen om te zorgen dat iedereen kan voetballen in omstandigheden die vrij zijn van geweld, en we danken u voor initiatief’, mailt Kattner, die korte tijd later ontslagen zal worden wegens financiële onregelmatigheden. Hij voegt er nog aan toe dat de in het rapport beschreven zaken de sport ‘overstijgen’.
‘Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict’
‘De FIFA moest zich schamen,’ zegt een aangeslagen Kasheet als hij erop terugkijkt. Hij was er kapot van. ‘Ik vroeg de FIFA niet om meteen een beslissing te nemen, ik vroeg ze alleen om een onderzoek in te stellen. Als de informatie niet blijkt te kloppen, kunnen ze het altijd nog terzijde leggen.’
Op vragen van ons wil de FIFA niet ingaan. De woordvoerder stuurt alleen een algemene verklaring: ‘De FIFA heeft de afgelopen jaren van verschillende kanten – vaak tegenstrijdige – signalen gekregen over geweld met betrekking tot het voetbal in dat land. We begrijpen de tragische omstandigheden waarin dit plaatsvindt, maar als sportfederatie moeten wij ook beseffen dat deze zaken het domein van de sport ontstijgen, in een land dat verwikkeld is in een burgeroorlog.’ Volgens de woordvoerder kan de FIFA niets doen omdat er grenzen zijn ‘aan onze competentie en ons vermogen om de waarheid van de beschuldigingen in die complexe situatie te beoordelen’. Volgens advocaat Mark Afeeva wil de FIFA zich gewoon niet branden aan een politieke crisis waarin grote mogendheden een rol spelen, met name de VS en Rusland, gastland van het komende WK.
Op een koude avond in maart treden de teams van Zuid-Korea en Syrië aan in het World Cup Stadium in Seoul. De opzienbarendste verandering is dat Firas al-Khatib er sinds de wedstrijd tegen Oezbekistan van vorige week weer bij is. Khatib en de Syrische bond doen allebei alsof het niets bijzonders is. ‘De vorige keer was ik niet eens geselecteerd,’ zegt Khatib. Volgens de teamchef ‘was Khatib altijd welkom in het team’, maar was hij de vorige keer ‘door zijn situatie verhinderd’.
Khatib interviewen lukt nu pas na veel gesteggel met de persvoorlichter, die eerst nog eist dat we geen vragen stellen over politiek. Die garantie krijgt hij niet, maar Khatib wekt de indruk dat hij er zelf ook niet over wil praten. ‘We laten de politiek erbuiten en gaan het alleen over voetbal hebben,’ zegt hij. Het nationale elftal speelt volgens hem ‘voor het hele volk, voor heel Syrië’, niet alleen voor de regering. Niets doen is geen optie meer. ‘We kunnen niet zitten afwachten en doodgaan. We moeten iets doen voor onze familie, ons land, onze vrienden, onszelf.’
Dat pikt niet iedereen. Op sociale media zijn de reacties gemengd. Volgens Khatib staat 80 tot 90 procent van de voetballiefhebbers achter zijn terugkeer, maar uit de berichten op zijn Facebookpagina blijkt dat velen het als verraad beschouwen:
‘Het minste wat je over jou kunt zeggen, is dat je een verrader bent.’
‘Mensen als jij zijn nog geen ouwe schoen waard. Ik spuug op jullie eer, stelletje honden.’
‘Schaam je, Firas. Je woord is net zo weinig waard als dat van een kind. Ik spuug op je, vuile leugenaar.’
Anderen zijn milder. Mohammed al-Homsi, een media-activist in de door de regeringstroepen belegerde wijk Al Waer in Homs, zegt dat hij de verrichtingen van het nationale elftal nog wel volgt, omdat ‘sport het enige is wat ons met vroeger verbindt. Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict.’
Khatib, die nog moet wennen in het team waarvan hij al vijf jaar geen captain meer is, begint op de bank. Zuid-Korea maakt al na vier minuten de 1-0. De rest van de avond hollen de Syriërs achter de feiten aan. Als Khatib er in de tweede helft in komt, wordt hun spel wel meteen aanvallender. Het stadion, ongeveer voor de helft gevuld met Koreanen, valt stil als de Syriërs herhaaldelijk dreigend voor de goal komen. Ineens staat Khatib links voor het doel, oog in oog met doelman Sun-Tae Kwoun. Zijn schot gaat vanaf een meter of drie recht op het hoofd van de keeper af. Die weet de bal weg te boksen en behoedt zo zijn hoofd en zijn doel voor verder leed.
