Tag: bankencrisis

  • Thomas Piketty: ‘Zonder duidelijk doel loopt de Europese Unie vast’

    Thomas Piketty: ‘Zonder duidelijk doel loopt de Europese Unie vast’

    Met de dood van Jacques Delors eind 2023 slaat Europa een bladzijde om in zijn geschiedenis. Tijd dat we een kritische balans opmaken en lessen trekken voor de EU-verkiezingen in juni, schrijft Thomas Piketty.

    De Europese Akte (1986) met vrij verkeer van goederen en diensten, de Europese richtlijn (1988) over de liberalisering van kapitaalstromen, het Verdrag van Maastricht (1992): het is een understatement om te zeggen dat het Europa dat we nu kennen in de tijd van Jacques Delors, toen voorzitter van de Europese Commissie, is gevormd. Vooral het Verdrag van Maastricht is fundamenteel. Het vormde de Europese Economische Gemeenschap om tot één Unie. En het introduceerde één gemeenschappelijke munt: de euro werd in 1999 van kracht in de financiële sector en in 2002 beschikbaar voor particulieren.

    De daaropvolgende Europese Grondwet (2005) werd per referendum verworpen in Nederland (61,54 procent tegen) en Frankrijk (54,67 procent tegen). Het werd vervolgens met parlementaire middelen alsnog ingevoerd in de vorm van het Verdrag van Lissabon (2007), maar het kende eigenlijk geen grote nieuwigheden – het verdrag consolideerde vooral enkele cruciale besluiten die al tussen 1986 en 1992 waren genomen. Het begrotingsverdrag van 2012 scherpte criteria aan inzake schulden en tekorten, wederom zonder centrale innovatie.

    Verwaarloosde kwestie

    Wie wil begrijpen wat er op het spel stond in de Europese onderhandelingen die tussen 1985 en 1995 zijn gevoerd, leest het naslagwerk dat Rawi Abdelal in 2007 publiceerde (Capital rules. The construction of global finance). Gebaseerd op tientallen diepgaande interviews met de belangrijkste politieke spelers en hoge Europese functionarissen uit die tijd, in het bijzonder Jacques Delors, analyseert Abdelal met finesse de toekomstvisies en de onderhandelingsmarges van alle betrokken partijen.

    Samenvattend kunnen we stellen dat de Franse socialisten destijds erop gokten dat de euro en de Europese Centrale Bank (ECB), een machtige federale instelling die haar beslissingen bij meerderheid van stemmen neemt, uiteindelijk de creatie van een Europese publieke macht mogelijk zou maken. Die zou in staat zijn om de economische krachten effectiever te reguleren dan de linkse regering die sinds 1981 in Frankrijk aan de macht was.

    Om dit resultaat te bereiken, gaven de Franse socialisten gehoor aan de centrale eis van de Duitse christendemocraten. Die pleitten voor een liberalisering van de kapitaalstromen zonder enige publieke regulering, én zonder enige gemeenschappelijke belastingheffing. Een cruciale kwestie, die grotendeels werd verwaarloosd door François Mitterrand en Jacques Delors tijdens de onderhandelingen. Daarmee was de basis voor een compromis gelegd.

    Meederheidsbesluiten

    Dertig jaar later zijn de resultaten van deze innovaties genuanceerd. Enerzijds speelde de ECB een centrale rol bij het voorkomen van een ineenstorting na de financiële crisis van 2008 en de coronapandemie. Na aanvankelijke fouten tijdens de Griekse crisis, stelden meerderheidsbesluiten de ECB in staat om nationale veto’s – met name Duitsland – terzijde te schuiven, om snel en effectief aanzienlijke bedragen te mobiliseren om de Europese economie te stabiliseren en de crisis terug te dringen.

    ‘De Europese regels voor vrij verkeer van kapitaal bleken zo extreem dat zelfs het IMF ervoor terugschrok’

    Niemand weet wat er zou zijn gebeurd zonder gemeenschappelijke munt. Het is duidelijk dat de euroloze Scandinavische landen het niet zo slecht hebben gedaan. Toch stelt geen enkele geloofwaardige politicus vandaag een terugkeer naar de Franse franc of Nederlandse gulden voor.

    Aan de andere kant begrijpt iedereen dat geldschepping niet alle problemen oplost. Centrale banken zijn vooral bereid om banken en bankiers te redden, in plaats van investeringen in onderwijs, gezondheidszorg of het klimaat toe te staan. Daarmee dragen ze bij aan het concentreren van de rijkdom, aangezien de rijksten profiteren van de groei van aandelenmarkten die mogelijk gemaakt is door aandelenterugkoop, terwijl de inflatie het spaargeld van de armsten wegvaagt.

    Parlementaire unie

    De Europese regels voor vrij kapitaalverkeer uit 1992 bleken zo extreem en destabiliserend dat zelfs het IMF na de Aziatische crisis van 1997 en de crisis van 2008 besloot bepaalde controles op kapitaal voor kortetermijnstromen opnieuw in te voeren. De Europese regels dragen daarnaast bij aan het verergeren van belastingdumping: eindeloze verlagingen van bedrijfsbelastingen, ontwikkeling van belastingparadijzen en structurele onderbelasting van miljardairs en multimiljonairs.

    Hoe moeten we nu omgaan met dit complexe, Europese erfgoed? Ten eerste moeten we tot doel stellen dat zich binnen de EU een harde kern van landen vormt, die bij meerderheid besluiten kan nemen over belastingtechnische, begrotings- en milieu-aangelegenheden. Zelfs als deze ‘Europese Parlementaire Unie’ niet onmiddellijk het levenslicht ziet, moet zij een centraal doel blijven om naar te streven.

    Landen zullen, in afwachting van het vinden van een compromis, substantiële unilaterale maatregelen moeten nemen om intra-Europese en buiten-Europese fiscale, sociale en ecologische dumping tegen te gaan. Dit zal complexe maar overkomelijke crises veroorzaken, maar dit is onvermijdelijk als we aan de huidige blokkades willen ontsnappen.

  • Komt er een nieuwe beurskrach?

    Komt er een nieuwe beurskrach?

    Staan we aan de vooravond van een nieuwe crisis? Philip Aldrick van de Engelse Times is er bang voor. Maar volgens zijn landgenoot Roger Bootle (The Telegraph) zal het zo’n vaart niet lopen.

    JA

    De markt is in paniek. Economen, presidenten van centrale banken, politici, topbankiers en vooraanstaande mensen uit het bedrijfsleven mogen er dan van overtuigd zijn dat de fundamenten van de economie geen paniekverkopen rechtvaardigen, daar trekt de markt zich niets van aan.

    De markt is bang voor, om met Rumsfeld te spreken, de ‘bekende onbekende zaken’ en de ‘onbekende onbekende zaken’. In een wereld waar niemand volledig de risico’s begrijpt, hebben overheden en centrale banken geen munitie meer en gaat angst zichzelf voeden. Geen enkele investeerder wil de laatst overgeblevene zijn. Dus gaan ze met z’n allen naar de uitgang en halen ondertussen het gebouw omver.

    Er is veel om ons zorgen over te maken. De wereld ziet er tegenwoordig gevaarlijker uit dan ooit. De gezamenlijke mondiale schuld is in de acht jaar sinds 2007 van ongeveer 110.000 miljard dollar gestegen tot 140.000 miljard dollar, waarvan ongeveer de helft voor rekening komt van opkomende markten, terwijl het IMF schat dat de particuliere sector voor het exorbitante bedrag van 3300 miljard dollar heeft geleend.

    De ontwikkelingslanden hebben een kwart van hun gezamenlijke schuld bij olie- en mijnbouwondernemingen, veelal in dollars. De olieprijs is sinds juni 2014 zeventig procent gedaald en de goederenprijs met vijfenveertig procent. Omdat de inkomsten dramatisch zijn teruggelopen, is de valutamarkt ook ingestort, waardoor die dollarschulden nog lastiger af te lossen zijn.

    Al na een snelle blik op wat er in de markt gebeurt kun je zien dat dat argument geen steek houdt en dat het heel gevaarlijk kan uitpakken

    Verliezen en betalingsproblemen zijn onvermijdelijk en zullen zich via de financiële markt afwentelen op de ontwikkelde landen. Hoe ernstig die gevolgen zullen zijn weet niemand, maar er wordt al openlijk gesproken over crises in Brazilië en Turkije. Dat zijn de ‘bekende onbekende zaken’.

    Maar wat de handelaren echt schrik aanjaagt is wat hierna komt. Sinds Lehman Brothers hebben beleidsmakers, en centrale banken in het bijzonder, de wereld veranderd. De schuldenzeepbel van de opkomende markten werd deels verder opgeblazen in een bewuste poging meer krediet in de mondiale economie te stoppen door een kwantitatieve versoepeling en zeldzaam lage rentepercentages.

    Omdat centrale banken probeerden de groei te stimuleren, hebben ze ook fundamenteel de manier veranderd waarop krediet wordt verstrekt. Met de invoering van strengere bankregels verplaatste het krediet zich naar ‘schaduwbanken’ – aan weinig regels gebonden vermogensbeheerders en hedgefondsen. ‘Sinds de crisis is bijna al het netto krediet afkomstig van de obligatiemarkten,’ aldus Mark Carney, de president van de Bank of England. Precies op het moment dat de obligatiemarkten met zestig procent explosief stegen tot 74.000 miljard, weerhielden nieuwe regels banken ervan zich op de markt te begeven, te bemiddelen tussen kopers en verkopers. Als een hedgefonds tegenwoordig assets van de hand wil doen, is het veel moeilijker om een koper te vinden. Ten gevolge daarvan kelderen de prijzen.

