Tag: bedrijfsleven

  • Waarom AI maar niet van de grond komt in het bedrijfsleven

    Waarom AI maar niet van de grond komt in het bedrijfsleven

    Kunstmatige intelligentie biedt enorme kansen voor bedrijven. Toch blijft grootschalige invoering uit. Slechts tien procent van de ondernemingen in de VS past AI daadwerkelijk zinvol toe, blijkt uit een onderzoek van United States Census Bureau. Hoe komt dat?

    Laat de term ‘AI’ vallen bij grote ondernemers, en ze steken gloedvol van wal over het baanbrekende gebruik van kunstmatige intelligentie binnen hun organisatie. Recent zei Jamie Dimon van de Amerikaanse JP Morgan Chase dat zijn superbank over liefst 450 gebruiksscenario’s (use cases) beschikte. Yum! Brands, de fastfoodreus die onder meer Kentucky Fried Chicken en Taco Bell onder zijn vleugels heeft, stelt dat AI het nieuwe bedrijfssysteem van restaurants wordt. Booking.com dicht AI een belangrijke rol toe in het verbeteren van reizigerservaringen. En bijna de helft van de vijfhonderd grootste Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen (S&P 500) maakten melding van AI tijdens de toelichting van hun bedrijfsresultaten in het eerste kwartaal van dit jaar. 

    Wat de CEO’s ook mogen beweren, de AI-revolutie verloopt opvallend stroef. Volgens een hoogwaardig onderzoek van het United States Census Bureau (een onderdeel van het ministerie van Economische Zaken) gebruikt slechts tien procent van bedrijven AI op een zinvolle manier. ‘De toepassing door het bedrijfsleven valt tegen’, zo staat in een recent artikel van de bank UBS te lezen. Goldman Sachs houdt ondernemingen in de gaten die ‘de grootste groei in basisomzet door AI-toepassing zouden kunnen realiseren’, en die hebben het de afgelopen maanden niet best gedaan op de aandelenmarkt. 

    Vreemd. AI biedt zulke grote mogelijkheden dat het geld op straat ligt. Waarom rapen bedrijven dat dan niet op? De verklaring ligt in persoonlijke economische belangen.

    Pril

    Natuurlijk is AI nog pril. Je moet wat hobbels overwinnen om de technologie goed te gebruiken. De integratie van data in de cloud, bijvoorbeeld, vergt tijd. Dat viel te verwachten. Maar dan nog gaat het erg langzaam. Voorspelden analisten van de bank Morgan Stanley dat bedrijven AI al in 2024 breed zouden toepassen, daar is niet veel van terechtgekomen. Dit jaar zouden autonome systemen taken uitvoeren op basis van data en vooraf gedefinieerde regels. Niet dus. Volgens UBS hebben bedrijven tot op heden vooral veel koudwatervrees getoond. Misschien moeten we dieper graven om de oorzaak te vinden van die discrepantie tussen het enthousiasme van leidinggevenden en de traagheid op de werkvloer. 

    Economen die de ‘beleidskeuzetheorie’ propageren, stellen dat overheidsfunctionarissen hun eigen belangen boven die van de burger laten prevaleren. Bureaucraten kunnen bijvoorbeeld weigeren banen te schrappen als dit betekent dat hun vrienden zonder werk komen te zitten. Vooral grote bedrijven kampen soms met dergelijke problemen. Er is een verschil tussen ‘formeel’ en ‘werkelijk’ gezag, stelden Philippe Aghion van de London School of Economics en Jean Tirole van de Universiteit van Toulouse in de jaren negentig. Op papier is een CEO bevoegd om grootschalige organisatorische veranderingen op te leggen. In de praktijk hebben vooral middenmanagers het voor het zeggen. Zij kennen alle valkuilen van de dagelijkse bedrijfsvoering en kunnen veranderingen die van bovenaf worden opgelegd naar eigen inzicht interpreteren, vertragen of zelfs tegenhouden.

    Bij de invoering van nieuwe technologieën speelt die beleidskeuzedynamiek vaak een rol. Joel Mokyr van Northwestern University stelt dat ‘technologische vooruitgang altijd al op krachtige weerstand heeft gestuit. Het gaat om een doelbewust, uit eigenbelang voortkomend verzet tegen nieuwe technologie.’ Frederick Taylor, een ingenieur die aan het einde van de negentiende eeuw deugdelijke managementtechnieken in de VS introduceerde, stelde dat machtsstrijd binnen bedrijven de invoering van nieuwe technologie dikwijls heeft belemmerd.

    AI en de belofte van groei

    Wat gebeurt er met onze levensstandaard als kunstmatige intelligentie écht doorbreekt? De voorspellingen lopen sterk uiteen. ARK Invest noemt 7 procent jaarlijkse groei plausibel, Epoch AI denkt zelfs aan meer dan 20 procent. Ook wordt voorspeld dat de economie elke tien jaar zal verdubbelen; kinderen zouden honderden keren rijker worden dan hun ouders.
    Nobelprijswinnaar Daron Acemoglu blijft sceptisch en schat dat AI de groei voorlopig met hooguit 0,1 procentpunt zal verhogen. Ook The Financial Times wijst op obstakels. Worden AI-systemen echt goed genoeg om zichzelf te verbeteren? En is er voldoende energie om hun rekenkracht te voeden? Voorspellingen over stroomverbruik en energiebehoefte die torenhoog zouden zijn remmen de opwaartse impact mogelijk af.
    The Guardian waarschuwt dat de ‘hype’ rond Artificial General Intelligence (AGI) de wetenschap nu al overvleugelt, dat de autonomie in systemen nog ontbreekt.
    Ook historisch perspectief wordt ingebracht: zoals dat in de jaren zestig verwachtingen ook hooggespannen waren – met onderwijs en technologie in opkomst –, maar de beloofde sprong in levensstandaard deels uitbleef. Economen benadrukken het belang van sectoren zoals zorg en onderwijs, waar productiviteit moeilijk te verhogen is, en wijzen erop dat juist deze sectoren in vergrijzende samenlevingen steeds meer gewicht krijgen.
    De echte impact van AI ligt dus waarschijnlijk eerder in subtiele maatschappelijke verschuivingen dan in spectaculaire welvaartssprongen, in lijn met het pleidooi van Nick Foster.

