De Duitsers hebben altijd een liefdevolle verhouding met hun bossen gehad. Geen wonder dus dat een boek over het verborgen leven van bomen een bestseller werd. Maar tegelijk neemt het houtverbruik bij onze oosterburen toe. Een reportage over houthakkers en bomenknuffelaars, en over de vraag of bomen kunnen voelen.
Hoe het hart van een land eruitziet, wordt ook in zijn periferie bepaald. In bowlingcentra, cafés, verenigingsgebouwen. En zelfs in het bos. Dus is het van belang dat op deze winterochtend in Oberbayern een boom valt. 
Vannacht heeft het gesneeuwd, maar nu is het bos onder een vale lucht druppend aan het ontdooien 
en valt er natte sneeuw van de takken. Horen doe je dat niet, want midden in het winterlandschap is 
een dreunende en dampende machine, voorzien 
van grijparmen, zagen, walsen en messen, zich als een hongerig insect door het bos heen aan het bijten. De gevelde boom wordt stevig vastgepakt: een spar, misschien wel negentig jaar oud. Sneeuw spat op, boomschors barst, spaanders vliegen in het rond. 
Een paar tellen later ligt de stam in stukken op de grond, pasklaar voor op de vrachtwagen, vakkundig doorgesneden als een gehalveerd varken.
Op een paar meter afstand staat een man roerloos toe te kijken. Laarzen en spijkerbroek, gewatteerde jas en vilthoed, grijs haar en een montere blik. De Beierse boseigenaar Florian von Schilcher (1944), 
de zesde generatie van een adellijke familie, ziet 
deze ochtend bomen vallen die zijn opa Hubert 
heeft geplant.
Voelt hij weemoed? ‘Ach, welnee! Bomen groeien om te worden gekapt,’ zegt Von Schilcher. Hij vindt het goed om te zien dat waar zojuist nog de oude boom stond er nu licht en ruimte is, zodat de volgende 
spar ‘gas kan geven’. Over een paar decennia zullen zijn zoons of kleinkinderen die vellen.
Zo simpel is dat.
Hetzelfde jaar, dezelfde winter, hetzelfde land, 
alleen een ander deel van de periferie en een ander bos, waar een uit de kluiten gewassen man in een olijfgroen boswachterspak boven de bladeren en 
takken uitsteekt. Het is muisstil, alleen kraakt er zo nu en dan een tak in het gemeentebos van het Eifeldorp Hümmel in Rheinland-Pfalz. De man in het bos draagt een bril met een zwart montuur en heeft een baard van drie dagen; hij zou zomaar een therapeut uit de grote stad kunnen zijn. Plotseling gaat hij op zijn hurken zitten en veegt oude bladeren, mos en modder weg. In de grond zit iets ruws. Knoestig, donker, dood. ‘Schraapt u er maar eens overheen,’ zegt hij. ‘Wel voorzichtig.’ Onder het donker wordt het licht. Dat is hout. Leven.
Een paar jaar geleden was het Peter Wohlleben zelf die – nieuwsgierig en onthutst – met zijn zakmes over deze donkere klomp schraapte. Een oeroude boomstronk, het overblijfsel van een beuk. Hoe kon die nog leven, zonder stam, zonder bladeren, zonder fotosynthese? Met biologen van de nabijgelegen 
Universiteit van Aken bekeek Wohlleben de stronk in het bos nauwkeuriger. Kennelijk pompten de bomen eromheen al vierhonderd jaar een suikeroplossing naar hun verminkte soortgenoot, via diens wortels. ‘Dat noem ik nou burenhulp,’ zegt Wohlleben.
Peter Wohlleben (1964) is de afgelopen tijd een beroemdheid geworden. In zijn afgelegen 
boswachtershuis heeft hij een boek geschreven dat de Duitsers recht in het hart treft. Het verborgen leven van bomen stond in 2015 het langst boven aan de 
bestsellerlijst voor non-fictie van Der Spiegel. De boodschap: bomen zijn niet alleen dingen, maar ook wezens. Het zijn ‘oude vrienden’ van elkaar. Maar ook van de mens. Inmiddels hebben 400.000 Duitsers het boek gekocht.
