Tag: auteur

  • Lea Ypi: ‘Hoop is een morele plicht’

    Lea Ypi: ‘Hoop is een morele plicht’

    De bekende Albanese auteur en academica Lea Ypi over wat ze het meest aan haar vaderland mist en hoe een van leugens vergeven communistische jeugd haar interesse in filosofie wekte.

    Lea Ypi groeide op in het laatste stalinistische bastion in Europa: Albanië. Ze had er geen idee van dat Xhafer Ypi, voormalig premier van Albanië, een man die ze verplicht moest verachten, haar overgrootvader was, noch dat haar ouders allesbehalve enthousiast waren over het communistische regime. In haar bekroonde memoires (Vrij) vertelt ze dat in 1991, toen het Albanese communistische bewind ten val kwam, haar ouders haar de waarheid  vertelden, namelijk dat het land bijna een halve eeuw een openluchtgevangenis was geweest. Ze schrijft ook over haar vreselijke ervaringen met de burgeroorlog in 1997. Ypi is hoogleraar politieke theorie aan de London School of Economics.

    U legt uit dat ‘biografie’ een beladen begrip was in het communistische Albanië. Had u dat ironische gegeven in gedachten toen u aan uw memoires begon?

    ‘Ik was niet van plan memoires te schrijven; ik wilde een filosofisch boek schrijven, maar toen was daar ineens corona. Ik zat in Berlijn en probeerde mijn kinderen te ontvluchten. Die zaten me voortdurend in huis achterna. Ze vonden dat niemand thuis mocht werken, in hun ogen was er alleen ruimte voor spel, was het altijd zondag. Dus verstopte ik me in een kast en werd het boek steeds persoonlijker: omdat het ging over fysieke beperking, omgeven door grote onzekerheid over wat vrijheid betekende in een liberale samenleving. Ik had in 1997 in Albanië al een lockdown meegemaakt, en hoewel die heel anders en veel angstaanjagender was omdat er buiten een oorlog woedde, was er een gevoel van herkenning.’

    Uw jeugd werd getekend door onwetendheid. U werd voor de gek gehouden: is uw vermogen tot vertrouwen daardoor aangetast?

    ‘De overgang van niet-weten naar weten is problematisch: is de nieuwe waarheid niet gewoon weer een ander verhaal? Die scepsis over de waarheid die tevoorschijn kwam na een grote leugen heeft me nooit echt verlaten. Dat is wat me aantrekt in de filosofie. Ik verdiep me in Kants Kritiek van de zuivere rede. Zijn filosofie bestaat er onder meer uit te pogen de rede los te maken van dogmatisme en scepticisme. Voor mij betekent kritisch zijn dat je geen dogma’s accepteert. Maar dan krijg je weer te maken met het gevaar van de scepsis: als je voorgeschotelde waar-heden verwerpt, houd je misschien heel weinig over. Als je niets meer vertrouwt, kan dat heel verlammend werken. Ik probeer dat te vermijden, en vastigheid te vinden in abstracte moraliteit.’

    GettyImages 1240447905 1
    Lea Ypi tijdens de uitreiking van de Ondaatje-prijs voor haar memoires, Free. Londen, 2022. – © David M. Benett/Dave Benett/Getty Images

    Wat was Albanië, afgezien van de politiek, voor een land, en mist u het?

    ‘Ik mis het heel erg – de stomend hete zomers en de droge, stormachtige winters. Als je het hele jaar door aan de kust woont, krijg je een andere verhouding met de zee. Die is grillig van aard. Onze middelbare school lag dicht aan zee en we gingen er soms naartoe wanneer we pauze hadden. Toen ik klein was, wist ik al dat er een wereld bestond buiten Albanië, aan de overkant van de zee, dus die borg ook deze suggestie in zich.’

    Waar woont u nu?

    ‘Als mensen vragen: ‘‘Waar is je thuis?’’ antwoord ik altijd: Heathrow, Terminal 5 [lacht]. Ik weet niet waar ik thuishoor … niet meer in Albanië, want daar heb ik een immigrantenrelatie mee gekregen. Ik reis veel en voel me met veel landen verbonden. Laten we zeggen dat mijn officiële staatsburgerschap Brits is en mijn woonplaats Londen.’

    Uw grootmoeder zei: ‘Hoop is iets waarvoor je moet vechten. Maar er komt een moment dat ze een illusie wordt.’ Wat hoopte u als kind? Wat hoopt u nu? En is hoop voor onze planeet een illusie?

    ‘Het was mijn hoop om een goede burger te zijn. Ik ben opgegroeid met een besef van politieke verantwoordelijkheid. Ik voelde me een pionier en identificeerde me met de staat en de partij. Wat ik nu hoop, is eigenlijk niet zo heel anders: ik wil een deugdzaam, verantwoordelijk lid van de samenleving zijn en de vrijheid dienen. Op het laatste deel van uw vraag heb ik een filosofisch antwoord. Hoop is een morele plicht – we moeten doen alsof er een kans is dat de dingen een gunstige wending zullen nemen voor wat wij willen bereiken. Met een nihilistische levenshouding is dat plichtsbesef niet vol te houden.’

    Vrijheid is iets wat u voortdurend bezighoudt. Hoe definieert u vrijheid?

    ‘Vrijheid omvat ook plichtsbesef, de idee dat je je plicht kunt doen, hoe moeilijk die ook is. De innerlijke morele dimensie biedt mij een grondslag om de samenleving te bekritiseren. We leven in een wereld met asymmetrische machtsverhoudingen op alle niveaus. Macht wordt uitgeoefend door de machtigen en de zwakkeren en kwetsbaren zijn de passieve ontvangers van die macht. Die dynamiek van machtsverhoudingen staat altijd haaks op vrijheid.’

