Tag: bestuur

  • In Haïti staat een stad zonder bestuur

    In Haïti staat een stad zonder bestuur

    Na de vernietigende aardbeving in 2010 in Haïti probeerde burgemeester Rony Colin controle te krijgen over de haveloze stad Canaan. Dat mislukte, omdat de president en het kabinet wilden voorkomen dat Colin te veel zeggenschap zou krijgen in de verkiezingen. Een stem op Colin was een stem tegen henzelf.

    Op een warme dag in de nieuwste stad van Haïti stonden honderden mensen zwetend rond een politiebureau. Ze wachtten op de man die het eerste bureau van de stad officieel zou openen. Er was bijna negen jaar verstreken sinds de ramp die de aanleiding was voor het ontstaan van deze plaats: een aardbeving van 7 op de schaal van Richter die tussen de 46.000 en 316.000 mensen het leven kostte – het precieze aantal weet niemand. De regering van Haïti schat dat zo’n anderhalf miljoen mensen – een op de zeven Haïtianen – bij de ramp dakloos raakten. Enkele weken later begonnen de VN en internationale ngo’s een aantal ontheemden over te brengen naar een braakliggend stuk land ten noorden van de hoofdstad, een gebied dat Canaan wordt genoemd. Weldra volgden er heel wat meer. Ze sliepen in tenten en krakkemikkige keten en begonnen na verloop van tijd stukjes grond te claimen waarop ze hun eigen huis bouwden. Hun aantal nam toe van honderden tot duizenden, vervolgens tienduizenden en ten slotte honderdduizenden. Bijna tien jaar na de aardbeving noemden zo’n driehonderdduizend mensen Canaan hun thuis.

    Er was alleen één probleem: deze stad had geen bestuur. Tegen de tijd dat ik er een bezoek bracht hadden de inwoners zich verspreid over talloze bestaande gemeentes, maar niemand had zich officieel ingeschreven. Het was onmogelijk om het eigendomsrecht op een perceel te verwerven: geen formulieren om te ondertekenen, geen kantoor om naartoe te gaan, geen ambtenaren om een beroep op te doen. Er was geen bestuur dat de verantwoordelijkheid nam voor het graven van putten of voor de aanleg van parken of busstations. En er was geen politie.

    Colin, het type ‘van krantenjongen tot miljonair’, besloot, terecht of onterecht, dat Canaan zijn grondgebied was

    Eén man beloofde daar verandering in te brengen: Rony Colin, de burgemeester van de naburige stad Croix-des-Bouquets. Colin, het type ‘van krantenjongen tot miljonair’, besloot, terecht of onterecht, dat Canaan zijn grondgebied was.

    Amerika2 2
    Canaan probeert alle inwoners te registreren en een identiteitskaart te verstrekken aan degenen die een pasfoto overleggen. – © Getty Images 

    Van een chauffeur uit Colins geboorteplaats aan zee hoorde ik het levensverhaal dat over hem de ronde doet: de jonge Colin, die kampte met tegenslag, ging een bos in om een waarzegger te raadplegen. De man wist Colins drie geluksgetallen op te roepen en zei hem dat hij loten moest kopen waarop die voorkwamen. Colin liep het bos uit, kocht drie loten en won twee keer. De opbrengst bedroeg 7,5 miljoen Haïtiaanse gourde, destijds het equivalent van ruim 2 miljoen dollar.

    Zand

    Al decennia voor de aardbeving gebruikte Colin zijn winst om een bouwbedrijf te beginnen. Hij kocht machines in Canada, die hij naar de Dominicaanse Republiek liet verschepen, vanwaar ze met vrachtwagens over de grens naar Haïti werden gebracht. Na de aardbeving had Haïti dringend behoefte aan de bouw of herbouw van duizenden huizen en gebouwen die waren beschadigd of verwoest. Voor bouw is beton nodig en voor beton zand. Colin had het geluk dat hij een kleine 670 duizend hectare aan zandmijnen bezat aan de noordrand van Canaan, de lucratiefste van al zijn investeringen. Elke dag vervoerden tientallen kiepauto’s het zand naar Port-au-Prince en andere steden. Het is een inkomstenbron die waarschijnlijk pas zal opdrogen als er geen korrel zand meer in de mijnen te vinden is. ‘Dat is allemaal van mij,’ zei Colin terwijl hij me op de afgegraven flanken wees. ‘De mijnen leveren me een hoop geld op.’

