Vorige week kwamen 17 mensen om bij twee schietpartijen
In de Servische hoofdstad Belgrado zijn maandag tienduizenden mensen de straat opgegaan om te demonstreren tegen de recente schietpartijen in het land. Volgens persbureau Reuters eisen de betogers dat politieke kopstukken en ministers hun verantwoordelijkheid nemen en aftreden. De minister van Onderwijs trad zondag al af.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Vorige week werd Servië opgeschrikt door twee bloedige schietpartijen. De eerste vond vorige week woensdag plaats, toen een dertienjarige jongen, met vuurwapens die hij van zijn vader had geleend, acht leerlingen en een bewaker doodschoot op zijn school in Belgrado. Een dag later schoot een man vanuit zijn auto op voorbijgangers en maakte daarbij acht dodelijke slachtoffers.
Na de schietpartijen werd er voornamelijk gewezen op het grote aantal wapens dat in Servië in omloop is. De Servische president Aleksandar Vucic heeft aangekondigd dat men de komende twee weken alle illegale wapens kan inleveren zonder straf. Voor de politieke oppositie, die achter de protesten op maandag zit, had hij geen goed woord over. Volgens Vucic gebruikt de oppositie het vuurwapengeweld voor politiek gewin.
Als mensen niet kunnen reizen maar elkaar wel willen bereiken, sturen ze spullen. In Kosovo gaat dat via een informeel postnetwerk opgezet door burgers.
Het is nog donker als ik naar de Petrakija-straat ga, in de richting van de Muziekacademie, gedesoriënteerd en verward door de realiteit van de vroege ochtend in Sarajevo. De klok in de toren van de kathedraal, iets verderop om de hoek, slaat zes uur.
Bij de laatste slag van de kerkklok dringt het irritante geluid van een Viber-oproep door tot mijn slaperige geest. Wat nu weer? Ik neem de telefoon op.
‘Hé, waar ben je?’
Ze klinkt boos.
Ik werp een blik op mijn telefoon: 6:02 uur. Klotekathedraal. Heeft God zich vanochtend misschien ook verslapen?
‘Wat is er aan de hand? Ik ben maar twee minuten te laat!’ zeg ik, nu zelf ook boos. ‘We zijn niet in Zwitserland!’
Op dat moment zie ik haar – precies op de hoek van Štadler en Pehlivanuša, waar we hebben afgesproken – gehurkt voor haar auto. Ze ziet mij ook. We hangen allebei op. ‘Hajde, schiet op!’ roept ze naar me.
Rada houdt er niet van als passagiers te laat komen. Niet omdat ze geen geduld kan opbrengen. Als haar werk geduld vereist wacht ze, zelfs urenlang als het moet. Maar vandaag niet. Rada heeft een strak schema. Om 6:05 uur halen we iets boven Parkuša een pakketje op. Dobrinja, 6:25 uur, een jonge kerel wacht op ons, hij gaat werken in een hotel aan de Albanese kust. Dan, om 6:30 uur, in de wijk Mojmilo, tegenover de Koning Fahd-moskee – de grootste in Sarajevo, een geschenk van Saoedi-Arabië – halen we een dokter op; een gerespecteerde dame, die deze rit vaak maakt. En dan richting Pale, vanwaar Ivana, een programmeur, op weg gaat naar Belgrado voor een werkvergadering en familiebezoek.
Rada weet dat als ik twee, drie of vijf minuten te laat ben, alle anderen minstens even lang moeten wachten, en misschien nog wel langer als we ook voor een stoplicht komen te staan. En Rada haat het als haar passagiers moeten wachten. Ook degenen die op haar passagiers wachten en degenen die op de pakjes wachten die Rada bij zich heeft en die meestal al minstens zo belangrijk zijn, hebben een hekel aan wachten. Bovenal wil Rada dat we de rivier de Drina bereiken en de grens oversteken voordat het verkeer drukker wordt, zo rond half negen ’s ochtends. Als dat niet lukt, zullen al deze mensen nog veel langer moeten wachten.
Ik schaam me een beetje.
‘Maar goed. We komen er wel,’ zegt ze. ‘Hoe is het met je? Nog nieuws? Hoe is het met je moeder?’
Raar poeder
Sinds ze twintig jaar geleden begon met het vervoeren van passagiers tussen Sarajevo en Belgrado, heeft Rada een extra – maar niet minder belangrijke – transportfunctie, als onderdeel van een informeel postnetwerk. Ze vervoert alles wat mensen maar willen verzenden, zolang het legaal is en in haar auto past. Wat meestal het geval is.
‘In Belgrado kwam er een vrouw naar me toe. Ze had echt alles gekocht wat je je maar kunt voorstellen – die liep gewoon winkels binnen en begon haar tassen te vullen. Doe dit maar, doe dat maar. Ze kwam met twee enorme tassen en vroeg of er genoeg ruimte was in de kofferbak. Ik keek en zag boven op een van de tassen een enorme zak popcorn liggen. Nou mevrouw, dacht ik bij mezelf, moet u die popcorn echt ook opsturen? Er is toch popcorn in Sarajevo? Maar wat kon ik doen, ze stuurde het naar haar moeder. We vinden de ruimte wel, zei ik.’
Dit keer is niet alleen Rada aan het werk. Ook mijn tas zit vol pakketjes. Ik neem een doosje sigaretten van het merk Drina uit Sarajevo mee voor een vriend en de avond ervoor heb ik een enveloppe met documenten gekregen – wat of voor wie ze zijn weet ik niet, maar het is belangrijk dat ze zo snel mogelijk in Belgrado aankomen – en een zakje gevuld met een vreemd poeder met grote brokken en een grove textuur. De man die me het zakje overhandigde noemde de naam van het spul, maar ik begreep niet wat hij zei. Hij herhaalde het. Ik begreep hem nog steeds niet, maar besloot te doen alsof ik het wel begreep. Nu vraag ik me af of het legaal is. Ik hoop van wel. Hij zag er betrouwbaar uit. Ook de persoon die het contact tussen ons legde leek in orde. Hoe dan ook, het is beter om dit niet aan Rada te vertellen. Maar als er ruimte is voor de popcorn, moet er ook ruimte zijn voor mijn rare poeder.
Een paar maanden later, 300 kilometer verderop, op een bruisende lentemiddag op het busstation van Belgrado.
Ik ben een postbode op een belangrijke missie en ik heb geen tijd te verspillen aan beleefdheden
Met grote passen loop ik naar de hal met loketten. Dan worden mijn stappen korter: de smalle gang tussen de loketten en de vertrekplatforms is ramvol met passagiers, koffers, geschreeuw, gehaast, verwarde blikken, omhelzingen en kussen.
Te midden van de drukte wordt mijn blik getroffen door een oude analoge stationsklok. De lange witte wijzers bieden een rustgevend beeld: het is 15:49 uur. Ik hou ervan als ik te vroeg ben, al is het maar één minuut.
Dan gaat mijn telefoon. ‘Waar ben je?’
We ontmoeten elkaar bij de toegang tot het busplatform. We kennen elkaar niet, maar herkennen elkaar gemakkelijk. Hij houdt een grote doos vast met daarin een synthesizer. Het is een pakket dat ik bij een gezamenlijke vriend moet afleveren.
Ik neem de doos aan. ‘Oké, dat was het,’ en we gaan weer uit elkaar. Ik ben een postbode op een belangrijke missie en ik heb geen tijd te verspillen aan beleefdheden. Ik ren naar een loket en koop een kaartje.
Buiten, op perron 4, stroomt de bus naar Pristina vol.
Lievelingspop
Ik begon mijn ‘baan’ als postbode in de herfst van 2020, toen ik zo vaak tussen Belgrado en Pristina op en neer reisde dat het mensen begon op te vallen. (Om op te vallen is het eigenlijk al voldoende dat je vaker reist dan, nou ja, nooit.)
En dus kreeg ik op een dag een telefoontje van een vriend die ik al een tijdje niet had gesproken, maar die op de een of andere manier van mijn reisgedrag op de hoogte was. Een gezin uit Pristina was op vakantie in Belgrado, en toen ze weer thuiskwamen bleek dat hun dochter haar pop had laten liggen. Hoewel Pristina op de weerkaart van Radio Televisie Servië staat aangegeven als onderdeel van Servië, bestaat deze stad wat de Servische postdienst betreft niet, en hetzelfde geldt voor andere plaatsen in Kosovo waar Serviërs niet de meerderheid vormen. Particuliere bezorgdiensten zijn veel te duur. De enige manier waarop de pop Pristina kon bereiken was als iemand hem meenam.
Zou je dat willen doen? Het is niet dringend. Maar eigenlijk wel. Het is haar lievelingspop.
