Tag: Barbara Kruger

  • Barbara Kruger: ‘Ik maak geen vrouwenkunst’

    Barbara Kruger: ‘Ik maak geen vrouwenkunst’

    De Amerikaanse kunstenaar Barbara Kruger maakt in haar werk onder andere gebruik van reclame, internet, rechts getinte aanplakbiljetten en memes. Ze laat met een enorme visuele kracht zien wat het betekent om in een bepaalde tijd te leven. ‘De beschikbaarheid van beelden en de verspreiding ervan veranderen ons leven,’ zegt ze tegen The Drift.

    Toen in juni bekend werd dat het Amerikaanse Hooggerechtshof het arrest Roe versus Wade de nek had omgedraaid en daarmee het federale recht op abortus, waren wij niet de enigen die moesten denken aan Barbara Krugers beroemde zeefdruk Untitled (Your Body Is a Battleground). Net als veel ander werk van Kruger blijft het uit 1989 daterende portret actueel, of we dat nu leuk vinden of niet. Haar onmiddellijk herkenbare en veelvuldig geïmiteerde stijl heeft enkele van de meest onuitwisbare afbeeldingen uit de moderne kunst voortgebracht.

    Op haar zevenenzeventigste is Kruger nog volop actief en maakt ze zowel geheel nieuwe kunst als nieuwe versies van oudere werken onder een andere invalshoek of met een nieuw medium. Dit jaar reisde Thinking of You. I Mean Me. I Mean You. de VS af: een overzichtstentoonstelling die vier decennia omspant en die een kans biedt om stil te staan bij de reikwijdte van haar inspiratiebronnen en haar eigen invloed op anderen. Kruger is een omnivoor die gebruikmaakt van reclame, internet, rechts getinte aanplakbiljetten, memes en zelfs plagiaat op haar eigen werk, zoals imitaties door modemerk Supreme en krugereske beelden op Tumblr. De vooral uit grote installaties bestaande tentoonstelling is een verzameling van grootschalige collages, geluids-werken, van aantekeningen voorziene teksten en videofilms waarin jonge poesjes worden gecombineerd met rechtse retoriek.

    Via Zoom spraken we met Kruger over haar carrière, haar mediadieet, haar politieke standpunten, de altijd kolkende stroom beelden en woorden en – wat anders? – reality-tv.

    Een van uw beroemdste werken, Untitled (Your Body Is a Battleground), werd aanvankelijk gemaakt voor de vrouwenprotestmars naar Washington in 1989, die bedoeld was om abortus gelegaliseerd te krijgen. Hoe staat u tegenover de nieuwe protestmarsen van vrouwen en het herroepen van Roe versus Wade?

    ‘Ik hoop vooral dat de mensen die nu meedemonstreren voor reproductieve rechten en zeggenschap over het eigen lichaam de macht van het Hooggerechtshof in hun achterhoofd hadden toen ze bij de laatste presidentsverkiezingen en de tussentijdse verkiezingen hun stem uitbrachten. Hun keuzes, die tot een nipt verschil in de uitslagen leidden, hebben ons de samenstelling van het huidige hof opgeleverd. Wat er gebeurde ten aanzien van Roe was heel erg voorspelbaar en had voorkomen kunnen worden. Het is noodzakelijker dan ooit dat mensen strategisch stemmen en beseffen hoezeer hun stem, gezien de gevolgen voor de rechtspraak, bepalend zal zijn voor hoe zij zich – of hoe wij ons – dag en nacht voelen.’

    ‘Ik stem niet “met mijn geweten”, want de wereld is groter dan het narcistische geweten van mijzelf of wie dan ook. Jarenlang verzekerden veel kandidaten van andere partijen dan de Democraten of Republikeinen ons dat als Roe zou worden herroepen, dat geen probleem zou zijn omdat het dan gewoon een kwestie van individuele Amerikaanse staten zou worden. En dat kwam altijd uit de koker van een man zonder baarmoeder. Ik ga de geleidelijke veranderingen in het beleid van de Democratische Partij hier niet verdedigen, maar ik moet strategisch stemmen. Ik zal de tijd van “Bush versus Gore” nooit vergeten, toen veel stemmen uit kringen rond de Universiteit van Florida, gecombineerd met de macht van Hooggerechtshoflid Sandra Day O’Connor, ons het begin brachten van de huidige ruk naar rechts van het Hooggerechtshof – hoewel die eigenlijk zelfs al eerder in gang was gezet door die verfoeilijke Clarence Thomas.’