    U groeide op in een moslimgezin dat verplicht werd het geloof af te zweren. Hebt u nu een religieuze overtuiging?

    ‘Albanië was een constitutioneel atheïstische entiteit; God was een berg leugens. Toen elke waarheid waarin ik geloofde een leugen bleek te zijn, vroeg ik me af of de leugen inzake God waar kon zijn. In de jaren negentig ging ik shoppen op de vrije markt van de religie. Ik was een paar maanden katholiek, ging vervolgens naar de moskee en praktiseerde de ramadan. Ik verkende het boeddhisme, maar ging uiteindelijk filosofie studeren omdat ik geen antwoorden wist. Ik ben nu agnostisch.’

    Je moeder komt prachtig naar voren als een onbevreesd iemand die zich niet liet muilkorven, een krachtpatser… lijkt u in zekere mate op haar?

    ‘Ik putte altijd inspiratie uit de onverschrokkenheid van mijn moeder. Ik probeer die na te volgen, maar ik weet niet of ik erin slaag. Toen ik kind was, liepen we samen door nachtelijk Durrës, mijn geboorteplaats. Het was erg donker, er waren veel dronkaards en ik was heel bang, maar ik zag bij haar geen greintje angst. Ik zei: “Die figuur is niet goed bij zijn hoofd, hij is dronken, hij gaat ons aanvallen.” En dan zei zij: ‘‘Nee, wij gaan hem aanvallen!’’

    U schrijft tactvol over de ontsnapping van uw moeder naar het buitenland, met uw broer, tijdens de burgeroorlog. Het lijkt er wel op dat ze het gezin in tweeën splitste. Was dat niet heel schokkend?

    ‘Zeker. Pas later begreep ik dat ze zich in een situatie bevond waarin ze meende dat ze een kind redde, waarop mijn grootmoeder dan steeds weer het volgende zei: “Je liet een ander kind achter.” Ik heb er nu vrede mee, maar het was toen wel moeilijk.’

    Heb u ooit nog iets vernomen van uw jeugdvriendin Elona, van wie u het aangrijpende verhaal vertelt en die op dertienjarige leeftijd het land ontvluchtte en prostituee werd?

    ‘Ze stierf een week nadat mijn boek was uitgekomen. Iemand die haar herkend had, schreef het me. Na dit nieuws heb ik dagenlang gehuild.’

    Hoe bent u professor aan de London School of Economics geworden?

    ‘Ik heb filosofie gestudeerd in Rome – daarna heb ik een rechttoe rechtaan academische carrière gekend. Ik promoveerde in Florence, ging naar Oxford voor een postdoc en kon vervolgens terecht bij de London School of Economics.’

    Wat voor lezer was u als kind?

    Ik hield van Griekse mythologie. Ik was geobsedeerd door de goden, dat ze zo machtig en tegelijkertijd zo machteloos waren. In Albanië was er een zeer beperkte keuze aan boeken. Ik las alle boeken in de boekwinkel en de kinderbibliotheek en ging vervolgens naar de bibliotheek voor volwassenen, waar ik de Ilias en de Odyssee las. En Russische sprookjes.

    Welk boek zou u een jongere geven?

    ‘Griekse mythen! Mijn kinderen zijn elf, zes en vier. Ik heb ze trouwens aan de twee oudsten gegeven toen ze vijf waren.’

    Wat bent u nog van plan om te lezen?

    ‘The Memoirs of Ismail Kemal Bey, de memoires van de Albanese politieke leider Ismail Qemali, de grond-legger van het Albanese nationalisme. Mijn volgende boek gaat over de val van het Ottomaanse rijk, vandaar. En Stalingrad van Vasily Grossman en een paar geschiedenisboeken. En ik ben van plan om Radetzkymars van Joseph Roth te lezen.’

    Bestaat luchtige leeskost voor u? Wat leest u het liefst ter ontspanning?

    ‘Ik geloof het niet [lacht]. Of het moeten negentiende-eeuwse romans zijn. Mijn favoriete boek is Dostojevski’s Demonen, een verbazingwekkende verkenning van de geschiedenis van ideeën en van de menselijke ziel.’ 

    Lea Ypi Vrij 1
    Vrij: Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, in vertaling van Luud Luud Dorresteyn, verscheen bij De Bezige Bij.
  • Philip Roth schreef het liefst over zichzelf. Wat blijft er dan nog over voor een biograaf?

    Philip Roth schreef het liefst over zichzelf. Wat blijft er dan nog over voor een biograaf?

    Philip Roth, die in 2010 stopte met schrijven en acht jaar later op 85-jarige leeftijd overleed, wist niet zeker of hij wel wilde dat er een biografie over hem werd geschreven. Hij was gewend zijn eigen verhaal te vertellen.

    Waarom Lodewijk Asscher zo van Philip Roths werk houdt

    ‘De angst voor besmetting. Fake news. De paniek omdat niemand precies weet hoe het virus zich verspreidt. Hoe de Italianen de ziekte kwamen verspreiden. De angst om anderen te besmetten en de bittere verwijten. Je leest erover in Nemesis, de laatste roman van Philip Roth. Tien jaar voor covid maar huiveringwekkend actueel. Ik herlas het in het voorjaar van 2020. En echt, het helpt om de psychologie te begrijpen van de tijd waarin we leven.