    Binnen de kortste keren ging Colin in de politiek en begon hij een radiostation dat hij bemande met politiek commentatoren. In 2015 werd hij gekozen tot burgemeester van Croix-des-Bouquets. Colins toenemende macht hield gelijke tred met de toevloed van internationale hulp die volgde na de aardbeving. Hulporganisaties als het Rode Kruis hadden miljarden dollars ingezameld voor de wederopbouw van Haïti, maar het ontbrak aan iemand met gezag om de bouw groen licht te geven. Colin was hun man. Hij keurde projecten goed en legitimeerde ngo’s, die hem op hun beurt legitimeerden. De meeste ngo’s keerden hun geld uit en vertrokken weer, zodat de inwoners van de stad alleen nog met burgemeester Colin te maken hadden.

    Ze verlangden naar dingen waarin een bestuur zou moeten voorzien: verharde wegen, veiligheid, elektriciteit

    Sommige inwoners van Canaan zagen hem als een kans. Ze verlangden naar dingen waarin een bestuur zou moeten voorzien: verharde wegen, veiligheid, elektriciteit. Ze wilden kunnen stemmen, ze wilden veilig zijn. Bendes begonnen namelijk te infiltreren en inwoners af te persen, net als in Port-au-Prince: een realiteit van het leven in de hoofdstad waaraan de inwoners van Canaan hier nu juist wilden ontkomen. Daar was het nieuwe politiebureau voor. Zou Colin een weldoener zijn, die legitimiteit, welvaart en veiligheid bracht? Of zou hij een politicus zijn die zijn eigenbelang najaagde en de inwoners in de weg zat?

    De federale regering van Haïti had tot die tijd nog maar weinig in Canaan voor elkaar gekregen. Ngo’s betaalden steekpenningen aan ambtenaren en kochten benzine voor onderbetaalde medewerkers om zich naar Canaan te wagen en taxaties te doen voor projecten en grondaankoop. Overal waar ik in Canaan kwam, zeiden mensen dat hun nieuwe stad nog niet tot bloei was gekomen omdat de staat nog niet tot besturen was gekomen. Nu was Colin misschien hun laatste redding.

    Wijkvertegenwoordigers

    Nadat Colin voor het nieuwe politiebureau een toespraak had gehouden, werd hij omringd door tientallen aanhangers die ‘Tien jaar! Vijftien jaar!’ scandeerden, een belofte om hem nog vele malen te herkiezen. Colin glimlachte, haalde een stapel bankbiljetten uit zijn zak en begon die uit te delen als snoepgoed. Mensen worstelden om het geld terwijl Colin in een SUV stapte met een opzichtig nepgouden nummerbord met daarop de woorden ‘Burgemeester Rony Colin’.

    Elke wijk van Canaan had een leider aangewezen om haar te vertegenwoordigen, bijna allemaal mannen. Colin nodigde de wijkvertegenwoordigers uit voor een vergadering. In de woonkamer van de burgemeester mochten ze plaatsnemen op plastic stoelen. Sommige vertegenwoordigers droegen nette, keurig gepoetste zwarte schoenen. Colin zat onderuitgezakt in een leunstoel, met zijn schoenen uit; een scheurtje in zijn witte onderhemd accentueerde zijn buik. Hij klaagde over de overbevolking van Canaan. ‘Er is geen lapje grond of iemand wil het wel claimen,’ zei hij. ‘We kunnen niet leven in een maatschappij waar iedereen bang is voor elkaar. Ik ben een man van de staat. Ik ben hier voor jullie, en jullie zijn hier voor mij.’

    Amerika1
    Canaan, een gemeente van 300.000 mensen aan de rand van de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. – © Getty Images

    Er waren maar twee problemen met het plan van Colin. Ten eerste had Canaan geen bureau waar mensen zich konden registreren om hun stem op hem of op wie dan ook uit te brengen. Ten tweede was Colin een politieke tegenstander van de president en diens kabinet, die in Haïti enorm veel zeggenschap hebben over het verkiezingsproces. De kans bestond dat de leiders verkiezingen in Canaan wilden voorkomen omdat een stem op Colin een stem tegen henzelf was. Haïti werd destijds geleid door president Jovenel Moïse. Tijdens zijn campagne omschreef Moïse zichzelf als een hardwerkende bananenboer, een man van het volk. In werkelijkheid was hij ten tijde van zijn kandidatuur een rijke eigenaar van bouwbedrijven en een grote landbouwinvesteerder voor wiens op export gerichte bananenplantage honderden kleine boeren het veld moesten ruimen.

    In 2017 was hij verwikkeld in een corruptieschandaal en kreeg hij te maken met omvangrijke protesten

    Veel mandaat had Moïse niet. Zijn verkiezing in 2015 werd later herroepen wegens onregelmatigheden en toen de verkiezingen het jaar daarop werden overgedaan, won hij bij een bedroevend lage opkomst van naar schatting 21 procent. In 2017 was hij verwikkeld in een corruptieschandaal en kreeg hij te maken met omvangrijke protesten, waarop zijn regering reageerde door de beruchte bendeleider Jimmy ‘Barbecue’ Chérizier van wapens te voorzien.