    Rechts is al bijna drie eeuwen bezig om olie op dit vuur van wrok en superioriteitsgevoelens te gooien

    ‘“Oud links” is nooit echt buiten de gebaande paden getreden, zelfs niet toen het bestond uit jonge studenten. Het bleef zaken als gender en ras marginaliseren en weigerde in te zien dat deze kwesties tegelijkertijd en dringend moeten worden aangepakt. 

    Trump is niet verantwoordelijk voor dit gedoe. Rechts is al bijna drie eeuwen bezig om olie op dit vuur van wrok en superioriteitsgevoelens te gooien. Maar nu is de geest volledig uit de fles. En dat hoeft niemand te verbazen.’

    barbara kruger thinking of you i mean me i mean you art institute of chicago exhibition 3
    Thinking of You. I Mean Me. I Mean You.
    © Art institute Chicago / Barbara Kruger

    In enkele van uw nieuwste werken gaat u expliciet in op het presidentschap van Trump –

    ‘Dat bestrijd ik. Ja, er waren twee momenten in Untitled (No Comment) dat Trump een fractie van een seconde te zien was en er waren beelden van Michael Cohen. Ik heb covers gemaakt voor The New York Times en New York (inclusief, in oktober 2016, een afbeelding van Trumps gezicht met het woord LOSER over zijn neus in het lettertype Futura Bold Oblique, Krugers handelsmerk) op heel specifieke momenten, naar aanleiding van bepaalde incidenten, maar voor het meeste van mijn werk gaat dat niet op. Ik probeer de manier waarop macht met cultuur is verweven in een breder perspectief te plaatsen, en ook de manier waarop we ons tot elkaar verhouden, hoe we elkaar aanbidden of verafschuwen, hoe we elkaar strelen, kussen of slaan. Dat zijn dingen die me bezighouden. Maar ik denk echt niet dat het zo vaak over Trump gaat. Alleen is Trump een geweldige verkoper en kopen een heleboel mensen wat hij ze voorhoudt.

    Ik maak geen feministische kunst. Ik ben een vrouw die ook feminist is. Ik maak geen vrouwenkunst

    Ik maak geen politieke kunst. Ik maak geen feministische kunst. Ik ben een vrouw die ook feminist is. Ik maak geen vrouwenkunst. Ik vind dat die categorieën ieders werk marginaliseren. Ik houd me bezig met ideeën over macht en manieren van afbeelding, over plezier en straf, over levens en het begin en eind daarvan, en met de vraag hoe er, te midden van momenten van plezier en tederheid, explosies van vernieling en onderwerping kunnen bestaan, en de waanzin van oorlog.’

    Iets wat ons opviel toen we door uw tentoonstelling liepen, was dat uw werk veel meer leek te spelen met stijlfiguren van internet en die leek te bekritiseren dan de kunst van veel tijdgenoten die met internet zijn opgegroeid. Wat zijn uw ervaringen met internet en waarop wilt u kritiek leveren?

    ‘Ik zou het woord “kritiek” niet eens in de mond nemen. Eigenlijk weet ik niet eens wat dat op een bepaald niveau betekent. Met Untitled (I Shop Therefore I Am) stond ik stil bij de overweldigende macht van marktcultuur, of die nu heel erg stedelijk of landelijk is, en of het nu via fysieke winkels of digitaal gaat. Wat ik doe is kijken naar de manier waarop ons leven tot op zekere hoogte een soort rampplek is geworden voor narcisme en voyeurisme. Kunnen we ons leven blijven leiden zonder ons voor de lens te bevinden, of achter de lens? Als je in een museum bent en een foto maakt van een voorwerp, dan is dat niet genoeg – je moet in het voorwerp zijn, in de afbeelding. Het “ik was hier”-achtige daarvan is heel veelzeggend. Ik was hier. Dit is er gebeurd. Ik ben hier. Kijk naar me. Dit zijn mijn “likes”. Dat is tegenwoordig misschien wel het bewijs dat je leeft.’

    Waardoor wordt die tendens ingegeven?

    ‘Ik heb het idee dat de beschikbaarheid van beelden en de verspreiding ervan, of het nu beelden van dingen zijn of de manier waarop we naar onszelf kijken – het feit dat die beelden beschikbaar zijn en dat wat we erover te zeggen hebben ook ogenblikkelijk beschikbaar is – de momenten van ons leven veranderen. Wat betekent “wees hier, nu”? Betekent het “wees hier op het moment zelf” of “leg dat moment vast”? Dat zijn verschillen die de kop hebben opgestoken door veranderingen op het gebied van receptie, methodologie en technologie.’

    In hoeverre hebt u het over mensen van andere generaties, en in hoeverre hebt u het ook over uzelf?

