Tag: Bagdad

  • Deze lessen kunnen we twintig jaar later trekken uit de Irakoorlog

    Deze lessen kunnen we twintig jaar later trekken uit de Irakoorlog

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week gaan we dieper in op de gevolgen van de invasie van Irak. In 2003 werd dictator Saddam Hoessein afgezet door een coalitie onder leiding van de VS, maar heeft dit het land ook democratie en voorspoed gebracht?

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €4 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.

    Waarom besloten de VS en hun bondgenoten Irak binnen te vallen?

    ‘Een lawine van raketten bedekte het luchtruim boven Bagdad. Om 22.16 uur op 19 maart 2003 (Amerikaanse tijd) verscheen de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush op tv: “Amerikaanse en coalitietroepen zijn zojuist begonnen met een militaire operatie om Irak te ontwapenen, de bevolking te bevrijden en de wereld te beschermen tegen ernstig gevaar.” Operation Iraqi Freedom was begonnen’, schrijft El País.

    Op die dag, deze week twintig jaar geleden, viel de ‘Coalition of the Willing’ onder leiding van de Verenigde Staten het door Saddam Hoessein geleide land binnen. Naast de VS leverden ook het Verenigd Koninkrijk, Australië en Polen troepen. Later sloten meer landen, waaronder Nederland, zich aan bij de coalitie. Wat was de aanleiding voor deze oorlog?

    Na de aanslagen van Al-Qaida op 11 september 2001 in de VS riep George W. Bush ‘de oorlog tegen terrorisme’ uit. Volgens de Amerikaanse president bevond de ‘as van het kwaad’ zich in het Midden-Oosten. Landen als Afghanistan en Irak zouden een schuilplaats bieden aan terroristen.

    De Iraakse leider Saddam Hoessein zou massavernietigingswapens produceren en verborgen houden, beweerden Bush en zijn regering – beschuldigingen waar nooit bewijs voor gevonden is. Sommige leden van de Amerikaanse regering zeiden ook dat Hoessein banden had met Al-Qaida, een aantijging die de inlichtingendiensten later verwierpen, schrijft The New York Times

    MpqoSqsl0wfNFFPf4gEsLZjJZi5V13AiGZOQUU8Ajv DNYARNLY8t2lXP6etOBOBd5pMTjZJVtRTjRQ0vecu3 Ua2Zq DvTjJjmtQJ
    Amerikaanse soldaten rijden op de derde dag van Operation Iraqi Freedom (22 maart 2003) in konvooi door de woestijn naar het noorden van Irak. – © Eric Feferberg / AFP Photo

    Diane Abott, parlementslid voor Labour, beschrijft in een opiniestuk in The Guardian hoe het Verenigd Koninkrijk de oorlog in werd gerommeld. ‘Het was vanaf het begin duidelijk dat Tony Blair vastbesloten was de oorlog in te gaan, schouder aan schouder met George W. Bush. De relatie met de VS leek voor hem belangrijker dan de mening van zijn eigen partij, en deze leek ook belangrijker dan de vraag of de oorlog legaal was of niet’, schrijft Abott, die al sinds 1987 parlementariër is. 

    ‘Bij aanvang aan het debat ontbrak het volledig aan bewijs dat Irak massavernietigingswapens bezat. Het hoofd van de VN-wapeninspectie, Hans Blix, zei dat hij en zijn teams tot nu toe geen “smoking gun” in Irak hadden gevonden’, aldus Abott. ‘Iedereen wist dat de stemming niet echt ging over het nut van de oorlog. In plaats daarvan werd het een stemming over of je Blair persoonlijk steunde of niet. Iedereen wist dat tegen de oorlog stemmen betekende dat je carrière voorbij was.’

    Hoe heeft de invasie Irak veranderd?

    ‘Tijdens de herdenking in Irak van de door Amerika geleide invasie die dictator Saddam Hoessein twintig jaar geleden ten val bracht, waart een leger van geesten rond tussen de levenden. De doden en verminkten achtervolgen iedereen in dit land – zelfs degenen die het verleden achter zich willen laten’, schrijft Alissa J. Rubin in The New York Times. Zij verbleef twee weken in het land om met de inwoners te praten over de gevolgen van de oorlog.

    Officieel duurde de oorlog acht jaar, waarbij op het hoogtepunt, in 2007, tot 170.000 Amerikaanse soldaten in het land aanwezig waren. Hoewel het einde van Operation Iraqi Freedom formeel werd afgekondigd in 2011, gingen de gevechten daarna nog door. Vandaag de dag zijn er nog 2500 Amerikaanse soldaten in het Arabische land; het Congres geeft nog steeds toestemming voor voortzetting van de oorlog.

    De humanitaire ramp is desastreus: meer dan een half miljoen Iraakse doden – voor het overgrote deel burgers – en zeven miljoen ontheemden in Irak en Syrië, volgens het Costs of War-project van Brown University. De VS hebben bijna 4500 soldaten verloren en nog eens 30.000 raakten gewond, volgens cijfers van het Pentagon. Costs of War schat de economische kosten tot nu toe op ongeveer 1,8 biljoen dollar (1,7 biljoen euro), wat kan oplopen tot 2,9 biljoen dollar (2,71 biljoen euro) in 2050.

    Volgens El País zijn er vele fouten gemaakt na de invasie. ‘De beslissingen om het leger van Saddam Hoessein (geëxecuteerd in december 2006) te ontbinden, waarmee honderdduizenden soldaten op straat kwamen te staan, om het bestuur te zuiveren van Ba’athistische (Saddams partij) functionarissen en om een kleinere troepenmacht te sturen dan nodig was om de doelstellingen te bereiken, leidden tot een toename van geweld, corruptie, sektarisme en economische problemen.’

    Het wantrouwen jegens de soennieten, die de dictator hadden gesteund, en de bevordering van het sjiisme deden de invloed van Iran in het land toenemen. In Irak zijn momenteel verschillende sjiitische milities actief die voor een deel aangestuurd worden door Iran. 

    Ook nu nog bedreigt het sektarisme, waardoor in het land vooral sinds 2006 een bloedige burgeroorlog is uitgebroken, het politieke leven met een eeuwige impasse. Afgelopen oktober gaf het parlement groen licht voor de regering van premier Mohammed Shia al-Sudani, een jaar na de verkiezingen waarbij de sjiitische geestelijke Muqtada al-Sadr, een grote vijand van de Amerikaanse invasie, als winnaar uit de bus kwam. De verkiezingen werden uitgeschreven na de grote protesten van 2019, die grotendeels geleid werden door jongeren die zich verzetten tegen de systematische corruptie, werkloosheid en het gebrek aan kansen. 

    G1xDUiNSLXcm0aOI2VAc6SQSZaRmQi HsPtx581SzCfyYyHBNjwYcEJ88wqOLgaEPULcpnsiYoTZTKkhExRlYhuNAurIDdHddo9c6OSI45IFJ Tmy780n7DExOSSAFroZJAp742zFqJCbkk6lTo EhQ
    Aanhangers van Muqtada al-Sadr betuigen hun steun aan de sjiitische geestelijke in 2022. – © © Ahmad Al-Rubaye / AFP

    Deze sektarische verdeeldheid, die vooral opkwam na de Amerikaanse invasie, lag eerder ook aan de basis van de opkomst in Irak van extremistische groeperingen zoals Al-Qaida, aldus El País. Uiteindelijk zou dat de Islamitische Staat van Irak en de Levant (ISIS) worden, die zich vervolgens in delen van Irak en delen van Syrië vestigde. In 2014 zag president Barack Obama, drie jaar na de terugtrekking van de troepen die hij zelf in gang had gezet, zich daardoor gedwongen opnieuw Amerikaanse soldaten inzetten in het land. In 2015 gaf hij opdracht tot het inzetten van troepen in Syrië, waar nu nog zo’n negenhonderd soldaten verblijven.