    Eind 2018 vielen Chérizier en zijn boevenbende een wijk in Port-au-Prince binnen waar de protesten tegen Moïse heftig waren geweest, waarbij ze 71 mensen vermoorden, onder wie een aantal kinderen, minstens 11 vrouwen verkrachtten en zo’n 150 huizen plunderden.

    Bob Anel

    Maar Colin had nog een ander probleem, veel dichter bij huis. Jean Adler Corriélus, beter bekend onder zijn nom de guerre Bob Anel, was een man met veel politieke macht die hof hield als een ware koning. Elke ochtend vulde zijn achtertuin zich met mensen die wachtten op hun kans om hem om een gunst te vragen of te proberen hem iets te verkopen. ‘Zie je al deze mensen?’ vroeg hij, om zich heen wijzend, op de dag dat ik hem bezocht. ‘Ze komen me allemaal wat vragen, wat geld, veiligheid. Misschien hebben ze een probleem gehad met de politie. Iedereen heeft wel wat.’ Volgens Anel was Colin de politiek ingegaan uit ambitie, maar Anel zag het als zijn plicht om de handschoen tegen hem op te nemen. 

    Anel beweerde dat Colin zich een groot stuk grond had toegeëigend dat lang geleden aan Anels grootvader was geschonken na diens militaire dienst. Het conflict tussen de twee ging verder dan politiek en ontaardde zelfs een keer in geweld. Volgens Colin vielen Anels schutters op motorfietsen zijn radiostation aan.

    Rechters en advocaten waren neergeschoten, ontvoerd, gedood

    Het rechtssysteem van Haïti was een puinhoop. Rechters en advocaten waren neergeschoten, ontvoerd, gedood. In een rechtbank waar een corruptiezaak liep waarbij Moïse betrokken was, probeerden mannen twee griffiers te ontvoeren. Twee rechters die waren belast met het onderzoek naar het schandaal vluchtten het land uit na het ontvangen van doodsbedreigingen. In 2020 werd het hoofd van de orde van advocaten van Port-au-Prince doodgeschoten op weg naar zijn huis, enkele uren nadat hij op de radio tekeer was gegaan tegen een grote schare Haïtiaanse politici, variërend van parlementariërs tot mensen in het presidentieel paleis.

    Een vloek

    Toen de wereld begin 2020 in de ban van corona raakte, had Haïti nog wel ergere problemen. Maar in maart van dat jaar stierf Colins 21-jarige zoon, die in Florida woonde, in zijn slaap; de doodsoorzaak is nog steeds onbekend. In de ogen van Colin moet het een vloek zijn geweest. De man die twee keer de loterij had gewonnen en bijgelovig was als geen ander, stelde vast dat aan zijn geluk een eind was gekomen. Kort daarna werd een ander kind van hem op weg naar school ontvoerd – ontvoeringen waren in deze periode aan de orde van de dag, een makkelijke manier voor bendes om geld af te persen. Colin maakte vervolgens bekend dat hij zich niet opnieuw verkiesbaar zou stellen bij nieuwe verkiezingen en dat hij aan het eind van zijn termijn zou aftreden. 

    Op 26 juni 2021 deed Colin iets waarvan veel van zijn landgenoten dromen en wat sommigen ook echt proberen, maar zelden met succes. Hij vertrok uit Canaan en stapte op een vlucht naar Florida om een veilig onderkomen te zoeken in de Verenigde Staten. De man die had geprobeerd Haïti’s onbestuurde stad te besturen trok zijn handen ervan af. Hij ging weg zonder dat hij van Canaan een officieel erkende stad had gemaakt, waardoor het de inwoners onduidelijk was hoe ze op een dag een eigen leider zouden kunnen kiezen.

    Elf dagen later werd president Moïse in zijn huis vermoord door Colombiaanse huurlingen

    Elf dagen later, op de avond van 7 juli 2021, werd president Moïse in zijn huis vermoord door Colombiaanse huurlingen. Een van de opdrachtgevers was een zakenman die in juni van dit jaar in Florida tot levenslang werd veroordeeld wegens zijn aandeel in het complot. Sindsdien is het zo mogelijk nog onveiliger geworden in Haïti, met bendes die vrouwen en kinderen verkrachten en mishandelen, en straffeloos schieten en doden. Een van de beruchtste bendes, 400 Mawozo, vestigde zijn bolwerk aan de rand van Canaan. De bende viel Colins radiostation aan nadat een van zijn commentatoren hen had bekritiseerd vanwege het terroriseren van de bevolking. Volgens Colin werden twee van zijn werknemers doodgeschoten en kwam ook een hem bekende politieman om het leven. De maand daarop sloot het radiostation voorgoed. 