    Uit recent onderzoek blijkt dat deze machtsstrijd nog steeds gaande is. In 2015 publiceerden David Atkin van het Massachusetts Institute of Technology en zijn collega’s een artikel over fabrieken in Pakistan die voetballen maakten. Wat hen vooral interesseerde was hoe het ervoor stond met een nieuwe technologie die voor minder verspilling zorgde. Na ruim een jaar constateerden ze dat de toepassing ervan ‘eigenaardig beperkt’ was. De nieuwe technologie maakte dat sommige werknemers langzamer gingen werken, die daardoor de vooruitgang in de weg stonden — onder meer doordat ze eigenaren onjuiste informatie gaven over de waarde van de technologie. Een andere studie, van Yuqian Xu van de University of North Carolina in Chapel Hill en Lingjiong Zhu van Florida State University, beschreef vergelijkbare conflicten tussen werknemers en managers bij een Aziatische bank die haar activiteiten probeert te automatiseren.

    Conflicten over AI binnen bedrijven zijn nog nauwelijks onderzocht, maar lijken behoorlijk fel te zijn. Moderne ondernemingen in welvarende landen zijn opvallend bureaucratisch. In de Verenigde Staten hebben bedrijven inmiddels zo’n 430.000 interne juristen in dienst, tegenover 340.000 tien jaar geleden – een stijging die veel groter is dan die van de totale werkgelegenheid. Hun voornaamste taak is vaak om medewerkers te weerhouden van bepaalde handelingen. Mogelijk maken zij zich zorgen over de juridische risico’s van nieuwe AI-toepassingen: hoe bepaal je aansprakelijkheid als er iets misgaat en er nauwelijks jurisprudentie bestaat? Bijna de helft van de respondenten in enquêtes van UBS noemt regelgeving en naleving als grootste obstakels bij het implementeren van AI. Andere juristen buigen zich over de impact op gevoelige kwesties als gegevensbescherming en discriminatie.

    De tirannie van de inefficiëntie

    Mensen in andere functies hebben ook zo hun zorgen. HR-medewerkers (van wie het aantal in de VS de afgelopen tien jaar met veertig procent is gestegen) zullen inzitten over het effect van AI op banen en om die reden obstakels opwerpen. Steve Hsu, een fysicus aan de Michigan State University en oprichter van een AI-startup, stelt dat veel mensen zich gedragen als de Pakistaanse voetbalfabrikanten. Managers uit het middenkader zijn beducht voor de langetermijngevolgen van AI.  ‘Als het wordt ingezet om banen één echelon lager weg te automatiseren, zijn ze bang dat zij zelf op een dag aan de beurt zijn,’  zegt Hsu.

    Op den duur zullen marktmechanismen er wel voor zorgen dat meer bedrijven serieus gebruik gaan maken van AI. Net als bij eerdere nieuwe technologieën, zoals de tractor en de personal computer, valt te verwachten dat innovatieve bedrijven de achterlopers uit de markt drukken. Maar dat kan nog even duren – misschien te lang voor de grote AI-bedrijven, die flinke rendementen nodig hebben op hun investeringen in datacenters. De ironie van arbeidsbesparende automatisering is dat mensen daarbij vaak een sta-in-de-weg zijn.

  • Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Generatie Z, ingeklemd tussen fast fashion en duurzaamheid

    Ze hebben het over duurzaamheid én dromen van privéjets. Er is geen klantengroep die ondernemingen meer hoofdbrekens bezorgt dan Generatie Z. Waar geven jongeren hun geld aan uit? En hoe kun je ze bereiken zonder dat ze het cringe vinden?

    Als Sally Özcan, een influencer van 34 jaar, uitlegt hoe haar wereld eruitziet, komen zelfs keukenbedrijven als Miele, Vitra en Bosch naar haar luisteren. Ook managers van andere traditionele bedrijven zijn naar München gekomen om iets van haar op te steken. Het gaat erom hip en aantrekkelijk te worden voor een jonge doelgroep, wier wensen niet meer worden begrepen. Ze heeft een hand-out meegenomen, een to-do-list voor de nieuwe tijd. Het allerbelangrijkste is volgens haar de app die je gebruikt. 

    Facebook? De mensen daar zijn ‘oud en koopkrachtig’ en die zijn het gemakkelijkst te bereiken met nostalgie, met slogans in de trant van ‘Vroeger was alles beter’. Generatie Z moet je elders zoeken, vertelt Özcan. Op feelgoodsite Pinterest bijvoorbeeld (‘veel geld, veel vraag’) of op TikTok (‘laag inkomen, korte aandachtsspanne’). Om de heel jonge consumenten te bereiken moet de bedrijfstak in elk geval zijn oude reclamespotjes overboord gooien. Wat voor hen telt, is geloofwaardigheid. ‘Dat is wat Generatie Z zoekt. Ze willen geen reclame, ze willen transparantie.’

    Geloofwaardigheid

    Via haar website Sallys Welt (shop, blogs, filmpjes) bereikt Özcan miljoenen kijkers. Op YouTube bakt ze Schwarzwälder Kirschtorte, op TikTok legt ze uit hoe een spuitzak werkt, op Facebook post ze foto’s van haar boekhouding. Ook al hoort ze daar zelf niet bij, voor Generatie Z – de mensen die geboren zijn tussen 1995 en 2010 – is Özcan een ster. Zij weet hoe je de ‘zoomers’ moet aanspreken.

    ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid’

    Om de maand maakt ze een ‘grote keukeninrichtingsvideo’ voor het dure merk Nobilia. Ze werkt samen met KitchenAid en Bosch, waarvan ze producten gebruikt om taarten en quiches te bakken. Sallycon Valley, dat ze samen met haar man runt in Waghäusel in Baden, heeft een miljoenenomzet en bijna honderdvijftig werknemers. Haar simpele formule: ‘Fabrikanten kopen bij ons geloofwaardigheid,’ zegt Özcan. En dat mag wat kosten.