In blessuretijd krijgt Khatib nog één kans die het publiek luid gegil ontlokt. Weer alleen voor de keeper lanceert hij vanaf bijna dezelfde plek opnieuw zo’n pegel, nu iets hoger. De bal knalt zo hard op de lat dat het tot op de tribune te horen is. Weer geen doelpunt. Khatib zegt teruggekeerd te zijn omdat hij Syrië – al is het maar even – uit zijn hel wil verlossen. ‘Hier doe ik goed aan,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik het Syrische volk wat blijheid kan schenken.’ Vanavond nog niet. Na de 1-0 nederlaag komt Syrië met slechts drie wedstrijden te gaan nog vier punten te kort voor de derde plek en lijkt de kans op een WK-ticket verkeken.
Een week later is er weer nieuws uit Syrië. Khatib had gezegd dat hij geen interlands meer zou spelen zolang Assad nog burgers doodt. Nu heeft het regeringsleger een aanval met sarin gepleegd op een rebellendorp bij Khan Shaykhun. De beelden zijn gruwelijk: stuiptrekkende en schuimbekkende slachtoffers met pupillen zo klein als speldenknopjes. Halfblote kinderen die in een plas water naar adem liggen te happen.
Steve Fainaru is senior writer voor sportplatform ESPN. Hij won in 2008 een Pulitzerprijs voor internationale verslaggeving en is co-auteur van het boek League of Denial, over hersenletsel in het American Football.
ESPN
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 1.536.346
In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.
CONTEXT
24 miljoen mensen telde de bevolking van Syrië in 2011
11,4 miljoen mensen bleven waar ze waren
6,6 miljoen mensen zijn op de vlucht in Syrië
470.000 Syriërs kwamen om het leven
5 miljoen Syriërs zijn gevlucht naar het Midden-Oosten en Afrika
900.000 Syriërs zijn gevlucht naar Europa
38 voetballers uit de eerste en tweede divisie zijn door het regime van Assad om het leven gebracht.
Dankzij een gelijkspel in de uitwedstrijd tegen Iran, op 5 september jl. in Teheran, heeft Syrië zijn kansen behouden om zich voor de eerste keer in de geschiedenis te plaatsen voor het eindtoernooi van een WK voetbal. De gelijkmaker viel diep in blessuretijd. Iran is een van de twee landen die de Syrische president Bashar al-Assad met hun steun in staat hebben gesteld zich staande te houden in de burgeroorlog die nu al zes jaar woedt. Het Syrische elftal moet nu in oktober twee play-offwedstrijden spelen tegen Australië voor een plek in de allerlaatste kwalificatieronde, in november, tegen de nummer vier van Noord- en Midden-Amerika. Het team speelt zijn ‘thuiswedstrijden’ in Maleisië. Deze beslissing van de wereldvoetbalbond FIFA was een tegenslag voor Assad, die de indruk probeert te wekken dat het leven in de gebieden in Syrië die onder controle van het regeringsleger staan, weer normaal verloopt. Het WK voetbal 2018 wordt gespeeld in Rusland, naast Iran eveneens een bondgenoot van Assad in de burgeroorlog.
De voetbalwedstrijd Iran-Syrië op 5 september jl. in Teheran heeft beroering gewekt, omdat Syrische vrouwen wel en Iraanse vrouwen niet werden toegelaten tot het Azadistadion. Iraanse vrouwen waren echter wel, voor het eerst in de geschiedenis, in staat gesteld in de voorverkoop kaartjes te kopen. Maar toen enkele vrouwen op de dag van de wedstrijd naar binnen wilden, werden zij tegengehouden. Syrische vrouwen daarentegen mochten doorlopen naar de tribunes.
De controle bij de ingang was streng. Iraanse vrouwen die zich voordeden als vrouwen uit Syrië en als ‘bewijs’ daarvan een Syrische vlag meevoerden, kwamen ook niet door de controle.
De populaire voetbalcommentator Peyman Yousefi beklaagde zich er een paar minuten voor aanvang van de wedstrijd openlijk op de televisie over dat er geen Iraanse vrouwen op de tribunes aanwezig mochten zijn. Een groepje vrouwelijke Iraanse parlementariërs had het ministerie van Jeugd- en Sportzaken toestemming gevraagd de wedstrijd te bezoeken, en de drie vrouwelijke afgevaardigden die zich bij het stadion meldden, werden inderdaad toegelaten. Maar de vrouwelijke afgevaardigde Parvane Salahshouri weigerde van dit voorrecht gebruikt te maken. ‘Ik protesteer tegen het feit dat maar een handjevol vrouwelijke parlementariërs wordt toegelaten, en niet willekeurig welke Iraanse vrouw.’
Shahindokht Mowlaverdi, de (vrouwelijke) woordvoerder van de gematigde Iraanse president Hassan Rohani, liet weten: ‘Volgens onze Wet op de Burgerrechten hebben alle burgers, en vrouwen in het bijzonder, het recht om alle nationale en internationale sportwedstrijden bij te wonen, zolang zij de Iraanse en islamitische cultuur daarbij in acht nemen.’
