Tag: bever

  • Afgeknaagde bomen en water in de tuin: de bever is terug in Europa – en veroorzaakt problemen

    Afgeknaagde bomen en water in de tuin: de bever is terug in Europa – en veroorzaakt problemen

    De bever is terug, tot vreugde van natuurliefhebbers. Maar er bestaan ook geschillen met deze nieuwe buurman, zoals in de Duitse hoofdstad Berlijn. ‘De bever helpt mee het park vorm te geven, maar dan niet volgens de maatstaven van historische monumentenzorg.’

    https://soundcloud.com/blendle/360-magazine-kijk-eens-wie-daar-knaagt?si=da99169a00324c82a16a4af505507799&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing

    Hij is punctueel. Om stipt half acht zal te voorschijn komen, laat Derk Ehlert weten. De mobiele telefoon geeft 19.32 uur aan, en warempel, er verschijnt een pakketje bont in het water, eerst de kop en ogen, dan de snuit, met een stok erin. De bever staat nu op, zegt Ehlert. Hij heeft de hele dag geslapen.

    Wij staan op een brug in Berlijn, met achter ons de karpervijver en Schloss Charlottenburg, waarvan de gevel door het avondlicht Toscaans aandoet. Een paar jaar geleden stond Angela Merkel daar ergens te toasten op het afscheid van Barack Obama. Vandaag kijken we er naar een bever.

    De bever zwemt een zijarm in, werkt zich door het water en maakt kleine boeggolfjes. Sturend met een brede staart – pardon, een troffel, zoals deskundigen het achtereind noemen. Ehlert zegt dat deze zo’n anderhalf jaar oud is, een halfvolwassene, wat betekent dat hij zijn laatste rondjes hier in de slotgracht maakt. Beverouders zijn streng. Na twee jaar gooien ze hun kroost eruit, en eist het nieuwe kroost de vrijgekomen ruimte op.

    Derk Ehlert (55) een man met een sikje en een pet die vaak naar de verrekijker om zijn nek grijpt, weet dit soort dingen. Hij is verteller van duizend-en-een dierenverhalen en legt op de radio uit waarom spinnen onze flats binnen kruipen: omdat het daar warm is. Officieel is Ehlert de natuuradviseur van de Senaat, officieus is hij een faunafluisteraar die ‘de mensen van de hoofdstad wil interesseren voor de natuur’, met rondleidingen door Berlijn.

    Aanpassing

    De bever klimt aan land op een weiland, sleept zich een paar meter voort, krult zich op en begint te kauwen op gras en stengels. Hij werpt een korte blik op de toeschouwers die op een paar passen afstand staan, en gaat dan verder met kauwen.

    Niet vergeten: we zijn in Berlijn, een metropool met 3,8 miljoen mensen, met voelbare vierentwintiguurs hectiek, met honderdduizenden mensen die zich soms bij de Brandenburger Tor verdringen om naar voetbal te kijken. Maar de hoofdstad wordt ook wel de Berlijnse jungle genoemd, met twintigduizend dier- en plantensoorten. Een toevluchtsoord voor leven dat het omringende platteland ontvlucht om te ontsnappen aan landbouwgif, monocultuur en jagers. En zo verschijnen er wasberen op Kurfüsterdamm, otters in Treptow en lopen er enkele duizenden vossen en wilde zwijnen rond in de stad.

    Berlijn is een gedekte tafel; de dieren hoeven niet te jagen. Ze leven van het afval van mensen. Voor de bever, die in ieder geval vegetarisch is, misschien zelfs veganistisch (daar twisten deskundigen nog over) en die zo’n kilo groen per dag eet en meer dan honderdvijftig plantensoorten en zestig houtgewassen op zijn menu heeft staan, is de Spree een paradijs. Veertig procent van de stad bestaat uit weiland, bos, water, hagen, parken, gazons en velden. Eet smakelijk!

    Er leven meer dan honderd bevers in Berlijn

    Maar het lawaai dan? En de mensen? Geen probleem: aanpassing, zegt Ehlert.