    Als klein jongetje wilde ik zelf schrijver worden. (Of rechtsbuiten bij Ajax, een droom die nog korter duurde, maar dat terzijde.) Een wereld creëren anders dan de onze maar met zo veel gelijkenis dat je het verschil soms niet meer ziet. In plaats daarvan belandde ik in de politiek. Maar de kunst een andere mogelijkheid te suggereren is me blijven fascineren. Het is het instrument dat de politicus soms van de schrijver leent.

    De schrijver die dit het beste kon? Philip Roth. “Stel je voor”, is wat hij je altijd lijkt voor te houden. Roth schreef over de moderne verwarring rond ras en identiteit – wokeness – zouden we nu zeggen, in zijn verbluffende The Human Stain. Als je het nu herleest is het griezelig actueel hoe Coleman Silk van de universiteit verjaagd wordt. Roth liet zien hoe het had kunnen gaan als een ander dan Roosevelt president was geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar zijn The Plot Against America leek ook in heel veel opzichten het Amerika van Donald Trump te beschrijven.

    In de boeken die Roth tussen 1974 en 2007 schreef over de oversekste Amerikaans Joodse schrijver Nathan Zuckerman speelt hij met zijn eigen levensverhaal. Je merkt dat hij het interessanter vindt hoe het had kunnen zijn dan hoe het was. Maar ook dat hij zichzelf schetst als een tamelijk egomane en onaangename man.

    Waarom ik zo van zijn werk hou? Om de grote thema’s die hij hanteert. Om het Amerika dat hij beschrijft. Om de dromerige beelden van zijn kinderjaren als joods jongetje in Newark. Om de humor in zijn taal.

    Na zijn dood in 2018 verscheen er al de bittere aanklacht van zijn ex-vrouw Claire Bloom. Zij laat zien hoe onaangenaam het was in zijn echte leven te figureren. Nu is er – eindelijk – de biografie van Blake Bailey. “Ik wil niet dat je me rehabiliteert. Maak me gewoon interessant.” Met dit citaat en deze opdracht begint Bailey zijn kolossale werk. Gelukkig maar, ik verheug me erop het te lezen en zo een glimp op te vangen van al die gefrustreerde, monomane, aantrekkelijke en weerzinwekkende personages uit de romans van Philip Roth, van wie ik in de loop der jaren ben gaan houden als van familie.’

    GettyImages 50425948
    Philip Roth en zijn vrouw Claire Bloom in hun woonkamer in New York. – © Ian Cook / Getty Images

    Hij, de koning van het zitvlees, zat al vanaf zijn studententijd 340 dagen per jaar zijn nalatenschap bij elkaar te typen, ruim dertig boeken over hoofdpersonen die veel weg hadden van hemzelf: een kind van Newark, een seculiere jood, de jongste van twee broers, een kinderloze vrijgezel die in dit land zonder pogroms alle vrijheid had om zijn lusten en zijn egomanie uit te leven. Die boeken vormden in twee opzichten zijn nalatenschap: hij had geen kinderen, dus zijn oeuvre is het enige wat hem overleeft; en op hun pagina’s was in zekere zin zijn hele leven vervat.

    Hij hamerde er altijd op dat je zijn werk niet autobiografisch moet lezen, maar produceerde wel een oeuvre vol dubbelgangers en fictieve alter ego’s, speelde voortdurend verstoppertje in zijn fictie. In Operation Shylock (1993) reist een hoofdpersoon genaamd Philip Roth af naar Israël om de confrontatie aan te gaan met een dubbelganger die ook Philip Roth heet en die een vredesplan voor het Midden-Oosten aan het uitventen is terwijl hij zich uitgeeft voor de echte Roth. Zijn memoires uit 1988, The Facts, een van zijn weinige werken die niet fictief lijken te zijn, gaan vergezeld van begeleidende brieven aan en van zijn fictieve alter ego Nathan Zuckerman. Toen hij aan die memoires begon, schreef hij een correspondent dat hij helemaal klaar was ‘met de schmink en de pruik en de opplakbaard’ van fictie – een impliciete erkenning dat zijn personages vermomde versies van hemzelf waren.

    Provocateur

    Uiteindelijk besloot Roth dat er toch een biografie moest komen, want hij wilde dat de mensen hem zouden kennen zoals hij was. Zijn fictie nodigde uit tot misverstanden, maar hij was gekwetst als hij verkeerd begrepen werd. Door op het platteland van Connecticut te wonen kreeg hij de naam een kluizenaar te zijn, maar Roth was een man met een onstilbare behoefte aan contact, onvermoeibaar bezig om mensen voor zich in te nemen, te verleiden.

    Nicole Krauss schreef na zijn overlijden over ‘de oprechte aandacht waarmee hij luisterde’ en ze noemde hem ‘het meest genereuze publiek dat iemand zich kan wensen’. In gezelschap was hij een plagerige grappenmaker, een meester van de imitatie en de anekdote, de belichaming van wat Zadie Smith, nog zo’n schrijfster met wie hij op late leeftijd bevriend raakte, de ‘rothiaanse geest’ noemde: ‘vol karakters en verhalen en humor en geschiedenis en seks en razernij’. Een roemruchte provocateur die wel graag wilde dat mensen hem aardig vonden, of ten minste zijn gelijk erkenden – want hij had nog heel wat rekeningen te vereffenen met ex-vrouwen en, niet geheel toevallig, ook met een ex-biograaf.

    Roth had al met twee eerdere biografen gebroken, een derde proberen te strikken en tegen een vierde met een rechtszaak gedreigd

    In 2012, toen hij Blake Bailey beloofde om hem deelgenoot te maken van zijn privépapieren, zijn vrienden, zijn adresboekje en zijn diepste gedachten, had Roth al met twee eerdere biografen gebroken, een derde proberen te strikken en tegen een vierde met een rechtszaak gedreigd. Maar Bailey, die brutaalweg zelf bij de bejaarde auteur had aangeklopt en een begripvol gehoor bleek te zijn, wist Roth voor zich in te nemen. En zo verschijnt in april nu Philip Roth: de biografie.