Florian von Schilcher mag dan waarschuwen voor ‘behaaglijkheidslectuur’ en een ‘nieuwe romantisering’ van het bos, Peter Wohlleben krijgt onophoudelijk uitnodigingen voor debatten en aanvragen 
voor seminars. En liefdesbrieven van alleenstaande vrouwen, die zijn boek onder – jawel – de kerstboom hebben gelezen.
Zo gecompliceerd ligt dat.
Het bos is zo Duits als brood en bier
De twee mannen wonen hemelsbreed 500Â kilometer van elkaar vandaan en schelen twintig jaar in leeftijd. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Hun confrontatie komt alleen tot stand door een journalistieke constructie, het onderzoek voor deze reportage. Je zou de twee en hun meningsverschillen simpelweg kunnen laten voor wat ze zijn, ware het niet dat de Duitsers hun liefde voor het bos uitgerekend hebben ontdekt in een tijd waarin ze heel veel bomen voor zichzelf laten kappen.
Vrijwel iedereen zal zichzelf hierin herkennen: wie hout koopt, voelt zich goed, of het nu om speelgoed, meubilair of terrasdelen gaat. Wie hout koopt, is een goed mens. Dat daarvoor bomen moeten sneuvelen, wordt snel vergeten.
Onderzoekers van de universiteit van Hamburg schatten het jaarlijkse ‘boshoutverbruik’ van de Duitsers op 1,06 kubieke meter per persoon. De vraag van 
articuliere huishoudens is tussen 1990 en 2010 verdubbeld. Hout geeft warmte, ook als het niet brandt. Als het wel brandt, dan geeft het des te meer warmte: verwarmen met hout geldt als knus en effectief tegelijk. In het afgelopen decennium is het aantal pelletkachels verviervoudigd. Voor het eerst sinds meer dan honderd jaar wordt in Duitsland weer meer hout verbrand dan er in de bouw wordt gebruikt. Volgens Von Schilcher is de houthonger in Duitsland alleen te stillen met snelgroeiende bomen, gekapt zonder rekening te houden met welk wezen ook.
Wohlleben vindt dat een redenering die zo van iemand uit de bio-industrie zou kunnen komen. Von Schilcher vraagt zich hierop af wat er aan levensvreugde 
overblijft als we allemaal vegetariër zouden worden. Het antwoord van Wohlleben: tot nog toe heeft dat niemand kwaad gedaan.
Het debat, dit artikel, de bestseller: ze zouden er 
allemaal niet zijn als Peter Wohlleben een boek had geschreven over het verborgen leven van de suikerbieten. Of over tarwe. Maar het bos? Dat is voor de Duitsers meer dan een verzameling bomen. In het bos wortelt de nationale identiteit, het is natuurlijk en cultureel erfgoed, de Germaanse geesteswereld, die sprookjes en mythen voortbrengt.
In het bos was Hermann de Cherusk de Romeinen te slim af. In het bos nam Siegfried een bad in drakenbloed. In het bos daar zijn de rovers. Hans en Grietje verdwaalden in het bos. Joseph von Eichendorff noemde het bos de ‘echokamer van de ziel’, Caspar David Friedrich schilderde de ene boom na de andere. Schilderijen, lyriek en prentenboeken met het bos 
als thema vullen musea en bibliotheken. Het bos is zo Duits als bier en brood.
In moeilijke tijden trekken de Duitsers zich terug in het bos, als wild waarop wordt geschoten. Onthaasting en escapisme, in elk geval mentaal. Een dood vluchtelingenkind op het strand? Poetins strategische spelletjes met Syrië? Aanrandingen op het domplein in Keulen? In het bos, waar geen televisie is en op plekken geen bereik, is nog aan nieuws te ontsnappen. Bos is wellness. Een vlucht uit de werkelijkheid, zoals ooit in de romantiek.