De keer daarop kwam er een verzoek van de andere kant: hé, hebben ze dat Skenderbeg-drankje nog? Neem er alsjeblieft twee voor me mee, ik mis het echt! Vervolgens, in Pristina: het is niet makkelijk om filmrolletjes te vinden voor analoge camera’s, en er is een winkel in Belgrado waar ze niet zo duur zijn. Kun je er een aantal voor me meebrengen? Een paar maanden later stonden op mijn lijstje met succesvolle opdrachten: vinylplaten van de Belgradose new wave, een kilo gedroogde worst, de sleutels van iemands appartement en boeken van Petrit Imami over de gemeenschappelijke geschiedenis van Serviërs en Albanezen (gelukkig, maar ironisch genoeg, waren die in Belgrado meteen uitverkocht).
En toen begon het me te dagen dat bijna al het persoonlijke verkeer tussen Kosovo en Servië – tussen naaste familieleden, neven en vrienden, tussen degenen die zijn vertrokken, degenen die zijn gevlucht, degenen die zijn gebleven en degenen die ergens tussenin vastzitten – afhankelijk is van drie bussen die dag en nacht rijden tussen Belgrado, Pristina en Prizren, en van de kleine groep mensen die met deze bussen reist.
Terwijl de chauffeurs in keurige witte shirts haastig bagage inladen, wordt mijn aandacht getrokken door een oudere dame in het zwart die naast een enorme geruite tas staat. Het is me niet duidelijk hoe ze die hier heeft gekregen. Ze wacht geduldig in de rij. Ze glimlacht naar me, en we raken aan de praat.
‘Waar gaat u heen in Kosovo?’
‘Ik ga niet op reis, jongen. Ik stuur dingen naar mijn familie.’
Ik wil haar vragen wat ze hun stuurt, maar één blik op de enorme Chinese tas beantwoordt mijn vraag. Hij zit vol zelfgemaakt eten, zorgvuldig verpakt in plastic ijsdozen en grote glazen potten. Is dat sarma [gevulde wijnbladeren]? Ik zie ook een oude plastic doos van een kaasmerk uit Sombor, bijeengehouden door dikke elastieken zodat wat er ook in zit, misschien een salade, er tijdens de reis in blijft zitten.
‘Stuurt u vaak dingen?’
‘Niet zo vaak. Ze hebben daar eten, het is niet zo dat ze niets hebben. Maar ze vinden het heerlijk als ik voor ze kook. Onlangs vierde mijn kleindochter haar verjaardag. Dus maakte ik taart. Het is handig zo, ik zet het gewoon op de bus. Anders zou het onmogelijk zijn.’
Ik bedenk hoe het zou gaan als je aan de balie in een postkantoor zelfgemaakt eten verstuurt
Ik sta er even bij stil en bedenk hoe het zou gaan als je aan de balie in een postkantoor zelfgemaakt eten zou versturen. Het serieuze gezicht van de bediende die je aankijkt door het glas. Wat zit er in de doos? Een aardbeientaart en sarma met gedroogde ribbetjes. Hoe snel wilt u het laten bezorgen? Onmiddellijk, zodat het niet bederft, u weet hoe warm het de afgelopen dagen is geweest! De waarde? Onbetaalbaar.
Geen politieagent
Zoals ik zal ontdekken tijdens verschillende reizen en tientallen gesprekken met mensen die dwars door de Balkan dingen versturen en ontvangen, gaat het niet alleen om voedsel en de mogelijkheid dat het zal bederven.
Oom Pera keert terug naar Lipjan, waar hij al meer dan zestig jaar woont. Hij was op bezoek in Belgrado. We zitten samen in een bus. Ergens rond de tolweg bij Bubanj Potok bied ik hem een paar Plazma-koekjes aan. In ruil geeft hij me, als we bij een tankstation ergens rond Pojate stoppen, een sigaret. Ik vraag hem of hij per post iets uit Servië verstuurt of ontvangt.
‘Nee,’ zegt hij beslist. ‘Je weet het nooit met hen. Twee maanden geleden was mijn zoon op zoek naar autopapieren van een vriend in Kraljevo. Die zijn nog steeds niet aangekomen.’
Oom Pera vertrouwt de instituties duidelijk niet. En te oordelen naar het aantal dingen dat dagelijks met de bus meereist, is hij niet de enige.
In gezelschap van de chauffeurs in een halfdonker café langs de weg dat de hoopvolle naam ‘Evropa’ draagt, probeer ik te achterhalen wat er zoal wordt verstuurd. De meeste reizigers zitten buiten te wachten op het teken voor vertrek.
‘Probeer je uit te vissen of we drugs bij ons hebben?’ vraagt een man me nors, terwijl hij me een stuk kip aanbiedt dat hij net uit aluminiumfolie heeft gehaald.
Hij bood me de kip aan uit beleefdheid. De vraag stelde hij uit openlijk wantrouwen. ‘Maak je geen zorgen, ik ben geen politieagent,’ zeg ik tegen hem. Ik haal mijn perskaart tevoorschijn. Afrim veegt zijn vingers af en bekijkt hem met oprechte nieuwsgierigheid. De gedachte komt bij me op dat mensen in dit café waarschijnlijk al veel dingen uit hun zak hebben gehaald, maar dat dit vast en zeker de eerste keer was dat het om een kaart van de Internationale Federatie van Journalisten ging. Het lijkt enig effect te sorteren.
‘Wat de mensen sturen? Nou, van alles. Documenten vooral,’ zegt Afrim. ‘Papieren voor pensioenen in het noorden, in Belgrado, voor degenen die vóór de oorlog in bedrijven werkten, voor onroerend goed, als iemand iets verkoopt in Kosovo. Medicijnen. Mensen sturen ook geld. Mobiele telefoons, kleren. Van alles en nog wat.’
‘Hebben jullie weleens problemen?’ vraag ik. Afrim werpt me een scherpe blik toe. Weer die achterdocht. Zijn collega Edin voegt zich bij het gesprek: ‘Het gebeurt weleens dat mensen niet komen opdagen om hun spullen op te halen. Of ze vragen ons ergens anders op hen te wachten… Maar hoe kan ik in godsnaam wachten?’
‘Wat gebeurt er dan met die pakjes?’
‘We brengen ze terug naar het bureau en de afzender haalt ze daar dan weer op.’
‘Komt het weleens voor dat niemand ze ophaalt?’ Terwijl ik die vraag stel, zie ik ineens een magische antiekwinkel voor me, met her en der allerlei voorwerpen die mensen in de loop der jaren zijn vergeten, elk met zijn eigen geschiedenis, zijn gewone en ongewone verhaal…
In die halve of hele minuut lijk je meer vertrouwen op te bouwen dan ooit mogelijk zou zijn met een postmedewerker
Mijn gedachtespinsels worden ruw onderbroken door Afrim: ‘Nee, nooit. Er komt altijd iemand. Kom, laten we gaan.’
Het versturen van pakjes per bus of taxi, per chauffeur, vriend of kennis, is een van de meest functionele sociale uitvindingen op de Balkan. Het gaat net zo snel als een auto of bus. En voor een plek waar treinverbindingen zijn vernield en vliegverbindingen domweg zijn opgeheven, is het de snelste manier om dingen te versturen en te ontvangen.
Eén specifieke persoon – de chauffeur, vriend of kennis – zorgt voor de levering. Het is iemand die je kent of die je op z’n minst een keer hebt ontmoet, iemand die je ooit een hand hebt gegeven en met wie je een paar woorden hebt gewisseld. In die halve of hele minuut lijk je meer vertrouwen op te bouwen dan ooit mogelijk zou zijn met een postmedewerker achter een loket met reclamefoto’s van gele busjes die altijd op tijd zijn.
Wie vertrouwt u meer, een bedrijf met een slogan die garandeert dat uw zending binnen 48 uur wordt geleverd, en die u de mogelijkheid biedt uw zending te volgen via een speciale code? Of een chauffeur die op de vraag ‘Wanneer komt het ongeveer aan?’ – die u voorzichtig uitspreekt, om maar niet de indruk te wekken dat u hem opjaagt, hij heeft tenslotte alle recht om zijn eigen schema aan te houden – eerst in de verte kijkt, dan een trek van zijn sigaret neemt en ten slotte rook uitblazend zegt: ‘Dat hangt van de spits af, maar niet voor negen uur’? En dan noemt zo iemand altijd een te vroeg tijdstip; beter dat jij moet wachten dan de hele bus.
Op een of andere manier kiezen verbazingwekkend veel mensen in de Balkan voor optie 2.
Regels
En dan is er nog de kwestie van de prijs.
Wanneer je iets per post verstuurt, zijn er een aantal relevante criteria: het gewicht van het voorwerp, de waarde ervan en de afstand en snelheid van de bezorging. Websites en apps van de post staan vol gedetailleerde tabellen en berekeningen waarmee je de prijs tot op de cent kunt berekenen. Maar hoe dan ook is die prijs meestal vrij hoog. Als je een pakket van een halve kilo van Servië naar Bosnië wilt sturen, zonder retourformulier, speciale bezorging of luchttransport, kost dat je ongeveer 18 euro. Wil je dat pakket via DHL in Kosovo krijgen, dan is de prijs ongeveer 50 euro.
