Tag: beiroet

  • Hezbollah-functionaris gedood bij Israëlische aanval op Beiroet

    Hezbollah-functionaris gedood bij Israëlische aanval op Beiroet

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zimbabwe: demonstraties tegen de regering lopen uit op rellen

    » China lanceert nieuwe militaire manoeuvres in de Straat van Taiwan

    Bij de aanslag kwamen ook zijn zoon en twee anderen om

    De Libanese sjiitische organisatie bevestigde dinsdag dat Hassan Bdair en zijn zoon gedood werden bij een Israëlische aanval op Beiroet, die gericht was op een gebouw in de zuidelijke buitenwijken van de Libanese hoofdstad. Twee andere mensen, onder wie een vrouw, kwamen ook om bij de aanval, de tweede die gericht was op dit gebied sinds het staakt-het-vuren vier maanden geleden van kracht werd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Volgens L’Orient-Le Jour bekleedde Bdair ‘een belangrijke rol in het organisatieschema van de sjiitische partij, waar hij verantwoordelijk was voor de relaties met Palestijnse facties, waaronder Hamas en Islamitische Jihad, Hezbollahs bondgenoten in de door Iran geleide “as van verzet”’. Ondanks de wapenstilstand heeft Israël regelmatig aanvallen uitgevoerd in Libanon die naar verluidt gericht zijn tegen Hezbollah. De twee landen beschuldigen elkaar over en weer van het schenden van het staakt-het-vuren.

  • Libanon: Israëlische bombardementen treffen zuidelijke buitenwijken Beiroet

    Libanon: Israëlische bombardementen treffen zuidelijke buitenwijken Beiroet

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Turkije: 5 doden en 22 gewonden na een aanslag in de buurt van Ankara

    » VS: toezichthouder van luchtvaartsector maakt weg vrij voor vliegende taxi‘s

    In de wijk Laylaké zijn zes gebouwen ingestort

    Zware Israëlische luchtbombardementen hebben op woensdagavond 23 oktober de zuidelijke buitenwijken van Beiroet, een bolwerk van Hezbollah, getroffen met zeventien inslagen die verschillende gebouwen verwoestten en een enorme explosie veroorzaakten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    L’Orient-Le Jour meldde ’grote explosies‘, ’verwoeste gebouwen‘ en ’branden‘ na ’gewelddadige Israëlische aanvallen‘. Zes gebouwen zijn ingestort in de wijk Laylaké na de Israëlische aanvallen, aldus het agentschap ANI.

  • Bij Israëlische aanvallen op Beiroet zijn 22 mensen omgekomen

    Bij Israëlische aanvallen op Beiroet zijn 22 mensen omgekomen

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Farmagigant GSK betaalt 2,2 miljard dollar om rechtszaken te beslechten

    » Zelensky doet Rome aan tijdens tournee door Europa en bezoekt Meloni

    Het is al de derde Israëlische aanval in drie weken tijd

    Israëlische aanvallen op Beiroet hebben aan 22 mensen het leven gekost. Het Libanese ministerie van Volksgezondheid maakte ook bekend dat 117 mensen gewond zijn geraakt in de wijken Basta en Al-Noueiri. Dit is de derde keer in drie weken tijd dat de Libanese hoofdstad het doelwit is van Israël. Volgens Hezbollah werd het lid van de organisatie dat het doelwit was van deze aanval niet geraakt.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Ik hoorde de raketten over onze hoofden gaan. Ik was doodsbang. Ze konden Beiroet in een oogwenk met de grond gelijk maken. Het was een aanval die gericht was op een compound vlakbij ons huis waarvan ik niet eens wist dat het bestond’, vertelde een getuige aan L’Orient-Le Jour.

  • In dit vluchtelingenkamp zijn generaties Palestijnen hun toekomst zijn kwijtgeraakt

    In dit vluchtelingenkamp zijn generaties Palestijnen hun toekomst zijn kwijtgeraakt

    Sinds in 1948 700.000 Palestijnen werden verdreven van hun land, leven velen in barre omstandigheden in vluchtelingenkampen zoals Shatila in Beiroet. Is dit de grimmige toekomst die de mensen in Gaza nu tegemoetgaan?

    Vorig jaar nam Kamal zijn oudste zoon Hassan mee naar een mensensmokkelaar. Kamal had een besluit genomen: hij moest en zou een manier vinden om zijn eenentwintigjarige zoon weg te krijgen uit vluchtelingenkamp Shatila in het zuiden van Beiroet, waar drie generaties van zijn familie hun hele leven hadden doorgebracht. ‘Ik wilde dat hij wegging, niet vanwege de financiële situatie – godzijdank gaat het goed met ons – maar ik stuurde hem weg om te ontsnappen aan het leven in dit kamp,’ vertelde Kamal me onlangs. ‘Er is hier geen toekomst voor de jongeren.’

    Kamal, een man van achter in de veertig met brede schouders, een hoekige kaak en donker krullend haar, is een redelijk welgestelde zakenman binnen de verarmde grenzen van Shatila. Hij heeft een kleine winkel waar hij mobiele telefoons en cosmetica verkoopt. Toch moest hij, om aan de 5000 dollar te komen die de smokkelaar eiste, een flink bedrag lenen en daarnaast al zijn spaargeld uitgeven. Kamal vertelt zijn verhaal gehaast, de zinnen buitelen over elkaar heen. Zijn gezicht is ingevallen en hij heeft donkere kringen rondom zijn ogen. Hij ziet er uitgeput uit.

    Claustrofobisch

    Hassan begon zijn reis naar Europa in mei 2023. Eerst vloog hij naar Caïro, daarna werd hij door de woestijn naar Libië gereden. Op dat moment belde Hassan zijn vader en vertelde hem dat hij en de andere migranten in een schuur werden vastgehouden, terwijl ze wachtten op de boot die hen naar de overkant van de Middellandse Zee zou brengen. ‘Ik belde de smokkelaar en zei dat hij mijn zoon naar een hotel moest brengen en dat ik extra zou betalen,’ herinnert Kamal zich. Na tien dagen in het hotel te hebben doorgebracht, laadde de smokkelaar de vluchtelingen in een vissersboot met Italië als bestemming.

