Tag: bewustzijn

  • ‘Er was alleen duisternis’. Hoe het voelt om kortstondig dood te zijn

    ‘Er was alleen duisternis’. Hoe het voelt om kortstondig dood te zijn

    Peter Jakubowicz kreeg een hartaanval tijdens een ijshockey­wedstrijd in Oregon en stierf in het harnas. Alleen duurde zijn dood maar 20 seconden. Herinneringen heeft hij niet, maar op liveopnames ziet hij zichzelf ineenklappen en plat op z’n gezicht vallen.

    Op 7 november 2022 ging ik dood. Eerst had ik het niet in de gaten. Ik kreeg pas door wat er aan de hand was toen een stem me uit de diepten van het niets vroeg of ik wist waar ik was. Met veel moeite lukte het me die ene lettergreep te produceren: ‘Nee.’ De stem antwoordde: ‘Je ligt op de intensive care. Je hebt een hartaanval gehad tijdens je ijshockeywedstrijd gisteravond. Een speler van het andere team heeft je leven gered.’ Ik herinnerde me niet dat ik de avond ervoor een wedstrijd had gespeeld. Het laatste wat ik me herinnerde… Ik kon me niet herinneren wat ik me als laatste herinnerde. Ik had geen idee hoe een hartaanval voelde. Verdere vragen hoorde ik niet. Er was alleen duisternis en de stem van mijn grootvader die een deuntje zong: ‘In de hemel is geen bier, daarom drinken wij het hier…’ De stem kreeg iets dreigends, Luke Skywalker die in de Joker was veranderd, en toen zakte ik weg. Zelfs toen ik besefte dat ik in een kunstmatig verlichte kamer lag, had ik nog lange tijd het gevoel dat ik me helemaal alleen in het donker bevond.

    Mijn dood voltrok zich tijdens een amateurijshockeywedstrijd in het Winterhawks Skating Center in Beaverton, Oregon. Al mijn vitale functies – ademhaling, hartslag, beweging, het vermogen om waar te nemen en herinneringen aan te maken – lieten me in de steek. Toen ik weer bijkwam, raakte ik geobsedeerd door de tijd die ik kwijt was, wat er met me was gebeurd en waar ik was beland. Ik ontdekte meer dan me lief was. Dit is het vergeten verhaal van mijn vergeten dood.

    Ik werd vliegensvlug naar het Legacy Emanuel Medical Center in Portland gebracht en kwam net na middernacht op de IC terecht. Ik was buiten bewustzijn toen ik op het ijs klapte en kwam ook bewusteloos aan in het ziekenhuis. De artsen stelden een acute hartingreep uit omdat ze dachten dat mijn hersenen bezig waren af te sterven en ik nooit meer zou bijkomen. De eerste aantekeningen in het medisch dossier zijn schokkend: ‘Patiënt speelde ijshockey toen hij plotseling dood bleef. Een ambulancebroeder uit het andere team paste reanimatie en defibrillatie toe. Deze patiënt is er ongelooflijk slecht aan toe en loopt extreem veel risico op een levensbedreigende achteruitgang in meerdere orgaanstelsels waarvan sommige al tekenen van falen vertonen.’ De officiële diagnose luidde een ‘STEMI in de dalende kransslagader links (LAD)’. Een STEMI is zo’n hartinfarct dat je liever niet krijgt. Het staat ook wel bekend als een ‘massieve hartaanval’.

    Hypoxie

    Ik was in shock, mijn lever begaf het, ik kreeg geen lucht. De dokters waren gespitst op mijn ‘non-verbale’ toestand. Het woord ‘hypoxie’ dook alarmerend vaak in de aantekeningen op. Ik kreeg een beademingsbuis ingebracht. Een verpleegster noteerde dat ik geen wilsbeschikking had en geen familie of vrienden om te raadplegen over de vraag of de stekker eruit moest.

    Mijn hartstilstand werd veroorzaakt door een bijna altijd fatale volledige afsluiting van de kransslagader. Maar de testen wezen uit dat mijn hersenen gek genoeg wel functioneerden. Via de lies werd een stent geplaatst om de falende slagader te helpen: ‘Prognose niet veel over te zeggen’.

    Ik kroop als een hoofd zonder romp uit een konijnenhol waar ik mijn zelfbewustzijn was kwijtgeraakt

    Vreemd genoeg reageerde mijn lichaam nog steeds nergens op. ‘Algeheel beeld: rustig, geen pijn of ongemak.’ Bijna negen uur na het infarct begon ik onvoorstelbaar genoeg ‘te reageren op opdrachten’. Ik herinner me helemaal niets van dit alles. Iets elementairs in mij hield stand, een spoor van de gedachten die normaal door mijn flipperkastbrein en uit mijn mond stroomden. Ik ontwaakte niet alleen in een verontrustende duisternis, maar kreeg het gevoel dat ik een diep gat was gevallen. Ik werd gewekt door stemmen maar zag niemand praten. Ik zag alleen maar zwart – niet het ontbreken van licht, maar het ontbreken van alles. Ik deed mijn uiterste best om terug te komen en probeerde iedere keer steeds langer bij te blijven. Ik kroop als een hoofd zonder romp uit een konijnenhol waar ik mijn zelfbewustzijn was kwijtgeraakt.

    Toen mijn levensvonk terugkeerde, ervoer ik mijn lichaamsdelen los van elkaar. Ik zweefde tussen bewustzijn en vergetelheid. Hooguit zag ik vertrouwde gezichten die weer uiteenvielen voor ik ze kon thuisbrengen en ik hoorde dat deuntje dat veranderde in een remix van Trent Reznor. Ik zat onder de kalmeringsmiddelen.

    De stem stelde meer vragen, die ik naar tevredenheid beantwoordde, zodat ik van de beademing werd gehaald.

    Mijn ex bracht onze twee kinderen (een meisje van veertien en een jongen van vijftien, allebei ijshockeyers) bij me. Ik herinner me hun bezoek niet. Mijn zoon zei dat mijn haar als in een tekenfilm overeind stond. Ik zei steeds dat ik niets kon zien en vroeg waarom het licht uit was. Het licht was aan, zei hij.

    Geen herinneringen

    Op een gegeven moment zag ik slangen en buisjes uit mijn borst, armen en lies steken, overblijfselen van de noodingrepen. De verpleegkundigen en artsen die me behandelden waren voor mij een waas. Er was één opvallende aantekening die steeds terugkeerde: ‘Patiënt vraagt wanneer hij weer kan ijshockeyen.’

    Ik begreep wat er was gebeurd, maar had geen herinneringen die het verhaal konden staven. Ik greep instinctief naar mijn telefoon om mijn moeder te bellen. Misschien kon zij een paar sluimerende herinneringen bij me wakker maken. Vlak voordat ik op ‘pap en mam’ drukte, schoot me te binnen dat mijn moeder tien dagen voor míjn dood was doodgegaan. Een week geleden had mijn vader kort gebeld om te zeggen dat ze was overleden. Botte pech en moeilijke tijden waren er de oorzaak van dat ik mijn moeder de laatste jaren van haar leven niet in Massachusetts had opgezocht. Een jaar geleden, de laatste keer dat ik haar sprak, had ze niet geweten wie ik was. Ik hing op en begon te huilen.