Verstuur je het op de informele manier, dan stap je het domein binnen van een magisch Balkanritueel dat wordt begrensd door duidelijke regels waarbinnen absoluut niets duidelijk is. Wanneer een vriend of kennis een pakje meeneemt, staat het aanbieden van geld voor die dienst ongeveer gelijk aan het vervloeken van hun moeder. Er is een ongeschreven regel dat je de helper uitnodigt voor een glas vruchtensap of een kop koffie, maar wel tactvol. Het moet lijken alsof je hem niet alleen maar uitnodigt omdat hij je heeft geholpen, maar omdat je echt graag iets met hem wilt drinken.
Tegelijkertijd wordt haast verwacht dat de ander het aanbod zal afslaan, omdat geen van jullie tijd of zin heeft om iets te gaan drinken. Als jullie samen een drankje hadden gewild, zouden jullie dat wel hebben gedaan, ook zonder pakjesbezorging. Maar zonder dat drankje sta je wel in het krijt bij de helper. Mocht je ooit iets doen wat de persoon in kwestie niet zou bevallen, dan zal die overal rondbazuinen hoe dwaas het was om jou te helpen!
Bij buschauffeurs liggen de zaken iets anders. Elke dag, soms twee keer per dag, vervoeren zij pakketten over de grens, waarmee ze een risico nemen (hoewel: ze controleren vaak wat erin zit, en als het er illegaal of gevaarlijk uitziet of gemakkelijk kan breken, zullen ze het weigeren, ongeacht hoeveel geld ze aangeboden krijgen). Ze houden zorgvuldig bij wat ze meenemen, voor wie, en waar mensen hen opwachten. Ze schrijven namen en telefoonnummers op, bellen afzenders vanaf slecht verlichte haltes langs de snelweg en maken ruzie met mensen die te laat zijn of gewoon vergeten zijn hun pakje op te halen.
Kol’ko daš
Sommigen rekenen het equivalent van een volledig buskaartje, anderen de helft. Bij weer anderen mag je zelf de prijs van de dienst bepalen.
En zo komen we bij de waardevolle sociale regel kol’ko daš: zoveel als je kunt geven. Zoals met alles in deze regio is deze regel niet wat hij lijkt. Op het eerste gezicht staat het je vrij om de waarde van de dienst zelf te beoordelen. Maar eigenlijk maak je vooral een inschatting van de andere kant van de transactie, namelijk: met welk bedrag kun je voorkomen dat de ander zich beledigd voelt? Daarom betaal je vaak meer dan de dienst werkelijk waard is.
Maar toch is het nog altijd goedkoper dan de post, en oneindig veel leuker.
We hebben een strak schema, maar Rada staat een snelle pauze toe bij het tankstation, omdat iemand naar het toilet moet. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een sigaret te pakken, of liever gezegd, dat was mijn plan, maar ik realiseer me dat mijn sigaretten op zijn. Gelukkig heb ik een slof Drina-sigaretten meegenomen om aan mijn vriend Bojan uit Belgrado te overhandigen. Hij vindt het vast niet erg.
De termen Drina en Sarajevo spelen een belangrijke rol in zijn leven, en niet alleen vanwege de sigaretten. Bojan behoort tot een kleine groep journalisten in Servië die consequent blijven schrijven over de Servische oorlogsmisdaden in Bosnië in de jaren negentig. Elke week ontvang ik links naar artikelen die, vrees ik, bijna niemand leest.
Maar Bojan geeft niet op. Hij werkt momenteel aan een documentaire over de Belgrado-kring, een groep liberale intellectuelen en vredesactivisten die begin jaren negentig in opstand kwamen tegen het regime, de oorlogen en de misdaden van Milošević. Dertig jaar later is er zelfs geen verre echo van hun stemmen meer te horen in de Servische politiek. De groep is nu slechts een herinnering in het hoofd van een kleine kring van toegewijden.
Als we door Romanija rijden, heb ik het gevoel dat we een van zijn verhalen betreden. We begeven ons in de prachtige natuur van Oost-Bosnië. Op verkeersborden staan plaatsnamen die herinneren aan de gruwelijkste episoden uit de oorlog, plekken waarover velen in Servië alleen maar hebben gehoord via de getuigenissen in Den Haag. Ze staan symbool voor bloed-baden, verkrachtingen en etnische zuiveringen. Hier, vlak voor Sokolac, vinden we de afslag naar Rogatica. Je reist omhoog tot Han Pijesak, dan ga je naar Vlasenica, Milići en Zvornik, en als je vanuit Zvornik naar het zuiden zou reizen, zou je Srebrenica bereiken.
Uiteindelijk bereiken we de Drina.
‘Vroeger rookte ik Yorks uit Rovinj,’ vertelt Bojan, ‘maar toen werden in 1991 alle banden met Kroatië verbroken. Dus stapte ik over op Drina’s.’
Slechte beslissing, Bojan, want de banden met Bosnië duurden ook niet veel langer. Begin deze eeuw begon hij ze weer te roken in Sarajevo. Bojan houdt van Sarajevo; soms verdwijnt hij daar gewoon, en dan komt hij levendiger dan ooit terug.
En waarom breng ik hem Drina’s, zijn die er dan niet in Belgrado? In maart 2022 sloot de honderdveertig jaar oude tabaksfabriek van Sarajevo, in een land waar bijna een derde van de volwassen bevolking bestaat uit hartstochtelijke rokers. Er zijn echter nog steeds voorraden oude Drina’s, en Bojan wil ze roken zolang ze er nog zijn.
Zou je ongeveer hetzelfde kunnen zeggen over de Belgrado-kring? De anti-oorlogsgedachte in Servië is verdwenen en we roken al jaren de voorraden op. Maar ook die slinken.
Einde van de wereld
De tijd dat het oversteken van de grens bij Merdare spannend was – zowel voor Serviërs bij de Kosovaarse controlepost als voor Albanezen bij de Servische controlepost – is voorbij. Toch wordt het op de een of andere manier altijd wat stiller in de bus als deze Kuršumlija nadert; de sfeer wordt grimmig en gespannen. Een duister voorgevoel. Misschien draagt het verlaten landschap om ons heen daaraan bij. Lege velden, lege straten, lege huizen. En een volledig verlaten weg, die naar het einde van de wereld lijkt te leiden.
Hier en daar zie je op borden langs de weg Albanese plaatsnamen: Kastrat, Ljuša. Ook het dorp Arbanaška ligt in de buurt. Maar hier wonen al lang geen Albanezen meer. Op een heuvel bij Degrmen, op twee kilometer van Merdare, verrijzen de donkere ruïnes van de kerk van Beć, die vanaf 1912 werd gebouwd met geld van Servische immigranten uit de Sandžak, Montenegro en Zubin Potok. Die vestigden zich op het land van de Albanezen en Turken die na de Servisch-Ottomaanse oorlog van 1876 naar Kosovo waren gevlucht. Door de armoede na de Eerste Wereldoorlog werd de bouw van de kerk uitgesteld tot betere tijden, die nooit kwamen. Er zijn hier ook niet veel Serviërs meer; de beschadigde weg naar het mythische Kosovo voert door een van de armste gemeenten van Servië.
In doodse stilte verzamelt hij onze ID-kaarten en sorteert ze zorgvuldig in zijn handpalm, en gaat dan naar buiten
Een oproep in het Servisch en Albanees galmt door de bus: ‘Houd uw identificatiebewijs gereed!’ Omdat Servië en Kosovo elkaar niet erkennen, zijn paspoorten voor Kosovaarse en Servische burgers hier ongeldig. Eerst komt de Servische politieagent binnen. In doodse stilte verzamelt hij onze ID-kaarten en sorteert ze zorgvuldig in zijn handpalm, en gaat dan naar buiten. Na de controle geeft de chauffeur onze kaarten terug, maar algauw komt de Kosovaarse politieagent binnen en begint de hele procedure opnieuw.
Plots is er een probleem. De douane-beambte blijft rond de achterbak hangen. Hij maakt ruzie met de bestuurder en laat hem iets zien. De passagiers aan de rechterkant van de bus staren naar hem, de passagiers aan de linkerkant staren aandachtig naar die aan de rechterkant, omdat ze de douane-beambte niet kunnen zien. Wat heeft hij gevonden? Zullen ze ons doorlaten? Diep weggestopte angsten komen boven. Plotseling weten we dat alles mogelijk is.
De chauffeur schudt zijn hoofd. De douanier schudt ook zijn hoofd. Het is alsof hij hier niets mee te maken wil hebben. Hij slaat de deur van de kofferbak dicht. Ik heb het gevoel dat we allemaal weer kunnen ademen.
We rijden Kosovo binnen. Nu zien we borden met Servische plaatsnamen, maar geen Serviërs.
Belgrado, eind mei.
Lula begroet me op de binnenplaats van een oude villa in het centrum van de stad. Op straat heerst een helse middagdrukte. Op de binnenplaats, vol tere rode en gele bloemen, is het volledig stil.