    Market makers

    In de huidige periode van lage rentes hebben de schaduwbanken zich met z’n allen op de zeer winstgevende assets gestort en daarmee een correlatierisico gecreëerd. De afgelopen tien jaar hebben beleggingsfondsen bijvoorbeeld hun aandeel in de snel toenemende junkbondmarkt verdubbeld tot dertig procent. De vrees bestaat dat ze tegelijkertijd hun geld zullen terugeisen, zodat de prijzen dramatisch zullen dalen, wat dan weer andere markten zal besmetten. Centrale banken maken zich zo veel zorgen dat ze er al over praten om te gaan optreden als ‘market makers in de rol van laatste redmiddel’. Dat idee is een uitbreiding van de traditionele rol als noodkredietverstrekker aan banken zoals Northern Rock en brengt met zich mee dat ze riskante assets zoals junkbonds op hun balans opnemen, wat ook risico’s voor de belastingbetaler betekent.

    Voorlopig is dat nog theorie. Centrale banken zijn er niet op ingericht om als laatste redmiddel de markt op te gaan en dat maakt de handelaren nog benauwder. Als de markt vastloopt, en volgens handelaren zitten we daar niet ver vandaan, zullen centrale banken à l’improviste beleid moeten maken, net als in 2008.

    Laten we de traditionele banken niet vergeten. Er zouden nieuwe regels moeten komen om de belastingbetaler te beschermen door verliezen af te wentelen op obligatiehouders (de markt weer). Deze week kwam Deutsche Bank in het oog van de storm terecht. Zouden politici echt de reusachtige Duitse leenbank failliet laten gaan? Deutsche Bank is zo groot dat de ineenstorting daarvan van Lehman een vingeroefening maakt. Dat zijn de ‘onbekende onbekende zaken’ – de stijging in de marktfinanciering, een liquiditeitsprobleem, nieuwe bail-inregels voor de banken en een theoretische noodoplossing.

    Philip Aldrick is economieredacteur bij The Times. 
Tot 2013 vervulde 
hij diezelfde functie bij The Telegraph.
    Philip Aldrick is economieredacteur bij The Times. 
Tot 2013 vervulde 
hij diezelfde functie bij The Telegraph.

    Nu hebben centrale banken een nieuwe verklaring, namelijk dat de natuurlijke rentevoet lager is dan ooit vanwege fundamentele veranderingen in de mondiale economie. Het is een excuus voor permanent lage, of zelfs negatieve rentes. Al na een snelle blik op wat er in de markt gebeurt kun je zien dat dat argument geen steek houdt en dat het heel gevaarlijk kan uitpakken. Negatieve rentes versmallen de marges van de bank, waardoor ze nog zwakker worden. En hoe kan een markt nog functionerend genoemd worden als investeerders 6500 miljard dollar lenen aan overheden?

    Een redelijkere verklaring wordt wellicht gegeven door de Bank for International Settlements [Bank voor Internationale Betalingen], namelijk dat ‘rentecijfers dalen als de schuld toeneemt’. Door de rente steeds te verlagen, vergroten de centrale banken de problemen van de wereldeconomie door juist ‘de afhankelijkheid van het op schuld gebaseerde groeimodel dat aan de basis lag van de crisis’ te versterken. De markt maakt zich geen zorgen over de fundamenten. Ze zijn bezorgd dat als zich een probleempje voordoet, de vreemde nieuwe wereld die de centrale banken hebben gecreëerd, zo broos is dat die ineen kan storten.

    Auteur: Philip Aldrick
    Vertaler: Paul Bruijn

    The Times
    VK | dagblad, oplage | 404.000

    The Times verscheen voor het eerst in 1785 onder de naam The Daily Universal Register, maar wijzigde die naam al drie jaar later. Het was lange tijd de krant van het Britse establishment met grote politieke invloed, zeer gedegen, wars van sensatie en met wereldwijd een faam van zeer grote betrouwbaarheid (al valt daar wel iets op af te dingen – zo hield de krant in 1920 het antisemitische schotschrift 
De Protocollen van Zion aanvankelijk voor een authentiek document). Maar de alom geroemde journalistieke integriteit liep onherstelbare schade op toen de krant in 1981 als prestigeobject in handen viel van de Australische krantenmagnaat Rupert Murdoch en diens News Corp. Voormalig hoofdredacteur Harold Evans schreef een journalistieke bijbel over de toen nog iconische krant, Good Times Bad Times.

    NEE

    Vaste lezers kennen mij niet als een toonbeeld van optimisme. Maar midden in dat allesoverheersende doemdenken over de vooruitzichten van de wereldeconomie ben ik weliswaar niet echt optimistisch, maar toch ook weer niet zo pessimistisch als de financiële markten zijn.

    Hun doemdenken heeft de meeste commentatoren beïnvloed en zou een wereldwijde terugval kunnen veroorzaken in het vertrouwen in de echte economie, wat juist weer zou leiden tot dat waar de markten zich zo veel zorgen over maken.

    Hebben de markten gelijk dat ze bezorgd zijn? Naar alle waarschijnlijkheid kijken ze op een kille, berekenende, rationele manier naar de toekomst. Zij laten zich niet meevoeren op de golven van emotie waar mensen zich in hun normale leven door laten leiden. Dat schrijven de financiële handboeken tenminste voor.

    Toch weten we dat markten zich soms laten verleiden tot euforie. De vroegere voorzitter van de Fed, Alan Greenspan, heeft dat ooit hun ‘irrationele optimisme’ genoemd.

    Ze reageerden irrationeel optimistisch op de techaandelen tijdens de internethausse en later reageerden ze irrationeel optimistisch op de Amerikaanse vastgoedmarkt en de solvabiliteit van derivaten en verscheidene vormen van financiële constructies om risico’s uit het financiële systeem weg te toveren.

    Maar als de markten in staat zijn tot irrationeel optimisme zijn ze ook in staat tot irrationeel pessimisme. Dat is er volgens mij op dit moment aan de hand. Elk nieuwsbericht lijkt wel pessimistisch te worden geïnterpreteerd.

    De wereldeconomie nog steeds tussen de twee en drie procent per jaar

    Dus toen onlangs de Zweedse centrale bank de rentetarieven verlaagde in een poging de economie te stimuleren, werd dat geïnterpreteerd als een teken dat het nu echt heel slecht ging.

    Hetzelfde geldt voor iedere verlaging van de olieprijs. Net toen we dachten dat we weer uit het dal van de jaren 2008-2009 omhoog aan het kruipen waren, kregen we te maken met een reeks misleidend negatieve signalen.

    Waarop is het huidige doemdenken van de spelers op de markt en de commentatoren gebaseerd?

    Ik vermoed dat het deels een reactie is op het feit dat ze niet op de financiële crisis en de daaruit voortvloeiende ineenstorting van de productie hebben kunnen anticiperen. En nu willen ze niet nog een keer verrast worden.

    Maar als we op zoek gaan naar gefundeerde redenen voor het pessimisme in plaats van een psychologische analyse, denk ik dat de meeste mensen de problemen in China zullen noemen. Toch is het enige wat er in China gebeurt een verlaging van het groeitempo. Die vertraging heeft zich niet ontwikkeld tot een recessie en zoals het er nu naar uitziet, zal dat ook niet gebeuren. Sterker nog, verscheidene indicatoren wijzen erop dat de Chinese economie zich stabiliseert, zij het met een veel lager groeitempo dan enkele jaren geleden. Maar naast China, en deels ermee samenhangend, was er ook het probleem van de instorting van de olie- en goederenprijzen. Dat heeft ernstige schade toegebracht aan die bedrijven en die landen die dat produceren.

    Zwakte

    In principe zou het voordelen voor de consument moeten hebben opgeleverd, maar die voordelen zijn klein en zeer verspreid. Dus zelfs als al die voordelen bij elkaar opgeteld op hetzelfde bedrag uitkomen, hebben ze lang niet dezelfde impact. En er is een duidelijke symmetrie met betrekking tot solvabiliteit en kredietrisico.

    Veel bedrijven en zelfs enkele landen zouden door de val van de olieprijzen in de afgrond gestort kunnen worden, maar nergens zal een bankroet worden afgewend door het feit dat het inkomen van de olieconsument licht gestegen is. Toch zorgen de lage olieprijzen voor veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, voor een stevige opleving.

    Onlangs is een andere ingrediënt toegevoegd aan deze situatie: de gebleken zwakte van de grote banken. Die lijkt haar oorzaak te vinden in de nadelige consequenties van negatieve rentepercentages op de rentabiliteit van banken, in de consequenties die de banken ondervinden van die bedrijven en landen die verliezen hebben geleden door de val van de olie- en goederenprijzen, en de consequenties van de algehele zwakte van de wereldeconomie.

    Hoewel het bancaire systeem in verscheidene landen zwak is, is er sinds de crash ook veel vooruitgang geboekt. Verder laten de geld- en kredietcijfers niet zien dat het systeem als geheel in een crisis is beland. Bovendien groeit de wereldeconomie nog steeds tussen de twee en drie procent per jaar. Dat is weliswaar lager dan de groeipercentages van voor de crash van 2008-2009. De totaalvraag is sindsdien niet sterk genoeg gegroeid om de wereldeconomie zich weer te laten herstellen naar een normaal niveau. Maar de redenen daarvoor zijn andere dan algemeen wordt aangenomen.