    Om een beeld te schetsen van hoe het land in twintig jaar is veranderd, sprak  Alissa J. Rubin vijftig Irakezen. Uit haar bevindingen komt duidelijk naar voren dat de oorlog Irak ingrijpend heeft veranderd. ‘Het is een veel vrijere samenleving dan onder Hoessein en een van de meest democratische landen in het Midden-Oosten, met meerdere politieke partijen en een grotendeels vrije pers’, aldus Rubin

    Toch komt uit de gesprekken ook een verontrustend beeld naar boven van een olierijk land dat economische voorspoed zou moeten kennen, maar ‘waar de meeste mensen zich niet veilig voelen en hun regering niet anders zien dan als een corruptiemachine’. Volgens de Irakezen die de Rubin spreekt is de kwaliteit van basisvoorzieningen, zoals toegang tot elektriciteit, slecht en liggen de lonen te laag om rond te komen. Volgens het Iraakse ministerie van Planning leeft ongeveer een kwart van de Irakezen op of onder de armoedegrens.

    ‘We wilden altijd van Saddam af,’ zegt een van de ondervraagden tegen Rubin. ‘We weten dat Irak rijk aan grondstoffen is, en we hoopten dat het beter zou worden. Maar we hebben niet gekregen waar we op hoopten.’

    Welke gevolgen heeft de Irakoorlog gehad voor de mondiale verhoudingen?

    De geloofwaardigheid van de VS in de wereld heeft een zware klap gekregen door de oorlog in Irak. Vooral in het Midden-Oosten hebben de VS aan morele statuur en invloed ingeboet. ’De bezetting heeft de mythe van de Amerikaanse militaire macht doorgeprikt en een eind gemaakt aan de reputatie van het land als de enige supermacht na de Koude Oorlog die in staat is de wereld (…) zijn wil op te leggen’, schrijft El País.

    ‘Het vacuüm dat de VS achterlieten werd opgevuld door Islamitische Staat, wat uiteindelijk leidde tot de crisis en de burgeroorlog in Syrië. We kregen de Arabische Lente, talloze opstanden en terroristische aanslagen. Door een oorlog zonder mandaat en de daaropvolgende acties, waaronder afschuwelijke martelingen en schendingen van de mensenrechten op locaties als de Abu Ghraib-gevangenis, heeft het Westen zijn morele kracht verloren en het is er niet in geslaagd die te herstellen’, schrijft The Irish Examiner in een hoofdredactioneel commentaar. 

    Een gewonde Iraakse jongen en een soldaat nabij de stad Mosul in 2017. Omar, zoals de jongen heet, verloor zijn beide ouders tijdens gevechten om de stad tussen Islamitische Staat en het Iraakse leger. – © Ahmad Al-Rubaye / AFP

    ‘Vóór de invasie in Irak was de invloed van Rusland in het Midden-Oosten tanende, een positie die Vladimir Poetin op een gruwelijke manier heeft teruggewonnen. Dit heeft hem het vertrouwen gegeven om Oekraïne binnen te vallen en gesterkt in zijn nauwere allianties met China en Iran, gepersonifieerd door het bezoek van de Chinese president Xi Jinping aan Moskou. Het Kremlin verwijst bij kritiek op zijn eigen optreden al snel naar de Amerikaanse inval in Irak.’

    ‘De wereld is ontegenzeggelijk gevaarlijker geworden sinds de invasie van 2003’, concludeert de Ierse krant.

    Lees ook:

  • Irak heeft eindelijk een nieuwe president: Abdul Latif Rashid

    Irak heeft eindelijk een nieuwe president: Abdul Latif Rashid

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Noord-Korea: nieuwe militaire provocaties aan grens met Zuid-Korea

    » Oekraïne: Rusland gaat burgers uit regio Cherson evacueren

    Het land zit al sinds oktober 2021 zonder regering

    Abdul Latif Rashid is door het Iraakse parlement op donderdag tot president verkozen. De benoeming ‘maakt een einde aan een maandenlange politieke impasse’, schrijft Al Jazeera. ‘De aandacht gaat nu uit naar de vorming van een regering – waartoe de politici sinds de algemene verkiezingen van oktober vorig jaar nog niet in staat zijn geweest.’

    De nieuwe president benoemde onmiddellijk de voormalige sjiitische minister Mohammed Shia al-Sudani tot premier en vroeg hem een kabinet samen te stellen. Maar die beslissing werd ook onmiddellijk weer verworpen door de religieuze leider Muqtada al-Sadr, die de parlementsverkiezingen van 2021 won maar er niet in slaagde een regering te vormen. Sinds de verkiezingen zijn de politieke baronnen van het land er niet in geslaagd het eens te worden over een nieuwe president of een premier te benoemen.

    Eerder dit jaar had de benoeming van Al-Sudani door zijn partij als premierskandidaat op 25 juli geleid tot grote protesten in Bagdad. Aanhangers van Al-Sadr doorbraken de zwaar beveiligde Groene Zone in Bagdad en bestormden het parlement van het land om de intrekking van Al-Sudani’s benoeming te eisen.

    Lees ook:

  • Minstens 15 doden en 300 gewonden bij botsingen in Irak

    Minstens 15 doden en 300 gewonden bij botsingen in Irak

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Raketlancering Artemis I naar maan uitgesteld naar vrijdag

    » Oekraïne: IAEA-deskundigen op weg om Zaporizja te inspecteren

    Aanhangers van Al-Sadr bestormen Groene Zone

    Ten minste vijftien mensen werden gedood en meer dan driehonderd mensen raakten gewond op maandag 29 augustus in Irak bij botsingen tussen aanhangers van Muqtada al-Sadr en zijn politieke rivalen in Bagdad en andere gouvernementen, meldt Iraqi News. Aanhangers van de Iraakse sjiitische leider ‘bestormden’ maandag de Groene Zone – het centrum van de internationale aanwezigheid in de stad – nadat zijn politieke ‘terugtrekking’ was aangekondigd, aldus de nieuwssite.

    Lokale media meldden ’s avonds dat er een grote brand was uitgebroken in deze ultraveilige wijk van de hoofdstad, waar rookpluimen in de lucht te zien waren. De Iraakse regering heeft vanaf maandag tot nader order een avondklok ingesteld in alle gouvernementen van het land.

    Irak heeft moeite om een nieuwe regering te vormen sinds de parlementsverkiezingen in oktober, waarbij de door Iran gesteunde sjiitische blokken zetels verloren aan de Sadristen. Al-Sadr, die zich in het verleden tegen zowel Iran als de Verenigde Staten heeft uitgesproken, is populair in Irak. Zijn pogingen om een regering te vormen zijn echter in de maanden na de verkiezingen gestrand op verzet van rivaliserende blokken, schrijft CNN. Uit onvrede met deze situatie gaan zijn aanhangers sinds juni de straat op.

    Lees ook:

  • De Iraakse jeugd eist verandering. ‘Niemand vertegenwoordigt ons’

    De Iraakse jeugd eist verandering. ‘Niemand vertegenwoordigt ons’

    De jonge betogers in het olierijke Irak zijn na de val van Saddam Hoessein opgegroeid met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen domineren de politiek en veel burgers leven in grote armoede.

    Dossier De straat op

    Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.

    Dit artikel verscheen eerder op 14 november 2019 in nummer 169 van 360 Magazine.

    In het Al-Ummapark in het centrum van Bagdad, het ‘park van de natie’, discussieert een groepje mannen en twee vrouwen onder oude eucalyptusbomen over de beste manier om de eisen tot uitdrukking te brengen van de betogers die deze maand met duizenden de straat op gaan in de steden van Irak.