    Er leven meer dan honderd bevers in Berlijn. Zelfs in Mitte, tegenover Museumsinsel, zat er laatst een aan een boom te knagen. Het dier verspreidt zich ook in Hamburg, München en Dresden. In Duitsland leven vijfenveertigduizend bevers, waarvan alleen al vijfentwintigduizend in Beieren. De komende vijftien jaar kunnen dat er in het hele land twee keer zoveel zijn, zegt bioloog en beverdeskundige Gerhard Schwab: ‘Veel geschikte watermassa’s zijn nog niet bevolkt’.

    Castor fiber zwermde ook uit naar de Loire, Bretagne, Toscane, Zürich, Wenen, Londen, en zelfs naar het stralingsgebied bij de Oekraïense kernreactor in Tsjernobyl. De Engelsen reiken prijzen uit aan bevers, zoals onlangs op de wereldberoemde Chelsea Flower Show. Midden in Londen werd op een oppervlakte van tien bij vijftien meter een stukje wildernis gepresenteerd, compleet met een beekje en een vochtige weide en met afgeknaagde twijgen en takken die speciaal waren aangevoerd uit het graafschap Devon, driehonderd kilometer verderop. De organisatie Rewilding Britain wilde laten zien hoe mooi een bever een landschap kan maken en kreeg daarvoor een gouden medaille.

    De aftredende premier is zo gecharmeerd van het knaagdier dat hij het tot staatsaangelegenheid heeft gemaakt. Op het laatste Tory-partijcongres hief Boris Johnson de slogan ‘Build Back Beaver’ aan, waarmee hij bedoelde dat de dieren het gehavende platteland van Groot-Brittannië moeten opkalefateren, gesteund door vele miljoenen ponden uit de landbouwbegroting. Of de Britten de liefde van Johnson voor de dieren delen is onduidelijk. Volgens The Times kon hij zelfs zijn eigen familie niet overtuigen van de heilzame werking van de bever. Hij wilde zijn vader een beverpaar schenken voor diens boerderij, maar uiteindelijk kregen ze ruzie over waar de dieren uitgezet moesten worden.

    Te geliefd

    De bever knaagt weer. Nog niet zo lang geleden was hij bijna uitgestorven in Midden-Europa; slechts enkele honderden overleefden aan de monding van de Rhône en de Elbe tussen Dessau en Roßlau, waar de regering van de DDR ze al vroeg als beschermd aanmerkte. In de jaren zestig werden bevers uitgezet in Beieren en nu dringen ze vanuit het zuiden en oosten het land binnen.

    Eeuwenlang was de bever gewoon te geliefd. Vanwege zijn vacht, vlees en staart. De katholieke kerk droeg daaraan bij door het zoogdier doodleuk uit te roepen tot een vis die tijdens de vastentijd mocht worden gegeten. Daarnaast levert de bever castoreum, ofwel bevergeil, een afscheiding die doet denken aan een mengsel van ‘penetrante mannenparfum, okselzweet en rotte vis’, aldus schrijver Bettina Balàka. De Romeinen kenden er al magische krachten aan toe. Wat de bever door zijn achterste blaast om zijn territorium mee af te bakenen, eindigt in parfums of voedsel, althans in de VS. IJs zou er meer naar vanille of aardbei door smaken. Een scheet omzetten in geld; kapitalisme in een notendop.

    Eigenlijk is de bever een burgermannetje. Hij werkt voortdurend aan zijn huisvesting en dammen en leeft monogaam. Maar het is ook een evolutionair wonder. Hij kan zich in het water oriënteren met zijn snorharen, heeft tot drieëntwintigduizend haren op één vierkante centimeter pels (bij mensen zijn dat er driehonderd) en zijn tanden bevatten ijzer en slijpen zichzelf.

    De laatste tijd wordt de bever ook beschouwd als een klimaatheld

    De bever houdt van comfort. Gaat niet graag aan land en zwemt liever naar zijn voedsel, zodat hij dammen bouwt om waterwegen naar bomen te creëren. Het bouwen van dammen zit in zijn genen. Zweedse onderzoekers ontdekten dat zelfs in gevangenschap geboren bevers dammen bouwen.