    De Chinese terugval is maar één oorzaak, en voor Engeland zelfs niet zo’n belangrijke. De Britse export naar China groeit weliswaar snel, maar is nog klein. Ierland is voor ons een grotere markt dan China.

    Roger Bootle is een Brits econoom. 
Hij schrijft een wekelijkse column in de Daily Telegraph, en publiceerde verschillende boeken.
    Roger Bootle is een Brits econoom. 
Hij schrijft een wekelijkse column in de Daily Telegraph, en publiceerde verschillende boeken.

    Een belangrijke oorzaak van de zwakte in de wereldeconomie is de eurozone, waarvan het productieniveau nog steeds niet terug is op het peil van voor de crisis. Daartegenover zijn de productieniveaus van Engeland en de Verenigde Staten respectievelijk zeven en tien procent boven het peil van voor de crisis. De wereld zou er dus een stuk beter uitzien als het bbp van de eurozone dezelfde groei had vertoond als dat van de VS of van Engeland.

    Ook al was er vorig jaar een groei van anderhalf procent – wat relatief een goed resultaat was –, nu lijkt die groei weer te slinken.

    We weten allemaal waarom de eurozone zo zwak is. Het is een combinatie van de wurggreep op de zwakkere landen aan de randen van de EU veroorzaakt door een verlies aan concurrentiekracht, uitzonderlijk hoge schuldenniveaus en fiscale onmacht; de voortdurende neiging tot onderbesteding in Duitsland en Nederland; en de onmiskenbare structurele problemen in Frankrijk. De eerste twee zijn rechtstreeks het gevolg van de euro. Het wordt nu algemeen erkend dat de euro een economische ramp is voor Europa. Het wordt echter nog niet algemeen aanvaard dat de euro ook een belangrijke oorzaak is van de zwakte van de mondiale economie. De economie van de eurozone is groter dan die van China. Bovendien is het huidige overschot op de lopende rekening ook groter. Waarom benadrukken niet meer mensen de zwakte van de eurozone in plaats van die van China als de oorzaak van de kommer en kwel in de wereldeconomie?

    Dit specifieke onderdeel van de wereldproblemen zal echter waarschijnlijk niet snel worden opgelost. Misschien heb ik mezelf met dit betoog ook wel in de gelederen der pessimisten geschaard.

    Auteur: Roger Bootle
    Vertaler: Paul Bruijn

    The Daily Telegraph
    Verenigd Koninkrijk | dagblad, oplage 840.000

    Anti-Europees tot op het bot, strijdlustig en imagobewust, kortom: het conservatieve dagblad van Engeland op broadsheet. Samen met de Daily Mail is The Daily Telegraph, opgericht in 1855, de toonaangevende conservatieve krant van ‘Middle England’. De krant heeft als bijnaam ‘Torygraph’, vanwege haar hechte banden met de conservatieve partij.

  • 2. Antikapitalist? Ik?

    2. Antikapitalist? Ik?

    De Oostenrijkse bankier Robert Moser kon zijn goedbetaalde baan niet langer verenigen met zijn principes. Hij nam ontslag en ging bij een coöperatieve bank werken.

    Meneer de directeur is Robert Moser alleen nog voor de grap. Een pak hoeft de bankier niet meer te dragen, laat staan de gehate stropdas. Er is veel veranderd sinds hij zijn baan opgaf om iets heel anders te gaan doen – en toen toch weer bij een bank terechtkwam. Maar dan wel bij een bank die een alternatief voor het financiële kapitalisme wil zijn: zonder winstoogmerk, zonder rentes, zonder speculatie.

    Dit is de grootste uitdaging van mijn leven

    Moser zit in zijn kantoor in een winkelruimte in het vijfde district van Wenen. De wanden zijn gewit en kaal. De verf op de verwarmingsradiatoren is hier en daar al afgebladderd, en met zwarte schoenzoolstrepen ziet de vloer eruit als die van een oude gymzaal. Eerder een start-up dan een bank. Hier is het nog maar een coöperatie, die een bank wil opzetten. Duizend leden en een miljoen euro als startkapitaal zijn er al. Vijf miljoen euro wil de coöperatie nog bijeenbrengen, dan kan de Bank für Gemeinwohl in 2016 starten. Robert Moser leidt het project als directeur van de coöperatie, samen met zijn collega Christine Tschütscher. ‘Dit is de grootste uitdaging van mijn leven,’ zegt hij.

    Robert Moser
    Robert Moser

    Als hij uit het raam van zijn kantoor kijkt, ziet hij een betonnen binnenplaats. Vroeger mocht hij genieten van het uitzicht op de Kitzbüheler Horn. Tot januari 2014 werkte de 58-jarige als directeur bij de Spaarbank Kitzbühel, een royaal betaalde functie, maar die wilde hij niet meer. Moser heeft een zongebruinde teint, en een nog zonniger karakter. Hij lacht graag en veel, waarbij de rimpels rond zijn ogen zich duidelijk aftekenen. Als hij spreekt over wat hem bewoog om ermee te stoppen, verdwijnen de lachrimpels. ‘Het was alleen nog een casino,’ zegt hij. ‘Zolang je in het systeem blijft zitten, kun je er als eenling niets tegen doen.’

    Speculaties, managersbonussen, reddingsplannen: tijdens de financiële crisis verloren banken en bankiers hun aanzien. ‘Mijn vrienden maakten voortdurend grappen. Dat was wel leuk bedoeld, maar ik trok het me aan.’ Moser wilde niet langer deel uitmaken van die wereld.

    Coöperatieve bank

    In die tijd wilden een paar activisten in Oostenrijk diezelfde wereld veranderen: met een bank die volgens andere regels moest functioneren. Een bank die gefinancierd zou worden door leden van een coöperatie, die kredieten verstrekt aan de regionale economie en afziet van speculatie, evenals van dividenden voor de deelnemers. De belangrijkste man daarachter is Christian Felber, een van de oprichters van Attac Österreich en een kwelgeest van de economische elite.

    Ook Robert Moser hoorde daarbij, al zou hij het zelf nooit zo zeggen. Na de Handelsacademie stapte hij op zijn negentiende de bankwereld in, en op zijn eenendertigste werd hij al directeur van de Sparkasse Tamsweg, als jongste directeur in de hele Spaarbankgroep. Vijf jaar later, in 1993, stapte hij over naar de directie van de Sparkasse Kitzbühel, een bank met een rijke traditie in Tirol, met een balanstotaal van rond 800 miljoen euro. Hoe belandt een zo succesvolle bankier in een project als de Bank für Gemeinwohl?

    Zolang je in het systeem blijft zitten, kun je er als eenling niets tegen doen

    ‘Antikapitalist? Ik?’ Robert Moser, op deze warme nazomerdag gehuld in 
een lichtblauw polohemd van Boss, haalt zijn schouders op. ‘Ik ben ook geen uitgesproken kapitalist.’

    Hij ziet er sportief uit, bijna mager. Hij is geen theoreticus, Marx heeft hij nooit gelezen. Wat hij in zijn functie meemaakte beviel hem eenvoudig niet: ‘Er waren zaken die niet strookten met mijn principes.’ Adviseurs die hun klanten producten moeten aansmeren die ze zelf niet begrijpen. Afgesloten bouwspaarcontracten wegen zwaarder dan het bedrijfsresultaat. Financiële adviseurs die aanzetten tot speculaties met aandelen. ‘Ik heb niets tegen aandelen,’ zegt Moser. ‘Maar wel wanneer ze de volgende dag weer verkocht worden omdat de koers is gestegen.’

    Niet zijn wereld

    ‘Van Saulus tot Paulus als bankier’, schreef een krant eens over hem. Maar Moser beleefde geen bekering. Innerlijk nam hij steeds meer afstand van zijn beroep. Hij hield zich altijd al afzijdig van de Kitzbüheler elitekringen. ‘Dat was mijn wereld niet, ik wilde niet doen alsof.’ Mensen die hem nog uit die tijd kennen, waarderen hem om zijn vakkennis en zijn vriendelijke aard.

    Moser is vegetariër, hij koopt in wereldwinkels, rijdt bewust weinig auto. Maar een levenshouding maakt hij er niet van. De wereld van Attac, de groep die in Davos met spandoeken demonstreert tegen geldbeluste bankiers, was ook niet de zijne. ‘Maar ik vond het prima dat men een tegengeluid liet horen,’ vertelt Moser. Hij heeft zich er niet bij aangesloten, hij werkte liever aan zijn heel persoonlijke exitstrategie. Op congressen hield hij voordrachten met de titel ‘Heeft het zin om bij een bank te werken?’ Hij wilde graag een boerderij, bezocht zelfs de landbouwschool, maar gaf zijn baan nog niet op. ‘Dat doe je niet zo makkelijk, daar hangt te veel van af.’

    Zijn streekaccent is nog altijd duidelijk hoorbaar. Zijn ouders bezaten een modezaak in Lienz. ‘Dat was meer kindermode, en zo werden wij ook aangekleed,’ zegt Moser. ‘Rode schoenen, gele broek. Wij werden er vaak mee geplaagd op school.’ Hij groeide op met vijf broers en zussen. Met zijn drie broers leefde hij zich in zijn jonge jaren uit in een band; de Beatles waren hun helden.

