Tag: autobiografie

  • In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    Journalist, professor en schrijfster Margo Jefferson (1947) vertelt in haar onlangs vertaalde autobiografie Negroland hoe het was om op te groeien in de elite van de zwarte gemeenschap in Chicago. Een fragment.

    Ik heb geleerd me niet op de voorgrond te dringen. Ik heb geleerd me te onderscheiden door declameren, niet proclameren, uit te blinken door prestaties en manieren, niet door me op de voorgrond te dringen. Maar is elke autobiografie niet een manier om je op de voorgrond te dringen?
 In het Negroland van mijn jeugd was dat een gevaarlijke bezigheid. Negroland is mijn naam voor het deel van zwart Amerika waar de inwoners zich tot op zekere hoogte beschermd wisten door voorrechten en welvaart. De kinderen in Negroland werden gewaarschuwd dat weinig negers deze voorrechten en welvaart ten deel viel en dat de meeste blanken hen het liefst weer behoeftig, eerbiedig en onderdanig zagen. De kinderen werd geleerd dat andere negers een voorbeeld aan ons moesten nemen, maar dat velen van hen (uit afgunst of onwetendheid) de vooroordelen juist bevestigden.

    Te veel negers, zo werd gezegd, vielen op door de verkeerde dingen: hun luide stemmen, hun vrijpostige en opvallende manier van doen, hun talent voor populaire muziek en dans, voor sport meer dan voor de letteren en de wetenschap. De meeste blanken, zo werd ons verteld, waren gespitst op deze, in hun ogen, fundamentele raskenmerken. Maar de meeste blanken waren ook gespitst op al te zichtbare successen op hún terrein, op ons aandeel in hún voorrechten 
en welvaart, in wat zij als hún raskenmerken zagen. Je moest je in hun gezelschap altijd waardig gedragen, en opzichtigheid werd niet op prijs gesteld. Op 
de voorgrond treden was toegestaan, werd zelfs aangemoedigd, maar alleen als dat je hele familie ten goede kwam, en hun vrienden, en alle gemeenschappelijke voorouders.

    Het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen

    En dus sta ik bij een talentenshow van Jack and Jill 
of America, vier jaar oud, achter de coulissen in een auditorium, samen met andere opgewonden deelnemers. Terwijl we met zachte en harde hand tot stilte worden gemaand, glip ik weg en stap het toneel op. Mijn vriendinnetje van vijf is halverwege haar voordracht. Ik ga voor haar staan, draai me om, en zeg tegen de man achter de piano: ‘Speel maar door.’ Hij gehoorzaamt; ik draai me weer naar het publiek en doe een paar minuten lang wat ik denk dat een dans is. Ik hoor de aansporingen en gulle lach van de volwassenen. Ik heb ze betoverd, want ze kennen mij als slim en spontaan; zelfs de moeder van mijn vriendinnetje laat me begaan. Ik herinner me niet hoe mijn vriendinnetje reageerde – en waarom zou ik ook? Ik was erop uit haar weg te blazen.

    Soms deed ik een te groot beroep op de toegeeflijkheid van de volwassenen, en mijn verlangen om te schitteren maakte dat ik vergat wat de gelegenheid van mij vroeg. Tijdens een etentje niet lang daarna, waar de volwassenen weinig oog hadden voor de kinderen, wachtte ik een moment van stilte af en verklaarde toen: ‘Soms vergeet ik mijn billen af te vegen.’

    De lach kwam, maar pas na een korte stilte, en ik zag hoe de gasten blikken wisselden voordat ze zich naar mij richtten. Ik besefte dat ze me eerder tolereerden dan vertederd waren, en het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen.

    Dus ontwikkelde ik me. En terwijl ik me ontwikkelde, leerde ik dat mijn fouten – slechte manieren, slechte smaak, een overmaat aan enthousiasme – buiten onze vertrouwde kring een probleem vormden voor mij, mijn ouders en mijn mensen.

    Levenslang secundair

    Allemaal konden we zomaar, en voor altijd, bestempeld worden als vulgair, grof en minderwaardig.