    De laatste tijd wordt de bever ook beschouwd als een klimaatheld. Hij bouwt zijn burchten bijvoorbeeld als natuurlijke nul-op-de-meterwoningen: hij dicht ze af met modder, legt er houtsnippers in en verwarmt ze met lichaamswarmte, zodat het binnen tussen de zes en negen graden is, zelfs in de winter. En waar hij bouwt, herstelt het landschap zich. Er ontstaan vijvers en meren, komen vissen, vogels, libellen en kikkers. Wetenschappers noemen de bever een ‘sleutelsoort’: Castor houdt ecosystemen in stand.

    Doordat hij water de ruimte geeft, sijpelt het langzamer weg, stijgt het grondwaterpeil, wordt zware regen beter geabsorbeerd en dendert overstroom regenwater niet de vallei binnen. Sinds er bevers in de Ourthe leven, overstroomt de rivier in Zuid-België minder vaak, zo blijkt uit een studie. ‘De bever brengt ook een stuk natuur terug,’ zegt Derk Ehlert in Berlijn.

    Geliefd en gevreesd

    Het is wel een beetje onhandig dat hij de natuur ook terugbrengt naar plekken waar die niet gewenst is. De sporen die hij nalaat: aangevreten appelbomen, uitgeholde beschermingsdijken, geplunderde maïs- en bietenvelden. Onlangs legde een bever in verschillende steden in Canada het internet en de mobiele telefonie plat doordat een gevelde boom een glasvezelkabel vernielde. Het herstel duurde acht uur.

    Zodoende is de bever zowel geliefd als gevreesd: hij wordt beschouwd als een eco-ingenieur of als een onruststoker in bont. Hij komt het milieu ten goede, maar schaadt het individu.

    Thorsten Schildwächter staat op zijn balkon in Mühlheim bij Offenbach in het Rijn-Maingebied. Driehonderd vierkante meter paradijselijke tuin met een rieteiland en pioenrozenstruiken strekken zich uit onder zijn balkon. Aan de andere kant van de tuin groeien struiken en bomen, en de Rodau, een zijrivier van de Main, kronkelt ertussendoor. Maar de idylle is bedrieglijk. Schildwächter (45) voert een existentiële strijd. Het is een vriendelijke man met een getraind lichaam die over zichzelf zegt: ‘Ik ben een optimist.’ Maar een bever doet hem twijfelen aan zijn capaciteiten.

    Schildwächter maakte wel vaker zware regenval mee, maar sinds ongeveer tweeënhalf jaar zijn de plassen hardnekkig; zijn tuin staat om de paar maanden onder water, tot wel twintig centimeter. Toen zijn kelder een keer vol kwam te staan, kocht hij een pomp. Hij opent een laptop en grafieken en rapporten van deskundigen verschijnen. Door de dam van een bever steeg het grondwater, wat normaal goed is, maar slecht voor Schildwächter en zijn buren. Want nu ontbreekt de hydrologische gradiënt: regen loopt niet weg en de tuin verandert in een vijver.

    ‘In de stad houden de meeste mensen van de bever. Op het platteland zien ze hem vaak als lastpak’

    We zijn niet gewend aan dieren die tegen onze wil het landschap veranderen. Maar de Franse denker René Descartes wist het al: ‘Wij mogen niet aannemen dat alle dingen zijn geschapen omwille van ons.’ Hoe men Castor fiber beoordeelt is dan ook een kwestie van perspectief. Dat is tenminste wat Manfred Krauß zegt: ‘In de stad houden de meeste mensen van de bever. Op het platteland zien ze hem vaak als lastpak.’

    Krauß is een oudere heer met lang, zilverkleurig haar en zongebruinde wangen. In Berlijn is hij bevermanager, in dienst van de Senaat. Hij stelt tuineigenaren gerust wanneer zij klagen over omgevallen berkenbomen. In veel deelstaten werken adviseurs zoals hij, de meeste in Beieren. Ze laten zien hoe bomen en akkers kunnen worden beschermd met gaas en elektrische hekken en ze regelen hulpgeld voor slachtoffers. Als de schade te groot is, kunnen dammen worden vernield en in Beieren en Brandenburg mogen dieren zelfs worden gedood. Elders is dat verboden.

    In Beieren sterven elk jaar ongeveer tweeduizend bevers op legale wijze. Het vlees mag niet worden verkocht, maar jagers mogen het wel gebruiken om vrienden en familieleden blij te maken. Iemand die privé vaak bever serveert, is herbergier Jürgen Füssl in Altenstadt in de Oberpfalz. Hij is enthousiast: ‘Dit is heel goed vlees, van biokwaliteit.’