Hervormingsgezinde kranten leverden eveneens commentaar. Vaghaye Etefaghie publiceerde op de voorpagina een foto van een Syrische vrouw in het stadion met als bijschrift ‘De enige winnaar van de wedstrijd’, terwijl de krant Bahar tegen het niet toelaten van Iraanse vrouwen protesteerde onder de kop ‘De Iraanse Paradox’.
De Koerden in Syrië dreigen slachtoffer te worden van de toenadering tussen Turkije en Rusland. Gaat hun droom van een eigen staat eens te meer in rook op?
De aankondiging van een wankel bestand op 30 december jl. bood de meeste inwoners van Syrië enig soelaas, maar voor een aantal groepen in het door oorlog verscheurde land betekent het dat hun kansen in negatieve zin zijn gekeerd. Het bestand behelst ook een overeenkomst tussen Rusland en Turkije. De nauwere banden tussen deze twee landen betekenen dat sommige rebellengroepen niet langer steun zullen krijgen van Ankara. De Koerden in Noord-Syrië lijken de grootste verliezers.
Sinds juni 2016 hebben Turkije en Rusland gewerkt aan een normalisering van de verhoudingen. Op die manier probeerde Rusland zijn invloed in de regio uit te breiden. De Turkse president Erdogan op zijn beurt paste zijn beleid aan, zodanig dat het beter strookte met het primaire strategische belang van zijn land in Syrië: het bedwingen van de Koerdische aanspraken op een eigen staat en invloed langs de Turkse grens.
Tot voor kort stonden Rusland en Turkije tegenover elkaar in het conflict. Rusland steunt de Syrische president, Bashar al-Assad, Turkije wil dat hij vertrekt. Rusland voorzag Assad van militaire steun, Turkije bood – in overleg met de Golfstaten – de rebellen wapens en ondersteuning.
Akkoord
Door recente ontwikkelingen, waaronder met name het bestand, hebben de partijen nu andere stellingen betrokken. ‘Het bestand houdt in dat Rusland en Turkije tot een akkoord zijn gekomen. Turkije zal zijn grenzen voor de rebellen sluiten en hen niet meer steunen. In ruil daarvoor zal Rusland de eenwording van de Koerdische gebieden helpen doorbreken,’ aldus Fabrice Balanche, hoofdonderzoeker aan de Universiteit Lyon 2.
In de nasleep van de Syrische opstanden in 2011 richtten de Koerden in het noorden van het land drie zogeheten federale entiteiten op, die samen de politieke enclave Rojava vormen. De kantons Cizre, Kobani en Afrin hebben een overwegend Koerdische bevolking, maar er wonen ook Arabieren en Assyriërs.
De Partij van de Democratische Unie (PYD), de belangrijkste Koerdische partij in Syrië, verklaarde medio maart dat het gebied een federale entiteit is binnen Syrische grenzen. Rebellengroepen, Syrië, de VS en Turkije verwierpen deze verklaring. De VS eisten dat de Koerdische YPG-militie zich zou terugtrekken uit posities ten westen van de Eufraat, terwijl Assad de stap een onwettige actie noemde die de ‘territoriale integriteit’ van het land in gevaar zou brengen.
De Koerden hebben evenwel een gecompliceerde relatie met Assad. De Syrische oppositie heeft de Koerden er voortdurend van beschuldigd samen te werken met de Syrische regering via haar bondgenoot Rusland, waar de PYD in februari kantoren opende om diplomatieke betrekkingen met Moskou te smeden.
De nauwere banden tussen Rusland en Turkije en het recente bestand hebben de positie van de VS als belangrijke speler in de regio verzwakt. Volgens analisten dwingt dit de Koerden tot een nieuwe politieke koers en een herziening van hun plannen voor een gefederaliseerd Syrië.
‘De Koerden hebben geprobeerd goede betrekkingen te behouden met de VS én met Rusland. Nu zijn ze bang om met Rusland samen te werken, omdat ze Assad niet vertrouwen. Tegelijkertijd zijn ze er niet zeker van of de VS hen nog tegen Erdogan kunnen beschermen,’ zegt Balanche.
Volgens Ahmed Araj van de Syrian Democratic Council, de politieke arm van de Syrian Democratic Forces (een alliantie van seculiere milities, waaronder Koerdische), kan de verzoening tussen Turkije en Rusland een afspraak zijn om te voorkomen dat de Koerden hun controle over noordelijk Syrië uitbreiden. ‘De echte slachtoffers van de wapenstilstand zijn de Koerden,’ zegt Balanche. ‘De PYD blijft voor de bühne volhouden dat alles in orde is, maar in de stad Manbij bijvoorbeeld, in het gouvernoraat van Aleppo, voelen de strijders zich intens verraden door de VS en zijn ze bang voor wat er gaat komen.’