    ‘Legertrucks verbranden zal ons niet helpen, dat helpt alleen de regering om ons van vandalisme te beschuldigen,’ zegt een jongeman. ‘Als ik jou een raketwerper geef en je schiet dat gebouw in brand, in hoeverre zijn onze eisen daar dan bij gebaat?’

    Een andere man roept op tot omverwerping van de regering. Terwijl er zich een groepje luisteraars om hem heen verzamelt, roept iemand: ‘Wie heeft jou woordvoerder gemaakt?’

    Dit spoort de rest van de menigte ertoe aan los te barsten in de slogans ‘Niemand vertegenwoordigt ons!’ en ‘Weg met Iran!’, als protest tegen de regerende islamitische partijen in Irak en hun Iraanse helpers.

    ​Che Guevara-baretten

    Het karakter van de discussie is, net als de demonstraties die buiten het park plaatsvinden, chaotisch, onbesuisd en stuurloos. De meeste deelnemers zijn in de twintig, maar er staan ook twee oude communisten bij met Che Guevara-baretten.

    Uiteindelijk is de menigte het eens over een lijst eisen, die vanaf de trap van het Vrijheidsmonument van de stad wordt voorgelezen door een jongeman met een baard en een bril: ‘Aftreden van de regering, nieuwe verkiezingen, verandering van de kieswet en – het allerbelangrijkste – berechting van alle overheidsfunctionarissen.’

    De menigte juicht, mobieltjes worden in de lucht gestoken en er wordt opgeroepen tot een demonstratie op het Tahrirplein.

    De laatste protestgolf in Irak brak los op 1 oktober [2019] na een demonstratieoproep op Facebook. Directe aanleiding was het ontslag van een populaire generaal die zich had onderscheiden in de oorlog tegen Islamitische Staat, maar de betogingen werden ook gemotiveerd door een diepere onderstroom van woede jegens een corrupte religieuze oligarchie, een verrot bureaucratisch systeem en het onvermogen van de Iraakse premier Adel Abdul-Mahdi om na een jaar regeren ook maar één van zijn campagnebeloftes in te lossen.

    Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering?

    Voor een jonge generatie die is opgegroeid in de zestien jaar na de val van Saddam Hoessein zijn verkiezingen en representatieve democratie synoniem geworden met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen, veelal gesteund door Iran, domineren het politieke landschap en hoewel het olierijke Irak honderden miljarden dollars per jaar binnenkrijgt, leven veel burgers in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die in een straatarm Afrikaans land: werkloosheid, een instortende gezondheidszorg en een gebrek aan publieke dienstverlening.

    Toen de betogingen op 5 oktober op stoom kwamen, balanceerde Bagdad op het randje. Een tiener in een geel T-shirt, een korte broek en teenslippers liep langzaam onder een viaduct door op een kilometer van het Tahrirplein terwijl een politieagent hem zwaaiend met zijn kalasjnikov probeerde weg te jagen. Dunne zwarte rookpluimen kronkelden hemelwaarts en een menigte tieners en jongemannen begon op te rukken in de richting van het plein.

    De politie, die toezicht hield, schoot in de lucht maar de menigte trok verder, zwaaiend met Iraakse en sjiitische vlaggen. Autobanden werden in brand gestoken, terwijl geweervuur onafgebroken begon te ratelen en het geluid van afgevuurde traangasgranaten allengs toenam; wit gas vermengde zich met de zwarte dampen van brandend rubber.

    Te midden van het bloedbad baanden tientallen driewielige tuktuks zich een weg door de menigte om gewonden af te voeren. Achter in een geel karretje zat een onderuitgezakte man, niet in staat om adem te halen.

    Een kleine, dunne jongeman met een getrimd rossig baardje maande de mannen om door te lopen. ‘Wat staan jullie daar nou te teuten?’ En tegen de mannen die gehurkt achter de balustrade van de brug zaten: ‘Wie niet verder wil, moet naar huis gaan.’

    De jongeman, die zich voorstelde als Jawdat, zei dat hij een voormalige strijder was van de paramilitaire groepering Hashd al-Shaabi, opgericht in 2014 om tegen IS te vechten. Hashd al-Shaabi wordt gesteund door Iran, onder andere met training. Jawdat zei dat zijn broer als officier was gesneuveld in de oorlog tegen IS. ‘Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering? Niks, terwijl die politici in de Groene Zone [in Bagdad] elke poging dwarsbomen om de staat te hervormen.’

    Ambulances raceten heen en weer met doden en gewonden; alleen bij de betoging op 5 oktober kwamen al twintig mensen om het leven. Tijdens de zes dagen durende betogingen verscheen premier Abdul-Mahdi elke avond op tv om met zachte stem te beloven dat hij zou zorgen voor banen en goedkope huisvesting en de corruptie zou uitroeien.

    Dreigtelefoontjes

    Maar intussen werden er jonge, ongewapende mannen gedood terwijl ze hun toevlucht zochten achter betonnen blokkades of met vlaggen stonden te zwaaien op straat. In minstens één geval namen scherpschutters die op daken waren geposteerd deel aan de moordpartij.

    Activisten en journalisten werden geïntimideerd en tientallen van hen ontvluchtten Bagdad na dreigtelefoontjes. Mediabedrijven en tv-stations werden gesloten. Agenten in burger zwierven door ziekenzalen en hielden gewonde demonstranten aan. ‘Toen er agenten het ziekenhuis binnenkwamen op zoek naar demonstranten, verbonden de artsen alleen mijn wond en zeiden dat ik moest maken dat ik wegkwam,’ zei een jongeman vanuit zijn bed met een wond die nog altijd bloedde nadat hij drie dagen eerder was neergeschoten in een straat in de buurt van het Tahrirplein.

    De omvang van de betogingen aan het begin van de maand was niet abnormaal, maar de felheid waarmee werd gereageerd was schokkend. Volgens veel Iraakse waarnemers was het geweld te wijten aan de schrik die het regime had bevangen. Anderen suggereerden dat het tekenend was voor de vrees van de pro-Iraanse milities in het land dat het protest in werkelijkheid tegen Teheran was gericht.

    ‘Iran duldt niet dat zijn positie hier wordt bedreigd en daarom was de reactie zo heftig,’ zei een functionaris van de Iraakse inlichtingendienst.

    Militieleden zijn geïnfiltreerd in de geheime diensten en hebben een belangrijke rol gespeeld bij het neerslaan van de betogingen. De milities zijn een mikpunt geworden van de woede van de betogers, omdat eruit blijkt dat Iran de lakens uitdeelt in Irak.

    Op een van de protestavonden ging een lange, gladgeschoren, ongewapende legerofficier voor een menigte jongemannen staan en smeekte dat ze zich verspreidden. ‘Ik kan jullie naar het Tahrirplein laten gaan,’ zei hij, wijzend op de opstijgende rookzuilen. ‘Maar ik zweer bij Allah dat de militie en de scherpschutters jullie zullen doden.’ De menigte reageerde met boze anti-Iraanse leuzen.

    Onlangs begon er een tweede golf betogingen. De menigte zwaaide met Iraakse vlaggen en scandeerde ‘Onze ziel, ons bloed offeren we op voor Irak’. In twee dagen kwamen er minstens 74 mensen om en vielen er honderden gewonden. Het dodental bedraagt sinds het begin van de maand [oktober 2019] inmiddels meer dan 250.

  • 1. Straat van de angst

    1. Straat van de angst

    In het westen gelden de troepen van de ‘Islamitische Staat’ als symbool van het kwaad. In Irak is dat anders; daar zijn veel mensen banger voor hun vijanden. De staat valt uiteen – en in Bagdad wordt een smalle straat tot frontlinie.  