    Dat is al Baileys vierde biografie van een Amerikaanse schrijver: de oud-leraar heeft zich ontpopt als een van de grote literaire biografen van Amerika. In 2003 debuteerde hij met A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates, dat hielp om de auteur van Revolutionary Road eindelijk de roem te bezorgen die hem in zijn lange leven van armoede en dronkenschap steeds was ontglipt. Zes jaar later kwam Bailey op de proppen met de biografie van een andere twintigste-eeuwse zuipschuit met een literair talent vanjewelste, John Cheever. En toen hij voor het eerst kwam kennismaken met Roth, had hij net de laatste hand gelegd aan zijn biografie van Charles Jackson, vooral bekend van de toepasselijk getitelde klassieker The Lost Weekend uit 1944, gebaseerd op zijn eigen ervaring met comazuipen. Een van Roths eerste vragen toen Bailey zijn aanzoek kwam doen, was dus: ‘Schrijf je ook weleens over mensen die niet continu dronken zijn, of dood?’ ‘Jij zou de eerste zijn,’ zei Bailey daarop.

    Volledige toegang

    De aanduidingen ‘geautoriseerd’ en ‘ongeautoriseerd’ hebben in de literaire wereld beide een negatieve bijklank: bij een ‘geautoriseerde biografie’, geschreven met medewerking van de erven of de gebiografeerde persoon zelf, denk je immers aan een braaf en vleiend portret, en bij een ‘ongeautoriseerde biografie’ verwacht je vuige roddels. Baileys biografieën zijn geautoriseerd. ‘Mensen gebruiken “geautoriseerd” wel als diskwalificatie, alsof je dan onder de plak zit van je hoofdpersoon of de erven,’ vertelde Bailey me. ‘Ik heb andere afspraken gemaakt.’ Hij stelde dezelfde eisen als hij bij de nabestaanden van Yates en Cheever had gedaan: vrije en volledige toegang tot Roth, tot zijn papieren, al zijn familie en vrienden, en iedereen die hij verder wilde spreken – ook mensen die Roth niet per se welgezind waren.

    En Roth stemde toe. Hij omarmde hun samenwerking met de gedrevenheid van iemand die het einde voelt naderen – maar hij probeerde zijn biograaf ook voor zich in te nemen. In de omgang met geliefden, vrienden of collega’s van wie hij iets gedaan wilde krijgen, kon Roth botheid afwisselen met uitbundige jovialiteit. Bij Bailey liet hij zich vooral van zijn aardige kant zien en betoonde hij zich even toeschietelijk als hij afwerend was geweest tegen zijn andere biografen in spe.

    In de laatste zes jaar van zijn leven beantwoordde hij al zijn vragen, vaak met paginalange brieven, hij belde Bailey voortdurend op en gaf hem documenten waarin de erven wellicht nooit meer iemand inzage zullen geven. Roth wist wat voor soort biografie hij wilde, en nadat hij jarenlang met andere aspirant-biografen in de clinch had gelegen, gooide hij het bij Bailey over een andere boeg: hij bedolf hem onder de aandacht en palmde hem in met de hartelijkheid die hij reserveerde voor vertrouwelingen. Hij gaf zich aan hem over in de hoop dat het zou opleveren wat hij wilde: zijn versie van de waarheid.

    Groots in zijn hartelijkheid, onredelijk in zijn rancune en achteloos in zijn hardvochtigheid

    In februari bracht ik in Virginia een bezoek aan Bailey in zijn huis in het historische hart van Portsmouth, op loopafstand van de Elizabeth River, vlak bij Chesapeake Bay. We hebben daar in zijn woonkamer met elkaar gepraat en pizza gegeten, met inachtneming van de anderhalve meter. Op de salontafel lag The Wes Anderson Collection, Matt Zoller Seitz’ rijk geïllustreerde boek over het werk van die regisseur. In Baileys huis zelf hing ook een andersoneske sfeer, rommelig en pre-digitaal: overal boeken, geen tv te bekennen. In de kamer achter me stond een kleine vleugel, waar Bailey na een dag noeste schrijfarbeid vaak op speelt. Hij woont er met zijn vrouw en hun dochter van zestien, een beagle en een kat die nergens te bekennen was.

    Na het eten draaide ik wat rondjes in een van Roths oude Eames-fauteuils, die Bailey van hem heeft geërfd. Het bijbehorende voetenbankje staat bekend als ‘Nicole’s plekje’ – naar Nicole Kidman, een goede vriendin die daar zat als ze bij Roth op bezoek kwam. Toen ik vroeg of ik de papieren van Roth mocht zien, nam Bailey me mee naar de tweede verdieping en opende de kasten langs de muren buiten zijn werkkamer: honderden archiefmappen vol materiaal. Bailey moet dat straks allemaal weer teruggeven aan Roths executeurs-testamentair (zijn agent Andrew Wylie en Julia Golier, ooit Roths geliefde en daarna een goede vriendin), en die kunnen dan besluiten om ze te vernietigen. Bailey heeft ook kopieën van documenten in de archieven van Princeton University, waar ze openbaar toegankelijk waren tot dat archief in 2019 op verzoek van Wylie werd gesloten en de inhoudsbeschrijving van de website gehaald.