    Terwijl we praten, zit Kamal met een paar vrienden, ongemakkelijk neergestreken op kleine plastic krukjes in een donker steegje zo smal dat elke keer als er een scooter voorbij raast, de mannen hun knieën tegen hun borst moeten optrekken en opzij moeten draaien. De zon schijnt boven Beiroet, maar er sijpelt weinig licht naar de plek waar Kamal zit. Er staan geen muren om vluchtelingenkamp Shatila heen. Geen prikkeldraad, wachttorens of controleposten, althans niet meer, die verhinderen dat mensen het kamp binnenkomen of verlaten. Maar een mix van draconische wetten, discriminatie en vooroordelen heeft ervoor gezorgd dat Shatila net zo claustrofobisch aanvoelt als elk kamp dat wél omringd wordt door hoge betonnen muren.

    Voor Kamal was de reis van zijn zoon de zoveelste episode in een vluchtelingensaga die bijna acht decennia geleden begon. Net als zijn ouders voor hem en zijn kinderen na hem, is Kamal een staatloze Palestijnse vluchteling wiens leven in elkaar is gestort in de steegjes van Shatila. Hetzelfde geldt voor de vrienden die bij hem zitten.

    Op de muren rondom deze mannen is de geschiedenis zichtbaar in de vorm van verflagen en graffitislogans. De gesjabloneerde afbeelding van de Rotskoepel en honderden portretten van oude leiders, van Yasser Arafat en de militanten uit de jaren zeventig met hun lange bakkebaarden, tot een jongere generatie strijders in gevechtstenue – allemaal gedood en gevierd als ‘helden en martelaren’ die door de volgende generatie nagevolgd moeten worden – tot de foto’s van Abu Ubaida, de huidige militaire woordvoerder van Hamas.

    In een tijd waarin extreemrechtse leden van de Israëlische regering openlijk oproepen om de bevolking van Gaza te verdrijven en naar buurlanden of verder weg te sturen, hoeven we ons niet eens voor te stellen hoe het leven zou zijn voor de meeste van deze Palestijnen die gedwongen in ballingschap moeten gaan. We weten het al. Deze verdrijving heeft al eens eerder plaatsgevonden. Om te zien hoe die grimmige toekomst eruit zou kunnen zien, hoef je alleen maar naar Shatila te kijken.

    In het begin vormden zich clusters van tenten, en soms hele kampen, rond traditionele leiders en dorpsoudsten

    De woorden ‘vluchtelingenkamp’ roepen het beeld op van een paar honderd tenten, een provisorische omgeving om een bevolking in nood in onder te brengen. Shatila is met zijn ruim veertienduizend inwoners – sommige schattingen lopen op tot dertigduizend – meer een kleine stad binnen een stad. Het staat hier al meer dan zeventig jaar. In de afgelopen tien jaar is de bevolking explosief gestegen. Syriërs die de burgeroorlog ontvluchtten, straatarme Libanezen, Ethiopiërs, Eritreeërs en arbeidsmigranten uit Bangladesh hebben allemaal onderdak gevonden in het kamp, dat nu een dichtbevolkte sloppenwijk is.

    Ingeklemd tussen een grote snelweg en een stadion, niet ver van het centrum van Beiroet, kan het kamp zich alleen maar verticaal uitbreiden. Nieuwe flats zijn precair op elkaar gestapeld, elke flat iets groter dan de flat eronder en samen vormen ze gebouwen met meerdere verdiepingen waarvan de ramen op de bovenste verdieping die aan de andere kant van de steeg kussen. Uit de balkons schieten trappen omhoog en er steken balken uit die onderdoorgangen creëren.

    Gedurende het grootste deel van de geschiedenis waren de Palestijnse inwoners van het kamp afgezonderd van de rest van Beiroet. Maar de recente economische ineenstorting in Libanon heeft ervoor gezorgd dat de stad nu voor de deur van Shatila ligt. De hoofdstraat met zijn kraampjes waar groente en fruit, schoenen, kleding en keukengerei worden verkocht, is goedkoper dan welke plek in Beiroet dan ook. Tijdens een recent bezoek leek het alsof elk beschikbaar hoekje tussen gebouwen op straatniveau was omgetoverd tot een kruidenierswinkel of een plek voor karretjes die snoep verkochten aan schoolkinderen, die schreeuwden en lachten terwijl ze zich tussen de brommers door manoeuvreerden, hun Unicef-schooltassen op hun schouders op en neer deindend.

    De oorsprong van het kamp gaat terug tot 1949, toen een groep Palestijnse vluchtelingen zijn tent opsloeg op een braakliggend terrein aan de rand van Beiroet. Binnen enkele weken hadden meer gezinnen, voornamelijk uit Galilea, zich hier gevestigd en het Internationale Comité van het Rode Kruis erkende het als een van de zeventig kampen voor de ongeveer honderdduizend Palestijnse vluchtelingen die naar Libanon waren gevlucht en door de dorpen in het zuiden waren getrokken, of per boot in Beiroet waren aangekomen.

    Een kleine minderheid van de nieuwkomers – die uit de middenklasse of met goede connecties – kreeg het Libanese staatsburgerschap aangeboden; de rest, waaronder arme boeren zoals Kamals grootvader, werd in kampen ondergebracht. Tegen die tijd was de staat Israël veilig in het grootste deel van historisch Palestina, nadat het de krakkemikkige Arabische legers – die zich verzetten tegen de oprichting van Israël – had verslagen en de verdrijving van meer dan zevenhonderdduizend mensen had voltooid met een exodus die bij de Arabieren bekend kwam te staan als de Nakba, oftewel de catastrofe. De beelden van de lange karavanen met mensen, verdreven uit hun voorouderlijke steden en dorpen door de opkomende Israëlische staat, marcherend naar hun bestemming als staatloze vluchtelingen, bepakt en bezakt terwijl ze de handen van kinderen vasthielden, zouden in het collectieve geheugen gegrift staan, niet alleen bij de Palestijnen, maar in de hele regio.

    In het begin vormden zich clusters van tenten, en soms hele kampen, rond traditionele leiders en dorpsoudsten. Voor zover de ontheemding en ballingschap dat toelieten, waren deze kampen een reproductie van de gemeenschappen thuis. Na verloop van tijd, toen deze vluchtelingenkampen zich uitbreidden, werden het getto’s en sloppenwijken. Hun voortbestaan getuigde van het historische onrecht dat hun inwoners was aangedaan. Toch werden de kampen als zodanig een opslagplaats van herinneringen die een Palestijnse nationale identiteit in ballingschap in stand hield en vereeuwigde.

    Onder controle

    Toen de eerste golf Palestijnse vluchtelingen arriveerde, vormden ze ongeveer 10 procent van de totale Libanese bevolking. Het Libanese politieke en veiligheidsapparaat vreesde dat de nieuwkomers het machtsevenwicht in de sektarische staat zouden verstoren en een gevaar zouden vormen voor de maronitische christelijke dominantie. De inlichtingendienst van het leger kreeg de opdracht om de vluchtelingenkampen ‘onder controle te houden’ door middel van strenge bewaking, intimidatie en repressie.