Verzwakking
Vertegenwoordigers van het Syrische leger verklaarden in december dat de door de Koerden bestuurde gebieden weer onder het gezag van de regering moesten terugkeren, nu de strijd tegen de rebellen en IS een nieuwe fase inging.
Na de herovering, in december, van Aleppo op de rebellen, waren er tevens berichten dat het Syrische leger de Koerdische YPG-militie had verzocht te vertrekken uit de Sheikh Maqsoud-enclave, een voornamelijk door Koerden bewoonde wijk in de stad Aleppo. Op 21 december verklaarde het Turkse leger dat door Ankara gesteunde Syrische rebellen nu de volledige controle hadden over de snelweg die de stad Al-Bab met Aleppo verbindt, na hevige grondgevechten en bombardementen vanuit de lucht.
‘Wanneer door Turkije gesteunde rebellen Al-Bab in handen krijgen, zullen ze optrekken naar [het slechts 50 kilometer verderop gelegen] Manbij, en dan is er voor de Koerden geen enkele mogelijkheid meer de gebieden tussen de kantons Afrin en Kobani met elkaar te verbinden,’ aldus Balanche. De Koerden zullen in dat geval de hoop op een aaneengesloten gebied in het westen moeten opgeven, een ernstige verzwakking van hun hele federatie.
In 2011 gelanceerd door een groep onafhankelijke wetenschappers, naar eigen zeggen zonder financiële steun. Heeft de ambitie om de belangrijkste nieuwsbron voor het Midden-Oosten te worden. Breed spectrum maar veel aandacht voor economisch nieuws.
De tegenstanders van president Assad stapelen, ook bij de vredesonderhandelingen in Astana, fout op fout, oordeelt de Londense krant Al-Hayat.
Voor de Syrische politieke oppositie worden de onderhandelingen in Astana een beschamende vertoning, nu de machtsverhoudingen na de Russische militaire interventie in het land in haar nadeel zijn veranderd. De oppositie heeft altijd gezegd dat Rusland vijandig staat tegenover de revolutie. In haar ogen is het doel van de door Rusland geïnitieerde onderhandelingen niet om een oplossing te vinden die rekening houdt met de wensen en behoeften van de bevolking, maar om het regime in staat te stellen tijd te winnen en om verdeeldheid te zaaien bij de oppositie. Moskou bevoordeelt in die optiek de meest plooibare partijen in het conflict, die naar verwachting akkoord zullen gaan met een politieke oplossing die flagrant in strijd is met internationale juridische regels.
Maar voor de oppositie zou het minstens even beschamend zijn om niet deel te nemen aan de conferentie in Astana en het plan van Moskou voor de beëindiging van de strijd te verwerpen. De meerderheid van de Syriërs wil rust en een eind aan het geweld en de destructie. Wat kan de oppositie doen? Ze weet heel goed dat ze het militaire overwicht mist om de loop van de gebeurtenissen wezenlijk te beïnvloeden. Van de ‘legitimiteit’ die de internationale gemeenschap haar had gegeven, is weinig meer over. Bovendien krijgt zij zware kritiek te verduren: ze wordt ervan beschuldigd hoofdverantwoordelijk te zijn voor de dramatische situatie waarin we ons bevinden en zou schuld dragen aan de rampzalige afloop van de slag om Aleppo.
De politieke oppositie legt zich erbij neer geen rol van betekenis te spelen in de onderhandelingen en tijdens de transitieperiode
Het is beschamend voor de Syrische oppositie dat sommige van haar leiders maar al te bereid zijn om zich te voegen naar de wensen van de organiserende landen en om hun prioriteiten te respecteren. Ze durft nog net bedeesd protest aan te tekenen tegen Moskous keuze van zes personen van buiten de oppositie om deel te nemen aan de onderhandelingen en de transitieperiode mede vorm te geven. Daar komt nog bij dat zelfs de groeperingen die in december in Ankara het akkoord over het staakt-het-vuren ondertekenden, nauwelijks invloed hebben op de keuze van de oppositiefiguren die hen zogenaamd zullen vertegenwoordigen. Maar het meest beschamende is nog wel dat deze groeperingen ideologisch en politiek allemaal van dezelfde kleur zijn [loyaal aan de Arabische Golfstaten], al zijn er enkele facties van het vrije Syrische leger aan toegevoegd om de schijn van pluralisme te wekken. De politieke oppositie legt zich er dus bij neer geen rol van betekenis te spelen in de onderhandelingen en tijdens de transitieperiode.