    Op zijn negentiende werd hij vader, zijn vrouw was zeventien. Haar moeder wilde haar naar een school in Innsbruck sturen; het paar besloot een kind te krijgen om samen te kunnen blijven. ‘Een besluit uit jeugdige overmoed,’ zegt Moser. Maar hij heeft er geen spijt van. Vijf jaar later werd hun tweede dochter geboren. Nu leeft hij met zijn vrouw in Kirchberg in Tirol. Voor zijn nieuwe baan vond hij een woning in Wenen, niet ver van het Prater. Zo kan hij ’s morgens joggen, voordat hij op de fiets naar zijn werk rijdt.

    Voor sommige mensen is het werk alles. Die storten dan vroeg of laat in

    Het is belangrijk er iets naast te doen. ‘Voor sommige mensen is het werk alles. Die storten dan vroeg of laat in.’ Moser had daarentegen naast zijn baan bij de spaarbank nog de energie om zich verder te ontwikkelen. Op zijn veertigste begon hij aan een dissertatie over economie. Aansluitend schreef hij zich in voor een psychologiestudie. Het plan om eruit te stappen werd concreter: op zijn zestigste wilde hij als psychotherapeut aan de slag.

    Ver van de mensen af

    In januari 2014 werd de directie van de Kitzbüheler Sparkasse teruggebracht tot twee functies. Dat was de kans om eruit te stappen. ‘Het was mijn hartewens om ermee te stoppen.’ Dat was het einde van zijn carrière als bankier.

    Dacht hij. Moser begon zijn opleiding tot psychotherapeut met een practicum. Een bevriende arts vertelde hem over de Bank für Gemeinwohl, die een projectleider zocht. Hij solliciteerde om zijn vriend een plezier te doen.

    Christian Felber herinnert zich dat Moser de meest alerte sollicitant was; hij had korte, pregnante statements afgegeven. ‘Hij was heel sympathiek, maakte de indruk dat hij met zichzelf in het reine was.’

    Moser is onder de indruk van de vele vrijwilligers die zich voor het project inzetten. Als hij over zijn werk praat, doet hij dat met enthousiasme, als iemand die onverhoopt eindelijk iets gevonden heeft dat bij hem past.

    In augustus 2014 begon hij als onbezoldigd projectleider; sinds november wordt hij betaald: 3800 euro voor een werkweek van vier dagen. Vroeger verdiende hij vier keer zoveel. ‘Ik dacht: veel is het niet, maar het is voldoende. Sommigen zeiden toen tegen mij dat dat waanzinnig veel geld was. Toen realiseerde ik me weer hoe ver ik in de bank van de mensen af stond.’


    Moser wende snel aan de nieuwe cultuur. Natuurlijk spreekt hij de i in ‘Genossenschafterinnen’ ook uit. Hij laat mensen uitpraten, wacht op het juiste moment om iets te zeggen. Dat werkt. ‘Van hem heb ik veel geleerd over leiderschapskwaliteit,’ zegt Christian Felber. In het begin waren er spanningen geweest tussen degenen die het principe van de geweldloze communicatie hooghouden, en degenen die uit de harde zakenwereld komen. ‘Dat was bij Moser niet zo. Die zat mentaal allang op onze lijn.’

    Wat anderen vermoeiend vinden, neemt Moser met plezier op zich. 
De besluitvorming verloopt sociocratisch: ieder spreekt op zijn beurt, geen alfadier dringt voor. Als ook maar één persoon zwaarwegende bedenkingen heeft, begint alles opnieuw. ‘Dat kan langer duren, maar er worden fantastische besluiten genomen.’ Soortgelijke procedures had hij in zijn tijd bij de Sparkasse ingevoerd, zonder theoretische onderbouwing. Hij haalde zijn inspiratie uit de muziek, bij het Vienna Art Orchestra. Dirigent Mathias Rüegg stond op het podium steeds terzijde, alleen moeilijke delen dirigeerde hij frontaal voor zijn musici.

    Het ergert hem een beetje dat de bank er niet eerder was. ‘Dan had ik meer energie gehad.’ De lange dagen zijn uitputtend: hij moet gesprekken voeren, voordrachten houden, overtuigen. Felber noemt hem ‘een minister van buitenlandse zaken’. De vele onbezoldigde medewerkers komen meestal 
pas ’s avonds naar de vergaderingen, het wordt vaak laat.

    Er is één ding dat Moser niet opgeeft: het plan om als psychotherapeut te werken. ‘Ik heb het alleen uitgesteld.’ Tot hij 62 is, wil hij bij de Bank für Gemeinwohl blijven. Het is de opstartfase, die ook voor hem nieuw is. Moser grijnst: ‘Dat is de spannende tijd. Daarna kan ik vertrekken, voordat het saai wordt.’

    Auteur: Christian Bartlau
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: © Hajo

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000
    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • De firma zwendel en bedrog

    De firma zwendel en bedrog

    Bankiers aan het praten krijgen is lastig – vraag het maar aan Joris Luyendijk. Toch wagen twee journalisten van het Duitse weekblad Die Zeit een manhaftige poging. In een bijgebouw van de Deutsche Bank in Frankfurt voeren ze eindeloze gesprekken met gewezen topbankiers die hier hun laatste dagen slijten. Hun doel: een verklaring vinden voor de funeste cultuur die de bank én de wereldeconomie in een crisis zonder weerga stortte.

    Hij heeft geleefd voor de bank. Hij heeft ervoor gestreden en geleden, maar nu kent zelfs de receptioniste hem niet meer. ‘Breuer?’ vraagt ze, en bladert door de namenlijst. ‘Wie moet dat zijn?’

    Veertig jaar heeft Rolf Breuer voor de Deutsche Bank gewerkt, hij was woordvoerder van het bestuur en voorzitter van de raad van commissarissen. Wanneer zijn chauffeur hem ’s morgens naar het hoofdkwartier in Frankfurt reed – de twee zilveren torens die bijna iedereen wel eens op tv of op een krantenfoto gezien heeft –, dan stond er in de ondergrondse garage al iemand te wachten om het portier voor hem open te doen. Met de lift ging hij zonder 
tussenstops naar boven.

    In de wereld waarin Rolf Breuer toen leefde, is het belangrijk hoe groot een kantoor is, op welke etage het zich bevindt en hoeveel licht er binnenvalt. Licht symboliseert macht. Rolf Breuer had veel macht, alleen de hemel had hij boven zich, en onder zich: de hele stad. Toen hij in 2006 zijn laatste 
functie opgaf, behield hij, zoals zoveel voormalige leidinggevenden, nog een chauffeur, een secretaresse en zijn kantoor boven in toren A.

    Maar als je nu bij de receptie naar 
hem vraagt, lijkt niemand hem meer 
te kennen.

    Deutsche Bank was een van de meest gerespecteerde ondernemingen ter wereld. Nu worden er 6000 processen tegen de bank gevoerd

    De kwestie wordt pas opgelost als er een tweede receptioniste bij komt. Breuers kantoor, weet ze, is intussen ergens anders: in een laag gebouw, meteen om de hoek, in de schaduw 
van de torens. Daar zitten degenen 
die niet meer nodig zijn.

    In bijna elk bedrijf, bijna elk concern, heb je die oude heren die er nog steeds zijn, al hebben ze allang geen functie meer. Soms is het de patriarch die het familiebedrijf heeft opgebouwd en tot bloei gebracht. Soms zijn het de voormalige bestuurders. Aanvankelijk mogen ze hun kantoor houden, dan zie je ze ’s morgens komen en door de hal lopen. Maar vroeg of laat worden ze toch verzocht te verhuizen – eerst naar een andere hoek van de etage, dan naar een andere etage. En soms naar een ander gebouw. Die oudgedienden horen meestal niets van de spot waarmee over hen wordt gesproken: dat ze nu in de ‘grafkamer’ zitten, zoals het in een groot Duits concern heet, of op het ‘olifantenkerkhof’, zoals ze in sommige bedrijven zeggen.

    Het is maar een paar stappen van de tweelingtorens naar de kleine dwarsstraat waarin het sterfhuis staat. Zes traptreden voeren naar de ingang. 
Aan de gevel niets wat op de Deutsche Bank wijst, geen bedrijfslogo. Op het gazon ervoor heeft een vastgoedfirma haar billboards in de grond geplant: 
die verhuurt hier opslagruimte op toplocatie.

    Rolf Breuer, de voormalige CEO van de Deutsche Bank. – © Guido Krzikowski / Getty Images
    Rolf Breuer, de voormalige CEO van de Deutsche Bank. – © Guido Krzikowski / Getty Images

    Zwendel en bedrog

    Het huis heeft geen portier en geen receptionist. Slechts een kleine camera houdt de deur in de gaten. Bel je aan, dan meldt zich een vriendelijke vrouwenstem. ‘Tweede etage,’ zegt ze. 
Op de tweede etage weer een deur, weer een camera. En een bel. Een medewerkster doet open. Het is er 
heel stil.

    Hier, in deze stilte, zullen we een 
verklaring vinden voor de ongekende neergang van de Deutsche Bank.