    Bijna twintig jaar lang leefden de meeste Palestijnse vluchtelingen in Libanon in armzalige krotten van stenen en houten planken, met zinken golfplaten en canvas daken. Aanvankelijk stonden sommige vluchtelingen wantrouwig tegenover elk permanent onderkomen dat gebouwd werd door het VN-agentschap voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA), omdat ze er vast van overtuigd waren dat hun ballingschap tijdelijk van aard was. Maar zelfs toen ze dit idee hadden opgegeven, verhinderden de Libanese autoriteiten dat cruciale bouwmaterialen zoals cement de kampen binnenkwamen. Ze wilden niet dat de vluchtelingen iets zouden bouwen wat de indruk kon wekken dat ze er permanent wilden blijven. Dit beleid was zogenaamd bedoeld om ‘de vluchtelingen aan te moedigen om terug te keren’ – alsof ze daar gewoon even voor konden kiezen. Ook legde Libanon strenge beperkingen op aan de basale arbeidsrechten van de vluchtelingen – en dat doet het nog steeds. Het enige beschikbare werk buiten de kampen was tijdelijk ongeschoold werk, waarbij uitbuiting schering en inslag was.

    In de jaren zestig – en vooral na 1967, toen Israël Egypte, Jordanië en Syrië versloeg in de zesdaagse oorlog – verschoof de strijd voor ‘de bevrijding van Palestina’ van de corrupte en ineffectieve Arabische regimes naar Palestijnse revolutionaire organisaties zoals Fatah en het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina.

    Deze facties, die ogenschijnlijk samenwerkten onder de paraplu van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, maar vaak onderlinge ruzies hadden en de bevelen uitvoerden van hun corrupte Arabische regimesponsors, vonden in een nieuwe generatie vluchtelingen die geboren waren in de sloppenwijken van de ballingschap – gemeden, veracht en afgezonderd van de samenleving om hen heen – gedreven jongeren die klaarstonden om het onrecht van de Nakba ongedaan te maken en die ernaar verlangden terug te keren naar een thuisland dat ze nooit hadden gezien.

    In de vluchtelingenkampen in Libanon vervingen deze facties de traditionele relaties door patronagenetwerken op basis van partijtrouw, en langzaamaan werden de Palestijnen – die misschien wel de minst sektarische van alle Arabische volkeren waren – meegezogen in het moeras van de sektarische Libanese politiek. Vanzelfsprekend sloten ze zich aan bij de linkse en voornamelijk islamitische partijen die de maronitisch-christelijke dominantie aanvochten.

    Suhaila kon haar eigen huis alleen nog herkennen aan een deel van de keukenmuur dat ze blauw had geverfd

    Ondertussen vonden de maronitische christelijke partij Phalange en andere rechtse christelijke organisaties een bondgenoot in de Israëli’s. In de Libanese burgeroorlog, die duurde van 1975 tot 1990, werden de Palestijnen gewoon een andere gewapende factie, zij het de sterkste. En het was in deze periode dat de naam Shatila – en het naburige Sabra – symbool kwam te staan voor een van de ergste wreedheden die tijdens de oorlog begaan zijn.

    Tijdens mijn bezoek aan Shatila in november vorig jaar ontmoette ik een vrouw, Suhaila, die zich nog levendig herinnerde wat er in september 1982 gebeurde: milities die verbonden waren aan de Phalange-partij raasden, onder het toeziend oog van hun Israëlische militaire bondgenoten, drie dagen lang door de steegjes van het kamp, waarbij ze honderden burgers afslachtten en verkrachtten, waaronder veel vrouwen en kinderen, terwijl de Israëlische soldaten stonden toe te kijken. (Tegen die tijd hadden Palestijnse strijders onder leiding van Yasser Arafat de stad verlaten, onder de voorwaarden van een door de VS gesponsorde deal die een einde maakte aan maandenlange Israëlische bombardementen op Beiroet). ‘We zaten thuis toen we mensen hoorden schreeuwen: “Ze zijn hier, ze zijn het kamp binnengekomen,”’ herinnert Suhaila zich, terwijl ze in haar kleine en opgeruimde woonkamer zit. Een geur van wasmiddel en verse Turkse koffie vult de kamer.

    ‘Mijn schoonmoeder, die bij ons logeerde, zei tegen mijn man dat hij eens een kijkje moest nemen om erachter te komen wat er aan de hand was. Het geschreeuw werd luider en ik volgde hem naar buiten. Ik zag een vrouw naar ons toe rennen en een kind achter zich aan slepen. Ze schreeuwde: “Ze hebben mijn man in een vat verbrand en zijn neef doodgeschoten.” Het kind schreeuwde en toen zag ik dat ze haar ingewanden in haar hand hield – haar buik was opengesneden.’

    Suhaila en haar familie vluchtten en vonden veiligheid in een aangrenzende wijk. Toen ze een paar dagen later terugkeerden naar het kamp, brachten journalisten en het Rode Kruis de omvang van het bloedbad aan het licht. ‘Toen ik terugkwam in ons huis zag ik messen op de vloer liggen. Ze waren schoon, maar ik werd hysterisch en begon te schreeuwen, ook al waren het gewoon onze keukenmessen,’ zei Suhaila lachend. Ze meldde zich aan bij het Rode Kruis en ging dagenlang van huis tot huis om lijken en ledematen te verzamelen.

    Ze schenkt koffie in en vervolgt haar oorlogsverhalen over bombardementen en belegeringen door de christenen, de sjiieten, de Syriërs en zelfs door andere Palestijnse facties. Ze lacht opnieuw en zegt dat al haar zonen en dochters in ondergrondse schuilkelders zijn geboren tijdens een of ander gevecht.

    Een van die gevechten vond plaats in 1986, aan het begin van een zes maanden durende belegering door sjiitische Amal-troepen op instigatie van hun Syrische meesters. Tijdens een zwaar bombardement werd Suhaila’s oudste zoon van negen aan stukken gereten door een artilleriegranaat. ‘We hebben geen graf voor hem, want hij is samen met anderen begraven in een massagraf, in de hoofdmoskee,’ zegt Suhaila. ‘Telkens als ik langs die moskee kom, houd ik de deur dicht en bid ik voor hem.’