Het is al even beschamend om te zien hoe de Syrische oppositie zich dan weer in stilzwijgen hult, dan weer schielijk van positie verandert, om de grootmachten in Syrië maar niet te mishagen. Zo heeft ze niet geprotesteerd tegen de plotselinge move van Turkije, dat zijn bondgenootschap met en beloftes aan de Syrische oppositie verbroken heeft. Het buurland heeft een draai van 180 graden gemaakt door een alliantie met Rusland aan te gaan, in een poging om de Koerdische dreiging in toom te houden. Tot voor kort was het land tegen elke vorm van buitenlandse inmenging, maar nu erkent het Moskou als de belangrijkste speler in het Syrische conflict en als de meest geschikte tussenpersoon om tot een politieke oplossing te komen. Pas nog noemde Turkije het vertrek van Assad een conditio sine qua non om überhaupt aan onderhandelingen deel te nemen. Vandaag lijkt dat vergeten.
Ten onrechte legt Turkije de nadruk op de meningsverschillen tussen Rusland en Iran over de toekomst van Syrië. Teheran heeft duidelijk aangegeven dat het de inbreng van Ankara en Moskou bij de conferentie van Astana te groot vindt. Beschamend is het onvermogen van de oppositie om over deze conferentie een helder gezamenlijk standpunt in te nemen. Dit onvermogen komt maar deels voort uit een verschil van opvattingen en is eerder het gevolg van tegenstrijdige bevelen van de kant van de verschillende broodheren binnen eigen kring. Al even beschamend is het om te zien hoe sommige van hun leiders plotseling hun persoonlijk belang vooropstellen, of extremistische standpunten innemen en hoog inzetten met als enig doel om hun politiek bestaansrecht te bewijzen. Ze vergeten hoe door deze vlucht naar voren grote delen van de toch al radeloze bevolking nog meer te lijden krijgen. Uiteindelijk is de onmacht van de oppositie te wijten aan het feit dat haar politieke project zich in een impasse bevindt. Ze is door verraad en machtsmisbruik verzwakt, belangenconflicten en grote ego’s hebben de zaak van de revolutie de das omgedaan. Nu betalen we er de prijs voor dat de oppositie verkeerd gegokt heeft, de situatie herhaaldelijk verkeerd ingeschat, dat ze niet in staat was om haar politieke rol op zich te nemen en weigerde om haar fouten en ontsporingen te onderkennen en te herstellen.
De Syrische oppositie bevindt zich in een weinig benijdenswaardige toestand. Volgens sommigen is haar rol uitgespeeld en zou zij er beter aan doen zich uit het strijdperk terug te trekken om niet tot symbool te worden van teleurstelling, falen en wanhoop. Anderen denken dat zij nog steeds op een dag de fakkel van de revolutie zal kunnen dragen.
Auteur: Akram Al-Bunni
Vertaler: Valentijn van Dijk
‘Het Leven’ is ongetwijfeld de meest toonaangevende krant van de Arabische diaspora en het favoriete podium voor liberale Arabieren die een groot publiek willen bereiken. De krant neigt naar pro-westerse en pro-Saoedische berichtgeving, maar staat ook open voor andere meningen.
CONTEXT: Het spel van Moskou
Al zijn de gesprekken in Astana meer technisch dan politiek van aard, toch heeft de lichte wijziging van toon bij Moskou over de oppositie voor allerhande speculatie gezorgd. Volgens sommigen verwart de oppositie droom en werkelijkheid, volgens anderen betekent het feit dat Rusland in gesprek gaat met tegenstanders van het regime en hun niet allemaal als terroristen aanmerkt, dat het de schendingen van het staakt-het-vuren door het Assad-regime en de haar loyale sjiitische milities veroordeelt en meer afstand neemt tot Iran, een koerswijziging. In L’Orient-Le jour schrijft een Syrische oppositiepolitica: ‘De Russen zoeken een uitweg uit het conflict omdat ze beseffen dat een militaire overwinning onmogelijk is’.
De Syrische dictator heeft zijn land verwoest, maar de kans is groot dat hij blijft zitten. Donald Trump in de VS, en misschien François Fillon in Frankrijk, zouden hem zelfs kunnen rehabiliteren.
Bashar al-Assad heeft gelijk: er zal een vóór- en een na-Aleppo zijn. De overwinning van de Assad-gezinde strijders in de tweede stad van Syrië is een belangrijk keerpunt in de Syrische oorlog. Het vierde sinds 2013 dat de positie van de Syrische president verder verstevigt. Dit laatste keerpunt is in zekere zin het rechtstreekse gevolg van de drie vorige: de weigering van Barack Obama om militair in te grijpen nadat het regime in 2013 chemische wapens had gebruikt in Ghouta, de toenemende macht van Islamitische Staat in 2014 en de Russische militaire interventie in 2015. Assad is bij al deze ontwikkelingen meer toeschouwer geweest dan actor, maar hij trekt er momenteel alle profijt van.