    Ten einde raad zit ik op het bed van mijn hotelkamer in Bagdad, mobieltje in de hand. Mijn hand trilt. Ik wil het nummer van de redactie in Hamburg bellen, en tik steeds weer verkeerd. Een paar minuten geleden ben ik gebeld. ‘Goedendag,’ zei een ambtenaar van het Bundeskriminalamt [de federale recherche] in Berlijn. ‘Er dreigt een ontvoering voor u en uw fotograaf.’ De ontvoerders zouden onze namen en ons hotel kennen. Wie ons bedreigde wist hij niet. Wanneer ze ons wilden kidnappen ook niet. Waarschijnlijk kon het elk moment gebeuren.

    Haastig pakken we in: passen, geld, notities, camera’s. De ritssluiting van de rugzak zit vast. Ik trek en ruk. Ik hoor voetstappen voor mijn deur. Ik luister. De voetstappen verwijderen zich. Ik loop naar het raam, zie beneden bij de ingang een groep jonge mannen die naar boven kijken. Ze lachen. Als ik even later nog eens naar beneden kijk, zijn ze verdwenen. Uit de Duitse ambassade komt het bericht dat men overweegt een bewapend konvooi te sturen om ons te redden. Zo eindigt ons onderzoek.

    Bagdad was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden

    Reizen naar Irak zijn al jaren reizen naar een wereld in verval. Maar zelden heeft een reis in dit land me zo van mijn stuk gebracht. Bagdad, een metropool met zeven miljoen inwoners, was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden. De meeste uitvalswegen zijn geblokkeerd of extreem onveilig. De strijders van Islamitische Staat belegeren Bagdad in het westen en in het noorden. Ze hebben duizenden mensen vermoord en een paar dagen geleden is de antieke vestingstad Hatta verwoest. Hun bulldozers veranderden de millennia oude gebouwen in stof.

    Wat vanuit Europa vaak lijkt op een strijd tussen fanatieke en gematigde moslims, is feitelijk een conflict tussen de beide grote geloofsrichtingen in de islam. Voor IS strijden uitsluitend soennieten, de belangrijkste soennitische stammen hebben met de fanatici een gelegenheidsverbond gesloten. Het Iraakse leger, waarin aanhangers van beide geloofsrichtingen samen dienden, is grotendeels uiteengevallen omdat de meeste soennieten hun eenheden in de steek hebben gelaten. De verdediging van de stad is overgenomen door een inderhaast samengesteld leger van sjiitische milities. Ze konden de opmars van IS tot staan brengen en maken zich nu op voor een tegenoffensief. Er dreigt een grote catastrofe in het Midden-Oosten: de definitieve ineenstorting van Irak. Een openlijke oorlog tussen soennieten en sjiieten. Elke overwinning in deze oorlog zou een nederlaag zijn.

    Een soldaat van de sjiitische Badr-brigade in gebied dat begin vorig jaar werd terugveroverd op IS. – 
© Stanislav Krupar
    Een soldaat van de sjiitische Badr-brigade in gebied dat begin vorig jaar werd terugveroverd op IS. – 
© Stanislav Krupar

    Twee weken voor de dag waarop we horen dat we ontvoerd zullen worden, zien we voor het eerst de straat die heel onschuldig ‘Straat van de bomen’ heet, en die in werkelijkheid een straat van angst is. Die markeert in het westen de lijn waarlangs Irak uit elkaar wordt gerukt, de grens tussen sjiieten en soennieten, de grens tussen degenen die driemaal per dag bidden en degenen die het vijf keer doen. Tussen hen die bij het gebed de handen langs hun zij laten hangen en hen die ze voor hun buik vouwen. Tussen degenen die eeuwen geleden van mening waren dat slechts één familielid van de profeet Mohammed de opvolger van de godsdienststichter kon worden, en degenen die dat een ketterij vonden.

    De Straat van de bomen is de grens tussen twee buitenwijken in het westen van Bagdad, het soennitische Ghasalija en het sjiitische Shuala. Slechts tien kilometer hiervandaan begint het kalifaat van IS. Hoe verder je de straat inrijdt, hoe moeilijker het wordt waanzin van redelijkheid, en redelijkheid van waanzin te onderscheiden. En hoe begrijpelijker de krankzinnigheid wordt die zoveel soennieten naar IS drijft.

    Bij de toegang tot de Straat van de bomen danst een politieagent dromerig met uitgestrekte armen, op zijn rug een kalasjnikov. ‘Kom!’ zingt hij. ‘Vooruit!’ Hij draait om zijn as, hupt op de punten van zijn laarzen, regelt het verkeer met armgebaren, lacht. Als in trance staat hij daar tussen de betonblokken van zijn controlepost, die vaak het doel is van aanslagen. ‘Drugs,’ zegt Moataz, onze chauffeur, die veel meer is dan chauffeur. Moataz rijdt ons in zijn gele taxi de stad uit, tot aan het eind van de straat. Niet te snel, niet te langzaam, om maar niet op te vallen. Moataz is eenendertig, gemoedelijk en zo dik dat hij nauwelijks achter het stuur past. Hij woont in de buurt en kent de gevaren. De Straat van de bomen is nog geen tien meter breed. Aan beide zijden groeien palmen. De huizen links, waarin de soennieten wonen, verschillen op het eerste gezicht helemaal niet van die rechts, waarin de sjiieten leven. Bruine gebouwen met een verdieping, met kleine tuintjes en grote dakterrassen.

    nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak.

    Vrijwel niemand steekt de straat over. We rijden langs een voetbalstadion. Het werd in 2012 aan de sjiitische kant gebouwd als teken van verzoening, maar is nog nooit werd gebruikt omdat niemand daar durft te spelen. We passeren een soennitische moskee, waarvan de muren zwaar beschadigd zijn door granaatinslagen. Sjiitische milities hebben die in 2007 onder vuur genomen omdat zich er scherpschutters van Al-Qaida verschanst hadden. De imam werd onlangs op straat dood geschoten, nu vreest de opvolger voor zijn leven.

    Aan de sjiitische kant woont de vijfentwintigjarige Muktada. Hij is een van de bewoners van de grensstraat die met ons durven te spreken. Over enkele dagen gaat Muktada trouwen; hij moet meubels kopen, beddengoed en sieraden. ‘Je moet niet bang zijn,’ zegt hij tegen zijn bruid, die na de bruiloft bij zijn familie zal intrekken. ‘Dan ben je bij mij, ik zal je beschermen.’

    We zullen hem, zoals al onze gesprekspartners, buiten de wijk ontmoeten, op een plek die veilig is voor alle betrokkenen. Wij, de journalisten, vrezen ontvoerd te worden. Onze gesprekspartners zijn bang met ons gezien te worden. Dan zouden er snel geruchten kunnen ontstaan dat zij zich verhuren als spionnen voor westerse geheime diensten.

    Door de autoruiten zien we nu aan de soennitische kant het huis van een kleuterschooljuf. Ook zij heeft het deze dagen druk. Het nieuwe schooljaar begint. Ze wil een groot feest geven om de tweehonderd nieuwe kinderen en hun ouders te verwelkomen. ‘Het feest,’ zal ze ons vertellen, ‘moet perfect worden.’

    Twee wijken

    De straat scheidt twee wijken die ooit deel wilden zijn van een trotse natie. Links, aan de soennitische kant, ligt Ghasalija, de ‘stad van de vrede’, een naam die de voormalige dictator en soenniet Saddam Hoessein de wijk gaf. Er wonen honderdduizend mensen. Eengezinswoningen met goed onderhouden tuinen verlenen Ghasalija de charme van een Amerikaanse buitenwijk. Voor de Amerikaanse invasie woonden hier militairen en academici. Ghasalija was opgezet als een organogram van de Iraakse staat. Er waren speciale gebieden voor piloten, atoomtechnici, journalisten en bewakers van de presidentiële paleizen. Toen al leefden hier vooral soennieten.