    Tegen het einde van de belegering was bijna elk gebouw in Shatila met de grond gelijk gemaakt. Suhaila kon haar eigen huis alleen nog herkennen aan een deel van de keukenmuur dat ze blauw had geverfd.

    In de woonkamer zit een vriend van haar jongste zoon, die midden twintig is, te luisteren naar Suhaila die haar oorlogsherinneringen vertelde. Na afloop, beneden in het steegje voor het gebouw, buigt hij zijn hoofd, drukt zijn lange, borstelige baard tegen zijn borst en zegt op lage, bijna onhoorbare toon, alsof Suhaila hem vanuit haar appartement op de zesde verdieping kan horen: ‘De oude mensen hebben het altijd maar over de geschiedenis van de oorlog. Goed, ze hebben geleden, maar wat er nu in het kamp gebeurt, is erger dan welke oorlog ook. Jonge mannen sterven door drugs. Een hele generatie vergooit haar leven vanwege de verdovende middelen en de armoede.’ Hij heeft een magere en tengere lichaamsbouw en vermoeide ogen. Hij zegt dat hij zijn dagen verslijt met drie flutbaantjes en nog steeds niet rond kan komen.

    Hij steetk een sigaret op en om zijn verhaal kracht bij te zetten leidt hij ons door een doolhof van donkere steegjes, nauwelijks breed genoeg voor één persoon, en komt tot stilstand voor een winkel met een groot kaal raam. Een rij van een half dozijn waterpijpen omzoomt de deur als een erewacht. Binnen staan twee banken in een hoek en er hangt een groot tv-scherm aan de smoezelige muur ertegenover. Op de ene bank zitten drie tienerjongens, gekleed in het zwart, die er stoer proberen uit te zien. Op de andere zit een magere jongeman. Zijn gezicht is vaal in het felle neonlicht. De meeste van zijn tanden ontbreken en de rest is zwart en verrot. Hij zakt wat dieper weg in de versleten sofa, spreidt zijn twee uitgemergelde armen, leunt met zijn hoofd naar voren en zegt tegen me: ‘Ik ben drieëntwintig en heb al twee jaar in de gevangenis doorgebracht,’ alvorens er trots aan toe te voegen: ‘Mijn naam staat op de lijst van gezochte personen bij elk controlepunt van hier tot aan de Beqaa[-vallei].’

    De jongens, die tussen de dertien en zeventien jaar oud zijn, kijken met ontzag naar hem op.

    ‘We kunnen je hier in het kamp aan alle soorten drugs helpen, en ze zijn veel goedkoper dan in Beiroet,’ gaat de man verder: coke, MDMA, heroïne, hasj en allerlei soorten pillen. De duurdere soorten zijn voor de mensen die in de stad wonen. De arme kinderen in de kampen beperken zich tot de goedkopere en krachtigere synthetische middelen. ‘Wat kunnen we anders doen? Er is hier geen werk. Kijk naar die jongens – zodra ze het kamp verlaten worden ze lastiggevallen door het leger en de politie, dus we blijven hier gewoon zitten,’ vertelt de dealer me.

    Hij zegt dat hij maar een middelmatige dealer is en alleen zakendoet met vrienden en kennissen en dat dat meestal is om zijn eigen drugs te betalen. ‘Een vriend komt naar me toe, zegt dat-ie coke of hasj wil, ik geef het hem en ik krijg zelf een extraatje.’ Hij zegt dat hij ongeveer duizend dollar per week verdient. Zowel zijn kapitaal als zijn winst bedraagt vijfhonderd dollar, die hij dan verdeelde met een van de ‘facties’. ‘Ze nemen de helft van mijn winst als hun deel, 250 voor hen en 250 voor mij.’

    ‘Wie zijn dat?’ vraag ik.

    ‘De gewapende facties die het kamp regeren. Je moet met een factie samenwerken voor bescherming, het maakt niet uit welke. Zonder hun bescherming kun je hier geen zaken doen. En het zijn niet alleen de Palestijnen die hierbij betrokken zijn. De Libanese veiligheidstroepen zitten allemaal in deze business. Hoe denk je dat de drugs hier komen, helemaal vanuit de Beqaa of Syrië? Er staan tientallen controleposten langs de weg. We krijgen zelfs dingen geleverd via het vliegveld.’

    Oude strijd

    Hij legt zijn handelswaar naast zich neer: een paar plastic zakjes gevuld met wit poeder. ‘We hebben zo veel hasj als je wilt,’ zegt hij. Uit een zak aan de binnenkant van zijn jas haalt hij een klein papieren hoorntje. Hij opent het om een kleine hoeveelheid van een lichtgroene, kruidachtige drug met de naam salvia te onthullen en begint een joint te rollen. ‘Dat is wat we hier roken – het is goedkoop en zorgt ervoor dat je alles om je heen vergeet.’

    Niet ver van de winkel staan een paar mannen – veelal oud, met grijzende baarden, met munitiebanden strak om hun dikke buik en met oude kalasjnikovs in de hand – op wacht bij het hoofdkwartier van hun factie, dat versierd is met de vlag van de factie en de ooit zo verafgode martelaren. Gezamenlijk gaan deze facties over de veiligheid van de kampen, die buiten de jurisdictie van de Libanese staat vallen. Net als hun geweren zijn ze overblijfselen van de oude strijd. Tegenwoordig lijken ze uitsluitend te bestaan om beschermingsgeld te verzamelen.

    In Shatila zijn overal tekenen van ellende te zien. In een kleine kamer op de begane grond zit een rouwende, in het zwart geklede, oudere vrouw rechtop op haar bed naar een kale muur te staren. Een buurvrouw vertelt me dat haar enige zoon van vijfentwintig twee weken geleden is overleden. Hij had complicaties gekregen door een mislukte blindedarmoperatie, maar, zo werd mij verteld, geen enkel ziekenhuis wilde hem opnemen omdat hij en zijn moeder de operatie niet konden betalen. Vlakbij zit een andere vrouw in haar kleine kamertje dat al tjokvol staat met twee stapelbedden, waar een klein groepje kinderen onder dunne dekens ligt te bibberen. Het zijn de kinderen van haar zoon, die een paar jaar geleden door rebellen in Syrië is vermoord.

    Op de hoofdweg grazen twee koeien en een paar schapen tussen het afval, hun vacht zwart van het vuil, terwijl twee kleine kinderen rustig aan het spelen zijn met een klein stuk plastic speelgoed dat ze in een van de vuilniszakken hebben gevonden. In de verte gaat ook een man door het vuilnis, op zoek naar voedsel.