Lula lijkt in veel opzichten op die villa: elegant, triest en naar binnen gekeerd. ‘Ik ben al lang niet meer buiten geweest,’ zegt ze tegen me. ‘Dit is mijn stad niet meer.’
De brief en de tas zijn netjes en op tijd bij haar afgeleverd. Ik besluit niet te informeren naar de inhoud van de enveloppe. Ik neem aan dat er een reden voor was dat hij verzegeld was. Maar ik kan het niet laten om te vragen naar de zak met het mysterieuze poeder.
Mix voor soep
‘Tarhana,’ lacht Lula. ‘Een mix voor soep. Mijn tante Ešrefa uit Travnik bereidt dit voor me, en stuurt het via mijn neef. Ze bereiden het anders in Servië. Ook lekker, maar die van haar vind ik lekkerder. In Servië zeggen ze meestal “tarana”, omdat ze hier niet van die “h” houden – die is overgenomen uit het Turks. Net als in Bosnië begonnen ze hem in te voegen op plaatsen waar hij niet thuishoort.’
We zitten in restaurant Kraljevo, niet ver van een grote parkeerplaats aan de Sarajevska-straat in Belgrado, waar Rada normaal gesproken passagiers oppikt en afzet. Waar anders?
Ze heeft de hele dag in de auto gezeten en is erg moe, maar ze heeft tijd om te praten. Ze vertelt me dat ze de laatste tijd vaak flauwvalt. Laatst kwam ze amper de auto in, maar ze gaf niet op.
Aan Marko, die de vrouw bij wie hij mocht onderduiken in de oorlog maar spullen blijft sturen – bonen, paprika’s, walnoten, kajmak [een soort zure room], een pot honing en 50 of 100 euro – vroeg Rada eens of het niet veel makkelijker zou zijn om haar het geld te sturen, zodat ze het eten zelf kan kopen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘dat heb ik geprobeerd, maar ze is blij als ze die doos kajmak ontvangt en dan kan zeggen: “Kijk eens wat mijn lieve Marko me heeft gestuurd.”’
En toen begreep ik het eindelijk. Spullen reizen niet, mensen wel. Als mensen niet kunnen reizen, sturen ze spullen. Maar zelfs dan zijn het eigenlijk niet de spullen die reizen, maar de gevoelens van die mensen.
Recent is een ‘horrorhuis’ in de buurt van Belgrado ontdekt, waar Servische gangsters hun rivalen martelden. De ontdekking toont aan dat criminele organisaties wreedheid van Mexicaanse kartels kopiëren om controle te krijgen over de drugshandel op de Balkan.
De brede glimlach op hun gezichten toont de voldoening na een geslaagde operatie. In een roze huis in het dorp Ritopek, niet ver van Belgrado, poseren op 3 augustus 2020 twee gespierde, getatoeëerde mannen van in de dertig voor hun laatste trofee: een naakte man, de voeten en handen gebonden. Een van de beulen, die zwarte handschoenen draagt, tilt het hoofd van de gemartelde man op richting de lens van de fotograaf. Het gezicht van de man is gezwollen, de ogen zijn gesloten; waarschijnlijk is hij al dood. De cocaïneoorlog op de Balkan heeft weer een slachtoffer geëist.
Op een andere opname, een paar minuten later genomen, zien we zijn voet naast zijn hoofd staan. Het lichaam is in stukken gesneden in een nabijgelegen kamer, die volledig is afgedekt met zeil. Op de achtergrond staat een professionele vleesmolen klaar om de stukken van het lichaam te vermalen. Daarna wordt het in zakken gestopt en in de nabijgelegen Donau gedropt.
Balkanbendes zijn verantwoordelijk voor ongeveer 30 procent van de Europese cocaïne-invoer
De foto’s die zijn genomen in een gebouw dat door de plaatselijke pers nu ‘het horrorhuis’ wordt genoemd, en waren nooit bedoeld om ooit op het bureau van een Servische rechter te belanden. Maar een van de twee lachende dertigers, Veljko Belivuk, alias ‘Velja Nevolja’ [Velja het probleem], beging samen met zijn handlangers de fout de foto’s te delen met de app Sky ECC. Ze dachten dat de encryptie daarvan niet te kraken was en wisten niet dat de Belgische, Nederlandse en Franse politie zouden doordringen tot de versleutelde geheimen van deze chatapp.
De uitwisselingen (gesprekken, sms’jes, foto’s, et cetera) bieden een blik achter de coulissen van de georganiseerde misdaad en vormen de belangrijkste bewijsstukken tegen Belivuk en zijn bende. Ze getuigen ook van de barbaarsheid van deze criminelen, die bereid zijn tot elke vorm van geweld, om de controle te behouden over de cocaïnehandel vanuit de Balkan, een regio die de laatste jaren een belangrijke doorvoerzone is geworden voor de aanvoer uit Latijns-Amerika. Balkanbendes die rechtstreekse banden hebben met Latijns-Amerikaanse kartels, zijn volgens Europol goed voor ongeveer 30 procent van de cocaïne-invoer in Europa.
Twee duimen omhoog en een mes
Een ongepubliceerd rapport, ingezien door Le Monde, verschaft inzicht in de methoden van bepaalde Servische en Montenegrijnse bendes. Het is opgesteld door de Franse gerechtelijke politie en aan het eind van de zomer van 2021 aan de Servische justitie overhandigd, in het kader van het onderzoek naar het ‘horrorhuis’. De auteur van het rapport, een commissaris van het Centraal Bureau voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad, bundelde tal van berichten die door de bende van Belivuk werden uitgewisseld met Sky ECC, alsook 56 foto’s, waaronder die van vijftien slachtoffers.
In deze stroom van berichten, bevinden zich screenshots van overschrijvingen in bitcoins; betalingen aan de moordenaars te betalen. Op de foto’s zijn partijen cocaïne te zien, wapens (automatische 9mm-pistolen en semi-automatische Tsjechische Skorpios), valse identiteitspapieren en stapels geld. Een bericht van één regel volstaat voor een opdracht tot ontvoering of executie. ‘Wij zijn er voor’, schrijft Belivuk onder het pseudoniem ‘Soprano’ bijvoorbeeld, gevolgd door drie emoji’s: twee duimen omhoog en een mes.
Alleen al Belivuk wordt van zeven moorden beschuldigd
‘Tot op heden’, schrijft de auteur van het verslag, ‘zijn er negentien geïdentificeerde slachtoffers van moord geregistreerd, zeven niet-geïdentificeerde slachtoffers van moord en negen slachtoffers van extreem geweld dat waarschijnlijk tot de dood heeft geleid.’ Alleen al Belivuk, die in januari 2021 werd gearresteerd en nog steeds op zijn proces wacht, wordt van zeven moorden beschuldigd.
Het verhaal begint in een idyllische omgeving, in de kuststad Kotor, genesteld in een fjord aan de ruige kust van Montenegro. Deze kleine haven was lange tijd het bolwerk van Darko Saric, bijgenaamd de ‘cocaïnekoning’. Zo’n vijftienjaar lang zwaaide hij de scepter over de handel, met inkomsten die door sommige bronnen in totaal op een slordige 1 miljard euro worden geschat. Maar na zijn arrestatie in 2014 kregen potentiële erfgenamen ambities. De roof van een lading van 200 kilo coke in het Spaanse Valencia, eind 2014, maakte dat de groep uiteenviel.
Zo begon de ‘oorlog van Kotor’, het epicentrum van een conflict tussen voormalige ‘broeders’ die vijanden werden. Aan de ene kant stond de clan van Kavac, genoemd naar het dorp waar zij een toevluchtsoord vonden en geleid door Slobodan Kascelan en Radoje Zvicer. Aan hen heeft Belivuk, de man van het ‘horrorhuis’, trouw gezworen. Aan de andere kant van de heuvel, huist een andere clan: de Skaljari, gevestigd in het centrum van Kotor, die onder bevel staan van de gebroeders Vukotic en gelieerd zijn aan de Servische clan van Zemun. Op het spel staat het geld dat in de cocaïnehandel omgaat.
Om de aard van het conflict te begrijpen, is nog een kleine omweg nodig naar de voetbalstadions van Belgrado. Want voordat hij de sterke man werd van de Kavac-clan, maakte Belivuk, alias ‘Velja het probleem’, naam bij het gevolg van Partizan Belgrado, een van de voetbalclubs in de Servische hoofdstad. In de loop der jaren werd hij leider van de groep meest radicale deel van de toeschouwers. Zijn bende, die terug te vinden is op de tribunes bekend onder de naam Principi, werd gevormd door een groep bijzonder gevreesde hooligans: de Grobari (‘doodgravers’). Na in elkaar te zijn geslagen door enkelen van hen overleed Toulouse-supporter Brice Taton in september 2009 voor de wedstrijd Partizan-Toulouse in Belgrado. ‘De supportersgroepen, met name die van Partizan, zijn volledig geïntegreerd in de drugshandel. Zij beschikken over het vermogen tot snelle mobilisatie, geweldspotentieel en de dekmantel van de clubs en dat maakt hen tot ideale doorgeefluiken’, schrijft politicoloog Loïc Tregourès en auteur van het boek Le Football dans le chaos Yougoslave [voetbal in de chaos van Joegoslavië] uit 2019.