Er is geen romanticus te bekennen wanneer op een waterkoude ochtend in het bos van Von Schilcher 
de kettingzagen beginnen te huilen. Zoals zoveel branches besteedt ook de bosbouw al sinds lange tijd opdrachten uit aan externe bedrijven, die het zware werk door seizoenarbeiders laten doen.
En dus kijkt Florian von Schilcher toe hoe twee zwijgzame Roemenen zich door het kreupelhout heen werken. Vlad en Vasile zwaaien met hun 
kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer in Rambo. Ze hebben opdracht om jonge beuken weg te halen en ‘zo andere bomen in staat te stellen te groeien,’ zegt Von Schilcher. En wel zo veel mogelijk sparren. Waarom eigenlijk?
‘De beuk is vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven een bron van ergernis,’ zegt Von Schilcher.
De bladeren nemen te veel licht weg voor andere bomen. De stam vertakt zich te vroeg in een brede kruin, waarmee je vrijwel niets kunt beginnen. 
‘En een beuk die omvalt, slaat in als een bom. Daar groeit dan de eerste jaren niets meer.’
Vlad en Vasile zwaaien met hun kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer
De strijd tussen Wohlleben en Von Schilcher ontbrandt al bij dit detail, dat voor beiden geen detail is. De beuk is namelijk de meest Duitse van alle Duitse bomen, meer nog dan de eik. Als Peter Wohlleben groepen rondleidt door het bos bij Hümmel, laat hij hen vierduizend jaar oude beuken zien, en zegt: ‘Zo zag het er vroeger in vrijwel het hele land uit.’ Voordat kolenbranders, mijnwerkers en scheepsbouwers Europa in de zeventiende eeuw in belangrijke mate hadden ontbost, was het gebied dat tegenwoordig Duitsland heet grotendeels bedekt met beukenbossen. Nog altijd buigen taalonderzoekers zich over de vraag of de Duitse woorden Buch en Buchstabe zijn ontstaan doordat de Germanen hun runen in het harde hout van de beuk [Buche in het Duits] krasten.
Wohlleben vraagt zich af: waarom niet laten groeien wat inheems is? De spar is een importplant. Hij noemt die een ‘boom voor luie mensen’. Sparren groeien niet naar het licht, maar kaarsrecht tegen de aantrekkingskracht van de aarde in, snel en pasklaar 
de zagerij in. Desondanks, vindt Wohlleben, doen ze alleen maar alsof ze rendabel zijn. In warme zomers worden ze aangevreten door kevers. En bij een storm kieperen ze om, omdat ze ondiepe wortels hebben. De beuk daarentegen wortelt diep en opent zijn kruin als een waaier om elke drup regen op te vangen. ‘Welke boom zou nou beter zijn opgewassen tegen 
de opwarming van de aarde?’
Von Schilcher vindt het grappig dat uitgerekend een eco-auteur zich uitspreekt tegen het idee van duurzaamheid. Hij vertelt dat Hans Carl von Carlowitz, net als Von Schilcher van adel, in 1713 in een manifest voor het eerst als voorwaarde heeft gesteld dat er altijd net zoveel hout moet aangroeien als er wordt gekapt. Hoe sneller er wordt gerooid, des te sneller er dus ook moet worden aangeplant. ‘Daar houd ik me aan.’ Ook zegt Von Schilcher dat hij zijn hele leven een gemengd bos heeft onderhouden: 70 procent naaldbomen, ondersteund door 30 procent loofbomen – als ‘bijmenging’. Als er iemand is die een monocultuur wil, dan is het die schrijver uit de Eifel wel. Anonieme stemmen noemen Wohlleben een ‘boomracist’ en een ‘plantenfascist’, die niets anders dan de beuk wil accepteren. Wohlleben zegt hierop dat hij gemengde bossen wantrouwt. Wat eruitziet als de wil van de natuur, zijn ‘bomenakkers’, geplant naar de behoeften van de markt.