    Mijn moeder stierf na een reeks toevallen. Ze werd herhaaldelijk gereanimeerd en steeds weer aan haar lot overgelaten tot ze opnieuw naar de intensive care moest. Ze herstelde, maar werd nooit beter. Ik wilde niet eindigen als mijn moeder. Ik wilde over het ijs flitsen zoals Sidney Crosby.

    Door stom geluk was er iemand die mensen van ‘weduwemakers’ kon redden

    De artsen zeiden dat mijn hart ernstig en merkbaar beschadigd zou zijn. In het beste geval zou ik een defibrillator geïmplanteerd krijgen. De duisternis kwam terug. Er werden nog twee stents in de weerspannige slagader geplaatst. Ik kreeg te horen dat ik een hartonderzoek zou krijgen voordat ze besloten wat er verder moest gebeuren, misschien nog meer ingrepen. De dag erna vertelde een arts me verbaasd dat mijn hart normaal functioneerde. Geen littekenweefsel, geen onregelmatige bloedstroom. Ze was de enige arts die haar oordeel niet van tevoren klaar leek te hebben.

    Widowmaker is een informele naam voor dit soort hartaanvallen, vanwege de geringe overlevingskans. Je hebt 5 procent kans op overleving als je er een buiten het ziekenhuis krijgt. Ik bevond me laat op de avond op een ijshockeybaan. Door stom geluk was er 10 meter van mij vandaan iemand die mensen van ‘weduwemakers’ kon redden. Ik raakte geobsedeerd door de lacune van 72 uur in mijn langetermijngeheugen en probeerde me voor te stellen wat er gebeurd was. Ik herinner me niets van de wedstrijd of de gebeurtenissen erna. Toen schoot me iets te binnen: de ijsbaan maakte van alle wedstrijden opnames. Ik was ineens ziekelijk opgewonden. Ik had lang genoeg geleefd om mezelf te zien sterven.

    Ik, maar niet ik

    Keek ik, dan raakte ik misschien overstuur, maar deed ik het niet, dan zat ik met een schimmig verhaal van het kloterigste dat me ooit was overkomen. De eerste dood waarvan ik getuige was, zou die van mijzelf zijn, in een film. De avond dat ik naar huis mocht, legde ik de hand op de liveopnames van de wedstrijd en bekeek ze op mijn laptop.

    Het beeld is korrelig. Tijdens de hele video hoor je een zachte mechanische ruis. De stemmen van de spelers echoën alsof ze door een metalen buis gaan. De meeste woorden kan ik niet verstaan. Het andere team, in het roze, heeft zojuist gescoord.

    Er is precies twaalf en een halve minuut zuivere speeltijd geweest wanneer het gebeurt. Een man schaatst naar het midden van het ijs. De rechtsvoor van het team in het grijs, de speler met rugnummer 37, heeft precies mijn speelstijl. Ik ben duizelig terwijl ik naar mijn laptop kijk: het aanhoudende effect van alle verdovingsmiddelen die ik heb geslikt. Deze arme jongen – ik, maar niet ik – staat op het punt onderuit te gaan. Hij moet zich opstellen voor de face-off, maar hij houdt zich niet aan het scenario. Hij brengt zijn rechterhand naar zijn kooi, klapt ineen en valt in slow motion plat op z’n gezicht. Hij probeert niet eens zijn val te breken.

    Na een minuut of tien is het met je gedaan. De ambulancedienst had negen minuten nodig om bij me te komen nadat ik tegen het ijs was geklapt

    De andere spelers kijken naar de roerloze rechtsvoor en vragen of hij in orde is. Een stem doorbreekt het geruis op de achtergrond: ‘We hebben een arts nodig.’ Het voelt helemaal fout. Ik heb me losgemaakt van de bijna-ik die deze hartaanval in de meeste van de denkbare werelden niet overleeft. Ik kán die rechtsvoor met zijn falende hart niet zijn. Ik dwing mezelf om mijn ongeloof op te schorten en stel me voor dat ik het wel ben, maar dan in een film.

    Mijn dood voltrekt zich plotseling. Ik neem de tijd op. Een speler van het andere team, met rugnummer 12, schaatst op mij af. Amper 25 seconden na mijn val meet hij mijn hartslag in mijn hals. Ik bekijk deze beelden keer op keer. Na een paar minuten zonder zuurstof zijn je hersenen hoogstwaarschijnlijk onherstelbaar beschadigd. Na een minuut of tien is het met je gedaan. De ambulancedienst had negen minuten nodig om bij me te komen nadat ik tegen het ijs was geklapt.

    Nr. 12 reanimeert me. Op het beeld lijken zijn bewegingen soepel, vloeiend. Hij drukt mijn borst naar beneden en laat hem weer opkomen, en dat herhaalt hij snel achter elkaar, op z’n knieën, terwijl zijn schaatsen elke keer dat hij mijn rubberen borstpantser neerdrukt van het ijs komen. Een man in gewone kleren komt aanrennen over het ijs en helpt bij de reanimatie. De rechtsvoor wordt op een brancard gelegd en naar de uitgang van de ijsbaan gereden. Ik zie voor het eerst duidelijk een gezicht, dat van de brug van de neus tot de kin is bedekt met een zuurstofmasker om de mond tot ademen te dwingen. Het lichaam is bewegingloos, de ogen zijn gesloten; het gezicht is onmiskenbaar het mijne. Ik ben dood. Ik verdwijn door de opening van de boarding in het niets.

    Na mijn hartstilstand

    Twee weken na mijn hartstilstand speelde ik weer ijshockey, in de hervatting van de wedstrijd die vanwege mijn schijnbare dood was gestaakt.

    Een paar spelers waren bezorgd. Gaat goed, zei ik. Mijn arts vond het prima – ik zou hoogstens een beetje pijn in mijn ribben hebben door de reanimatie. Ook had ik steeds een flesje nitroglycerine-pillen bij me. Een verpleegkundige had me uitgelegd dat ik een pil onder mijn tong moest leggen als ik dacht dat ik een hartaanval had. Ik had nog steeds geen idee hoe een hartaanval voelde, maar ik hield het spul bij de hand. Als iemand in mijn buurt ooit het gevoel had dat hij een hartaanval kreeg, kon ik diegene een pilletje geven.

    Derek, de tweede held uit de film, een EHBO’er, kwam naar me toe. ‘Ik hoop dat je weet hoe zeldzaam het is dat iemand zoiets overleeft. Je bent een uniek geval,’ zei hij. ‘We hebben je tot twee keer toe teruggehaald. Je was paars. Je was weg. Ik ben echt verrast je te zien.’ Ik probeerde hem onhandig te bedanken.

    IJshockeyen was mijn enige sociale vertier. Ik heb geen goede vrienden en maak moeilijk nieuwe. De wedstrijden brachten het plezier terug dat ik als kind beleefde op de bevroren vijvers en de kunstijsbanen in onbekende stadjes in New England en de staat New York. Een weduwemaker zou mij niet weerhouden van een potje ijshockey.

    Ik was totaal niet bang, misschien omdat mijn geheugen was gewist

    Ik was totaal niet bang, misschien omdat mijn geheugen was gewist. Liever denk ik dat het kwam omdat ik een ijshockeyer ben. Ik ging neer met rugnummer 37, hetzelfde nummer als Patrice Bergeron, de taaiste speler ooit.