    De aanblik van zes jaar aan gegevens over het leven van één man voelt een beetje alsof je een reusachtige legpuzzel ziet die de vloer van een balzaal in beslag neemt: een indrukwekkend gezicht, maar je moet er niet aan denken hoeveel werk daarin is gaan zitten. Onderzoek doen naar een schrijversleven is een traag proces, een mengeling van ouderwets journalistiek handwerk en eindeloos spitten in archieven. Bailey heeft de meeste boeken van Roth ettelijke malen gelezen – alleen daarin gaan al honderden uren werk zitten. ‘Je moet mensen durven benaderen alsof je ze een verzekering wilt aansmeren,’ zei Bailey. ‘Dat is een rol die ik wel kan spelen en ik kan er ook van genieten, maar ik zit net zo lief wekenlang in mijn eentje te werken zonder een mens te zien. Dat is een handige combinatie voor een biograaf.’

    Kloosterplicht

    Zijn talent als archieftijger resulteert in een boek dat een uitputtend en minutieus gedetailleerd beeld geeft van Roths leven: van de saaiheid van zijn militaire dienst in de jaren vijftig tot zijn catastrofale huwelijken en zijn strijd tegen depressie. Hij zet Roth vaak meelevend neer als een man van strikte discipline (dat befaamde arbeidsethos, het schrijven als een soort heilige kloosterplicht) die ook wild uit de band kon springen (hij had een slippertje met Ava Gardner en liet Jackie Kennedy een blauwtje lopen). Alle perikelen rond zijn financiën, zijn vetes en zijn psychoanalyse krijgen we tot in het kleinste detail voorgeschoteld. De figuur die zo naar voren komt, is een man die groots kan zijn in zijn hartelijkheid, onredelijk in zijn rancune en achteloos in zijn hardvochtigheid.

    Zijn eerste reactie was ‘Notes for My Biographer’, een verweerschrift ter lengte van een boek

    Amerika kent weinig schrijvers zoals Bailey, de traditie van de literaire biografie stelt hier niet veel voor. ‘Voor zover we weten,’ schreef Rachel Donadio in 2007 in The New York Times Book Review, waren er op dat moment geen biografieën op handen ‘van Cormac McCarthy, E.L. Doctorow, Don DeLillo, Toni Morrison, Thomas Pynchon, Salman Rushdie of John Updike’. Sindsdien is alleen over Updike een grote biografie verschenen. Afgezien van Bailey en een handjevol anderen – zoals Roths goede vriendin Judith Thurman, die biografieën heeft geschreven van Isak Dinesen en Colette – zijn er maar weinig Amerikanen die uitblinken in dit genre.

    In Groot-Brittannië heb je auteurs als Claire Tomalin, Michael Holroyd en Hermione Lee, die alom geprezen biografieën hebben geschreven van respectievelijk Dickens, Shaw en Virginia Woolf. Britten zijn heerlijk voyeuristisch in hun belangstelling, ze willen lezen over het leven dat hun schrijvers leiden. De Britse tabloids doken er meteen bovenop toen Martin Amis in 1994 zijn literair agent verruilde voor een nieuwer en blitser model (Andrew Wylie toevallig). Het seksleven van Philip Larkin, of het gebrek daaraan, trok nationale aandacht. Maar in de Verenigde Staten is Roth een van de weinige schrijvers wiens privéleven vaak over de tong ging. (Wat weten we nou over het privéleven van Jonathan Franzen of Lorrie Moore?) Wij nemen onze schrijvers serieus, wat wil zeggen dat we hun werk belangrijker achten dan hun leven.

    Niet zo gek dus dat bij ons de taak om de traditie van de literaire biografie hoog te houden toeviel aan een mislukte romanschrijver. Bailey, in 1963 in Oklahoma geboren, wilde aanvankelijk acteur worden. Maar onderweg naar een auditie voor de Matt Dillon-film Tex las hij op zijn zestiende The Great Gatsby, en eenmaal bij de auditie aangekomen leek acteren hem ‘een knap suffe ambitie’. (De auditie was geen succes.) Hij ging studeren aan Tulane University, werd leraar op een middelbare school in New Orleans, probeerde een roman te schrijven en raakte idolaat van Frederick Exley. ‘Ik voelde een diepe verbondenheid’ met Exley, schreef hij in 2014 in het autobiografische The Splendid Things We Planned: ‘zijn drankzucht, zijn ziekelijke interesse in sport, zijn minachting voor de alledaagse sleur – die hele puberale narcistische roes.’

    ‘Hij wilde Richard Yates zíjn, niet over Richard Yates schrijven,’ zei Elizabeth Kaplan, zijn eerste agent. Maar succes had hij alleen gehad met non-fictie, vooral met een artikel in het blad Spy over het schrikbewind dat de vrouw van Revlon-tycoon Ron Perelman bij de verbouwing van haar huis uitoefende over de aannemers. ‘Schrijf een voorstel voor een boek over iets wat jou hevig interesseert,’ had Kaplan tegen hem gezegd, zo vertelde Bailey. ‘En wat mij op dat moment hevig interesseerde, was Richard Yates.’

    In 1999 kwam hij in contact met Yates’ middelste dochter, Monica, die het fijn vond dat Bailey geen wetenschapper was: ze hield de academische wereld verantwoordelijk voor haar vaders smadelijke teloorgang. Ze verleende hem haar medewerking en Bailey kreeg een contract met een uitgever. In april 2000 werd Revolutionary Road heruitgebracht en Baileys uitgever gokte erop dat de biografie kon meesurfen op de verhoopte nieuwe aandacht voor Yates.