    Sindsdien worden de achterblijvers in Canaan – die daarheen zijn verhuisd in de hoop op vrede en betere vooruitzichten – onder bedreiging van wapens afgeperst of moeten ze met hun kinderen dekking zoeken terwijl er voor hun deur in het wilde weg wordt geschoten. De door Colin beloofde veiligheid is er nooit gekomen. De hoge verwachtingen van de inwoners en de beloften van Colin waren achteraf bezien te optimistisch. De afgelopen tijd  is het bendegeweld – aanrandingen, berovingen, schietpartijen – alleen maar toegenomen en veel inwoners van Canaan zijn vertrokken. Sommigen zijn ingetrokken bij familie op het platteland. Anderen bivakkeren in parken en kerken, en zelfs voor de deur van de Amerikaanse ambassade, bij gebrek aan een ander onderkomen. Onlangs wist een pastoor honderden parochianen zover te krijgen dat ze in optocht door Canaan trokken om de stad te bevrijden van de bende die de stad terroriseert. Sommigen hadden stenen en machetes bij zich. Toen de agenten van een politiebureau dat ze passeerden weigerden in te grijpen, opende de bende het vuur op de menigte. De doden worden nog steeds geteld.

    Interim-premier

    Haïti wordt momenteel bestuurd, voor zover daar al sprake van is, door een ongekozen interim-premier die luistert naar de naam Ariel Henry, een man die banden heeft met een van de verdachten van de moord op zijn voorganger. Henry heeft de VS en andere westerse mogendheden opgeroepen militairen te sturen om de bendes een halt toe te roepen, een populair maar controversieel verzoek; het land is lange tijd bezet geweest door Amerikaanse militairen en door een VN-vredesmacht die burgers doodde, vrouwen en kinderen verkrachtte en een cholera-epidemie veroorzaakte waaraan meer dan tienduizend mensen zijn overleden. In augustus heeft Kenia, een land waarvan het leger en de politie berucht zijn om hun martelingen en massaslachtingen, aangeboden een vredesmacht te sturen om de Haïtiaanse politie bij te staan in haar strijd tegen de bendes. De VS zeiden een VN-motie te zullen indienen voor steun aan het plan om een ‘multinationale’ vredesmacht van duizend Keniaanse soldaten te leiden. De Haïtiaanse bendes hebben al gedreigd dat ze zullen terugvechten.

    Colin zegt dat hij klaar is met politiek, dat hij zich nooit meer verkiesbaar zal stellen. ‘We hebben verkiezingen nodig,’ zegt hij wanhopig. ‘We hebben geen president. We hebben geen parlement. We hebben geen burgemeesters. We hebben geen land.’

  • Wat zij zeggen over Israëls poging tot herziening van de rechterlijke macht

    Wat zij zeggen over Israëls poging tot herziening van de rechterlijke macht

    Internationale commentatoren en opiniemakers over de afbraak van de Israëlische democratie door de nieuwe regering-Netanyahu.

    Dan Perry – voormalig hoofdredacteur Midden-Oosten van Associated Press 

    CNN

    ‘De nieuwe extreemrechtse regering van Israël onder Benjamin Netanyahu wil het systeem herzien dat de politieke stabiliteit in het land in stand hield. Onder protest van de oppositie en tienduizenden demonstranten buiten, is het parlement begonnen met hervorming van de wetgeving. Het belangrijkste punt is de ‘inmengingclausule’, die het parlement in staat stelt rechterlijke beslissingen te vetoën. Dat zou het gerechtelijk apparaat ondergeschikt maken aan de uitvoerende macht en aan de leider daarvan, Netanyahu.’


    Neve Gordon – hoogleraar internationaal recht, Queen Mary University in Londen

    Al Jazeera

    ‘In het mondiale noorden is het dominante verhaal dat Israël “de enige democratie in het Midden-Oosten” is. Zeker, er is democratie in Israël – maar die lijkt meer op de democratie tijdens de apartheid in Zuid-Afrika dan die in het VK of Frankrijk. Het Israëlische Hooggerechtshof is inderdaad een principiële verdediger van democratische rechten – maar alleen voor Joden. De rechtbank speelde een cruciale rol bij het faciliteren van het Israëlische koloniale project en legitimatie van geweld tegen Palestijnen.’


    Yuval Noah Harari – historicus en futuroloog

    The Washington Post

    ‘Wat er gebeurt met de poging tot herziening van het Hooggerechtshof door de Israëlische regering, is geen hervorming van het gerechtelijk apparaat, maar lijkt op een antidemocratische staatsgreep. Deze extreemrechtse coalitie vaardigt een reeks uiterst controversiële wetten uit, die samen één heel simpel ding betekenen: de regering krijgt de macht om elke wet aan te nemen die ze wil, en om bestaande wetten te interpreteren zoals ze wil, zonder controle op haar macht en zonder dat de rechten van minderheden worden beschermd.’