    Ooit was het een van de meest gerespecteerde ondernemingen van het land, misschien zelfs van de wereld. ‘Alles begint met vertrouwen’ was de slogan waarmee de Deutsche Bank reclame maakte. Nu is het een onderneming waartegen wereldwijd zesduizend processen gevoerd worden. Een paar vonnissen zijn geveld, een paar schikkingen getroffen, in andere gevallen wordt nog gerechtelijk onderzoek gedaan. Het gaat om witwassen, belastingfraude, rentemanipulatie. 
Het gaat om misbruik van vertrouwen.

    Het opzienbarendste proces vindt plaats in München, waar de huidige bestuursvoorzitter Jürgen Fitschen, twee van zijn voorgangers en nog twee voormalige topmanagers van de bank zich voor de rechtbank moeten verantwoorden. Vroeger was de Deutsche Bank een symbool van degelijkheid 
en betrouwbaarheid. Nu is ze ook een symbool van zwendel en bedrog.

    Het antwoord op de vraag hoe het zo ver kon komen, wordt vooral gezocht in het hoofdkwartier van de bank, in de tweelingtorens, waar aandeelkoersen en grondstofprijzen flikkerend over honderden schermen rollen, waar opgewonden analisten zoeken naar de beste koopadviezen, en waar helemaal bovenin de bestuurders regeren over wereldwijd honderdduizend mede-werkers. Maar feitelijk verbergt het antwoord zich bijna helemaal beneden, op de grond, waar diegenen terechtgekomen zijn die niets meer te zeggen hebben in de bank, maar die jarenlang de koers ervan bepaalden.

    Achter de deur gaan we naar rechts, door een smalle gang. De naambordjes op de deuren aan beide zijden zijn te lezen als een who is who van de Deutsche Bank.

    Hilmar Kopper, van 1977 tot 1997 in 
de raad van bestuur, de laatste acht jaar als woordvoerder. En nog vijf jaar als voorzitter van de raad van commissarissen van de Deutsche Bank.

    Ulrich Weiss, negentien jaar in de raad van bestuur, van 1979 tot 1998.

    Georg Krupp, dertien jaar in de raad van bestuur, van 1985 tot 1998.

    Michael Endres, tien jaar in de raad van bestuur, tot 1998.

    Carl-Ludwig von Boehm-Bezing, elf jaar in de raad van bestuur, van 1990 tot 2001.

    Ronaldo Schmitz, negen jaar, van 1991 tot 2000.

    En Rolf Breuer, zeventien jaar in de raad van bestuur. Woordvoerder van 1997 tot 2002, daarna vier jaar voorzitter van de raad van commissarissen.

    Veel bankiers openen het gesprek met de zin: Deze ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden

    Hier zitten ze: mannen wier kantoren vroeger zo groot waren dat je heel wat stappen moest zetten voor je ergens bij een bureau stond. Hun huidige kantoren liggen dicht op elkaar gepakt, als honingraten. De deur van Breuer is gesloten, hij is er vandaag niet. Maar Robert Ehret is er wel. Hij heeft zijn kamer helemaal aan het eind van de gang, links achterin.

    Ehret zit aan zijn bureau. Meteen bij 
de begroeting bekent hij dat hij een fout heeft gemaakt: hij had zijn bezoek eigenlijk een half uur moeten laten wachten. Het laten wachten behoort tot de laatste machtsmiddelen die hij en zijn kantoorburen nog hebben, en dat weet hij. De kamer van Ehret is ongeveer acht, hooguit tien vierkante meter groot. Uit zijn oude kamer heeft hij alleen de stoel meegenomen. Ook heeft hij wat kunstwerken meegebracht, een paar beeldjes, en een schilderij: Rode Ahorn heet het, zijn vrouw heeft het geschilderd.


    Robert Ehret is niet het enige voormalige bestuurslid van de Deutsche Bank dat met Die Zeit spreekt. Maar hij is de enige die toestemming geeft met naam en toenaam geciteerd te worden. De anderen willen in geen geval geciteerd in een krantenartikel opduiken. Sommigen zeggen kort voor het afgesproken tijdstip weer af. Anderen bellen de dag na de ontmoeting ongerust naar de redactie, omdat ze vrezen dat ze te veel hebben gezegd en zichzelf in de problemen zullen brengen. Weer anderen openen het gesprek met de zin: ‘Deze ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden.’ Zo presteren ze het om tegelijkertijd te praten en te zwijgen, een techniek die ook verderop in dit artikel nog een rol zal spelen.

    De openheid van Ehret heeft te maken met zijn leeftijd. Hij is nu negentig. Toen hij toetrad tot de raad van bestuur van de bank, heette de bondskanselier nog Willy Brandt. Toen hij het bestuur verliet, stond Helmut Kohl aan het begin van zijn kanselierschap. De neergang van de Deutsche Bank was nog niet begonnen. Daarvoor zijn anderen dan Robert Ehret verantwoordelijk: degenen die na hem kwamen en die nu met hem in het sterfhuis zitten.

    Net als met de meisjes

    Robert Ehret belichaamt een tijd waarin bankdirecteuren nog bankiers werden genoemd. Toen men nog veel waarde hechtte aan goede persoonlijke contacten, niet alleen aan goede cijfers. Een handdruk was net zo veel waard als een overeenkomst. Bankiers waren hooggeachte mannen en de Deutsche Bank was een achtenswaardige onderneming.

    Robert Ehret heeft zich op dit bezoek voorbereid, hij heeft trefwoorden genoteerd en ze voor het gesprek nog gedicteerd aan zijn secretaresse. Nu liggen de papieren geprint voor hem. Ehret is zeer lang en mager, en hij draagt het uniform van de geldadel: een pak, wit overhemd met fijne lichtblauwe streepjes, gouden manchetknopen. Op zijn das zijn kleine beursstieren afgebeeld, het symbool voor stijgende koersen. Hij ziet er helemaal uit zoals men zich een voormalig bestuurslid voorstelt.

    Maar hij praat anders. Bloemrijker. Softer. Ehret komt met zinnen als: 
‘Met een bank is het als met de meisjes. Als je reputatie in duigen ligt, krijg je hem niet meer goed.’ Of: ‘Een bank gaat nooit kapot aan een zaak te weinig, maar soms wel aan een zaak te veel.’ Het zijn zinnen die je op verschillende manieren kunt interpreteren. Ehret noemt geen namen, geen concrete gebeurtenissen, hij wijst geen schuldigen aan.

    Na een kwartier brengt de secretaresse belegde broodjes en sap. Terwijl Ehret vertelt is in de kamer ernaast een stem te horen. Zijn bureau is slechts door een dunne wand gescheiden van dat van zijn buurman. In hun grote kantoren hadden de mannen die ooit topmanagers waren dikke wanden en dubbele deuren. Boven de deuren waren twee lampjes gemonteerd: groen en rood. Vanachter hun bureau konden de mannen met een druk op de knop bepalen welk lampje boven hun deur brandde. Wie ’s morgens het rode lampje aandeed, bleef de hele dag ongestoord.

    De Trading Room van de Deutsche Bank. – © Ulrich Baumgarten / Getty Images
    De Trading Room van de Deutsche Bank. – © Ulrich Baumgarten / Getty Images

    Het behoort tot de privileges van een bestuurder van de Deutsche Bank dat hij heel veel geld verdient, maar dat is het onbelangrijkste privilege. Ook de managers onder de bestuurder verdienen heel veel, ook zij hebben meer dan genoeg. Maar zij worden bijvoorbeeld niet bediend door een sterrenkok, zoals de bestuursleden hoog boven in toren A, wiens keuken geldt als een van de beste van de stad. De managers onder het bestuursniveau mogen schilderijen uitzoeken uit de kunstcollectie van de bank, en die in hun kantoor hangen. Maar de bijzonder waardevolle 
exemplaren zijn voorbehouden aan 
de bestuursleden.

    In het sterfhuis bestaan nauwelijks nog privileges. De chauffeur rijdt je 
’s morgens niet meer de ondergrondse garage in. De lift glijdt niet zonder tussenstop naar boven. De bank heeft een vroegere bestuurder bij zijn vertrek uit de toren een rekening gepresenteerd voor zijn bureaustoel. Dat heeft deze man zeer gekwetst, en niet vanwege het geld. Het was zijn gevoel van eigenwaarde dat plotseling weg was.

    ‘Ik heb nog wel andere dingen te doen, vooral in het culturele leven,’ zegt 
een van de oudgedienden. Het klinkt alsof hij zichzelf wil overtuigen dat 
zijn carrière nog niet voorbij is.

    ‘Je hebt toch het gevoel dat het nog 
niet over is. Dat je nog nodig bent, 
nog meedoet,’ zegt een ander.

    De kantoren van deze mannen waren zo groot dat je heel wat stappen moest zetten voor je bij een bureau stond

    De eerste minuten van deze gesprekken, die officieel nooit gevoerd zijn, verlopen meestal zo: de mannen uit het huis in de schaduw van de torens vertellen over hun afspraken, over hun ideeën en welke belangrijke mensen ze juist nog ontmoet hebben. Wie ze al wat langer kent, uit de tijd toen ze zelf nog bestuurslid waren, merkt aanvankelijk geen verschil met vroeger.

    Maar dan valt op dat ze niet meer ophouden met praten, dat ze opeens tijd hebben, veel meer tijd dan vroeger. Ze lijken heel blij te zijn dat er iemand is die naar hen luistert.

    En vroeg of laat komt het eruit.