    Slim van mij om recensent te worden. Wij recensenten keuren en dringen ons op de voorgrond voor een hoger doel. Voor een gemeenschappelijk belang. Onze manieren, onze smaak en onze proclamaties worden verwelkomd.

    Levenslang superieur. Behalve wanneer we dat niet zijn. Behalve wanneer we worden weggewuifd of voor afgunstig en kleinzielig worden uitgemaakt; voor onecht en inherent parasitair. Levenslang secundair.

    Dat is het verhaal in grote lijnen. Hier is de toegespitste versie: het verhaal van een meisje uit het Midden-Westen halverwege de vorige eeuw, een van twee kinderen van een aantrekkelijk echtpaar dat zich gelukkig prees met hun leven en prestaties, dat het beste wilde voor hun kinderen en dat wilde dat hun kinderen tot de besten zouden behoren.

    Bloed des blancs

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras, ergens tussen het gros van de negers en de blanken van alle klassen in. Net als het Derde Oog beschikte het Derde Ras over wijsheid, intuïtie en verlichte kennis die bij de andere twee rassen ontbrak. De leden waren goed opgeleid, ambitieus, 
ontwikkeld en hadden de verbale vingervlugheid 
tot kunstvorm verheven.

    Als, zoals zo vaak werd gezegd, te velen van ons ernaar hunkerden, verlangden, streefden om Blank 
te zijn zijn zijn, Blank Blank Blank Blank blank…

    Als (zoals zo vaak werd gezegd) velen van ons te zeer opschepten over het bloed des blancs dat door de eeuwen heen openlijk of heimelijker zijn weg naar onze aderen en bloedvaten had gevonden en daar 
nu futloos stroomde (arteria cerebri, aorta, renalis, femoralis, jugularis, subclavia, en de mesenterica superior) …

    Als we te veel waarde hechtten aan het uiterlijk, de manieren en moraal die het geboorterecht vormden van de mensen van Angelsaksische afkomst…

    Blanke mensen wilden net zo graag blank zijn als wij. Ze deden er net zozeer hun best voor. Ze mislukten net zo vaak. Ze mislukten vaker. Toch doorstonden ze altijd de test, en dus was er niemand die protesteerde.

    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur
    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur

    Denise en Margo dragen allebei een wollen mantel met een kraag van Perzisch lammerenbont. Ze stoppen hun handen diep weg in een mof van Perzisch lammerenbont. Ze zijn betoverd door hun eigen bekoorlijkheid. Ze dragen bijna nooit dezelfde kleren, maar dit keer doen ze dat met een doel. Denise en Margo zijn een setje en een tableau. Hun outfit is de beloning voor een onberispelijke kindertijd: jurken van taf en fluweel met kragen van kant, petticoats, enkellinten, handtasjes en zakdoekjes met initialen, handschoentjes, passend bij het seizoen, van katoen en geitenleer, dezelfde mantels en moffen. Strooien hoeden en hoofdbanden met bloemen. Niet slechts één bloem, als bij een corsage, maar een ovale rij, als in een prieel.

    Het prieel van de kindertijd. We praten of lachen niet hard in het openbaar. We zakken niet onderuit. We spreken goed gearticuleerd en zonder accent. Wanneer onze tante Ruby, onderwijzeres op een basisschool, 
op bezoek komt vanuit Californië, dwingt ze me een penny in een spaarpot te doen voor elke keer dat ik ‘jee’ zeg. Ik vind het fijn. Ik vind het fijn om onberispelijk te zijn.

    De schoonheidsidealen voor meisjes zijn dwingend in het Negroland van de jaren vijftig. Negermeisjes moeten alert zijn op hun vermeende gebreken. Meedogenloos. Catalogiseer en compenseer.

    Platte voeten in plaats van een hoge voetboog.

    Een opzichtig achterwerk dat weigert stilletjes in nauwsluitende jurken te schuiven, te slinken en te blijven zitten.

    ‘Asachtige huid.’ Wit sediment op het oppervlak van een bruine huid die te lang niet is ingesmeerd. Knieën en ellebogen moeten goed worden verzorgd. ‘Een goed geoliede machine’ is geen metafoor.

