Tag: autoritair

  • Wat moet er gebeuren om Poetins regime ten val te brengen?

    Wat moet er gebeuren om Poetins regime ten val te brengen?

    Iedereen, behalve Poetin zelf misschien, ziet in dat zijn regime op zijn laatste benen loopt. Zelfs zijn aanhangers kunnen niet ontkennen dat er in Rusland politieke discussies worden gevoerd alsof Poetin en zijn systeem al niet meer bestaan. De vraag is vooral hoe het regime precies ineen zal storten.

    Lange tijd leek het alsof verkiezingen de regering ten val konden brengen. Hoewel er in Rusland al minstens vijftien jaar geen echte verkiezingen zijn geweest, hoopten sommigen dat de aanwezigheid van een stel onafhankelijke afgevaardigden het politieke landschap zou kunnen veranderen. Anderen geloofden zelfs dat het regime door verkiezingen compleet omvergeworpen kon worden. Geen van beide opties is op dit moment mogelijk.

    Het Kremlin zette bijna alle politici van de oppositie buiten spel door ze ofwel gevangen te zetten, ofwel op absurde gronden van het kandidaatschap te weerhouden. Toen er via een referendum een grondwetswijziging werd doorgevoerd waardoor het bewind van Poetin eindeloos verlengd kon worden, bleven zelfs optimisten ontgoocheld achter. Ze zagen in dat het regime niet geeft om wat burgers vinden maar vooral uitblinkt in het vervalsen van verkiezingsresultaten. Elke verkiezing die onder Poetin wordt gehouden, is per definitie een schijnvertoning.

    Er restte nog de hoop (en angst bovendien) dat het regime zou instorten door een revolutie. Het volk zou zijn geduld verliezen en de regering omverwerpen, en de veiligheidstroepen zouden het niet durven opnemen tegen de honderdduizenden demonstranten. Maar sinds de gebeurtenissen van de afgelopen negen maanden, is een revolutie ondenkbaar.

    Scenario’s

    Poetin is nu ‘in oorlog’ met de Verenigde Staten en de NAVO, twee instanties die door de meerderheid van de Russen als vijanden worden beschouwd. Tegenstanders van Poetin worden niet langer gezien als voorvechters van het Russische volk, maar van de Verenigde Staten, en kunnen daarom niet rekenen op de steun van de bevolking. Aangezien het regime er bovendien niet voor terugdeinst geweld te gebruiken, is iedere vorm van revolutie in de nabije toekomst onmogelijk.

    Tegelijkertijd kan het regime in zijn huidige vorm niet standhouden. Voor Rusland is er geen glorieuze uittocht denkbaar, noch uit Oekraïne, noch uit de andere problemen waarin het land verwikkeld is. Toekomstperspectief ontbreekt. Het land is moreel en politiek uitgeput, kan zijn geïsoleerd bestaan niet lang meer volhouden en een aanzienlijk deel van de bevolking emigreert. Hierdoor zijn veranderingen onvermijdelijk geworden. Daarnaast maken de militaire aanvallen en westerse sancties het voor Poetins systeem onmogelijk de ondergang oneindig uit te stellen.         

    Het zou natuurlijk kunnen dat er een kernoorlog uitbreekt. Afgezien van dit apocalyptische scenario zijn er slechts twee enigszins realistische scenario’s waarop het Poetin-regime aan zijn einde kan komen: de eerste optie is beangstigend. De tweede heeft weinig met democratie van doen, maar laat Rusland tenminste de kans op een toekomst. 

    In het eerste realistische scenario valt de Russische regering snel uit elkaar. In wezen is de regering al in verval: er is duidelijk geen sprake meer van politieke controle en bevelen worden ofwel niet opgevolgd ofwel – zoals bij de mobilisatie – op zo’n onorthodoxe manier dat ze voor het regime alleen maar slecht uitpakken.

    Het hoeft niet per se een moord te zijn: Poetin kan ook worden afgezet of worden overtuigd om af te treden

    Het Oekraïense tegenoffensief en de toenemende sociaaleconomische problemen in Rusland kunnen een sneeuwbaleffect veroorzaken, waardoor de stabiliteit die nog rest, eveneens verloren gaat. Dat is al eerder gebeurd: in de nadagen van de Sovjet-Unie vaardigde Michail Gorbatsjov decreet na decreet uit dat niemand van plan was op te volgen, wat hij ook op geen enkele manier kon afdwingen.

    Er bestonden destijds instellingen die konden ingrijpen en totale chaos voorkomen: de partijorganisaties van verschillende republieken, in de Russische gebieden het team van Boris Jeltsin en in de Baltische republieken de nieuwe bestuursinstanties. Het huidige Rusland kent dergelijke instellingen niet.