    ‘Ik ga nog liever naar de hel dan dat ik me laat fotograferen. Maar dat komt door de jaren dat ik voortdurend met mijn neus in de foto’s zat bij uitgeverij Condé Nast. Ik was daar fotoredacteur en keek naar de modellen, de kleren, de lichamen, de markteconomie van koopwaar en hoe lichamen ook tot die koopwaar behoorden. Maar ik denk ook dat er tot op zekere hoogte erkenning moet zijn voor de macht die het geeft wanneer je de camera op iemand anders richt. Dat verandert wanneer je hem op jezelf richt. Generaties straatfotografen en fotojournalisten zijn op zoek gegaan naar de gruwelijkste gebeurtenissen, de goddelijkste eigenaardigheden, de meest “andere” anderen. Ik denk dat het “vangen” van beelden vaak gepaard gaat met de mogelijkheid, zo niet de onvermijdelijkheid, van uitbuiting. In veel opzichten zijn de conventionele fotojournalistiek en de zogeheten “straatfotografie” jammerlijk onderbelicht gebleven als manieren van afbeelden. Maar als mensen ervoor kiezen om zichzelf af te beelden, wordt het een andere vorm. Dan verandert het.’

    De woorden ‘jij’, ‘ik’ en ‘mij’ duiken telkens opnieuw op in uw werk. Hoe denkt u over universaliteit en individualiteit? Wie is de ‘ik’ en wie is de ‘jij’?

    ‘Ik denk niet na over “universaliteit”. Ik ben te zeer beducht voor de manier waarop je daardoor verschillen kunt reduceren en wegpoetsen. En wat dat “jij”, “wij” en “ik” betreft, ik vraag me gewoon af hoe de plaats van het onderwerp werkt, hoe aanspreekvormen werken. Rechtstreeks aanspreken is een drijvende kracht achter een groot deel van mijn werk geweest. Maar ik geloof niet dat er een specifiek of vast “jij”, “zij” of “wij” bestaat. Ik denk dat het veelomvattender en vloeibaarder is. Je kunt afwijzen of accepteren dat je wordt aangesproken, of iets daartussenin.’

    In de loop der jaren, naarmate uw werk beroemder werd, hebben veel mensen zich uw afbeeldingen toege-eigend, en uw nieuwste werk omvat enkele van die toe-eigeningen. Ziet u dat als een vorm van samenwerking of als een vorm van kritiek?

    ‘Het voelt als geen van beide. Ik zou willen zeggen dat het me altijd is blijven verbazen en amuseren – en tot op zekere hoogte plezieren – dat mijn werk zo’n onderdeel van de cultuur is geworden. Ik had nooit verwacht dat mensen mijn naam of mijn werk zouden gaan kennen, dus dit is het zoveelste voorbeeld van die willekeur, van de rol van historische omstandigheden en maatschappelijke betrekkingen die tezamen bepalen wie er gezien wordt en wie niet, wie er gehoord wordt en wie niet. En de razendsnelle verspreiding van beelden, woorden en eigennamen heeft alles versneld en beïnvloed.

    Ik denk dat de komst van film, radio, televisie en internet verschillende kansen heeft geboden voor het rechtstreeks aanspreken. En onlinelevens gaan natuurlijk enorm over de beloften en afstraffingen van het rechtstreeks aanspreken, niet alleen via teksten maar ook via oogcontact, of van oor tot oor via ASMR.

    Ik heb het altijd belangrijk gevonden om voor ogen te houden welke volstrekt marginale rol beeldende kunst in de VS speelt

    Ik heb het altijd belangrijk gevonden om voor ogen te houden welke volstrekt marginale rol beeldende kunst in de VS speelt. Wie denkt erover na? Van veel kunstenaars kent bijna niemand de naam, en ik neem niet aan dat iemand weet wie ik ben, behalve in bepaalde kleine subculturen. Maar nu ik mijn honderdste nader, krijg ik opeens deze steun via allerlei instituties. Steeds meer mensen hebben mijn werk gezien, en het reist nu digitaal sneller rond dan het ooit heeft gedaan. Maar ik denk dat het belangrijk is om te beseffen dat de zogeheten “kunstwereld” een heel benauwde en bekrompen plek kan zijn. Zelf zie ik kunst in een veel ruimere zin: als een spuitbus van commentaar, een enorme visuele, filmische, sonische en tekstuele creatie van wat het betekent om in een bepaalde tijd te leven. Een vermogen om de ervaringen van de wereld te visualiseren of op schrift of muziek te zetten.’ 