    Te midden van de neerslachtigheid en ellende in het kamp zijn er ook sprankjes hoop. In een kelder loopt een jonge vrouw met haar haar in een knotje tussen de rijen van twintig kinderen door om samen met hen hun huiswerk door te nemen. ‘De UNRWA-scholen zitten zo vol dat de kinderen geen goed onderwijs krijgen. Wij zijn hier vrijwilliger om hen te helpen studeren’, zegt ze, en ze voegt eraan toe dat ze in haar laatste jaar sociale wetenschappen aan de universiteit zit. ‘We hebben geen andere keuze dan te studeren.’

    In elke straat zijn de littekens van vroegere oorlogen te zien

    In elke straat zijn de littekens van vroegere oorlogen te zien – van de ontbrekende arm van de oude jager die tomaten verkoopt tot de gevels van gebouwen die door zwaar geweervuur zijn weggehakt. Deze littekens zijn nooit geheeld, en de trauma’s van de bewoners werden niet aangepakt, maar generatie na generatie alleen maar opnieuw aangewakkerd – meer wreedheden, meer onderdrukking en steeds weer nieuwe beelden van ‘martelaren’, boven op de oude. Deze nieuwe martelaren behoren tot een jongere generatie mannen, die niet gedood werden in de kampen of in de oorlogen van Libanon, maar op de Westelijke Jordaanoever, in Gaza en Israël.

    Naast een graffiti van de laatste woorden van de achttiendejarige Ibrahim al-Nabulsi, een strijder die twee jaar geleden in Nablus omkwam bij een Israëlische aanval – ‘Niemand mag zijn wapen neerleggen’ – gooit een groep jonge schoolkinderen hun schooltassen op de grond en gaat in de rij staan. Een van hen draagt grote militaire laarzen en een kakibroek en heeft zijn gezicht in een keffiyeh gewikkeld. Hij geeft een bevel en marcheert met zijn troep jonge jongens door de steeg. De tijd dat de kampen over aanzienlijke militaire kracht beschikten, is al lang voorbij. Maar onder de namen van de Hezbollah-strijders die gevallen zijn in de aanhoudende confrontaties langs de zuidelijke grens van Libanon met Israël, bevinden zich enkele Palestijnen die tot Hamas behoren, die uit de kampen zijn gerekruteerd. ‘Ze zijn getraind door Hezbollah en staan onder hun militair bevel,’ vertelde een Hamas-functionaris me in Beiroet.

    Er hingen ook andere foto’s van overleden jonge mannen rondom het kamp, maar dat waren niet degenen die waren gestorven in de strijd tegen Israël. Een paar foto’s hingen tussen de gebouwen te wapperen boven de groentekraampjes. Ze lieten de gezichten zien van degenen die de kampen waren ontvlucht om een nieuw leven te zoeken, maar verdronken toen hun boot zonk in de Middellandse Zee.

    Kamals zoon, Hassan, was een van deze mannen. Zijn laatste telefoontje naar zijn vader kwam in de nacht van 13 juni. Hij vertelde Kamal dat ze op de vissersboten werden geladen. De boot, die op weg was naar Italië, kapseisde in Griekse wateren. De Griekse kustwacht heeft tientallen opvarenden gered, maar negenenzeventig mannen en vrouwen kwamen om en nog veel meer worden vermist.

    Hassans lichaam is nooit gevonden, maar Kamal denkt dat hij nog ergens levend rondloopt. ‘Zijn vriend die bij hem was, vertelde me dat hij hem de hele nacht heeft zien zwemmen. Ik weet zeker dat hij ergens in Griekenland is. Zolang ik zijn lichaam niet zie, blijf ik geloven dat hij leeft en dat hij op een dag bij ons terug zal komen.’

    De smokkelaar, wiens boot kapseisde, runt nog steeds zijn bedrijf vanuit hetzelfde appartement in Beiroet.

    Sommige namen zijn veranderd.

  • Libanon: beschadigde silo’s in geplaagde haven van Beiroet storten in

    Libanon: beschadigde silo’s in geplaagde haven van Beiroet storten in

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Colombia verklaart Stille Oceaan tot beschermd gebied

    » DRC: blauwhelmen openen vuur aan de grens met Oeganda

    Twee jaar geleden was haven al slachtoffer van explosies

    Een deel van de graansilo’s van de Libanese hoofdstad Beiroet, die al weken in brand staan, is zondagmiddag ingestort, meldt L’Orient le Jour. Opvallend genoeg gebeurde dat vier dagen voor het tweede jubileum van de dubbele explosie in de haven op 4 augustus 2020.

    De Libanese autoriteiten willen de silo’s sinds april slopen, maar dit besluit is opgeschort door het verzet van familieleden van de slachtoffers van de tragedie, die de silo’s willen ombouwen tot een gedenkplaats. ‘We blijven ons inzetten voor het behoud van het stabiele deel van de silo’s. We zullen voorkomen dat ze het slopen, zelfs als dat betekent dat we de weg moeten versperren voor bulldozers,’ zei William Noun, de broer van een brandweerman die omkwam bij de explosies in 2020, tegen de Libanese krant. In een verklaring spraken familieleden van slachtoffers over ‘een nieuwe misdaad van de autoriteiten, gericht op het ondermijnen van de collectieve herdenking’ van de explosies.

    Lees ook:

  • Een jaar na explosie in Beiroet overheerst de woede | Verplicht vaccineren in Azerbeidzjan

    Een jaar na explosie in Beiroet overheerst de woede | Verplicht vaccineren in Azerbeidzjan

    Nog geen gerechtigheid een jaar na de explosies in Beiroet

    Op 4 augustus 2020 werd de hoofdstad van Libanon verwoest door een dodelijke ontploffing waarbij meer dan tweehonderd mensen omkwamen en duizenden gewond raakten. Sindsdien wachten de slachtoffers nog steeds op gerechtigheid.

    Het is een ‘zeer gespannen dag’ die Libanon te wachten staat op de noodlottige eerste verjaardag van de enorme explosie die een jaar geleden de hoofdstad Beiroet verwoestte, aldus de Libanese krant L’Orient-Le Jour.

    Op deze dag van nationale rouw organiseren de families van de slachtoffers van de tragedie een ‘minutieus voorbereide‘ volksplechtigheid. Een stilte tocht trekt door de getroffen wijken, met een stop in de haven van Beiroet ‘om de families te steunen en om gerechtigheid te vragen’. Ook wordt er een minuut stilte gehouden om het moment van de ontploffing om 18.08 uur te markeren en een mis, terwijl anderen zich naar het Parlement begeven, beschrijft de Franstalige krant uit Beiroet.