    Zehava Galon – voormalig partijleider Meretz

    Haaretz

    ‘Voor de creatie van een echt apartheidsregime is onderdrukking van de Palestijnen en uitsluiting van Arabische Israëli’s niet voldoende. Ook de Hoge Raad, de media, maatschappelijke organisaties, de academische en de culturele wereld moeten eraan geloven. Een regering die illegale buitenposten toestaat, de bouw van nederzettingen aankondigt en annexatie faciliteert – met als gevolg diplomatiek, economisch, en internationaal isolement –, is een ondemocratische regering.’

  • In Nagorno-Karabach delen vrouwen de lakens uit

    In Nagorno-Karabach delen vrouwen de lakens uit

    Nagorno-Karabach in de Kaukasus is een machorepubliek. Maar doordat veel mannen zijn weggevallen door de oorlog met Azerbeidzjan, bekleden vrouwen er de machtige posities. ‘In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities met 300 procent toegenomen.’

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week laaide het conflict tussen Azerbeidzjan en de Armeense inwoners van de regio Nagorno-Karabach weer op. Na een kortdurende aanval op de Armeense enclave riep de Azerbeidzjaanse president woensdag de overwinning uit. Volgens president Aliyev is de soevereiniteit van Azerbeidzjan weer hersteld en was de ‘antiterreuroperatie’ in de regio een succes.
    Dit conflict sleept zich al voort sinds 1991, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel en de voormalige autonome oblast Nagorno-Karabach zichzelf uitriep tot republiek. Toch brengt het gewapende conflict ook voordelen met zich mee. Zo blijkt uit dit artikel van Der Spiegel uit 2018 dat het in Nagorno-Karabach nu de vrouwen zijn die de lakens uitdelen en hoge posities bekleden, zij het omdat de mannen zijn gesneuveld, oorlogsinvalide geworden of naar Rusland vertrokken waar wel werk voor hen was. In dit artikel vertelt een aantal vrouwen over het leven in de regio, hun hoge functies en hoe de traditionele rolpatronen naar buiten toe nog altijd gehandhaafd worden, maar achter de schermen niet langer fungeren.

    In een kelder in de Kaukasus staat een vrouw. Ze is begin veertig, met een spijkerbroek en loshangend zwart haar. Ze wijst op de hoek waar ze als kind met haar familie schuilde. Ze laat de trap zien waar een granaat een gat sloeg in het lichaam van haar broer. Wijst op de kist waar ze de Kalasjnikov uithaalde, iedere keer dat haar vader naar het front vertrok.

    De vrouw in de kelder die oorspronkelijk voorraadkamer was, daarna schuilkelder, en die nu een pijnlijke herinnering is, is Armine Alexanjan, de nummer twee op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een vrouw met macht, trots en gescheiden.

    Een historische beschikking van het lot maakte dat ze op een positie kwam die haar anders nooit was toegevallen. Niet hier, in deze machorepubliek, waar de mannen onder de wapens zijn, de grenzen bewaken en bevelen snauwen. Waar nog geen twee generaties geleden vrouwen hun gezicht bedekten, en waar ondanks zeventig jaar van Sovjetheerschappij de traditionele rolverdeling nauwelijks is verbeterd. Waar de geestelijke tot de dag van vandaag bij een huwelijksplechtigheid aan de bruidegom vraagt: ‘Spreekt u ook namens haar?’ en aan de bruid: ‘Zult u hem gehoorzamen?’ De afvallige republiek Nagorno-Karabach, volkenrechtelijk onderdeel van Azerbeidzjan, is gebrandmerkt door oorlog en armoede en streng patriarchaal. Desondanks zijn het de vrouwen die hier de laatste twee decennia aan de macht komen. Ze hebben leidinggevende posities ingenomen op ministeries en aan de universiteit, in het hooggerechtshof, bij politie-eenheden. Ze vullen de leemtes die zijn ontstaan doordat mannen zijn gesneuveld, oorlogsinvalide geworden of naar Rusland vertrokken omdat daar werk voor hen was.

    ‘In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities met 300 procent toegenomen’

    Van de 150.000 inwoners van dit gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee − kleiner nog dan de provincie Noord-Brabant − zijn 45.000 mannen onder de wapenen geroepen, actief of als reservist. Overal hangen aanplakbiljetten met propaganda, op gebouwen zitten borden met ‘Pas op, de vijand luistert mee’, op de basisschool leren kinderen hoe ze met wapens moeten omgaan, op tv is de ene militaire parade na de andere te zien. Allemaal gericht tegen buurland Azerbeidzjan, dat de grote vijand werd toen Nagorno-Karabach in 1991 de onafhankelijkheid uitriep en er een oorlog uitbrak die nog steeds nasmeult. In totaal zijn er 40.000 doden gevallen en zijn meer dan een miljoen mensen ontheemd geraakt.