Sinds Aleppo zit de koning vastgenageld aan zijn troon, en het zal heel moeilijk zijn om hem te laten vertrekken. Maar de nagels zijn van Russische en Iraanse makelij, en de koning is naakt. Zijn bewind berust nog maar op één ding: het feit dat hij de enige link is tussen alle partijen die momenteel de werkelijke macht in Syrië in handen hebben. Dat wil zeggen de Russen en de Iraniërs, maar ook de machtige inlichtingendiensten, de krijgsheren, de buitenlandse milities en de Syrische milities, die allemaal andere en soms tegenstrijdige belangen hebben.
De koning heeft geen legitimiteit meer. De meerderheid van het Syrische volk is tegen hem en de helft van de bevolking bestaat uit binnen- of buitenlandse vluchtelingen
Het koninkrijk van Assad is geamputeerd. Hij is de controle over het grootste deel van het Syrische grondgebied kwijtgeraakt. Een deel is in handen van de opstandelingen, een ander in die van de Koerden, weer een ander in die van de Turken en het laatste valt onder het juk van IS. Hoe vaak hij ook herhaalt dat hij heel Syrië wil heroveren, de uiteindelijke beslissing daarover zal in Moskou en Teheran worden genomen. En daar lijkt men zich a priori tevreden te stellen met het ‘nuttige Syrië’. Het koninkrijk ligt in puin en de twee peetvaders hebben geen zin om voor de wederopbouw op te draaien. Vooral niet als hun beschermeling niet eens de heroverde gebieden kan behouden, zoals in het geval van de stad Palmyra, die heroverd is door IS.
De koning heeft geen legitimiteit meer. De meerderheid van het Syrische volk is tegen hem en de helft van de bevolking bestaat uit binnen- of buitenlandse vluchtelingen. Hij zou op dit moment nieuwe verkiezingen kunnen uitschrijven, mits die alleen plaatsvinden in de gebieden waarover hij de controle heeft en de Syriërs uit het buitenland niet meedoen. Hij is de belangrijkste reden voor de breuk tussen de verschillende lagen binnen de Syrische maatschappij, tussen degenen die hem steunen uit ideologische overtuiging of uit angst voor verandering en degenen die koste wat het kost willen dat hij vertrekt.
De koning heeft geen vrienden. Zijn betrekkingen met de Russen en de Iraniërs stoelen hooguit op loyaliteit. Met het Westen heeft hij helemaal geen betrekkingen. Washington, Londen en Parijs hebben de afgelopen dagen voortdurend herhaald dat de Syrische president moet vertrekken, ondanks zijn overwinning in Aleppo. Assadistan is voorlopig een geïsoleerd koninkrijk. Maar het jaar 2017, waarin Donald Trump de macht in de Verenigde Staten overneemt, en François Fillon misschien die in Frankrijk, zou hem een rehabilitatie kunnen opleveren, al was het maar de facto. Dat is geen gering wapenfeit, gezien zijn situatie.
Een failliete staat, een opgeblazen bewind, een in stukken gehakt grondgebied en een verdeeld volk: ziedaar de totale chaos. Maar de koning heeft er lak aan. Hij heeft de chaos sinds het begin van het conflict omarmd en er zijn belangrijkste bondgenoot van gemaakt. Door zich een slachtofferrol aan te meten.
De koning heeft de oorlog niet gewonnen, maar hij kan hem ook niet verliezen. Hij heeft zijn land opgeofferd om een schijnbare macht veilig te stellen. Hij heeft gewonnen, maar Syrië heeft verloren. Hij is er nog, maar zijn land bestaat niet meer.
‘De ommekeer in de oorlog in Syrië heeft Tsahal [de Israëlische strijdkrachten] ervan overtuigd dat een hernieuwd conflict met Hezbollah niet lang op zich zal laten wachten’, schrijft de krant Haaretz. Volgens bronnen van het dagblad voeren militaire leiders de druk op de Israëlische minister van Defensie op om de beschikking te krijgen over enkele honderden langeafstands- en precisieraketten teneinde de vijand ook ver binnen de grenzen van Libanon te kunnen vernietigen.
‘De aanschaf van deze nieuwe ballistische wapens vergroot de opties voor Israël in geval van een grondaanval.’ Van haar kant zou de sjiitische organisatie in Libanon de beschikking hebben gekregen over ‘een arsenaal aan de modernste raketten voor de aanval op gronddoelen’.
‘Het feit dat Hezbollah erin is geslaagd een arsenaal aan raketten voor de lange afstand te verwerven, verontrust Tsahal’, aldus de Israëlische krant. Bovendien, zoals Haaretz al in november onthulde, heeft ‘het vooruitzicht van een oorlog tegen een zwaarbewapende Hezbollah de Israëlische legerleiding ertoe aangezet een evacuatieplan op te stellen voor rond 80.000 burgers uit Galilea, mocht Hezbollah trachten diep door te dringen op Israëlisch grondgebied of langdurig de grensstreek te bestoken met langeafstandswapens.