    Inmiddels proberen bijna alle ondernemingen de jonge klanten aan zich te binden, maar de manier waarop ze dat doen komt vaak nogal hulpeloos over. Meubelfabrikant XXXLutz gebruikt jongerentaal in zijn reclamespots. Deutsche Telekom probeert met behulp van een jonge vrouwelijke rapper van zijn dure imago af te komen. Ryanair gooit het over een andere boeg en steekt op de sociale netwerken de draak met ontevreden klanten.

    Generatie Z is op de consumentenmarkt inmiddels de grootste machtsfactor. Over een paar jaar zal ze de millennials als grootste kopersgroep voorbijstreven. Business Insider schat haar koopkracht in de VS nu al op 360 miljard dollar. Jonge mensen kopen meer nieuwe kleding en elektronica dan voor de pandemie en zetten trends die hun leeftijdsgroep overstijgen: recession core, bijvoorbeeld, minimalistische beige mode voor een leven in crisistijd. Met traditionele middelen zijn ze intussen nauwelijks nog te bereiken. Meer dan een derde van de Duitse Generatie Z kijkt geen tv en verdeelt reclamespotjes in twee categorieën: belachelijk of irritant.

    Is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe, oftewel totaal gênant wordt?

    Het grootste probleem voor ondernemers is dat de vertegenwoordigers van deze generatie zo tegenstrijdig lijken. Volgens een enquête vindt bijna twee derde van hen het belangrijk zijn winkelwagen te vullen met duurzame producten. Tegelijkertijd zijn veel van de populairste producten heel schadelijk voor het milieu. Wegwerp-e-sigaretten van ELFBAR: van plastic. Fast fashion van Shein: uit China. Bontgekleurde fidget toys met plopeffect: gekocht uit verveling. Wat wil deze generatie nou echt? Hoe kunnen bedrijven zo’n ambivalente leeftijdsgroep bereiken? En is marketing ook mogelijk zonder dat het cringe wordt, dat wil zeggen: zonder het risico te lopen dat het totaal gênant wordt?

    Volgens Mathias Horsch wel. Hij is 28 – Patagoniahemd, Birkenstocks, Apple Watch – en start-up-ondernemer. Met zijn vrienden Fredi en Philipp heeft hij een paar jaar geleden Holy opgericht. In het begin maakten ze gaming boosters: energydrinks in poedervorm die de prestaties bij videogames moeten verbeteren. Highscores door cafeïne, een absolute hit bij jonge gamers. Tegenwoordig is het bedrijf in Berlijn gespecialiseerd in softdrinks in poedervorm. Horsch ziet Red Bull en Coca-Cola als zijn belangrijkste concurrenten, hij krijgt er per maand 15.000 nieuwe klanten bij. Dat kan alleen als je concessies doet.

    ‘Onze producten zijn suikervrij, maar er zit natuurlijk wel een zoetstof in omdat ze anders niet smaken,’ zegt hij; veel klanten vinden dat ongemakkelijk. De kakelbonte Holy-verpakking moet duurzaam zijn, maar er moet wel een plastic deksel op omdat het poeder anders hard wordt. Horsch zucht en bestelt een curryworst – van vlees, maar met vegan mayo.

    Concessies

    Het zijn concessies die vermoedelijk elk jong bedrijf moet doen. Maar Holy heeft ze in zijn eigen voordeel leren gebruiken. Zijn concept: radicale nabijheid. Horsch en zijn medeoprichters leggen op Instagram continu uit wat ze doen, ze rijden met een omgebouwde frietkar door het hele land en laten leden van de Holy Squad, zoals de hardcore-klanten zich noemen, stemmen over toekomstige varianten. ‘Er is zo veel oninteressant spul op de markt,’ zegt Horsch. Als je jongeren wilt bereiken, moet je eerlijk zijn. ‘Dan zijn ze ook authentiek gehypet.’

    Traditionelere producenten hebben het daar moeilijk mee. Thomas Wlazik leidt het marketingteam van TikTok voor de Duitstalige markt. Hij moet bedrijven telkens weer leren op hun apps geen klassieke tv-spots te gebruiken. Dat zou gewoon te gênant zijn.

    ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging’

    Als voorbeeld van een bedrijf dat de boodschap heeft begrepen, noemt hij Deutsche Bahn. ‘Hun posts zitten vol zelfspot en laten gewoon de werkelijkheid zien,’ zegt hij. In de eerste video van DB is een aankondiging te horen: ‘Op spoor 11 komt binnen het Tik Tok-kanaal van Deutsche Bahn. Met drie jaar vertraging.’

    Merken die bij Generatie Z scoren, zijn vooral de merken die zich door een persoon laten presenteren. Meer dan de helft van de jongvolwassenen vindt influencers geloofwaardiger dan klassieke reclamespotjes.

    Zelfs het blauwe mosterdpotje van Bautz’ner wordt nu op de markt gezet via content creators die in de camera grijnzen terwijl ze mosterd naar binnen lepelen. Het doel is de mosterd neer te zetten als de ‘zelfironische love brand van Gen Z’, schrijft reclamebureau WeCreate, zonder ‘de vaste klanten (met name in Oost-Duitsland) van zich te vervreemden’.

    ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon’

    Wanneer je als merk niet heel vroeg in iemands leven aanwezig bent, ben je gewoon nooit aanwezig, zegt Yaël Meier: ‘Bedrijven moeten zijn waar wij zijn, namelijk op onze telefoon.’ Meier weet waar ze het over heeft: grote concerns bellen haar als ze in verband met Generatie Z weer eens met de handen in het haar zitten. De 22-jarige Zwitserse is een soort exegeet voor gearriveerde marketingafdelingen; samen met haar levenspartner runt ze het managementadviesbureau Zeam in Zürich; ‘team’, maar dan met een z.

    Als ze met bedrijven praat, moet ze vaak vooroordelen uit de weg ruimen, zegt Meier terwijl ze van haar matchathee nipt. Bijvoorbeeld dat jonge mensen nauwelijks geld hebben om uit te geven. ‘Dat klopt niet,’ zegt ze. ‘Jongeren hebben geen vermogen, maar wel geld. En dat geven ze graag uit, liefst aan luxe zaken.’ Aan Rolexhorloges, kleren van Yves Saint Laurent of een peperdure haardroger van Dyson. Ook BMW, zegt Meier, is ongelooflijk populair bij Gen Z, ‘omdat het merk erin is geslaagd aansluiting te vinden bij de digitale wereld’. Het automerk uit München zet inmiddels inderdaad zijn logo op gamestoelen en computermuizen. Een sportwagen past nu eenmaal niet in de kinderkamer.