    Dit betekent dat een snelle ineenstorting van het regime onvermijdelijk zou leiden tot een zogenaamde ‘free-for-all’. Militaire formaties, aangevoerd door verschillende leiders, zouden met elkaar in conflict raken. Poetins ‘lakeien’ – de Tsjetsjeense leider Ramzan Kadyrov en Jevgeni Prigozjin, de oprichter van de Wagner Group – zouden samen met hun volgers de strijd aangaan. Andere regionale formaties zouden onder leiding van ambitieuze generaals en gouverneurs ook aan de gevechten deelnemen. Het geweld en bloedvergieten zouden onvoorstelbaar zijn; er zou een heuse apocalyps aanbreken.

    Een minder angstaanjagend scenario is een zogenaamde ‘paleiscoup’. Dat hoeft niet per se een moord te zijn: Poetin kan ook worden afgezet of worden overtuigd om af te treden. Het kan niet anders dan dat zijn entourage ook inziet dat hij het land – en henzelf, wat voor hen nog belangrijker is – op een dood spoor heeft gezet. Voor zijn trouwe volgelingen is Oekraïne of Rusland niet het grootste probleem. Het liefst willen zij hun persoonlijke band met het Westen herstellen en zo de toegang tot hun bankrekeningen terugkrijgen. Ze weten dat dit, zolang Poetin aan de macht is, nooit zal lukken.

    Vooral in het geval van grootschalige militaire verliezen zou het kunnen dat een aantal van Poetins belangrijkste adviseurs een exitstrategie voor hem verzint. Eventueel wordt een minder belangrijke en gemakkelijk beïnvloedbare politicus tot president benoemd. Deze officiële leider moet dan de oorlog beëindigen, alle mogelijke concessies aan het Westen doen en zo ‘vergiffenis’ verzekeren voor Poetin en zijn trawanten. Grote kans dat het Westen meewerkt, om zo een Derde Wereldoorlog te voorkomen.

    Overlevingskansen

    We weten niet of er in Poetins kring mensen dapper genoeg zijn om hem een dergelijke strategie voor te leggen, aangezien hij zich al jaren omringt met jaknikkers zonder ruggengraat. Het is bovendien onduidelijk of Poetin zo’n aanbod zou aanvaarden. Hij kan bijvoorbeeld worden afgeschrikt door het precedent van de voormalige Kazachse president Noersoeltan Nazarbajev. Die was ervan overtuigd dat hij zijn invloed zou behouden toen hij het presidentschap overdroeg aan Kassim-Zjomart Tokajev, die hij als vertrouweling en naaste beschouwde. Binnen een week was hij al zijn macht en invloed kwijt, nadat Tokajev zijn onafhankelijkheid had opgeëist. Vandaag de dag hangen de vrijheid, en zelfs het leven van Nazarbajev, af van Tokajev.

    Een nog angstaanjagender voorbeeld voor Poetin is dat van de voormalige Joegoslavische president Slobodan Milošević: zijn eigen volk stuurde hem naar Den Haag om daar te worden berecht.

    Als iemand uit Poetins entourage aan hem durft voor te stellen af te treden, moet diegene ook bereid zijn verdere stappen te zetten als dat voorstel niet wordt aanvaard. Anders vrees ik dat de overlevingskansen van ons land nihil zijn.

    Lees ook:

  • Een kleine stap van hier naar het fascisme?

    Een kleine stap van hier naar het fascisme?

    De term ‘fascisme’ wordt vaak gebruikt om kritiek op machthebbers, politici en denkers kracht bij te zetten, aldus Paolo Mieli, oud-hoofdredacteur van Il Corriere della Sera. Hij waarschuwt dat overmatig gebruik van de term ertoe kan leiden dat we het echte fascisme over het hoofd zien.  

    Keuze uit het archief

    Deze week besloten zeker drie Nederlandse gemeenten om de lokale fractie van Forum voor Democratie (FvD) te boycotten. Het gaat om een meerderheid van de partijen in Den Haag, Rotterdam en Nijmegen. De reden hiervoor is de aanwezigheid van kandidaten op de kieslijst die ook actief waren bij extreemrechtse organisaties.
    Als het gaat over extreemrechtse denkbeelden valt regelmatig het woord ‘fascisme’. Hoe omstreden iemands standpunten ook zijn, bij het gebruik van deze term is voorzichtigheid geboden, aldus dit artikel van Il Corriere della Sera uit 2018. Door jan en alleman voor fascist uit te maken, lopen we het gevaar het échte fascisme niet meer te herkennen.