    Huidskleur
    Ivoor, crème, beige, graan, leer, mocassin, kalfsleer, café au lait en de blekere tinten van honing, amber en brons zijn het best. Siena, chocolade, zadelbruin, omber (gebrand of rauw) en mahonie werken het best met fatsoenlijk-tot-goed haar en gelijkmatige-tot-scherpe gelaatstrekken. In deze gevallen moet 
de vrouw kiezen voor kleding in ingetogen kleuren. Felle kleuren maken de indruk dat ze met zichzelf te koop loopt. In het algemeen geldt voor vrouwen dat de donkere huidskleuren, zoals walnoot, chocoladebruin, zwart en zwart met blauwe ondertonen niet zijn toegestaan. Een donkere huid geeft een indruk van agressieve en algehele seksuele bereidheid. Op zijn minst vestigt het de aandacht op je ras en kan zo ongunstige associaties oproepen.

    Soorten haar
    1. Supersteil haar kan gedragen worden in lange, dikke vlechten die tot halverwege de rug reiken, of zelfs tot aan de taille.
    2. Glanzend haar dat golft en krult: dit roept associaties op met het Moorse Spanje en Mexico.
    3. Dichter opeengepakte golven met minder glans: dit haar kan geborsteld worden tot het bijna steil is, maar moet wel behandeld worden met een dunne haarcrème voor licht haar. Een hoge vochtigheidsgraad (de keuken) kan het stug maken in de nek en kroezig rond het gezicht. Ga er herhaaldelijk snel doorheen met een hete kam.
    4. Pluizig haar, stadium 1. Vereist dagelijks een dikke haarcrème en frequent gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet tot voorbij de schouders.
    5. Pluizig haar, stadium 2. Vereist steeds nieuwe lagen haarcrème en constant gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet verder dan halverwege de nek.

    De meisjes Jefferson
    Een plat achterste moet vermeden worden, maar 
dat van hen is mooi van vorm en niet overdreven 
volumineus. Geen van de twee meisjes Jefferson heeft een van de drie topsoorten haar. Hun moeder bewerkt het met de hete kam en de krultang. Dagelijks brengt ze olie aan; blootgesteld aan regen of hoge luchtvochtigheid neemt negerhaar een borstelige, pluizige of kroezige vorm aan. ‘Borstelig’ is het woord dat het meest wordt gebruikt; ‘pluizig’ en ‘kroezig’ zijn scherpere en grovere woorden. Denises haar is een paar graden erger dan dat van Margo. Maar Margo was weer dom genoeg om te geloven, toen ze nog klein was, dat haar haar blond zou worden als haar moeder het waste. Gelukkig sprak ze haar overtuiging uit, zodat deze een genadige en snelle dood kon sterven. Haarolie kan vlekken maken op linten en op de bloemen op hoofdbanden en op de stoffen binnenkant van bleke strooien hoeden die naar de kerk gedragen worden en naar gelegenheden waar nette kleding vereist is, als je er niet voor zorgt dat je handen schoon zijn wanneer je ze opdoet en weer afneemt.

    Mevrouw Jefferson heeft een opvallende Romeinse neus. Denise heeft een kleine, goedgevormde neus; meer decoratief dan sierlijk. Hoewel Margo’s neusgaten wijken, wijken ze niet zo dat de onwelwillende toeschouwer er aanstoot aan kan nemen.

    Beide meisjes hebben volle maar niet overdreven volle lippen. Ze zouden liever kleinere, smallere lippen hebben, maar de basisvorm is goed.

    Niemand kan hen ervan beschuldigen dat ze dikke lippen hebben.

