Peter Jakubowicz kreeg een hartaanval tijdens een ijshockeywedstrijd in Oregon en stierf in het harnas. Alleen duurde zijn dood maar 20 seconden. Herinneringen heeft hij niet, maar op liveopnames ziet hij zichzelf ineenklappen en plat op z’n gezicht vallen.
Op 7 november 2022 ging ik dood. Eerst had ik het niet in de gaten. Ik kreeg pas door wat er aan de hand was toen een stem me uit de diepten van het niets vroeg of ik wist waar ik was. Met veel moeite lukte het me die ene lettergreep te produceren: ‘Nee.’ De stem antwoordde: ‘Je ligt op de intensive care. Je hebt een hartaanval gehad tijdens je ijshockeywedstrijd gisteravond. Een speler van het andere team heeft je leven gered.’ Ik herinnerde me niet dat ik de avond ervoor een wedstrijd had gespeeld. Het laatste wat ik me herinnerde… Ik kon me niet herinneren wat ik me als laatste herinnerde. Ik had geen idee hoe een hartaanval voelde. Verdere vragen hoorde ik niet. Er was alleen duisternis en de stem van mijn grootvader die een deuntje zong: ‘In de hemel is geen bier, daarom drinken wij het hier…’ De stem kreeg iets dreigends, Luke Skywalker die in de Joker was veranderd, en toen zakte ik weg. Zelfs toen ik besefte dat ik in een kunstmatig verlichte kamer lag, had ik nog lange tijd het gevoel dat ik me helemaal alleen in het donker bevond.
Mijn dood voltrok zich tijdens een amateurijshockeywedstrijd in het Winterhawks Skating Center in Beaverton, Oregon. Al mijn vitale functies – ademhaling, hartslag, beweging, het vermogen om waar te nemen en herinneringen aan te maken – lieten me in de steek. Toen ik weer bijkwam, raakte ik geobsedeerd door de tijd die ik kwijt was, wat er met me was gebeurd en waar ik was beland. Ik ontdekte meer dan me lief was. Dit is het vergeten verhaal van mijn vergeten dood.
Ik werd vliegensvlug naar het Legacy Emanuel Medical Center in Portland gebracht en kwam net na middernacht op de IC terecht. Ik was buiten bewustzijn toen ik op het ijs klapte en kwam ook bewusteloos aan in het ziekenhuis. De artsen stelden een acute hartingreep uit omdat ze dachten dat mijn hersenen bezig waren af te sterven en ik nooit meer zou bijkomen. De eerste aantekeningen in het medisch dossier zijn schokkend: ‘Patiënt speelde ijshockey toen hij plotseling dood bleef. Een ambulancebroeder uit het andere team paste reanimatie en defibrillatie toe. Deze patiënt is er ongelooflijk slecht aan toe en loopt extreem veel risico op een levensbedreigende achteruitgang in meerdere orgaanstelsels waarvan sommige al tekenen van falen vertonen.’ De officiële diagnose luidde een ‘STEMI in de dalende kransslagader links (LAD)’. Een STEMI is zo’n hartinfarct dat je liever niet krijgt. Het staat ook wel bekend als een ‘massieve hartaanval’.
Hypoxie
Ik was in shock, mijn lever begaf het, ik kreeg geen lucht. De dokters waren gespitst op mijn ‘non-verbale’ toestand. Het woord ‘hypoxie’ dook alarmerend vaak in de aantekeningen op. Ik kreeg een beademingsbuis ingebracht. Een verpleegster noteerde dat ik geen wilsbeschikking had en geen familie of vrienden om te raadplegen over de vraag of de stekker eruit moest.
Mijn hartstilstand werd veroorzaakt door een bijna altijd fatale volledige afsluiting van de kransslagader. Maar de testen wezen uit dat mijn hersenen gek genoeg wel functioneerden. Via de lies werd een stent geplaatst om de falende slagader te helpen: ‘Prognose niet veel over te zeggen’.