    Bij de warming-up schaatste ik precies over de plek waar ik mezelf had zien vallen. We wonnen 5-1 en ik scoorde één keer, van een afstandje, waarbij ik verdekt stond opgesteld achter nr. 12.

    Na de wedstrijd stelde ik me voor aan nr. 12: Steve, al dertig jaar ambulancebroeder bij de Tualatin Valley Brandweer- en Ambulancedienst, en de eerste held op de video. Ik kon geen woord uitbrengen. Hij was de man die zo snel en professioneel had gezorgd dat mijn hersens weer zuurstof kregen, en ik wilde hem vertellen hoe dankbaar ik hem daarvoor was. ‘Bedankt dat je m’n leven hebt gered,’ bracht ik met moeite uit. Snel bracht ik het gesprek op mijn nieuwe favoriete onderwerp: de gebeurtenissen rond mijn dood.

    ‘Dat is niet iets wat je wilt onthouden, hoor. Je zag er trouwens beroerd uit,’ zei hij. Ik had mijn reanimatie als film gezien, maar maakte me plotseling zorgen over degenen die haar in het echt hadden gezien.

    Ik bleef de hele tijd buiten bewustzijn, wat hoogst ongewoon is

    ‘Reanimatie is een hardhandig gebeuren,’ zei Steve. ‘We drukken uit alle macht op je borst. Daar komt geen zachtzinnigheid aan te pas. Als je reanimeert, plet je het hart tussen het borstbeen en de ruggengraat zo veel mogelijk om te zorgen dat het bloed blijft stromen. Daar heb je aan te danken dat je in zo’n goede gezondheid verkeert, omdat wij zorgden dat er voedingsstoffen en zuurstof naar je hersenen bleven gaan.’

    Hij zei dat mijn hersens waarschijnlijk maar 15 of 20 seconden geen zuurstof hadden gekregen. Ik bleef de hele tijd buiten bewustzijn, wat hoogst ongewoon is. ‘Ik was verbaasd dat de reanimatie werkte. Kennelijk stonden de sterren goed die dag.’ Twee van de ambulancebroeders die me in vliegende vaart naar het ziekenhuis hadden gebracht, klommen na de wedstrijd uit hun rode wagen bij de ingang van de ijsbaan en kwamen eveneens naar me toe. Iemand maakte een foto van hen met Steve en mij. Toen we weggingen, mompelde ik iets over mijn moeder proberen te bellen. Steve zei dat ik altijd hém mocht bellen.

    Staren in de afgrond

    Na verloop van tijd kreeg ik er genoeg van iedereen te vertellen wat me was overkomen. Een paar mensen vroegen of ik een wit licht of een ander teken van genade of voorzienigheid had gezien. Nee, ik staarde (letterlijk) in de afgrond, hoorde een deuntje, zag mezelf in een film sterven, werd gered door twee ijshockeyspelers, en ik voelde de duisternis nog steeds, zei ik. Dat was niet wat ze hadden gehoopt te horen. Mensen reageerden vreemd, aarzelend. Misschien beschouwde het land der levenden me als beschadigd en wilde me niet opnieuw toelaten. Ik bleef de telefoon oppakken om mijn dode moeder te bellen, het lukte me maar niet om die eigenaardige gewoonte te doorbreken. Ik deed mijn best om werk te vinden en overleefde door overdag als freelancer schrijf- en redactiewerk te verrichten en ’s nachts in een computeronderdelenfabriek te werken.

    Ik vond niemand die bij benadering zo lang morsdood was geweest als ik 

    Ik vertelde verder niemand over mijn hartaanval of mijn verblijf in de vergetelheid. Omdat mijn zoon mijn aanhoudende angst voor het donker opmerkte, hing hij kerstlichtjes voor mijn slaapkamerraam. Ik keek vaak naar de foto van mij en Steve en de twee ambulancebroeders. Ik moest soms zomaar huilen. Ik verzamelde verhalen van mensen die een hartaanval hadden overleefd en degenen die hen hadden geholpen. Ik vond niemand die bij benadering zo lang morsdood was geweest als ik, die niet morsdood was. Ik was verbijsterd. Was ik uniek, een medisch wonder? Waarom ik? Ik hoop dat mijn flipperkastbrein het waard was om gered te worden.

    Mijn herinneringen werden met een dosis geluk, ketamine, fentanyl, midazolam en propofol gewist. Ik heb de angst en de pijn die andere overlevenden plagen doorstaan en ben herrezen zonder dat mijn verstand of ijshockeyslag eronder hebben geleden. Ik realiseer me dat mezelf zien sterven bevrijdend is geweest, zoiets als kijken naar de dood van mijn stand-in, die later werd gemonteerd tot een nieuwe versie van mijzelf.

    Ik ben nog altijd onrustig, maar ik ben er. Bij de play-offs dit seizoen heb ik mijn team, de Boston Bruins, onderuit zien gaan, maar mijn hart is in orde. De video van mijn wedstrijd zal ik blijven bekijken. Het is mijn memento mori. Hij herinnert me eraan hoe onwerkelijk het is om in leven te zijn, helemaal dankzij Derek en Steve.

    Op het ijs is mijn gemiddelde aantal gescoorde punten dit seizoen 1,75 per wedstrijd. 

    Lees ook:

  • ‘De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens zijn’

    ‘De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens zijn’

    Jarenlang onderzoek naar de mysteries van het bewustzijn heeft de Britse neurowetenschapper Anil Seth tot een radicale conclusie doen komen: de manier waarop jij jezelf en de wereld ziet is een vorm van gecontroleerde hallucinatie.

    Als je ooit helemaal onder verdoving bent geweest, heb je vergetelheid ervaren: een vollediger onderbreking van het bewustzijn dan tijdens de diepste slaap. Hele uren of dagen kunnen in een duizendste seconde voorbijgaan. Het is het bewijs – als je dat al nodig hebt – dat je kunt ophouden te bestaan, dat de wereld zal doorgaan zonder jou. Sommige mensen vinden dit angstaanjagend. Neurowetenschapper Anil Seth vindt het geruststellend.

    In 2017 gaf Seth een TED-talk die sindsdien meer dan twaalf miljoen keer is bekeken, een verbijsterend, vijftien minuten durend distillaat van dertig jaar research dat eindigde met een parafrase op Julian Barnes. ‘Als het einde van het bewustzijn aanbreekt, is er niets om bang voor te zijn – helemaal niets.’ Het is een gevoel dat hij opnieuw naar voren brengt in zijn bestseller uit 2021, Being You, en als we elkaar ontmoeten in Falmer, in East Sussex, vertelt hij me waarom. ‘Als je ziet hoe broos en precair ons bewustzijn al met al is, dat van onszelf en van de wereld, als je ziet op hoeveel manieren iets fout kan gaan of gewoon volledig kan worden weggevaagd, kun je dat ofwel als iets beangstigends zien of als een waarschuwing hoe blij je mag zijn dat je bent waar je bent.’ Hij kiest voor het laatste.