Zo gaat het over en weer. Niet alleen tussen Wohlleben en Von Schilcher, maar ook tussen het 
Bundesamt für Naturschutz, dat meer ‘natuurlijke ontwikkeling van het bos’ wil, en het Deutscher Energieholz- und Pellet-Verband, dat snel veel nieuw hout nodig heeft. Zelfs in de Bondsregering wijzen de neuzen niet dezelfde kant op. Het door een SPD-minister geleide ministerie voor Milieu wil tot 2020 10 procent van alle openbare bossen tot oerbos maken. In het door een CSU-minister geleide ministerie van Landbouw noemt een hoge ambtenaar oerbossen ‘bosruïnes’. Als de Bondsrepubliek ‘het tijdperk van de decarbonisatie’ wil binnengaan, zich onafhankelijk wil maken van smerige kolen, Poetins gas en de olie van de Saoedi’s, dan kan dat alleen met zon, water, wind – en hout.
Aan al deze tegenstrijdige opvattingen valt op dat de verschillende partijen er tot nog toe alleen maar over gediscussieerd hebben met welke mix van bomen de mensheid het meest geholpen is, als koks die hartstochtelijk van gedachten wisselen over een optimaal recept. Maar nu verovert deze boswachter uit de Eifel het hart en het brein van zijn lezers met de bewering dat de bomen zelf van belang zijn en een geheugen en gevoelens hebben.
Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens, door de mens onderschat en afgeslacht? Staan we binnenkort met beuken te knuffelen zoals we dat nu met dolfijnen doen?
Er zijn seminars waarbij je bomen kunt omhelzen. En het is waar dat tijdens een boswandeling de bloeddruk daalt. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat zelfs het aantal antikankercellen in het lichaam toeneemt. Onduidelijk is nog waarom. Waarschijnlijk vanwege de zogenaamde phytoncides, gasvormige stoffen die bomen afscheiden ter bescherming tegen schadelijke insecten en dieren.
Op een mistige, waterkoude dag leidt Peter Wohlleben weer een groep rond in zijn bos. Mannen en vrouwen met stevige schoenen en kleurrijke outdoorkleding van dure merken. Ze hebben veldkijkers, fototoestellen, thermosflessen en wandel- en nordic walking-stokken bij zich. De uitrusting van stedelingen die een bezoek aan het platteland brengen. Liefdevol streelt Wohlleben de jonge scheuten van beuken, zoals een moeder in het voorbijgaan de hoofden van haar kinderen. ‘Het is toch jammer,’ zegt hij, ‘dat vrijwel elke boom in Duitsland voor zijn natuurlijke dood wordt omgehakt.’
Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens?
In de groep wordt geknikt. Dat zijn gasten soms in imposante auto’s naar de Eifel komen, daarover spreekt Wohlleben niet. Hoeveel hout ze verbruiken, vraagt hij niet. En dat hij vindt dat elk meubelstuk net als eieren een herkomststempel zou moeten 
hebben, houdt hij voor zich. Tijdens de urenlange natuurwandelingen onthoudt Wohlleben zich consequent van kritiek op zijn publiek en leidt hij de bezoekers van zijn bos van wonder naar wonder zoals zijn lezers van anekdote naar anekdote. In Het verborgen leven van bomen schrijft Wohlleben dat ‘hele bossen’ via een ‘wood wide web’ met elkaar in verbinding staan. ‘Beukenouders’ bieden schaduw en brengen hun kinderen geduldig groot. Als je ze ongemoeid laat, groeien beuken dicht bij elkaar: ‘Groepsknuffels 
zijn aangenaam.’ Wohlleben schrijft dat ‘bomen 
pijn ervaren en een geheugen hebben’.
Florian von Schilcher zegt: ‘Hij schrijft best aardig, dat moet ik hem nageven. Maar kinderen en ouders? Enorme flauwekul. Daarmee verslijt hij de mensen voor dom.’
Rondvraag onder wetenschappers levert aanvankelijk niets op. Er is vrijwel geen onderzoeker die het boek van Wohlleben heeft gelezen. Omdat het onomstreden is? Er niets nieuws in staat? Of omdat het onzin is? Christian Ammer, professor Bosbouw en Bosecologie in Göttingen, mailt aan Die Zeit: ‘Het boek zegt meer over de lezers dan over bomen. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kun je – zwak uitgedrukt – bij sommige passages alleen maar het hoofd schudden.’
Waar Wohlleben ook verschijnt, telkens weet hij de rust te bewaren van iemand die het recht aan zijn zijde weet en een meerderheid achter zich waant. Niet hij verslijt de mensen voor dom, zegt Wohlleben, maar de houtindustrie, een conservatief kartel van zwijgers en mooipraters. Iedere Duitser weet tot op de komma nauwkeurig wat het brandstofverbruik van zijn auto is en hoeveel stroom zijn huishouden verbruikt. Maar hoeveel kubieke meter van zijn bloedeigen grondstof hout hij jaarlijks nodig heeft, weet niemand. Waarom niet?
Ik ontmoet hem bij hem thuis, in zijn boswachterswoning in het bos. In de tuin heeft hij met zijn vrouw mais, aardappels, pastinaken en courgettes geplant, om zo zelfvoorzienend mogelijk te kunnen leven. Wohlleben zegt dat hij is opgegroeid in decennia van angst. Club van Rome, bossterfte, Koude Oorlog, opgedroogde rivieren, Tsjernobyl. ‘Ik heb altijd de vaste overtuiging gehad dat ik niet aan seniliteit zal sterven.’
Als hij over zichzelf vertelt, klinkt hij een beetje minder zelfverzekerd dan tijdens zijn rondleidingen in het bos. Hij weet dat elke tijd en elk milieu hun eigen verschijningsvormen hebben. Op het gymnasium was hij onder de indruk van ‘de jonge leraren, die allemaal hadden meegedaan aan de studentenprotesten van eind jaren zestig’. Wohlleben nam 
deel aan demonstraties van Greenpeace en het WNF. Hij probeert ‘zo weinig mogelijk vlees’ te eten. Aan 
de muren van zijn huis hangen de verentooi van e
en Sioux, een parelketting van de Yokut-stam en armbanden van de Crow. Peter Wohlleben heeft altijd hart gehad voor de indianen.
Florian von Schilcher neigt meer naar een cowboy. Hij is voorzitter van de schietvereniging van Dietramszell. Onlangs was hij op antilopejacht in Oeganda. De geweien aan de muren van zijn huis strengelen zich bijna ineen. De angst voor bossterfte vond hij dertig jaar geleden al overdreven.
Als Von Schilcher zijn leven moet samenvatten, pookt hij eerst eens het vuur op en laat vervolgens op vrijwel elke anekdote een zelfvoldaan lachje volgen. Zijn jeugd heeft voor een groot deel uit ‘vlegelachtig gedrag’ bestaan: ‘We reden als waanzinnigen. Op mijn veertiende zat ik zonder rijbewijs achter het stuur.’
Een ‘rampzalige leerling’ was hij, zegt Von Schilcher, zeven keer wisselde hij van school. Hij had een baantje in het orang-oetanhuis in de dierentuin van Berlijn, deed alsnog examen, trouwde met een Braziliaanse, studeerde biologie in Edinburgh en schreef zijn proefschrift over het seksleven van de fruitvlieg. In de open haard ligt het hout zachtjes te knapperen, Von Schilcher legt er nog een paar blokken op. Tussen Dietramszell en Hümmel, op die 500 kilometer tussen de twee mannen, gaat het om veel meer dan het bos. En ook om meer dan ecologie en economie of een generatieconflict.
Het gaat om de levensinstelling alles goed te willen doen, zoals Wohlleben, en het niet iedereen naar de zin te hoeven maken, zoals Von Schilcher. Het gaat om verschillende mannenrollen. En om het eeuwige contrast tussen stad en platteland.
Al 25 jaar onderhoudt Peter Wohlleben het bos van Hümmel, maar hij zegt zelf dat hij ‘in de stad gesocialiseerd is’. Een eengezinswoning in de buurt van Bonn, vader werkte bij het ministerie van Financiën en ’s avonds werd er onder het eten over politiek gesproken. Al die gesprekken hadden een hoog 
theoretisch en moralistisch gehalte. Vanuit de stad bekeken lijkt de plattelandsbevolking soms gecorrumpeerd door de eigen economische belangen. 