    First class

    Ook luxe reizen zijn bij Generatie Z ongelooflijk in opkomst, beweert Meier. ‘In mijn Instabubbel is het tegenwoordig absoluut trendy om business of first class te vliegen.’ Bedrijven als Solutions Holding, dat wereldwijd meer dan vijftig hotels exploiteert of beheert, profiteren daarvan. Ronja Gerhard (37), erfgename van het bedrijf, ontwikkelde een half virtuele, half analoge avonturenreis voor jonge vrouwelijke vakantiegangers: Sisters of Paradise.

    De kern ervan is een soort speurtocht met websitebegeleiding, waarbij je een bende meisjes helpt die op zoek gaan naar hun verdwenen broer. Op elke vakantielocatie van Gerhard wordt een nieuw hoofdstuk van de participatieroman geactiveerd. Een trip die het midden houdt tussen rollenspel en voorleesboek. Juist jonge mensen, zegt Ronja Gerhard, willen geen doorsneehotels, maar een story.

    ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z’

    Zulke trends zorgen bij veel bedrijven voor verwarring. Was het niet deze generatie die niet van straat weg te krijgen was omdat ze opkwam voor het klimaat? Hadden ze het niet zojuist nog over vliegschaamte?

    Marc Herz (41), marktonderzoeker en partner bij het strategiebureau K’UP in Berlijn, heeft begrip voor deze ambivalentie: ‘De nieuwe hardheid in de wereld drukt ook haar stempel op Generatie Z.’ Over elkaar heen buitelende crises zijn deel van het dagelijks leven van deze leeftijdsgroep, die is opgegroeid met corona, de klimaatcrisis en de Russische oorlog tegen Oekraïne. En die nu ook weleens wat anders wil. Bij een deel constateert Herz een ‘vlucht naar schoonheid’, die af en toe doorslaat naar verspilling.

    Uit onderzoek blijkt dat 20 procent van de jongeren tussen 14 en 29 jaar schulden heeft.

    Herz ziet dat deze generatie in een zingevingscrisis zit. Jongeren zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid en zouden vaak ook meer aan biologische producten willen uitgeven. En dan moeten ze voor zichzelf verantwoorden dat ze geen weerstand kunnen bieden aan snelle modetrends. ‘Dan zeggen ze dat iedereen het immers doet en dat je toch niets goed kunt doen,’ zegt Herz. Een kwart van de 18- tot 25-jarigen vindt het in eerste instantie een taak van de overheid om milieuproblemen aan te pakken, slechts 13 procent geeft zichzelf de schuld. Chinese webwinkels als AliExpress en Temu, razend populair bij Generatie Z, passen in dit beeld: hier speelt een schoon geweten dan even geen rol.

    Jongere consumenten die het anders willen doen, zie je op zaterdagochtend in Kulturkirche Altona in Hamburg. Start-up Vinokilo verkoopt er vintage kleren; de rekken hangen vol geruite overhemden, spijkerrokjes en bloemetjesjurken. De clou is dat je hier per kilo betaalt, de prijzen liggen tussen de 40 en 55 euro. Zo’n honderd jongvolwassenen verdringen zich tussen de rijen. Sehraa (20) stopt kleren in een fruitkrat die op een weegschaal staat. ‘Vijf kilo?’ zegt ze lachend en ongelovig. Ze duwt haar metgezel twee jassen in handen en weegt alle items nog eens, een voor een. Ze heeft al zo veel kleren, zegt ze. Ze koopt ze toch.

    Achter Vinokilo zit ondernemer Robin Balser (33), die al als student een soort kledingruilbeurs runde. Sinds 2017 verkoopt hij beroepsmatig tweedehands spullen en heeft hij het oude idee van verkoop per kilo voor een nieuwe generatie aantrekkelijk gemaakt. Sehraa en andere klanten hebben het evenement ontdekt op Instagram. ‘Don’t let fashion rule you,’ schrijft Vinokilo daar. Dat past bij hun levensstijl: wie vintage koopt, draagt zowel individualiteit als duurzaamheid uit.

    De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’

    In de ogen van de kopers, zegt Robin Balser, is tweedehands kleding van een soort vodden veranderd in een premium product. De influencerscultuur heeft een druk gecreëerd om ‘iedere dag iets anders aan te trekken’. Zo’n driekwart van Generatie Z zegt wel eens tweedehands kleding te hebben gekocht. De koopzucht wordt in elk geval niet minder, ze verandert alleen. Neem Henri, negentien jaar, die met zijn vingers snel door de mannenoverhemden gaat. Minder consumeren is belangrijk voor hem, zegt hij. ‘Maar nog belangrijker is hoe dingen eruitzien.’

    Het lijkt alsof deze generatie klem zit tussen twee uitersten: fast fashion en slow vintage, verspilling en duurzaamheid. Maar er is een derde weg en ook die is allang een trend geworden. Met deinfluencing willen jonge mensen corrigeren wat influencers hebben aangericht. Ze gaan voor een camera zitten, laten allerlei producten van Amazon of Chinese webwinkels zien en zeggen wat niemand anders zegt: ‘Dit heb je helemaal niet nodig.’

  • Spaanse regering vraagt bouwbedrijf Ferrovial om niet naar Nederland te vertrekken

    Spaanse regering vraagt bouwbedrijf Ferrovial om niet naar Nederland te vertrekken

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Noord-Ierland: jubileum Goedevrijdagakkoord verstoord door geweld

    » Israël: Netanyahu draait ontslag minister van Defensie terug

    ‘Geen economische argumenten’ voor vertrek

    De Spaanse regering wil Ferrovial overhalen om af te zien van zijn besluit om het hoofdkantoor naar Nederland te verplaatsen. Staatssecretaris van Economie Gonzalo García Andrés heeft maandag een brief gestuurd aan de CEO van het Spaanse bouwbedrijf, Ignacio Madridejos. Daarin deelt hij hem mee dat uit de analyses van de overheid niet blijkt dat het voor een Spaanse onderneming noodzakelijk is haar hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen om rechtstreeks aan de New York Stock Exchange te worden genoteerd, bericht El País. Volgens Ferrovial is een beursnotering op Wall Street namelijk de reden voor het vertrek naar Amsterdam.