Ik kroop als een hoofd zonder romp uit een konijnenhol waar ik mijn zelfbewustzijn was kwijtgeraakt
Vreemd genoeg reageerde mijn lichaam nog steeds nergens op. ‘Algeheel beeld: rustig, geen pijn of ongemak.’ Bijna negen uur na het infarct begon ik onvoorstelbaar genoeg ‘te reageren op opdrachten’. Ik herinner me helemaal niets van dit alles. Iets elementairs in mij hield stand, een spoor van de gedachten die normaal door mijn flipperkastbrein en uit mijn mond stroomden. Ik ontwaakte niet alleen in een verontrustende duisternis, maar kreeg het gevoel dat ik een diep gat was gevallen. Ik werd gewekt door stemmen maar zag niemand praten. Ik zag alleen maar zwart – niet het ontbreken van licht, maar het ontbreken van alles. Ik deed mijn uiterste best om terug te komen en probeerde iedere keer steeds langer bij te blijven. Ik kroop als een hoofd zonder romp uit een konijnenhol waar ik mijn zelfbewustzijn was kwijtgeraakt.
Toen mijn levensvonk terugkeerde, ervoer ik mijn lichaamsdelen los van elkaar. Ik zweefde tussen bewustzijn en vergetelheid. Hooguit zag ik vertrouwde gezichten die weer uiteenvielen voor ik ze kon thuisbrengen en ik hoorde dat deuntje dat veranderde in een remix van Trent Reznor. Ik zat onder de kalmeringsmiddelen.
De stem stelde meer vragen, die ik naar tevredenheid beantwoordde, zodat ik van de beademing werd gehaald.
Mijn ex bracht onze twee kinderen (een meisje van veertien en een jongen van vijftien, allebei ijshockeyers) bij me. Ik herinner me hun bezoek niet. Mijn zoon zei dat mijn haar als in een tekenfilm overeind stond. Ik zei steeds dat ik niets kon zien en vroeg waarom het licht uit was. Het licht was aan, zei hij.
Geen herinneringen
Op een gegeven moment zag ik slangen en buisjes uit mijn borst, armen en lies steken, overblijfselen van de noodingrepen. De verpleegkundigen en artsen die me behandelden waren voor mij een waas. Er was één opvallende aantekening die steeds terugkeerde: ‘Patiënt vraagt wanneer hij weer kan ijshockeyen.’
Ik begreep wat er was gebeurd, maar had geen herinneringen die het verhaal konden staven. Ik greep instinctief naar mijn telefoon om mijn moeder te bellen. Misschien kon zij een paar sluimerende herinneringen bij me wakker maken. Vlak voordat ik op ‘pap en mam’ drukte, schoot me te binnen dat mijn moeder tien dagen voor míjn dood was doodgegaan. Een week geleden had mijn vader kort gebeld om te zeggen dat ze was overleden. Botte pech en moeilijke tijden waren er de oorzaak van dat ik mijn moeder de laatste jaren van haar leven niet in Massachusetts had opgezocht. Een jaar geleden, de laatste keer dat ik haar sprak, had ze niet geweten wie ik was. Ik hing op en begon te huilen.
Mijn moeder stierf na een reeks toevallen. Ze werd herhaaldelijk gereanimeerd en steeds weer aan haar lot overgelaten tot ze opnieuw naar de intensive care moest. Ze herstelde, maar werd nooit beter. Ik wilde niet eindigen als mijn moeder. Ik wilde over het ijs flitsen zoals Sidney Crosby.
Door stom geluk was er iemand die mensen van ‘weduwemakers’ kon redden
De artsen zeiden dat mijn hart ernstig en merkbaar beschadigd zou zijn. In het beste geval zou ik een defibrillator geïmplanteerd krijgen. De duisternis kwam terug. Er werden nog twee stents in de weerspannige slagader geplaatst. Ik kreeg te horen dat ik een hartonderzoek zou krijgen voordat ze besloten wat er verder moest gebeuren, misschien nog meer ingrepen. De dag erna vertelde een arts me verbaasd dat mijn hart normaal functioneerde. Geen littekenweefsel, geen onregelmatige bloedstroom. Ze was de enige arts die haar oordeel niet van tevoren klaar leek te hebben.