    ‘Ga als de sodemieter aan het werk. Wees niet lui’

    Seth (49) is informeel gekleed, in spijkerbroek, blauwe trui en beige gympen. Met zijn gladgeschoren hoofd en kalme, intense uitstraling heeft hij iets van een monnik, een imago dat hij af en toe met een grap doorprikt. We spreken elkaar op zijn kamer aan de Universiteit van Sussex, waar hij mededirecteur is van het Sackler Centre for Consciousness Science (Sackler Centrum voor Bewustzijnswetenschap; omdat de universiteit niet langer nieuwe fondsen zal ontvangen van de Dr Mortimer and Teresa Sackler Foundation, moet het centrum worden herdoopt.) Op de planken staan boeken over psychologie, filosofie, informatica, natuurkunde, een roman van Zadie Smith en poëziebloemlezingen. Tegen de muur geplakt hangt een uitdraai met de kop ‘Twaalf vuistregels voor succes’. (1. Ga als de sodemieter aan het werk. Wees niet lui.)

    Seth begon met het bestuderen van het bewustzijn in het midden van de jaren negentig, een tijd waarin de vorderingen met de computer en het in beeld brengen van het brein wetenschappers nieuwe middelen boden om de geest te begrijpen. In 1994 gaf de Australische filosoof David Chalmers alvast een voorschot op deze uitdagende materie: in zijn praatje bij de opening van de Conferentie over Bewustzijnswetenschap in Tuscon, Arizona, zette Chalmers uiteen wat hij beschreef als ‘het lastige vraagstuk van het bewustzijn’. Hoe kan iets objectiefs en fysieks leiden tot de unieke, subjectieve bewustzijnservaring? Hoe zou je adequaat het unieke gevoel jij te zijn kunnen beschrijven door enkel te verwijzen naar je brein en de biologie? 

    Lastig vraagstuk

    Filosofen en natuurwetenschappers hebben geprobeerd dit lastige vraagstuk op verschillende manieren aan te pakken. Panpsychisten beweren dat bewustzijn een fundamenteel kenmerk is van alle materie – dat een ligstoel een ander soort bewustzijn vertoont dan jij of ik, maar niettemin bewust is. Daarentegen houden illusionisten vol dat het bewustzijn puur denkbeeldig is. Seth, wiens academische achtergrond natuurkunde, psychologie, computerkunde en neurowetenschap omvat, zegt dat hij tot een andere, bevredigendere conclusie is gekomen. 

    Een al te menselijke intelligentie

    ‘Ik denk dat ik van binnen een mens ben. Ook al besta ik alleen in de virtuele wereld.’

    Aldus LaMDA, de door Google ontwikkelde chatbot, in gesprek met Blake Lemoine, een ingenieur die werkzaam is bij de kunstmatige-intelligentieafdeling van het bedrijf. Gevoegd bij het feit dat het apparaat over zijn ‘emoties’ sprak, hebben deze woorden, die te vinden zijn in een blogpost van 11 juni, de ingenieur ervan overtuigd dat de chatbot over een bewustzijn beschikt.

    ‘Ik weet wanneer ik met een persoon te maken heb,’ bevestigt Lemoine. De zaak zorgde voor veel ophef. ‘Google heeft zich van Lemoines beweringen gedistantieerd. Toen de ingenieur zich tot specialisten buiten het bedrijf wendde, werd hij geschorst wegens schending van de geheimhoudingsplicht,’ meldden Timnit Gebru en Margaret Mitchell, respectievelijk werkzaam bij het Distributed Artificial Intelligence Research Institute en het platform Hugging Face, in een ingezonden brief in The Washington Post.

    Deze twee ex-werknemers van Google, die in 2020 en 2021 op staande voet werden ontslagen, verklaarden dat zij hun ongerustheid tegenover de onderneming hadden geuit vanwege het risico dat mensen zouden denken dat kunstmatige intelligentie over een bewustzijn beschikt. Steven Pinker, als linguïst en cognitief psycholoog verbonden aan Harvard, verklaarde tegenover de Financial Times dat Blake Lemoine ‘het verschil niet begrijpt tussen bewustzijn (dat wil zeggen subjectiviteit, ervaring), intelligentie en zelfkennis’. Emily M. Bender, hoogleraar linguïstiek aan de Universiteit van Washington in Seattle, constateerde in The Washington Post dat ‘we inmiddels over machines beschikken die in staat zijn zelfstandig woorden te produceren, maar dat we het nog altijd niet kunnen laten om te denken dat die door een menselijke geest worden gestuurd’.

    Zijn onderzoek heeft hem tot radicale standpunten gebracht: de manier waarop jij jezelf en de wereld ziet is een vorm van gecontroleerde hallucinatie, zegt Seth. Eerder dan passief onze omgeving waar te nemen, zijn onze hersens constant voorspellingen aan het doen en verfijnen van wat we verwachten te zien; op die manier scheppen we onze wereld. Hij wijst op het voorbeeld van #TheDress, de foto die viraal ging van een cocktailjurk die volgens sommigen goud met wit is en volgens anderen blauw met zwart. In zijn TED-talk speelt Seth twee keer een geluidsfragment af van een hoge, verdraaide stem die zo onbegrijpelijk is dat hij iedere taal of geen enkele zou kunnen spreken. Dan wijst hij zijn publiek op de zin: ‘Ik denk dat de Brexit een heel slecht idee is.’ Als hij het fragment opnieuw afspeelt, zijn de woorden zo goed te herkennen dat het moeilijk voorstelbaar is dat ze het ooit niet waren. 

    Soms is de term ‘hallucinatie’ voor mensen verwarrend (Seth zou willen dat er een beter woord bestond): het kan de indruk wekken dat waarneming arbitrair is, of dat dingen niet bestaan. In de praktijk zijn we als onze hersens goed werken voortdurend onze voorspellingen aan het updaten, gebaseerd op feedback van onze zintuigen – daarom is de normale waarneming een ‘gecontroleerde hallucinatie’, en geen koortsdroom. Dat gezegd hebbende vertelt Seth me, terwijl we over de campus lopen op zoek naar een broodje, open te staan voor het idee dat de fysieke wereld niet bestaat op de manier die we denken. Dat is een ‘onderwerp voor een natuurkundige, iemand als Carlo Rovelli’, zegt hij. ‘Wie weet wat er daarbuiten eigenlijk is? Maar laten we aannemen dat er daar dingen zijn en dat die dingen bestaan.’ De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens kunnen zijn, meent Seth.

    Seth gelooft dat andere dieren over bewustzijn beschikken, maar hij denkt niet dat kunstmatige intelligentie ooit zal bestaan

    Bepaalde aspecten van de waarneming zijn denkbeeldiger dan andere. Onze ervaring van onszelf, als zouden we na een tijdje beschikken over een blijvende, stabiele identiteit, is een nuttige illusie. Net als onze perceptie van de vrije wil. We denken dat we vrij handelen als we onze eigen overtuigingen, doelen of verlangens volgen – maar we kunnen deze overtuigingen, doelen of verlangens niet vrij kiezen. Het doel van het bewustzijn, van al deze hallucinaties, is ons in leven te houden. Als we sterven zal het uitgedoofd zijn. Seth gelooft dat andere dieren over bewustzijn beschikken, maar hij denkt niet dat kunstmatige intelligentie ooit zal bestaan.