    ‘Eind januari 2001 tekende ik het contract en ik kreeg tot 15 maart 2002 voor het onderzoek en het schrijven van het boek,’ zei Bailey. ‘Vanaf dat moment was ik veertien maanden lang elk uur van de dag met Yates bezig, behalve onder het eten of op de wc.’ A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates verscheen uiteindelijk in juli 2003. Yates verrees uit het graf om in de hemel van de literaire canon te worden opgenomen en Bailey werd geprezen omdat hij in zijn biografie de vinger legde op de narratieve spanning in het schrijversleven – in het geval van Yates een leven van armoede en eenzaamheid, de hele dag typen en sigaretten paffen en ’s avonds aftaaien naar de kroeg. Het boek was dat jaar een finalist in de categorie biografie van de National Book Critics Circle Award. Bailey was leraar af.

    Nadat critica Janet Maslin de Yates-biografie lovend besproken had in The New York Times, nam haar man, de schrijver Benjamin Cheever, Bailey mee uit eten en vroeg of hij misschien ook over zijn vader John wilde schrijven. Dat wilde Bailey wel en in 2009 verscheen de biografie van Cheever. Roth, die op het punt stond om zijn laatste roman te publiceren en bang was nooit meer een geschikte biograaf te vinden, las het boek met bewondering.

    ‘Ik denk dat Philip voor Blake heeft gekozen omdat hij zijn boek over Cheever had gelezen en dat voortreffelijk vond,’ zei Benjamin Taylor, een vriend van Roth, die in diens laatste jaren een medische volmacht van hem had en de auteur van Here We Are: My Friendship with Philip Roth. ‘Ik weet nog dat hij tegen me zei, toen hij dat uit had: “Hij velt geen oordeel over zijn hoofdpersoon – hij laat hem gewoon zijn gang gaan. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, net wat hij zelf wil. Zonder daar een moralistische visie op te plakken.” En hij zei ook: “Dat is het soort ruimdenkendheid dat ik nodig heb in een biografie.”’ Of zoals Bailey het zelf formuleerde: ‘Cheever gaat in mijn boek hard onderuit, maar blijft in de kern toch een sympathiek personage.’ Roth hoopte dat het voor hem ook zo zou uitpakken. ‘Als je de volledige waarheid over iemand vertelt, toon je die persoon in al zijn menselijkheid,’ zei Bailey. ‘Philip dacht dat dat ook voor hem zou gelden.’

    In 1996 was Leaving a Doll’s House verschenen, de memoires van de Engelse actrice Claire Bloom, Roths ex-vrouw. Zij schetst een vrij genuanceerd beeld van de ontsporing van hun liefde, waarin ze ook zichzelf niet ontziet, maar bij recensenten en lezers ontstond het beeld van Roth als een manipulatieve minnaar die wrede emotionele spelletjes speelde. Zijn eerste reactie was ‘Notes for My Biographer’, een verweerschrift ter lengte van een boek, dat hij aan zijn uit-gever Houghton Mifflin verkocht. Vervolgens ging hij op zoek naar een biograaf. ‘Ik dacht: iemand moet dit verhaal rechtzetten, anders blijft dit hét verhaal,’ zei hij later tegen Bailey.

    GettyImages 600005236 1
    Philip Roth in New York. – © Getty

    Flatteus portret

    Roth vroeg het eerst aan Ross Miller, literatuurdocent aan de University of Connecticut en een goede vriend, die jarenlang voorlopige versies van zijn romans te lezen kreeg en de Library of America-uitgave van zijn verzameld werk had geredigeerd (al had hij daarbij slecht werk geleverd, zo vond Roth, die daarom zelf maar de redactionele teksten aan-leverde waarvoor Miller verantwoordelijk was). Roth wilde een flatteus portret en hoopte dat Millers loyaliteit zou opwegen tegen zijn gebrek aan talent. Maar volgens Roth werkte Miller er maar sporadisch aan: toen Roth hem in 2009 voorgoed van zijn taak onthief, had hij blijkbaar nog maar elf van Roths kennissen geïnterviewd. En toen Roth de opnamen van die gesprekken afluisterde, schrok hij zo van de in zijn ogen belabberde interviewtechniek dat hij weer aan een lang schotschrift begon, een nooit gepubliceerde aanval op Miller getiteld ‘Notes on a Slander-Monger’ (‘Aantekeningen over een lasteraar’). Met de vriendschap kwam het niet meer goed en Roth bleef tot zijn laatste snik op Miller afgeven.

    Miller wilde hier niet op reageren. Toen ik Wylie vroeg of de erven hem een proces zouden aandoen als hij mij te woord stond, zei hij: ‘Daar wil ik echt niet op ingaan.’ Maar helemaal ongegrond lijkt die vrees niet. In 2011 had Roth meer dan zestigduizend dollar aan advocaten uitgegeven om gedaan te krijgen dat Ira Nadel, een Amerikaanse literatuur-wetenschapper die tegenwoordig in Canada doceert, één enkel zinnetje schrapte uit zijn Critical Companion to Philip Roth – een zinnetje over Roths veronderstelde ‘angst om emotioneel door een vrouw te worden overweldigd’, waarmee Nadel doelde op de vrouw die lange tijd een verhouding met Roth had gehad en het model was geweest voor Drenka, de seksueel vrijgevochten minnares in Sabbath’s Theater. Nadel had ook plannen voor een biografie en kreeg van Wylie te horen dat hij niet mocht citeren uit Roths werk en dat geen van Roths intimi hem ooit zou helpen.