    Rechts van de straat, aan de sjiitische kant, ligt Shuala, ‘de fakkel’, een wijk van armen en arbeiders, gebouwd voor de werknemers van de grote steenfabriek van de hoofdstad. Deze wijk, met tweehonderdduizend inwoners, is het Harlem van Bagdad. Onder Saddam waren de sjiieten uitgesloten van de meeste politieke functies. Steeds weer kwamen ze in opstand tegen de dictator, die tienduizenden van hen liet doden. En toch leefden toen in veel straten van Ghasalija en Shuala sjiieten en soennieten samen. Deze co-existentie bleef aanvankelijk intact na de invasie van de Amerikanen, maar begin 2006 verwoestte een aanslag de gouden moskee van Samarra, ten noorden van Bagdad, een van de grote heiligdommen van de sjiieten. De verdenking viel op soennieten; nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak. In de twee jaar daarna vonden alleen al in Ghasalija en Shuala duizenden mensen de dood.

    De stad werd opnieuw verdeeld. Soennieten trokken naar soennieten, sjiieten naar sjiieten. Tijdens de Amerikaanse bezetting sloten Amerikaanse troepen delen van Ghasalija af met betonnen wallen, 32 kilometer lang. Ze probeerden de haat te isoleren, zoals de atoomindustrie radioactief afval isoleert. Ze goten hem in beton, om af te koelen.

    Aan de rand van beide buitenwijken leven de Ashwatat, illegale inwoners, wier krottenwijken de stad omringen. De meesten zijn door de oorlog op drift geraakt; dagelijks worden het er meer. De soennieten onder hen vestigen zich aan de rand van Ghasalija, de sjiieten aan de periferie van Shuala. In de zone van de Ashwatat heeft de ontbinding van de Iraakse staat het eindstadium bereikt. De rechteloosheid van de houten hutten omgeeft de buitenwijken van de metropool als een meteorietenzwerm, oncontroleerbaar en onheilspellend.

    Op de grens van de beschaving, in het stadskantoor aan de sjiitische kant, zit Muktada, de aanstaande bruidegom, achter een hoge wal van zandzakken. Hij spreekt goed Engels, heeft zijn haar met gel strak achterover gekamd. Elke dag hoort Muktada de klachten aan van vluchtelingen uit de omstreden provincies. Muktada is een poortwachter van de Iraakse bureaucratie: hij reikt aan nieuwe burgers de Tahid uit, het aanmeldingsformulier voor de burgerlijke stand.

    Een soennitische in een zwarte chador staat druk gebarend voor hem. ‘Zonder je man kan ik je geen papieren geven!’ zegt Muktada. Ze is op de vlucht voor de belegeraars van Bagdad, zegt ze. Haar man mocht het dorp niet verlaten, IS zou dat verhinderen. ‘Hoe kan ik weten of hij niet voor IS vecht?’ zegt Muktada met een bitter lachje. ‘Mijn man is geen terrorist!’ zegt de vrouw en begint te huilen. ‘Ik ken je niet,’ zegt Muktada. Hij wuift haar weg. Soms verbaast hij zich over zichzelf, hoe hard hij kan zijn. ‘Dat is mijn werk,’ zegt hij.
    Muktada’s leven volgt een vast stramien. Nooit komt hij in soennitische buurten; hij vreest herkend te worden als sjiiet. Hij drinkt zijn thee altijd in dezelfde cafés, waar hij altijd dezelfde vrienden treft. Mensen die hij kan vertrouwen.

    Een lid van de sjiitische Badr-brigade zwaait met een vlag en een wapen. – © Stanislav Krupar
    Een lid van de sjiitische Badr-brigade zwaait met een vlag en een wapen. – © Stanislav Krupar

    In de Straat van de bomen is de angst gelijk verdeeld over beide zijden. Als we hem buiten de wijk ontmoeten, vertelt Muktada over de ontvoeringen. Daarbij gaat het allang niet meer om vriend of vijand, sjiiet of soenniet. De ontvoeringen hebben zich in Irak ontwikkeld tot een criminele bedrijfstak, zoals elders de drugshandel. Muktada vertelt over een dag waarop drie mensen gekidnapt werden, allen in de buurt van zijn huis. Een makelaar die ze uit zijn kantoor gesleept hebben, een twaalfjarige jongen die op weg naar school werd overvallen, en een voormalig officier die op straat liep. De ontvoerders trokken een zak over zijn hoofd en gooiden hem in de kofferbak van hun auto.
    Hoe dichter de chaos van de gevechten de stad nadert, hoe meer ontvoeringen er plaatsvinden. Volgens een hoge regeringsambtenaar zijn er soms wel zeventig gevallen per dag. De meeste ontvoerden komen na betaling van hoge losgelden weer vrij.

    Er zijn dagen waarop Muktada van zijn straat houdt. De familie van zijn verloofde, een achttienjarige sjiitische, woont maar een paar huizen verderop. ‘Jij bent de eerste vrouw in mijn leven,’ zegt hij altijd tegen haar. Een leugentje om bestwil. Zijn eerste vriendin, bekent hij ons, was een soennitische. Ze leerden elkaar kennen op de universiteit. Ze had een lief gezichtje, zei hij. En ze was slim. Maar de families waren ertegen.

    Als Muktada uit het stadskantoor terugkomt in zijn wijk, gaat hij naar het huis van de familie van zijn verloofde. Ze houden elkaars hand vast en de moeder schenkt het paar thee in. Voor de verloving heeft het meisje alleen een foto gezien van Muktada. Hij beviel haar. Bovendien heeft hij een stabiel inkomen. Na de verloving duurde het drie dagen voor ze begon te praten. ‘Ik ga je silent girl noemen als je zo stil blijft,’ dreigde hij lachend. Zij lachte ook. Het ijs was gebroken.

    Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom

    Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom. Een rookkolom stijgt op. Brandende auto’s maken de wolk steeds groter: uit de eerste rookkolom zwelt een tweede op, en een derde. Dan drijft de wind ze uiteen tot zwarte sluiers.

    De bom zou zeven mensen gedood hebben, hoort Moataz, onze begeleider, later. Er was een politiepost aangevallen. In de kranten en op het internet vinden we er niets over. De Iraakse regering doet haar best om de schijn op te houden dat Bagdad veilig is.

    Een paar jaar lang zag het ernaar uit dat de betrekkingen tussen sjiieten en soennieten genormaliseerd zouden kunnen worden. De soennieten uit Ghasalija begonnen de markt in het sjiitische Shuala weer te bezoeken, waar de groente heel goedkoop is. De sjiieten uit Shuala waagden zich weer op de Naffla-markt in het soennitische Ghasalija, die bekendstaat om zijn grote assortiment stoffen.

    Maar de haat tussen soennieten en sjiieten vlamde op 28 februari 2013 weer op. In het grote stadion van Shuala ontplofte een bom te midden van de toeschouwers. De wedstrijd om de derde plaats van het lokale voetbalkampioenschap was juist begonnen. Zeventien mensen kwamen om, de meesten kinderen en jongeren. Er waren meer dan honderd gewonden.

    De daders konden alleen soennieten zijn, meenden de sjiieten. Hun milities zwermden uit naar Ghasalija, ontvoerden tientallen mensen naar Shuala, lieten er enkele vrij tegen losgeld en vermoordden de anderen. De soennieten noemen de sjiitische wijk aan de andere kant van de straat nu ‘de stad waaruit de mensen niet terugkomen.’

    De moordenaars gooien hun slachtoffers meestal op een stuk land naast de autoweg, dat bedekt is met vuilnis, bouwafval en dode dieren; bijna dagelijks vindt de politie daar lijken. In de afgelopen week, werd ons verteld, waren het dertien mannen, geboeid en geëxecuteerd.