Gevoel van straffeloosheid
Bij ‘Velja het Probleem’ begint een soort opwaartse trend naar zware criminaliteit. Zijn Principi hebben niet alleen de zeggenschap over de zuidelijke tribune van het stadion van Partizan overgenomen; hun netwerken reikt tot ver daarbuiten. Sommige van hen, met een rol in de nachtclub-, security- en restaurantsector, werden sleutelfiguren bij het witwassen van geld dat afkomstig was van de illegale handel in drugs, sigaretten of wapens. Nadat ze een hal van het stadion annexeerden en tot hun hoofdkwartier maakten, breidden ze hun invloed verder uit tot het punt waarop ze, net als andere bendes, goede connecties hadden binnen de politie en in de politiek.
Maar hoe kwam Belivuk, de hooligan die sleutelfiguur werd, terecht bij de Kavac-clan die met zijn rivalen in de badplaats Kotor in oorlog was? Dat is een van de raadselen die door het onderzoek ontrafeld zullen moeten worden. Intussen blijkt de zaak veel groter te zijn dan een simpel misdaadverhaal.
De zoon van president Vucic verschijnt regelmatig in het openbaar met bendeleden
Zowel in Podgorica als in Belgrado is het algemeen bekend dat er banden zijn tussen de georganiseerde misdaad en de politiek. Sommige waarnemers spreken zelfs van ‘maffiastaten’. Zo zouden aanhangers van Belivuks bende de inwijdingsceremonie van de Servische president Aleksandar Vucic hebben beschermd, wiens zoon Danilo regelmatig in het openbaar verschijnt met bendeleden, ook op de tribune. En wordt de president van Montenegro, Milo Dukanovic, niet al sinds begin jaren 2000 met name door de Italiaanse justitie verdacht van banden met de Camorra, de Napolitaanse maffia?
Zo ver gaat de Franse politie niet, maar ze wijst wel op de greep die de twee rivaliserende clans van Kotor (de Kavacs en de Skaljaris) op Servië en Montenegro hebben. ‘Een aanzienlijke mate van corruptie op verschillende niveaus stelde de twee organisaties in staat grote invloed uit te oefenen op verschillende Balkanlanden’, schrijft de auteur van het verslag. Over de onderschepte berichten schrijft hij: ‘Deze gegevens stelden ons ook in staat de hoge mate van corruptie waar te nemen waardoor deze clan [Kavac, van Velja het Probleem] kon opereren ten gunste van overheidsfunctionarissen zoals politieagenten of hoge ambtenaren van Montenegrijnse instellingen.’
In feite verraadt analyse van de Sky-uitwisselingen het gevoel van straffeloosheid dat de clan in kwestie koesterde. Zo nemen haar leiders, Velja het Probleem of Slobodan Kascelan, soms zelf deel aan executies. Dat gebeurde bijvoorbeeld in augustus 2020, na de ontvoering van een zekere Nikola Stanisic, lid van de Skaljari. Hij was een zeer symbolisch doelwit want hij is de zoon van een van de rechterhanden van ‘Arkan’, een krijgsheer die in 2000 werd vermoord. Arkan was de leider van de ultra’s van Rode Ster, de andere voetbalclub uit Belgrado, en daarna van de Tijgers, een paramilitaire groep. De erfenis die Nikola Stanisic met zich meedroeg, rechtvaardigt op deze augustusdag in 2020 de aanwezigheid van Kascelan zelf in het ‘horrorhuis’. Na te zijn vernederd en vervolgens gemarteld om de codes van zijn telefoon te verkrijgen, wordt Stanisic doodgeschoten. Zijn lichaam wordt verbrand en begraven in een park.
Mexico in Belgrado
Dergelijke methoden waren niet altijd de regel. ‘Vóór Belivuk was extreem geweld niet kenmerkend voor lokale criminele organisaties. Saric [‘de cocaïnekoning’] bijvoorbeeld, deed er alles aan om onder de radar te blijven en voerde zijn illegale activiteiten uit onder het mom van een legaal bedrijf,’ aldus Sasa Djordjevic van de afdeling Belgrado van Global Initiative Against Transnational Organized Crime, een onafhankelijke organisatie gevestigd in Genève. Maar nu nemen de leiders Mexicaanse ‘narco’s’ als model. ‘Kijk, schat, Mexico in Belgrado,’ merkte Belivuk op bij de foto van een lijk.
Deze organisaties beperken hun invloedssfeer niet tot de Balkan. Elders in Europa zijn ze te vinden bij strategische havens als Rotterdam en Antwerpen, maar ook in landen waar de diaspora gevestigd is (Duitsland, Oostenrijk, Zweden). De moordenaars van de ‘Kotor-oorlog’ waren ook daar actief. Weer andere regio’s worden gezien als toevluchtsoorden. ‘Deze gewelddadige criminele organisaties gebruiken Frans grondgebied als incidentele uitvalsbasis na het plegen van moorden in het buitenland, alsmede als plek voor het witwassen van geld en de circulatie van wapens en drugs’, aldus de Franse gerechtelijke politie.
Een van de slachtoffers van het ‘horrorhuis’ is een befaamde bankovervaller
De analyse van de via Sky uitgewisselde gegevens heeft nog niet alle geheimen van de folterkamer aan het licht gebracht. In het laboratorium worden DNA-sporen onderzocht in een poging de slachtoffers te identificeren. De lijst met bekende gevallen biedt al een overzicht van de vijanden van de clan, en het gaat allemaal een stuk verder dan wat opstootjes op de voetbaltribunes. Een van de slachtoffers is een man wiens faam tot buiten de grenzen van Servië reikte: Milan Ljepoja, destijds lid van de Pink Panthers, een bende van bankovervaller die meesters waren in vermommingen en spectaculaire bankovervallen, of het nu in Parijs, Zwitserland of Dubai was. Ljepoja werd in 2008 in Frankrijk gearresteerd en gevangengezet, keerde enkele jaren later terug naar Servië en hield zich een tijdje gedeisd, maar kwam toen te dicht in de buurt van de cocaïnehandel. Hij betaalde een hoge prijs voor zijn nabijheid tot de Skaljari. Op een foto van 8 december 2020 is zijn gemutileerde lijk zonder armen te zien.
Tot dusver zijn ongeveer dertig personen door de gerechtelijke autoriteiten van Servië in staat van beschuldiging gesteld. Verschillende van hen hebben gepraat. ‘Sommigen van hen hebben, geconfronteerd met bewijsmateriaal, meegewerkt met de onderzoekers en uitvoerig verslag gedaan van de werking van de organisatie en de gepleegde misdaden’, aldus het rapport van de gerechtelijke politie. Verzwakt door de arrestaties van hun leiders, opgeschrikt door de verbanning van andere leden en geconfronteerd met het feit dat politieke allianties opnieuw moeten worden opgebouwd, gaan de clans van Kotor een nieuwe fase in hun geschiedenis in, die onvoorspelbaarder is dan ooit. Eén ding is in ieder geval zeker delen ze: de cocaïneoorlog is nog niet voorbij.
Eind december brandde vluchtelingenkamp Lipa in Bosnië af. Nog steeds is er geen opvang voor zo’n 2.500 vluchtelingen die zijn gestrand op weg naar de EU. En dat terwijl op twintig kilometer afstand kamp Bira ligt, dat leeg is en heel goed tijdelijk kan worden gebruikt.
De roestige stapelbedden zijn bedekt met een paar centimeter sneeuw; over de weinige spullen die het vuur hebben doorstaan vliegt een zwerm vogels. Op 23 december werd het vluchtelingenkamp Lipa in Bosnië door een brand in de as gelegd. In het kamp zaten duizenden mensen die de afgelopen maanden door Kroatië, Slovenië en Italië de toegang [tot de Europese Unie] waren geweigerd. De tentstokken staan nog overeind en zijn ondanks de dikke mist te onderscheiden. Een sneeuwstorm woedt door de resten van het kamp.
De voornamelijk uit Pakistan en Afghanistan afkomstige vluchtelingen staan in de rij voor een maaltijd, de enige van de dag, verzorgd door het lokale Rode Kruis en een groep Turkse vrijwilligers. Ze hullen zich in het enige wat ze hebben: dekens en sjaals. Sommige dragen geen ander schoeisel dan slippers. ‘Het vriest een paar graden en volgende week wordt het nog kouder, maar het lijkt niemand wat te kunnen schelen,’ zegt de 26-jarige Ashfaq Ahmed uit Kasjmir. Vandaag lukte het hem niet om een van de voedselpakketten – met honing, yoghurt en tonijn – te bemachtigen die de vrijwilligers uitdelen.