    ‘Ik ben ook geen biseksuele alcoholist van deftige puriteinse komaf, maar ik heb toch een biografie van John Cheever geschreven’

    Ondanks zijn weerzin jegens Miller en minachting voor Nadel (die de schrijver in zijn vorige maand verschenen biografie afschildert als een man die doodsbenauwd is voor intimiteit) bleef Roth zoeken naar de ideale biograaf. Hij besprak het met een hoogleraar aan Stanford University, Steven Zipperstein, die zegt dat hij geen geautoriseerde biografie wilde schrijven (al werkt hij nu toch aan zijn eigen biografie van Roth). In 2010 kreeg hij een toezegging van Hermione Lee, die biografieën op haar naam heeft van Virginia Woolf en Edith Wharton. Maar daar kreeg hij al snel weer spijt van. Het zat hem dwars dat ze er pas aan kon beginnen als ze haar boek over Penelope Fitzgerald had voltooid, ook al had ze dat vooraf gezegd. En er was nog iets. ‘Hij wilde niet de geschiedenis ingaan als een man die iets tegen vrouwen had,’ kreeg ik te horen van een schrijver die bevriend was geweest met Roth. ‘En hij was bang dat dat wel zou gebeuren als zijn biograaf een feministe was.’

    In 2012, toen Lee dacht dat Roth zijn biografie nog aan haar had verpand, stuurde Bailey hem een e-mail nadat hij van schrijver James Atlas, ook een oude en inmiddels met Roth gebrouilleerde vriend, gehoord had over de breuk tussen Roth en Miller. (Atlas lijkt niet op de hoogte te zijn geweest van Roths afspraak met Lee, die mij niet te woord kon staan omdat, zo liet ze weten, haar hoofd ‘momenteel vol zit met Tom Stoppard’.) Zodra Bailey wist dat Roth misschien op zoek was naar een biograaf, wilde hij die klus. ‘Alles kwam gewoon samen,’ zei hij: dat Roth nog beschikbaar was en dat hij ‘al vanaf jonge leeftijd helemaal weg was’ van zijn werk. Roth nodigde hem uit in zijn flat in New York, en daarna nog een keer in zijn huis in Connecticut. In de Upper West Side vroeg hij Bailey waarom een 
    niet-jood uit Oklahoma zijn biografie zou moeten schrijven, waarop Bailey zijn antwoord paraat had: ‘Ik ben ook geen biseksuele alcoholist van deftige puriteinse komaf, maar ik heb toch een biografie van John Cheever geschreven.’

    ‘Er staan natuurlijk dingen in die hij onverteerbaar zou hebben gevonden’

    Roth was blij met zijn nieuwe man. Hij had de publicatie van ‘Notes for My Biographer ’ al afgeblazen en vrienden gevraagd hun exemplaren terug te sturen. Bailey kreeg een kopie van dat manuscript, en van ‘Notes on a Slander-Monger’, en nog veel meer materiaal. De afspraak is dat hij anderhalf jaar na het verschijnen van de biografie alles moet retourneren aan de erven. Julia Golier, een van de twee executeurs-testamentair, zegt dat zij en Wylie dan op basis van hun interpretatie van Roths wensen zullen beslissen wat er moet worden vernietigd en wat er naar de Library of Congress gaat. Over ‘Notes for My Biographer’ en ‘Notes on a Slander-Monger’ (in feite Roths ongepubliceerde werk) zei ze desgevraagd: ‘Er is gerede kans dat we die vernietigen. Dat besluit nemen Andrew en ik als het zover is.’

    Achtenveertig keer wordt ‘Notes for My Biographer’ door Bailey in de biografie aangehaald. Dat betreft vooral passages over Claire Blooms kritiek op hem. Veel van die citaten zijn onschuldig en sommige zijn zelfs complimenteus (Roth vond zijn ex bijvoorbeeld ‘een geboren schrijfster’). ‘Notes on a Slander-Monger’ wordt maar achttien keer aangehaald. Deze onbekende manuscripten zijn misschien niet explosief van aard, maar ze zijn zonder meer van belang – ze gaan immers over Roths twee grote relatiebreuken (na het fiasco van zijn vroege eerste huwelijk): de echtscheiding van Bloom en de breuk met Miller. En het is niet duidelijk hoeveel exemplaren van deze teksten nog in omloop zijn. Roths vriendin Claudia Roth Pierpont, de auteur van Roth Unbound: A Writer and His Books (2013), leek zich niet goed raad te weten met mijn vraag of zij nog een exemplaar had: ‘Er zwerven nog wel exemplaren rond. Ik heb er geen.’

    In Baileys archiefkasten bevinden zich nu in ieder geval nog exemplaren van deze teksten, en van ‘Slander-Monger’ ligt er ook een exemplaar achter slot en grendel op Princeton, onderdeel van de verzameling Roth-gerelateerde documenten die Benjamin Taylor in 2018 aan de universiteit heeft verkocht. Het jaar daarop werd dat archief op last van Wylie gesloten en Taylor weet niet of Princeton het ooit nog zal heropenen. Volgens een woordvoerder is de universiteit ‘nog in gesprek met de erven’. Wylie noch de advocaat van de erven, Perley H. Grimes Jr., wilde hier iets over kwijt. Het is net alsof Roths wilskracht de schrijver heeft overleefd en hij over het graf heen blijft drammen en dwingen. Zijn lichaam vergaat, maar zijn oude kennissen respecteren zijn wensen en bewaren een respectvol stilzwijgen.