    Maar veel dieren worden ook illegaal gedood. Alleen al in Schwandorf in de Oberpfalz heeft een ‘bevermoordenaar’ (aldus boulevardkrant Bild) zeven dieren gedood; ook in Thüringen en Berlijn sloegen sommige mensen woedend op het knaagdier in.

    Waterwoestijn

    Thorsten Schildwächter zou het nooit zo rabiaat aanpakken. Hij houdt van bevers, maar hij wil een oplossing voordat hij in een waterwoestijn terechtkomt. Tot nu toe trotseerde de bever de autoriteiten. Maar nu is door de dam een waterput overstroomd en kan de drinkwatervoorziening in gevaar komen. Schildwächter hoopt op een ontheffing: ‘De dam moet weg.’

    ‘De bever doet ons afvragen hoe serieus we natuurbehoud nemen,’ zegt Krauß, de bevermanager. Moeten in de stad echt alle stukken grond die grenzen aan het water bebouwd worden? Moeten landbouwers wel het deel van hun velden bewerken dat direct aan water grenst? Krauß zegt: ‘Iedereen weet dat de grond in Brandenburg te droog is. We doen er te weinig aan. De bever zou kunnen helpen, als we het maar lieten gebeuren.’

    In Schloss Charlottenburg heeft men met het knaagdier leren leven, mede dankzij de achtenvijftigjarige Andrea Badouin, die als tuinier al tientallen jaren verantwoordelijk is voor vierenvijftig hectare paleisgrond. Zij moet driehonderd jaar tuincultuur beschermen tegen insecten, droogte en bevers, haar meest sluwe tegenstander. In een Gator-bedrijfswagentje knettert ze over de paden. Ze wijst naar de overblijfselen van hazelnootstruiken, naar aangevreten haagbeuken en eiken. De bever heeft drie oude wilgen om zeep geholpen. Badouin komt niet meer van hem af. Ze zou het hele park aan de oever van de Spree moeten afrasteren, alle soortgenoten van tevoren moeten vangen, ze moeten laten herplaatsen, en dan nog zou ze er niet zeker van zijn dat er zich geen bevers zouden vestigen.

    Natuurlijk is de bever vervelend. Maar mensen zijn nog vervelender

    Ze troost zich met het feit dat bevers geen dammen bouwen, want het waterpeil is stabiel, en ze probeert oude bomen te beschermen door kokos- en plastic matten en draadrekken aan te brengen. Ze is verbaasd over hoe goed de dieren zijn in het overwinnen van allerlei obstakels. ‘De bever helpt ook mee het park vorm te geven, maar dan niet volgens de maatstaven van historische monumentenzorg.’

    Natuurlijk is de bever vervelend. Maar mensen zijn nog vervelender. Mensen die een pizza op het grasveld in het park bestellen en daar elke week dertien kliko’s met vuilnis achterlaten. Mensen die de bevers opjagen, nesten van de rietzanger vertrappen, wilde eenden verjagen. En er zijn de vogelaars, van wie er tientallen uit Nedersaksen zijn gekomen om een havik te observeren in het park van Schloss Charlottenburg. Maar als ze hun vele telelenzen op het nest richten, vlucht de roofvogel, voorgoed.

    Soms wil Badouin de bever afleiden door elzenstruiken langs de oevers te laten groeien, zodat hij iets te eten heeft en niet aan de beuken knaagt, maar dat zorgt voor ruzie. Veel bezoekers zeggen: ‘Ik wil geen elzenstruiken zien, ik wil de vijver met karpers zien. Die verdomde bever interesseert me niet.’

    Het moge duidelijk zijn: niet de bever is het probleem, maar de mens.

    Lees ook:

  • Van wolf tot lammergier – de comeback van wilde dieren in Duitsland

    Van wolf tot lammergier – de comeback van wilde dieren in Duitsland

    Ze golden als uitgestorven, maar duiken nu weer op. Veel door de mens uitgeroeide wilde dieren worden de laatste decennia fanatiek geherintroduceerd. Sommige slagen er zelfs in op eigen kracht terug te keren.