    Men kan het niet eens zijn met de in de afgelopen maanden genomen maatregelen van de regering-Conte. En in heel veel gevallen zou het zeker gepast zijn een tegengeluid te laten horen, kritiek die op de meest expliciete en krachtige manieren geuit dient te worden. Met name op een moment als dit, nu de voorgestelde begroting dreigt te leiden tot een economische ravage waarin het hele land mogelijkerwijs wordt meegesleurd. Maar het is altijd verkeerd om dergelijke betogen kracht bij te zetten door te zinspelen op de terugkeer van een fascistisch regime.

    Een paar dagen geleden heeft Eurocommissaris voor Economische Zaken, de Fransman Pierre Moscovici boos gereageerd op het onaanvaardbare gedrag van een Europarlementariër van Lega Nord, Angelo Ciocca, die ostentatief zijn schoen op Moscovici’s aantekeningen had gezet. Moscovici zei dat dit gebaar als ‘gevaarlijk’ moest worden beschouwd, omdat ‘het een kleine stap is van hier naar het fascisme’. Ciocca’s gedrag was stuitend, maar wat heeft het fascisme ermee te maken?

    We zouden ons er wel voor hoeden dit aan de orde te stellen als het alleen maar ging om een enkele willekeurige uitspraak, eruitgeflapt door een – overigens niet onbelangrijke – Europese vertegenwoordiger. Maar we weten uit ervaring dat de verwijzing naar het fascisme sinds de tweede helft van de jaren veertig door links (maar niet alleen door links) bijna stelselmatig wordt gebruikt om hun polemiek tegen machthebbers van allerlei slag kracht bij te zetten.

    Niet alleen politici, maar ook economen, rechters, hoogleraren en docenten, priesters, vaders en broers hebben de scheldnaam ‘fascist’ toegevoegd gekregen. De uitoefening van elk soort gezag – hoe gelegitimeerd ook – leidt bijna vanzelfsprekend tot die beschuldiging.

    Hierdoor heeft het woord ‘fascist’ zo langzamerhand elke relatie verloren met de werkelijkheid van de jaren twintig en dertig, toen de term in heel Europa opgeld deed. Alleen al in de Italiaanse politiek zijn maar liefst vijf presidenten met die typering in aanraking gekomen: Giovanni Gronchi, in de tijd dat hij een regering voorstond onder leiding van christendemocraat Fernando Tambroni met steun van de neofascistische MSI (1960); Antonio Segni, toen hij betrokken was bij een verijdelde coup van de militaire inlichtingendienst (1964); Giuseppe Saragat, toen hij werd beschuldigd van het steunen van de strategie van de spanning (1969); Giovanni Leone, toen hij de stemmen van de MSI nodig had om in het Quirinale [de officiële residentie van de Italiaanse president] te komen (1971); Francesco Cossiga, toen hij zich had gecompromitteerd in de stay-behindkwestie (1991).

    Geen jaar zonder

    En toen de belangrijkste naoorlogse premier, Alcide De Gasperi, de communisten uit de regering zette (1947), werd over hem gezegd en geschreven dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’ – iets wat hij inderdaad had gedaan – en wel met zulke methoden dat hij daarmee de deur wijd open had gezet voor een terugkeer op het toneel van de erfgenamen van de Republiek van Salò [de fascistische marionettenstaat die Mussolini in 1943 uitriep in het noorden van Italië en die standhield tot zijn dood in 1945].

    Om maar te zwijgen van Craxi, die in La Repubblica constant werd afgebeeld met het soort laarzen dat Mussolini altijd droeg. En om maar helemaal te zwijgen van Silvio Berlusconi, aan wie op 25 april 1994 uit wrok zelfs de herdenking van het verzet werd ‘opgedragen’. Er zou, kortom, vanaf 1947 tot op de dag van vandaag vrijwel geen jaar zijn voorbijgegaan zonder dat een regeringsvertegenwoordiger blijk gaf van een lichte of meer uitgesproken hang naar autoritaire oplossingen. Wat misschien (en we onderstrepen: misschien) alleen waar was in 1964 en in een aantal perioden aan het begin van de jaren zeventig, zou dus een constante zijn in de Italiaanse politiek.

    Met verschillende intensiteitsniveaus, zeker. Maar nog altijd een constante. Is dat mogelijk? Natuurlijk niet. Voor zover historici hebben kunnen vaststellen, hebben de DC [de Christendemocratische Partij] en de daarmee verbonden partijen – enige zeer minderwaardige exponenten daargelaten – nooit ook zelfs maar een autoritaire optie in overweging genomen. Nooit.