    ‘Er is één element dat de loop van de dag kan veranderen: de woede van het volk’

    ‘Maar er is één element dat de loop van de dag kan veranderen: de woede van het volk’, schrijft L’Orient-Le Jour. De Libanese website Al-Modon vreest zelfs dat de dag ‘bloedig’ zou kunnen verlopen.

    Veel Libanezen zijn woedend over de ‘criminele’ nalatigheid en straffeloosheid van de verantwoordelijken die op de hoogte waren van de enorme voorraad ammoniumnitraat die jarenlang zonder voorzorgsmaatregelen was opgeslagen in een loods in de haven, en waarvan de brand de enorme explosie veroorzaakte.

    ‘We proberen elke dag ons verdriet en woede om te zetten in daadkracht om het onrecht te bestrijden’, schrijft de Libanese website Daraj. Het verzoek van de rechter die met het onderzoek is belast, Tarek Bitar, om de immuniteit van bepaalde ambtenaren op te heffen, is uiteindelijk een dode letter gebleven, ondanks de intentieverklaringen van verschillende politieke leiders in het land die hebben verklaard voorstander te zijn van opheffing van de immuniteit.

    Zoals Daraj in een ander artikel samenvat: ‘Er is een jaar voorbij. Het onderzoek heeft niets opgeleverd en geen enkele ambtenaar is berecht.’

    Lees ook:


    Geboortecijfer in China daalt

    Het aantal pasgeboren baby’s in China is in de eerste helft van het jaar sterk gedaald, volgens gegevens van lokale overheden. De cijfers bevestigen dat ’s werelds meest bevolkte land afstevent op een demografische crisis. China publiceert geen gegevens over de nationale bevolking op kwartaal- of halfjaarlijkse basis, maar recente cijfers uit verschillende districten, steden en provincies bieden een nieuw inzicht in de krimpende bevolking van het land, aldus South China Morning Post.

    De afnemende bevolking zal volgens experts invloed hebben op de productiviteit, het pensioenstelsel en de toekomstige consumptie. ‘Negatieve bevolkingsgroei is onvermijdelijk’, aldus Li Jianxin, demograaf aan de Universiteit van Beijing, vorige week maandag op een forum in de hoofdstad, waar SCMP aanwezig was. China vergrijst ook in een ongekend tempo, deels vanwege het vroegere eenkindbeleid dat inmiddels is losgelaten. Het lage vruchtbaarheidscijfer van het land en de vergrijzende samenleving zullen waarschijnlijk van invloed zijn op de toekomstige concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en India, aldus Li.

    Lees ook:


    Vaccinatieplicht in Azerbeidzjan

    Inwoners van Azerbeidzjan zullen binnenkort een vaccinatiebewijs moeten kunnen overleggen om de meeste openbare gebouwen te mogen betreden, bericht Eurasianet. De nieuwe regelgeving werd eind juli aangekondigd en komt feitelijk neer op een nationale vaccinatieplicht. Vanaf 1 september moeten mensen van 18 jaar en ouder een vaccinatiebewijs in een ‘covidpaspoort’ kunnen tonen om onder meer restaurants, cafés, winkelcentra en hotels te mogen betreden. In onderwijsinstellingen moeten leerlingen en studenten van 18 jaar en ouder kunnen bewijzen dat ze zijn ingeënt.

    Tot nu toe is 26 procent van de Azerbeidzjanen minstens één keer gevaccineerd. Tachtig procent van de werknemers van overheidsinstanties, medische en farmaceutische bedrijven en wetenschappelijke en onderwijsinstellingen zal vanaf 1 september een eerste inenting moeten hebben en een tweede in oktober. De vaccinatieplicht leidt nu al tot wijdverbreide omkoping en een zwarte markt in valse covidpaspoorten.

  • ‘Spreek je uit, vrouw! Maar voor wie?’

    ‘Spreek je uit, vrouw! Maar voor wie?’

    Online ‘sextortion’-klachten in Libanon zijn in 2020 met 307 procent gestegen. Een onlangs aangenomen nieuwe wet die moet beschermen tegen intimidatie, geeft deze vrouwelijke activist weer een sprankje hoop op verbetering.

    Vrouwelijke journalisten, feministen, activisten en mensenrechtenverdedigers over de hele wereld worden geconfronteerd met virtuele intimidatie. In deze serie benadrukt de wereldwijde alliantie van het maatschappelijk middenveld CIVICUS de gendergerelateerde aard van virtuele intimidatie middels verhalen van vrouwen die werken aan het verdedigen van onze democratische vrijheid. De getuigenissen worden gepubliceerd in een samenwerking tussen CIVICUS en Global Voices.

    Sinds de protesten van oktober 2019 in Libanon, beter bekend als de Oktoberrevolutie, roepen demonstranten in het hele land op tot het aftreden van de regering en uiten ze hun bezorgdheid over corruptie, slechte publieke diensten en een gebrek aan vertrouwen in de heersende klasse.

    Veiligheidstroepen hebben met ongekend geweld op de protesten gereageerd. Sinds het begin van de revolutie heeft de regering hard opgetreden tegen de vrijheid van meningsuiting en waren journalisten slachtoffer van aanvallen en bedreigingen

    Libanon wordt momenteel geconfronteerd met een aanhoudende politieke crisis, die nog eens werd verergerd door de explosie in de haven van Beiroet augustus vorig jaar. Feministen speelden een voortrekkersrol in de revolutie en zetten zich na de explosie massaal in om hulp te bieden.

    Maya El Ammar

    Maya El Ammar is een feministische schrijver, activist en communicatieprofessional die momenteel bijdraagt ​​aan verschillende mediakanalen, haar eigen opinievideo produceert over feministische en mensenrechtenkwesties en gendergerelateerde artikelen publiceert in samenwerking met onafhankelijke mediaplatforms. Daarnaast werkt ze als mediastrateeg voor een non-profit organisatie.

    Dit is het getuigenis van Maya El Ammar:

    Spreek je uit, vrouw! Maar voor wie?

    ‘Het lichaam van de presentator is als een snoepwinkel en een verkrachting waard’, was de reactie van een man op een video die ik in 2018 maakte, niet over suikerappels, maar over de vooringenomenheid van de Libanese media in hun verslaggeving over gevallen van vrouwenmoord. 

    ‘Als je dat voor je werk draagt ​​(…) vraag ik me af hoe je nachthemd eruitziet?’