    Over soortbescherming hoor je bijna alleen slechte berichten. Op de wereldconferentie over biodiversiteit die op 11 oktober begint, zal het weer gaan over de razendsnelle verdwijning van dieren en planten, en over de vraag of en hoe die zich nog laat stoppen. Ook Duitsland is zwaar getroffen door soortensterfte. Maar er zijn ook voorbeelden van positieve ontwikkelingen. Best wat diersooren die verdwenen waren, zijn nu weer terug. Een overzicht van lammergier tot wolf.

    Lammergier of baardgier (Gypaetus barbatus). Sinds juni leven er weer twee lammergieren in Duitsland. De twee jonge vogels, ‘Bavaria’ en ‘Wally’, werden uitgezet in het Nationale Park Berchtesgaden. In de komende tien jaar zullen er elk jaar drie of vier volgen, in de hoop dat ze ooit gaan broeden. Met een spanwijdte van de vleugels van bijna drie meter behoren de lammergieren tot de grootste vliegende vogels die er zijn. 

    Er werd op ze gejaagd omdat men dacht dat ze vee, wild en zelfs kleine kinderen doodden

    Dat de vogels aan het begin van de twintigste eeuw in het hele alpengebied zijn uitgestorven had veel te maken met de angst van de mensen. Als ‘lammergier’ werd er op ze gejaagd omdat men ze toedichtte dat ze vee, wild en zelfs kleine kinderen wegsleepten en doodden. In werkelijkheid eten lammergieren uitsluitend aas, vooral beenderen van dode dieren, die ze van grote hoogte op de rotsen laten vallen om ze tot behapbare stukken te verkleinen. Tegenwoordig is het grootste gevaar voor de streng beschermde dieren dat ze zich vergiftigen met resten loodhoudende munitie in de dierkadavers die ze eten.

    Bearded vulture Gypaetus barbatus also known as the Lämmergeier Giants Castle KwaZulu Natal South Africa. 43179852440 Wikimedia 2
    © Lammergier

    Bever (Castor fiber). In de negentiende eeuw waren er nauwelijks nog bevers in Duitsland. Het kanaliseren van rivieren verwoestte hun habitat; bovendien werden de dieren bejaagd om hun vlees en hun pels. Slechts 190 exemplaren overleefden langs de Mittel Elbe. Een consequente bescherming en een hervestigingsprogramma hebben ertoe geleid dat er op dit moment weer ongeveer 40.000 bevers leven in Duitsland.

    Castor fiber vistulanus2 Wikipedia
    © Wikimedia Commons

    Bruine beer (Ursus arctos). De bruine beer geldt in Duitsland als uitgestorven sinds het laatste exemplaar in 1835 in de Alpen werd doodgeschoten. Maar sinds het jaar 2019 wordt weer een solitaire bruine beer gezien in Beieren, de laatste keer bij Garmisch-Partenkirchen. Het dier is waarschijnlijk vanuit het Italiaanse Trentino via Tirol Beieren ingekomen. Laten we hopen dat deze beer niet hetzelfde lot wacht als Bruno, die in het jaar 2006 uit Italië was gekomen. Bruno werd nog hetzelfde jaar dood geschoten omdat hij zich vaak in de buurt van huizen ophield en ook schapen en kippen doodde.

    Eland (Alces alces). Minstens tien elanden zwerven door Duitsland. De grootste herten ter wereld worden tot drie meter lang en hebben een schofthoogte van tot 2 meter 30. Rond het jaar 1940 verdwenen de laatste elanden uit Duitsland. Een van de hoofdoorzaken was het verdwijnen van hun leefgebieden. Elanden voelen zich het best thuis in vochtige gebieden zoals loof- of moerasbossen, waarvan er veel drooggelegd en bebouwd werden, of in akkers veranderd. 

    Hoeveel elanden op dit moment in Duitlsand leven is niet precies bekend, omdat de meldingen niet consequent worden geregistreerd. De meeste elanden zijn er in Brandenburg, maar ook in Mecklenburg-Vorpommern, Sachsen, Sachsen-Anhalt en Thüringen worden regelmatig elanden gespot. Veel van deze dieren zijn binnengekomen uit Polen. In Tsjechië zijn er ook elanden die af en toe de grens oversteken naar Beieren.