    Dan vertelt een voormalig bestuurslid dat hij brieven schrijft aan de huidige leidinggevenden. Hij biedt zijn advies aan. Maar hij krijgt geen antwoord.

    Je moet je de mannen aan de top van de bank voorstellen als verzamelaars, dat is de eerste stap naar inzicht in de crisis waarin deze onderneming verkeert. Zoals de Deutsche Bank al jarenlang schilderijen en beeldhouwwerken verzamelt, zo besteden haar beste managers jaren aan het verzamelen van tekenen van macht. Maar terwijl de collectie van de bank steeds verder groeit, ze omvat inmiddels 60.000 kunstwerken, raakt een bestuurslid dat te oud is om nog langer te functioneren, in één klap alle bewijzen van zijn machtspositie kwijt. Dan is alle macht weg.

    En de oorlog verloren.

    Concurrenten bestrijden

    Want ook daarin lijkt iedereen die 
carrière maakt bij een bank op een fanatieke verzamelaar: er is altijd een ander, een concurrent, die op hetzelfde uit is; die al heeft waar je zelf nog van droomt; die al heeft bereikt wat je zelf nog moet bereiken. Dat is de indruk die je in het gesprek met de oudgedienden krijgt: dat een bestuurder permanent bezig is zijn concurrenten te bestrijden. Dat het erom gaat steeds opnieuw nederlagen te verwerken en allianties te smeden.

    ‘Met leugens en waarheid moet je 
strategisch omgaan,’ zegt een voormalig bestuurslid.
    ‘Je was blij als de ander een klap in 
z’n smoel kreeg,’ zegt een ander.

    ‘Het gaat om tactische slimheid,’ 
formuleert een derde.

    Het gaat erom op zeker moment de overwinning te behalen, ook al is het een late, laatste triomf. Zoals eertijds met Clemens Börsig.

    Börsig zat vijf jaar lang, van 2001 tot 2006, in het bestuur van de Deutsche Bank. Hij was niet geliefd in die tijd. Velen beschouwden hem als ijdel en egocentrisch, anderen ronduit als incompetent. Meerdere leden van de raad van commissarissen, die eerder 
in het bestuur van de bank hadden gezeten en nu toezicht hielden op het werk van Börsig, lieten hem steeds weer merken hoe laag ze hem achtten, en dat ze zelf veel meer voorstelden dan hij.

    Dan, in mei 2006, klimt Börsig op tot in de raad van commissarissen. Daar volgt hij Rolf Breuer op als voorzitter. Nu is hij het die de macht heeft. En in het voorjaar van 2007 gebruikt hij die.

    Op dat moment worden de tweelingtorens gerenoveerd; alle medewerkers moeten tijdelijk verhuizen. De voormalige leidinggevenden, die nog boven in toren A resideren, krijgen een kantooretage aangeboden in een kleine dwarsstraat vlak achter de bank. Geen punt, denken ze eerst, het is maar tijdelijk.

    Bij een gemeenschappelijke maaltijd licht Börsig de verhuisplannen toe aan de oudgedienden, die hem jarenlang hadden bestreden. Als een van hen, Carl-Ludwig von Boehm-Bezing, informeert hoe lang ze in hun nieuwe, nietige kantoortjes zullen moeten blijven, draait Börsig eromheen.

    Daarmee is duidelijk: het zal voor altijd zijn.

    Daarom bestaat dus het sterfhuis: omdat Clemens Börsig wraak nam.

    Clemens Börsig, de man die wraak nam en ervoor zorgde dat zijn vroegere tegenstanders in de kleine dwarsstraat kantoor kregen.
    Clemens Börsig, de man die wraak nam en ervoor zorgde dat zijn vroegere tegenstanders in de kleine dwarsstraat kantoor kregen.

    Kredietcrisis

    Een gewone werknemer die niet tevreden is met zijn werkplek, kan niet zomaar thuisblijven. Hij heeft een contract getekend, hij is verplicht op de werkplek te verschijnen. De mannen in het kleine buurhuis van de Deutsche Bank zijn daar vrijwillig, niemand belet ze om in een mooi buitenhuis van hun pensioen te genieten. Maar het lukt ze niet de bank te verlaten, ze blijven gevangen in een wereld waarin een groot kantoor op de bovenste verdieping tot levensdoel is verklaard. Alleen hebben ze nu een klein kantoortje, bijna beneden.

    Voor mannen die een heel beroepsleven lang strijden om macht en status, en op grond van leeftijd ten slotte alles verliezen, hoef je geen medeleven te voelen. Je zou hun gevechten, hun tactische manoeuvres met meer of minder interesse vanuit de verte kunnen gadeslaan als iets wat je verder niet aangaat – ware het niet dat praktisch elke Duitser onontkoombaar met de Deutsche Bank verbonden is, ook als 
hij er geen rekening heeft en er geen aandelen in bezit.

    Deutsche Bank was een van de banken die door steeds riskantere goktransacties in het jaar 2007 de wereldwijde kredietcrisis ontketende, waarop in 2009 de zwaarste recessie sinds de beurscrisis van 1929 volgde. Over de hele wereld verloren miljoenen 
mensen hun baan. Alleen al de Duitse belastingbetalers moesten de reddingsacties van de regering met vele miljarden euro’s financieren. Maar de Deutsche Bank slaagde erin hieraan te verdienen, door op de ineenstorting van de wereldeconomie te speculeren.

    Het was de Deutsche Bank die jarenlang miljarden euro’s uitleende aan Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal, ook toen allang duidelijk was dat deze landen hun schulden nooit zouden kunnen terugbetalen. Na het uitbreken van de eurocrisis in 2010 waren het opnieuw de belastingbetalers die daarvoor moesten opdraaien.

    Er wordt dezer dagen veel gesproken over geautomatiseerde geldhandel, over computeralgoritmen die de effectenhandel reguleren, over supersnelle computers die zelfstandig aandelen kopen. Maar de basis voor de gokspelletjes van de Deutsche Bank werd niet gelegd in het binnenste van een computer, maar in een vergaderzaal hoog boven in toren A. Daar komt het bestuur samen en neemt het haar besluiten. Steeds opnieuw waren er in de afgelopen jaren momenten waarop de mannen die nu geen macht meer hebben verzocht werden hun hand 
op te steken, waarop ze moesten beslissen: ben ik voor of tegen?

    Bijvoorbeeld toen het erom ging de Deutsche Bank al of niet om te vormen tot een investeringsbank.

    In het jaar 1989 besluit het bestuur van de Deutsche Bank de Britse investeringsbank Morgan Grenfell te kopen. Door de fusie krijgt de onderneming er honderden kapitaalmarktexperts en effectenhandelaars bij. De Deutsche Bank, die tot dan toe vooral geld verdiende met kredietverstrekking aan andere ondernemingen, stapt nu met veel aplomb de beurshandel in. De strategieafdeling van de bank stelt dan een rapport op voor het bestuur waarin ze waarschuwt voor de risico’s van de overname van Morgan Grenfell. De werkwijze van investment bankers past niet bij de cultuur van een handelsbank. Op dit rapport reageert de toenmalige topbankier Alfred Herrhausen met woorden van deze strekking: ‘Goed werk, maar ik vraag uw begrip voor het feit dat we anders hebben beslist.’ Dan stuurt hij het terug naar de opstellers. Een paar weken later is Herrhausen dood, vermoord door een terreurcommando van de [linksextremistische] RAF (Rote Armee Fraktion). De koop van Morgan Grenfell wordt afgerond door de opvolger van Herrhausen: Hilmar Kopper.

    Investment bankers

    Tien jaar later, in juni 1999, koopt de Deutsche Bank ook nog de Amerikaanse zakenbank Bankers Trust, een enorm handelshuis.

    Gemeten aan het balanstotaal is de Deutsche Bank nu de 
grootste bank ter wereld. En het zijn 
de investment bankers die de grootste broek aanhebben. Ze incasseren miljoenen aan bonussen, een veelvoud 
van wat de bestuurder verdient.

    Op 29 januari 2002 besluiten de heren van de raad van bestuur de bank een andere organisatiestructuur te geven. Het nieuw gevormde gremium onder de raad van bestuur bestaat uit de dikbetaalde directeuren van de afzonderlijke investeringsbanken. Zij hebben nu macht – maar anders dan het bestuur zijn ze niet aansprakelijk voor de transacties. Macht en verantwoordelijkheid worden losgekoppeld.

    Het zijn de investment bankers die jaren later met Amerikaanse vastgoedkredieten gokken, die nog Griekse staatsobligaties kopen als ze allang kunnen weten dat het land op de rand van bankroet staat, die speculeren op de ineenstorting van de wereldeconomie die ze zelf mede veroorzaakt hebben.

    Nu heeft een beursgenoteerd bedrijf als de Deutsche Bank niet tot doel het Algemeen Nut te dienen. Het hoogste doel is niet het geld van de belastingbetaler te beschermen, maar om meer winst te maken. Toch was ook vanuit dat perspectief de uitbreiding met de investmentactiviteiten een slechte zaak voor de Deutsche Bank.

    De vernieuwing van het financiële systeem zou van binnenuit moeten komen. Maar dat gebeurt niet

    Naar schatting 40 tot 50 miljard euro vloeiden in de afgelopen vijftien jaar als bonusuitkeringen in de zakken van de investment bankers. Maar al hun riskante transacties op de financiële markt hebben de bank uiteindelijk geen geld opgeleverd. Ze hebben haar geld gekost.