Widowmaker is een informele naam voor dit soort hartaanvallen, vanwege de geringe overlevingskans. Je hebt 5 procent kans op overleving als je er een buiten het ziekenhuis krijgt. Ik bevond me laat op de avond op een ijshockeybaan. Door stom geluk was er 10 meter van mij vandaan iemand die mensen van ‘weduwemakers’ kon redden. Ik raakte geobsedeerd door de lacune van 72 uur in mijn langetermijngeheugen en probeerde me voor te stellen wat er gebeurd was. Ik herinner me niets van de wedstrijd of de gebeurtenissen erna. Toen schoot me iets te binnen: de ijsbaan maakte van alle wedstrijden opnames. Ik was ineens ziekelijk opgewonden. Ik had lang genoeg geleefd om mezelf te zien sterven.
Ik, maar niet ik
Keek ik, dan raakte ik misschien overstuur, maar deed ik het niet, dan zat ik met een schimmig verhaal van het kloterigste dat me ooit was overkomen. De eerste dood waarvan ik getuige was, zou die van mijzelf zijn, in een film. De avond dat ik naar huis mocht, legde ik de hand op de liveopnames van de wedstrijd en bekeek ze op mijn laptop.
Het beeld is korrelig. Tijdens de hele video hoor je een zachte mechanische ruis. De stemmen van de spelers echoën alsof ze door een metalen buis gaan. De meeste woorden kan ik niet verstaan. Het andere team, in het roze, heeft zojuist gescoord.
Er is precies twaalf en een halve minuut zuivere speeltijd geweest wanneer het gebeurt. Een man schaatst naar het midden van het ijs. De rechtsvoor van het team in het grijs, de speler met rugnummer 37, heeft precies mijn speelstijl. Ik ben duizelig terwijl ik naar mijn laptop kijk: het aanhoudende effect van alle verdovingsmiddelen die ik heb geslikt. Deze arme jongen – ik, maar niet ik – staat op het punt onderuit te gaan. Hij moet zich opstellen voor de face-off, maar hij houdt zich niet aan het scenario. Hij brengt zijn rechterhand naar zijn kooi, klapt ineen en valt in slow motion plat op z’n gezicht. Hij probeert niet eens zijn val te breken.
Na een minuut of tien is het met je gedaan. De ambulancedienst had negen minuten nodig om bij me te komen nadat ik tegen het ijs was geklapt
De andere spelers kijken naar de roerloze rechtsvoor en vragen of hij in orde is. Een stem doorbreekt het geruis op de achtergrond: ‘We hebben een arts nodig.’ Het voelt helemaal fout. Ik heb me losgemaakt van de bijna-ik die deze hartaanval in de meeste van de denkbare werelden niet overleeft. Ik kán die rechtsvoor met zijn falende hart niet zijn. Ik dwing mezelf om mijn ongeloof op te schorten en stel me voor dat ik het wel ben, maar dan in een film.
Mijn dood voltrekt zich plotseling. Ik neem de tijd op. Een speler van het andere team, met rugnummer 12, schaatst op mij af. Amper 25 seconden na mijn val meet hij mijn hartslag in mijn hals. Ik bekijk deze beelden keer op keer. Na een paar minuten zonder zuurstof zijn je hersenen hoogstwaarschijnlijk onherstelbaar beschadigd. Na een minuut of tien is het met je gedaan. De ambulancedienst had negen minuten nodig om bij me te komen nadat ik tegen het ijs was geklapt.