    A male moose takes a rest in a field during a light rainshower Wikimedia
    © Wikimedia Commons

    Grijze zeehond (Halichoerus grypus). Kegelrobben kunnen 2,5 meter lang en 330 kilo zwaar worden. Daarmee zijn ze de grootste in Duitsland levende roofdieren. Vissers beschouwen de robben als concurrenten, er werd meedogenloos op de dieren gejaagd, tot ze in het jaar 1920 vrijwel uitgeroeid waren. Daarna werden ze aan de Duitse kusten lange tijd niet meer gezien. Pas sinds de jaren negentig zijn ze dankzij jachtverboden en de vermindering van giftige stoffen in het milieu weer terug aan de stranden van de Noord- en de Oostzee. Sinds het jaar 2004 ook in het Greifswalder Bodden.

    Halichoerus grypus He3 Wikimedia 2
    © Wikimedia Commons

    Kraanvogel (Grus grus). Aan het begin van de jaren zeventig waren er vrijwel geen kraanvogels meer in Duitsland. Intussen broeden hier weer ongeveer 11000 paren van deze vogelsoort, die met een hoogte tot 1 meter 30 en een vleugelspanwijdte tot 2 meter 45 groter zijn dan witte ooievaars. Voordat kraanvogels paren, dansen ze met elkaar. Daarbij springen mannetjes en wijfjes met gespreide vleugels rond, en lopen in kringen en slingeren stukken van planten de lucht in. 

    Dat hun aantal in Duitsland al jaren achtereen stijgt, is het succes van beschermingsprogramma’s

    Behalve de vogels die hier broeden, vliegen er elk jaar zo’n 400.000 over Duitsland, op weg naar hun winterverblijven in Zuid-Europa en Noord-west Afrika. Vele van hen landen op verzamelplaatsen in het Noord-Duitse laagland om te rusten. Dat hun aantal in Duitsland al jaren achtereen stijgt, is het succes van beschermingsprogramma’s waarin de leefgebieden van de grote loopvogels worden hersteld: vochtige gebieden waar ze onder andere kikkers, kleine visjes, slakken en wormen kunnen vinden en hun jongen kunnen grootbrengen in een nest dat door water omringd en daardoor goed beschermd is.

    Common crane grus grus wikipedia 1
    © Wikimedia Commons

    Kortsnuitzeepaardjes (Hippocampus hippocampus). Met de zeegrasvelden verdween waarschijnlijk in de jaren dertig van de vorige eeuw ook het kortsnuitzeepaardje uit de Noordzee. De beenvissen hebben zeegras nodig om zich aan vast te klampen en niet door de stroming meegesleept te worden. Toen het zeegras werd vernietigd door een schimmel hadden de zeepaardjes geen plek meer waar ze konden leven.

    Door de warmere Noordzee overleven meer dieren waarschijnlijk de winter

    Sinds enkele jaren zijn er weer meer zeepaardjes in de Noordzee. Waar dat door komt, is niet helemaal duidelijk, want zeegrasvelden zijn er nog steeds niet. Twee fenomenen komen in aanmerking: enerzijds verspreidt zich sinds enige tijd Japans bessenwier, een invasief bruinwier, in de Noordzee en vormt dichte onderwaterwouden. Voor de zeepaardjes zouden die een vervanging voor het zeegras kunnen zijn. Anderzijds is het water van de Noordzee door de klimaatverandering warmer geworden. Daardoor overleven meer dieren waarschijnlijk de winter.

    Lynx (Lynx lynx). Ooit leefden er overal in de wouden van Duitsland lynxen. Maar al omstreeks 1850 waren de grote katten verdwenen. Mensen jaagden erop, en bovendien was het aantal van hun prooidieren sterk geslonken. Hoewel de omstandigheden intussen helemaal niet meer zo slecht zijn, heeft de lynx moeite met zijn terugkeer naar Duitsland. Ondanks meerdere hervestigingsprojecten stagneert het aantal lynxen. ‘Dat komt onder andere doordat de natuurlijke sterfte onder jonge dieren extreem hoog is,’ zegt Moritz Klose, die bij het WNF leiding geeft aan het programma voor de terugkeer van wilde dieren naar Duitsland en Europa. Minder dan een derde wordt twee jaar oud. Veel jonge dieren verhongeren omdat ze niet genoeg prooien vangen, andere sterven aan ziektes of worden overreden.