Ongeschikt
Ook al kwam het invallen van de winter en de sneeuwval hier in Bosnië niet als een verrassing, toch lukte het voor het derde jaar op rij niet om duizenden migranten onderdak te bieden. De officiële vluchtelingenkampen zitten overvol. Op dezelfde dag dat de brand het kamp in Lipa in de as legde, kondigde de Internationale Organisatie voor Migranten (IOM) aan het te zullen sluiten. Het was ongeschikt bevonden om mensen in te huisvesten, aangezien er geen water, geen kookgelegenheid en geen elektriciteit was.
Toch werden de migranten niet naar andere opvanglocaties verplaatst en wie op eigen houtje wilde vertrekken, werd teruggestuurd door de politie. Uit de nabijgelegen stad Bihać werden de vluchtelingen angstvallig door de autoriteiten geweerd. In 2020 reisden ongeveer 16.000 personen door Bosnië; meer dan 10.000 bleven daar steken. Deels kwam dat door de coronacrisis en de sluiting van de grenzen, deels doordat buurlanden hen niet toelieten. Slechts 6300 van de gestrande vluchtelingen kregen een plek in een officieel vluchtelingenkamp.
‘We zijn geen terroristen, geen dieren, maar zo worden we wel behandeld’
Na de brand in Lipa verslechterde de situatie nog verder. Voor zo’n zevenhonderd mensen zette het leger in allerijl verwarmde tenten op naast het oude kamp, maar voor 350 anderen was er geen plek. Zij moesten zich behelpen met zelfgemaakte constructies in Lipa of hun heil zoeken in houten hutten verspreid over het bos. Behalve deze groep leven nog eens 2500 mensen buiten de officiële opvanglocaties in de regio Una Sana, in verlaten huizen en in sloppenwijken. De vluchtelingen in Lipa probeerden na de brand te redden wat ze konden: de stapelbedden dekten ze af met plastic zeil. Zelfs de containers met wc’s en douches zijn nu als slaapplaats in gebruik.
‘We zijn geen terroristen, geen dieren, maar zo worden we wel behandeld. Zonder water, zonder elektriciteit, zonder verwarming, zonder een stap te kunnen zetten,’ zegt de Pakistaan Mohamed Yasser uit Gujarat. Hij heeft een gelige wollen deken omgeslagen als bescherming tegen de vrieskou en de ijskoude wind, maar de huid van zijn gezicht heeft zichtbaar te lijden.
Yasser is nu anderhalf jaar in Bosnië en al meermaals probeerde hij om via bospaadjes Kroatië te bereiken. Keer op keer werd hij staande gehouden door de politie, mishandeld, beroofd en vervolgens teruggestuurd. Hoe het de komende dagen verder moet weet hij niet, in ieder geval durft niemand in deze sneeuwstorm zijn geluk op de bospaadjes te beproeven. ‘Begin januari zijn we vier dagen in hongerstaking gegaan, maar dat haalde niets uit. We hebben hier zieken, maar er is niet eens een dokter en in de stad laten ze ons niet toe,’ gaat Yasser verder. Hij laat me de enige waterbron van het kamp zien, een leiding die uit de grond steekt en waar water van twijfelachtige kwaliteit uit komt.
Op een bordje staat dat het geen drinkwater is. ‘Toch drinken we het, want we hebben geen keus,’ legt hij uit. Er komt een jongen aangelopen die twee plastic flessen vult.
Onder het plastic zeil hebben Yasser en de anderen een vuur gemaakt met hout dat ze van de vrijwilligers hebben gekregen. Ze hangen een waterketel boven de vlammen voor thee, maar al snel vult de lucht zich met een donkere, scherpe rook die het ademen onmogelijk maakt. ‘Mijn familie in Pakistan heeft veel geld geïnvesteerd om me naar Europa te krijgen. Ik ben de enige die de reis heeft gemaakt, dus ik kan niet terug. Maar ik had nooit verwacht om in deze situatie terecht te komen,’ vertelt hij terwijl hij zijn handen en voeten warmt bij het vuur.
‘De vluchtelingen hebben overal behoefte aan: dekens, slaapzakken, eten. Door de kou is de situatie erg moeilijk geworden,’ zegt ook Melek Sevda Mustafić, een vrijwilliger van de Bosnische organisatie Mfs-Emmaus.
Geen alternatief
Het kamp Lipa ligt op twintig kilometer van de stad Bihać, op het enige stuk grond dat de gemeente afgelopen april tijdens de eerste coronagolf ter beschikking stelde. Net als het kamp in Vučjak, dat in december 2019 werd gesloten, werd ook Lipa niet geschikt geacht om zoveel mensen te huisvesten. Op 23 december, de dag dat het had moeten sluiten, was er nog geen alternatief voorhanden.
‘Er is in Bosnië te weinig opvangcapaciteit. De afgelopen maanden is er op internationaal niveau onderhandeld om nieuwe centra te openen, maar daar is niets uitgekomen. En het absurde is dat op twintig kilometer van Lipa het kamp Bira ligt, dat heel goed kan worden gebruikt om deze situatie het hoofd te bieden, in ieder geval tijdelijk. Het kamp kan plek bieden aan meer dan duizend mensen, alleen wil de gemeente Bihać het niet opnieuw openen [nadat het in september was gesloten] omdat ze geen vluchtelingen in de stad willen,’ vertelt Nicola Bay, president van de Danish Refugee Council (DRC). ‘Dus zitten hier mensen buiten in de kou terwijl goede opvangcentra dicht zijn en het de komende weken wel tien graden onder nul kan worden.’
Door de pandemie zitten er meer migranten klem in het land dan anders. ‘Er lag een voorstel om een opvangcentrum te openen in Tuzla, maar dat hebben de Bosnische autoriteiten geblokkeerd. De centra in Sarajevo zitten overvol en één ervan is op 8 januari afgebrand. Al is er geld van de Europese Unie, er ontbreekt een langetermijnstrategie. De crisis verergert door het invallen van de winter, maar nog steeds ontbreekt de wil om iets aan de situatie te doen. Als er jaar na jaar zo’n achtduizend mensen in Bosnië verblijven, dan is dat geen plotselinge migratiecrisis, maar een probleem dat je met een rationele aanpak prima kunt oplossen,’ vindt Bay.
Het land is al jarenlang een belangrijke schakel van de Balkanroute (waarlangs sinds 2018 zo’n 65.000 mensen passeerden). Toch sloten de lokale autoriteiten kampen in plaats van nieuwe te openen. Op 6 januari zei de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Josep Borrell tegen de Bosnische autoriteiten dat zij ‘hun verantwoordelijkheid moeten nemen’. Zijn woordvoerder Peter Stano liet weten dat ‘wij de afgelopen twee jaar 90 miljoen euro hebben geschonken voor centra, apparatuur, medische en sociale bijstand’ en dat het nu dus ‘hoog tijd is om in actie te komen en niet langer met mensenlevens te spelen’.
‘Zestig procent gaf aan zeer gewelddadig behandeld te zijn, soms zelfs verkracht, door mannen in zwarte uniformen die samenwerken met de politie’
In werkelijkheid ligt de zaak gecompliceerder. Het weigerachtige beleid van de landen van de Europese Unie langs de Balkanroute heeft grote gevolgen voor het douanebeleid van niet-EU-landen zoals Bosnië. ‘Alleen al onze organisatie heeft 15.000 afwijzingen geregistreerd door de Kroatische politie. Zestig procent van deze mensen gaf aan zeer gewelddadig behandeld te zijn, soms zelfs verkracht, door mannen in zwarte uniformen die samenwerken met de politie,’ vervolgt Bay. ‘En Kroatië is alleen het meest afschrikwekkende voorbeeld, in heel Europa worden mensen teruggestuurd: een schending van het internationaal recht.’
Coronacrisis
De coronacrisis bracht voor de vluchtelingen in Bosnië een verdere verslechtering van hun levensomstandigheden met zich mee. ‘Door het sluiten van de grenzen en de eerste lockdown konden veel minder mensen de route volgen,’ legt Sylvia Maraone van Ipsia-Acri-Caritas uit, een organisatie die hulp biedt in de kampen in de regio. ‘Tijdens de eerste lockdown hadden veel mensen die zoals het heet de game speelden (poogden de grens over te steken) daar succes mee, omdat er minder controle was. Toen in de zomer de grenzen weer opengingen waren er meer vluchtelingen, maar werden zij ook vaker teruggestuurd aan de Italiaanse, Sloveense en Kroatische grens. Voor Bosnië betekende dat extra moeilijkheden aan het begin van de tweede lockdown in de herfst’, vervolgt Maraone. Volgens haar is er in de Bosnische vluchtelingenkampen geen covid-19-uitbraak geweest, maar het ontbrak aan elke vorm van medische controle.
‘En Kroatië is alleen het meest afschrikwekkende voorbeeld, in heel Europa worden mensen teruggestuurd: een schending van het internationaal recht’
‘Kroatische politie’, blijft de achttienjarige Afghaan Zabiullah Khan herhalen, terwijl hij de verwondingen laat zien die de knuppels van de Kroatische politie op zijn kuiten achterlieten. Bij Triëst werd hij teruggestuurd naar Slovenië, van daar naar Kroatië, waar hij eveneens werd weggestuurd, om te eindigen in het kamp in Lipa.