    Wat het ‘lastige vraagstuk’ betreft, gelooft Seth dat naarmate we onze hersens beter begrijpen – naarmate we het bewustzijn preciezer kunnen meten, manipuleren en volgen – het vraagstuk minder moeilijk te hanteren zal zijn. Deze theorie is niet voor iedereen bevredigend: toen ik Chalmers voor de New Statesman interviewde, zei hij dat hij het er niet mee eens was dat het lastige vraagstuk op deze manier kan worden opgelost – je moet nog steeds rekening houden met het mechanisme waarmee objectieve materie subjectieve ervaringen genereert. Maar ook hij benadrukte de gemeenschappelijke basis: Seths aanpak om bewustzijnsstaten te koppelen aan hersenstaten (door bijvoorbeeld te achterhalen welke neuronen corresponderen met ‘de kleur rood zien’ of ‘aan het avondeten denken’) komt ‘dicht in de buurt van de aanpak die ik voorsta’. 

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 4 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Spirituele implicaties

    Seth praat veel met mensen over de spirituele implicaties van zijn theorieën. Ze zijn niet verenigbaar met een letterlijk geloof in een ziel die de dood overleeft, maar hij ziet een ‘diepe overeenkomst’ met veel religieuze tradities. ‘Het gaat vaak over dezelfde kwesties en er worden vaak dezelfde vragen gesteld,’ zegt hij. Er bestaan parallellen tussen zijn werk over de vergankelijke gestructureerde aard van het ik en de leer van het hindoeïsme en het boeddhisme. Hij mediteert dagelijks. 

    Seth groeide op in het landelijke Oxfordshire, waar zijn moeder als lerares Engels werkte en zijn vader, die in de jaren vijftig vanuit India was geëmigreerd, als wetenschapper bij het onderzoekscentrum van Esso. Hij las als puber veel, deels uit noodzaak; hij was een mager joch met dikke brillenglazen, een jaar jonger dan zijn klasgenoten en geen uitblinker op het rugby- of voetbalveld. (Net als zijn vader was Seth een uitstekende badmintonspeler, ‘maar in Oxfordshire kan je leven niet alleen om badminton draaien’.) Hij studeerde natuurwetenschappen in Cambridge, waarbij hij zich aanvankelijk toelegde op natuurkunde en later op experimentele psychologie.

    Zijn leidinggevende vertelde me dat Seth ‘waarschijnlijk de gretigste promovendus was die ik ooit heb gehad’

    Zijn promotieonderzoek naar op kennis gebaseerde systemen in Sussex, waar hij kunstmatige neurale netwerken gebruikte om ecologische en evolutionaire processen in kaart te brengen, bracht hem dichter bij het inzicht hoe onze hersens werken dan de psychologie dat kon. Zijn leidinggevende, Phil Husbands, vertelde me dat Seth ‘waarschijnlijk de gretigste promovendus was die ik ooit heb gehad’. Terwijl de meeste van zijn medestudenten bij de eerste bijeenkomst opdraafden met ‘een enthousiaste grijns en iets om aantekeningen te maken’, verscheen Seth met ‘tientallen blaadjes vol uitgetikte ideeën en schetsen voor mogelijke experimenten’. 

    Emi Tamaki wil ook voelen

    Waar de virtuele werkelijkheid ons nu nog alleen in staat stelt dingen te ervaren vanuit onze leunstoel, werkt Emi Tamaki, onderzoeker bij de Universiteit van de Riukiu op het Japanse eiland Okinawa, aan het toevoegen van gevoel aan de gemobiliseerde zintuigen om de illusie nog verwarrender te maken.

    In 2011 werd haar ‘Possessed Hand’, ontwikkeld in samenwerking met de Universiteit van Tokio en Sony, door het Amerikaanse blad Time gerekend tot een van de ‘vijftig beste uitvindingen’ van het jaar: een armband met elektroden die onze hand uit zichzelf kan laten bewegen door elektrische stimulering van de vingers. Nu wil Tamaki haar vinding uitbreiden met lichamelijke ervaringen die echt in de virtuele werkelijkheid worden beleefd, zodat de gebruiker bijvoorbeeld het gewicht van een voorwerp in zijn hand kan voelen, of zelfs pijn.

    De Japanse wetenschapper werkt aan de ontwikkeling van een robotkajak die je het gevoel geeft dat je echt aan het peddelen bent, met waterweerstand en al. En haar ambitie reikt nog verder. Ze wil op termijn iets faciliteren wat ze ‘het delen van het lichaam’ noemt. Door op goed gekozen plekken sensoren op iemands lichaam te plaatsen die zich vervolgens kunnen vermenigvuldigen, wil ze dat deze persoon de gevoelens van anderen kan ervaren, zoals die van zwangere vrouwen met hun zware buik en hun veranderde zwaartepunt.

    Na Sussex verhuisde Seth naar het Instituut voor Neurowetenschappen in Californië, waar hij werkte met Gerald Edelman, de bioloog en Nobelprijswinnaar die van groot belang was bij het nieuw leven inblazen van de bewustzijnswetenschap. In 2006, toen de universiteit hem een lectoraat aanbood, ging hij terug naar Sussex met medeneming van enkele van zijn Californische gewoonten: hij surft nu in Brighton en zwemt de laatste jaren dagelijks in de zee vlak bij zijn huis.

    Als we onze broodjes op hebben, leidt Seth me rond. Toen het in 2010 werd opgezet, was het Sackler Centre een van de eerste multidisciplinaire onderzoeksgroepen ter wereld die zich wijdden aan de bestudering van het bewustzijn (er zijn er nu dertien of veertien wereldwijd). Hier onderzoeken natuurkundigen, computerwetenschappers, neurowetenschappers, psychologen en filosofen enkele van de fundamentele mysteries van de mensheid: wat is bewustzijn? Waar komt het vandaan? Door dit beter te begrijpen hopen ze nieuwe geneeswijzen en behandelingen te ontwikkelen voor neurologische en psychiatrische aandoeningen als diepe bewusteloosheid, slapeloosheid, depressie en psychose. 

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 2 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Het Instituut voor Neurowetenschappen in San Diego was zo overweldigend futuristisch dat het werd gebruikt in filmsets, bijvoorbeeld als achtergrond voor een sciencefictionfilm uit 2000, The Cell. De esthetiek van het Sackler Centre is eerder ‘… Brits’, merkt Seth op. Hij zet thee in een kleine keuken met een enorm schrijfbord vol verbleekte formules. Bovenaan staat een kreet gekrabbeld: ‘Wat is dat voor smeerboel in het blauwe kopje?’ Daarna leidt hij me door een nauw gangenstelsel naar de weinig imponerende kantoren waar onderzoekers allerlei eigenaardigheden van de geest onderzoeken: waarom kunnen uren vliegensvlug vervliegen en vijf minuten ondraaglijk lang aanvoelen? Waarom zijn sommige mensen beïnvloedbaarder dan andere, zelfs zozeer dat ze, als ze een spin op iemands arm zien kruipen, zelf ook gekriebel voelen? In één lab werken onderzoekers met virtual reality om ‘blindheid voor verandering’ te bestuderen: hoeveel kun je in iemands omgeving veranderen zonder dat hij het merkt? 