    Na alle schandalen is de bank op de beurs nu veel minder waard dan tien jaar geleden. Ook van het waardevolle bezit van de Deutsche Bank – haar aandelen in de belangrijkste Duitse industrieën – is bijna niets over. Ze werden verkocht om de transacties van de bank te financieren.

    Het was een bankroof van binnenuit.

    Occupy-activisten demonstreren bij het proces tegen de topmannen van de Deutsche Bank. Ze dragen maskers met de gezichten van bestuurders als Norbert Fitschen, Josef Ackermann en Rolf Breuer. – © HH
    Occupy-activisten demonstreren bij het proces tegen de topmannen van de Deutsche Bank. Ze dragen maskers met de gezichten van bestuurders als Norbert Fitschen, Josef Ackermann en Rolf Breuer. – © HH

    Goktransacties, kredieten aan zeer zwakke eurolanden, uitbreiding van investeringsactiviteiten: de leden van het bestuur hadden steeds het belang van de Deutsche Bank voor ogen, zelfs al heeft het ten slotte niet geleid tot het verhoopte resultaat. Zo ongeveer staat het in de officiële bekendmakingen van de bank.

    Maar de voormalige bestuursleden, 
die deze beslissingen indertijd hebben genomen of gesteund hebben en van wie er nu een paar in het sterfhuis zitten, vertellen een ander verhaal. U moet het zich zo voorstellen, zegt een van hen: als het gremium stemde over een strategische kwestie inzake de toekomst van de bank, dan dacht op dat moment niemand aan die toekomst. Je dacht aan je eigen toekomst, je eigen macht. En aan de macht van een ander bestuurslid, die beknot moest worden. Dan stak je je hand op, hoewel je eigenlijk tegen de beslissing was – in de wetenschap dat een concurrent door deze beslissing in de problemen zou komen. Of omdat je daarmee een tijdelijke alliantie met een ander bestuurslid sloot.

    Een ander vertelt: ‘Ik ben toen begonnen alles te noteren en documenten 
te verzamelen om mezelf in te dekken. In het begin is dat een volkomen nieuwe ervaring. En dan merk je: zo doet waarschijnlijk iedereen het.’

    Maar als ze het allemaal zo doen, dan moet een bestuurslid wel denken: Welke documenten hebben de anderen in handen waarmee ze mij kunnen beschadigen? En als ze papierwerk tegen mij verzamelen, waartoe zijn ze dan in staat?

    Er is een voormalige bestuurder die in zijn villa de telefoonaansluiting liet verwijderen in de vaste overtuiging 
dat hij werd afgeluisterd. Een andere vroegere bestuurder heeft zijn interne bankdocumenten bij drie advocaten in drie verschillende kluizen gedeponeerd.

    In zeker opzicht functioneert de Deutsche Bank als een kloosterorde. Iedereen controleert elkaar. Een uitgekiend systeem van privileges, sancties en intimidatie smoort elke kritiek. Wie weet heeft van illegale praktijken in de bank, kan dat niet openbaar maken. Want zelfs als de beweringen juridisch waterdicht zouden zijn, zelfs als de verwijten met documenten onderbouwd kunnen worden, zou de bank de verrader financieel te gronde kunnen richten met eisen tot schadevergoeding wegens schending van vertrouwelijkheid of vermeende reputatieschade. ‘Als je toetreedt tot het bestuur, dan kom je er niet meer onschuldig uit,’ zegt een van de oudgedienden. ‘Het is een levenslange deal.’

    En dus zwijgen de voormalige bestuurders. Zelfs als ze praten. Daarom hebben zo veel gesprekken die ze met Die Zeit voerden, officieel nooit plaatsgevonden.


    Het grote betonblok in het centrum van München wekt vanbinnen de indruk van een scholengemeenschap uit de zeventiger jaren. Bruine vloertegels, mosterdgele wanden. Groene metalen deuren. In zaal B 273 houdt de vijfde strafkamer van het Landesgericht München, I zitting. In een vitrine naast de deur hangt een lijst van aangeklaagden. Helemaal bovenaan staat: Dr. Breuer, Rolf-Ernst. De achternaam in hoofdletters geschreven.

    Breuer zit in de gerechtszaal vooraan, vlak voor de rechters. Op het eerste gezicht ziet hij eruit als vroeger: elegant double-breasted jasje, de witte haren in een strakke scheiding, een gebruind gezicht. 77 jaar is hij nu. 
Nauwelijks gerimpeld. En toch maakt deze man een bijzonder verouderde indruk, zijn bruine tint kan dat niet verhullen. Hij beweegt zich stijf, zijn mimiek lijkt wel bevroren.

    Het is een proces zoals er in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven nog nooit een geweest is. In de kern gaat het erom hoe nauw men het in het bestuur van de Deutsche Bank neemt met de waarheid.

    Dertien jaar geleden gaf de toenmalige topman van de Deutsche Bank Breuer een televisie-interview waarin hij liet weten dat mediaondernemer Leo Kirch in financiële nood verkeerde. Een paar maanden later was Kirch failliet – en diende hij een eis tot schadevergoeding in tegen Breuer en de bank. Breuer, 
zo luidde het verwijt, zou er met zijn uitspraak voor gezorgd hebben dat Kirch van niemand meer krediet kreeg. Er volgde een langslepende juridische strijd. De Deutsche Bank betaalde 925 miljoen euro aan de erven van Leo Kirch, nadat de partijen in februari 2014 tot een schikking waren gekomen.

    Na dertien jaar is nog steeds niet duide-
lijk of Breuer in dit televisie-interview gewoon wat voor de vuist weg praatte, zorgeloos en naïef, of dat het interview misschien een middel was om een doel te bereiken. Kirch bezat een groot aandelenpakket in uitgeverijconcern Springer. En hij was kredietklant bij 
de bank. Mogelijk vreesde men bij Springer indertijd dat Kirchs aandelenpakket in handen zou vallen van een ongewenste buitenlander, zoals mediamagnaat Rupert Murdoch. 
Om dat te verhinderen zouden Kirchs aandelen via de Deutsche Bank naar Springer teruggesluisd moeten worden. Maar dan zou Kirch eerst failliet moeten gaan.

    Wat dus ook gebeurde na Breuers interview.

    Jürgen Fitschen (achterste rij, tweede van rechts), Rolf Breuer (vooraan rechts) en Josef Ackermann (tweede rij, tweede van rechts) wachten op hun proces in de zaak van mediamagnaat Leo Kirch. – © Jörg Koch / Getty Images
    Jürgen Fitschen (achterste rij, tweede van rechts), Rolf Breuer (vooraan rechts) en Josef Ackermann (tweede rij, tweede van rechts) wachten op hun proces in de zaak van mediamagnaat Leo Kirch. – © Jörg Koch / Getty Images

    Achter Breuer in de gerechtszaal zit Josef Ackermann, zijn opvolger als 
baas van de bank. Daarachter Jürgen Fitschen, Ackermanns opvolger. Twee voormalige bestuursvoorzitters en de huidige, en ook nog de twee vroegere topmanagers Clemens Börsig en Tessen von Heydebreck: vijf topbankiers van de Deutsche Bank samen voor de rechter, ook dat is nog nooit vertoond. De aanklacht luidt: opzettelijke misleiding van de rechtbank.

    In een eerder proces zouden de vijf managers opzettelijk valse verklaringen hebben afgelegd om de eis tot schadevergoeding van Kirch af te wenden.

    In het bestuur en in de raad van commissarissen hebben de vijf elkaar ooit bittere strijd geleverd. Breuer tegen Ackermann, Ackermann tegen Börsig. Heydebreck hield zich buiten alle gevechten, zoals hij zich altijd in alles afzijdig hield. En Fitschen bracht het uiteindelijk tot de leiding van de bank omdat hij te midden van alle vetes een acceptabele compromiskandidaat was.

    Vijf mannen die vele jaren van hun leven dezelfde werkgever hadden, en slechts één ding gemeen hebben: dat ze nu samen aangeklaagd zijn. Zo zitten ze in gerechtszaal B 273, hun advocaten tussen hen in, als menselijke scheidingsmuren. Vroeger, in de bestuursvergaderingen, dronken ze hun koffie uit porceleinen kopjes. Het personeel wist precies wie van hen zijn fruit graag geschild at. In de rechtszaal staat een waterautomaat in de hoek, dat iedereen zelf mag bedienen. De plastic bekertjes zijn zo dun dat ze makkelijk breken als je er te hard in knijpt.

    Loyaliteit

    Het probleem van het Münchense 
proces is dat het in wezen over het verkeerde gaat. Het openbaar ministerie wil een aanklacht bewijzen die waarschijnlijk nooit te bewijzen valt. De officieren van justitie vragen in dit proces niet naar het mogelijke belang van de bank om aan Kirchs Springeraandelen te komen. Dat speelt vanuit juridisch oogpunt geen rol. En zo zou het goed kunnen dat de aangeklaagden de rechtszaal verlaten met een vrijspraak.

    Desondanks zegt het proces veel over de methoden van de bank, over al haar vuile zaakjes.

    Handelaars van de Deutsche Bank moeten meegeholpen hebben om de goudprijs te manipuleren. Ze hebben meegeholpen om belangrijke rentetarieven als Libor en Euribor te manipuleren. Belastingfraude bij de handel in CO2-certificaten, witwaspraktijken in Rusland: steeds gaat het om criminele economische delicten waarvan de bank geprofiteerd zou kunnen hebben.