    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar
    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar

    We woonden in Bronzeville tot ik drie was 
en Denise zes; toen verhuisden we naar Park Manor. Bronzeville was de op een na grootste gekleurde stad in Amerika, en onze grootmoeder bezat er twee gebouwen. We woonden comfortabel in een daarvan, toen op een dag in 1949, zo leert de geschiedenis, ‘een poging van twee zwarte gezinnen om twee huizen te betrekken aan de zuidkant van Park Manor resulteerde in een menigte van tweeduizend blanken 
die scandeerden: “Wij willen vuur, wij willen bloed”, 
terwijl blanke politiemannen zwijgend toekeken.’ Wat zouden blanke politiemannen anders moeten? Ze handhaafden vijfentwintig jaar oude wetten en meer dan honderd jaar oude gebruiken. Ze beschermden het bezit van hun collega’s, die ook in Park Manor woonden.

    Op een avond, een paar jaar later, wanneer we ons zonder probleem in Park Manor hebben gevestigd, houdt een politieauto papa aan.

    ‘Wat doet u hier?’

    ‘Ik woon hier.’

    ‘Wat zit er in die zwarte tas? Drugs?’

    ‘Ik ben arts.’

    De inhoud van de tas bevestigt dat. Gelukkig was hij kinderarts, geen anesthesioloog.

    ‘Er woonde een blank gezin pal naast ons. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden’

    We hebben hier bijna een heel huis. Drie van de vier verdiepingen zijn van ons. De vierde verhuren we aan een gescheiden vrouw, mevrouw Collins (negerin), die hoeden maakt en door haar appartement loopt in felgekleurde robes die zo uit 
de film lijken te komen, met aan haar voeten muiltjes die zijn afgezet met een randje ganzendons. Ze rookt, en ze slikt met een hese precisie haar klanken in. Zoals Peggy Lee die ‘Black Coffee’ zingt.

    Links van ons woont de vriendelijke dokter Hall (neger), met zijn ronde gezicht, waarboven hij in de winter een bruinvilten gleufhoed draagt en in de zomer een bleekgele strohoed. Ik zou zijn huidskleur ‘donkere tabak’ willen noemen. Jesse Owens (bekend negeratleet) woont een tijdje aan het eind van onze huizenrij, maar zijn kinderen hebben een andere kinderarts. In het huis van lichte baksteen aan de andere kant wonen meneer en mevrouw Hull. Ze hebben een licht zuidelijk accent. Meneer Hull is taxichauffeur. Mevrouw Hull is verpleegster; ze heeft een volle pony en donkere krullen die tot op haar schouders vallen. Hun dochter Shirley is van mijn leeftijd; we spelen vaak samen, in hun tuin of de onze.

    Niet langer worden hier kruizen verbrand, en niemand trekt lelijke grimassen of schreeuwt. Wij komen, en de buurt gaat eraan. Brrring rinkelt de telefoon overal om ons heen. ‘Hallo, wij zijn slimme blanke makelaars en u bent een boze blanke huiseigenaar. Laat ons uw huis verkopen aan de negers, en voor prijzen die veel hoger liggen dan u of welke andere blanke er ooit voor zou betalen. U zult uw geluk niet op kunnen. Laat hen betalen om de buurt te verzieken, als ze dat dan zo graag willen.’

    ‘Moeder, waren er ooit blanke gezinnen in onze straat?’ vraag ik twintig jaar later.

    ‘O ja, kind, die waren er. Er woonde een gezin pal naast ons, voordat de Hulls er kwamen wonen. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden.’

    Een zomerdag in 1952…

    Mevrouw Jefferson legde Denise en Margo in bed voor hun middagslaapje, en ging toen naar de eetkamer. Ze ging aan tafel zitten en schonk zichzelf koffie in. Ze was van plan te dagdromen. De jaloezieën boden een doorkijk naar de tuin. De viooltjes stonden in hun borders, de rozen tegen hun latwerk. Het was een moment van leeuwerik-in-de-lucht en slak-op-de-doorn, tot het moment dat ze de twee blanke buurkinderen het tuinhek zag openen, onze tuin 
zag binnenstappen, recht op onze vrolijk gekleurde schommels af zag lopen en hun achterwerkjes erop zag neerdalen.

    Nog een vertelling uit de crypte van een negerjeugd. Ik vraag haar hoe ze eruitzagen.

    ‘Als twee blanke kinderen. Niets bijzonders. Vaal blond haar.’

    ‘Waren het meisjes?’ (zucht) ‘Ik geloof van wel.’