    In het Pfälzer Wald steunen nu zelfs de jagers de terugkeer van de lynx

    In Duitsland zijn er op dit moment drie lynxpopulaties, die stuk voor stuk met moeite werden opgebouwd. De oudste populatie leeft in Beieren en in het Oberpfälzer Wald, waar de dieren al in de jaren zeventig weer uitgezet werden. In 2006 volgde een project in de Harz, in 2016 een in het Pfälzer Wald. De projecten lopen niet allemaal even goed. ‘Aan de lynx wordt duidelijk hoe belangrijk het is om de bevolking er tijdig bij te betrekken,’ zegt Klose. In het Pfälzer Wald informeerden dierenbeschermers de bevolking lang voordat de dieren daadwerkelijk werden uitgezet, en maakten reclame voor de roofkatten. Daar steunen nu zelfs de jagers de terugkeer van de lynx. In het Bayerische Wald daarentegen werden de dieren in de jaren zeventig eenvoudig vrijgelaten. Ook daarom staan veel mensen daar sceptisch tegenover de lynx. Nergens worden zoveel dieren geschoten als daar, ondanks het verbod. 

    Lynx lynx 2 Martin Mecnarowski wikimedia 1
    © Wikimedia Commons

    Zeearend (Haliaeetus albicilla). Het wapendier van Duitsland werd in de negentiende eeuw beschouwd als een voedselconcurrent van de mens en zo fanatiek bejaagd dat de zeearend omstreeks 1900 zo goed als uitgestorven was. Toen de jacht aan het begin van de twintigste eeuw verboden werd, herstelde de populatie zich aanvankelijk, maar stortte in de jaren vijftig en zestig weer in. Het insecticide DDT hoopte zich op in vissen, en zo kregen de arenden het ook binnen. DDT maakte de eierschalen zo dun dat ze braken bij het broeden. Sinds DDT werd verboden, neemt het aantal zeearenden weer toe. Intussen leven er in Duitsland ongeveer zeshonderd broedparen, de meeste in Mecklenburg-Vorpommern.

    Steur (Acipenser). Nog in de negentiende eeuw zaten er veel steuren in de Noordzee, de Oostzee en in veel rivieren. Steuren zijn echte trekvissen die in de zee leven, maar om te paaien de rivieren in zwemmen om hun eitjes te leggen in zoetwater. Voor deze trektochten hebben ze rivieren nodig die niet gekanaliseerd zijn, waarin de weg niet versperd is door stuwen of waterkrachtcentrales. Ook scheepvaart en overbevissing hebben ertoe bijgedragen dat de vissen, die langer dan 3 meter kunnen worden, in Duitsland zijn uitgestorven. In 1969 werd het laatste exemplaar gevangen in de Eider.

    Of die projecten succesvol zijn zal pas blijken als de eerste volwassen steuren weer terugkeren in ‘hun’ rivier

    Sinds 2007 worden gekweekte jonge steuren uitgezet in de Oder – tot op heden meer dan twee miljoen. Een soortgelijk project loopt sinds 2008 in de Elbe. Of die projecten succesvol zijn zal pas blijken als de eerste volwassen steuren weer terugkeren in ‘hun’ rivier, om te paaien. Tussen beide gebeurtenissen ligt meer dan een decennium: mannelijke steuren worden pas op de leeftijd van twaalf jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes pas op hun vijftiende.

    Acipenser oxyrhynchus Wikipediajpg 2
    © Wikimedia Commons

    Kaalkopibis (Geronticus eremita). De kaalkopibis is wereldwijd een van de ernstigst bedreigde vogelsoorten. De opvallende dieren met de lange, sikkelvormige snavel en de ruige veren in de nek waren in Duitsland en in heel Midden-Europa al in de zeventiende eeuw uitgestorven. De mens heeft die vogels, die als een delicatesse golden, gewoon opgegeten. Tegenwoordig bestaan er in Duitsland meerdere hervestigingsprogramma’s voor kaalkopibissen.