    Al jaren voelen de soennieten van Ghasalija zich tweederangsburgers. Ze verwijten de door sjiieten gedomineerde Iraakse regering dat de soennitische wijken worden achtergesteld. In het sjiitische Shuala wordt vuilnis opgehaald, in het soennitische Ghasalija niet. Daar kruien de inwoners hun afval zelf naar de rand van de wijk en verbranden het daar. Een vette rook hangt dan over de huizen.

    Dat heeft niets te maken met achterstelling, zegt de sjiiet Muktada van het stadsbestuur: ‘Onze vuilnismannen durven Ghasalija niet in.’ Want ze zijn sjiieten. Het bestuur in het westen van Bagdad neemt geen soennieten in dienst, dat geldt ook voor de vuilnisophaaldienst.

    Strijd tegen IS

    In Ghasalija is geen ziekenhuis, en de kliniek in Shuala ligt zo ver in de sjiietenwijk dat de soennieten er niet heen durven. Dus brengen ze hun patiënten naar het ziekenhuis van Jarmuk, in het zuiden van Bagdad, ook de zwaargewonden. Dat is een uur rijden; sommigen sterven onderweg. In hun haat vuren soennieten granaten af op Shuala, altijd op vrijdag, de gebedsdag. En voeden daarmee alleen maar de wraaklust van de sjiieten.

    ‘Ghasalija moet gezuiverd worden,’ zegt sjeik Ahmed, leider van een sjiitische militie, in zijn hoofdkwartier in de binnenstad van Bagdad. Zijn militie is een van de tientallen sjiitische vrijwilligersformaties die in de afgelopen maanden zijn opgericht. In de zomer van 2014 riep grootayatollah Ali al-Sistani, de hoogste leider van de Iraakse sjiieten, alle Irakezen op tot de strijd tegen IS.

    Terwijl het leger binnen een jaar inkromp van 210.000 tot 48.000 man, groeide na de oproep van de ayatollah het aantal bewapende militieleden tot naar schatting 120.000 strijders. Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over 12.000 man. Veel van zijn strijders komen uit Shuala.

    Nieuwe vrijwilligers worden ingezworen. – © Stanislav Krupar
    Nieuwe vrijwilligers worden ingezworen. – © Stanislav Krupar

    De sjeik loopt op krukken. Hij is onlangs aan het front op een mijn gestapt. De artsen wisten zijn been gelukkig te redden. Hij draagt een grijze baard, een witte tulband en een camouflagepak. ‘Ik ben nu generaal-majoor,’ zegt hij. ‘Ik leid een divisie.’ Eerder was hij een huurling in de Syrische burgeroorlog, waar hij aan de kant van de sjiitische dictator Bashar al-Assad vocht.

    In de hal staan zes lijfwachten van de sjeik, in nieuwe kogelvrije vesten van het Amerikaanse leger, helemaal in het zwart. De sjeik zit achter een vrijwel leeg bureau. De Iraakse vlag aan zijn rechterzijde heeft hij speciaal voor de fotograaf van Die Zeit gekocht, zoals onze chauffeur Moataz vooraf telefonisch vertelde. Ook de villa waarin hij ons ontvangt, heeft hij alleen voor ons bezoek betrokken.

    Sjeik Ahmed somt de veldslagen op die hij met succes tegen IS heeft gevoerd. Midden in zijn verhaal stokt hij en grijpt naar zijn rug, waar nog twee splinters van de mijn in zitten. Vlak bij de ruggengraat, zegt hij. Of wij niet een kliniek in Duitsland weten waar hij geopereerd kan worden?

    Zijn smartphone, een witte Samsung, rinkelt. En blijft rinkelen. Tot nu toe heeft hij alle oproepen weggedrukt, maar nu zegt hij, na een blik op het schermpje: ‘Een ogenblik alsjeblieft’, en neemt de oproep aan.

    ‘Wij zijn klaar voor de overdracht van het geld,’ hoort onze begeleider Moataz de beller zeggen. De man spreekt met een smekende stem. ‘Wij zijn bereid om naar de afgesproken plek te komen.’

    ‘Er wordt aan gewerkt,’ zegt de sjeik. ‘Ik heb gasten.’

    Hij beëindigt het gesprek, verontschuldigt zich voor de onderbreking en zegt dat de beller de eigenaar is van een ziekenhuis in Koerdistan, die hem heeft aangeboden de beide splinters gratis te verwijderen.

    Schoolfeest

    In Ghasalija, aan de soennitische kant van de Straat van de bomen, woont Raihana, de kleuterschooljuf. Moataz heeft ons haar bungalow aangewezen. Bij ons gesprek buiten de wijk draagt Raihana een bruin pak, dat ze combineert met een bruine hoofddoek. Haar ogen zijn donker omrand met kohl [een mengsel van roet en andere ingrediënten]. Ze zegt dat het bed in haar huis de plek is waar ze zich het veiligst voelt. Daar ligt ze urenlang, tussen dekens en kussens, terwijl de tv aanstaat. Alsof ze zo het rumoer van de wereld buiten een beetje kan dempen.

    Het zijn de laatste vakantiedagen. Raihana vertelt over het geplande feest bij het begin van het nieuw schooljaar. ‘Wij zijn de enige kleuterschool in de buurt die zo’n feest geeft,’ zegt ze trots. Op vier vellen papier heeft ze alles genoteerd wat ze voor deze grote dag moet regelen. Het werk, zegt ze, is het enige wat haar in leven houdt.

    De soennitische Raihana was ooit met een sjiitische man getrouwd. Twintig jaar geleden liep het huwelijk stuk, ook omdat haar familie altijd al tegen die verbintenis was. De uit hun huwelijk geboren zoon vluchtte in 2007 naar Jordanië. sjiitische milities waren haar huis binnengedrongen om hem mee te nemen. ‘Voor hen is hij een halve soenniet,’ zegt zijn moeder. Nu belt ze om de twee weken met hem. ‘Thuis wacht me alleen leegte. Mijn leven is eenzaamheid.’ Elke avond slikt ze tabletten om te kunnen slapen.

    Raihana weet dat IS maar een paar kilometer verderop zit, dat de opstandelingen elk moment Ghasalija kunnen bezetten. De sjiieten zouden meteen de tegenaanval inzetten. Dagelijks legt Raihana geld opzij om te kunnen vluchten voor de straatgevechten. Naar de sjiitische woongebieden zou ze niet kunnen, omdat ze daar als soennitische vervolgd zou worden, zegt ze. En soennitische buurten in andere delen van Bagdad komen niet in aanmerking omdat IS ook daar invloed heeft. Dan zou alleen de binnenstad overblijven, waar aanhangers van beide geloofsrichtingen nog naast elkaar leven.

    En toch is IS voor Raihana een gevaar dat ver weg lijkt in vergelijking met de bedreigingen in haar buurt. ‘Je gaat de straat op en denkt dat het veilig is. Maar plotseling gebeurt er iets, en je wordt ontvoerd,’ zegt ze. De dochter van een collega werd op weg naar school gekidnapt. Voor 10.000 dollar kon de moeder haar kind terugkopen. Een week geleden vonden politieagenten in een huis acht ontvoerde kinderen, opgesloten in de kelder. Raihana vertelt erover, maar niet lang. Dan gaat het weer over haar feest. Dat moet geweldig worden. De volgende morgen wil ze naar de markt om twee dozen in goudpapier verpakte toffees voor de kinderen te kopen. Ook wil ze vijftig kleine kaarsen kopen, zegt Raihana, en tweehonderd kartonnen bordjes en vijfhonderd ballonnen. ‘Ik zou willen dat de kinderen merken dat het een bijzondere dag is.’ De ballonnen zal ze oppompen, aan een touw knopen en boven de ingang van de school hangen. Ze moet morgen naar vier verschillende winkels voor die inkopen. Ze maakt zich zorgen of ze dat allemaal redt in een dag; acht controleposten moet ze passeren, en bij elke post wordt het verkeer opgehouden.

    Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?

    Onze begeleider Moataz rijdt ons na het gesprek naar het hotel. Het is laat geworden, hij is moe. Dan staat er midden op straat een politieagent die het verkeer tegenhoudt om een konvooi van de Veiligheidsdienst in te laten voegen. Moataz meent dat de agent hem een teken geeft om door te rijden. Hij geeft gas in plaats van te remmen. Met een ruk richt de agent zijn wapen op ons. We schreeuwen. Moataz stopt. Hij scheldt en trekt wit weg. In Bagdad voeren vele wegen naar de dood, vooral misverstanden.

    Buiten de stad is de opmars van IS voorlopig tot stilstand gekomen. Maar nog altijd slagen de islamisten erin nieuw terrein te veroveren. Binnen twee weken vallen twee steden van elk 100.000 inwoners. Ook gematigde soennieten kunnen hun bewondering voor IS niet verhelen. ‘Hoe krijgen ze het voor elkaar?’ vraagt iemand uit de straat van de bomen. ‘Ze voeren tientallen veldslagen tegelijk en vechten tegen zeven legers.’

    De strijders van IS namen bliksemsnel miljoenensteden in, wisten de grens tussen Irak en Syrië uit, en veranderden de kaart van het Midden-Oosten. De extremisten uit het buitenland die in de wereldpers figureren en de beruchte video’s maken, vormen maar een klein deel van de IS-strijders. De meeste manschappen worden geleverd door de grote soennitische stammen. Sinds de Amerikaanse invasie zijn er vier soennitische verzetsgroepen geweest. Die zijn nu allemaal versmolten met IS.

    Het is vroeg in de morgen op de dag waarop Raihana snoepjes wil gaan kopen en Muktada zijn verloofde naar de juwelier wil brengen. Op deze dag verlaten wij de hoofdstad. Met een militair konvooi van de sjiitische Badr-militie rijden we de provincie Dijala in, die Bagdad verbindt met de Iraanse grens.

    Drie weken geleden hebben de sjiieten het gebied op IS terugveroverd. De Badr-militie is de machtigste van hun strijdgroepen, naar eigen zeggen 50.000 man sterk, groter en slagvaardiger nog dan de militie van sjeik Ahmed. Een strijdgroep die zelfs een eigen tv-kanaal runt voor propagandadoeleinden. ‘Wees gerust!’ zegt een cameraman van de militie, met wie we in de jeep meerijden. ‘We hebben alle terroristen uitgeschakeld.’ De mediamensen van Al-Badr maken grappen en bediscussiëren de voordelen van de verschillende typen camera’s. Maar ze worden stil als we de controlepost aan de rand van Bagdad passeren en de stad verlaten.

    Dit land draagt de sporen van vele oorlogen. De heuvelachtige vlakte waar we doorheen rijden, is bezaaid met betonnen wallen en hopen aarde. Steeds weer komen we langs wachttorens en politieposten, die vaak brandsporen van bomaanslagen dragen. ‘Dit is het begin van onze overwinning! We zullen de ene provincie na de andere bevrijden!’ roept generaal Muen al-Kadhimi bij onze eerste tussenstop tegen tachtig pas gerekruteerde vrijwilligers. ‘God en alle engelen kijken naar jullie!’ Het terugtrekkende IS heeft de bruggen over de rivieren opgeblazen. Ons konvooi steekt het water over op geïmproviseerde houtconstructies. We zien opgeblazen pantserwagens die naar men zegt van IS waren, maar misschien ook van het Iraakse leger. Op veldwegen en in irrigatiekanalen staan uitgebrande militaire voertuigen van Amerikaanse makelij. Overal wapperen de groene en zwarte vlaggen van de sjiieten, de kleuren van de veroveraars, want dit deel van Dijalas werd voor de oorlog overwegend door soennieten bewoond. ‘Saddam gaf ze zulke mooie huizen,’ peinst de cameraman. ‘En wij moeten in ellendige holen wonen.’

    Aan het begin van een zijweg ligt het lijk van een man, half vergaan. Een sjiitische wachtpost staat er onaangedaan naast en staart naar ons konvooi. De dorpelingen die we passeren zijn allemaal beroofd. Dode geiten liggen in de beken.

     onder: Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over een privémilitie van 12.000 man. – 
© Stanislav Krupar
    onder: Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over een privémilitie van 12.000 man. – 
© Stanislav Krupar

    De generaal wil ons een moderne gascentrale tonen, in 2013 gebouwd door het Franse Alstomconcern, in 2014 door IS veroverd en drie weken geleden terugveroverd door de Badr-militie. Nu houdt een kleine eenheid van het Iraakse leger de heuveltop bezet, waarop gastorens blinken. De generaal hangt ook hier de winnaar uit. De officier van de legereenheid laat hij nauwelijks aan het woord komen. Het is duidelijk wie het in deze veldtocht voor het zeggen heeft: niet meer het reguliere leger, maar de sjiitische milities. De reguliere soldaten die de fabriek tegen IS moeten beschermen, bewapend met niet veel meer dan kalasjnikovs, en omgeven door open veld, maken een timide indruk.

    Slechts enkele uren eerder zijn op de enige weg naar de centrale drie springladingen geëxplodeerd. Blijkbaar heeft een IS-commando die op afstand tot ontploffing gebracht. Naar verluidt is een servicewagen van de elektriciteitscentrale getroffen. Er zouden vier gewonden zijn. Het konvooi houdt halt op de terugweg om de plek van de explosie te onderzoeken. Een van de chauffeurs ontdekt opeens een vierde, nog intacte bom: een geel plastic bakje in de greppel naast de weg. Vanuit de springlading leiden twee draden tot vlak bij de weg. De generaal beveelt snel verder te rijden. Mogelijk worden we door IS-strijders geobserveerd. Ze kunnen de bom elk moment laten ontploffen.

    Aan de horizon branden intussen de dorpen. In drie windrichtingen zien we rookzuilen. Hele stukken straat staan in brand. ‘Die hadden daar waarschijnlijk kortsluiting,’ zegt de cameraman lachend. De term ‘kortsluiting’ heeft een speciale betekenis in Irak. Tijdens de eerste burgeroorlog in 2006 noteerde de politie in hun rapporten steevast ‘kortsluiting’ als oorzaak van de talloze branden. Maar iedereen wist dat het vuur bijna altijd was aangestoken door sjiitische of soennitische milities om elkaar wederzijds uit de wijken te verjagen.

    Deze aanblik komt de generaal niet goed uit. Hij wilde met deze rit de beschuldigingen tegen zijn militie ontkrachten. De mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch beschuldigen de sjiitische Badr-brigades ervan de soennitische bevolking systematisch te verdrijven. De gebeurtenissen hier in de provincie Dijala lijken op die in de provincie ten zuiden van Bagdad, waar de Badr-militie IS al een half jaar geleden versloeg. Tienduizenden soennieten mogen sindsdien niet meer terug naar hun dorpen. Volgens de milities vanwege veiligheidsredenen. In werkelijkheid willen ze waarschijnlijk de sjiitische woongebieden uitbreiden. Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?

    Daeshmarkt

    Als we terug zijn in Bagdad, in het soennitische Ghasalija, laat kleuterjuf Raihana weten dat de kleine vierjarige jongens en meisjes de sjiieten al als vijanden begonnen te zien. ‘Sjiieten zijn net als apen,’ zeggen de kinderen. ‘Sjiieten hebben lange staarten in hun broek.’ Ze beledigen Ali, de profeet van de sjiieten. Als Raihana de kinderen ter verantwoording roept, hoort ze vaak: ‘Dat mag ik best zeggen, mijn vader zegt dat ook.’ Ze denkt dan goed na, welk kind ze terechtwijst. Ze vreest de woede van de vaders. ‘Je kunt niemand meer vertrouwen,’ zegt ze. ‘Soms geloof ik dat ik mezelf niet meer kan vertrouwen.’