    De Spaanse regering heeft zich al eerder uitgesproken over het aangekondigde vertrek van bouwgigant Ferrovial, maar deze brief is ‘bijzonder relevant omdat hij slechts drie dagen vóór de algemene aandeelhoudersvergadering komt’ die de verhuizing naar Nederland moet goedkeuren, schrijft het Spaanse dagblad. De Spaanse regering benadrukt dat er ‘geen economische argumenten zijn’ voor het vertrek.

    De verhuizing zou vooral zijn ingegeven door de belastingvoordelen die Nederland te bieden heeft

    Ferrovial wordt met een jaaromzet van 7,5 miljard euro en meer dan 24.000 werknemers gezien als de trots van het Spaanse bedrijfsleven. Het aangekondigde vertrek heeft dan ook veel stof doen opwaaien. Zo zou de verhuizing vooral zijn ingegeven door de belastingvoordelen die Nederland te bieden heeft. Ferrovial zou naar verluidt tientallen miljoenen euro’s minder belasting betalen als het hoofdkantoor in Amsterdam is gevestigd. Het bedrijf verwacht dat de verhuizing na de zomer kan worden afgerond.

    Lees ook:

  • Bedrijven en goed doen gaat zelden samen. Het wordt tijd dat we dat onder ogen zien

    Bedrijven en goed doen gaat zelden samen. Het wordt tijd dat we dat onder ogen zien

    Bedrijven hebben zich verplicht om de wereld te redden. Dat kan alleen maar fout gaan. Het wordt tijd dat ondernemingen een ander doel gaan zoeken, schrijft de Duitse journalist Carsten Lotz.

    Het is altijd raadzaam om achterdochtig te zijn wanneer van een keerpunt wordt gesproken. Vooral als het om een terugkeer gaat. 

    Van een dergelijk keerpunt is nu sprake rondom de ‘purpose’-beweging. Deze beweging heeft verscheidene jaren de economische en maatschappelijke discussie in het bedrijfsleven gedomineerd, waarbij het ging om het afstemmen van de onderneming op een doel (purpose) – idealiter op een goed doel, van welke aard ook. Nu lijkt het erop dat de zakenwereld er genoeg van heeft en zich weer richt op het goede oude (eerlijke?) geldverdienen.

    Is de afstemming op een doel daarbij weer voorbij? Of was er in eerste instantie misschien niet eens sprake van een keerpunt?

    Betrouwbaar en stabiel

    Zakenman Larry Fink ondertekende drie jaar geleden een inmiddels beroemd geworden document, waarin tientallen bedrijfsleiders afstand namen van het idee uitsluitend voor de eigen aandeelhouders te werken. Enkele maanden later schreef hij een niet minder beroemde brief aan de managers van de deelnemers in zijn investeringsfonds Blackrock. Hierin verplicht hij ook de managers van die ondernemingen tot de purpose. Het is de moeite waard die tweede brief nauwkeurig te lezen. Daarin staat een ondanks de vette letter meestal over het hoofd geziene zin: ‘Uiteindelijk is purpose de motor voor winstgevendheid op de lange termijn.’

    Als we deze zin van Fink serieus nemen, dan was het doel altijd al middel tot het doel. Om te begrijpen waarom de purposebeweging desondanks meerdere jaren lang de economische en maatschappelijke discussie kon beheersen, loont het de moeite om wat dieper in de filosofie erachter te graven.

    De ‘purpose’-gedachte viel namelijk op zeer vruchtbare filosofische bodem en werd met opzet (Engels: ‘on purpose’) vervreemd van het doel. Voor Aristoteles was de ‘purpose’ al een van de oorzaken van het bestaan van de dingen. In zijn grote werk Physica presenteert hij vier oorzaken van de dingen: de causa materialis, de causa formalis, de causa efficiens en de causa finalis. Elk ding bestaat dus omdat het uit een bepaalde materie bestaat (bijvoorbeeld metaal), een bepaalde vorm heeft (bijvoorbeeld een sleutel), iemand of iets het deze vorm heeft gegeven (de slotenmaker), en het een doel heeft (het openen van de deur). Dit doel geeft antwoord op de vraag: waar dient het voor? Welk nut heeft het?

    De middeleeuwse scholastiek probeerde aan te tonen dat het doel een prominente rol speelt. Zonder de noodzaak de deur open en dicht te kunnen doen, zou er sleutel noch slot bestaan, en dus ook geen slotenmaker. Dat alles, ook de mens, zijn doel heeft, garandeerde de menselijke waardigheid en de orde van de goddelijke schepping. Het maakte de wereld betrouwbaar en stabiel.

    Verdacht

    Maar met het einde van de goddelijke wereldorde ging ook de purpose verloren. In het kader van de Verlichting werd deze zelfs actief gesloopt. In het filosofische debat van de zeventiende eeuw (Hobbes, Descartes, Spinoza) speelde de causa finalis geen rol meer. En Charles Darwins op toeval en selectie gebaseerde evolutietheorie brak volledig met het idee dat ook maar iets in deze wereld een bedoeling zou hebben. De natuurwetenschappen beschrijven causale samenhangen. Daarin is de vraag naar een doel of bedoeling verdacht.

    Ook moderne stromingen in filosofie en sociologie zoals het (post)structuralisme en de systeemtheorie kunnen het zonder stellen. De beroemde uitspraak van econoom Milton Friedman, ‘The business of business is business’, trekt met zijn tautologie deze trend door naar de economische wereld. Socioloog Niklas Luhmann formuleerde het later abstracter: de economie is een systeem van betalingen dat zichzelf in stand houdt. Het enige doel is het instandhouden van de solvabiliteit.