    Een paar beschuldigingen bestrijdt de bank. Toch werden interne opnames van telefoongesprekken gewist en werd onderzoek van de overheid tegengewerkt. Dit voorjaar betaalde de Deutsche Bank een recordboete van 2,5 miljard dollar aan Amerikaanse en Britse overheidsorganen.

    Als we spreken met voormalige bestuurders, tonen ze zich verbijsterd over hoe het met de bank gegaan is. Terwijl ze zelf de beslissingen namen die tot deze ontwikkeling leidden – 
en elkaar intussen bestreden. Of wegkeken. Of zwegen.

    Ze zwijgen nog steeds. Zouden de 
oude bestuurders in het sterfhuis hun kritiek met naam en toenaam uiten, dan zouden ze zich tegen de gemeenschap keren – en door de bank worden verstoten. Ze zouden moeten vertrekken en helemaal geen kantoor meer hebben bij de Deutsche Bank, zelfs geen kleintje in het bijgebouw. ‘Ik kan niet in het openbaar spreken,’ zegt een van de mannen, ‘omdat ik als pensioentrekker bepaalde loyaliteitsverplichtingen heb.’

    Een andere voormalige bestuurder zegt: ‘Je moet bereid zijn een heleboel te verdragen als je uit de orde treedt.’

    Wie dat doet, geldt als onbetrouwbaar, ook buiten de bank. In de financiële wereld van Frankfurt is de maatschappelijke omgeving immers niet beperkt tot de eigen bank of het eigen advocatenkantoor: men ziet elkaar thuis in de Taunus, waar bijna alle leidinggevenden wonen; men treft elkaar bij het operabal of bij de nieuwjaarsreceptie van de Duitse beurs. Ook nu nog gaan de oudgedienden eens in de week samen lunchen, maken ze de korte wandeling naar de ‘Frankfurter Gesellschaft’, hun deftige herensociëteit, waar men hen kent en waar ze begroet worden als vroeger. Maar een afvallige krijgt geen uitnodigingen meer, of hij zit aan apart tafeltje, als hij dat nog krijgen kan. Hij hoort er niet meer bij.

    Dat overkwam Otto Steinmetz.

    Aanklacht

    De grote aula van de Salzburger Universiteit ziet eruit als een elegant 
theater. Wit gestuukt, grote luchters, aan de wand hangen olieverfschilderijen. De Salzburger gemeenschap heeft zich vandaag opgedoft: de vrouwen in klederdracht, de mannen in donkere pakken. Op het podium staan de af-
gestudeerden van de masterstudie Gastrosofie: vijftig vrouwen en mannen die in het afgelopen semester veel geleerd hebben over voeding en ethiek. Een van hen is drie keer zo oud als de meeste anderen: Otto Steinmetz, zeventig jaar.

    Ook Steinmetz werkte ooit bij de 
Deutsche Bank, meer dan dertig jaar lang. Ook hij draagt de littekens van 
de veldslagen die hij geleverd heeft. 
Nu staat hij daar, de rode map met het getuigschrift in de hand, als iemand die nog een leven voor zich heeft. Maar hij heeft ook al een heel leven achter zich.

    Voor het podium speelt een jazzband de oude Beatlessong When I’m Sixty Four. Misschien overdenkt een van de afgestudeerden op dit moment wel hoe het op z’n 64ste zal zijn. Otto Steinmetz kan onmogelijk vergeten zijn hoe het hém verging toen hij 64 was.

    Dat was in 2008, op het hoogtepunt van de kredietcrisis. Dan ziet bankier Otto Steinmetz van dichtbij hoe de mateloosheid van zijn collega’s bijna het hele financiële systeem ruïneert. 
In interviews bekritiseert Steinmetz later de buitensporige rendementsverwachtingen van de banken, de blindheid van de toezichthouders en het wegkijken van de politici. Hij kan dat doen, want hij hoort dan al niet meer bij de community.

    Wanneer de bankroof van binnenuit begint, is Otto Steinmetz de hoogste risicomanager onder het bestuur. Hij controleert de kredietboeken en moet ingrijpen als de zakelijke risico’s van 
de bank te groot worden. Dat is voor 
de bank als geheel een belangrijke taak. Maar voor de investment bankers is Steinmetz alleen maar een storende factor. Hij vraagt door, wil alles heel precies weten. Ze dwarsbomen hem. Wanneer hij bij de Bankers Trust in New York opeens niet meer naar binnen mag, escaleert de zaak. Steinmetz waagt het ongehoorde: hij dient een aanklacht in tegen zijn eigen werkgever, eist dat hij zijn werk volgens voorschrift kan doen. Hij keert zich tegen de bank, tegen het zwijgen, hij breekt het bolwerk open. De bank gooit hem eruit. Dan volgt een jarenlange juridische strijd, die hij verliest.

    Ook toen Steinmetz in Frankfurt 
werkte, bleef hij in Mannheim wonen en trok niet naar de Taunus, zoals de meeste andere bankmanagers. Hij wilde afstand houden, onafhankelijk blijven. Steinmetz was erbij toen 
mensen gepromoveerd en weer ten 
val gebracht werden. Hij heeft nog geprobeerd om zich in de geest van 
de klassieke bankier aan een morele erecode te houden. Maar uiteindelijk was hij zelf een van degenen die ten 
val gebracht werden.

    Steinmetz vertelt dat een van de mannen uit het sterfhuis onlangs bij een receptie in Berlijn naar hem toekwam. Zijn naam wil hij niet noemen. Maar hij, Steinmetz, werd nu geprezen door degenen die hem indertijd hadden laten vallen, vertelde de man. Niemand die nu zijn kantoor in het kleine gebouw naast het grote heeft, was destijds bereid zich voor hem in te zetten.

    Op zeker moment bereikt ook Steinmetz het punt waarop hij heel zwijgzaam wordt, hoewel hij eigenlijk zou moeten uitpakken en alles vertellen wat hij weet. Maar opeens zegt hij helemaal niets meer. Zijn vrouw vertelt dat het bijna vier jaar durende proces tegen de bank de verschrikkelijkste tijd van hun leven is geweest.

    Ook Otto Steinmetz is niet vrij.

    rtr3bhct

    De mannen in het sterfhuis hadden bijna twee decennia de tijd om de neergang van de Deutsche Bank tegen te houden. Ze hebben de tijd laten verstrijken. Ze lieten toe dat de investment bankers de macht overnamen. Ze zwegen toen degenen die verantwoordelijk waren voor de schandalen in functie bleven, of zelfs een nog hogere functie kregen.

    ‘We speelden het spel allemaal tactisch, we hebben allemaal gelogen,’ zegt een van de oudgedienden. Ze vreesden waarschijnlijk ook hun eigen neergang.

    En dat is nog altijd zo. Het kantoor in de dwarsstraat mag klein zijn, maar als een van de chauffeurs hen ’s morgens thuis afhaalt, weten de buren niet dat hij helemaal niet naar het grote kantoor in de torens gaat, maar naar dat kamertje. Niemand hoeft te weten dat de agenda’s bijna leeg zijn, en dat de aktetas alleen een boterham bevat.

    Geen verandering

    Het is het zoete gif van het comfort. Zolang het werkt, zal er geen echte afrekening plaatsvinden over wat er met de bank is gebeurd. Er zal niets veranderen, niets geleerd worden. 
Een paar dagen geleden kondigde de bank een radicale reorganisatie van
 het concern aan, een paar bestuurders moeten vertrekken, het leidinggevende gremium onder het bestuur wordt afgeschaft. Macht en verantwoordelijkheid moeten weer in één hand komen. Maar zolang het de bestuurders alleen om de uitbreiding en het behoud van de eigen macht gaat, zolang de structuren boven in de toren en zelfs beneden bij de oudgedienden niet veranderen, zolang de insiders zwijgen, zal de neergang doorgaan. 
En die raakt niet alleen de Deutsche Bank.

    ‘Om een volgende grote financiële crisis te voorkomen, zou de hele architectuur van de financiële wereld fundamenteel vernieuwd moeten worden,’ zegt een voormalig bestuurder. ‘Dat de politiek daartoe niet in staat is, zien we aan de halfslachtige hervormingen tot nu toe. De druk zou moeten komen van degenen die een bank van binnenuit kennen. Maar dat gebeurt niet.’

    Op de kantooretage in de kleine dwarsstraat achter het hoofdkwartier van de Deutsche Bank, in zijn kamer links aan het eind van de gang, spreekt de negentigjarige Robert Ehret over zijn leeftijd en hoe zwaar het hem valt alles los te laten. Ook Ehret is na zijn tijd in het bestuur gaan studeren: theologie en filosofie. Maar anders dan Steinmetz is hij altijd een insider gebleven, net als de anderen aan deze gang. 
‘Aan het eind van het leven worden de ruimtes steeds kleiner,’ zegt Robert Ehret, ‘en de laatste ruimte zal de kleinste zijn.’ Hij zegt dat hij nu in de voorlaatste ruimte zit, en daar wil blijven tot het einde.

    Auteurs: Marc Brost en Andres Veiel
    Vertaler: Piet Meeuse

    Marc Brost is chef van de Berlijnse redactie van Die Zeit.
    Andres Veiel is een bekende documentairemaker.

    Die Zeit
    Duitsland | 540.000
    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.