    Aan de andere kant van de straat, in het sjiitische Shuala, is een nieuwe markt geopend. De mensen noemen het de Daeshmarkt. Daesh is de Arabische afkorting voor IS. Daar verkopen de milities hun oorlogsbuit, alles wat ze zogenaamd op IS buitgemaakt hebben.
    ‘Iedereen weet dat dat gestolen goed is,’ zegt Abdullah, een taxichauffeur, die ook aan de straat van de bomen woont, aan de soennitische kant.

    Abdullah vertelt dat de Daeshmarkt de koopjesmarkt van de sjiieten is geworden. Volgens hem verkopen ze daar wat ze in de veroverde dorpen van de soennitische bewoners geroofd hebben: tv’s, koelkasten, computers, auto’s.

    Zo is elke marktdag in Shuala een vernedering voor de soennieten in Ghasalija. De granaten die van de soennitische kant afgevuurd worden op Shuala slaan vaak in op de markt. In het Iraakse parlement hebben soennitische afgevaardigden al weken geleden geëist dat de markt wordt gesloten – vergeefs.

    Mee op expeditie met een sjiitische militie. Op de achergrond branden soennitische dorpen. – 
© Stanislav Krupar
    Mee op expeditie met een sjiitische militie. Op de achergrond branden soennitische dorpen. – 
© Stanislav Krupar

    Het had niet zover hoeven komen met het conflict tussen Ghasalija en Shuala, vertelt Abdullah als we hem treffen in een ijssalon in de binnenstad. ‘We hadden een echte kans.’ Toen het moorden in 2007 op z’n hoogtepunt was, vielen de Amerikanen Ghasalija binnen. Ze bouwden drie steunpunten en wierven 450 soennieten aan als politieagenten: de Ghasalija Guardians. Abdullah was een van hen. Zijn ogen lichten op als hij vertelt over die tijd. De Amerikanen leidden de agenten op, gaven hen uniformen, voertuigen en een fatsoenlijk salaris. De soennieten kregen een stukje macht over hun stadswijk terug. De macht die de Amerikanen hun met de val van Saddam Hoessein in 2003 ontnomen hadden.

    De soennitische agenten beschermden Ghasalija tegen de aanvallen van de sjiitische milities en de Amerikanen tegen de aanvallen van Al-Qaida. Veel Al-Qaida-strijders zouden zich bij hun troepen hebben aangesloten. ‘De meeste van die jongens,’ zegt Abdullah, ‘geloven helemaal niet in die Al-Qaida-filosofie. Die geloven in het geld.’ De soennitische Ghasalija Guardians hielden ook de militanten onder de soennieten in toom, er waren nauwelijks nog aanslagen; de spanningen tussen soennieten en sjiieten verminderden. Maar in het jaar 2009 vertrokken de Amerikanen. ‘Ze lieten ons in de steek en leverden ons uit aan de sjiietenregering,’ zegt Abdullah.

    De Ghasalija Guardians werden ontbonden. Veel van hun voormalige officieren werden vermoord. Abdullah kreeg het aanbod schoonmaker te worden in het ministerie van Transport. Hij wees het af en werd taxichauffeur.

    De afbrokkelende muren van de voormalige Amerikaanse steunpunten zien eruit als de ruïnes van het oude Rome. Legerplaatsen en forten uit een voorbije tijd. Voor de Iraakse veiligheidsdiensten waren de militaire bases te groot. Overal in de wijk stuit men erop: resten van een verzonken rijk.

    Hij zal niet nog eens tegen de islamisten vechten, zegt Abdullah, de soenniet. Hij zal het met IS op een akkoordje gooien. Met die lui valt te praten, met de sjiitische milities niet. Die onderhandelen niet met soennieten, ze vermoorden ze. ‘Dat is de keus die ik heb. Dan is IS voor mij beter,’ zegt hij, en neemt afscheid om zijn volgende klant af te halen.

    Gespannen rust

    Het welkomstfeest waar kleuterjuf Raihana dagenlang naartoe gewerkt heeft, is voorbij. Tot tranen geroerd vertelt ze hoe het was: om acht uur ’s morgens opende ze de grote poort. De nieuwe kinderen kwamen paarsgewijs binnen, ze hielden elkaars handjes vast. Ze droegen hun mooiste kleren, de jongens zwarte pakjes, de meisjes witte prinsessenjurkjes. Er speelde muziek, er brandden kaarsen. Op de tafels stonden bordjes met chocoladekoeken en schotels met snoepjes. Raihana hield een toespraak. ‘Mijn lieverdjes,’ begon ze. Ze spoorde de vierjarigen aan zich goed te verzorgen, hun kleren schoon te houden en hun nagels te knippen. En zich te excuseren als ze op fouten betrapt werden. Twee uur duurde het feest. Toen ging Raihana naar huis, zette de tv aan en sloot haar ogen.

    Onze begeleider Moataz rijdt ons weer door de Straat van de bomen, die vandaag nog rustiger is dan anders. In de ochtenduren hebben onbekenden in Bagdad een soennitisch stamhoofd doodgeschoten. Hij had zich ingezet voor toenadering tussen de geloofsrichtingen. Hij en zijn lijfwachten werden dood gevonden onder een viaduct.

    De vertegenwoordigers van de soennieten stellen de sjiitische Badr-militie verantwoordelijk. De militie ontkent. Er heerst een gespannen rust in de straat. Iedereen weet: het zal niet lang duren voor de soennieten wraak nemen, en dan de sjiieten weer. In Bagdad voedt de haat zich allang met zichzelf.

    Op de middag van diezelfde dag zit ik op het bed in mijn hotelkamer, met mijn mobieltje in de hand. Het telefoontje van het Bundeskriminalamt uit Berlijn. Wie heeft ons verraden? Kleuterjuf Raihana? Bestuurssecretaris Muktada? De twee hotelgasten die ons de vorige avond in het restaurant zo’n onvriendelijke blik toewierpen? Moataz, onze chauffeur? Hij had zo veel mogelijkheden om ons uit te leveren aan onze ontvoerders, en hij heeft het niet gedaan. Nee, niet Moataz! Moataz niet, hoop ik.

    Drie uur later vallen de portieren van de gepantserde limousine van de Duitse ambassade achter ons dicht.

    Auteur: Wolfgang Bauer
    Vertaler: Piet Meeuse

    • De namen en een paar levensomstandigheden van onze gesprekspartners zijn omwille van hun veiligheid veranderd.

    Wolfgang Bauer (1970) is sinds 1994 freelancejournalist. Hij studeerde Islamstudies, Geografie en Geschiedenis. Bauer schreef onder meer voor Focus, Die Zeit, Neon, Greenpeace Magazin, Geo en National Geographic. 
Zijn werk werd veelvuldig bekroond.

    Die Zeit
    _Duitsland | dagblad, 
oplage 540.000 _
    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

    Genomineerden in de categorie Distinguished writing award:

    Paul Raymond & Jack Watling 
(Verenigd Koninkrijk):
    
The Struggle for Mali

    Jonathan Stock (Duitsland): 

    Die Löwen vom Sindschar

    Elena Stancu (Roemenië):
    
No Criminal Record

    Justyna Kopinska (Polen):

    The Fear-Sick Ward

    Magda Gad (Zweden): 

    Why the Beggars Come

    Wolfgang Bauer (Duitsland):
    
Straße der Angst