    ‘Waarom eet je geen “banaan”?’ en: ‘Waarom zou ik iets aannemen van een onreine vrouw zoals jij?’ vroegen anderen zich af. 

    Die laatste was een reactie op mijn artikel datzelfde jaar over de kafala (voogdij): slavernij-achtige voorwaarden die worden opgelegd aan huishoudelijk personeel, en in hoeverre deze overeenkomen met huwelijkswetten in onze regio. 

    Een jaar later escaleerde het tot: ‘Beantwoord mijn e-mail en telefoontjes, anders moet ik naar je kantoor komen, Maya.’

    Dat was de eerste keer in mijn leven dat ik een advocaat raadpleegde, want deze zeer beleefde dreiging was de climax van een misselijkmakende combinatie van online en offline stalking, waanvoorstellingen, leugens en wat ik de ‘wraaktoorn’ noem van een man nadat ik een verhaal – mijn verhaal – had gemaakt zonder zijn medewerking. 

    Velen van hen ondergaan hun beproeving waarschijnlijk met een vreemd soort acceptatie

    In mijn geval was het een mannelijke videograaf en een collega uit het maatschappelijk middenveld die ik tegenkwam. Hij is zelfs zo ver gegaan dat hij de persoon over wie het verhaal ging begon lastig te vallen, om mij te straffen. Maar gelukkig heb ik ook dat overleefd.

    Ik hield me zelfs voor wat ik nooit tegen mijn vrienden of sowieso hardop zou zeggen: dat dit nog aanzienlijk triviaal was vergeleken met de ernstiger overtredingen waarmee mijn collega’s, en vrouwen in het algemeen, worden geconfronteerd. Het ‘Het is nog geen dagelijkse bedreiging of verkrachting’-riedeltje hield me op de been, want er was zoveel wat ik wilde doen en ik wilde niet gestopt worden, laat staan in het openbaar delen wat me overkwam. 

    Nu pas realiseer ik dat terwijl ik dit schrijf, en terwijl je het leest, duizenden andere vrouwen te maken hebben met soortgelijke schendingen. 

    Velen van hen ondergaan hun beproeving waarschijnlijk met die vreemde soort acceptatie. Ik zeg dit omdat ik denk dat wij vrouwen die vrouwenhaters en ad-hominemcommentaren altijd boven ons hoofd hebben zien zweven. Nu zijn ze geland in de digitale ruimtes die we besloten te claimen, zoals we eerder besloten de openbare ruimtes te claimen. De geschiedenis herhaalt zich soms.  

    Slachtoffer

    Dankzij onze ervaringen met gendergerelateerd geweld in de offline wereld, hebben we de realiteit, namelijk dat onze virtuele wereld enkel een natuurlijke weerspiegeling is van ons bestaan ​​buiten het scherm, gerationaliseerd. Dankzij de vrouwen wier inspirerende trajecten vaak eindigden als waarschuwing voor hun opvolgers, hebben we misschien onbedoeld geaccepteerd dat het onvermijdelijk is om door het leven te gaan als slachtoffer.

    Wij meisjes moesten blijkbaar voorbereid doch ongewapend ter aarde komen. En het ergste is het besef dat we decennia later als vrouwen nog steeds ongewapend en onvoldoende uitgerust zijn. Dus kunnen we misschien maar beter wat minder om onszelf en ons eigen welzijn geven, nietwaar?

    Als vrouwelijke journalisten en activisten uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika werkt onze strijdvaardigheid destabiliserend, maar andere kwesties krijgen altijd voorrang. En dus krijgen we als onafhankelijke vrouwelijke journalisten en activisten geen bescherming of steun van hogerhand. 

    De digitale equivalenten van de vecht-of-vluchtreactie zijn negeren, blokkeren of rapporteren

    ‘Hoop op het beste, maar verwacht altijd het ergste’, zei mijn zus altijd tegen me. 

    In plaats van hoop na te jagen, koos ik ervoor op mijn hoede te zijn voor het ergste. Destijds dacht ik misschien dat ik hierdoor zou uitgroeien tot die ‘sterke, onafhankelijke vrouw’ waar Destiny’s Child over zingt. Maar later ontdekte ik dat het er eigenlijk op neerkwam dat ik met mijn angsten moest leren omgaan en mijn vecht-of-vluchtvaardigheden moest optimaliseren. De digitale equivalenten daarvan zijn negeren, blokkeren of rapporteren. 

    Nieuwe wet

    Maar rapporteren aan wie? Aan gigantische technologiebedrijven die onze veiligheid geen biet interesseert, en die prioriteit geven aan het verwijderen van taal die autoritaire en apartheidsregimes in de regio stoort boven het aanpakken van meldingen van seksistische en schadelijke inhoud? Aan bedrijven die eerder ‘gevoelige advertenties’ en politieke Arabische inhoud censureren dan te reageren op pesten, bedreigingen en intimidaties? 

    Aan nationale cybercrimebureaus die misschien effectief zijn gebleken bij het opsporen en arresteren van daders van chantage en sextortion, maar nog altijd veel effectiever in het onrechtmatig vervolgen van gebruikers van sociale media en het arresteren van journalisten, waaronder vrouwen, voor het uiten van ongewenste meningen?

    Terwijl ik deze regels schrijf, denk ik aan mijn vrouwelijke collega’s die constant gedwongen zijn om te gaan met een monsterlijk politieapparaat dat hen vrijwel altijd aanvalt op ‘wie ze zijn’, zelden op ‘wat ze zeggen’.

    Wonder boven wonder weigeren deze zelfde vrouwen zich terug te trekken en worden ze zelfs steeds vastberadener in hun missie om de corruptie en de kwelgeest onder de aandacht te brengen, om en antwoord te vinden op de vraag wie hun collega’s hebben vermoord – de onderzoekers, de denkers, de journalisten – en wie er verantwoordelijk was voor de onjuiste opslag van de 2750 ton ammoniumnitraat die half Beiroet vernietigde.

    Voor hen moet de onlangs goedgekeurde wet tegen intimidatie in Libanon zijn werk gaan doen. Deze nieuwe – zij het zwakkewet moet bescherming bieden aan alle vrouwen van wie altijd wordt verwacht dat ze steeds maar meer opofferen, terwijl zij zelf tijdens een crisis als eerste worden opgeofferd. De wet moet de 307 procent toename van officiële meldingen van online geweld tijdens de covid-19-pandemie tegengaan.