Het gaat daarbij om een strategische breuk met de doctrine die al zo oud is als het zionisme zelf en die behelst dat er nooit burgers geëvacueerd worden uit oorlogsgebied, omdat dit het gevaar zou meebrengen van het demografisch dan wel territoriaal ineenstorten van de staat Israël.’
De militaire escalatie van Vladimir Poetin in Syrië was wreed en nietsontziend. Het was een showcase van Ruslands militaire macht. Met als doel: een nieuwe machtsrelatie met het Westen.
Uit het archief
De Russische militaire tactiek in Syrië, waar het land Assad te hulp schoot, lijkt steeds meer een voorbode te zijn van de wrede aanvallen in Oekraïne. Ook in Syrië deinsde Rusland er niet voor terug om burgerdoelen te bombarderen.
Als Aleppo valt zal de gewelddadige oorlog in Syrië een geheel nieuwe wending krijgen, met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de regio maar ook voor Europa. De meest recente aanval van de regering op de belegerde stad in het noorden van Syrië, waarbij nog eens tienduizenden mensen op de vlucht zijn geslagen, is ook beslissend voor de betrekkingen tussen het Westen en Rusland. Ruslands luchtmacht speelt een sleutelrol in het conflict. Als de anti-Assadrebellen, die sinds 2012 een deel van Aleppo in handen hebben, worden verslagen, resten in Syrië alleen nog het regime van Assad en Islamitische Staat. Dan is alle hoop vervlogen dat er ooit nog een overeenkomst gesloten zal worden waarin de Syrische oppositie een rol krijgt toebedeeld. En dat is een uitkomst waar Rusland al veel langer op uit is – de achterliggende reden van het besluit van Moskou, vier maanden terug, om over te gaan tot militair ingrijpen.
Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen
Het valt nauwelijks toeval te noemen dat de bombardementen op Aleppo, het symbool van de anti-Assadopstand, uitgerekend begonnen op het moment dat in Genève vredesbesprekingen werden gevoerd. Die vredesbesprekingen liepen dan ook al snel vast. De Russische militaire escalatie, bedoeld om het Syrische leger te steunen, moest voorkomen dat een heuse Syrische oppositie zeggenschap zou krijgen over de toekomst van het land. De plannen die het Westen en de Verenigde Naties hadden voorgesteld moesten worden gedwarsboomd. Dit was volkomen in tegenspraak met het feit dat Moskou zich had gecommitteerd om te zoeken naar een gemeenschappelijke, politieke aanpak om einde te maken aan de oorlog. De naschokken zullen wijd en zijd voelbaar zijn. Als de Europeanen in 2015 íéts duidelijk is geworden, dan is het wel dat ze de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten niet buiten de deur kunnen houden. En als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne van 2014, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend van Europa is. Het is een revisionistische mogendheid die tot militaire agressie in staat is.
Sterker nog, nu de toekomst van Aleppo op het spel staat, maken de gebeurtenissen – meer dan ooit sinds het uitbreken van de oorlog – duidelijk dat er direct verband is tussen de Syrische tragedie en de in strategisch opzicht verzwakte positie van Europa en het Westen als geheel. Dat het conflict op die manier naar buiten doorsijpelt is een effect dat Rusland niet alleen nauwlettend in de gaten houdt, maar ook in de hand werkt. Dat de instabiliteit zich verspreidt over Europa past uitstekend binnen het streven van Rusland om zich een dominante positie te verwerven door alle twijfels en tegenstellingen uit te buiten in de landen die Rusland als zijn vijand beschouwt.
Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen. Een nederlaag voor de Syrische oppositiegroepen zal IS nog meer sterker in het idee dat zij als enige opkomen voor de soennitische moslims – terwijl IS de bevolking terroriseert in de gebieden die het in zijn macht heeft. De situatie vertoont vele wrange kanten, niet in de laatste plaats gelegen in het feit dat de strategie van het Westen in de strijd tegen IS stoelde op het idee om de lokale Syrische oppositietroepen op de grond te versterken, zodat zij uiteindelijk de jihadistische opstandelingen zouden kunnen verdrijven uit het bolwerk Raqqa. Als uitgerekend de mensen die de grondtroepen hadden moeten vormen om deze klus te klaren in Aleppo worden omsingeld en genadeloos in de pan worden gehakt, op wie kan het Westen dan terugvallen? Rusland heeft van begin af aan volgehouden dat het IS bestrijdt, maar in Aleppo helpt Rusland bij het verslaan van de Syrische groeperingen die in het verleden effectief zijn gebleken in de strijd tegen IS.