    Seth heeft zijn sleutelhanger aan een stagiair uitgeleend en moet tijdens de rondleiding kloppen om binnen te komen. Aan de muren van het kantoor hangen optische illusies en oude wetenschapsposters, de planken zijn volgestouwd met curiosa: mannequinhoofden, een beeldje van Darth Vader, een zestal rubberen handen. De sfeer is ontspannen en experimenteel: op een gegeven moment raapt Seth een elektromagneet op in de vorm van een nepbril – een spoel voor transcraniële magnetische stimulatie (TMS) – die kan worden gebruikt om de activiteit in verschillende delen van het brein te reduceren. ‘Jaren geleden, toen we hem pas hadden, gingen we ervan uit dat bewustzijn samenhing met het frontopariëtaal netwerk [het gedeelte van de hersenen dat van belang is voor het succesvol samenstellen van nieuwe geheugenvelden], dus probeerden we de hele zaak gewoon stil te leggen door TMS toe te passen,’ zegt hij. ‘Het werkte niet,’ voegt hij er schouderophalend aan toe en legt de spoel weer terug. 

    Hallucinatiemachine

    In dezelfde ruimte staat een soort hokje met een hallucinatiemachine. Binnen brandt een stroboscopisch licht met dezelfde frequentie als onze hersenactiviteit. Het apparaat, dat heldere, kleurige hallucinaties opwekt, is gebaseerd op een uitvinding uit 1959 van kunstenaar Brion Gysin, die dacht dat zijn machine de televisie zou verdringen. Seth nodigt me uit om op een stoel tegenover het licht te gaan zitten met mijn ogen dicht. Ik kan het licht niet zien; in plaats daarvan verschijnen oranje en groene vlekken op mijn netvlies. Ze consolideren tot ronddraaiende, pulserende, caleidoscopische vormen die steeds ingewikkelder worden tot ze oplossen in een wit licht dat zo verschroeiend is dat ik mijn ogen zou hebben gesloten als ze niet al dicht waren. Ik raakte bijna in paniek, vertel ik Seth achteraf. Hij kijkt beteuterd. Met mijn reactie behoor ik tot de minderheid – de meeste mensen genieten van de hallucinaties. Seth vindt het experiment zo ‘meditatief’ dat hij thuis een stroboscopisch licht heeft geïnstalleerd, dat hij zo’n half uur per week gebruikt. 

    Deze maand werken Seth en andere onderzoekers samen met componist Jon Hopkins en het kunstenaarscollectief Assemble, dat in 2015 de Turner Prize won, aan een project dat mensen uit het publiek en schoolkinderen kennis wil laten maken met de ‘Droommachine’. Seth hoopt een nieuwe generatie bewustzijnsonderzoekers en filosofen te inspireren en zijn team zal een computerprogramma gebruiken om deelnemers te helpen hun hallucinatie te herscheppen. Zoals een haperende computer ons soms een idee geeft hoe de machine werkt, veroorzaakt het stroboscopisch licht haperingen die ons wellicht meer inzicht geven in de werking van visuele waarneming. Er is zo veel wat we nog niet weten: als jij en ik ‘rood’ zien, zien we dan dezelfde kleur? 

    Drie s(t)imulerende vormen van fictie

    Leven we in een simulatie? Sommige films, romans en series houden rekening met deze mogelijkheid.

    MATRIX, PLATON 2.0

    De mensheid is tot slaaf gemaakt door de machines die ze zelf heeft gecreëerd en die haar hebben veroordeeld tot een permanente simulatie. Met zijn vele allegorieën – van de grot van Plato tot de transgenderervaring – en zijn spectaculaire actiescènes waarin meer vechtsporten dan vuurwapens voorkomen, heeft de filmcyclus Matrix een blijvende stempel gedrukt op de fantasiewereld van Hollywood. De Amerikaanse regisseur Lana Wachowski, die samen met haar zuster Lilly tussen 1999 en 2003 de oorspronkelijke trilogie opnam, heeft eind 2021 een nieuw deel uitgebracht.

    SWORD ART ONLINE, VIRTUELE VALKUIL

    Deelname op eigen risico. Sword Art Online, een serie romans waarmee de Japanse auteur Reki Kawahara in 2009 is begonnen, is vele malen bewerkt tot stripverhalen, animatiefilms en games. De site Polygon vat de serie als volgt samen: ‘De jonge Kirito raakt verstrikt in een enorm multi-userspel. Om aan deze virtuele wereld te ontsnappen moet hij voorkomen dat hij een pion wordt in de strategieën van diverse groepen spelers die eveneens verstrikt zijn in het spel, en een reeks steeds riskantere uitdagingen aangaan.’ En het spel beëindigen.

    WANDAVISION, REALITY TV

    Hoe kan Wanda (Elizabeth Olsen) haar superkrachten gebruiken om aan haar rouwproces te ontkomen? In de miniserie Marvel, die in de lente van 2021 op Disney+ werd uitgezonden, creëert ze een soort magische bubbel rond de inwoners van een stadje in New Jersey. Ze belanden in een simulatie die is geïnspireerd op beroemde series uit de Amerikaanse televisiegeschiedenis. De overleden man van Wanda komt daarin weer tot leven als personage. Het onderwerp varieert per aflevering.

    Uit nieuwsgierigheid stem ik erin toe het hok nog eens binnen te gaan bij een licht dat met een lagere frequentie pulseert. Seth stelt voor dat ik, om kalm te blijven, de hallucinaties aan hem beschrijf op het moment dat ze zich voordoen. Als ik vervolgens wat mompel over dansende groene driehoeken die al vervloeiend veranderen in roterende oranje stervormen, zegt hij ‘Hè?’, alsof er niets interessanters bestaat. Na vijf minuten die aanvoelen als dertig seconden stopt het licht en daarmee mijn visioenen; het voelt vreemd om nu terug te lopen naar Seths kantoor alsof ik niet net ben teruggekeerd van een reis naar een of andere vreemd sterrenstelsel.

    Toen ik Being You voor het eerst las, trof mij de eenzaamheid van zijn visie. Zijn werk suggereert dat we allemaal gevangenzitten in onze zelfgecreëerde universums, innerlijke werelden die alles zijn wat we ooit kunnen kennen en die toch in een mum zullen verdwijnen. Als ik uit de hallucinatiemachine loop, begrijp ik het optimisme achter zijn werk evengoed: Seths geloof dat de wetenschap op een dag de kloof zal overbruggen tussen onze eigen geest en die van anderen, zodat we elkaar beter kunnen zien.

    Lees ook:

  • Waarom hebben we slaap nodig?

    Waarom hebben we slaap nodig?

    In een gloednieuw laboratorium in Japan probeert een internationaal team van wetenschappers uit te zoeken waarom levende wezens slapen.

    Tsukuba, een uur rijden ten noorden van Tokio. Bij het International Institute for Integrative Sleep Medicine hangt de zware bloemengeur van de schijnhulst en weven grote zijdespinnen hun web tussen de takken. Bij de ingang staan twee mompelende bouwvakkers op de leigrijze muur een vlak af te meten waarop ze lijm aanbrengen: het gebouw is zo nieuw dat de bordjes nog moeten worden opgehangen. Het instituut bestaat pas vijf jaar en het gebouw nog korter, maar het heeft al honderdtwintig onderzoekers aangetrokken uit de hele wereld, van Zwitserland tot China, op zulke uiteenlopende vakgebieden als pulmonologie en scheikunde.