De dolende vluchtelingen hebben nachtmerries over de Kroaten. Hun wreedheid staat voor hen symbool voor de Europese grens, een wreedheid waarvan ze de tekenen op hun huid dragen. Langs de langste landsgrens van de EU patrouilleren agenten met pistolen, knuppels, nachtkijkers, thermoscanners en drones. En ondanks alle aanklachten van vluchtelingen, ngo’s, vrijwilligers en officials van de Verenigde Naties in de loop van de afgelopen vier jaar, toont Brussel zich ongevoelig voor het systematisch geweld van de Kroatische politie, wat de Europese Unie tot handlanger maakt.
Op 20 november maakte de Europese ombudsman Emily O’Reilly bekend een onderzoek in te zullen stellen naar mogelijke medeplichtigheid van de Europese Commissie bij de schending van de rechten van migranten en vluchtelingen in Kroatië. Het onderzoek werd geopend na een rapport van Amnesty International en andere organisaties die langs de route actief zijn.
De ombudsman wil weten hoe het geld besteed is dat Zagreb van Brussel ontving om de migrantenstromen in goede banen te leiden. Ook wil zij weten of de Kroatische mensenrechtenschendingen wel goed worden geregistreerd. Brussel dient voor 31 januari te antwoorden, onderwijl wijst de regering in Zagreb elke verantwoordelijkheid van de hand.
De douane van Triëst en Gorizia stuurde tussen januari en half november 1240 migranten en asielzoekers terug, 420 procent meer dan het jaar daarvoor
In werkelijkheid worden vluchtelingen vaak meerdere keren achtereen teruggestuurd, te beginnen bij de Italiaanse grens. Volgens een onderzoek door het tijdschrift Altraeconomia stuurde de douane van Triëst en Gorizia tussen januari en half november 1240 migranten en asielzoekers terug, 420 procent meer dan het jaar daarvoor. Veel van hen werden vervolgens ook Slovenië en Kroatië uitgezet, om te eindigen in Bosnië. Het onderzoek is voortgezet door het Italiaanse netwerk RiVolti ai Balcani, dat klachten optekent van migranten langs de route.
‘Toen we eenmaal met veel moeite waren aangekomen in Italië, identificeerden ze ons, namen zelfs digitale vingerafdrukken, maar stuurden ons toen meteen weer terug naar Slovenië,’ vertelt Khan, die er nog een interessant detail aan toevoegt. ‘De tolk zei dat je vijf- à zeshonderd euro moet betalen om in Italië te mogen blijven, maar dat geld hebben we niet.’ Vanuit Slovenië werd Khan naar Kroatië gebracht, waar ze hem alles afnamen: ‘Ze pakten mijn geld af, mijn schoenen, kleren, riem, rugzak en sloegen me. Daarna werd ik hiernaartoe gebracht. Nu sneeuwt het, het is koud, we hebben geen geld, geen eten, geen kleren. Iedereen is ons vergeten.’
Deze ontluisterende, interactieve reis langs drie internationale routes laat tot in detail zien hoe drugsgeld wereldwijd onrust, conflicten en illegaliteit veroorzaakt.
Laat u meevoeren langs de Noordelijke route, waar bijvoorbeeld in Tajikistan drugsgeld goed is voor het equivalent van zo’n 30 procent van het bbp. Langs de Balkan-route, waar de handel in vooral heroïne wordt gebruikt om opstanden van rebellen te financieren, en langs de Zuidelijke route, ‘the new kid on the block’, waar de aandacht pas naar uitging toen in een uitgebrande Boeing 727 in de woestijn van Mali tonnen cocaïne werden gevonden.
Submarine is een productiemaatschappij in Amsterdam die films, documentaires, animaties en transmediale projecten maakt. De focus ligt op internationale, verhalende journalistiek en innovatie.
De recente moord op de Servische politicus Oliver Ivanovic bevestigt de status van de regio als het ‘zwarte gat van de Balkan’, aldus het Kroatische dagblad Jutarnji List.
We noemen de westelijke Balkan gewoonlijk het ‘zwarte gat’ van Europa. En Kosovo wordt dan weer het ‘zwarte gat van de Balkan’ genoemd, en Noord-Kosovo het ‘zwarte gat van Kosovo’. Toch had het nooit zover mogen komen. Als je Brussel mag geloven, dat zich voorstaat op de succesvolle dialoog tussen Kosovo en Servië, en als je kijkt naar alle hulp die Noord-Kosovo heeft ontvangen, zou dit de meest ontwikkelde regio moeten zijn en eerder het Liechtenstein van de Balkan! Eerlijk gezegd zijn ze nogal royaal geweest voor deze kleine, dunbevolkte regio. De Europese Unie heeft speciale middelen toegekend aan de regio, de regering van Kosovo heeft specifieke projecten voor het noorden, en ook de Servische regering wijst, met toestemming van Pristina en Brussel, speciale middelen toe voor de ontwikkeling van deze regio.
Met al dit geld en al deze projecten voor het noorden van Mitrovica en de aangrenzende gemeenten met in Kosovo wonende Serviërs, zou deze streek dus welvarend moeten zijn. En omdat de veiligheid van de regio een topprioriteit is van KFOR [vredeshandhavingsmissie van de NAVO in Kosovo] en Eulex [civiele missie van de Unie ter bevordering van de rechtsstaat], en de EU zich voorstaat op de succesvolle dialoog over het vrije verkeer in dit deel van het land, zou de veiligheid ook geen probleem mogen zijn.
Rechteloos gebied
Maar dat zijn maar indrukken, want de werkelijkheid is heel anders. Iedereen die in Noord-Kosovo is geweest of die er woont, of in het zuiden van Mitrovica, aan de andere kant van de brug tussen het Albanese deel en het Servische deel van de stad, kan ervan getuigen.
Het is moeilijk in Europa een plek te vinden die zo sterk op een rechteloos gebied lijkt. Kosovo kan niet bogen op veel eerbied voor de wet en het functioneren van de rechtsstaat. Maar de auto’s hebben er tenminste wel nummerborden, de politie patrouilleert er, bekeurt auto’s die te hard rijden, de burgers betalen er hun water- en elektriciteitsrekening en de straatnamen worden aangeduid in het Albanees en het Servisch. Dat is niet het geval in Noord-Kosovo. De auto’s rijden er rond zonder nummerbord of met een Servisch nummerbord. De wetten van Kosovo worden er dus niet nageleefd – ondanks het ‘historische akkoord’ onder auspiciën van Brussel –, net zomin als de wetten van Servië. Feitelijk maakt Servië sinds het einde van de oorlog in 1999 de dienst uit in dit deel van Kosovo, hetzij door de aanwezigheid van zijn politie, waarin de NAVO en de EU stilzwijgend hebben toegestemd, hetzij door zijn steun aan de parallelle machtsstructuren, zoals de ‘bewakers van de brug’.
Hoe is het mogelijk dat de EU dit heeft laten gebeuren en dat zij haar ogen sluit voor deze situatie? Als er zo slordig wordt omgesprongen met de macht, is het niet verbazingwekkend dat niemand weet wie er auto’s van politici in brand steekt, wie er gestolen auto’s verkoopt (zelfs aan de eigenaren van die gestolen auto’s), en nog minder wie er opdracht geeft voor het executeren van politici of wie deze opdrachten uitvoert.
Zo is het waarschijnlijk ook gegaan met de moord op Oliver Ivanovic, een van de belangrijkste en opvallendste Servische politici in Kosovo. Natuurlijk, er worden ook politici vermoord in Zweden, een van de ontwikkeldste en veiligste landen ter wereld. Maar de afgelopen twintig jaar blijven er te veel moorden en aanslagen op politici en journalisten onopgehelderd in Kosovo, zowel in het noorden als in het zuiden. Dit kun je niet alleen de ‘wettelijke Kosovaarse autoriteiten’ aanrekenen, omdat ook de NAVO– en Eulex-functionarissen in Kosovo over de middelen en het juridisch mandaat beschikken om tegen dit soort zaken op te treden.
De internationale gemeenschap heeft deze situatie in Noord-Kosovo zo lang getolereerd omdat het haar om politieke redenen goed uitkwam.
Helaas kan de moord op Oliver Ivanovic politieke consequenties hebben. Ondanks de komst van de internationale gemeenschap en de instelling van een internationaal protectoraat in Kosovo heeft Belgrado Noord-Kosovo feitelijk nog steeds in zijn greep. Met als doel om het land op te delen. Aangetoond moest worden dat Pristina niet in staat was zijn autoriteit te laten gelden in Noord-Kosovo, en dat Pristina zich neer moest leggen bij deze situatie. Dankzij het akkoord van Brussel is er een bijzondere status verleend aan Noord-Kosovo – het is een afzonderlijke entiteit geworden binnen Kosovo, die meer bij Belgrado hoort dan bij Pristina.