Als er al ooit twijfels bestonden over het oogmerk van Vladimir Poetin in Syrië, dan zijn die volledig weggenomen door de recente militaire escalatie rond deze stad. Vladimir Poetin past in Syrië precies dezelfde strategie toe als in Tsjetsjenië: zware militaire aanvallen op stedelijke gebieden, teneinde alle opstandelingen te doden of te verdrijven. De betrekkingen tussen de Syrische machtsstructuur en de Russische geheime dienst gaan ver terug – tot in het Sovjettijdperk. Net zoals onder het bewind van Poetin de Tsjetsjenen die mogelijk een rol zouden kunnen vervullen bij vredesbesprekingen letterlijk uit de weg werden geruimd, gooit nu Assad alle politieke tegenstanders op een hoop, onder de noemer ‘terrorisme’. En aangezien er in Tsjetsjenië nooit sprake is geweest van een overeenkomst (enkel van een regelrechte oorlog en totale verwoesting, totdat het Kremlin zijn eigen Tsjetsjeense leider installeerde), behoort ook in Syrië een overeenkomst met de oppositie voor Poetin niet tot de mogelijkheden.
Maar de strategische belangen van Rusland gaan nog veel verder. Poetin wil opnieuw zijn macht vestigen in het Midden-Oosten, maar uiteindelijk is het hem om Europa te doen. Het beslissende moment vond plaats in 2013, toen Barack Obama na een gifgasaanval afzag van luchtaanvallen op Assads militaire bases. Dat zette Poetin ertoe aan om op het Europese continent de westerse standvastigheid nog eens extra op de proef te stellen. Poetin werd destijds duidelijk verrast door de volksopstand in Oekraïne, maar hij wist al snel zijn macht te herstellen met de inzet van geweld en de annexatie van grondgebied. Hij had – terecht – de inschatting gemaakt dat zijn hybride oorlog in Oekraïne niet door het Westen kon worden voorkomen. Het Russische beleid in Oekraïne heeft het veiligheidsevenwicht in het Europa van na de Koude Oorlog dan ook op zijn grondvesten doen schudden, en Poetin zou graag zien dat Rusland munt slaat uit de nieuwe machtsverhoudingen.
Als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend is
De militaire betrokkenheid van Rusland in Syrië plaatst de NAVO voor een groot dilemma, nu een van de belangrijkste leden in de frontlinies staat. De betrekkingen tussen Turkije en Rusland staan al maanden onder grote spanning. Inmiddels heeft Moskou Turkije openlijk gewaarschuwd geen troepen naar Syrië te sturen om Aleppo te beschermen. Hoe de Turkse leider daarop zal reageren is ook al een vraagstuk dat de Europese leiders hoofdpijn bezorgt.
Dit alles speelt zich af in een tijd waarin de Europese regeringsleiders als nooit tevoren de samenwerking zoeken met Ankara, teneinde het vluchtelingenprobleem het hoofd te bieden. Als Turkije gaat dwarsliggen op de Midden-Oostenflank van de NAVO dient dat de Russische belangen. Evenzeer zal een nieuwe uittocht van vluchtelingen Rusland in de kaart spelen. De vluchtelingencrisis heeft diepe kloven geslagen in het continent en rechtse, populistische partijen spinnen er garen bij – en veel van die partijen zijn Ruslands politieke bondgenoten in het verzet tegen het project Europa. De vluchtelingencrisis zet belangrijke Europese instituties onder druk – het gevaar van een Brexit is toegenomen (wat Rusland alleen maar zal toejuichen) – en de vluchtelingencrisis ondergraaft de positie van Angela Merkel, de drijvende kracht achter de Europese sancties tegen Rusland.
Natuurlijk is het overtrokken om te zeggen dat Poetin dit van begin af aan heeft voorzien. Hij heeft de ontwikkelingen willen sturen, maar ondertussen wordt hij er ook door meegesleept. Rusland is niet verantwoordelijk voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië, noch heeft het de hand gehad in alle gebeurtenissen in Oekraïne. Maar het cynisme waarmee Rusland het spel speelt zou in het Westen en de Verenigde Naties meer alarmbellen moeten doen rinkelen dan nu het geval is.
Poetin mag zichzelf graag neerzetten als een man van orde, maar zijn beleid heeft alleen maar gezorgd voor meer chaos, en daar moet Europa een steeds hogere prijs voor betalen. Om het Russische regime tot een andere handelswijze aan te zetten is meer nodig dan alleen optimisme. In Aleppo voltrekt zich een humanitaire ramp. Het is van het grootste belang dat we de verbanden zien tussen het uitzichtloze lot van deze stad, de toekomst van Europa, en het Rusland dat hier dreigend boven hangt.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.