Hoe zou iemand die in een mestveehouderij werkt tegen mestveehouderijen kunnen zijn?
Florian von Schilcher vindt deze manier van denken ‘schijnheilig’. Buiten de steden gaat het er nu eenmaal niet zo idyllisch aan toe als het tijdschrift Landlust in de stationskiosk doet vermoeden. ‘Hoe intensiever de verstedelijking, des te sterker de romantisering van de natuur,’ zegt Von Schilcher. Het komt er immers op neer dat de plattelandsbevolking het vuile werk doet voor de stedelingen. Zaaien en maaien, mesten en slachten. ‘En wat krijgen ze voor dank?’
Het heeft weer eens gesneeuwd, misschien wel voor het laatst deze winter. Peter Wohlleben loopt met een oudere dame door zijn stijf bevroren bos. In de kwarteeuw die hij tot nog toe in het bos van Hümmel heeft doorgebracht, heeft Wohlleben 15 procent ervan ongemoeid gelaten, zodat boomouders en -kinderen ongehinderd kunnen groeien. Dat zijn werk desondanks lucratief is voor de gemeente heeft een andere oorzaak: hij verkoopt grafplaatsen, die hij ‘rustbiotopen’ noemt. Begraven worden in het bos is een trend.
De Duitse verbondenheid met het bos is eeuwigdurend. Sinds Wohlleben dertien jaar geleden zijn rustbos opende, zijn hier 3400 mensen ter aarde besteld. Ze liggen in cirkels om de stammen heen, 
in biologisch afbreekbare urnen. Vandaag leidt Wohlleben de 75-jarige Eleonore Rottscheid-Zölliken van stam naar stam. Ze wil een boomgraf voor zichzelf en haar man reserveren.
‘Wilt u liever een schaduw- of een zonplek?’ vraagt Wohlleben.
‘Graag een beetje verscholen,’ zegt ze.
‘Vindt u de boomsoort belangrijk?’
Uit de zijzak van zijn wandelbroek haalt Wohlleben een tablet tevoorschijn. Op het scherm verschijnt een landkaart met honderden stippen. Geel staat voor eiken. Rood voor douglassparren. Groen voor beuken. Grijs voor bezet. Grijs overheerst. Na een halfuurtje wikken en wegen staat Eleonore Rottscheid-Zölliken tussen boom 4243 en boom 4249 wolkjes adem het bos in te blazen. De eerste boom is een grote, rechte beuk, de laatste een krom, scheefgegroeid ding. ‘Ik wil die kleine wel,’ zegt mevrouw Rottscheid-Zölliken.
Wohlleben tikt op zijn tablet en een groene stip wordt grijs. Over enkele dagen zal mevrouw Rottscheid-Zölliken voor de prijs van 2990 euro ‘bijzettingsgerechtigde’ bij boom 4249 zijn en ooit deel gaan uitmaken van een reservaat, ook biologisch.
99 jaar
Peter Wohlleben heeft met deze transactie weer een stukje bos beschermd voor de komende 99 jaar. 
Tegen de houtlobby, tegen alle Von Schilchers, en tegen alle mogelijke opvolgers die in de verre toekomst zijn bos zullen overnemen en misschien wel andere ideeën en idealen najagen.
Van het geld dat Wohlleben met zijn bestseller heeft verdiend, wil hij zijn oude boswachtershuis laten renoveren. De muren isoleren, zonnepanelen op het dak. Tot nog toe stookt Peter Wohlleben met hout. Hij verbruikt geen 1,06 kubieke meter per jaar, zoals de gemiddelde Duitser. Hij verstookt 10 kubieke meter.
Auteur: Henning Sussebach
Vertaler: Pieter Streutker
Peter Wohllebens Het verborgen leven van bomen, 
verschijnt half april bij AW Bruna. Vertaling: Bonella van Beusekom.
Die Zeit
Duitsland | dagblad | oplage 540.000
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