    Mevrouw Jefferson zag hoe de schommels in beweging kwamen, stond toen op en trok haar schouders naar achteren. Was dit zo ongeveer wat ze dacht?

    De duizend verwondingen door blanken had ik zo goed als ik kon verdragen, maar toen ze het domein van de belediging betraden zon ik op wraak. Jij, die mijn ziel zo goed kent, hoeft er natuurlijk niet van uit te gaan dat ik dreigende woorden heb gesproken…

    Toen ze de veranda op stapte verraadde niets in haar ook maar het minste gevoel van urgentie of irritatie. ‘Meisjes,’ zei ze kalm maar duidelijk, ‘Margo en Denise slapen. Ze komen niet spelen, dus jullie kunnen beter naar huis gaan.’

    En ze gaan. Maar de volgende week keren ze terug. En de week erna. Elke keer stapt mevrouw Jefferson op de veranda en spreekt dezelfde woorden. Elke keer vertrekken ze zonder iets te zeggen. Na de derde keer komen ze niet meer terug. En binnen het jaar zijn ze voorgoed verdwenen.

    Een onrecht is niet gewraakt wanneer vergelding de wreker treft. Een onrecht is evenmin gewraakt wanneer de wreker zich niet als zodanig bekend weet te maken aan degene die haar het onrecht aandeed.

    Nu, zoveel jaar later, slaat mevrouw Jefferson haar ogen neer, dempt haar stem en eindigt haar verhaal als volgt: ‘Ik was te geïntimideerd om hun moeder erop aan te spreken.’

    Ik vind het ondraaglijk om aan haar te denken als geïntimideerd. ‘Natuurlijk was je dat,’ zeg ik snel. ‘Die politiemensen uit de buurt patrouilleerden waarschijnlijk nog steeds, alleen nu in hun vrije tijd.’

    Stilte.

    Ze zwijgt, dus ik probeer een slavernijgrapje. ‘Je moest altijd uitkijken voor de ontsnapteslavenpatrouille van Park Manor.’ Het is flauw en het produceert een plichtmatig pre-lachgeluidje. Ik moet beter mijn best doen.

    ‘Moeder, het enige wat mij dwarszit is dat die mensen verhuisd waren voordat ik mijn badmintonset kreeg. Ze zouden erin gebleven zijn.’ Ze gunt me een blik waarin ik lees dat ze mijn poging waardeert, of in elk geval mijn goede bedoeling.

    Dan staat ze op en beëindigt het gesprek, nog immer vervuld van schaamte.

    Margo Jefferson is op 4 november te gast in het 
Humanity House in Den Haag in het kader van 
het Crossing Border Festival. Aanvang 20:45 uur. 
www.crossingborder.nl

    Auteur: Margo Jefferson

    Dit is een fragment uit 
Margo Jeffersons Negroland, 
dat onlangs verscheen bij 
De Arbeiderspers 
(vertaling: Pauline Slot).

  • ‘Mijn volgende boek zal fictie zijn’

    ‘Mijn volgende boek zal fictie zijn’

    In het Munchmuseum in Oslo heeft bestsellerauteur Karl Ove Knausgård een expositie samengesteld over de schilder van De Schreeuw. Een interview met de schrijver over het ontstaan van de tentoonstelling, en de gevolgen ervan voor zijn eigen werk.

    Als Karl Ove Knausgård de perszaal van het Munchmuseum binnenkomt, gekleed in een donker maatpak met een opvallend strakke broek, gaan alle camera’s en blikken automatisch zijn kant op. Gemompel klinkt door de zaal.

    De Noorse media zijn in groten getale aanwezig. Er is ook buitenlandse pers, want het gebeurt niet elke dag dat twee Noorse kunstenaars van zo’n formaat zich verbroederen. De literaire vernieuwer Knausgård, wereldberoemd geworden met zijn zesdelige autobiografische roman Mijn strijd, presenteert ons vandaag zijn kijk op zijn landgenoot Edvard Munch (1863-1944). Een benard genie dat de schilderkunst de moderne tijd binnenloodste met zijn schilderij van een menselijke figuur die midden op een brug zijn angst lijkt uit te schreeuwen.

