De Bijbel is al het meest vertaalde boek ooit – hij is volledig beschikbaar in meer dan 750 talen – maar christenen zouden hem graag naar alle ongeveer 7000 levende talen vertaald zien. Om dat te bereiken, zetten ze een nieuw instrument in: AI. Dat schrijft The Economist.
De Bijbel vertalen is een moeizaam en tijdrovend proces. In 1999 schatte zendingsorganisatie Wycliffe dat het 150 jaar zou duren om een vertaalproject in elke resterende taal te starten. Hun model vereiste dat missionarissen naar het buitenland gingen, een taal leerden en de Bijbel daarin vertaalden – een proces dat tientallen jaren zou duren.
AI kan de zaken aanzienlijk versnellen. Volgens sommige schattingen zou het twee jaar duren om met behulp van een LLM een gepolijste vertaling van het Nieuwe Testament te produceren en zes jaar om hetzelfde te doen met het Oude Testament. Zendingsorganisaties streven er nu naar om tegen 2033 ten minste een deel van de Bijbel in elke taal vertaald te hebben.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Toch blijken sommige talen voor AI moeilijk te vertalen, omdat ChatGPT nog nooit teksten in die taal heeft gezien. Soms moeten vertalers zelf input aanleveren, bijvoorbeeld door delen van de Bijbel met de hand te vertalen. Verder is creatieve vrijheid noodzakelijk, aangezien AI moeite heeft met namen, abstracte concepten en metaforen en geen verstand heeft van cultuurverschillen.
Sommige christenen hebben twijfels over het gebruik van AI: ze vrezen dat het de rol van de Heilige Geest zou kunnen vervangen in wat een heilige taak zou moeten zijn. Anderen stellen dat het vertaalproces nog steeds veel taalkundige en tekstuele taken vereist die allemaal door mensen worden uitgevoerd.
Op de veiling werd de Codex Sassoon het duurste boek ooit
Bij een veiling in New York, georganiseerd door veilinghuis Sotheby’s, is de oudste joodse bijbel ooit voor een bedrag van ruim 35 miljoen euro onder de hamer gegaan. Dat meldt The New York Times.De zogeheten Codex Sassoon is daardoor het duurste boek aller tijden geworden en het duurste joodse religieuze voorwerp ooit verkocht.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het manuscript van 792 pagina’s is rond het jaar 900 geschreven in wat we vandaag Israël noemen, door een onbekende schrijver. Hij gebruikte ruim tweehonderd schapenhuiden om de vierentwintig boeken van de Torah, de Neviim en de Ketoevim te kopiëren, de joodse geschriften die samen de Hebreeuwse Bijbel, oftewel de Tenach vormen. De geschriften werden samengebonden, waardoor de levensduur van het boek werd verlengd.
Voorafgaand aan de veiling ging men ervan uit dat de bijbel tot 46 miljoen euro zou kunnen opbrengen. Het record voor een historisch document ligt op bijna 40 miljoen euro, dat twee jaar geleden werd neergelegd voor een exemplaar van de originele Amerikaanse grondwet. Een vereniging verbonden aan een museum in Tel Aviv is de koper van de eeuwenoude bijbel.
Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.
Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’
En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.
Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.
Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.
U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en de plek iets nader bepalen?
‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].
Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’
De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.
Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’
Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?
‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’
Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’
*Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen met de hele samenleving waarin hij leefde? *
‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’
Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van cultuur.”
Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’
Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?
‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.
Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.
Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.
Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’
Wie waren uw leerlingen?
‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’
Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’
Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en een kameel van anderhalf jaar.’
Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’
Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee [In Exodus 15].
‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.
In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’
En wat was uw conclusie?
‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.
Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’
Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.
‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’
Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’
En wat hebt u ontdekt?
‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’
Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.
Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.
Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’
Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?
‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’
Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.
Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’
Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.
Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’
Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’
‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’
Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.
Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.
Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.
Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.
Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?
Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.
Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?
Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.
Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.
Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.
Zou u dat geluk een religieus gevoel willen noemen?
Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.
U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?
Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.
U bent gelovig uit hedonisme.
Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?
Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net als aan de mis.
Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?
En tot welke conclusie kwam u?
Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.
In het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten kijken
Omdat we zien dat we deel uitmaken van een groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, anderen zoeken dat in de wetenschap.
Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.
Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent geworden.
Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.
U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?
Waarom zou dat moeten?
Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.
Een metafoor. Hopelijk.
Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?
U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. Het een brengt het ander met zich mee.
Soms.
In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.
In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.
Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.
Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?
Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.
Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?
Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren dat de wereld groter is dan onze drie tenten.
Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.
Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel weinig wetenschappers die religieus zijn.
Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken schrikken wetenschappers ervoor terug om over religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.
Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.
Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.
Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.
Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.
Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.
We moesten astronomie bedrijven om daarachter te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.
Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?
Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische kennis zich uit.
Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.
Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde men de aanwezigheid van monsters op de onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.
Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.
De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.
Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven
In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?
Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.
Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.
Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.
En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.
Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.
Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?
Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.
Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en handelend optreedt?
Ja.
Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.
Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.
Dan moeten we maar eens een wonder tegen het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?
Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.
Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?
De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.
Hebt u een verklaring voor het fenomeen?
Natuurlijk niet.
En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?
Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik verder over God weet. Het perpetuum mobile daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over machines weet.
Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.
Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of het model niet.
Welke data?
De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.
Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.
Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.
Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.
Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.
Twijfelt u wel eens aan uw geloof?
Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.
Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.
Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.
Tolerant en liberaal met grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.