    Deze nieuwe wet, die online intimidatie omvat en ervoor kan zorgen dat de meest flagrante daders tot vier jaar in de gevangenis belanden, moet alle dappere vrouwen beschermen die individuele en collectieve actie ondernemen. En vooral moet de wet een uitkomst zijn voor degenen die besloten geen hulp te zoeken uit angst voor vergelding, en uit een gebrek aan vertrouwen en hoop. 

  • 5. Gele hesjes een 
gevaar voor de democratie?

    5. Gele hesjes een 
gevaar voor de democratie?

    De betogingen van de gele hesjes
in Frankrijk hebben iets weg van 
de Arabische Lente – maar dan in Parijs. Kan echter de revolte tegen ‘het systeem’ de democratie in 
gevaar brengen in plaats van haar 
te verdedigen, vraagt men zich 
tot in Beiroet af.

    Er valt geen dictatuur omver te werpen. Er 
is ook geen sprake van een politiestaat die mensen bij de minste of geringste kritiek 
laat verdwijnen. In Frankrijk zijn demonstraties 
toegestaan, mag de oppositie van zich laten horen 
en worden de ergste beledigingen aan het adres van het staatshoofd getolereerd. Daar, in Frankrijk, is 
het onderwijs goed en gratis, evenals de gezondheidszorg, en staat de overheid de minstbedeelden bij. Daar heerst de rechtsstaat.

    Maar daar leek het gedurende een weekeinde toch ook een (klein) beetje op hier. ‘Ik kreeg het gevoel alsof ik in Beiroet was,’ bekende een aantal Libanezen die in de Franse hoofdstad wonen en die daar getuige waren van de woede van de gele hesjes. 
De stortvloed van verbaal en fysiek geweld, de 
brandende auto’s, de plunderingen op de Champs-Élysées, de totale wanorde, het saamhorigheidsgevoel van de oproerigen – dat alles wekt min of meer de indruk dat men zich aan de overkant 
van de Middellandse Zee bevindt.

    ‘Ik kreeg het gevoel alsof ik in Beiroet was’

    Men zou om deze vergelijking kunnen glim-lachen als het onderwerp niet zo ernstig was. 
Het was om (echte) dictaturen ten val te brengen dat de Arabieren acht jaar geleden in opstand kwamen, in een streven naar democratie. 
Diezelfde democratie die vandaag de dag lijkt 
te wankelen in de westerse wereld, en die soms zelfs, bij wijze van karikatuur, wordt voorgesteld als een dictatoriaal regime, in een politiek 
strijdperk waarin woorden een groot deel van hun betekenis hebben verloren.

    Op 7 mei 2017 meenden sommigen dat de verkiezing van Emmanuel Macron tot Franse president het einde betekende van een populistische 
kringloop in de westerse democratieën. De ruime overwinning van de jonge pro-Europese liberaal wekte hoop op een politieke vernieuwing die niet zou worden beheerst door uitersten. Maar we moeten constateren dat dit een illusie was. Niet alleen lijkt Macron op dit moment op het Europese en internationale toneel in een isolement te verkeren, maar ook stuit hij in eigen land op een beweging die in haar afkeer van ‘het systeem’ niet al te veel verschilt van de Brexit of de overwinning van Donald Trump.

    ‘Wij tegen hullie’, 
Parijs, 25 november – 
© ANP / AFP
    ‘Wij tegen hullie’, 
Parijs, 25 november – 
© ANP / AFP

    Ongetwijfeld mede doordat Macron bij zijn critici het beeld oproept van een president voor de rijken, die is losgezongen van de volkse werkelijkheid en bovendien nog arrogant ook, uit de onvrede zich op zo’n gewelddadige wijze. Zijn ideeën over ‘de macht van boven’, zijn wens om geen gebruik te maken van bemiddeling, zijn gebrek aan pedagogisch inzicht om de hervormingen, die in 
een mateloos tempo werden doorgevoerd, in goede banen te leiden, hebben zonder twijfel de woede van een deel van de bevolking aangejaagd.

    Maar het fenomeen lijkt de persoon van Emmanuel Macron en de puur Franse situatie te overstijgen. Ondanks de specifieke omstandigheden van iedere volksbeweging en van elk land, zien we in andere westerse democratieën bij substantiële delen van 
de bevolking hetzelfde gevoel van onthechting, van het idee dat ze in de steek gelaten zijn. Daar heerst dezelfde, soms heftige tweestrijd tussen steden en buitengebieden, tussen hoogopgeleiden en arbeiders, tussen degenen die (terecht of onterecht) vinden dat de globalisering hun geen windeieren legt, en degenen die (op even subjectieve gronden) het tegendeel ervaren.

    En populisten bedienen zich er van dezelfde demagogie om de volkse woede ter eigen voordeel aanwenden, dezelfde retoriek van ‘wij tegen hullie’ die geen enkele ruimte voor dialoog biedt, dezelfde grootschalige verspreiding van fake news en dezelfde utopische heimwee naar een gefantaseerd tijdperk waarin alles, uiteraard, beter was.
    Aan de andere kant, die van de machthebbers, vindt men dezelfde gebreken: gevoelens van onmacht en onvermogen om het gesprek aan te gaan met het kiezersvolk, dat antwoorden verwacht die zowel krachtig als simpel zijn.

    De niet-populisten slagen 
er niet in een samenhangend betoog te houden dat de populistische klasse duidelijk maakt dat de tijden van gouden bergen en ongebreidelde groei voorbij zijn. Ze kunnen zich niet langer bedienen van oude politieke recepten, maar slagen er ook niet in om nieuwe te vinden: daar vloeit een gevoel uit voort 
van een politiek van kleine stapjes, bijstellingen, die uit de aard van de zaak beperkt zijn omdat rekening moet worden gehouden met wereldwijde factoren, die de toehoorders al even vanzelfsprekend grotendeels ontgaan.

    Het nationale kader waarbinnen de politiek zich 
ontwikkelt, lijkt te beperkt om ook voldoende armslag te hebben voor de grotendeels geglobaliseerde economie. Op dezelfde manier lijkt de politiek niet 
in staat om een antwoord te geven op de grote uitdagingen van deze tijd – milieu, migratie, technologie, veiligheid – die brede lagen van de bevolking betreffen, en ze rechtstreeks en heftig raken. En die laatste wenden zich dan, eigenlijk logischerwijze, tot degenen die zich aan de werkelijkheid weinig gelegen laten liggen en het volk gouden bergen beloven.

    Auteur: Anthony Samrani

    L’Orient-Le Jour
    Libanon | dagblad | oplage onbekend

    In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Geldt tegenwoordig als de beste Libanese krant en een van de beste uit de Arabische wereld.