    Met de expositie Richting bos. Munch door de ogen van Knausgård wil de schrijver, die een groot liefhebber van bomen is en deze herhaaldelijk laat figureren in zijn werk, het publiek met een nieuwe blik naar het oeuvre van Munch laten kijken. Hij heeft geen enkel heilig verklaard doek in zijn selectie opgenomen, zelfs niet De Schreeuw. Volgens Knausgård wordt het hoog tijd dat de kunstgeschiedenis aan een nieuw hoofdstuk begint over de kunstenaar uit Løten.

    Welk verband wilt u benadrukken tussen deze expositie en uw werk als romanschrijver?

    ‘Onder de sterren is een van mijn lievelingsschilderijen van Munch. De expositie werkt naar dit schilderij toe, dat als laatste is tentoongesteld. In elk van de vier zalen heb ik de kleurschakeringen en de gevoelens naar voren willen brengen. We beginnen met de harmonie van De Zon en we eindigen met de sterren aan de nachtelijke hemel. De voortgang moet vanzelfsprekend lijken. Zoals een roman, die ook passages en hoofdstukken met verschillende kleurschakeringen kent.’

    Munch heeft in totaal 1789 schilderijen gemaakt, maar het zijn de doeken die in zaal 19 van het Nationaal Museum in Oslo hangen die de hele wereld kent: Puberteit, Madonna, Vampier, Jaloezie, De levensdans, Het zieke kind, et cetera. En natuurlijk De Schreeuw, waarvan ook een versie in het souterrain van het Munchmuseum hangt en die al lange tijd op T-shirts, handtassen, tapijten, kopjes en andere voorwerpen prijkt die over de hele wereld in museumwinkels worden verkocht.

    Karl Ove Knausgård denkt dat de beroemdste doeken van de schilder zo vaak zijn tentoongesteld dat niemand ze meer kan zien. ‘De Schreeuw brengt tegenwoordig niet meer dezelfde schok teweeg als aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw. Desondanks,’ zegt hij, terwijl hij de rook van zijn sigaret inhaleert, ‘is er eergisteren iets heel interessants gebeurd, toen ik door de Duitse televisie werd geïnterviewd in het souterrain van het museum. Terwijl we voor De Schreeuw stonden, dat niet achter glas zat en niet was ingelijst, beseften we weer hoe radicaal het was. De kleuren waren als nieuw. Terwijl het zo bloot aan de muur hing, bij wijze van spreken, straalde het doek zo veel kracht uit dat we begrepen hoe bijzonder het is.’

    knausgard foto ove kvavik munchmuseet

    Tijdens de rondleiding door de expositie, waarvan elke zaal zijn eigen gevoelstemperatuur heeft, maakte Knausgård in het begin een beklemde indruk. Maar het enthousiasme spatte er desondanks vanaf. Toen hij in de derde zaal kwam – de spectaculairste, die is ontworpen door architectenbureau Snøhetta, waar de doeken aan zwarte muren hangen, waar het tapijt zwart is en waar het licht opvallend gedempt lijkt – was het alsof hij een buiging maakte. Zoals Strindberg zijn rode kamer had, was dit de zwarte kamer van Knausgård. ‘Dit komt overeen met de plek waar ik als schrijver graag zou willen zijn,’ zei hij, terwijl hij op een schilderij wees van een berg waar zich een cascade van bloed vanaf stort. En hij vertelde dat het laatste boek dat Munch las, op zijn sterfdag, Boze geesten van Dostojevski was geweest.

    Voor de expositie meed Knausgård niet alleen opzettelijk de bekendste werken, hij geeft ook geen enkele informatie bij de schilderijen. ‘Ik wilde ook geen museumbrochure met de titels van de schilderijen en de plek waar ze hangen. Ik wilde dat de doeken voor zichzelf spraken,’ licht de schrijver toe.