    Maar in het dagelijks leven worden we voortdurend geconfronteerd met alle mogelijke doelen. Het fornuis dient om te koken, de auto om te rijden en de telefoon was er ooit om te telefoneren. Wij ervaren dat de dingen om ons heen ergens toe dienen. En in onze prestatiemaatschappij baseren we ons gevoel van eigenwaarde op het feit dat we ons nuttig maken. Wat niet (meer) te gebruiken is, wordt weggegooid. Wie niet bruikbaar is, vindt geen baan. Doelen alom. Alleen werd er tot dusver niet van ‘purpose’ gesproken, maar van ‘vraag’.

    Men had in de bedrijven gewoon nog eens goed na kunnen denken over het eigenlijke doel van de onderneming

    De aansporing van Larry Fink zou je heel eenvoudig kunnen lezen als: een onderneming die nergens goed voor is, die geen antwoord is op een maatschappelijke vraag, verliest zijn bestaansrecht en daarmee de mogelijkheid geld te verdienen. Zonder een doel voor de onderneming, een doel dat men bij het aanmelden van een bedrijf in Duitsland zelfs moet aangeven, is er geen uitzicht op winst of waardestijging.

    Men had in de bedrijven gewoon nog eens goed na kunnen denken over het eigenlijke doel van de onderneming. Een businessmodel dat berust op de productie van kankerverwekkende stoffen is duidelijk weinig toekomstbestendig, omdat zulke producten steeds meer verboden zullen worden. Een businessmodel gebaseerd op hernieuwbare energie of vaccins die pandemieën tegengaan, zal daarentegen door veel trends, in technologisch, politiek en maatschappelijk opzicht, gedragen worden. 

    Zingeving

    Maar de purposebal werd binnen de bedrijven niet opgevangen in de afdelingen waar de strategie wordt bepaald, maar in de afdelingen Marketing en Branding. Zij zagen kans om een leemte in de moderne maatschappij op te vullen. Het bedrijfsleven moest ook op zoek naar zin en zingeving. Men schroefde de ‘purpose’ op tot een ‘noble purpose’; een nobel doel. Dat kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Al in 2013 was er een boek verschenen met de titel Selling with Noble Purpose.

    Zelfs wanneer er geen winsten te verdelen vallen, zijn er nog altijd meer dan genoeg purposes.

    De auteur beweert dat de motivatie om iets goeds te doen voor anderen betere verkoopresultaten oplevert dan geldelijke bonussen. Ook in leiderschapsseminars heeft de purposegedachte allang zijn intrede gedaan. Met populaire psychologie en religieus syncretisme worden kleine opwekkingsevenementen georganiseerd voor de managerselite, die met goede voornemens naar huis gaat, tot de eerstvolgende vergadering over de cijfers ze weer met beide benen terugplaatst in de economische realiteit.

    Dat de purposegedachte ook bij de critici van het kapitalisme in vruchtbare aarde viel, is weinig verrassend. Zelfs wanneer er geen winsten te verdelen vallen, zijn er nog altijd meer dan genoeg purposes. En men was genereus.

    Zo genereus dat de ambivalentie van het concept aanvankelijk niet opviel. Maar je hoeft Luhmann niet gelezen te hebben om te begrijpen dat elke aanspraak op zin te maken krijgt met de constante uitdaging van de onzin – of beter: de niet-zin. Het systeem dat deze zin moet vaststellen en verdedigen wordt bovendien instabieler naarmate het zinsbegrip flexibeler toegepast kan worden.

    Omgekeerd geformuleerd: hoe veelomvattender en absoluter het purposebegrip wordt geïnterpreteerd, hoe moeilijker het wordt om het systeem dat men daarop bouwt stabiel te houden. Zo had de kerk moeite om met de tegenstrijdigheden van het hoogste zinsbegrip om te gaan. Als God volmaakt is, en het hem aan niets ontbreekt, waarom schiep hij dan de wereld? Als God het goede wil, wat is dan het doel van het kwaad in de wereld? Als God barmhartig is, waarom bestaat er dan een hel? Op deze vragen antwoordt de kerk niet met theoretische stellingen, maar met haar geloofsbelijdenis, haar praxis en haar cultus. Ik hoef de vraag naar God niet theoretisch opgelost te hebben. Ik kan in het heden iets goeds doen en bidden om verlossing in de toekomst.

    Geld krijgt opeens een geur. Zakendoen wordt een kieskeurige aangelegenheid

    De moderne economie heeft zich volgens Luhmann vooral gestabiliseerd door haar toegankelijkheid voor iedereen en haar belofte van groei. Iedereen kan van iedereen alles kopen. En met geld kan alles betaald worden. Het kent geen maatschappelijke hiërarchie, geen verleden en geen toekomst. Deze radicale agnostiek stelde het systeem open voor iedereen en maakte het optimaal flexibel.

    ‘Pecunia non olet’, geld stinkt niet, zou de Romeinse keizer Vespasianus hebben gezegd om de rioolbelasting salonfähig te maken. Maar wanneer nu naast de geldelijke betalingen in de economie een tweede code wordt ingevoerd, dan vermindert dat de flexibiliteit van het systeem. Geld krijgt opeens een geur. Zakendoen wordt een kieskeurige aangelegenheid. Nieuwe beperkingen duiken op. De de mogelijkheden van uitwisseling nemen af, het systeem wordt instabieler en minder winstgevend.

    Droom

    Purpose kan alleen een motor van winstgevendheid op lange termijn zijn, zoals Larry Fink die verlangt, als deze zich optimaal kan aanpassen aan de verwachting van de consument. Purpose is dan alles waar vraag naar bestaat. Maar dan wordt hij verwisselbaar met de code van het geld. Alles waarvoor men bereid is te betalen is goed voor iemand, en heeft dus een doel, een purpose.

    De noble purpose wekt andere verwachtingen. Daarbij gaat het erom de wereld te redden van de klimaatcatastrofe, of om de gelijkberechtiging van de geslachten, van seksuele voorkeuren en etnische minderheden, om het overwinnen van de honger, de kindersterfte en de grote beschavingsziektes, om de bestrijding van de armoede en de democratisering van dictatoriale samenlevingen.