Nr. 12 reanimeert me. Op het beeld lijken zijn bewegingen soepel, vloeiend. Hij drukt mijn borst naar beneden en laat hem weer opkomen, en dat herhaalt hij snel achter elkaar, op z’n knieën, terwijl zijn schaatsen elke keer dat hij mijn rubberen borstpantser neerdrukt van het ijs komen. Een man in gewone kleren komt aanrennen over het ijs en helpt bij de reanimatie. De rechtsvoor wordt op een brancard gelegd en naar de uitgang van de ijsbaan gereden. Ik zie voor het eerst duidelijk een gezicht, dat van de brug van de neus tot de kin is bedekt met een zuurstofmasker om de mond tot ademen te dwingen. Het lichaam is bewegingloos, de ogen zijn gesloten; het gezicht is onmiskenbaar het mijne. Ik ben dood. Ik verdwijn door de opening van de boarding in het niets.
Na mijn hartstilstand
Twee weken na mijn hartstilstand speelde ik weer ijshockey, in de hervatting van de wedstrijd die vanwege mijn schijnbare dood was gestaakt.
Een paar spelers waren bezorgd. Gaat goed, zei ik. Mijn arts vond het prima – ik zou hoogstens een beetje pijn in mijn ribben hebben door de reanimatie. Ook had ik steeds een flesje nitroglycerine-pillen bij me. Een verpleegkundige had me uitgelegd dat ik een pil onder mijn tong moest leggen als ik dacht dat ik een hartaanval had. Ik had nog steeds geen idee hoe een hartaanval voelde, maar ik hield het spul bij de hand. Als iemand in mijn buurt ooit het gevoel had dat hij een hartaanval kreeg, kon ik diegene een pilletje geven.
Derek, de tweede held uit de film, een EHBO’er, kwam naar me toe. ‘Ik hoop dat je weet hoe zeldzaam het is dat iemand zoiets overleeft. Je bent een uniek geval,’ zei hij. ‘We hebben je tot twee keer toe teruggehaald. Je was paars. Je was weg. Ik ben echt verrast je te zien.’ Ik probeerde hem onhandig te bedanken.
IJshockeyen was mijn enige sociale vertier. Ik heb geen goede vrienden en maak moeilijk nieuwe. De wedstrijden brachten het plezier terug dat ik als kind beleefde op de bevroren vijvers en de kunstijsbanen in onbekende stadjes in New England en de staat New York. Een weduwemaker zou mij niet weerhouden van een potje ijshockey.
Ik was totaal niet bang, misschien omdat mijn geheugen was gewist
Ik was totaal niet bang, misschien omdat mijn geheugen was gewist. Liever denk ik dat het kwam omdat ik een ijshockeyer ben. Ik ging neer met rugnummer 37, hetzelfde nummer als Patrice Bergeron, de taaiste speler ooit.
Bij de warming-up schaatste ik precies over de plek waar ik mezelf had zien vallen. We wonnen 5-1 en ik scoorde één keer, van een afstandje, waarbij ik verdekt stond opgesteld achter nr. 12.
Na de wedstrijd stelde ik me voor aan nr. 12: Steve, al dertig jaar ambulancebroeder bij de Tualatin Valley Brandweer- en Ambulancedienst, en de eerste held op de video. Ik kon geen woord uitbrengen. Hij was de man die zo snel en professioneel had gezorgd dat mijn hersens weer zuurstof kregen, en ik wilde hem vertellen hoe dankbaar ik hem daarvoor was. ‘Bedankt dat je m’n leven hebt gered,’ bracht ik met moeite uit. Snel bracht ik het gesprek op mijn nieuwe favoriete onderwerp: de gebeurtenissen rond mijn dood.
‘Dat is niet iets wat je wilt onthouden, hoor. Je zag er trouwens beroerd uit,’ zei hij. Ik had mijn reanimatie als film gezien, maar maakte me plotseling zorgen over degenen die haar in het echt hadden gezien.