    Nagorno-Karabach werd daardoor een laboratorium waar de resultaten van deze proef zichtbaar zijn: wat gebeurt er als je vrouwen gewoon hun gang laat gaan en hen toegang geeft tot machtsposities? Geen van hen heeft dit lot zelf gekozen. Het zijn geen uitgesproken feministes, met het #MeToo-debat of gendervraagstukken willen ze net zomin iets te maken hebben als de Duitse puinruimsters vlak na de Tweede Wereldoorlog.

    Maar wat doen de vrouwen met deze unieke kans? Kunnen andere vrouwen iets van hen leren?

    Alexanjan leidt ons uit de kelder naar boven, naar het huis van haar ouders. In de keuken zit haar moeder met andere dames van een jaar of zeventig te kaarten: gouden tanden, zuurstokkleurige ochtendjassen ondanks de middag, wenkbrauwen zwart als die van Charles Aznavour. Er is moerbei-jam, en ingelegde augurken, ze praten over hun mannen die ze door ontrouw of oorlog zijn kwijtgeraakt. Ze hebben allemaal wel iemand verloren, maar verbitterd zijn ze niet. Tranen vloeien, de heerlijke Ararat-brandewijn eveneens, en al snel wordt duidelijk dat deze vrouwen heel wat vrolijker vertellers zijn dan de mannen. De enige man in het gezelschap, de vader van Alexanjan, heeft zich allang uit de voeten gemaakt, naar zijn koeien voor het huis.

    In Stepanakert, de hoofdstad, bevindt het bureau van Alexanjan zich op de eerste verdieping van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een klein huis tussen verwaarloosde prefab bouwsels. Boven haar bureau hangt een foto van een ezel.

    ‘Wilskrachtig en stijfkoppig,’ zegt Alexanjan, net als zijzelf. Die karaktereigenschappen moeten haar helpen in de strijd voor haar levensdoel: zelfbeschikkingsrecht en internationale erkenning. Want Nagorno-Karabach wordt internationaal niet erkend, zelfs niet door zijn beschermheer Armenië. Het is als het ware een Armeense enclave op Azerbeidzjaans grondgebied.

    © Marco Fieber.
    © Marco Fieber.

    Alexanjan is de vertegenwoordigster van deze de-factostaat, geen geringe opgave, maar ze doet het met een ijzeren discipline, ondanks tegenslagen en isolement. Als er iemand is die kan uitleggen hoe vrouwen zich handhaven in een samenleving waar het adagium luidt ‘Vrouwen werken wel hard, maar mannen hebben meer hersens’, dan is zij het wel. Ze zegt dat dat hun lukt door diplomatieke vaardigheden, die zij ‘paradiplomatie’ noemt.

    Vrouwen in Nagorno-Karabach zijn succesvol doordat ze behoedzaam zijn en tactisch. Zoals de plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken aan bezoekers van haar moeilijke land uiteenzet, is zij het die achter de schermen aan de touwtjes trekt, maar voor de buitenwereld laat ze de minister, haar baas, voorgaan, zodat hij de lauweren kan oogsten. Mannen, weet Alexjan, en weten alle andere vrouwen hier, moeten met zachtzinnigheid worden overtuigd, ze moeten niet het gevoel krijgen dat ze worden ingehaald of aan de kant geschoven. Daarom is het belangrijk dat naar buiten toe de oude rolpatronen gehandhaafd blijven. Dat zie je in Stepanakert [de hoofdstad] terug op straat: daar zijn vrouwen verlengstukken van hun man, ze doffen zich met kniehoge laarzen onder korte rokjes op, als de zusjes Kardashian, en paraderen aan hun arm van hun man, die een hoekige bontmuts draagt.

    Als aanhangsel is Alexjan niet erg geslaagd, daar is ze te zelfbewust voor. Haar man was jaloers, ze heeft hem eruit gegooid en sindsdien voedt ze de kinderen alleen op. Veel vrouwen in Nagorno-Karabach hebben een eigen carrière en leiden een onafhankelijk leven. Maar dat wrijven ze hun mannen niet onder de neus. Zo heerst er, al is het dan niet in het land, in elk geval vrede tussen de geslachten en binnen de families.