    Deze verwachtingen zijn op zichzelf al moeilijk onder één noemer te brengen. Ze brengen prioriteringsproblemen van de hoogste orde met zich mee. Dat geldt in nog grotere mate voor de ideologie die wil dat al die doelen ook nog verenigbaar zijn met winstmaximalisering.

    Dat was de droom die bepaalde takken van de economie ons de afgelopen jaren hebben laten dromen. De beurskoersen die jarenlang schijnbaar zonder aanleiding stegen, hebben ons daarbij in slaap gewiegd.

    Door de terugkeer van harde economische problemen zoals de stabiliteit van leverantieketens, van de energievoorziening of de inflatie van salarissen en grondstofprijzen, zijn de leiders van het bedrijfsleven uit hun droom ontwaakt. Waar de resultaten van het eerstvolgende kwartaal onzeker zijn, dient allereerst de focus op de zuivere winst de zelfstabilisering van het systeem.

    Dat is precies wat de economie in de laatste tweehonderd jaar zo succesvol heeft gemaakt. Moraalfilosoof Adam Smith, kroongetuige van het kapitalisme, adviseerde de politiek al in de achttiende eeuw om zich niet te richten op de welwillendheid van de bakker om onze voedselvoorziening te garanderen, maar op zijn eigenbelang om met onze honger zaken te doen. Deze geniale schaakzet liet de redding van de wereld over aan de ‘onzichtbare hand’. Hij belastte de betrokkenen niet met complexe overwegingen over een nobel doel.

    Voor de meeste ondernemingen is het voldoende om eenvoudig hun eigen businessplan goed uit te voeren en daarmee geld te verdienen. De zoektocht naar zin kunnen ze gerust aan anderen overlaten, die op dat gebied competenter zijn. En verder staat het iedereen vrij zijn geld te besteden aan de redding van de wereld. Geld stinkt namelijk niet.

    Lees ook:

  • Aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers is nog nooit zo hoog geweest

    Aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers is nog nooit zo hoog geweest

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ontbossing bereikt recordhoogte in de Braziliaanse Amazone

    » Tientallen doden door overstromingen in Zuid-Afrika

    Italiaanse vrouwen in topfuncties

    Volgens de Italiaanse beurstoezichthouder CONSOB is het aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers nog nooit zo hoog is geweest. ‘Eind 2021 werd 41 procent van de bestuursfuncties in beursgenoteerde ondernemingen bekleed door een vrouw’, aldus CONSOB in een rapport, ‘mede dankzij regelgeving voor genderquota’, bericht persbureau ANSA.

    De intrede van vrouwen in raden van bestuur heeft volgens CONSOB voor wezenlijke veranderingen gezorgd. Zo is ‘de gemiddelde leeftijd van de bestuursleden gedaald, het aandeel afgestudeerden toegenomen en de diversificatie van beroepsprofielen vergroot’. Het rapport tekent wel aan dat slechts zestien Italiaanse beursgenoteerde bedrijven vrouwelijke CEO’s hebben, iets meer dan 2 procent van het totaal.

    Lees ook:

  • 1. De toekomst van ons werk: een gezonde deeleconomie

    1. De toekomst van ons werk: een gezonde deeleconomie

    De deeleconomie zoals die nu bestaat deugt niet, vindt Pacific Standard. Deelnemers hebben nauwelijks zeggenschap en de winst vloeit naar een kleine groep aandeelhouders. Door een coöperatievere manier van werken kunnen we zelf de touwtjes in handen nemen.

    De internetcultuur blijkt de betekenis van doodgewone woorden te kunnen veranderen. ‘Democratisering’ betekent tegenwoordig dat meer mensen online vliegtickets of aandelen kunnen kopen, terwijl de associaties van weleer – juryrechtspraak en stemhokjes – naar de achtergrond zijn gedrongen. ‘Verdringing’ (of ‘disruptie’) wordt zonder blikken of blozen als iets positiefs bestempeld; men doelt niet op de ontslaggolven en de sociale ontwrichting die ontstaan wanneer het ene bedrijf het andere uit de markt drukt, maar slechts op het aansprekende verhaal van een David die een Goliath verslaat. En dan is er nog het ‘delen’. Vroeger deelden we goederen met mensen in onze leefomgeving. Delen is nu het woord dat wordt gebruikt voor de financiering van een techstart-up die ons in contact brengt met mensen die wij vervolgens kunnen betalen om hun huis, auto of lego te mogen gebruiken.

    De zogeheten deeleconomie had nog maar nauwelijks het licht gezien of velen beseften dat de slogans over vertrouwen en netwerken slechts een list waren om mensen geld afhandig te maken. Maar deze list verandert nog steeds de manier waarop we werken. Platforms zoals Uber en Amazon Mechanical Turk [een digitaal platform waarop je eenvoudige klusjes kunt uitbesteden] gebruiken het feit dat ze op internet zitten om niet alleen de douane te omzeilen maar ook de regels omtrent fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. Ze staan op het punt om werknemers op het gebied van arbeidsrecht meer dan een eeuw terug in de tijd te zetten. Maar dankzij datzelfde internet is dit het ideale moment om een economie van de grond te tillen waarin de deelnemers daadwerkelijk eigendom en daadwerkelijke zeggenschap delen.

    Deelnemers centraal

    Probeert u zich voor te stellen hoe anders Mechanical Turk eruit zou zien als de duizenden medewerkers ook mede-eigenaar van het platform zouden zijn. Ze zouden besluitvormingsapps kunnen gebruiken, zoals DemocracyOS of Loomio, om te beslissen aan welke beleidslijnen de werkgevers zich moeten houden. Ze zouden hun aandelen online kunnen beheren. Als het platform het goed doet, zouden ze kunnen beslissen hoeveel dividend ze zichzelf willen uitkeren en hoeveel ze willen investeren in onderzoek en ontwikkeling. Ze zouden ongekend gemotiveerd zijn om het platform bij potentiële klanten aan te prijzen. Het succes van het platform zou hun succes zijn. En zou Facebook er niet ook anders uitzien wanneer de gebruikers tevens eigenaar waren en zelf konden bepalen wat er met hun gegevens gebeurde? Of Uber?