    Het is niet zo vreemd dat het Munchmuseum hem de taak heeft toevertrouwd een nieuwe blik op de schilder te werpen. Het doel van Munch was om de scènes en motieven van zijn intieme leven zo dicht mogelijk te benaderen, zoals Knausgård zo diep mogelijk in het mens-zijn heeft willen doordringen door zijn eigen bestaan te beschrijven. In het boek dat hij aan de schilder heeft gewijd vergelijkt Knausgård Munch met Dostojevski die, in tegenstelling tot Tolstoj, op zoek was naar het existentiële en emotionele.

    ‘Als ik me begin te schamen voor wat ik schrijf, weet ik dat ik op de goede weg ben’

    Is het voorstelbaar dat uw expositie nieuwe ‘grote werken’ van Munch creëert?

    ‘Daar droom ik van,’ antwoordt hij. ‘Om een schilderij op een voetstuk te plaatsen en het steeds meer te zien stralen. Dat lukt misschien niet met een expositie, maar het is waarschijnlijk mijn grootste ambitie.’

    In zijn boek over Munch schrijft hij dat ‘de waarheid beleefd moet worden en om die reden naakt moet worden tentoongesteld en niet worden geïntegreerd in overgeërfde afbeeldingen’. Wat is dan Knausgårds waarheid over Munch? ‘Onze kijk op een kunstenaar is nogal universeel, denk ik. Ik geloof dat die na verloop van tijd op hetzelfde moment bij alle mensen postvat. Wij zoeken allemaal hetzelfde in de werkelijkheid. Deze expositie loopt goed omdat we in Munch datgene hebben gezocht en gezien wat de mensen zoeken. Er is een soort collectieve blik.’

    Hij laat een korte stilte vallen, neemt een grote slok koffie en komt terug op zijn boeken. ‘Mijn ervaring is juist dat wat ik schrijf alleen maar over mij gaat. Veel mensen denken hetzelfde, en voor mij is kunst een plek die verzamelt. Simone de Beauvoir is een plek die verzamelt, dus gaan we ernaartoe. Het museum is een plek waar iets analoogs gebeurt, iets collectiefs.’ Knausgård buigt zich voorover. ‘Tegelijkertijd moeten kunstenaars, om te kunnen slagen, dat collectieve aan hun laars lappen! Munch is zowel specifiek als heel universeel. Een eigenschap van mensen is dat ze een bepaalde veranderende esthetiek kunnen begrijpen.’

    In uw boek vraagt u zich af of we niet nog altijd in de tijd van Munch leven, dat wil zeggen in een tijd van radicaal individualisme, waarin gevoelens op de eerste plaats komen. Is dat het geval?

    ‘Ik denk het wel. We worden voortdurend rechtstreeks geïnformeerd over al het leed op de wereld. Er is geen afstand meer. Dat was in de tijd van Munch anders. Er bestond een grote afstand tot de onmetelijke wereld, en daarom kwam zijn kunst zo heftig over.’

    In de vier boeken over de jaargetijden die Knausgård voor zijn dochtertje heeft geschreven komen tal van bomen voor. In Zomer _[dat onlangs verscheen in het Nederlands] leren we veel over de kastanjeboom, die Munch ook graag schilderde. Dat de expositie _Richting bos heet, heeft te maken met de rol die het bos in het leven van mensen speelt. ‘Het bos staat voor alles wat wild en ongecontroleerd is, wat zich aan de beschaving onttrekt, maar tegelijkertijd denk ik dat we deze wilde en onbeschaafde aspecten ook bij mensen aantreffen,’ legt de schrijver uit. ‘Het bos herbergt ook het avontuur en het onderbewuste. Munch schildert bomen als individuen: ze hebben een menselijke houding. Dat aspect was me nooit eerder bij Munch opgevallen, maar ineens sprong het me in het oog. En daarna zie je op het fysieke doek de fysieke kleur van het hout, die er met verfstrepen in is gegraveerd.’