    Ministerie als gezin

    Narine Agabaljan is een van die vrouwen. Broekpak, praktisch, kort haar, vijftig. Ze was de eerste minister van Cultuur van Nagorno-Karabach, en had een staf die voor 80 procent uit vrouwen bestond. Nu is ze minister van Onderwijs. Haar gezicht staat ernstig als ze ons ontvangt in een ijskoud kantoor met een vlag van Nagorno-Karabach. Ze zegt van zichzelf dat ze door de oorlog sterk geworden is. Toen ze 23 was stond ze als soldaat in de loopgraven, haar man sneuvelde aan het front, twee maanden later kwam haar zoon ter wereld. Ze noemde hem Edmon, naar zijn vader. Als ze een man was geweest, zou ze toen zijn begonnen met drinken.

    Maar Narine Agabaljan vocht zich terug in het leven. Als tv-journaliste deed ze verslag van de vijandige linies, van de verliezen, over pogroms, maar daar had ze snel genoeg van. Ze zocht nieuwe wegen, ging de politiek in, werd minister van Cultuur, besteedde geld aan de renovatie van moskeeën in plaats van aan wapens. Tot nu toe doet ze het heel goed zonder man. Wat is het verschil tussen haar en haar mannelijke collega-ministers?

    ‘Twee dingen,’ zegt de minister, nog steeds zonder te glimlachen. ‘In de eerste plaats: flexibel blijven, niet vastzitten aan je positie en behoud van je macht.’ In de tweede plaats stuurt ze haar ministerie aan als een gezin. Dat wil zeggen: ‘Luisteren, laten uitspreken. Geen ellebogenwerk, niet pronken met je heldendaden, iedere dag compromissen sluiten.’

    Over betuttelingen en handtastelijkheden van mannelijke collega’s hoor je hier niets. ‘We kennen hier geen geweld tegen vrouwen,’ zegt de minister van Onderwijs. Ze kan geen land ter wereld bedenken waar vrouwen veiliger zijn. Waarom, vanwege alle soldaten, de veiligheidsmensen? ‘Omdat we met zo weinigen zijn,’ zegt de minister, en bijna alle vrouwen die je in Nagorno-Karabach tegenkomt zeggen hetzelfde. Omdat iedereen iedereen kent en geen man zich een schandaal kan veroorloven.

    Nog geen twee kilometer van het ministerie verwijderd doceert rekenwonder Manusch Minasjan, donker pagekopje, warme stem. Minasjan is de eerste vrouwelijke rector van de staatsuniversiteit. Getallen heeft ze altijd als een uitdaging gezien, niet als mannending. Ze heeft statistiek gestudeerd, was hoofd van de belastingdienst. Ze zegt: ‘Ons land biedt vrouwen enorme kansen.’ Ze leidt ons door lange gangen, doet deuren open. ‘Kijk maar, de collegezalen zitten vol met meisjes.’ Ze zoekt naar de cijfers, controleert de statistieken met een rekenmachine. ‘Van alle arbeidsgeschikte vrouwen werkt bijna 90 procent. In de afgelopen tien jaar is het aantal vrouwen in leidinggevende posities bij ons met 300 procent toegenomen. In de publieke sector is het ongeveer 60 procent. Wat vindt u daarvan?’

    Zijn vrouwen betere leidinggevenden, gaan ze anders om met macht? Ze antwoordt dat ze daar vaak over heeft lopen denken. ‘Vrouwen zijn flexibeler en betrouwbaarder. Maar vooral: ze zijn beter opgeleid.’ Omdat meisjes niet in dienst hoefden hebben ze zich op hun studie geconcentreerd, waardoor ze zijn gekwalificeerd voor betere banen. ‘En ze zijn slim genoeg,’ zegt ook Minasjan, ‘om dat hun man niet de hele tijd in te wrijven.’

    Vrouwen zijn flexibeler en betrouwbaarder. Maar vooral: ze zijn beter opgeleid’

    Zijn vrouwen pacifistischer dan mannen? Welnee, antwoordt de rectrix, alsof dat een schande zou zijn. Ze vertelt dat de minister van Defensie onlangs de universiteit bezocht. De studentes vroegen hem waarom er geen dienstplicht voor vrouwen bestond. Tot grote ergernis van de studentes had de minister gezegd dat vrouwen in de keuken hoorden. ‘Persoonlijk vind ik,’ aldus de rectrix, ‘dat ze als ze dat willen in het leger moeten kunnen gaan.’ Bijna alle vrouwen in Nagorno-Karabach zeggen dat ze in een noodsituatie hun land ook gewapenderhand zullen verdedigen.

    Hoezeer de langdurige oorlog ook kansen biedt voor vrouwen, aan de andere kant is het een catastrofe die hele families uiteenrijt. Dat blijkt als je buiten de hoofdstad komt. Hoe verder je naar het noorden komt, des te vaker zie je de met planken versterkte, mansdiepe loopgraven, of ze zijn dichtgegooid en een paar meter verder weer opnieuw uitgegraven. Het is een gevecht om iedere meter die je de vijand hebt afgedwongen, het lijkt op het vooruit en achteruit in een schaakspel dat geen winnaar kent.