    Het is allemaal mogelijk. Neem de in Denver gevestigde coöperatie Green Taxi, die zijn eigen app heeft om een taxi te bestellen – het gemak van Uber, met als verschil dat de chauffeurs niet zijn overgeleverd aan regels die zijn opgesteld door een vrijwel anoniem bedrijf dat een deel van de winst opstrijkt. Het Israëlische La’Zooz zit al meer in de hoek van de sciencefiction: het is een autodeelsysteem dat gebruikmaakt van de technologie die ten grondslag ligt aan de bitcoin, waarbij zowel bestuurders als meerijders mede-eigenaren worden.

    Zou Facebook er niet anders uitzien als de gebruikers tevens eigenaar waren?

    Onze economie bestaat meer en meer uit kortlopende klussen die slechter worden betaald en minder zekerheid bieden dan in het verleden. Coöperaties zijn een manier om de deelnemers centraal te stellen. Met de hulp van Bay Area’s Sustainable Economies Law Center is het bedrijf Loconomics bezig een alternatief voor TaskRabbit [eveneens een klusjesplatform] te ontwikkelen dat in handen is van de medewerkers.

    Voor zo ongeveer elk ouderwets bedrijfsmodel waar wij op leunen is er een coöperatievere manier van werken denkbaar. De Amazon-achtige marktplaats Fairmondo, gevestigd in Duitsland, is in handen van de gebruikers en is daarmee iets heel anders dan een monopolist die de strijd aanbindt met uitgevers. Social media-federaties zoals Diaspora en Friendica maken duidelijk dat we over alle functionaliteiten van Facebook en Twitter kunnen beschikken zonder de zeggenschap te verliezen over wat er gebeurt met alle privégegevens die we daaraan toevertrouwen.

    © Hajo
    © Hajo

    Er zijn offlineredenen waarom de grote onlineplatforms gewoonlijk niet zo in elkaar steken – het is in elk geval niet zo dat de technologie ontbreekt. De meeste techbedrijven verkopen hun eigendomsrechten en zeggenschap aan rijke investeerders, wier voornaamste belang is om snel veel geld te verdienen. Durfkapitalisten zijn dol op ondernemingen die snel kunnen groeien zonder al te veel gedoe met werknemers die een humane behandeling eisen. De Uber-investeerders zullen staan te juichen zodra ze de chauffeurs kunnen vervangen door zelfrijdende auto’s.

    We moeten onze cultuur en onze drijfveren weer met elkaar in balans brengen

    Wie de burelen van een groot techbedrijf betreedt, zou de indruk kunnen krijgen dat de egalitaire utopie werkelijkheid 
is geworden. Ontwikkelaars rijden op een stepje door immense kantoortuinen en besluiten ter plekke in welke van de vele projectgroepen, die voortdurend in ontwikkeling zijn, ze hun tijd willen steken. Men heeft het over de do-ocracy [een organisatiestructuur waarin mensen zelf hun rollen en taken kiezen] en de holacracy [een systeem dat autoriteit en besluitvorming verdeelt over zelfstandige, autonome teams].

    De internetcultuur heeft ons veel geleerd over samenwerken. Maar deze utopie strekt zich – op hier en daar een aandelenpakket na – niet uit tot eigendom en zeggenschap. Uiteindelijk is de onderneming erop gericht de winst te maximaliseren in het belang van de investeerders, die al dan niet betrokken zijn bij het daadwerkelijke product. De voorkant van het internet, waarin gelijkheid het motto lijkt, verhult het deprimerend vertrouwde bedrijfsmodel aan de achterkant.

    We hebben een keuze. We kunnen steeds meer de richting opgaan van Uber en Mechanical Turk, waar het werk geen zekerheid biedt, onpersoonlijk is en door anderen wordt ingevuld. Of we kunnen bouwen aan de onlinearbeidsplaatsen die een democratische samenleving verdient. Dat houdt in dat de mensen die de boel draaiende houden – of dat nu thuisgebruikers zijn of programmeurs op kantoor – een aandeel kunnen hebben in de beslissingen, en daar vervolgens ook de vruchten van kunnen plukken. Dat wil zeggen dat projecten gefinancierd worden met middelen die we als groep beheren, in plaats van terug te vallen op markten die ongelijkheid in de hand werken. Dat kan ook beteken dat er nog wel 
wat dotcomzeepbellen uit elkaar zullen spatten.

    Voor zo ongeveer elk ouderwets bedrijfsmodel is een coöperatievere manier van werken denkbaar

    Een coöperatiever internet ligt alleen binnen bereik als we onze cultuur en onze drijfveren weer met elkaar in balans weten te brengen – en daarnaast de woorden die we gebruiken een andere invulling geven. De overheid zou bijvoorbeeld voorrang kunnen geven aan aanbieders die in hun eigen beleid een werkelijk democratisch uitgangspunt hanteren. Techjournalisten kunnen besluiten zich niet langer positief uit te laten over disrupties in de markt die werknemers niet méér zeggenschap over hun bestaan geven. En wie de loftrompet steekt over de deeleconomie zou kunnen benadrukken dat bij het delen ook het eigendom zou moeten worden betrokken.

    Dit is eerder een praktische dan een ideologische uitdaging. Het gaat er niet om een starre, rechtlijnige praktijk te ontwikkelen. Waar het wél om gaat, is dat we een wereld scheppen waarin een jonge, veelbelovende ondernemer – iemand die niets liever wil dan iets nieuws en goeds in de markt zetten – inziet dat hij het beste volgens democratische principes te werk kan gaan.

    Auteur: Nathan Schneider
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Nathan Schneider schrijft over politieke, economische en religieuze ontwikkelingen in de VS. Hij was de eerste journalist die over Occupy Wall Street schreef voor o.a. Harper’s Magazine, The Nation, The New York Times en publiceerde daarover in 2013 Thank You, Anarchy: Notes from the Occupy Apocalypse.

    Pacific Standard
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000
    Dit in 2008 opgerichte tijdschrift droeg tot 2012 de achternaam van oprichter Sara Miller McCune, die ook eigenaar is van de internationale uitgeverij Sage Publications. PS is onderdeel van de non-profitorganisatie Miller McCune Center for Research, Media and Public Policy. Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.