    Bij wetenschappers zal altijd de frustratie blijven knagen dat slechts één man zijn volledige oeuvre heeft mogen zien – niet alleen alle titels die nog in de winkel liggen, maar ook de ongepubliceerde geschriften.‘Exclusiviteitsbiografie!’ foetert Jacques Berlinerblau, een hoogleraar van Georgetown University die in september ook een boek over Roth publiceert, The Philip Roth We Don’t Know: Sex, Race, and Autobiography. ‘Volledige inzage in alle documenten, en daarna worden ze verbrand!’ Dat zou zonde zijn. Miller was in de jaren tachtig en negentig een belangrijke meelezer van Roths romans in wording; en omdat het beeld van Roth als vrouwenhater in sterke mate op het boek van Bloom berust, lijkt het erop dat het eindoordeel daarover voorgoed moet worden opgeschort.

    Bailey is ook de enige die een 101 pagina’s tellend verslag heeft gelezen dat speciaal voor hem werd geschreven door de vrouw die de inspiratiebron was voor Sabbaths minnares Drenka. Bailey mocht die herinneringen alleen in haar bijzijn lezen. ‘Ik mocht ze niet eens meenemen naar de wc,’ zei Bailey. Roth had met niemand zo’n lange verhouding als met deze vrouw, zelfs niet met zijn twee echtgenotes, en Bailey heeft geen idee wat zij gaat doen met haar manuscript, waarin ze een naargeestiger figuur schetst dan de Mickey Sabbath die Drenka’s minnaar is.

    ‘In Sabbath is de seks vrolijk en speels,’ schreef Bailey me, terwijl je in haar versie van het verhaal ‘vooral leest dat Philip (om maar wat te noemen) wilde dat zij aan de telefoon luisterde hoe hij zich in Londen zat af te trekken terwijl zij in Connecticut’ aan het werk was, met patiënten in haar fysiotherapiepraktijk.

    De Roth die uit Baileys onderzoek naar voren komt, was soms harteloos tegenover geliefden en vrienden zowel als vijanden. Hij zag er geen been in om hun levens als voer voor zijn boeken te gebruiken. Als ze daar bezwaar tegen maakten, zoals de romanschrijver en trouwe discipel Alan Lelchuk op den duur deed, toonde Roth geen berouw. Hij was een meester van de onmin, getuige zijn ruzies met Lelchuk, met Atlas en natuurlijk met Miller. Hij kon emotioneel veeleisend zijn en zijn medeleven met anderen was ondergeschikt aan zijn eigen behoeften. Hij had iets van een jengelend kind: hij wilde bijvoorbeeld dat Bloom meer tijd met hem doorbracht en minder met haar tienerdochter Anna. Hij was vaak blind voor zijn eigen tekortkomingen en de wrevel die hij zelf veroorzaakte: hij noemde Anna in een brief ‘strontvervelend’, zonder oog te hebben voor de rol die hij zelf in de familieruzie speelde.

    Deze versie van Roth, als een man met sterke seksuele driften, een brandend gevoel van slachtofferschap, een talent voor nietsontziende woede en een beperkt inlevingsvermogen, doet denken aan zijn meest onverzadigbare personages – Portnoy, Zuckerman en Sabbath met name. Roth schreef geen autobiografische romans, maar hij lijkt zijn tekortkomingen en turbulente leven wel te hebben gebruikt als stof voor zijn fictie, waarin hij zijn eigen beperkingen wilde etaleren op de enige manier die hij kon, in de enige taal waarover hij beschikte.

    Roth wist heel goed dat Bailey over al deze dingen zou schrijven, maar sputterde toch zelden tegen. Een van de zeldzame ruzies die hij met Bailey kreeg, ging erover dat de vrouw die model had gestaan voor Drenka niet onder haar echte naam in de biografie wilde worden opgevoerd. Roth meende dat ze hem in gesprekken met Bloom en Bailey had belasterd en wilde niet dat ze zich achter haar anonimiteit kon verschuilen. ‘Ik wees Philip erop dat hij niet in de positie verkeerde om zulke eisen te stellen,’ zei Bailey, ‘en daarmee was de kous af.’

    Boeiend

    Kwam dat misschien doordat hij als schrijver wist wat ervoor nodig is? Dat als de vergetelheid zijn grootste angst was – en dat ís de grootste angst van elke schrijver – hij niet alleen bewonderenswaardig maar vooral boeiend moest zijn? Hij wordt in dit boek herinnerd als een mens: hilarisch, ongrijpbaar, oprecht aardig maar ook wispelturig en vals. Een man, geen levenloos monument. ‘Er staan natuurlijk dingen in die hij onverteerbaar zou hebben gevonden,’ zei Bailey. ‘Maar hij zou uiteindelijk hebben ingezien dat de ideale biografie die hem voor ogen stond alleen gerealiseerd had kunnen worden als hij hem zelf had geschreven – wat hij in een ideale wereld natuurlijk ook het liefst had gedaan.’ 

    boekcover

    Vertalers Frank Lekens en Lidwien Biekmann hebben zich ontfermd over de 880 biografische pagina’s die binnenkort bij de Bezige Bij verschijnen. Blake Bailey kreeg toegang tot Roth’s persoonlijke archief en sprak vrienden, geliefden en collega’s.

    Ook met Roth zelf sprak hij veelvuldig over liefde, de dood en de literatuur. En ook over hoe pleitbezorger werd voor dissidente schrijvers uit het Oostblok en zijn literaire carrière bijna ontspoorde door zijn eerste huwelijk. 


    Ondanks dat de Amerikaanse uitgever de biografie op 21 april uit de handel heeft genomen nadat Bailey werd beschuldigd van seksuele intimidatie en misbruik, publiceren wij dit interview waarin immers de nadruk ligt op Roth, aan wie we graag onverminderd aandacht besteden. Om dezelfde reden zal De Bezige Bij het boek als gepland uitgeven.