    In Talysch, een grensplaats onder aan een groene heuvelrij, staan de vijandelijke troepen tegenover elkaar, jonge mannen met vage baardjes en met hun bloedgroep op de borst van hun uniform geborduurd. Talysch ligt in puin, alle huizen zijn kapot, bomkraters in de tuinen. Bijna iedere nacht, vertellen ze, dondert aan de overkant de artillerie. Het is een mannendorp, ze sjouwen puin weg, bouwen de oude feestzaal weer op en drinken wodka uit limonadeflesjes. Hun vrouwen wonen een uur verderop in witte containers met gietijzeren allesbranders en sturen hun kinderen naar een provisorisch gebouwde school waar ze vijf uur per week les krijgen in wapenkunde.

    Maar er zijn ook plaatsen waar, als een kasplantje, de hoop groeit, waar mensen wonen die niet zo verstrikt zitten in het eeuwige conflict tussen christenen en moslims in de Kaukasus. Mensen zoals Nana, 27, donkere krullen, pientere blik, nieuwsgierig naar alles wat nieuw is. Nana heeft politicologie gestudeerd en het is haar baan om de onderwijsinstellingen in Nagorno-Karabach te moderniseren, buitenlandse docenten aan te trekken en uitwisselingsprogramma’s te organiseren. Ze heeft in Armenië gestudeerd, had daar een carrière voor zich, maar is teruggekomen ‘omdat ze haar hier dringender nodig hadden’.

    Als Nana het spreekwoord hoort dat iedereen hier kent: ‘Vrouwen zijn de ruggengraat, daarboven zit het hoofd, dat is mannelijk’, wordt ze woedend. Zeker, op feestdagen loopt ook Nana met de vlag van Nagorno-Karabach door de straten en staat ze in de houding als met onderscheidingen overladen veteranen rode anjers op oorlogsgraven leggen. Maar ze weet dat haar vaderland geen toekomst heeft als het in het verleden blijft steken. Ze loopt met ons door de hoofdstraat van Stepanakert, waar inderdaad soldaten flaneren met een meisje aan hun arm. ‘Hier ergens,’ zegt ze terwijl ze op de gevels wijst, ‘wil ik binnenkort werken. In het kantoor van de Verenigde Naties, dat er nog niet is, als politiek adviseur, als bemiddelaar tussen de verschillende werelden.’

    Nana is ervan overtuigd dat ze ooit een vrij leven zal leiden, onafhankelijk van oorlogen en mannen. Kinderen? Natuurlijk wil ze kinderen. Bijna alle vrouwen hebben kinderen, en als ze die niet hebben zien ze dat als een groot ongeluk. Ze hebben kinderen omdat het land nieuwe generaties nodig heeft, om te kunnen voortbestaan en voor komende oorlogen. Maar vooral omdat ze dol zijn op kinderen.

    Met Nana groeit een nieuwe generatie op, die een hele stap verder is dan vrouwen als de minister van Onderwijs en de onderminister van Buitenlandse Zaken. Hun idee van een vreedzaam Nagorno-Karabach gaat veel verder dan een oplossing voor het conflict met Azerbeidzjan. Deze vrouwen hebben de oorlog van de jaren negentig niet meegemaakt, de vierdaagse oorlog van april 2016 was voor hen slechts een korte, nare droom. Ze denken minder in termen van daders en slachtoffers en maken nauwelijks onderscheid tussen mannen en vrouwen.

    © Marco Fieber
    © Marco Fieber

    Net als de jongeren in Bardak, een garage in Stepanakert, tegenwoordig een club, waar ’s avonds in het halfduister de jonge inwoners van Nagorno-Karabach flirten, roken, wodka drinken, dansen op Another Brick in the Wall van Pink Floyd en er niet aan denken een leven te gaan leiden als soldaat, om te lijden en te sterven uit haat. Maar zover is het nog lang niet, dit land is een gebarricadeerd eiland, met Armenië verbonden door een corridor waar tweemaal daags busjes met mensen en goederen doorheen hobbelen.

    Niet ver hiervandaan staan zes vrouwen op een met sneeuw bedekte helling. Niemand heeft het over politiek. Het vrouwenteam spoort de vijand op en maakt hem onschadelijk. Deze vijand heeft zich niet in loopgraven verschanst, maar ligt al op de grond, een paar centimeter diep in de bevroren aarde. Deze vrouwen maken mijnen onschadelijk. In opdracht van de Amerikaanse hulporganisatie Halo ruimen ze het vuilnis op dat de oorlog heeft achtergelaten. Het is mannenwerk, en ze doen het heel goed.