Ik bleef de hele tijd buiten bewustzijn, wat hoogst ongewoon is
‘Reanimatie is een hardhandig gebeuren,’ zei Steve. ‘We drukken uit alle macht op je borst. Daar komt geen zachtzinnigheid aan te pas. Als je reanimeert, plet je het hart tussen het borstbeen en de ruggengraat zo veel mogelijk om te zorgen dat het bloed blijft stromen. Daar heb je aan te danken dat je in zo’n goede gezondheid verkeert, omdat wij zorgden dat er voedingsstoffen en zuurstof naar je hersenen bleven gaan.’
Hij zei dat mijn hersens waarschijnlijk maar 15 of 20 seconden geen zuurstof hadden gekregen. Ik bleef de hele tijd buiten bewustzijn, wat hoogst ongewoon is. ‘Ik was verbaasd dat de reanimatie werkte. Kennelijk stonden de sterren goed die dag.’ Twee van de ambulancebroeders die me in vliegende vaart naar het ziekenhuis hadden gebracht, klommen na de wedstrijd uit hun rode wagen bij de ingang van de ijsbaan en kwamen eveneens naar me toe. Iemand maakte een foto van hen met Steve en mij. Toen we weggingen, mompelde ik iets over mijn moeder proberen te bellen. Steve zei dat ik altijd hém mocht bellen.
Staren in de afgrond
Na verloop van tijd kreeg ik er genoeg van iedereen te vertellen wat me was overkomen. Een paar mensen vroegen of ik een wit licht of een ander teken van genade of voorzienigheid had gezien. Nee, ik staarde (letterlijk) in de afgrond, hoorde een deuntje, zag mezelf in een film sterven, werd gered door twee ijshockeyspelers, en ik voelde de duisternis nog steeds, zei ik. Dat was niet wat ze hadden gehoopt te horen. Mensen reageerden vreemd, aarzelend. Misschien beschouwde het land der levenden me als beschadigd en wilde me niet opnieuw toelaten. Ik bleef de telefoon oppakken om mijn dode moeder te bellen, het lukte me maar niet om die eigenaardige gewoonte te doorbreken. Ik deed mijn best om werk te vinden en overleefde door overdag als freelancer schrijf- en redactiewerk te verrichten en ’s nachts in een computeronderdelenfabriek te werken.
Ik vond niemand die bij benadering zo lang morsdood was geweest als ik
Ik vertelde verder niemand over mijn hartaanval of mijn verblijf in de vergetelheid. Omdat mijn zoon mijn aanhoudende angst voor het donker opmerkte, hing hij kerstlichtjes voor mijn slaapkamerraam. Ik keek vaak naar de foto van mij en Steve en de twee ambulancebroeders. Ik moest soms zomaar huilen. Ik verzamelde verhalen van mensen die een hartaanval hadden overleefd en degenen die hen hadden geholpen. Ik vond niemand die bij benadering zo lang morsdood was geweest als ik, die niet morsdood was. Ik was verbijsterd. Was ik uniek, een medisch wonder? Waarom ik? Ik hoop dat mijn flipperkastbrein het waard was om gered te worden.
Mijn herinneringen werden met een dosis geluk, ketamine, fentanyl, midazolam en propofol gewist. Ik heb de angst en de pijn die andere overlevenden plagen doorstaan en ben herrezen zonder dat mijn verstand of ijshockeyslag eronder hebben geleden. Ik realiseer me dat mezelf zien sterven bevrijdend is geweest, zoiets als kijken naar de dood van mijn stand-in, die later werd gemonteerd tot een nieuwe versie van mijzelf.
Ik ben nog altijd onrustig, maar ik ben er. Bij de play-offs dit seizoen heb ik mijn team, de Boston Bruins, onderuit zien gaan, maar mijn hart is in orde. De video van mijn wedstrijd zal ik blijven bekijken. Het is mijn memento mori. Hij herinnert me eraan hoe onwerkelijk het is om in leven te zijn, helemaal dankzij Derek en Steve.
Op het ijs is mijn gemiddelde aantal gescoorde punten dit seizoen 1,75 per wedstrijd.
Lees ook:





