Tag: bedrijven

  • Waarom AI maar niet van de grond komt in het bedrijfsleven

    Waarom AI maar niet van de grond komt in het bedrijfsleven

    Kunstmatige intelligentie biedt enorme kansen voor bedrijven. Toch blijft grootschalige invoering uit. Slechts tien procent van de ondernemingen in de VS past AI daadwerkelijk zinvol toe, blijkt uit een onderzoek van United States Census Bureau. Hoe komt dat?

    Laat de term ‘AI’ vallen bij grote ondernemers, en ze steken gloedvol van wal over het baanbrekende gebruik van kunstmatige intelligentie binnen hun organisatie. Recent zei Jamie Dimon van de Amerikaanse JP Morgan Chase dat zijn superbank over liefst 450 gebruiksscenario’s (use cases) beschikte. Yum! Brands, de fastfoodreus die onder meer Kentucky Fried Chicken en Taco Bell onder zijn vleugels heeft, stelt dat AI het nieuwe bedrijfssysteem van restaurants wordt. Booking.com dicht AI een belangrijke rol toe in het verbeteren van reizigerservaringen. En bijna de helft van de vijfhonderd grootste Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen (S&P 500) maakten melding van AI tijdens de toelichting van hun bedrijfsresultaten in het eerste kwartaal van dit jaar. 

    Wat de CEO’s ook mogen beweren, de AI-revolutie verloopt opvallend stroef. Volgens een hoogwaardig onderzoek van het United States Census Bureau (een onderdeel van het ministerie van Economische Zaken) gebruikt slechts tien procent van bedrijven AI op een zinvolle manier. ‘De toepassing door het bedrijfsleven valt tegen’, zo staat in een recent artikel van de bank UBS te lezen. Goldman Sachs houdt ondernemingen in de gaten die ‘de grootste groei in basisomzet door AI-toepassing zouden kunnen realiseren’, en die hebben het de afgelopen maanden niet best gedaan op de aandelenmarkt. 

    Vreemd. AI biedt zulke grote mogelijkheden dat het geld op straat ligt. Waarom rapen bedrijven dat dan niet op? De verklaring ligt in persoonlijke economische belangen.

    Pril

    Natuurlijk is AI nog pril. Je moet wat hobbels overwinnen om de technologie goed te gebruiken. De integratie van data in de cloud, bijvoorbeeld, vergt tijd. Dat viel te verwachten. Maar dan nog gaat het erg langzaam. Voorspelden analisten van de bank Morgan Stanley dat bedrijven AI al in 2024 breed zouden toepassen, daar is niet veel van terechtgekomen. Dit jaar zouden autonome systemen taken uitvoeren op basis van data en vooraf gedefinieerde regels. Niet dus. Volgens UBS hebben bedrijven tot op heden vooral veel koudwatervrees getoond. Misschien moeten we dieper graven om de oorzaak te vinden van die discrepantie tussen het enthousiasme van leidinggevenden en de traagheid op de werkvloer. 

    Economen die de ‘beleidskeuzetheorie’ propageren, stellen dat overheidsfunctionarissen hun eigen belangen boven die van de burger laten prevaleren. Bureaucraten kunnen bijvoorbeeld weigeren banen te schrappen als dit betekent dat hun vrienden zonder werk komen te zitten. Vooral grote bedrijven kampen soms met dergelijke problemen. Er is een verschil tussen ‘formeel’ en ‘werkelijk’ gezag, stelden Philippe Aghion van de London School of Economics en Jean Tirole van de Universiteit van Toulouse in de jaren negentig. Op papier is een CEO bevoegd om grootschalige organisatorische veranderingen op te leggen. In de praktijk hebben vooral middenmanagers het voor het zeggen. Zij kennen alle valkuilen van de dagelijkse bedrijfsvoering en kunnen veranderingen die van bovenaf worden opgelegd naar eigen inzicht interpreteren, vertragen of zelfs tegenhouden.

    Bij de invoering van nieuwe technologieën speelt die beleidskeuzedynamiek vaak een rol. Joel Mokyr van Northwestern University stelt dat ‘technologische vooruitgang altijd al op krachtige weerstand heeft gestuit. Het gaat om een doelbewust, uit eigenbelang voortkomend verzet tegen nieuwe technologie.’ Frederick Taylor, een ingenieur die aan het einde van de negentiende eeuw deugdelijke managementtechnieken in de VS introduceerde, stelde dat machtsstrijd binnen bedrijven de invoering van nieuwe technologie dikwijls heeft belemmerd.

    AI en de belofte van groei

    Wat gebeurt er met onze levensstandaard als kunstmatige intelligentie écht doorbreekt? De voorspellingen lopen sterk uiteen. ARK Invest noemt 7 procent jaarlijkse groei plausibel, Epoch AI denkt zelfs aan meer dan 20 procent. Ook wordt voorspeld dat de economie elke tien jaar zal verdubbelen; kinderen zouden honderden keren rijker worden dan hun ouders.
    Nobelprijswinnaar Daron Acemoglu blijft sceptisch en schat dat AI de groei voorlopig met hooguit 0,1 procentpunt zal verhogen. Ook The Financial Times wijst op obstakels. Worden AI-systemen echt goed genoeg om zichzelf te verbeteren? En is er voldoende energie om hun rekenkracht te voeden? Voorspellingen over stroomverbruik en energiebehoefte die torenhoog zouden zijn remmen de opwaartse impact mogelijk af.
    The Guardian waarschuwt dat de ‘hype’ rond Artificial General Intelligence (AGI) de wetenschap nu al overvleugelt, dat de autonomie in systemen nog ontbreekt.
    Ook historisch perspectief wordt ingebracht: zoals dat in de jaren zestig verwachtingen ook hooggespannen waren – met onderwijs en technologie in opkomst –, maar de beloofde sprong in levensstandaard deels uitbleef. Economen benadrukken het belang van sectoren zoals zorg en onderwijs, waar productiviteit moeilijk te verhogen is, en wijzen erop dat juist deze sectoren in vergrijzende samenlevingen steeds meer gewicht krijgen.
    De echte impact van AI ligt dus waarschijnlijk eerder in subtiele maatschappelijke verschuivingen dan in spectaculaire welvaartssprongen, in lijn met het pleidooi van Nick Foster.

    Uit recent onderzoek blijkt dat deze machtsstrijd nog steeds gaande is. In 2015 publiceerden David Atkin van het Massachusetts Institute of Technology en zijn collega’s een artikel over fabrieken in Pakistan die voetballen maakten. Wat hen vooral interesseerde was hoe het ervoor stond met een nieuwe technologie die voor minder verspilling zorgde. Na ruim een jaar constateerden ze dat de toepassing ervan ‘eigenaardig beperkt’ was. De nieuwe technologie maakte dat sommige werknemers langzamer gingen werken, die daardoor de vooruitgang in de weg stonden — onder meer doordat ze eigenaren onjuiste informatie gaven over de waarde van de technologie. Een andere studie, van Yuqian Xu van de University of North Carolina in Chapel Hill en Lingjiong Zhu van Florida State University, beschreef vergelijkbare conflicten tussen werknemers en managers bij een Aziatische bank die haar activiteiten probeert te automatiseren.

    Conflicten over AI binnen bedrijven zijn nog nauwelijks onderzocht, maar lijken behoorlijk fel te zijn. Moderne ondernemingen in welvarende landen zijn opvallend bureaucratisch. In de Verenigde Staten hebben bedrijven inmiddels zo’n 430.000 interne juristen in dienst, tegenover 340.000 tien jaar geleden – een stijging die veel groter is dan die van de totale werkgelegenheid. Hun voornaamste taak is vaak om medewerkers te weerhouden van bepaalde handelingen. Mogelijk maken zij zich zorgen over de juridische risico’s van nieuwe AI-toepassingen: hoe bepaal je aansprakelijkheid als er iets misgaat en er nauwelijks jurisprudentie bestaat? Bijna de helft van de respondenten in enquêtes van UBS noemt regelgeving en naleving als grootste obstakels bij het implementeren van AI. Andere juristen buigen zich over de impact op gevoelige kwesties als gegevensbescherming en discriminatie.

    De tirannie van de inefficiëntie

    Mensen in andere functies hebben ook zo hun zorgen. HR-medewerkers (van wie het aantal in de VS de afgelopen tien jaar met veertig procent is gestegen) zullen inzitten over het effect van AI op banen en om die reden obstakels opwerpen. Steve Hsu, een fysicus aan de Michigan State University en oprichter van een AI-startup, stelt dat veel mensen zich gedragen als de Pakistaanse voetbalfabrikanten. Managers uit het middenkader zijn beducht voor de langetermijngevolgen van AI.  ‘Als het wordt ingezet om banen één echelon lager weg te automatiseren, zijn ze bang dat zij zelf op een dag aan de beurt zijn,’  zegt Hsu.

    Op den duur zullen marktmechanismen er wel voor zorgen dat meer bedrijven serieus gebruik gaan maken van AI. Net als bij eerdere nieuwe technologieën, zoals de tractor en de personal computer, valt te verwachten dat innovatieve bedrijven de achterlopers uit de markt drukken. Maar dat kan nog even duren – misschien te lang voor de grote AI-bedrijven, die flinke rendementen nodig hebben op hun investeringen in datacenters. De ironie van arbeidsbesparende automatisering is dat mensen daarbij vaak een sta-in-de-weg zijn.

  • Bedrijven in Duitsland uiten zich minder terughoudend tegenover de AfD

    Bedrijven in Duitsland uiten zich minder terughoudend tegenover de AfD

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ruimteprogramma van Verenigde Staten loopt verdere vertraging op

    » Zuid-Korea: president Yoon afgezet door zijn partij, die zijn vertrek eist

    Steeds meer bedrijven spreken zich uit over politiek

    ‘De AfD wordt steeds machtiger, heeft op veel plaatsen in het oosten de kracht van een nationale partij en zou recordresultaten kunnen behalen bij de federale verkiezingen,’ meldt Der Spiegel. Dat niet alleen de politieke oppositie, maar ook bedrijven hier op reageren, blijkt uit een enquête van het Duits Economisch Instituut (IW). Er hebben 905 bedrijven meegedaan aan de enquête.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Bijna twee derde van de bedrijven die het als hun plicht ziet om zich ook met niet-economische beleidskwesties bezig te houden, wijst ook de verantwoordelijkheid toe aan hun belanghebbenden om zich actief uit te spreken tegen de AfD,’ aldus Knut Bergmann, hoofd van het hoofdstedelijke kantoor van het IW, volgens de krant Rheinische Post.

    Iets meer dan de helft van de bedrijven beschouwt de politieke tegenstand tegenover de AfD als de verantwoordelijkheid van de politiek en verenigingen. Of en welk politiek standpunt bedrijven uiten, ziet de helft van de ondervraagde bedrijven als een privézaak. In West-Duitsland zien meer bedrijven het als een plicht, aldus Der Spiegel.

  • Bedrijf in China biedt personeel bonus voor gewichtsverlies

    Bedrijf in China biedt personeel bonus voor gewichtsverlies

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Honderdtal doden bij aanval op dorp in Soedan

    » VS: OpenAI, Microsoft en Nvidia in het vizier van ministerie van Justitie

    De werknemers zijn in totaal al 800 kg afgevallen

    Een Chinees technologiebedrijf heeft op de sociale media in China lovende kritieken gekregen omdat het bijna een miljoen yuan (140.000 dollar) heeft gestoken in een fonds om zijn werknemers aan te moedigen om af te vallen. Dat schrijft South China Morning Post.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het bedrijf Insta360, dat is gevestigd in Shenzhen in de zuidelijke provincie Guangdong, lanceerde begin vorig jaar een afslankinitiatief. Sindsdien hebben honderdvijftig werknemers deelgenomen aan het programma en zijn ze in totaal 800 kilogram afgevallen.

    Het initiatief lijkt op een bootcamp voor gewichtsverlies. Het bedrijf organiseert iedere drie maanden een programma en rekruteert elke keer dertig werknemers. Deelnemers worden iedere week gewogen en krijgen een beloning van 400 yuan (€ 50) per persoon voor elke 0,5 kilogram die de groep gemiddeld is afgevallen. Als een lid van de groep aankomt, krijgt niemand een bonus en worden ze elk beboet met 500 yuan.

    Er zijn tot nu toe vijf bootcamps gehouden. Omdat zo veel personeel zich aanmeldde voor het programma, gaf het bedrijf voorrang aan mensen met obesitas.

  • Waarom big tech zo geheimzinnig doet over zijn inkomstenbronnen

    Waarom big tech zo geheimzinnig doet over zijn inkomstenbronnen

    Uit een diepgravend onderzoek van The Economist blijkt dat de almachtige techreuzen kwetsbaarder zijn dan je zou vermoeden. De winstgevende onderdelen zijn weliswaar uiterst lucratief, maar verzwegen informatie wijst ook op zwakheden.

    De Amerikaanse techgiganten verdienen onchristelijk veel geld. In 2021 bedroeg de gezamenlijke jaaromzet van Alphabet, Amazon, Apple, Meta en Microsoft 1,4 biljoen dollar. Dat geld komt uit een breed en continu groeiend scala aan inkomstenbronnen, van telefoons en geneesmiddelen tot videostreaming en virtuele assistenten. Analisten verwachten dat de gecombineerde omzet van de grote vijf in het eerste kwartaal van 2022 boven de 340 miljard dollar zal komen, zo’n 7 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar.

    Het driemaandelijkse ritueel van opzienbarende kwartaalcijfers begon dit jaar op 26 april, toen de eerste van de grote vijf zijn cijfers bekendmaakte: Alphabet kon bogen op een omzet van 68 miljard dollar, een stijging van 23 procent ten opzichte van vorig jaar, al was door een dalende groei van de advertenties de nettowinst gedaald tot 16,4 miljard. Diezelfde dag rapporteerde Microsoft een omzet van 49,4 miljard, 18 procent meer dan vorig jaar, en een nettowinst van 16,7 miljard. Een dag later rapporteerde Meta een omzet van 27,9 miljard met een nettowinst van 7,5 miljard dollar. Amazon en Apple moesten op het moment van schrijven nog met hun cijfers komen.

    Ze zijn een stuk zwijgzamer over hoeveel ze nu eigenlijk verdienen met hun verschillende producten en diensten

    Het is begrijpelijk dat de grote techbedrijven zich graag op deze indrukwekkende cijfers en hun gevarieerde productaanbod beroemen. Maar ze zijn een stuk zwijgzamer over hoeveel ze nu eigenlijk verdienen met hun verschillende producten en diensten. In de jaarcijfers en andere openbare stukken worden de inkomstenstromen meestal zo veel mogelijk op één hoop gegooid en zo vaag mogelijk omschreven. Vorig jaar waren de verkoopcijfers van de grote vijf bijvoorbeeld verdeeld over 32 bedrijfssegmenten. Vergelijk dat eens met de in totaal 56 segmenten van de vijf best presterende Amerikaanse bedrijven in andere sectoren. 

    Apple verdeelt zijn omzet in vijf segmenten, Meta maar in drie (zie grafiek 1). De categorie ‘Google Other’ was bij Alphabet vorig jaar goed voor 28 miljard dollar aan inkomsten. Daaronder vallen Googles appstore, de verkoop van smartphones en andere apparaten, en abonnementen van dochteronderneming YouTube. De advertentie-inkomsten van YouTube, die Alphabet pas in 2020 voor het eerst bekendmaakte, bedroegen vorig jaar 29 miljard dollar. Dat betekent dat Google Other en de advertentieafdeling van YouTube allebei meer opbrachten dan vier vijfde van de bedrijven in de S&P 500-index van de grootste Amerikaanse bedrijven.

    Niet te veel openheid

    Het is logisch dat je daar als bedrijf niet te veel openheid over wilt geven. Zolang concurrenten in het duister tasten, kunnen ze je goedlopende businessunits niet kopiëren en niet aan je marges gaan knibbelen. Andy Jassy, de algemeen directeur van Amazon, klaagt over het vooruitzicht dat hij zijn bedrijfscijfers nader zou moeten specificeren, omdat die cijfers ‘concurrentiegevoelige informatie’ bevatten.

    Helaas voor de techbaronnen wordt het ze steeds moeilijker gemaakt om die informatie te versluieren. Toezichthouders, politici en investeerders zien daar steeds meer een probleem in en roepen de grote platforms op tot meer transparantie over alles, van de werking van hun betaalsystemen tot de CO2-uitstoot waarvoor ze verantwoordelijk zijn. En er is ook steeds meer informatie beschikbaar uit andere bronnen, zoals rapporten van vermogensbeheerders, analyses van hedgefondsen en vooral uit mededingingsrechtszaken die overal ter wereld door concurrenten en toezichthouders worden aangespannen. Daaruit komen steeds meer details naar voren over hoe het er in de big tech intern aan toegaat.

    Daaruit rijst het beeld op dat de techreuzen kwetsbaarder zijn dan hun schijnbare almacht doet vermoeden

    Om daar inzicht in te krijgen heeft The Economist rechtbankdocumenten, interne e-mails, rapporten van analisten en uitgelekte dossiers uitgeplozen over Alphabet, Amazon, Apple en Meta (Microsoft heeft onderzoek naar monopolievorming ditmaal kunnen voorkomen, waardoor er over de inkomsten van dat bedrijf minder geheime cijfers naar buiten zijn gekomen). Daaruit rijst het beeld op dat de techreuzen kwetsbaarder zijn dan hun schijnbare almacht doet vermoeden. De winstgevende onderdelen van hun bedrijf zijn wel zo lucratief dat ze diepe zakken hebben, maar de verzwegen informatie wijst toch ook op enkele zwakheden. Drie daarvan springen eruit: grote winstconcentratie, afnemende klantentrouw en de enorme tegenvallers die ze riskeren op te lopen in de verschillende mededingingsrechtszaken.

    Winstmakers

    Allereerst de winstmakers. De grootste zijn meestal heel helder. De iPhone blijft de grote melkkoe van Apple, Amazon harkt het meeste geld binnen met clouddiensten, en Alphabet en Meta zouden nergens zijn zonder advertentie-opbrengsten. Maar de bedrijven zijn niet scheutig met gegevens over andere, kleinere maar snelgroeiende bedrijfsonderdelen.

    De grootste stille winstmakers voor Alphabet en Apple zijn misschien wel hun appstores. Voor alle aankopen binnen apps strijken ze een commissie op, meestal van wel 30 procent (al zijn ze als tegemoetkoming aan de toezichthouders wel bezig om die percentages te verlagen voor kleine softwareontwikkelaars en apps die afhankelijk zijn van abonnees). De resulterende inkomstenstroom is nog niet opzienbarend. Volgens een door diverse Amerikaanse staten aangespannen rechtszaak bedroeg de appstore-omzet voor Google in 2019 zo’n 11 miljard dollar, en analisten schatten dat die van Apple vorig jaar op zo’n 25 miljard dollar uitkwam. Maar doordat de onderhoudskosten van die appstore miniem zijn, is de winstmarge enorm. Uit de stukken van een rechtszaak die gamefabrikant Epic Games tegen de appstores heeft aangespannen, blijkt dat de winstmarge voor Apple wel 78 procent bedraagt, en voor Google 62 procent. Ter vergelijking: de operationele marge van heel Apple is 35 procent en van Alphabet (dat nog steeds vooral op advertentie-inkomsten leunt) 31 procent.

    Bij Apple werken vijf- tot zeshonderdduizend ontwikkelaars aan 1,8 miljoen apps

    De appstores zijn dus booming. Volgens de Competition and Markets Authority (CMA), de Britse mededingingsautoriteit, is de opbrengst van opdrachten die tussen 2017 en 2020 voor Google en Apple zijn uitgevoerd grofweg verdubbeld. In 2020 werkten acht- tot negenhonderdduizend ontwikkelaars aan tweeënhalf tot drie miljoen apps voor de Google appstore. Dat was iets meer dan bij Apple, waar vijf- tot zeshonderdduizend ontwikkelaars aan 1,8 miljoen apps werkten. Afgaande op de rechtszaak van Epic en het onderzoek van de CMA wijst niets erop dat deze groei afneemt of dat de marges slinken. Voor de Google appstore is de brutomarge de laatste jaren een paar procentpunt gestegen.

    In de jaarcijfers van Apple valt de opbrengst van de appstore onder de categorie ‘diensten’, die vorig jaar 68 miljard dollar opleverde, oftewel 19 procent van de totale bedrijfsomzet. Maar de appstore is nog niet Apples meest winstgevende dienst. Exacte cijfers zijn niet voorhanden, maar de CMA schat dat de brutomarge op Apples zoekadvertenties nog groter is. Dat is volgens de toezichthouder het gevolg van een deal die het met Google heeft gesloten om Google als standaardzoekoptie in te stellen op de meeste Apple-apparaten. In ruil daarvoor krijgt Apple van Google tussen de 8 en 12 miljard dollar per jaar (2 tot 3 procent van zijn totale omzet). En het kost Apple praktisch niets, dus dit is bijna zuivere winst.

    Diepe zakken

    Amazon en Meta zijn (iets) minder geheimzinnig over de herkomst van hun inkomsten en winsten. Meta mag zich nu anders in de markt willen zetten en het accent willen verleggen naar de virtual reality van het ‘metaverse’, maar het steekt niet onder stoelen of banken dat het nog steeds 97 procent van zijn omzet haalt uit onlinereclameopbrengsten. Amazon doet ook niet moeilijk over de omzet van zijn omstreden Marketplace, waar derden producten kunnen aanbieden en dan op elke verkoop, waarmee ze direct concurreren met Amazons eigen aanbod, een commissie afdragen van 19 procent (was 11 procent in 2017). In 2021 droeg Marketplace 103 miljard dollar bij aan Amazons omzet, wat een verzesvoudiging is ten opzichte van 2015 en 22 procent van de bedrijfsomzet.

    Maar het vergde spitwerk van analisten om te komen tot de schatting dat Instagram vorig jaar goed was voor 42 miljard omzet, bijna twee vijfde van Meta’s totaal en een flinke stijging ten opzichte van 2019, toen Instagrams aandeel nog 20 miljard bedroeg. Met andere woorden, de rol van het fotoplatform in het succes van dit socialemedia-imperium is spectaculair gegroeid. En uit een door het District of Columbia aangespannen rechtszaak tegen Amazon blijkt dat de winstmarge van Marketplace 20 procent bedraagt, vier keer zo hoog als die voor Amazons eigen verkoopactiviteiten. (Uit de rechtbankstukken blijkt niet of het hier gaat om bruto-, netto- of operationele marges.)

    Zulke big spenders worden intern ‘whales’ genoemd, net als in casino’s

    Dankzij die inkomstenbronnen hebben de bedrijven dus diepe zakken. Maar kijk je nog eens goed, dan blijkt de basis toch verrassend smal. In de appstore van Apple komt 70 procent van alle inkomsten bijvoorbeeld uit games, zo blijkt uit stukken in de door Epic aangespannen rechtszaak. Het leeuwendeel daarvan is afkomstig van aankopen die gamers binnen een app doen, bijvoorbeeld voor gekke attributen voor hun avatar of om virtueel geld te kopen. In 2017 was 88 procent van de gameomzet van de appstore afkomstig van 6 procent van de gameconsumenten. Die grootverbruikers geven gemiddeld ieder meer dan 750 dollar per jaar uit aan hun apps.

    Uit de Epic-rechtszaak blijkt ook dat 1 procent van Apples gamers goed was voor 64 procent van de omzet in de appstore, en dat die gamers er jaarlijks 2694 dollar aan uitgaven. Zulke big spenders worden intern ‘whales’ (walvissen) genoemd, net als in casino’s. Uit onderzoek van de CMA kwam bij de Google appstore hetzelfde patroon naar voren: in 2020 was ongeveer 90 procent van de Britse omzet afkomstig van nog geen 5 procent van de apps. En weer kwam het leeuwendeel van de omzet hier van aankopen binnen de app.

    Ook in de onlineadvertentiesector zie je een grote concentratie van het uitgavenpatroon. De CMA boog zich over cijfers over Britse adverteerders die in 2019 samen 7 miljard pond uitgaven aan Google Ads, een advertentiekanaal dat vooral bedoeld is voor kleine bedrijven. De bovenste 5 à 10 procent van de adverteerders (gerangschikt naar besteding) was goed voor meer dan 85 procent van de omzet van Google Ads. De grootste klanten zaten in de detailhandel, de financiële sector en de reissector. Bij Facebook bleek die concentratie nog groter. Daar was de bovenste 5 à 10 procent van de adverteerders goed voor meer dan 90 procent van de omzet (zie grafiek 2). In de segmenten detailhandel, entertainmentsector en consumentengoederen werd er het meest aan uitgegeven.

    Van concentratie is ook sprake als het gaat om het aantal vertoningen of ‘impressies’, het vakjargon voor elke keer dat een advertentie op iemands scherm verschijnt. Dat bleek uit intern onderzoek van Google, dat naar buiten kwam in een rechtszaak die tegen het bedrijf werd aangespannen door weer een andere groep Amerikaanse staten. Uit dat onderzoek bleek dat in de VS 20 procent van alle vertoningen van advertenties goed was voor 80 procent van de advertentieopbrengst voor onlineadverteerders. De waardevolste vertoningen zijn gericht op gebruikers bij wie er een grote kans bestaat dat ze een aankoop zullen doen. Bij Google werd dit verschijnsel intern ‘cookieconcentratie’ genoemd.

    Afhankelijkheid

    Naast die grote afhankelijkheid van een paar grote winstmakers is er nog een andere zwakte in het bedrijfsmodel die zelden wordt benoemd: klantenverloop. Men gaat er vaak van uit dat de klanten van de techgiganten verknocht, ja zelfs verslaafd zijn aan hun diensten en producten. De bedrijven zullen dat niet openlijk ontkennen, want het bevestigt het beeld dat ze de markt in hun greep hebben – een beeld dat investeerders graag zien. Maar in werkelijkheid kan die greep weleens een stuk zwakker zijn.

    Uit de Epic-rechtszaak blijkt dat pakweg 20 procent van de iPhone-gebruikers die in 2019 en 2020 een nieuwe telefoon kochten op een ander merk is overgestapt. Uit gelekte documenten van Meta blijkt dat steeds minder tieners zich bij Facebook aanmelden en dat ze er minder tijd op doorbrengen. Zelfs het bij de jeugd populairdere Instagram begint het af te leggen tegen concurrenten. Uit een gelekt intern rapport uit maart vorig jaar blijkt dat tieners meer dan twee keer zoveel tijd doorbrengen op het hippere TikTok.

    Jongeren zijn niet de enige klanten die de grote platforms de rug beginnen toe te keren

    Jongeren zijn niet de enige klanten die de grote platforms de rug beginnen toe te keren. Je ziet het ook bij jonge bedrijven. Start-ups beleefden vorig jaar gouden tijden. Het mondiale reservoir aan durfkapitaal bedroeg dat jaar 621 miljard dollar, meer dan twee keer zoveel als het jaar daarvoor. Volgens een rapport van Bridgewater Associates, het grootste hedgefonds ter wereld, gaat ongeveer een vijfde van al het in start-ups geïnvesteerde geld naar clouddiensten, een markt die wordt gedomineerd door Alphabet, Amazon en Microsoft. Nog eens twee vijfde gaat naar marketing, waarbij in de digitale wereld Alphabet, Meta en in toenemende mate Amazon de dienst uitmaken. En Bridgewater schat dat alles bij elkaar zo’n 10 procent van de totale omzet van Alphabet, Amazon en Meta afkomstig is uit het ecosysteem van start-ups. Dat staat gelijk aan 84 miljard dollar per jaar.

    Die geldstroom kan weleens gaan slinken. Door zorgen over de stijgende inflatie, de oorlog in Oekraïne en de kans op een recessie zijn de aandelen van de techbedrijven gekelderd. De Nasdaq, waar de technologiesector zwaar in meeweegt, is na zijn hoogtepunt in november al met 20 procent gedaald. De dalingen van de beurskoersen krijgen nu ook gevolgen in de start-upwereld. Instacart, een bezorgdienst voor supermarkten, heeft op 24 maart zijn bedrijfswaardering met 38 procent verlaagd. Met een lagere waardering krijgen bedrijven het moeilijker om kapitaal aan te trekken. Investeerders zeggen te verwachten dat start-ups de komende maanden de broekriem gaan aanhalen. Dat leidt tot minder bestedingen aan clouddiensten en advertenties.

    Wat betekenen al deze kwetsbaarheden bij elkaar? In het ergste geval heel veel, als de strengste toezichthouders in de VS, Groot-Brittannië en de EU hun zin krijgen. Vorige maand is de laatste hand gelegd aan de Wet inzake digitale markten (WDM), een verstrekkend pakket aan nieuwe EU-regels om de grote techbedrijven aan banden te leggen. Dat zal alleen sommige bedrijfsonderdelen treffen en is vooral gericht op de Europese activiteiten. Volgens vermogensbeheerder Bernstein verdienen Alphabet, Apple, Amazon en Meta 267 miljard dollar in Europa, pakweg een vijfde van hun gezamenlijke totaalomzet. En een snelle rekensom leert ons dat de Europese WDM een gevaar vormt voor 40 procent van de Europese omzet van deze vier bedrijven.

    Vrezen voor omzetdaling

    Wereldwijd is Alphabet het kwetsbaarst: dat moet vrezen voor bijna 90 procent van zijn Europese inkomsten (27 procent van zijn wereldwijde omzet). In de VS wordt het zoekmonopolie van Google onder vuur genomen door een team aanklagers uit diverse Amerikaanse staten. Het federale ministerie van Justitie overweegt ook stappen te zetten. Zo komt ook de 70 miljard aan Amerikaanse omzet op zoekadvertenties in gevaar – een kwart van Alphabets totale omzet. Verlaagt Alphabet zijn commissie op aankopen binnen apps van 30 naar 11 procent, het percentage dat Google op 23 maart overeenkwam met Spotify, dan keldert de omzet van de Amerikaanse appstore van 11 naar 4 miljard. Alles bij elkaar vormt dit een bedreiging voor misschien wel 150 miljard dollar aan omzet, zo’n 60 procent van Alphabets mondiale totaalomzet.

    Het gevaar dat Apple bij dit doemscenario loopt is kleiner, maar nog steeds aanzienlijk. Als de monopoliebestrijders een eind maken aan de afspraak met Google, scheelt dat al 8 tot 12 miljard per jaar. Verlaagt Apple net als Alphabet de commissies in zijn appstore, al dan niet onder dwang van nieuwe wetgeving, dan kunnen de app-gerelateerde inkomsten dalen van 25 tot circa 9 miljard dollar. In totaal kan Apple er zo’n 35 miljard dollar bij inschieten, een tiende van zijn mondiale omzet. Amazon kan rekenen op een daling van 77 miljard per jaar, 16 procent van zijn mondiale omzet, als het zijn eigen verkoopactiviteiten op Marketplace moet loskoppelen van die van derden.

    Sommige politici en toezichthouders zijn al begonnen over de noodzaak om Amazon helemaal op te splitsen, in bijvoorbeeld een winkelbedrijf en een clouddienst. Het bedrijf dat Amazon blijft heten verliest dan dus ofwel zijn onlineverkoopkanaal (momenteel goed voor 70 procent van zijn omzet) of zijn winst uit clouddiensten (goed voor ongeveer driekwart van zijn winst). Zo gaan er ook stemmen op om Meta op te splitsen. Als de Amerikaanse Federal Trade Commission haar zin krijgt en Facebook wordt gedwongen Instagram en WhatsApp af te stoten, derft het bedrijf 42 miljard dollar aan inkomsten uit Instagram en nog eens 2 miljard dollar uit WhatsApp, twee vijfde van het totaal.

    Een paar geslaagde aanvallen op de bedrijven kunnen hun toekomstperspectieven flink ontregelen

    Als alles tegenzit moeten Alphabet, Amazon, Apple en Meta dus vrezen voor maar liefst 330 miljard dollar aan omzetdaling, oftewel een kwart van het totaal. En dat is nog buiten de gevolgen gerekend van twee grote mededingingswetten die momenteel in het Amerikaanse Congres worden behandeld. Die zouden de eigenaren van platforms zoals appstores en zoekmachines onder meer verbieden hun eigen producten een voorkeursbehandeling te geven. De financiële gevolgen daarvan zijn nog niet duidelijk, maar zouden net als die van de Europese wet aanzienlijk kunnen zijn.

    Het is niet waarschijnlijk dat dit rampscenario voor de grote techbedrijven zich echt zal voltrekken. Eerdere pogingen om hun macht te beteugelen zijn al vaak gestrand. De huidige pogingen zullen waarschijnlijk nog worden afgezwakt en het kan jaren duren voordat ze echt in werking treden. Maar een paar geslaagde aanvallen op de bedrijven kunnen hun toekomstperspectieven wel flink ontregelen. En doordat rechtszaken een tipje van de sluier oplichten over hun geldstromen, krijgen potentiële concurrenten meer zicht op waar de marges zitten waarvan ze kunnen proberen iets af te snoepen.

  • Shanghai beëindigt strikte lockdown na twee maanden

    Shanghai beëindigt strikte lockdown na twee maanden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Washington stuurt geavanceerde raketwerpers naar Oekraïne

    » Songfestivalwinnaars veilen trofee om drones te kopen voor Oekraïense leger

    2,67 miljoen bedrijven mogen hun activiteiten weer hervatten

    Na twee maanden van strikte opsluiting eindigt vandaag de lockdown in Shanghai. Vanaf woensdag hebben de bewoners geen verklaring meer nodig om hun huis te verlaten, functioneert het openbaar vervoer normaal en kunnen de bewoners weer aan het werk, aldus South China Morning Post. Shanghai heeft de 2,67 miljoen bedrijven, van buurtwinkels tot multinationale fabrikanten, de vrije hand gegeven om hun activiteiten te hervatten. Volgens de autoriteiten heeft de stad de uitbraak van covid-19 onder controle gekregen.

    ‘De sirenes en ander verkeerslawaai zijn terug op hetzelfde niveau als voor de lockdown. Dit is het Shanghai dat we kennen, met zijn goede en slechte kanten‘, vertelde Ma Zhenxin, een gepensioneerde vrouw die vroeg in de ochtend door de straat jogde, aan South China Morning Post.

    De opheffing van de strengste beperkingen zou ertoe kunnen leiden dat veel mensen vertrekken, omdat sommige inwoners vrezen dat de regering opnieuw een lockdown zal invoeren. Het langdurige isolement heeft geleid tot ergernis onder de bevolking en zorgde voor protesten, een zeldzaamheid in China.

    Lees ook:

  • Welkom terug op kantoor

    Welkom terug op kantoor

    Na twee jaar van videovergaderingen en Slack-chats, willen veel bedrijven hun werknemers weer op kantoor zien. Maar niet iedereen staat te popelen om terug te keren naar de ochtendspits en de gemeenschappelijke toiletten.

    Toen Googlewerknemers deze maand terugkeerden naar hun grotendeels lege kantoren, kregen ze te horen dat ze rustig aan moesten doen. Kantoortijd ‘moet niet alleen over productie gaan, maar ook leuk zijn’. Neem de tijd om op verkenning te gaan. Plan niet aan een stuk door afspraken. En vergeet ook niet om het privéoptreden van Lizzo bij te wonen, een van de populairste popsterren van het land. En alsof dat nog niet genoeg was, kondigde het bedrijf ook nog eens ‘pop-upevenementen’ aan, met eten en cadeautjes – ‘de favoriete combinatie van elke Googler’.

    Googlewerknemers in Boulder, Colorado, werden op de muismat die het bedrijf hun cadeau deed wel nog herinnerd aan wat ze achterlieten. Onder een afbeelding van een droevig kijkende kat stond de smeekbede: ‘Je gaat toch niet RTO?’ RTO is een afkorting voor return to office [terug naar kantoor], die tijdens de pandemie is ontstaan omdat kantoren van veel bedrijven leeg kwamen te staan. Tijdens de pandemie bleek dat aanwezigheid op kantoor geen hogere productiviteit in de hand werkte, en veel bedrijven deden het prima zonder dat het personeel ooit fysiek bij elkaar kwam.

    Gewone kleren

    Nu, na twee jaar van videovergaderingen en Slack-chats, staan veel bedrijven te popelen om hun werknemers weer achter hun bureaus te zien. Maar werknemers staan vaak minder te popelen om terug te keren naar de ochtendspits en de gemeenschappelijke toiletten en om hun joggingpak in te wisselen voor gewone kleren. Techbedrijven die goed in de slappe was zitten en lege kantoren hebben staan, halen daarom alles uit de kast om hun personeel terug naar kantoor te halen, zelfs al hebben ze inmiddels aangegeven dat dat in veel gevallen – voor ten minste een paar dagen per week – verplicht is.

    Lizzo speelt deze maand voor werknemers van Google in een amfitheater in de buurt van het hoofdkantoor in Mountain View, Californië. Toen Microsoft eind februari zijn kantoren heropende in Redmond, Washington, werden de werknemers getrakteerd op optredens van lokale bands, bier- en wijnproeverijen en zelfs op lessen om een terrarium aan te leggen. Chipfabrikant Qualcomm organiseerde een happy hour met topman Cristiano Amon om de eerste officiële week terug op kantoor in te luiden. In kantoren in San Diego werden enkele duizenden werknemers vergast op gratis eten, drinken en T-shirts. Ook heeft het bedrijf wekelijkse evenementen ingevoerd, zoals pop-upeetstands op ‘Take a Break Tuesday’ en fitnesslessen op ‘Wellness Wednesday’.

    ‘Deze feestjes en extraatjes maken duidelijk dat bedrijven heel goed weten dat werknemers niet naar kantoor willen komen’

    ‘Deze feestjes en extraatjes maken duidelijk dat bedrijven heel goed weten dat werknemers niet naar kantoor willen komen, in ieder geval niet zo vaak als vroeger,’ zegt Adam Galinsky, professor aan de businessschool van Columbia University. Volgens hem verkiezen bedrijven vooralsnog ‘de wortel boven de stok’: werknemers worden beloond omdat ze naar kantoor komen in plaats van gestraft wanneer ze thuisblijven.

    Voordat corona toesloeg, investeerden de grootste technologiebedrijven miljarden dollars in de bouw van kantoren – architectonische hoogstandjes die de rijkdom van het bedrijf weerspiegelen. Deze glanzende kantoorpanden, vol foefjes en extraatjes, getuigen van de lang gekoesterde overtuiging dat persoonlijke samenwerking bevorderlijk is voor creativiteit en innovatie en het nastreven van een gemeenschappelijk doel. Maar voor veel werknemers die het prettig vonden om op afstand te werken, vertegenwoordigt de terugkeer naar kantoor – hoe mooi dat ook mag zijn – het einde van de zomer, of de weerzin om weer naar school te gaan. Slechts weinigen, zo lijkt het, staan te springen om weer vijf dagen per week naar kantoor te gaan.

    Een derde van de werknemers wil liever op afstand werken

    Op Memegen, een interne bedrijfssite van Google waarop medewerkers memes delen, was een van de populairste posts een foto van een bedrijfskantine met als onderschrift: ‘RTO is elkaar tegen het lijf lopen en zeggen “We moeten echt weer eens samen lunchen”, totdat een van de twee ontslag neemt bij Google.’ Nick Bloom, die als professor economie aan Stanford University elke maand vijfduizend werknemers ondervraagt, zegt dat de meeste mensen twee of drie keer per week terug willen naar kantoor. Een derde van de werknemers wil nooit meer terug en blijft liever op afstand werken.

    Collega’s ontmoeten

    Alleen al met de reis van en naar kantoor, aldus Bloom, bespaart de gemiddelde werknemer één uur per dag. ‘Vandaar dat werknemers niet met gratis bagels of een pingpongtafel kunnen worden verleid.’ De belangrijkste reden voor werknemers om naar kantoor te gaan is om hun collega’s te ontmoeten, zo blijkt uit zijn enquêtes.

    Apple verplicht zijn werknemers zich één keer per week op kantoor te melden

    Na een paar keer uitstellen heeft Google op 4 april een hybride werkschema geïntroduceerd, waarbij de meeste werknemers enkele dagen per week op kantoor dienen te verschijnen. Apple verplicht sinds vorige week zijn werknemers zich één keer per week op kantoor te melden. Op 31 maart stuurde David Radcliffe, adjunct onroerend goed en werkplekken bij Google, een e-mail aan werknemers in de Bay Area van San Francisco waarin hij aankondigde de terugkeer ‘heel bijzonder‘ te willen maken.

    Al jaren voorziet Google in luxe bussen met wifi om het woon-werkverkeer productiever en comfortabeler te maken, maar nu gaat het bedrijf nog een stap verder. Zo biedt het onder meer een vergoeding van 49 dollar per maand voor de huur van een elektrische scooter. Daarnaast is Google van plan met de inrichting te gaan experimenteren om in te spelen op veranderende manieren van werken.

    Microsoftwerknemers die in februari enkele dagen per week terugkeerden naar hun kantoren, werden verwelkomd met ‘dankevents’ en buitenspelletjes zoals cornhole en levensgroot schaken. Ze konden schilderlessen volgen of manden leren maken. Het café op de campus werd omgetoverd in een bier-, wijn- en mocktail-garten. En natuurlijk was er gratis eten en drinken: pizza’s, broodjes en allerlei soorten koffie. Microsoft huurde foodtrucks in die onder andere gefrituurde kip, taco’s, gyros, Koreaans eten en gebraden vlees serveerden.

    Gratis eten

    In tegenstelling tot bij veel andere technologiebedrijven moeten werknemers van Microsoft zelf betalen voor hun eten op kantoor. Een werknemer deelde op Twitter haar verbazing over de enorme aantrekkingskracht die gratis eten bleek te hebben. Bedrijven moeten volgens Nick Bloom een balans zien te vinden tussen flexibiliteit, waarbij werknemers hun eigen schema mogen bepalen, en een vorm waarbij werknemers worden verplicht op specifieke dagen te verschijnen en hun kantoortijd optimaal te benutten. Bedrijven kunnen hun energie beter stoppen in het vinden van dat evenwicht, dan aan het overstelpen van werknemers met extra’s als privéconcerten, aldus Bloom.

    ‘Door al die franje gaan werknemers echt niet weer regelmatig verschijnen’

    ‘Door al die franje gaan werknemers echt niet weer regelmatig verschijnen,’ zegt Bloom. ‘Wat wordt de volgende stap? Eerst Justin Bieber en daarna Katy Perry?’ Medewerkers van het meer ingetogen Apple zeggen geen feestelijkheden te verwachten wanneer ze terugkeren naar kantoor. Daar zou ook nooit sprake van zijn geweest. In eerste instantie vraagt Apple werknemers om één keer per week te komen opdagen. Vanaf eind mei wordt dat maandag, dinsdag en donderdag.

    Toen Apple vorig jaar een terug-naar-kantoorplan aankondigde, dat door een nieuwe coronagolf moest worden uitgesteld, ondertekenden meer dan duizend werknemers een brief waarin ze bij het management aandrongen op flexibele werkregelingen. Dit was een bijzondere stap voor het personeel, dat zich in het verleden zeldzaam openlijk kritisch uitliet over beslissingen van bovenaf.

    Maar hoewel techbedrijven tegemoet proberen te komen aan de wensen van hun werknemers, zijn ze tegelijkertijd op kleine attenties aan het bezuinigen. Meta, voorheen bekend als Facebook, liet werknemers vorige maand weten dat het gratis diensten zoals een wasserij en stomerij gaat inperken of afschaffen. Net als enkele andere bedrijven heeft Google duizenden werknemers toestemming gegeven om op afstand te werken of naar een ander kantoor over te stappen. Maar als dat een goedkopere locatie betreft, dan verlaagt Google het salaris; hierbij zou de plek waar iemand is aangenomen een rol spelen.

    Clio, een bedrijf in juridische software in Burnaby, Brits-Columbia, dwingt zijn werknemers niet om naar kantoor terug te keren, maar organiseerde onlangs wel een groot feest. Er was vrolijke muziek. Er was een asymmetrische ballonsculptuur in de kenmerkende Clio-kleuren lichtblauw, donkerblauw, koraalrood en wit: perfect voor een selfie. Een van Clio’s bekendste werknemers droeg een safarikostuum en gaf daarin rondleidingen door het bedrijf. Om twee uur ’s middags werd er een cupcakeparty gehouden.

    Thuisgevoel vergroten

    Het bedrijf verplaatste de bureaus naar de ramen, zodat de Clions – zoals het bedrijf zijn werknemers noemt – tussen alle e-mails door naar de kersenbloesems buiten het kantorencomplex kunnen kijken. Zo moest het thuisgevoel worden vergroot. Een tafelvoetbaltafel is veranderd in een werkstation, met stoelen aan beide kanten, ‘zodat je kunt vergaderen terwijl je tafelvoetbalt, met je laptop erbovenop’, aldus Natalie Archibald, Clio’s adjunct van de HR-afdeling.

    Het kantoor van Clio in Burnaby, waar 350 mensen werken, is maar voor de helft open. De ruime werkplekken moeten worden gereserveerd, en werknemers dragen rode, gele en groene koordjes die aangeven of hun handen al dan niet mogen worden geschud. Op het feest kwamen slechts zo’n zestig mensen opdagen. ‘Zodat ze een echte lach te zien krijgen in plaats van een emoji,’ aldus Archibald. ‘Want daar worden mensen nou eenmaal blij van.’

  • 2. Doen techbedrijven genoeg om ons te beschermen?

    2. Doen techbedrijven genoeg om ons te beschermen?

    Consumenten die het slachtoffer worden van een cyberaanval, draaien zelf op voor de gevolgen. Maar hoe zit het met de verantwoordelijkheid van de softwarefabrikant die de kwetsbare code ontwierp?

    Toen autofabrikanten auto’s met ondeugdelijke remmen afleverden, legde de staat hun boetes van vele miljoenen dollars op. Bedrijven die apparaten maken, hebben forse bedragen moeten betalen voor wettelijk verplichte schikkingen wegens de verkoop van ondeugdelijke koffiepotten. En de overheid heeft een strafrechtelijke vervolging ingesteld tegen leidinggevenden van voedselbedrijven omdat ze besmette pindakaas op de markt brachten.

    Maar de Amerikaanse software-industrie, die goed is voor vele miljarden dollars, is tot nog toe nooit civiel dan wel strafrechtelijk aansprakelijk gesteld voor ernstige – en toenemende – problemen die het resultaat zijn van een slechte code. Als het gaat om het beveiligen van computers tegen malware of virussen, het afweren van criminele hackers of simpelweg het updaten van ondeugdelijke programma’s, ligt de verantwoordelijkheid grotendeels bij de consumenten, zelfs als de ondersteunende technologie gebreken vertoont.

    Na de recente ‘ransomware-aanval’ – die over de hele wereld naar schatting ruim 300 duizend computers aantastte en data van slachtoffers versleutelde tot ze losgeld betaalden om de files vrij te geven – vragen cyberveiligheidsexperts zich af of het geen tijd wordt om softwareontwikkelaars te verplichten zich aan bepaalde richtlijnen te houden, zoals die in andere industrieën ook bestaan. Op die manier zijn we ervan verzekerd dat hun producten beveiligd zijn tegen ernstige en kostbare computeraanvallen.

    ‘Wacht maar tot dit met jouw auto gebeurt, of jouw ijskast, of jouw vliegtuigelektronica, of tot jouw door internet ondersteunde slot je buitengesloten heeft’

    ‘De oplossing ligt in regelgeving. Die moeten we nu aanpakken,’ zegt Bruce Schneier, een bekende cryptograaf en hoofd technologie bij IBM Resilient. ‘We hebben gekozen voor snel en goedkoop. Wacht maar tot dit met jouw auto gebeurt, of jouw ijskast, of jouw vliegtuigelektronica, of tot jouw door internet ondersteunde slot je buitengesloten heeft.’

    Zo is het, want hoewel de ergste veiligheidsproblemen kwaadwillende hackers de gelegenheid hebben gegeven om zakelijke en overheidssystemen lam te leggen of gevoelige persoonlijke gegevens naar buiten te brengen, kunnen cyberaanvallen binnenkort veel duurdere consequenties hebben omdat er hoe langer hoe meer software wordt gebruikt in auto’s, medische apparatuur, consumptieartikelen en andere essentiële systemen. Daarom, zeggen experts, wordt het steeds urgenter om te zorgen dat een gebrekkige code niet zo makkelijk uitgebuit of gemanipuleerd kan worden.

    Natuurlijk waarschuwen softwarebedrijven hun gebruikers als ze een kwetsbare plek ontdekken in hun producten en sturen ze een software-update rond die het gat in de beveiliging repareert. Dat deed Microsoft toen het hoorde over een ernstige zwakke plek in Windows die criminelen de mogelijkheid bood om een ransomware-aanval uit te voeren.

    WannaCry

    Of die boodschap ook alle slachtoffers van de aanval heeft bereikt is onduidelijk. Dit speciale soort ransomware – WannaCry – lijkt zich te hebben verspreid via een kwaadaardige e-mailcampagne die het virus door middel van bijlagen op de computers van de slachtoffers installeerde.

    De zwakke plek in de Windows-software waarvan WannaCry gebruikmaakte, was al eerder ontdekt door de National Security Agency (NSA), en door hen opgeslagen als mogelijk cyberwapen.

    Een hackersgroep die zichzelf de Shadow Brokers noemt, dumpte de spyware eerder dit jaar op het web. In een blogpost kapittelde Microsoft-voorzitter Brad Smith de NSA over het feit dat ze de zwakke plek hadden opgeslagen en geheim hadden gehouden. Hij vergeleek het probleem met een situatie waarin er ‘een paar Tomahawkraketten waren gestolen’ van de Amerikaanse overheid.

    Maar sommige experts zijn niet zo voor het straffen van veiligheidsdiensten die profiteren van zwakke plekken in besturingssystemen en mobiele telefoons. ‘Het is oneerlijk om de NSA eruit te pikken,’ zegt Patrick Wardle, een computerexpert die bij de NSA heeft gewerkt en nu beveiligingsonderzoeker is bij de firma Synack. ‘Waarom geven we Microsoft niet de schuld? Ze hebben een gebrekkige code ontwikkeld en toegepast. Ze zouden een deel van de schuld op zich moeten nemen.’

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    In tegenstelling tot in veel andere industrieën, zoals de gezondheidszorg en de elektronische sector, worden aan softwareontwikkelaars geen juridische eisen gesteld als het op productveiligheid aankomt. In een serie artikelen uit 2013 in New Republic over het debat wie aansprakelijk is voor software, zegt Jane Chong van het Hoover Institution dat softwarebedrijven altijd aansprakelijkheidsclaims over ondeugdelijke codes hebben ontweken met een beroep op de gebruikersovereenkomst.

    ‘Softwareleveranciers schuiven met die licentieovereenkomst, die door rechters meestal als een afdwingbaar contract wordt gezien, alle risico’s van hun producten af op de gebruikers,’ schreef mevrouw Chong, docent rechten en nationale veiligheid aan het instituut.

    De keren dat gebruikers hebben geprobeerd om softwarebedrijven gerechtelijk te vervolgen wegens het lekken van data, werden de zaken vaak onontvankelijk verklaard, merkte ze op. Een gerechtshof in Californië verwierp een groepsgeding van LinkedIn-gebruikers, die aanvoerden dat het sociale-mediabedrijf slachtoffer was geworden van een serieuze hack, omdat LinkedIn zelf niet de veiligheidsmaatregelen had getroffen die gangbaar waren in de industrie. Om te zorgen dat gerechtshoven softwarebedrijven verantwoordelijk gaan houden voor nalatigheid op het gebied van cyberveiligheid, moeten er strengere federale regels komen wat betreft de kwaliteit van de code. Het vergt ook rechters die begrip hebben voor de ingewikkelde kwesties rondom de kwetsbaarheid van software en hoe die kan leiden tot cyberaanvallen.
    In dit geval waren sommige van de getroffen Microsoft Windows-systemen oude versies die niet waren geüpdatet of gecorrigeerd, zei Ross Schulman, mededirecteur van het Cybersecurity Initiative en beleidsadviseur aan het New America’s Open Technology Institute. Microsoft heeft die systemen ‘al een heel lange tijd ondersteund; ze hebben iedereen ruim op tijd gewaarschuwd dat ze daarmee zouden ophouden’.

    Verantwoordelijk gehandeld

    Volgens veel experts heeft Microsoft in deze zaak verantwoordelijk gehandeld en zijn klanten gewaarschuwd voor de zwakke plekken. In plaats van Microsoft de schuld te geven, zegt Tom Cross, hoofd technologie bij het cyberveiligheidsbedrijf OPAQ, ‘zouden toezichthouders zich moeten afvragen waarom bepaalde organisaties niet waren voorbereid, in het bijzonder als dat organisaties zijn in essentiële sectoren van de infrastructuur.’

    Experts trachten te achterhalen wie er achter de aanval zat, maar het zou voor de industrie en de overheid ook een moment kunnen zijn om nogmaals te evalueren of er een manier bestaat om softwarebedrijven aan te moedigen producten uit te rusten met een code die bij dit soort aanvallen betrouwbaarder en veerkrachtiger is, zegt Joshua Corman, directeur van het Cyber Statecraft Initiative van Atlantic Council, een denktank in Washington.

    ‘Ik denk zeker dat het een keerpunt is,’ zegt Mr Corman. ‘Het is nu veel makkelijker om te pleiten voor een bepaalde vorm van verantwoordelijkheid voor software. Ik hoop heel erg dat dit aanleiding is voor een correctieve actie.’

    Auteur: Jack Detsch

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • Video: HyperNormalisation

    Video: HyperNormalisation

    Adam Curtis (61) is een BBC-journalist die al een aantal (lange) semidocumentaire(series) op zijn naam heeft staat. In zijn jongste, HyperNormalisation (2016), betoogt hij dat overheden, financiers en technologische utopisten sinds de jaren zeventig de complexe ‘echte’ wereld hebben ingeruild voor een simpele nepwereld, die wordt gerund door grote bedrijven en onder controle gehouden door politici.

    The Guardian schreef dat de film ‘een passend voorwoord zou kunnen zijn bij Donald Trumps “global horror show”’. En verder: ‘Curtis betoogt dat wij zijn verdwaald in een nagebootste wereld en de werkelijkheid achter de fake niet meer waarnemen.’

    En dat was ruim voor aan Trumps overwinning op 8 november 2016. HyperNormalisation bevat veel materiaal uit de BBC-archieven, en fragmenten van films als Dr. Strangelove, Stalker, Deep Impact, Independence Day, Godzilla, Armageddon en The Rock.


  • 6. Mislukkingen of niet, de Chinese koper blijft gretig

    6. Mislukkingen of niet, de Chinese koper blijft gretig

    Voor Chinese investeerders zijn aankopen in het buitenland een must. Daarvoor willen ze alle mogelijke moeilijkheden overwinnen, vooral de juridische en politieke.

    Fusies en overnames zijn bij voorkeur de weg geworden die Chinese ondernemingen volgen om zich buiten hun grenzen te manifesteren. Dat staat in het ‘Rapport 2015-2016 over het investeringsklimaat in het buitenland’, dat op 28 februari jongstleden is gepubliceerd door het Chinese onderzoekscentrum voor internationaal economisch beleid (CRPEIC). Tal van internationaal gerenommeerde bedrijven hebben inmiddels Chinees bloed in de aderen.

    Hoewel de economische hervormingen in China al meer dan dertig jaar geleden zijn begonnen, zijn Chinese bedrijven pas een jaar of tien geleden grootschalig in het buitenland gaan investeren, waarbij talrijke pogingen op een mislukking zijn uitgelopen. Er is flink wat leergeld betaald.

    Toch is het enthousiasme van de nieuwe Chinese kopers door deze teleurstellingen niet bekoeld. Veel deskundigen beschouwen de gretigheid waarmee Chinese bedrijven naar buitenlandse ondernemingen kijken als een onontkoombaar bijverschijnsel van de economische ontwikkeling in China en van de internationalisering van Chinese bedrijven.

    Tegenbeweging

    Op mondiaal niveau is hun waarde in één jaar met 336 miljard dollar gedaald, een teruggang van 23 procent. Dat neemt niet weg dat een toenemend aantal Chinese bedrijven zich sinds begin 2016 op de internationale markt heeft begeven, een tegenbeweging tegen de algemene tendens.

    Bijna overal ter wereld geldt dat er altijd wel een Chinese gegadigde is wanneer een bedrijf te koop staat. Het terrein waarop de Chinezen zich bewegen wordt voortdurend groter en de aankoopbedragen stijgen niet alleen, de aankopen betreffen ook bedrijven van een steeds hoger niveau. Nadat ze aanvankelijk alleen probeerden de traditionele energiesector en de mijnindustrie te domineren, richten Chinese bedrijven zich inmiddels ook op met name de maakindustrie, consumptieartikelen en TMT (technologie, media en telecommunicatie), sectoren waarin particuliere ondernemingen de boventoon voeren.

    Lang maakten de Chineze spullen voor het Westen, zoals in deze speelgoedfabriek. Maar steeds vaker halen ze zélf hun producten uit het buitenland. – © Michael Wolf / laif
    Lang maakten de Chineze spullen voor het Westen, zoals in deze speelgoedfabriek. Maar steeds vaker halen ze zélf hun producten uit het buitenland. – © Michael Wolf / laif

    In alle regio’s ter wereld hebben Chinese bedrijven hun economische positie en invloed in een versneld tempo versterkt. Volgens een rapport van de Chinese investeringsbank CICC betrof in 2015 66 procent van de Chinese investeringen Europese of Amerikaanse bedrijven, tegen maar 32 procent in 2010. In diezelfde periode zag men een duidelijke afname van Chinese staatsbedrijven, die vroeger voor minstens de helft van de investeringsoperaties stonden, en een duidelijke stijging van particuliere bedrijven in opkomende sectoren, zozeer zelfs dat deze particuliere bedrijven bezig zijn de grootste Chinese investeerders in het buitenland te worden. Het rapport van de CRPEIC laat zien dat de overnames vooral hoogtechnologische sectoren en de nieuwe industrie betreffen, symbolen van de nieuwe industriële revolutie.

    Nu sommige ontwikkelde economieën en opkomende landen zoals Brazilië in een recessie verkeren, wordt het volgens Lin Caiyi, hoofdeconoom van de investeringsbank Guotai Junan Securities, mogelijk om ondernemingen in zulke landen voor zeer schappelijke prijzen over te nemen, een droomscenario voor Chinese bedrijven. Temeer omdat de traditionele industrie, die aan het wankelen is gebracht door de nieuwe industriële revolutie, zich in alle landen gedwongen ziet snelle hervormingen door te voeren.

    Bovendien stimuleert de ontwikkelingsstrategie van de Chinese regering, die gericht is op de regio’s langs de vroegere zijderoute en de zeeroutes die Azië met Europa verbinden, de economische synergie tussen China en het buitenland. De investeringsgolf door Chinese bedrijven in het buitenland hangt nauw samen met dat flankerende beleid en met de versimpeling van de Chinese procedures, aldus een specialist.

    Particuliere ondernemingen blijven onophoudelijk op buitenlandse ondernemingen jagen die interessant zijn vanwege hun technologie, intellectuele eigendomsrechten of merknaam

    Zodoende hebben de directe buitenlandse investeringen door de provincie Shaanxi in het westen van China, die van oudsher als arm werd beschouwd, in 2015 voor het eerst de 600 miljoen dollar-grens overschreden. De ernstige overproductie die zich de afgelopen jaren in de Chinese textielindustrie en carbochemie heeft voorgedaan, heeft staatsbedrijven zoals de carbochemische groep van Shaanxi en de textielgroep van Xianyang ertoe gebracht projecten te starten in Centraal-Aziatische landen als Kirgizië.

    Maar ook al wordt het leeuwendeel van de Chinese ondernemingen die op buitenlandse aankopen azen nog steeds door staatsbedrijven gevormd, de voorhoede bestaat de laatste jaren uit kapitaalkrachtige particuliere ondernemingen. Qua aantal gerealiseerde transacties laten deze de staatsbedrijven inmiddels ver achter zich, en ze blijven onophoudelijk op buitenlandse ondernemingen jagen die interessant zijn vanwege hun technologie, intellectuele eigendomsrechten of merknaam.

    ‘Chinese bedrijven zijn inmiddels krachtig genoeg om zich op transnationale transacties te storten, en ze hebben ook begrepen dat daarmee hun lacunes kunnen worden opgevuld,’ aldus een specialist op dit gebied. Dit streven toont aan dat Chinese ondernemingen werkelijk geïnteresseerd zijn in deelname in toeleveringsbedrijven met een mondiale waarde, vooral door zich op ontwikkelde landen in Europa en China te richten. Desondanks zijn er aan deze overnames veel onzekere factoren verbonden op het gebied van merkontwikkeling, synergie-effecten of marktontwikkeling. Het is niet altijd een succes.

    Juridische obstakels

    Bij het vergroten van het scala van buitenlandse bedrijven waarin ze interesse hebben, en bij het verwerven van goederen, technologieën of merken in Europa en de Verenigde Staten, stuiten Chinese bedrijven vaak op juridische obstakels. In februari 2016 leidde de voorgenomen overname van de aandelenbeurs van Chicago, de Chicago Stock Exchange (CHX), door de groep Casin uit Chongqin tot een felle polemiek die 45 leden van het Amerikaanse Congres ertoe bracht een brief aan het ministerie van Financiën te schrijven met de eis deze transactie aan een ‘volledig en rigoureus onderzoek’ te onderwerpen (het Amerikaanse comité voor buitenlandse investeringen zal binnenkort met een standpunt komen).

    Volgens professor Qiang Li, voorzitter van de economische faculteit van de Chinese Noord-West Universiteit, is het onvermijdelijk dat buitenlandse overnames risico’s met zich meebrengen. Hij raadt ondernemingen in de eerste plaats aan de talrijke juridische struikelblokken te vermijden. Elk land heeft zijn eigen procedures om overnames door buitenlandse bedrijven al of niet goed te keuren, met name door te controleren of deze stroken met de antidumpingwetgeving en de regelgeving omtrent staatsinvesteringen. De overnemende partij dient er rekening mee te houden dat ze zich zal moeten aanpassen aan het rechtssysteem van het betreffende land en dat er een aangepast personeelsbeleid zal moeten worden gevoerd, aldus Qiang. Ze moet een risicoanalyse maken en op de situatie toegesneden antwoorden formuleren, waarbij uiteraard zo veel mogelijk moet worden vermeden dat men zich in een ‘mijnenveld’ begeeft.

    Het kopen van een buitenlandse onderneming is een echte uitdaging, want een bedrijf dat op papier goedkoop is, kan uiteindelijk erg duur blijken vanwege de torenhoge management- en supervisiekosten. Als Chinese ondernemingen eenmaal de eerste twee etappes hebben afgelegd (de onderhandelingen en de aankoop volgens de overeengekomen voorwaarden), rest nog de laatste en moeilijkste etappe, die bepaalt of de operatie al of niet slaagt: de bedrijfsfusie.

    De Chinese bedrijven hebben nog een lange weg te gaan voordat ze ten volle kunnen integreren in de mondiale ketens op het gebied van productie, waardecreatie en logistiek, en van een ‘toeleveringsgrootmacht’ kunnen uitgroeien tot een ‘grootmacht van wereldmerken’.

    Auteur: Du Guangli
    Vertaler: Peter Bergsma

    Changjiang Shangbao
    China | Dagblad | oplage 400.000

    Een van de nieuwste kranten van China, uitgegeven door de Publishing Group Hubei Changjiang Chuban jituan, die heeft ervoor gekozen de prijs laag te houden om de verkoop te vergroten. Zeer rijk aan beeld.

  • 7. Context: ‘Dit is pas het begin’

    7. Context: ‘Dit is pas het begin’

    Brazilië, Mexico, Algerije, de rest van Afrika, Griekenland, Groot-Brittannië, Oost-Europa…

    Sociale verantwoordelijkheid in Brazilië

    Sinds 2010 overweegt de Chinese graanmaatschappij Chongqing twee miljard dollar te investeren in het aanleggen van sojaplantages in de Braziliaanse deelstaat Bahia. ‘Maar in die zes jaar is er verder niets gebeurd, behalve dat de Chinezen er studie na onderzoek op hebben losgelaten. En nu dreigt het project zelfs te worden afgeblazen’, schrijft de Chinese zakenkrant Shiji Jingji Baodao. Waarom? Het project had immers de steun van de Braziliaanse overheid? ‘We denken dat Chongqing het vraagstuk van de sociale verantwoordelijkheid in Brazilië over het hoofd heeft gezien’, schrijft de krant.

    Volgens de Braziliaanse wet bestaat naast het recht op grondbezit ook het recht op vruchtgebruik van grond, aldus de krant uit Kanton, die zich baseert op een recent rapport van de Chinese overheid over agrarische investeringen in het buitenland. ‘In Bahia hebben bezitloze landarbeiders de gronden bezet die Chongqing op het oog had. De landarbeiders protesteren tegen de verkoop van de grond door de lokale overheid, omdat die transactie met een buitenlandse eigenaar de plaatselijke bevolking geen enkel perspectief biedt.’

    Voorzichtigheid in Mexico

    De Chinese investeringen in Latijns-Amerika zijn niet zonder risico voor de ontvangende partij. Daar hamert Jorge Guajardo op, de voormalige Mexicaanse ambassadeur in Beijing. In een interview met de Argentijnse televisiezender Cadena 3 zei de diplomaat dat de ontvangende landen geconfronteerd kunnen worden met het afbrokkelen van hun industriële capaciteit.

    De Chinezen verbinden als voorwaarde aan hun investeringen, vooral in de petrochemie en de metaal, dat zij uitsluitend willen werken met Chinese ingenieurs, Chinese arbeiders en Chinees materiaal. Dat leidt volgens Guajardo voor het betrokken land tot een definitief verlies aan banen en vooral ook van kennis in de betreffende sector.

    ‘Made in USA by China’

    Het ‘Made in USA’ verdwijnt langzamerhand en maakt plaats voor ‘Made in USA by China’, aldus U.S. News & World Report. De Chinese investeringen in de VS bereikten vorig jaar een recordbedrag van 15,7 miljard dollar, 30 procent meer dan het jaar daarvoor. Ruim 90.000 Amerikanen werken inmiddels voor een bedrijf met Chinese eigenaren.

    Sommige investeringen roepen weerstand op, zoals de aangekondigde overname van de aandelenbeurs in Chicago door de Chinese Chongqing Group. De transactie wacht nog op de goedkeuring van de federale overheid.

    Andere aankopen liggen minder gevoelig, zoals dat van onroerend goed, een markt waarop de Chinezen steeds actiever worden. ‘Probeert China de Amerikaanse economie binnen te dringen?’ vraagt U.S. News zich af. Maar volgens David Dollar van de denktank Brookings Institution getuigen de Chinese investeringen simpelweg van het streven naar diversificatie in een economie die stabieler is dan de Chinese.

    ‘De Chinese Exim Bank verschaft het geld, Chinese ondernemingen bouwen de fabriek, China legt heffingen op de natuurlijke bronnen van het land waarin wordt geïnvesteerd, verkoopt die op de wereldmarkt en lost zo de bankschuld weer af’

    Bruggenhoofd naar Afrika

    ‘Een Chinese onderneming gaat in Algerije mobiele telefoons produceren’, kondigde in september de website Tout sur l’Algérie aan. Volgens de directie van het Chinese bedrijf KVD, fabrikant van het merk Doogee, betreft het ‘de eerste telefoonfabriek in Afrika die naar andere landen op het continent zal exporteren’.

    Het is de eerste belangrijke Chinese investering in de Maghreb. Daar was een schenking aan voorafgegaan van Beijing aan de Algerijnse regering van 15 miljoen dollar, te besteden aan culturele projecten. ‘Maar laat men zich niet verkijken op de Chinese strategie bij het investeren in de Maghreb’, aldus de Algerijnse krant El Watan. ‘De Chinese Exim Bank verschaft het geld, Chinese ondernemingen bouwen de fabriek, China legt heffingen op de natuurlijke bronnen van het land waarin wordt geïnvesteerd, verkoopt die op de wereldmarkt en lost zo de bankschuld weer af.’

    Duits wantrouwen

    De Duitse regering heeft goedkeuring verleend voor de overname (voor 4,6 miljard euro) van de Duitse fabrikant van industriële robots Kuka door de Chinese fabrikant van huishoudelijke apparaten Midea. ‘Er is geen enkele aanwijzing dat door de overname de nationale veiligheid in gevaar wordt gebracht.’

    Toch heeft de overname in de politiek zo veel debat opgeleverd ‘dat Midea op voorhand gewaarschuwd is’, schrijft de _Frankfurter Allgemeine Zeitun_g. ‘Bij het minste geringste wordt Kuka een politieke affaire.’

    Volgens Handelsblatt belegden de Chinezen in het eerste semester van dit jaar al 10,8 miljard dollar in kleinere Duitse bedrijven, tegen 526 miljoen in heel 2015.

    Chinese columnist: ‘Dit is pas het begin’

    De Chinezen die door Europa reizen beperken zich niet langer tot de aankoop van luxe goederen, ze kopen de bedrijven op die deze goederen produceren, schrijft columnist Tao Duanfang op de economische website Caixin Wang. De poging dit jaar van de staalreus Jinjiang om zijn aandeel in het Franse staalbedrijf Accor van 15,6 tot 29 procent te verhogen, joeg de Fransen schrik aan.

    ‘Die angst van “het oude Europa” is niet onterecht, want deze episode is slechts het topje van de ijsberg van Chinese aankopen van de laatste tijd in Europa. Er zijn nog maar twee economische grootmachten in de wereld: China en de Verenigde Staten. De Europese weerstand daartegen, of die zich nu zachtjes manifesteert of hardop wordt uitgesproken, heeft niet veel om het lijf. Wat zal er van Europa overblijven?’


    Welkom in Griekenland

    De Chinezen, zowel toeristen als investeerders, zijn van harte welkom in Griekenland waar de Chinese onderneming Cosco sinds augustus voor 280 miljoen euro eigenaar en beheerder is van de haven van Piraeus, tot groot genoegen van zelfs een linkse krant als Efimerida Ton Syntakton. De krant zwijgt daarbij over de staking van de dokwerkers, die wekenlang uit protest de haven platlegden.

    To Vima meldt dat Piraeus door toedoen van de Chinezen dit jaar 14 procent meer containers zal verwerken dan vorig jaar, en het huidige record van 2 miljoen stuks ruimschoots zal verbeteren.

    Britse kerncentrale

    ‘De Chinese business rijst de pan uit’, zette de Britse krant i onlangs boven een bericht over de toenemende Chinese investeringen in de Britse economie, die in zes jaar tijd met 500 procent zijn gestegen. In 2016 hebben de Chinezen nu al al 4,1 miljard euro gestopt in Britse fusies en overnames. En als klap op de vuurpijl nemen zij voor 6,9 miljard euro een aandeel in de bouw van een kerncentrale in Hinkley Point in Engeland.

    In september gaf premier Theresa May het groene licht voor de centrale van het type EPR. De Chinese president Xi Jinping noemde dit volgens de Financial Times ‘een lichtend voorbeeld’ in ‘de gouden eeuw’ van de Chinees-Britse samenwerking.

    Toch hebben sommigen bedenkingen. In dezelfde krant schreef een Britse hoogleraar in internationale betrekkingen dat ‘Chinese staatsondernemingen een probleem kunnen gaan vormen’. Niet zozeer omdat het staatsondernemingen zijn, maar ‘omdat ze gecontroleerd worden door de Communistische Partij en in sommige gevallen door het Volksbevrijdingsleger’. ‘Het is zonneklaar dat als het om een politiek strategische industrie gaat als de energie-industrie, men dit soort instanties op afstand dient te houden.’

    1000 miljard voor Oost-Europa

    China is in 2012 een samenwerkingsverband aangegaan met zestien landen in Midden- en Oost-Europa. In deze gebieden investeren de Chinezen vooral in energie en infrastructuur. Zo heeft Beijing een contract gesloten met Bosnië en Herzegovina voor de bouw van een energiecentrale in Tuzla, en in 2015 een akkoord bereikt met Roemenië over een kerncentrale in Cernavoda. Eerder dit jaar opende een Chinese fabrikant van windmolens een kantoor in de Servische hoofdstad Belgrado met de bedoeling de hele Balkan van windmolens te voorzien.

    ‘Ter vergelijking’, schrijft de Servische krant Politika; ‘de Amerikaanse hulp bij de wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog bedroeg 130 miljard dollar (omgerekend naar de huidige waarde). Nu zijn de Chinezen bereid om duizend miljard dollar in Europa te investeren!’

    Chinese ontwikkelingshulp: win-winsituatie?

    Er is veel kritiek op de Chinese ontwikkelingshulp in met name Afrika. Toch werkt het systeem wel, stellen onderzoekers.

    De Chinese strategie van ontwikkelingshulp bestaat sinds kort naast de westerse variant en verdient nadere beschouwing, schrijven drie onderzoekers in een artikel op de website The Diplomat. Hoewel zeer omstreden, lijkt de Chinese methode niettemin doelmatiger, stellen de auteurs – Ron Matthews, hoogleraar economie aan de Britse Defence Academy, Pling Xiaojuan, onderzoekster aan het Instituut voor Oost-Azië van de Universiteit van Singapore, en Li Ling, die economie doceert aan Chinese militaire academie. ‘De Chinese methode biedt (…) de mogelijkheid om gelijktijdig zowel de ontwikkeling van het betreffende land als de Chinese belangen te bevorderen.’

    Dankzij de ‘naar buiten gerichte’ Chinese regeringspolitiek hebben op dit moment 28 sectoren die voor China van strategisch belang zijn geïnvesteerd in meer dan 160 multinationale ondernemingen, waarmee voordelige handelscontracten zijn afgesloten in het kader van hulpprojecten, voornamelijk in Afrika. De investeringen richten zich voornamelijk ‘op sectoren die van gemeenschappelijk belang zijn voor de economische zekerheid, zoals voedsel, energie en delfstoffen’.

    ‘De hulp is niet altruïstisch, maar een mechanisme dat bedoeld is om de autonome ontwikkeling te bevorderen van het ontwikkelingsland’

    ‘De hulp is niet altruïstisch, maar een mechanisme dat bedoeld is om de autonome ontwikkeling te bevorderen van het ontwikkelingsland, waarbij wordt vermeden dat de burgers van het donorland een te zware last moeten dragen.’

    Een kenmerk van de Chinese strategie zou zijn dat ‘de hulp niet aan voorwaarden is gebonden, in tegenstelling tot de paternalistische westerse hulp, die wordt geboden op voorwaarde dat de ontvanger zich houdt aan de principes van de vrijemarkteconomie en van democratische hervormingen’.

    De Chinese hulp wordt vrijwel volledig bilateraal verstrekt, hetgeen Beijing in staat stelt de projecten te controleren die geheel worden uitgevoerd met Chinese partners. De hulp is verder samengesteld uit giften en renteloze leningen of leningen tegen lage rente, en gaan vergezeld van tal van scholingsprogramma’s en het sturen van medisch personeel en preventie- of hulpteams bij rampen.

    De miljarden dollars aan hulp en investeringen vanuit China hebben niets te maken met een neokoloniaal imperialisme, ondanks de westerse beschuldigingen van het tegendeel, concluderen de auteurs.

    Samengesteld door Lambiek Berends

  • Millennials aan de macht

    Millennials aan de macht

    Millennials vormen in de VS sinds kort de grootste groep op de arbeidsmarkt. The New York Times nam een kijkje bij de hippe mediawebsite Mic, waar de hele werkvloer uit twintigers bestaat.

    Joel Pavelski zal niet de eerste werknemer zijn die tegen zijn baas heeft gelogen om een paar vrije dagen te versieren. Maar zeggen dat je naar de uitvaart van een vriend moet, terwijl je eigenlijk alleen een boomhut gaat bouwen? En daar dan over tweeten en bloggen, zodat iedereen op kantoor het weet? Dat lijkt wel nieuw. Met dat probleem kampte het management van Mic, een vijf jaar oude mediawebsite in New York die een van de belangrijkste nieuwssites voor en door millennials wil worden. Een paar recente koppen op de site: ‘Verbied Geen Moskeeën, Verbied Hoverboards’ en ‘Als Mannen Vagina’s Tekenen’.

    ‘Arrogant, lui, narcistisch en verslaafd aan sociale media’

    ‘Er zijn tachtig miljoen millennials’, zegt directeur Chris Altchek (28), ‘en wij mikken op de veertig miljoen die hoger opgeleid zijn.’ Maar hij weet niet altijd hoe hij moet omgaan met de karaktertrekken die zijn leeftijdgenoten vaak worden toegedicht: het arrogante gevoel dat de wereld hun iets verschuldigd is, de neiging om te veel privé-informatie op sociale media te delen en een openhartigheid die grenst aan het onbetamelijke. Zijn 106 werknemers lijken allemaal tot de doelgroep van de site te behoren: slanke twintigers, mannen met baarden en vrouwen in hippe kleding. Op hun drukke nieuwsredactie in Hudson Street hangt een opvallend speelse sfeer, als in een studentenhuis. Je ziet mensen op een hoverboard naar de keuken rijden voor de gratis drankjes en hapjes. Ze schieten pijltjes af met een speelgoedpistool of roepen ineens door een megafoon. Tussen de bureaus snuffelt Dino, de witte maltezer van de hoofddesigner.

    Ongedwongen sfeer

    Altchek is trots op die ongedwongen sfeer. ‘Daardoor durft iedereen zijn mond open te doen en weet je zeker dat de beste ideeën bovendrijven’, zegt hij. ‘Ze kunnen bot overkomen. Maar ik heb liever dat iedereen zegt wat hij denkt dan dat ze in een keurslijf zitten.’

    Toch blijkt het runnen van een kantoor met alleen twintigers ook problemen op te leveren. Altcheks tolerantie werd op de proef gesteld toen Pavelski (27) een week vrij nam onder het mom dat hij in Wisconsin naar een uitvaart ging. ‘Ik heb Joel gecondoleerd en gezegd: neem er alle tijd voor,’ zegt 
Altchek. Maar een paar dagen later zag hij dat Pavelski op Twitter een link had geplaatst naar Medium, een blogsite met persoonlijke verhalen. Daar beschreef hij in zijn artikel ‘How to Lose Your Mind and Build a Treehouse’ dat hij overspannen was geraakt en op adem wilde komen door thuis een oude boomhut te herbouwen. De eerste zin van het artikel: ‘Ik heb gezegd dat ik naar huis moest voor een uitvaart, maar dat was gelogen.’

    ‘Ik was wel een beetje uit het veld geslagen’, zegt Altchek. ‘Liegen is gewoon niet acceptabel.’ In het daaropvolgende gesprek zei de chef van Pavelski dat hij wel heel lange dagen had gedraaid. Pavelski kreeg dus een tweede kans, maar ook een waarschuwing van Altchek: ‘We hebben duidelijk gemaakt dat dit geen kwestie is van drie keer scheepsrecht. Nog één zo’n geintje en hij ligt eruit.’

    New York City. – © Marie Simonova / Getty
    New York City. – © Marie Simonova / Getty

    Pavelski mag dus blijven, maar ook in een bedrijf dat zo tolerant staat tegenover twintigers die de grens opzoeken, kan iemand te ver gaan. Dan denkt 
Altchek bijvoorbeeld aan afgelopen september, toen een bedrijfsbijeenkomst toevallig samenviel met het joodse Jom Kipoer én met het islamitische Offerfeest. Een werkneemster van Engels-Pakistaanse afkomst vroeg waarom het management had gezegd dat werknemers eerder naar huis mochten vanwege Jom Kipoer, maar met geen woord repte over het Offerfeest. ‘Dus ik zei: daar heb je helemaal gelijk in, bij Mic willen we alle geloofsovertuigingen respecteren’, zegt Altchek.

    Vervolgens werd hij daar in een kleiner gezelschap weer op aangesproken door een jongere werkneemster in een lagere functie, die zei dat er aan zijn antwoord drie woorden ontbraken. ‘Ik snapte niet waar ze op doelde, dus ik vroeg: Welke dan? En zij zei: De woorden “het spijt me”. Ik heb je geen excuses horen aanbieden.’ Altchek vond dat ongepast, zeker in een bedrijf als het zijne. ‘Ik was verbaasd door de toon waarop ze dat zei, maar ik heb gezegd dat ik het zou oppakken en zou vragen of ik de vragenstelster niet had gekrenkt,’ zegt hij. ‘Je moet je inhouden. Ze zei dit waar andere mensen bij waren, en dat was misschien maar goed ook, want dat dwingt je om kalm te blijven.’ De betreffende werkneemster werkt inmiddels niet meer bij Mic. (Volgens Altchek is haar vertrek ‘prestatie-gerelateerd’.)

    Jezelf zijn

    ‘Arrogant, lui, narcistisch en verslaafd aan sociale media’, aldus CNBC. ‘Ze willen geen trofeeën, maar ze willen wel steun’, kopte Forbes. ‘Veel millennials willen de wereld verbeteren en het is aan bedrijven is om hen te inspireren’, schrijft Fast Company. Oudere managers snappen soms niet waarom twintigers met een collega snapchatten, of waarom ze geen zin hebben om zich eerst een tijdje te bewijzen met saaie klusjes. Maar ze kunnen er maar beter aan wennen. Volgens het Pew Research Center vormen millennials sinds vorig jaar een grotere groep op de arbeidsmarkt dan Generatie X (mensen in de leeftijd van 35 tot 50). Sterker nog, er zijn zelfs meer millennials dan babyboomers.

    Joan Kuhl (36) richtte Why Millennials Matter op, een adviesbureau dat werkgevers als Goldman Sachs adviseert over het binnenhalen en binnenhouden van verse afgestudeerden. Volgens haar is het een kwestie van ‘onbekend maakt onbemind’. ‘Alle aandacht gaat uit naar extreme voorbeelden van brutaal gedrag en niet naar de overgrote meerderheid die ik zie en waar ik mee werk: gemotiveerde mensen die voor hun waarden staan,’ zegt ze. Kuhl licht haar klanten voor over de eigenaardigheden van generatie Y. Waarom mensen van 21 bijvoorbeeld veel te openhartig zijn over hun privéleven. Millennials wordt steeds voorgehouden dat ze zichzelf als een ‘sterk merk’ moeten neerzetten om een baan te krijgen, zegt Kuhl. Dus als je ze vervolgens vraagt om zich in te houden als ze 
eenmaal voor je werken, ‘geef je tegenstrijdige signalen af’.

    Al moet Kuhl af en toe ook weleens slikken. Zoals toen een stagiaire op een vergadering om tien uur ’s ochtends rustig een broodje tonijn naar binnen zat te werken. Toen ze daar achteraf op werd aangesproken, zei ze: ‘Nou ja, je had gezegd dat ik vooral mezelf moest zijn, en ik had honger.’

    et management van Mic, een vijf jaar oude media- website in New York die een van de belangrijkste nieuwssites voor en door millennials wil worden. © Mic Network Inc.
    et management van Mic, een vijf jaar oude media- website in New York die een van de belangrijkste nieuwssites voor en door millennials wil worden. © Mic Network Inc.

    Dus stel je voor dat je héle werkvloer uit twintigers bestaat, zoals bij Mic. 
Het is in 2011 opgericht door Altchek en Jake Horowitz (28), oud-klasgenoten van de Horace Mann School in New York. Horowitz werkt inmiddels vooral als verslaggever (zo berichtte hij vanaf de Griekse stranden over de vluchtelingencrisis en heeft hij Obama geïnterviewd). Altchek leidt het bedrijf vanuit hun kantoorpand, een verbouwd pakhuis van bijna 1400 vierkante meter bij Hudson Square. Kantoorgesprekken lopen hier vaak via Twitter en de scheidslijn tussen werk en privé is niet altijd duidelijk: via Periscope streamde Altchek live videobeelden van zijn bezoek aan de tandarts.

    Zo krijgt de werkvloer iets van een reality show, en misschien komt het mede daardoor dat boomhutbouwer Pavelski geen berouw toont. ‘Misschien is het de leeftijd, maar er is in mijn privéleven niet veel dat ik strikt gescheiden wil houden van mijn werk,’ zegt hij. ‘Dat essay is er in de eerste plaats gekomen omdat ik iets van me af wilde schrijven, alle denkstappen wilde doorlopen en op een rijtje wilde zetten wat er met me aan de hand was.’ Een logica die zijn leeftijdgenoten misschien meer aanspreekt. ‘Wat mensen vooral niet moeten onderschatten, is dat het ons menens is,’ voegt hij eraan toe. ‘En dat wij de boel overnemen. Zo simpel is het.’

    Auteur: Ben Widdicombe
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium en wordt sinds 1896 bewaakt door de familie Ochs Sulzberger. De website trekt meer dan 30 miljoen bezoekers per maand.