    Met financiële steun van de Japanse overheid en andere geldschieters heeft directeur Masashi Yanagisawa aan de universiteit van Tsukuba dit instituut opgericht, waar fundamenteel onderzoek wordt verricht naar de biologische rol van slaap – en dus niet alleen (zoals gebruikelijk is) naar de oorzaken van en mogelijke remedies voor de slaapstoornissen van mensen. In dit gebouw vol glimmende apparaten, stille kamertjes waar muizen liggen te slapen en een reeks lichte, open werkruimten rond een centrale wenteltrap, wordt een enorme hoeveelheid middelen ingezet voor het beantwoorden van de vraag waarom levende wezens eigenlijk slapen.

    Ontzag en frustratie

    Stel wetenschappers die vraag en al snel kruipt er iets van ontzag en frustratie in hun stem. Het is eigenlijk verbazingwekkend dat het verschijnsel slaap zo universeel is: dat talloze miljoenen levende wezens die een felle en soms bloedige strijd voor hun bestaan voeren, die al eeuwenlang vluchten en vechten op leven en dood, zich toch geregeld overgeven aan langere perioden van bewusteloosheid. Het lijkt weinig bevorderlijk voor de overlevingskansen. Maar ‘al is het nog zo vreemd, toch is het zo’, zegt Tarja Porkka-Heiskanen, een toonaangevend slaapbioloog van de universiteit van Helsinki. En als die riskante gewoonte zo wijdverbreid en zo hardnekkig is, moet er in die slaap wel iets heel belangrijks gebeuren. Wat slaap de slaper geeft, is het blijkbaar waard om steeds weer je leven voor op het spel te zetten – je hele leven lang.

    Het precieze nut van slapen is nog steeds een mysterie, en eentje dat veel biologen niet loslaat. Als een groep wetenschappers van het instituut op een regenachtige avond bij elkaar zit in een eetcafé, duurt het maar een half uur voordat het gesprek weer over slaap gaat. Zelfs een simpel organisme als een kwal moet slaap inhalen als het langere tijd wakker is gehouden, merkt een van hen verbaasd op, verwijzend naar een nieuwe studie waarin kwallen met waterstraaltjes werden bestookt om ze uit hun slaap te houden. En dat onderzoek met duiven dan, vraagt een ander, heb je dat gelezen? Het is fascinerend, daar zijn ze het over eens. De tempura staat op tafel koud te worden, ze gaan hier zo in op dat ze vergeten te eten.


    Vooral die behoefte om verloren slaap in te halen, die je niet alleen bij mensen en kwallen maar overal in het dierenrijk vindt, is een van de aanknopingspunten voor onderzoekers om greep te krijgen op de grotere vraag van de functie van slaap. Om te begrijpen wat slaap ons oplevert, denken ze, moeten we erachter komen waardoor de behoefte aan slaap ontstaat. ‘Slaapdruk’ noemen biologen dat: door laat op te blijven, bouw je slaapdruk op. Voel je je ’s avonds slaperig? Natuurlijk: door wakker te blijven, heb je de hele dag slaapdruk opgebouwd! Maar net als ‘zwarte materie’ is slaapdruk een naam voor iets wat we nog niet begrijpen. Hoe meer je erover nadenkt, hoe meer het gaat klinken als een raadseltje: wat bouw je op zolang je wakker bent en verlies je weer terwijl je slaapt? Werkt het als een aftelklokje? Is het een molecuul die zich in de loop van de dag ophoopt en moet worden weggespoeld? Wat is die metaforische lei waarop ergens in je bovenkamer de uren worden bijgeschreven, om elke nacht weer te worden schoongeveegd? Of zoals Yanagisawa zich in zijn sobere en zonnige werkkamer afvraagt: ‘Wat is de fysieke grondslag van slaperigheid?’

    Het eerste onderzoek naar slaapdruk dateert al van meer dan een eeuw geleden. In een beroemd experiment werden honden door een Franse wetenschapper tien dagen van hun slaap beroofd. Vervolgens tapte hij hersenvocht bij die honden af en injecteerde dat in de hersenen van gezonde, goed uitgeruste honden. Die vielen daarop prompt in slaap. In het hersenvocht van de wakker gehouden honden bevond zich dus een stofje dat de uitgeslapen honden meteen onder zeil bracht. Het begin van een zoektocht naar dat mysterieuze ingrediënt – het zand van Klaas Vaak, de lichtknop in ons hoofd. Die ‘hypnotoxine’, zoals de Franse onderzoeker het noemde, zou immers verklaren waarom een dier in slaap sukkelt.

    Wat slapen hamsters oplevert, krijgen ze niet uit hun normale winterslaapstand. Dan zijn bijna al hun lichaamsfuncties sterk vertraagd, maar bouwen ze toch nog slaapdruk op

    Andere wetenschappers begonnen in de eerste helft van de vorige eeuw elektroden op mensenschedels te plakken om de activiteit van hersenen in slapende toestand te meten. Met behulp van elektro-encefalografie (eeg) ontdekten ze dat de hersenen tijdens de slaap niet worden uitgeschakeld, maar een regelmatig activiteitenpatroon vertonen. Zodra je de ogen sluit en zwaarder gaat ademhalen, verandert het nerveuze op-en-neer gekras van de eeg in de merkwaardig zacht glooiende golven van je eerste slaap. Na zo’n 35 tot 40 minuten is je stofwisseling vertraagd, je ademhaling gelijkmatig en je slaap heel diep. En weer wat later lijkt het alsof in je hersenen een schakelaar wordt omgegooid en gaat het lijntje sneller op en neer: dat is de fase van de rapid eye movement of remslaap, waarin je droomt. (Een van de eerste wetenschappers die dit onderzocht, merkte dat hij aan de hand van de oogbewegingen kon voorspellen wanneer een baby wakker wordt – een kunstje waarmee hij moeders imponeerde.) Bij ons mensen blijft die cyclus zich steeds herhalen, tot we op een gegeven moment na een remslaap wakker worden, ons hoofd nog vol vliegende vissen en liedjes waarvan ons de melodie alweer ontschoten is.

    Slaapdruk heeft invloed op het patroon van die hersengolven. Hoe groter het slaaptekort van een proefpersoon, hoe groter de golven van de slaapfase die aan de remslaap voorafgaat. Die wetmatigheid is vastgesteld bij alle dieren die ooit met elektroden zijn uitgerust om de gevolgen van slaaptekort te meten, waaronder vogels, zeehonden, katten, hamsters en dolfijnen. En wil je meer bewijs dat slaap, met dat typische faseverloop en die neiging om ons hoofd met onzinnige dromen te vullen, meer is dan een staat van passiviteit en energiebesparing? Neem dan de goudhamster: die blijkt soms heel even uit zijn winterslaap te komen… om een dutje te doen. Wat het slapen die hamsters oplevert, krijgen ze dus niet uit hun normale winterslaapstand.
    Dan zijn bijna al hun lichaamsfuncties sterk vertraagd, maar bouwen ze toch nog slaapdruk op.

    ‘Ik vraag me af wat er aan deze hersenactiviteit zo belangrijk is,’ zegt Kasper Vogt, een van de wetenschappers in het nieuwe slaapinstituut. Hij wijst naar een scherm vol data over de activiteit van zenuwcellen bij slapende muizen. ‘Wat is er zo belangrijk dat je met eten en voortplanten stopt en riskeert om zelf opgegeten te worden… enkel om te kunnen slapen?’