    De begrafenis van Alcide De Gasperi, Italië's belangrijkste naoorlogse premier die in 1947 de communisten uit de regering zette en er toen van werd beticht dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’, 1954, Rome. © Getty Images
    De begrafenis van Alcide De Gasperi, Italië’s belangrijkste naoorlogse premier die in 1947 de communisten uit de regering zette en er toen van werd beticht dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’, 1954, Rome. © Getty Images

    Waar komt dat spookbeeld dan vandaan? Het is gemaakt van dezelfde schemerige non-materie waarmee in het oordeel over de internationale politiek de beschuldiging van ‘fascisme’ is vervaardigd ten aanzien van bijna alle oud-presidenten van de Verenigde Staten, en zelfs van de leider van het Franse verzet, generaal Charles de Gaulle, vanwege de manier waarop hij in 1958 de overgang van de Vierde naar de Vijfde Republiek bewerkstelligde. In de werkwijze van al deze mensen heeft men de aanzet tot iets van een autoritaire koers bespeurd, alsof ze vergelijkbaar zouden zijn met een caudillo, een kolonel of een Poetin, een Orbán of een Erdogan avant la lettre.

    De waarheid is echter dat het fascisme in de late jaren zeventig in de westerse wereld naar de achtergrond is verdwenen en dat men door er obsessief naar te verwijzen voortdurend heeft geriskeerd, en nog steeds riskeert, dezelfde fout te maken als politicus en historicus Gaetano Salvemini in 1924 deed: na de moord op Giacomo Matteotti vreesde hij zozeer voor een mogelijke monarchistische militaire staatsgreep dat hij verzuimde tijdig notitie te nemen van een aantal specifieke kenmerken van het mussolinisme. Specifieke kenmerken van nieuwe bewegingen dienen in elk tijdperk te worden gesignaleerd, zonder dat moet worden vervallen tot gemakzuchtige verwijzingen.

    Specifieke kenmerken van nieuwe bewegingen dienen in elk tijdperk te worden gesignaleerd, zonder dat moet worden vervallen tot gemakzuchtige verwijzingen

    Ian McEwan

    Er is ten slotte een laatste, algemener betoog te houden over het gebruik van de term ‘fascist’. In een speech die de Britse schrijver Ian McEwan hield in juni 2015, ter gelegenheid van de jaarlijkse afstudeerceremonie aan het Dickinson College, keerde hij terug naar de jaren zestig waarin – zo vertelde hij – zijn universiteit ‘een psycholoog verbood de theorie te promoten volgens welke intelligentie een erfelijke component bevat’.

    In de jaren zeventig, vervolgde McEwan, werd de grote Amerikaanse bioloog Edward Wilson het spreken op universiteiten onmogelijk gemaakt, omdat hij had gesuggereerd dat er een genetisch element zat in het sociale gedrag van mensen. Beiden ‘werden fascist genoemd’.

    En toen? ‘Hun theorieën zijn nu algemeen geaccepteerd’, zei McEwan. Ook na die lezing is de auteur van The Comfort of Strangers verschillende politieke of culturele initiatieven blijven bekritiseren. Vaak in zeer harde bewoordingen. Maar hij heeft nooit meer verwezen naar het fascisme. En wellicht is het zaak zijn voorbeeld te volgen.

    CONTEXT: Geen jaren dertig

    Michael Wildt, hoogleraar Geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw aan de Humboldt-universiteit in Berlijn vraagt zich af of we ons zorgen moeten maken over rechts-radicale ontwikkelingen in Duitsland. ‘Dat extreemrechtse groepen in staat zijn duizenden sympathisanten op de been te brengen via de sociale media is verontrustend‘, schrijft hij in Die Zeit.

    ‘De “angst voor de ander” heerst vandaag de dag jegens asielzoekers en moslims, vooral in conservatieve partijen. Vluchtelingen worden niet beschouwd als mensen die rechten behoeven, maar als indringers die zo snel mogelijk “uitgezet” moeten worden. Hetzelfde gevoel overheerste destijds ook in burgerlijke kringen.’‘Het politieke debat in Duitsland is in de voorbije decennia heftig en scherp geweest, maar links, conservatief of liberaal hebben zich voortdurend ingespannen om meerderheden te vormen. Extreemrechts – de neonazi’s – heeft dan wel zitting in regionale parlementen en gemeenteraden, maar kan daar weinig uitrichten. Het richt zich ook niet op de bestaande maatschappij als geheel, maar tracht een splitsing aan te brengen langs etnische lijnen. Een dergelijk opzettelijk onderscheid verdraagt zich niet met de de grondwet en dient te vuur en te zwaard worden bestreden.’* (Die Zeit, Hamburg)*