    Kruger Kassel Documenta 2 Majel van der Meulen
    Thinking of You. I Mean Me. I Mean You. in het Museum of Modern Art, New York. – © Emile Askey / Moma

    Beïnvloedt dat ook uw werkwijze als docent beeldende kunst?

    ‘Dat deed het wel, maar ik ben dit jaar gestopt met lesgeven. Maar weet u, ik heb altijd lesgegeven op een openbare universiteit, niet op een kunstacademie, En omdat ik zelf geen bachelor- of masteropleiding heb gevolgd, vond ik het belangrijk om les te geven op een openbare universiteit met veel eerstegeneratiestudenten, eerstegeneratiefamilies, studenten die tot de eerste generatie Engelstaligen behoorden. Het betekende iets dat deze jonge mensen op een openbare universiteit studeerden of een beroepsopleiding volgden waar hun een heel breed perspectief werd geboden op wat ze van hun leven konden maken, in plaats van op een privéacademie waar de jongste studenten soms al bezig waren met het plannen van hun carrière in de kunstwereld. Daar is op zich niets mis mee, maar ik vond het geen context waarin ik van erg veel nut kon zijn.’

    Voelt u zich meer thuis in zo’n omgeving dan in het door galeries bevestigde kunstcircuit?

    ‘Ik heb de subcultuur van de kunst altijd erg intimiderend gevonden. Elke keer als ik een galerie binnenliep, had ik gevoel dat ik een kledingborstel bij me moest hebben, vanwege dat idee van perfectie en zo. Jonge kunstenaars bedenken manieren om zichzelf in leven te houden – sommige kiezen ervoor om assistent te worden van een gerenommeerde kunstenaar, of om in een galerie te werken. Dat was voor mij nooit weggelegd. Voor mij was het heel erg een klassenkwestie. Ik heb gewoon jarenlang negen-tot-vijfbaantjes gehad.’

    Is er iets veranderd? Zijn er ontwikkelingen gaande in de kunstwereld die u hoopvol stemmen over de toekomst ervan?

    ‘Ja, natuurlijk is er iets veranderd. Ik bedoel, goddank is er iets veranderd, maar de strijd is nog niet gestreden. Ik herinner me dat begin jaren tachtig de situatie begon te veranderen voor (witte) vrouwen. Maar nu zien we enorme verschuivingen op het gebied van macht en vertegenwoordiging. Veel meer mensen kunnen zich tegenwoordig moeiteloos kunstenaar noemen. Het duurde een hele tijd voordat ik mezelf als kunstenaar zag. Ik heb weleens gezegd dat de “kunstwereld” eruitzag als twaalf witte mannen in Lower Manhattan. Maar er was altijd veel meer aan de hand. Er waren zo veel kunstenaars die op zo veel niveaus gemarginaliseerd en onzichtbaar gemaakt waren. Factoren als ras, klasse en gender waren doorslaggevend om al dan niet gezien te worden. Nu maken we een historische “reset” mee die absoluut dringend noodzakelijk is, zelfs als je bedenkt dat een deel ervan misschien wel wordt aangejaagd door een uitermate speculatieve markt en allerlei spijtbetuigingen.’

    In uw nieuwe tentoonstelling figureren ook enkele oudere werken van uw hand. Wat betekent het voor u om terug te grijpen op eerder werk en om een bredere kijk op kunst te hebben, namelijk als een doorlopend proces dat op het heden is georiënteerd?

    ‘Pas de afgelopen vier jaar, tijdens het inrichten van deze tentoonstelling, die een jaar werd uitgesteld vanwege corona, ben ik me weer in die werken gaan verdiepen. Wat wordt “iconisch” en wat niet, wat komt in de canon, neemt toe in waarde of wordt waardeloos geacht? Als ik probeer te bepalen wat een heel tijdelijke “canoniciteit” bezit (laten we zeggen de komende twintig minuten), moet ik rekening houden met de grilligheid van smaak en waarde. Van wat wordt vergeten en twintig jaar later door kunsthistorici wordt opgegraven. Alles wordt zo sterk bepaald door de grilligheid van de markt.