    De jacht op de hypnotoxine is niet zonder succes gebleven. Van een handvol stofjes is duidelijk aangetoond dat ze slaap opwekken, zoals het molecuul adenosine, dat zich in bepaalde delen van rattenhersenen lijkt op te hopen zolang ze wakker zijn, om eruit weg te sijpelen tijdens hun slaap. Adenosine is vooral interessant omdat adenosinereceptoren ook gevoelig lijken te zijn voor cafeïne. Als zich cafeïne aan die receptoren hecht, kan er geen adenosine meer bij, wat de slaapwerende werking van koffie mede verklaart. Maar het onderzoek naar hypnotoxines kan nog niet verklaren hoe het lichaam de slaapdruk bijhoudt. Als het bijvoorbeeld adenosine is waardoor we onder zeil gaan, waar komt dat stofje dan vandaan?

    ‘Niemand die het weet,’ zegt Michael Lazarus, die hier onderzoek naar doet. Volgens sommigen komt het uit zenuwcellen, volgens anderen uit een andere klasse hersencellen. Men is het er nog niet over eens. Wat in ieder geval wel vaststaat, zegt Yanagisawa: ‘Met opslag heeft het niets te maken.’ Met andere woorden, deze stoffen lijken geen informatie over de slaapdruk op te slaan. Ze zijn er gewoon een reactie op.

    Herinneringen opruimen

    Slaapverwekkende stoffen kunnen ook een gevolg zijn van de aanleg van nieuwe synapsen, verbindingen tussen zenuwcellen. Aangezien onze hersenen zich in wakende toestand vooral bezighouden met het aanleggen van die verbindingen, opperen Chiara Cirelli en Giulio Tononi van de University of Wisconsin, zijn ze tijdens onze slaap misschien bezig om de onbelangrijke te verwijderen, om herinneringen en beelden te schrappen die niet in het grote geheel passen of die we niet nodig hebben om de wereld te begrijpen. ‘Slaap is misschien een gezonde manier om herinneringen op te ruimen,’ speculeert Tononi. Een andere groep onderzoekers heeft een eiwit ontdekt dat zelden gebruikte synapsen binnendringt en vernietigt – en dat kan onder meer als het adenosineniveau hoog is. Misschien vindt die opruiming dus tijdens de slaap plaats.

    Er is nog steeds veel onduidelijk over hoe dat dan in zijn werk gaat, en wetenschappers onderzoeken ook nog tal van andere mogelijkheden om het raadsel van slaap en slaapdruk te ontrafelen. Zo leidt Yu Hayashi op het Tsukuba-instituut een onderzoeksgroep die een specifieke groep hersencellen bij muizen uitschakelt, met soms verrassende gevolgen. Als je muizen gericht van hun remslaap berooft door ze steeds wakker te schudden (vergelijkbaar met de ervaring van ouders die steeds gewekt worden door hun huilende baby), bouwen ze een ernstige remslaapdruk op, die ze moeten inhalen in hun volgende slaapcyclus. Maar muizen waarbij deze specifieke groep cellen is uitgeschakeld, kunnen hun remslaap overslaan zonder die later te hoeven inhalen. Of ze daar verder geen schade van ondervinden is weer een andere vraag – het team onderzoekt nu hoe de remslaap hun cognitieve vaardigheden beïnvloedt. Maar dit experiment wekt in ieder geval de suggestie dat die specifieke cellen, of een of ander circuit waarvan ze deel uitmaken, de slaapdruk bijhouden voor dat deel van de slaap waarin we dromen.

    Toen hij en zijn collega’s de neurotransmitter orexine hadden ontdekt, merkten ze dat muizen zonder orexine steeds omvielen, en dat dat kwam doordat ze spontaan in slaap vielen

    Yanagisawa heeft zelf altijd een voorliefde gehad voor grootschalige projecten, zoals het inventariseren van de functie van duizenden eiwitten en receptoren. Het was zo’n project waardoor hij een jaar of twintig geleden in het slaaponderzoek verzeild raakte. Toen hij en zijn collega’s de neurotransmitter orexine hadden ontdekt, merkten ze dat muizen zonder orexine steeds omvielen, en dat dat kwam doordat ze spontaan in slaap vielen. Orexine bleek de neurotransmitter te zijn die mensen met narcolepsie niet meer kunnen aanmaken. Dat inzicht gaf een enorme stimulans aan het onderzoek naar de diepere oorzaken van die aandoening. Op het instituut in Tsukuba zoekt een groep chemici in samenwerking met een farmaceutisch bedrijf nu naar een middel dat de werking van orexine kan nabootsen en dus als geneesmiddel kan dienen.

    Tegenwoordig is Yanagisawa met een groot team bezig alle genen in kaart te brengen die bij slaap een rol spelen. Daarvoor stellen ze muizen bloot aan een stof die genmutaties veroorzaakt, voorzien die muizen van eeg-elektroden, laten ze in een nestje van houtkrullen toegeven aan hun slaapdruk en meten dan hun hersengolven. Zo hebben ze nu al meer dan achtduizend slapende muizen geobserveerd. Van elke muis die vreemd slaapgedrag vertoont – vaak wakker worden of juist veel te lang slapen – wordt het genoom onder de loep gelegd. Als ze een mutatie vinden die de oorzaak van de afwijking kan zijn, proberen ze meer muizen met die mutatie te krijgen, om vervolgens te onderzoeken waarom juist die mutatie het slaapgedrag verstoort.

    Tal van onderzoekers passen deze werkwijze al jarenlang met succes toe bij organismen zoals fruitvliegjes. Maar het voordeel van muizen, die veel duurder zijn om te houden dan fruitvliegjes, is dat je er net als bij mensen een eeg van kunt maken.

    Zo stuitten ze enkele jaren geleden op een muis die maar niet van zijn slaapdruk af leek te komen. Volgens zijn eeg’s verkeerde hij constant in een staat van slaapzucht en uitputting, en muizen met dezelfde genmutatie vertoonden dezelfde symptomen. ‘Die gemuteerde muis heeft meer trage slaapgolven dan normaal, hij heeft continu slaapgebrek,’ zegt Yanagisawa. Het betrof een mutatie in het gen SIK3. In 2016 hebben de wetenschappers hun bevindingen over dit SIK3-gen en over een andere mutatie in Nature gepubliceerd. ‘We zijn er zelf al van overtuigd dat SIK3 een van de cruciale factoren is,’ zegt Yanagisawa.

    En terwijl wetenschappers hun weg zoeken in de mysterieuze duisternis van onze slaap, wordt hun pad bijgelicht door de zoeklampen van al die verschillende ontdekkingen. Hoe die zich allemaal tot elkaar verhouden en een groter geheel vormen, is nog onduidelijk. De onderzoekers houden goede hoop dat ze er klaarheid in kunnen brengen. Misschien niet meteen volgend jaar of het jaar daarna, maar toch sneller dan je zou denken. En boven in het International Institute for Integrative Sleep Medicine staan lange rijen plastic bakken waarin muizen slapen of rondscharrelen. In hun hersenen, evenals in de onze, ligt het geheim besloten.

    Auteur: Veronique Greenwood
    Vertaler: Frank Lekens

    Openingsbeeld: © Getty Images

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.