Deze situatie is koren op de molen van de criminele groeperingen die er actief zijn. De plaatselijke bevolking kan getuigen van de ‘voorbeeldige’ samenwerking tussen Serviërs en Albanezen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit. Volgens de reacties in Belgrado kan de moord op Ivanovic worden gebruikt als bewijs dat noch Pristina, noch de internationale gemeenschap in staat zijn Noord-Kosovo te controleren. En dit ondanks het feit dat Ivanovic een politieke tegenstander was van de Servische regering. Bij de Kosovaarse verkiezingen in 2017 had hij het opgenomen tegen de Lijst Srpska, die gesteund werd door Belgrado. Alle Serviërs die het opnamen tegen deze lijst werden beschouwd als ‘verraders’. Bij de lokale verkiezingen heeft deze Servische lijst in negen gemeenten een meerderheid behaald, waardoor ze de machtigste politieke formatie in Kosovo werd qua aantal gewonnen gemeenten – meer dan de partijen die de Albanese bevolking vertegenwoordigen, die toch in de meerderheid zijn. Belgrado heeft dit succes geïnterpreteerd als een overwinning, maar ook als een signaal aan al degenen die hun eigen lijsten of partijen hadden opgericht. Oliver Ivanovic was een van hen.
Veel moorden in Kosovo zijn nooit opgelost. In de meeste gevallen gaat het om liquidaties van Albanese politici die zijn gepleegd in de eerste jaren na de oorlog. Momenteel wordt daar veel over gepraat. Sommige zaken worden aanhangig gemaakt bij het Kosovotribunaal dat is opgericht in Den Haag.
Zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen
Tegenwoordig zijn er steeds meer getuigen die er publiekelijk voor uitkomen dat ze lid zijn geweest van criminele organisaties die na de oorlog belast werden met het elimineren van bepaalde personen, hetzij voor het geld, hetzij omdat ze gedwongen werden om de orders van machtige politici uit te voeren. Het is duidelijk dat talloze moorden of aanslagen, of ze nu gepleegd werden om etnische of andere redenen, bewust nooit zijn opgehelderd, omdat de waarheid de politieke stabiliteit dreigde te verstoren. Officieel wordt het ontkend en wordt er geschermd met een ‘gebrek aan bewijs’, maar zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen.
Het is duidelijk dat er ook veel gewelddadige incidenten in Noord-Kosovo in de doofpot verdwijnen om de door de EU in Brussel gestarte dialoog niet in gevaar te brengen. De moord op Ivanovic heeft een schok teweeggebracht, temeer daar Kosovo al sinds lange tijd niet te maken had gehad met etnisch gemotiveerd geweld. Deze moord zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van Kosovo als de internationale gemeenschap niet vastberaden optreedt tegen degenen die ervan zouden kunnen profiteren.
Opgericht na de onafhankelijkheid in 1991. Op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.
Op 9 januari vierden de leiders van de Republika Srpska, het Servische gebied in Bosnië en Herzegovina, met veel pracht en praal hun Dag van de Soevereiniteit.
Vrijwel de gehele Servische elite schaarde zich die dag in Banja Luka achter president Milorad Dodik van Srpska. Ook de president van Servië, Tomislav Nikolic, was er, evenals zijn gedoodverfde rivaal bij de volgende verkiezingen in dat land, Vuk Jeremic, en ook de Servische ‘troonpretendent’, erfprins Aleksandar Karadzordzevic en zijn (Griekse) vrouw Katarina, de Servische patriarch Irinej, de ‘hofkunstenaar’ Emir Kusturica en de motorclub De Nachtwolven. Alleen de Servische premier Aleksandar Vucic liet die dag verstek gaan wegens een bezoek aan India.
In Banja Luka, de hoofdstad van Srpska, werd een parade van sovjetachtige allure georganiseerd. Achter het derde infanterieregiment van het leger defileerden de brandweermannen, de postbodes, de metselaars… Het Servische volkslied God der Gerechtigheid en andere patriottische liederen werden uit volle borst meegezongen. De redevoeringen waren gloedvol, zoals het hoort.
Dodik verklaarde dat de Republiek Srpska was gegrondvest ‘op Jasenovac’ [een vernietigingskamp dat geleid werd door pro-nazi-Kroaten tijdens de Tweede Wereldoorlog], en voegde eraan toe: ‘Dit is een klein land, maar de Serviërs zijn een groot volk en Bosnië is voor hen geen staat.’ Kortom: ‘Ofwel we komen terug op de uitgangspunten van de akkoorden van Dayton, of het is: vaarwel Bosnië!’
Tomislav Nikolic, de president van het echte Servië, stelde: ‘Zonder de Republika Srpska geen Servië, en ik zou zelfs het omgekeerde moeten zeggen.’ Patriarch Irinej sloot af met de woorden: ‘De Republika Srpska is niet toevallig ontstaan, maar geschapen door God voor de instandhouding van het Servische volk op zijn met bloed doordrenkte bodem.’
Zouden ze er ook maar één moment bij hebben stilgestaan dat de Servische Republiek Bosnië Herzegovina bezoedeld zou kunnen zijn door het bloed van andere volkeren en gegrondvest zou kunnen zijn op hun doden?
Kusturica de hofkunstenaar liet zich als volgt uit: ‘In de afgelopen eeuwen hebben de Serviërs het ’t zwaarst te verduren gehad. (…) Het is het enige volk waarvoor vrijheid geen prijs heeft. Ik zou een kleine atoombom willen hebben om een einde te maken aan al die roddels als zou dit volk van martelaars crimineel zijn,’ aldus de regisseur.
Het kwam erop neer dat ze roerend blijk gaven van de wereldlijke en de geestelijke eenheid van het Servische volk. Maar ter ere waarvan? Ze herdachten 9 januari 1992, de dag waarop de afgevaardigden van de Servische democratische partij, onder aanvoering van Radovan Karadzic, de nationale vergadering van Bosnië en Herzegovina verlieten om zich te vestigen in Pale [een dorp vlak bij Sarajevo], waar ze de Servische Republiek Bosnië Herzegovina uitriepen, die later werd omgedoopt tot Republika Srpska.
Vier maanden later begonnen de beschietingen en de belegering van Sarajevo. Vervolgens hechtten de afgevaardigden van de Servische Republiek hun goedkeuring aan zes strategische doelstellingen, waaronder de afscheiding van de Serviërs van de Bosniërs en de Kroaten, het uitroepen van 75 procent van het grondgebied van Bosnië en Herzegovina tot Servisch grondgebied, de deling van Sarajevo, toegang tot zee voor hun Servische Republiek en opheffing van de grens met Servië langs de rivier de Drina.
Vervolgens kwamen er detentiekampen voor Bosnische moslims in de buurt van de steden Prijedor, Brcko, Foca en Visegrad, werden er bloedbaden aangericht in het oosten van Bosnië in de zomer van 1992, met massale vervolgingen, brandstichting in moskeeën, de genocide in Srebrenica in juli 1995. En ten slotte, in november van datzelfde jaar, de akkoorden van Dayton waarin de Servische Republiek Bosnië Herzegovina werd erkend als een van de samenstellende entiteiten van Bosnië en Herzegovina – maar niet als een zelfstandige staat.
Zonder te willen aanwijzen wie de eerste agressor was, noch welke partij meer geleden heeft dan de andere, kunnen we ons alleen maar afvragen of de genodigden bij de festiviteiten vorige maand in Banja Luka er ook maar één moment bij hebben stilgestaan dat de Servische Republiek Bosnië Herzegovina bezoedeld zou kunnen zijn door het bloed van andere volkeren en gegrondvest zou kunnen zijn op hun doden. Herinneren zij zich dat de stichters van de Servische entiteit door het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag schuldig zijn bevonden, hetzij in eerste, hetzij in tweede instantie, aan de ernstigste misdrijven tegen de menselijkheid, met inbegrip van genocide?
Als ze zich dat gerealiseerd hadden, als ze ook maar íéts van berouw hadden getoond, misschien zouden ze dan op legitieme wijze iets hebben kunnen vieren, zij het met een brok in de keel.
En dat was ik bijna vergeten: de festiviteiten werden afgesloten met vuurwerk dat was georganiseerd door de supporters van de voetbalclub van Banja Luka, bijgenaamd de Borac, ofwel De Gieren.
Hoe reageert Donald Trump op de Russische provocaties?
Bij zijn aantreden wacht de nieuwe Amerikaanse president Trump een pikante confrontatie met Vladimir Poetin, de man over wie hij lovende woorden sprak. Nooit immers sinds de val van de Berlijnse Muur was de spanning tussen het Westen en Rusland zo groot.
Poetin zorgt voor onrust op de Balkan en in de Baltische staten, dreigde met het inzetten van kernwapens en zou hebben geprobeerd de Amerikaanse verkiezingen (in het voordeel van Trump) te beïnvloeden. De Russische politicoloog Fjodor Loekianov waarschuwt voor een confrontatie in Syrië, de Financial Times voor een cyberoorlog.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.