    Het is een heel complexe mengeling van wat in het oog springt en wie een echte naam wordt en wie niet

    Het is een heel complexe mengeling van wat in het oog springt en wie een echte naam wordt en wie niet. En daar ben ik me altijd erg van bewust geweest, omdat ik aan beide kanten heb gezeten, en ook in het midden. Jaren geleden had ik een tentoonstelling, genaamd Picturing “Greatness”, die inging op de manier waarop grootsheid tot stand komt – de willekeurigheid ervan, de investeringen, de opwinding en de verhalen eromheen. Mensen die echt in grootsheid geloven wens ik alle succes en macht toe. Maar voor mijzelf is het zo’n bouwwerk van inflatoire markten en claims. Ik heb eerder gezegd dat geen enkel kunstwerk, geen schilderij, beeld, film, muziekstuk of gebouw ooit zo groots, belangrijk en briljant is – of zo beschadigd en onbeduidend – als de maker ervan voor ogen had. Alles is een vorm van overdrijving. Dat is ofwel een verkoopargument of het komt voort uit een behoefte om in het idee van “het meesterwerk” te geloven, of in de uitzonderlijkheid van een bepaalde schepper. Dat hoort er allemaal bij, maar ik ben geneigd er met enige argwaan naar te kijken.’

    Is er nog iets anders waar u het over wilt hebben?

    ‘Nou, iets waarover ik heb nagedacht is de wisselende belangstelling voor het narratief en de rekbaarheid van de aandachtsspanne. De grote filmstudio’s zijn natuurlijk bijna te gronde gegaan door het teruglopende bioscoopbezoek en hebben ervoor gekozen om vooral te investeren in grote spektakel- en vervolgfilms. Dat leek in veel opzichten ten koste te gaan van het verhalen vertellen en van de vertelvormen van kleinere films. De aandachtsspanne leek meer berekend op episodisch kijken. En mijn werk, mijn bewegende beeldende kunst, is veel meer episodisch dan narratief in lineaire zin. Maar streaming heeft zowel nieuwe belangstelling voor het narratief gewekt als een enorme liefde voor – zo niet een verslaving aan – episodisch kijken. Als je niet naar films kijkt, kijk je naar seriëlere, tv-achtige dingen. In de precoronatijd duurde het narratief te lang – is het nou nog niet afgelopen? We zijn zo gewend aan de snelheid van online, of het nu memes zijn of snelle beelden. En ik denk dat de segmentering van verhalen via streaming de mogelijkheid heeft geopend voor meer narratief, maar dan in korte stukjes en afleveringen. We zien gestreamde dingen die van de oude filmstudio’s nooit het groene licht zouden hebben gekregen.

    Vóór corona had ik nog nooit naar [de animatieserie] BoJack Horseman gekeken, maar in mijn ogen is dat een kunstwerk. Ik bedoel, de mensen die die shit schreven moeten aan de paddo’s zijn geweest, want het was echt zó’n pakkende tragedie. Over leven en doodgaan. Het was niet alleen maar grappig – ik bedoel, af en toe moest ik huilen. Alles van Jordan Peele heb ik gezien; Ozark was geweldig; Small Axe van Steve McQueen, alle vijf die films, dat was echt ongelooflijk; Euphoria was visueel zo sterk, ook al was het te veel uitgesponnen. Maar allemaal voelde het nog steeds episodisch en gesegmenteerd. Het was niet zoiets als drie uur in een bioscoop zitten, snap je? Vanaf het begin van corona, toen ik negentien maanden LA niet uit ben geweest, heb ik zo veel schitterende dingen gestreamd. En ook reality-tv – dat was een escapistische reddingsboot. Kun je het je voorstellen? Reality-tv als brenger van geestelijke gezondheid. Zo is de wereld eraan toe.’

    Naar wat voor reality-tv kijkt u?

    ‘Nou, ik kijk er nu veel minder naar, maar bijvoorbeeld Real Housewives, Black Ink Crew, Vanderpump Rules, 90 Day Fiancé, bijna alles van HGTV [Home & Garden Television] – absolute onroerendgoedporno.’

    U hebt bij uw werk vaak gebruikgemaakt van ‘lagere cultuur’, zoals ook in deze tentoonstelling: onlinememes en kattenfilmpjes…

    ‘Ik kom er niet onderuit dat een bepaalde mallotigheid altijd een belangrijke rol in mijn werk heeft gespeeld, een gebruik van de lach die zowel bevrijdend als meedogenloos kan zijn. Vooral in deze tijd waarin mensen huizenhoog op het schild worden geheven of genadeloos voor schut worden gezet. Maar niets werkt zo goed als jonge poesjes en hondjes. Tenzij je totaal gestoord bent raak je vertederd door puppy’s en kittens, door hun intense schattigheid. Ik denk niet dat veel mensen immuun zijn voor die beelden; ze geven toegang tot een ander soort emotionele ruimte, die warmer is en vaak grappig.’

    Hoe voelt het om die naast de beelden van Trump te zetten, en naast de teksten die u hebt geschreven?

    ‘Voor mij voelt het levensecht. Ik denk dat ik het zo het best kan omschrijven. Het voelt levensecht.’