    Appelboom bij de studio 1920-1928; Naar het bos I, 1897; Jaloezie, 1929/30; De Zon, 1910; Naakte man voorover leunend in het bos, 1919. – © Edvard Munch
    Appelboom bij de studio 1920-1928; Naar het bos I, 1897; Jaloezie, 1929/30; De Zon, 1910; Naakte man voorover leunend in het bos, 1919. – © Edvard Munch

    Knausgård is beroemd om zijn wens zichzelf met zijn eigen schaamte te confronteren, maar ook is hij een schrijver die zichzelf met het lichaam en het fysieke confronteert. Hij heeft heel beeldend geschreven over wat er gebeurt als men zijn behoefte doet, maar ook over de afmetingen van zijn geslachtsorgaan. Om zichzelf te rechtvaardigen citeert hij de Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969): ‘In zijn Dagboek spreekt hij over de grote kunst waar we allemaal naar streven, terwijl we een laag-bij-de-gronds leven leiden. In mijn boeken over de jaargetijden benadruk ik alle paralellen die we kunnen trekken: tanden zijn als stenen, wij zijn de wereld, we zijn bijna zoals een boom. Ik laat de psychologie buiten beschouwing en richt me alleen maar op het fysiologische en fysieke.’

    Op een tafeltje waaraan een Japans echtpaar koffie drinkt en taart eet, strijkt een mus neer. ‘Dat is bijna een bestaansvoorwaarde voor me geworden, die lijfelijke nabijheid van een wereld die in feite ontbloot is van cultuur. Die zou ik graag willen kunnen beschrijven. Ik probeer over banale, alledaagse dingetjes te schrijven omdat ze belangrijk zijn: ze maken deel uit van het verhalencorpus dat de wereld in staat stelt vooruit te komen. Als ik me begin te schamen voor wat ik schrijf, weet ik dat ik op de goede weg ben.’

    In vormen denken

    Een groep jonge museumbezoekers heeft kennelijk in de gaten met wie ik in gesprek ben. Knausgård speelt met zijn zonnebril maar zet hem niet op. We komen in de buurt van de vraag die al de hele dag op mijn lippen brandt.

    Zal dit boek over Munch literaire gevolgen hebben?

    ‘Absoluut. Ik heb van heel dichtbij gezien wat hij deed, wat zijn techniek was, wat hij onderzocht. Ik ben gefascineerd door zijn vermogen om zoiets krachtigs te creëren op zo’n klein oppervlak als een doek. Ik heb een steeds grotere behoefte aan structuur. Mijn werk gaat radicaal veranderen… ik moet in vormen gaan denken.’

    U gaat de autofictie dus verlaten, zoals ook in Zomer, waarin u plotseling het liefdesverhaal van een Noorse vrouw en een Duitse soldaat vertelt?

    ‘Ja, ik denk dat mijn volgende boek fictie zal zijn. Het klinkt misschien een beetje stom, maar dat zal andere deuren voor me openen. Zolang ik zo autobiografisch schreef, waren er altijd grenzen aan wat ik kon schrijven, vanwege anderen. Maar nu moet ik fictie gebruiken om te bereiken wat ik eerst niet kon bereiken. In mijn autobiografie ging het er voor een groot deel om een vorm van waarheid te bereiken die reflectie zou bevorderen. Nu wil ik verder gaan. Wat ik wil schrijven moet niet óver iets gaan, maar het iets zélf zijn.’

    Heeft u dus, zoals Munch op een gegeven moment klaar was met het symbolisme, de grenzen van de autobiografische bezieling bereikt?

    ‘Ik ben niet klaar met de autobiografie op zich, maar alleen waar het mezelf betreft. Munch was betrekkelijk jong toen hij de werken schilderde waardoor hij nu beroemd is. Daarna heeft hij mensen veertig jaar lang alleen maar over die werken horen spreken, maar hij heeft er nooit op teruggegrepen. Hij heeft andere wegen verkend.’

    Auteur: Jes Stein Pedersen
    Vertaler: Peter Bergsma

    Politiken
    Denemarken | dagblad | oplage 108.000

    Een van de grootste kranten van Denemarken, met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. Schenkt aandacht aan het gehele culturele spectrum: van hiphop tot architectuur tot nieuwe media. Zijn neiging tot provocatie levert de krant zowel hartstochtelijke liefhebbers als vurige tegenstanders op.