    De dieren vallen ook op door hun gedrag: als twee kaalkopibissen elkaar tegenkomen, dan leggen beide vogels de kop in de nek, buigen voor elkaar en begroeten elkaar met hese kreten. Een probleem is dat kaalkopibissen trekvogels zijn die de route naar hun winterkwartier normaal gesproken van hun ouders leren. Maar in de projecten worden ze door mensen grootgebracht. Er is een oplossing, maar die is extreem duur. Als hun opvoeders voor de dieren uit vliegen in een licht vliegtuigje en hun zo de weg wijzen, vliegen de jonge kaalkopibissen achter ze aan; hebben ze de vluchtroute eenmaal geleerd, dan vinden ze in het voorjaar de weg naar Duitsland op eigen kracht terug.

    Northern bald ibis Geronticus eremita Wikimedia 1
    © Wikimedia Commons

    Wilde kat (Felis silvestris). De Europese wilde kat leeft vooral in bossen. Hij is sterker dan de huiskat en heeft in verhouding tot het lichaam langere poten. De dieren zijn uiterst schuw; aan het eind van de 1negentiende eeuw waren ze zo goed als verdwenen uit Duitsland. De redenen daarvan zijn onduidelijk. Lange tijd gold de jacht als de voornaamste reden, maar volgens recentere inzichten zou ook een epidemie tot de verdwijning geleid kunnen hebben. Tegenwoordig leven er weer enkele duizenden exemplaren in Duitsland.

    Wisent (Bison bonasus). De laatste vrij levende wisent werd in 1927 geschoten in de Kaukasus; uit Duitsland waren de dieren al lang voordien verdwenen, vermoedelijk omstreeks het jaar 1700. Wereldwijd overleefden nog slechts 54 van deze reusachtige wilde runderen in gevangenschap. Met een lengte tot wel 3 meter en een schofthoogte tot 1 meter 95 zijn zij de grootste landzoogdieren van Europa. Enkele wisenthouders slaagden er samen in de dieren in het wild uit te zetten. Volgens de meest recente editie van het wisent stamboek van 2019 leven er wereldwijd 6244 wisenten in het wild. 

    De wisenten staan onder andere bij particuliere bosbezitters niet in een goed blaadje

    Ook in Duitsland werden in het jaar 2013 acht wisenten uitgezet: in het Roothaargebergte in Noordrijn-Westfalen. ‘Het project is echter geen groot succes,’ zegt Moritz Klose. De wisenten staan onder andere bij particuliere bosbezitters niet in een goed blaadje omdat ze ook scheuten van loofbomen eten, en vooral in de winter, als er geen gras is, de schors van bomen afschillen. Er leven momenteel zesentwintig dieren in het Rothaargebergte.

    Flachlandwisent Bison bonasus bonasus Wikimedia 2
    © Wikimedia Commons

    Wolf (Canis lupus). De wolf is een van de weinige terugkeerders die hun comeback in Duitsland op eigen kracht hebben gemaakt – helemaal zonder hervestigingsprojecten. Het was voldoende om de jacht op de dieren te verbieden. Nadat de wolven in het jaar 1990 in Duitsland een beschermde diersoort werden, trokken eerst enkele exemplaren vanuit Polen ons land in. In het jaar 2000 – bijna 150 jaar na de uitroeiing in Duitsland – kwamen op een oefenterrein van het leger in de Lausitz de eerste welpen ter wereld. Intussen leven in Duitsland 128 roedels, 35 wolvenparen en tien solitaire dieren.

    Meer dan driehonderd wolven zouden sinds het jaar 1999 zijn overreden

    Of de wolven verder beschermd moeten worden is omstreden onder de bevolking. Ze verscheuren vooral reeën, herten, wilde zwijnen en kleine gewervelde dieren – maar ook weidedieren als schapen en kalveren. Vanwege de conflicten tussen wolf en mens komt het steeds opnieuw voor dat wolven illegaal gedood worden. Volgens opgaven van het WNF zijn sinds de terugkeer van de wolf naar Duitlsand meer dan veertig exemplaren illegaal gedood. ‘Maar het grootste gevaar voor de wolf is het verkeer,’ zegt Moritz Klose. Meer dan driehonderd wolven zouden sinds het jaar 1999 zijn overreden. 

    Canis lupus Europe Canis lupus 2
    © Wikimedia Commons


    Lees ook:

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer