Tag: biodiversiteit

  • Stop met het redden van (alleen) schattige bedreigde diersoorten

    Stop met het redden van (alleen) schattige bedreigde diersoorten

    Een miljoen soorten worden bedreigd, maar slechts een handjevol krijgt alle aandacht. Het is tijd voor een nieuwe beschermingsstrategie.

    De biodiversiteitscrisis is een cijfermatig probleem. Maar in tegenstelling tot de meeste rekenkundige problemen zet dit je op een dwaalspoor als je vasthoudt aan exacte getallen. Misschien wel een miljoen soorten worden bedreigd met uitsterven. Als je uitgaat van soorten die wetenschappers specifiek aanmerken als bedreigd, zijn het er 42.100. Maar geen van beide getallen is accuraat. In ieder geval zijn we het erover eens dat de mate van uitsterven duizend keer zo groot is als historische gemiddelden. Of is het honderd keer zo groot?

    Uiteindelijk gaat het hierom: welke aantallen je ook in de berekening stopt, de uitkomst blijft hetzelfde. De planeet is er slecht aan toe. Er zijn veel meer soorten die dreigen uit te sterven dan we realistisch gezien kunnen redden. We bevinden ons in een noodsituatie, en in noodsituaties is triage van slachtoffers noodzakelijk.

    De solenodon is een van de weinige giftige zoogdieren die vandaag de dag bestaan

    De kern van natuurbehoud is kiezen welke soorten moeten worden beschermd en welke we aan hun lot overlaten, maar we praten onvoldoende over hoe deze beslissingen worden genomen. Kiezen we soorten die van cultureel belang zijn, zoals de zeearend? Of moeten we ons richten op planten die bruikbaar zijn voor medicijnen? Hoe zit het met soorten die een cruciale rol spelen binnen hun ecosysteem? Of met soorten die het meest bedreigd worden? En dan zijn er natuurlijk nog de dieren die onze aandacht trekken omdat ze schattig of charismatisch zijn, of – in het geval van stokstaartjes – het vrolijke, antropomorfe gezicht vormen van een langlopende Britse reclamecampagne voor autoverzekeringen.

    Er is ook een andere manier van denken over dieren die zou ons kunnen helpen bij de beslissing welke soorten we moeten beschermen. Rikki Gumbs, natuurbeschermer bij de Zoological Society of London, vindt dat we ons meer moeten richten op soorten die evolutionair onderscheidend zijn én bedreigd worden. Die visie brengt ons bij allerlei vreemde en wonderlijke wezens. Neem bijvoorbeeld de solenodon. Dit dier, dat wel iets wegheeft van een spitsmuis, is een van de weinige giftige zoogdieren die vandaag de dag bestaan. Ongeveer 76 miljoen jaar geleden begonnen de twee levende soorten solenodons af te wijken van andere zoogdieren; daarmee rust er een forse evolutionaire geschiedenis op hun kleine, harige schoudertjes.

    EDGE

    Gelukkig beschikken wetenschappers over een manier om te meten hoe uniek en bedreigd bepaalde soorten zijn. In 2007 bedachten natuurbeschermers een methode genaamd EDGE; dat staat voor evolutionarily distinct and globally endangered [evolutionair onderscheidend en wereldwijd bedreigd]. De methode werd ontwikkeld om prioriteit te geven aan het behoud van soorten die een groot deel van de evolutionaire geschiedenis vertegenwoordigen. Om een hoge EDGE-score te behalen moet een soort evolutionair onderscheidend zijn, zeer weinig nabije voorouders hebben die nog leven en sterk bedreigd zijn.

    Gumbs noemt die soorten ‘vreemd en wonderlijk’. Ze zijn zo lang geleden afgeweken van hun voorouders en hebben zo weinig levende verwanten dat ze ongewoon op ons overkomen. Dergelijke soorten verkeren, om met Gumbs te spreken, ‘on the edge’, oftewel: op het randje. Een ander dier in die categorie is de Xenotyphlops grandidieri, de blinde slang van Madagaskar, een felroze reptiel dat zich ingraaft en dat ongeveer 65 miljoen jaar geleden begon af te wijken van zijn naaste levende verwant.

    In 2017 riep Gumbs een groep zoölogen bijeen om de EDGE-methode te actualiseren. Inmiddels hebben biologen namelijk een veel beter beeld van de verwantschap tussen de verschillende diersoorten en van hoe bedreigd soorten zijn. Bovendien zocht Gumbs naar een manier om met EDGE-scores soorten te kunnen rangschikken waarvan het behoud onbekend is – en dat is het geval voor de overgrote meerderheid van de dieren op aarde. Na een hoop discussie en na medische omstandigheden die Gumbs ruim een jaar buitenspel zetten, was het vernieuwde EDGE-systeem vorig jaar klaar. De nieuwe meetmethode, EDGE2 genaamd, werd op 28 februari 2023 gepubliceerd in het tijdschrift PLOS Biology.

    ‘Er zijn veel soorten die over het hoofd worden gezien’

    ‘Er zijn veel soorten die over het hoofd worden gezien. Maar als je ze leert kennen, zijn ze net zo charismatisch en net zo mooi als de soorten die we kennen,’ zegt Gumbs. Volgens de EDGE2-methode zou de bergdwergbuidelmuis van alle zoogdieren onze hoogste prioriteit moeten hebben. Dit buideldiertje komt in het wild voor op een paar vierkante kilometer in de Victorian Alps in Australië. Van de zoogdieren waarvoor we geen goede data hebben over het behoud van de soort, bevindt de Hylomys megalotis, een haaregel die vooral in Laos voorkomt en verwant is aan de egel, zich het meest in de gevarenzone. Er zijn EDGE-ranglijsten gemaakt voor amfibieën, vogels, koralen, reptielen, haaien en roggen, en voor gymnospermen, een groep planten waar naaldbomen en cicaden onder vallen.

    Het kijken naar dieren op basis van hun evolutionaire eigenheid slaat aan. De EDGE-score is een van de indicatoren die zijn geselecteerd voor het Post-2020 Global Biodiversity Framework, een belangrijk verdrag over biodiversiteit dat in december 2022 door de VN werd aangenomen. De International Union for the Conservation of Nature, de organisatie die de rode lijst met bedreigde soorten opstelt, heeft ook een taakgroep fylogenetische diversiteit, waarvan Gumbs plaatsvervangend voorzitter is. In plaats van te concentreren op enkele soorten, zegt Gumbs, is er groeiende aandacht voor de bescherming van complete ecosystemen die veel evolutionair verschillende planten en dieren in stand houden.

    Focus

    Natuurlijk is evolutionaire eigenheid slechts één manier om te kijken naar prioriteiten voor natuurbehoud. Organisaties die beslissen welke projecten gefinancierd moeten worden, welke gebieden beschermd moeten worden en op welke soorten de focus moet liggen, bekijken doorgaans een groot aantal factoren alvorens grote beslissingen te nemen. Maar de EDGE2-methode raakt aan iets interessants, zegt Rafael Molina Venegas, hoogleraar biodiversiteit van planten aan de Autonome Universiteit van Madrid. Als je alle soorten beschouwt als unieke boeken, dan zijn soorten met evolutionaire eigenheid zeer oude, unieke boekwerken waarvan slechts een handvol exemplaren bestaat. Verlies je deze zeldzame soorten, dan verdwijnt er voorgoed een schat aan evolutionaire geschiedenis van de wereld.

    En er is nog een reden om aandacht te schenken aan evolutionaire bijzonderheden. Uit het werk van Molina Venegas blijkt dat als we plantensoorten kiezen op basis van hun evolutionaire uniciteit, we uiteindelijk meer plantensoorten beschermen die nuttig zijn voor de mens dan als we een willekeurige aanpak kiezen. Met andere woorden, focussen op uniciteit is een praktische manier om na te denken over welke soorten beschermd moeten worden.

    ‘We leven in een wereld waarin soorten moeten vechten tegen de roofzuchtige expansie van de mensheid’

    Eén manier om naar de EDGE-methode te kijken is om je een armageddon voor te stellen. Een losgeslagen asteroïde staat op het punt de aarde te vernietigen. Gelukkig hebben wetenschappers elders in het heelal een aarde-achtige planeet gevonden die nog helemaal leeg is. Het enige wat we hoeven te doen, is beslissen welke soorten we in ons ruimteschip mee willen nemen naar de nieuwe planeet. Evolutionaire eigenheid is daarbij geen slecht uitgangspunt, zegt Molina Venegas. Op die manier neem je een breed scala aan schepsels mee, waarvan elk een unieke functie heeft op de nieuwe planeet. ‘De hoop is dan dat ze elkaar zullen aanvullen in het nieuwe ecosysteem dat daar zal moeten groeien,’ zegt hij.

    In veel opzichten zorgt de mens voor een armageddon in slow motion, als het gaat om de biodiversiteit op aarde. We hoeven het ruimteschip nog niet klaar te zetten, maar we moeten wel goed nadenken over de middelen om het verlies van onvervangbare soorten te stoppen. We beschikken over instrumenten zoals wetenschappelijk onderzoek, genenbanken en natuurreservaten. Maar ook de manier waarop we naar biodiversiteit kijken is een cruciaal instrument. Iedereen wil dieren redden, maar we leven in een wereld waarin soorten moeten vechten om de beperkte middelen voor natuurbehoud, en tegen de roofzuchtige expansie van de mensheid.

    We moeten moeilijke beslissingen nemen over welke soorten we willen beschermen, anders klopt het cijfermatig gewoon niet meer.

  • Deze vrouwen redden het regenwoud van Kerala

    Deze vrouwen redden het regenwoud van Kerala

    In een van de rijkste biodiversiteitshotspots ter wereld heeft een volledig vrouwelijk team een ​​stuk bos omgetoverd tot een toevluchtsoord voor orchideeën, varens, vet- en vleesetende planten.

    De hevige regenbui van de afgelopen nacht heeft verschillende grote bomen in het bos omvergewaaid en overal liggen afgebroken takken. Terwijl ze tussen de omgevallen bomen door loopt ziet Laly Joseph een orchidee aan een van de afgebroken takken hangen. Ze pakt hem voorzichtig op en verplaatst hem naar een overeind staande boom.

    Bij het Gurukula Botanical Sanctuary, waar Joseph (56) hoofd plantenbescherming en de meest ervaren ‘regenwoudtuinier’ is, wordt elke plant als kostbaar beschouwd en streeft een volledig vrouwelijk team ernaar alles wat er groeit te laten overleven in een steeds harder klimaat.

    Toevluchtsoord

    Het privéreservaat ligt aan de rand van het Periyar-bosreservaat in het noorden van Kerala (India) en is in collectief bezit. Het werd in 1981 opgericht door Wolfgang Theuerkauf, een Duitser uit Berlijn die later Indiaas staatsburger werd.

    Theuerkauf, een autodidactisch natuurbeschermer, wilde de 3 hectare aan oerwoud beschermen die een goeroe bij een spirituele instelling hem had toegewezen. Hij begon zeldzame en endemische planten uit aangrenzende gebieden te verzamelen die werden gekapt om plaats te maken voor landbouw en plantages.

    Meer dan veertig jaar later is het reservaat uitgegroeid tot 32 hectare en is het een toevluchtsoord geworden voor meer dan tweeduizend inheemse plantensoorten uit Zuid-India en met name uit de West-Ghats, een bergketen die door Unesco is erkend als een van de acht rijkste gebieden ter wereld wat betreft biodiversiteit.

    Het ecosysteem wordt voortdurend ernstig bedreigd door verstedelijking, industrie, mijnbouw en ontbossing

    Theuerkauf overleed in 2014, maar hij trainde en begeleidde een aantal vrouwen die nu beheerder zijn van het reservaat en van de duizenden planten die er staan. De planten in de kwekerij en de tuin worden momenteel verzorgd door een team van twintig vrouwen, voornamelijk uit de omgeving.

    Velen werken er al tientallen jaren, waaronder Joseph, die 37 jaar geleden begon, op haar negentiende. ‘Na school volgde ik een opleiding tot röntgenlaborant, maar ik wilde snel een baan en kwam bij het reservaat terecht omdat ik graag met planten werk,’ vertelt ze.

    De West-Ghats strekt zich uit over 1600 kilometer en herbergt niet alleen een hoog percentage aan soorten maar ook een grote verscheidenheid aan habitats, van tropische wouden tot bergachtige graslanden. Het ecosysteem wordt echter voortdurend ernstig bedreigd door verstedelijking, industrie, mijnbouw en ontbossing.

    Honderden soorten

    Hoewel Gurukula slechts een onderdeel is van de bergketen, vormt deze kleine enclave een toevluchtsoord voor maar liefst 40 procent van alle plantensoorten die in de gehele West-Ghats voorkomen.

    De kwekerij en de tuin worden omringd door enorme bomen. Onder het dichte bladerdak bevinden zich kassen en open ruimtes waar honderden soorten orchideeën, varens, vetplanten, vleesetende planten en andere variëteiten groeien.

    Hier gedijen zeldzame en endemische soorten, zoals Impatiens jerdoniae, die met uitsterven worden bedreigd of snel uitsterven in het wild. Volgens Joseph leven er meer dan 260 soorten varens in Zuid-India, waarvan meer dan 200 in het reservaat worden gekweekt. Ook zijn 110 van de 140 soorten Impatiens – een geslacht van meer dan duizend bloeiende planten – die in Zuid-India voorkomen, in het reservaat aanwezig.

    Hoewel er wereldwijd veel kwekerijen voor landbouwzaden bestaan, zijn kwekerijen voor wilde en inheemse planten zeldzaam. Veel plantensoorten sterven stilletjes uit. Dat maakt Gurukula een ware ark van Noach voor bedreigde plantensoorten.

    Door geduldig planten te observeren heeft het team de geheimen van het regenwoud leren doorgronden

    Evenmin als Theuerkauf hebben Joseph en veel van de andere vrouwen die in het reservaat werken een officiële opleiding in botanie of natuurbehoud. Maar inmiddels zijn er drie soorten naar Theuerkauf vernoemd vanwege zijn bijdragen aan de plantenbescherming, en is Joseph medeauteur van minstens zeven wetenschappelijke artikelen over nieuwe soorten.

    De meeste vrouwen hebben niet meer onderwijs genoten dan de middelbare school (vijftien-zestien jaar), maar door geduldig planten te observeren en te proberen hun natuurlijke omstandigheden na te bootsen heeft het team de geheimen van het regenwoud leren doorgronden en een eigen manier van tuinieren ontwikkeld.

    Ze sommen de wetenschappelijke namen op van de planten die ze beschermen en vertellen trots dat zelfs de reuzenaronskelk er heeft gebloeid – de gigantische ‘lijkenbloem’ die bestuivers aantrekt met de geur van rottend vlees.

    Ook hebben ze hun eigen teeltmethoden ontwikkeld. ‘Ze zeggen vaak dat fijne compost goed is voor planten, maar wij merkten dat dat bij ons niet zo was. Grovere compost werkte beter, dus maken we onze eigen compost door gedroogde en groene bladeren te verzamelen, die vervolgens te drogen en te steriliseren door verhitting waarna we ze door een zeef halen,’ vertelt Joseph.

    ‘Ik wil hier niet meer weg; het is hier heel vredig’

    Sheena Mol PS is een senior tuinier die zich twintig jaar geleden, op haar vijftiende, bij het reservaat aansloot. Ze is al vroeg in haar huwelijk weduwe geworden en zorgt voor haar twee kinderen en moeder. ‘Dit is mijn eerste baan en ik vind het hier erg leuk,’ zegt ze, terwijl ze de knollen van de Habenaria-orchideeën schoonmaakt alvorens ze te verpotten. ‘Ik wilde hier al heel lang werken.’

    Voordat ze zich tien jaar geleden bij het reservaat aansloot, werkte de 43-jarige Lakshmi PC op een koffieplantage waar ze slechts 1 roepie [ongeveer 1 eurocent] verdiende voor elke kilo bonen die ze plukte. In het reservaat is ze verantwoordelijk voor meer dan honderd soorten van de geslachten Arisaema en Sonerila. ‘Ik wil hier niet meer weg; het is hier heel vredig,’ zegt ze.

    Hoewel plantenbescherming de hoeksteen is van het werk in het Gurukula-reservaat, zijn ook habitatherstel en natuureducatie twee belangrijke pijlers, legt Suprabha Seshan (58) uit. Ze kwam in 1991 bij Gurukula werken en houdt nu toezicht op het herstel van het regenwoud.

    Verrijking

    Ze legt uit dat het werk van de regenwoudtuiniers direct bijdraagt aan de verrijking en het herstel van aangetaste landschappen rondom het reservaat, doordat het helpt een regenwoudecosysteem op te bouwen.

    ‘Bossen bestaan niet alleen uit bomen,’ zegt Seshan. ‘In het regenwoud vind je een levende biomassa vol mieren, termieten, spinnen en mossen die de bomen bedekken, samen met nog duizenden andere soorten. In de West-Ghats alleen al groeien vijf- tot zesduizend soorten bloeiende planten en daarnaast nog duizenden schimmelsoorten, honderden zoogdieren en nog veel meer.’

    ‘Dit alles samen vormt het bos,’ besluit ze.

    In de afgelopen decennia heeft het reservaat aangrenzend regenwoudgrond aangekocht, waaronder thee- en koffieplantages en ander landbouwgebied om het opnieuw te laten verwilderen en zichzelf te laten herstellen. Omdat het aan de rand van het beschermde woud ligt, verspreiden bomen zich er vanzelf en kan het bos met weinig directe hulp weer tot leven komen.

    ‘We geven de natuur haar eigen vermogen terug om zichzelf te herstellen, en ondersteunen bepaalde soorten om dat vermogen te benutten. Wij doen een deel van het werk, maar de natuur doet het meeste. We kappen en ruimen hier en daar wat op, maar we laten de natuur vooral zelf haar gang gaan,’ zegt Seshan.

    ‘We kunnen niet alles beschermen, maar we doen zo veel als we kunnen’

    ‘Dat vermogen van de natuur moeten we respecteren. We weten uit eerdere uitstervingsgolven hoezeer ze kan worden vernietigd. Maar ze kan ook weer terugkomen. Daarvoor moeten we wel de vernietigingsprocessen stoppen. In de moderne industriële wereld gebeurt dat niet – integendeel, de processen worden versneld.’ 

    Buiten de grenzen van het reservaat hebben ze geen zeggenschap, maar in dit stille biodiversiteitsgebied kiezen de vrouwen bewust voor de lange, zekere weg naar herstel van een complex regenwoud – in een tijd waarin bomen planten vaak louter wordt gepresenteerd als een snelle oplossing voor klimaatverandering en ontbossing.

    ‘Doordat het klimaat verandert en de bossen verdwijnen, dreigen we deze planten te blijven verliezen. We kunnen niet alles beschermen, maar we doen zo veel als we kunnen,’ zegt Joseph.

  • Deze Weense begraafplaats is een hotspot voor biodiversiteit

    Deze Weense begraafplaats is een hotspot voor biodiversiteit

    Terwijl de stad steeds minder ruimte laat voor natuur, vinden honderden dier- en plantensoorten hun toevlucht op de op één na grootste begraafplaats van Wenen.

    Enkelen van de groten der aarde liggen hier: Beethoven, Schubert, Brahms. Net als Hedy Lamarr, de pin-up uit Hollywood die uitvinder werd, en het Australische rockicoon Falco. Dit is hun laatste rustplaats.

    Toch ziet wie in de vroege ochtenduren stilletjes over de Zentralfriedhof loopt, de Algemene Begraafplaats van Wenen, misschien iets bewegen tussen de verweerde grafstenen. Geen geesten, maar springlevende Europese hamsters met bolle wangetjes. 

    Deze aandoenlijke zoogdiertjes wonen in het Park der Ruhe und Kraf, een speciale afdeling aan de noordkant van de begraafplaats. Smalle paadjes op de grond verraden waar ze zich de laatste tijd hebben voortbewogen. Waar ze eerst nog als een plaag werden beschouwd, zijn de hamsters nu een ernstig bedreigde diersoort in Europa. Door urbanisatie en grootschalige landbouw is hun habitat de afgelopen decennia gedecimeerd en als hun aantal blijft afnemen, zullen de hamsters volgens de Rode Lijst van de IUCN in 2050 zijn uitgestorven. Voorlopig klampen ze zich hier, op de op een na grootste begraafplaats van Europa, nog vast aan het leven. Hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, dit is een ideale plek voor de diertjes. De hoveniers passen wel op dat ze hun holen niet verstoren en bezoekers laten graag allerlei lekkers voor ze achter. ’s Winters, als hun natuurlijke voedselvoorraad slinkt, pikken de hamsters kaarsen van de graven en doen zich tegoed aan de olierijke was.

    Toevluchtsoord

    Stedelijke begraafplaatsen worden vaak over het hoofd gezien als centra voor biodiversiteit, hoewel ze voor het behoud van soorten net zo waardevol zijn als stadsparken. Een biodiversiteitsonderzoek uit 2019 toonde aan dat begraafplaatsen wereldwijd zo’n 140 beschermde soorten herbergden, van orchideeën op Turkse begraafplaatsen tot de steeds schaarser wordende steppevegetatie op grafheuvels in Eurazië.

    Als plekken van rust, met een grote culturele en spirituele betekenis voor velen, zijn begraafplaatsen grotendeels de verstedelijking bespaard gebleven die zich de afgelopen eeuwen in de omringende steden heeft voltrokken. Daardoor vormen ze een toevluchtsoord voor lokale fauna en kunnen ze dienen als ‘stapsteenhabitats’ – kleine stukjes natuur die dieren gebruiken om zich te verplaatsen tussen grotere natuurgebieden. Deze zijn vooral van belang in steden, waar groene ruimte afneemt en leefgebieden steeds verder versnipperd raken.

    De wilde bewoners van de enorme Algemene Begraafplaats van Wenen, die 2,4 vierkante kilometer beslaat, vallen onder de supervisie van Thomas Filek, plaatselijk onderzoeker aan de Universiteit van Natuurlijke Hulpbronnen en Levenswetenschappen. Terwijl hij over de weide loopt die nu het thuis is van de Europese hamsters, wijst hij hun kleine holen aan in het hoge gras. ‘We hebben met de hoveniers afgesproken dat ze de biodiversiteit maximaal beschermen, en dat betekent dat ze niet overal maaien,’ zegt Filek. ‘Het is belangrijk om in cycli te denken: het begint bij planten, die insecten aantrekken, die vogels aantrekken enzovoort.’

    247 Horizon Wenen knaagdier
    © Getty Images

    Filek brengt sinds 2021 met behulp van vrijwilligers de plaatselijke biodiversiteit in kaart als onderdeel van een groter project dat ‘Biodiversität am Friedhof’ (Biodiversiteit op de Begraafplaats) is gedoopt en ook andere begraafplaatsen in Oostenrijk omvat. Het project, met als basis Fileks universiteit in Wenen, ontvangt jaarlijks meer dan drieduizend waarnemingsmeldingen van burgerwetenschappers uit verschillende begraafplaatsen.

    Naast hamsters wonen op de Algemene Begraafplaats van Wenen ook andere bedreigde diersoorten die worden beschermd door de Habitatrichtlijn van de EU, zoals de Europese groene pad, de alpenboktor en de Europese grondeekhoorn. Ook de hop, die veel voorkomt in Europa maar plaatselijk bedreigd is, heeft zich hier gevestigd. In totaal hebben Filek en zijn vrijwilligers sinds het begin van het project in 2021 meer dan 240 verschillende dier- en plantensoorten geteld.

    Bij biodiversiteitsonderzoek op begraafplaatsen wordt vaak gefocust op specifieke soorten of bepaalde secties van een begraafplaats. Dat maakt landelijke vergelijkingen moeilijk. Een wetenschappelijk project waarbij vrijwilligers worden ingezet heeft zo zijn eigen blinde vlekken, erkent Filek. ‘Mensen hebben vaak meer oog voor dieren die groot zijn en rondvliegen en minder voor het kleinere spul.’ Om dit te compenseren werken ze samen met studenten die voor hun scriptie onderzoek doen naar onderbelichte soorten – zoals de piepkleine beestjes die dood hout koloniseren.

    Geliefd

    De begraafplaats was al lang voordat Filek zijn project begon beroemd om haar fauna en is geliefd bij vogelaars, natuurfotografen en natuurliefhebbers in het algemeen. Op deze winderige lentedag klinkt overal vogelgezang en zitten twee speelse eekhoorns elkaar achterna over de graven en een nabijgelegen boom in. Wanneer Filek een paar houten planken optilt die na een begrafenis met opzet in het gras zijn gestapeld, onthult hij een microkosmos van kleine insecten, kevers en slakken. Geen herten, vossen of hazen vandaag, die blijven liever op zichzelf en trekken zich overdag meestal terug in de rustigere delen van de begraafplaats.

    Begraafplaatsen zijn ‘een mozaïek van verschillende habitats’, zegt Ingol Kowarik, stadsecoloog en emeritus hoogleraar aan de Technische Universität Berlin, die in 2016 op de Joodse begraafplaats aan de Berlijnse Weißensee leiding gaf aan een van de eerste uitgebreide onderzoeken naar biodiversiteit op een begraafplaats. ‘Dit betekent dat soorten uit bossen, hagen, grasland en zelfs velden daar een vervangende habitat kunnen vinden.’ Door mensenhanden gemaakte elementen als mausoleums, grafstenen en muren komen van pas voor dieren die in het wild grotten, rotsen en kliffen zouden koloniseren. 

    Maar zulke elementen kunnen dieren ook in verwarring brengen: onderzoek naar een Hongaarse begraafplaats uit 2007 wees uit dat zwarte grafstenen libellen aantrekken doordat hun spiegelende oppervlak op water lijkt. Slecht aangelegde of onderhouden begraafplaatsen kunnen bovendien leiden tot vervuiling van bodem en grondwater, vooral in landen waar balseming en rieten kisten gebruikelijk zijn. Crematie veroorzaakt luchtvervuiling.

    ‘Het is maar weinigen van ons gegeven de orang-oetans in Borneo te gaan bekijken’

    Op de Weense Zentralfriedhof is een weide bij het hoofdkwartier van de hamsters gereserveerd voor natuurbegrafenissen. Ze grenst aan rijen traditionelere graven, bedekt met stenen platen, sierbloemen en die smakelijke kaarsjes. In de buurt bevinden zich weelderige stukken bos die veelvuldig door herten worden bezocht en waar laatste rustplaatsen worden gemarkeerd door torenhoge bomen. ‘Het is als een echo uit het verleden,’ zegt Kowarik, verwijzend naar de manier waarop begraafplaatsen in het algemeen wilde dieren en habitats kunnen beschermen terwijl de omliggende steden zich steeds verder uitbreiden.

    Toen hij net zijn diploma als biologieleraar op zak had, besloot Filek het stadswildleven eens van dichterbij te bekijken. ‘Het is maar weinigen van ons gegeven de orang-oetans in Borneo te gaan bekijken,’ zegt hij. ‘Ik wilde mijn studenten laten zien wat hier mogelijk is.’

    Aanvankelijk kostte het Filek veel moeite om informatie te verkrijgen over de soorten die op de Algemene Begraafplaats aanwezig waren. Dat veranderde na een gesprek met Florian Ivanič, een hovenier die er al sinds 1982 werkt. Dankzij inspanningen van Ivanič kon in 2011 10 hectare (0,04 km²) ongebruikt terrein op de begraafplaats worden omgevormd tot een natuurtuin, waar planten en dieren zo veel mogelijk hun gang kunnen gaan en rotspartijen, vijvers en stapels dood hout extra microhabitats bieden.

    Exclusief

    ‘Het was belangrijk voor mij dat er ook iets exclusief voor de dieren is,’ zegt Ivanič. ‘Een park aanleggen is eenvoudig – een landschapsarchitect maakt een plan en vervolgens maai je het. Maar alleen parken zijn niet genoeg, we moeten ook iets aan de natuur overlaten.’

    Filek was meteen onder de indruk van Ivanič’ kennis. ‘Hij kent de begraafplaats als zijn broekzak en hecht er enorm veel waarde aan,’ zegt Filek. ‘Toen ik hem vertelde over mijn idee voor een project dat begraafplaatsen toont als hotspots van biodiversiteit, was hij enthousiast.’

    Naast de natuurtuin zette Filek samen met het personeel van de Algemene Begraafplaats ook andere initiatieven op om de biodiversiteit te bevorderen, zoals nestkasten en voederhuisjes voor vogels, en speciale plekken voor dood hout en rotspartijen. Elders laat men stukken gras hoog opgroeien en zaad schieten. ‘Zulke maatregelen kunnen door elke begraafplaats worden getroffen,’ zegt Filek. ‘Achter de graven kun je ruimte creëren voor de natuur.’

    Hier en daar staan op de begraafplaats informatieborden die het belang uitleggen van de verschillende maatregelen en habitats, met foto’s van de dieren die deze bezoeken. De begraafplaats verzorgt ook rondleidingen langs de favoriete verblijfplaatsen van de hamsters. ‘Mensen beginnen te beseffen dat we hier met iets bijzonders te maken hebben,’ zegt Filek. ‘Dat leidt tot een gezamenlijke inzet van personeel, vrijwilligers en onderzoekers, die zich allemaal verbonden voelen met het behoud van deze plek.’

    247 Horizon Wenen Haas
    © Getty Images

    En de inspanningen beginnen vrucht af te werpen. Sinds de start van het biodiversiteitsproject zijn er nieuwe soorten op de begraafplaats waargenomen, zoals de plaatselijk bedreigde hop. De open weiden en oude bomen bieden deze vogels hun favoriete habitat, legt Filek uit. ‘Toevallig, waarschijnlijk ook door veranderingen in de omgeving, is hier een broedend paar terechtgekomen.’ Nu worden er regelmatig vijf paren gesignaleerd en medewerkers van de begraafplaats hebben nestkasten geïnstalleerd om er nog meer te lokken. Kortgeleden kreeg Filek het bericht dat er voor het eerst een Europese grondeekhoorn op de begraafplaats was waargenomen, een wereldwijd bedreigde soort die door de Oostenrijkse wet wordt beschermd.

    Wanneer er een nieuw graf wordt gedolven, wint de begraafplaats advies in bij Filek om de kans op verstoring van de flora en fauna te beperken. Zo zijn er in de buurt van hamsterhollen alleen natuurbegrafenissen toegestaan, en alleen op plekken waar de hamsters er geen hinder van ondervinden.

    Maar biodiversiteitsinspanningen moeten worden afgewogen tegen de verwachtingen van bezoekers van een goed onderhouden begraafplaats. ‘Sommige mensen willen een meer verzorgde begraafplaats, en die wens moet je heel serieus nemen,’ zegt Kowarik. ‘Daar is helemaal niets mis mee, want intensief verzorgde gebieden maken ook deel uit van dit habitatmozaïek. Het geheim van biodiversiteit op begraafplaatsen is dat er veel verschillende mogelijkheden zijn.’

    Dilemma

    Iets anders is dat sommige begraafplaatsen als bedrijf worden gerund, wat voor dilemma’s kan zorgen. Berlijnse begraafplaatsen, die vaak in handen zijn van religieuze gemeenschappen of particuliere verenigingen, verkeren regelmatig in financiële moeilijkheden doordat mensen de voorkeur geven aan een urn boven een doodskist en dus minder geld uitgeven aan een graf, vertelt Kowarik. En particuliere begraafplaatsen ontvangen geen subsidie van de stad voor het onderhouden van hun groenvoorzieningen, zodat ze hun ongebruikte terrein soms verkopen aan projectontwikkelaars. ‘We hebben meer groen in steden nodig, niet minder. Met behulp van overheidssubsidies kan de cruciale ecologische en sociale functie van de begraafplaats behouden blijven,’ betoogt Kowarik.

    Op de Algemene Begraafplaats van Wenen is het creëren van ruimte voor natuur nog altijd een prioriteit. ‘Voor ons is een begraafplaats meer dan alleen maar een plek om mensen te begraven en te gedenken, het is ook een toevluchtsoord voor zowel mensen als dieren en planten,’ zegt Lisa Pernkopf, woordvoerder van Friedhöfe Wien GmbH, het overkoepelend orgaan van Weense openbare begraafplaatsen. ‘Wij realiseren ons hoe belangrijk onze groenvoorzieningen zijn, vooral met het oog op het klimaat en de biodiversiteit in de stad.’

    Filek hoopt dat delen van de begraafplaats uiteindelijk onder de natuurbeschermingswetten zullen vallen. Hij heeft dit idee al met stadsbestuurders besproken. ‘We hebben alle data verzameld,’ zegt hij. ‘We weten wat we in handen hebben. Nu moeten we het beschermen, en zorgen dat het beschermd blijft.’

  • De talen die verloren gaan door klimaatverandering

    De talen die verloren gaan door klimaatverandering

    Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Maar klimaatrampen en het verlies van biodiversiteit bedreigen het voortbestaan van talen over de hele wereld.

    Al generaties lang woont de familie van Lars Miguel Utsi in het dorpje Jokkmokk in Noord-Zweden, waar van oudsher rendieren worden gehouden. In dit deel van de wereld waar de meesten van ons slechts een eindeloze witte sneeuwvlakte zouden zien, ontwaart Utsi in het landschap minutieuze details. Hij herkent de subtiele kenmerken van het bevroren terrein die zo cruciaal zijn voor zijn bestaan.

    De Sami, Europa’s enige erkende inheemse groep, wonen hier al duizenden jaren en hun taal weerspiegelt hun diepe band met het land. De negen Samische talen die nog in gebruik zijn, hebben een uitgebreide woordenschat voor sneeuw: van åppås, onaangeroerde wintersneeuw zonder sporen, tot habllek, lichte, poederachtige sneeuw en tjaevi, vlokken die aan elkaar plakken en waar moeilijk in te graven is. Hun terminologie om rendieren te beschrijven is nog gedetailleerder en wordt gebruikt om de dieren te classificeren op basis van geslacht, leeftijd, kleur, vruchtbaarheid, tamheid en meer. Een reandi is bijvoorbeeld een mannelijk rendier met een lang gewei, ruvggáladat een rendier dat is weggelopen van de kudde, en čearpmat-eadni ‘een vrouwelijk rendier dat haar kalf van dit jaar heeft verloren, maar vergezeld wordt door het kalf van vorig jaar’.

    Maar rendierhouders zoals Utsi merken hoe snel hun taal verdwijnt en hoe snel hun landschap verandert. Hoewel Noord-Samisch zijn moedertaal is, is hij zich scherp bewust van de hiaten in zijn woordenschat: sommige termen lijken de sprong van generatie op generatie niet te maken. ‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal. Ze hebben meer woorden voor de natuur, voor landschapsvormen, dieren en vooral rendieren. En ze kennen veel meer woorden voor sneeuw,’ zegt Utsi, voormalig voorzitter van de taalraad en vicevoorzitter van het Samisch parlement van Zweden. ‘Het is treurig.’

    Eén woord illustreert in het bijzonder wat er op het spel staat: het Noord-Samische ealat, dat volgens Utsi ruwweg vertaald kan worden als ‘de ideale omstandigheden voor rendieren om korstmos te vinden om te grazen’. Het is een term die zich moeilijk laat vertalen, een complex begrip dat impliceert dat diverse factoren (planten, sneeuw, geografie, korstmossen en rendieren) met elkaar in harmonie zijn. ‘Tegenwoordig wordt het steeds minder gebruikt, omdat we die omstandigheden niet zo vaak meer zien,’ zegt Utsi.

    Bedreigde talen

    Jokkmokk is een belangrijk centrum voor rendierhouderij in Zweden, gelegen in de regio Lapland – of Sápmi, in het Noord-Samisch. Dit gebied beslaat delen van Noord-Noorwegen, Zweden, Finland en de Russische oblast Moermansk. De inheemse Sami hier zijn bijzonder kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering: wetenschappers stellen dat het Arctisch gebied bijna vier keer zo snel opwarmt als de rest van de wereld. 

    In de loop der eeuwen hebben rendieren zich aangepast aan de barre klimatologische omstandigheden van de regio; ze ontwikkelden schopvormige hoeven waarmee ze korstmos en andere planten onder de sneeuw kunnen opgraven. Maar door stijgende temperaturen valt er meer regen dan sneeuw, waardoor de grond verijst en het graven voor rendieren onmogelijk wordt. Vroege dooi leidt tot ongebruikelijke overstromingen voor het seizoen, wat het hoeden bemoeilijkt en de voedselvoorraad vernietigt. Onderzoek toont aan dat de rendierbiotopen in de afgelopen eeuw met 70 procent zijn afgenomen, deels doordat gebieden onder water werden gezet voor waterkrachtcentrales.

    ‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal’

    Deze veranderingen bedreigen zowel de wilde dieren als de culturele praktijken van de rendierhouderij die al generaties lang bepalend zijn voor de levenswijze van de Sami. Tegelijkertijd voeren de rendierhouders nog een andere strijd: het verlies van hun talen. Zweden en Finland hebben onlangs plannen gepresenteerd om de financiering voor de Sámi Giellagáldu in te krimpen, een orgaan dat is opgericht om de Sami-talen te beschermen en te behouden. De Unesco beschouwt alle negen resterende Sami-talen als bedreigd. Het Noord-Samisch is de meest gesproken taal, met naar schatting twintig- tot dertigduizend sprekers, terwijl het Ume-Samisch vermoedelijk nog maar amper vijftig sprekers kent.

    GettyImages 1925908071
    Een Sami-herder naast haar Noorse tamme rendier (Rangifer tarandus tarandus) op de vlaktes van Lapland. – © Getty Images

    Hoewel de achteruitgang van de Sami-talen verschillende complexe oorzaken heeft, weerspiegelt het in het algemeen de teloorgang van hun traditionele levenswijze. Rendierhouders zoals Utsi hebben er letterlijk geen woorden voor als ze worden geconfronteerd met hun veranderende omgeving. Dit duidt op een onzekere toekomst: wat blijft er over als de dingen waar je woorden voor hebt langzaam verdwijnen? De Sami-talen zijn gevormd door hun omgeving en vanuit de noodzaak om te overleven in barre omstandigheden. Als ze zouden uitsterven, zouden ook de diepgewortelde kennis en expertise die generaties lang zijn doorgegeven verloren kunnen gaan.

    Het verband tussen taal en natuur

    Wetenschappers en taalkundigen hebben een opvallend verband ontdekt tussen de biodiversiteit en de talen in de wereld. Gebieden die rijk zijn aan biologische diversiteit blijken ook vaak een grote taalkundige diversiteit te kennen, oftewel een hoge concentratie van talen. Hoewel het verband nog niet volledig is geduid, wijst de sterke geografische correlatie erop dat beide vormen van diversiteit door verschillende factoren (ecologisch, sociaal, cultureel) worden beïnvloed, en bovendien in zorgwekkend tempo afnemen. Deze gebieden hebben vaak het meest te lijden van de klimaatcrisis. Waar planten- en diersoorten verdwijnen, volgen talen, dialecten en unieke uitdrukkingen vaak eenzelfde patroon van achteruitgang.

    Bij een hotspot voor biodiversiteit denk je misschien eerder aan het Braziliaanse Amazonegebied of de bossen van Tanzania dan aan het Noordpoolgebied. Toch speelt dat een cruciale rol in het reguleren en stabiliseren van het klimaat op aarde, en in de ondersteuning van al het leven op onze planeet. Wetenschappers plachten te zeggen: ‘Wat in het Noordpoolgebied gebeurt, blijft niet in het Noordpoolgebied.’ Elke verstoring van deze habitat heeft verstrekkende gevolgen voor de mensheid. 

    Verzet tegen dominantie wereldwijde talen

    Van de zevenduizend talen die er in de wereld worden gesproken, verdwijnen er elk jaar ongeveer negen. Volgens ‘optimische schattingen’ van de Unesco kan het zelfs zo zijn dat de helft van alle talen ter wereld tegen het einde van deze eeuw zal zijn uitgestorven.

    Sommige talen verdwijnen met hun laatste sprekers, terwijl andere talen nauwelijks nog worden gebruikt. Ouders geven hun moedertaal niet meer door aan hun kinderen, woorden raken in de vergetelheid en steeds minder mensen kunnen hun eigen schrift nog lezen. Vaak kiezen mensen ervoor een gangbare taal te spreken die meer perspectieven biedt op een baan. Maar de laatste tijd groeit ook het verzet tegen de dominantie van wereldwijd gesproken talen die lokale tradities verdringen.

    De Nigeriaanse taalactivist Tochi Precious Friday is bezorgd over het uitsterven van het Igbo in haar land en werkt samen met de organisatie Wikitongues aan het documenteren van woorden, betekenissen en gebruiksvormen. Tegen The Guardian zegt ze: ‘Het gaat ook om de geschiedenis die eraan verbonden is, en de cultuur. Als een taal sterft, sterft alles wat ermee verbonden is.’

    Amrit Sufi uit India doet hetzelfde voor het Angika, een taal met zeven miljoen sprekers die nauwelijks nog wordt geschreven of onderwezen, en daardoor met de ondergang wordt bedreigd. Het Angika zou ‘inferieur’ zijn ten opzichte van het Hindi, dat met 600 miljoen sprekers na het Engels en het Mandarijn de meest gesproken taal ter wereld is.

    Inheemse gemeenschappen hebben een diepe band met het land dat ze al generaties lang bewonen, en die wordt weerspiegeld in de talen die ze spreken, de manier waarop ze over het landschap praten en de woorden die ze geven aan de overtuigingen en gebruiken die hun talen mede hebben gevormd. Als hun band met het land onder druk komt te staan, lijden hun talen daar automatisch ook onder. Vanuatu bijvoorbeeld, een eilandengroep in de Stille Zuidzee met de hoogste taaldichtheid ter wereld (110 talen op 12.190 vierkante kilometer), herbergt 138 bedreigde planten- en diersoorten. Het land is bijzonder kwetsbaar voor zeespiegelstijging en klimaatgerelateerde natuurrampen. Wetenschappers waarschuwen dat de klimaatcrisis de genadeslag dreigt te worden voor veel inheemse talen, nu kustgemeenschappen gedwongen worden te verhuizen.

    Als gemeenschappen niet langer kunnen vertrouwen op hun land, worden ze mogelijk gedwongen te verhuizen naar gebieden waar hun talen niet worden gesproken. Ze laten dan niet alleen hun moedertaal achter, maar ook alle wijsheid die erin besloten ligt. Ook zijn er aanwijzingen dat wanneer een taal ‘achteruitgaat’, bijvoorbeeld door economische of sociale factoren, mensen geleidelijk aan minder aandacht hebben voor het land. Als talen verdwijnen, gaat ook de traditionele ecologische kennis die ze bevatten verloren. Inheemse gemeenschappen wijzen dan ook steeds vaker op de onlosmakelijke band tussen taal en biodiversiteit als bewijs dat mensen niet losstaan van de natuur, maar er juist onlosmakelijk deel van uitmaken.

    Diversiteit in kaart gebracht

    Begin jaren negentig, toen natuurbeschermers begonnen te waarschuwen voor de alarmerende afname van biodiversiteit, bestudeerde taalkundige Luisa Maffi het verdwijnen van talen wereldwijd. Ze realiseerde zich dat deze twee trends mogelijk verband met elkaar hielden. ‘Opeens drong het tot me door: dit zijn allemaal vormen van diversiteit van leven op aarde,’ vertelt Maffi vanuit haar huis in Brits-Columbia (Canada). ‘Diversiteit in de natuur, maar ook de diversiteit van menselijke culturen en talen. Ze zijn met elkaar verbonden, verweven en wederzijds van elkaar afhankelijk. Wat er met de ene component gebeurt, beïnvloedt dus wat er met de andere gebeurt.’

    Al snel ontdekte ze dat ze niet de enige was die tot deze conclusie was gekomen. In 1988 verklaarde het Eerste Internationale Congres voor Etnobiologie in het Braziliaanse Belém dat er ‘een onlosmakelijke band bestaat tussen culturele en biologische diversiteit’. Na een congres in 1995, waar Maffi David Harmon ontmoette, een natuurbeschermer die onderzoek deed naar deze ‘samenvallende uitstervingscrisis’, richtten de twee de non-profitorganisatie Terralingua op. Volgens de website richt deze organisatie zich op ‘bioculturele diversiteit’, een term die zij extra bekendheid gaven en die uitdrukt hoe ‘biodiversiteit, culturele diversiteit en taalkundige diversiteit allemaal met elkaar verbonden zijn’.

    Gegevens over de talen van de wereld waren destijds moeilijk te vinden. Een van de weinige uitgebreide databases was The Ethnologue, waarin vanaf 1951 talen werden gecategoriseerd. Talen veranderen snel, en er bestaat niet altijd consensus over waar de ene taal ophoudt en de andere ontstaat. Daarom creëerde Terralingua de Index of Linguistic Diversity, die op hun website wordt omschreven als de ‘allereerste kwantitatieve maatstaf voor trends in de wereldwijde taalkundige diversiteit’. Deze index toonde aan dat de mondiale taalkundige diversiteit van 1970 tot 2005 met naar schatting 20 procent was afgenomen, waarbij inheemse talen het zwaarst waren getroffen. Als we deze gegevens naast die over biodiversiteit leggen, zien we iets onthullends. De trends in taalverlies weerspiegelen nauw de afname van de mondiale biodiversiteit. De Living Planet Index van het Wereld Natuur Fonds stelde vast dat in diezelfde periode planten- en diersoorten gemiddeld met 27 procent afnamen.

    ‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit’

    De Index of Linguistic Diversity van Terralingua bouwde voort op eerder werk van Harmon en Jonathan Loh, een wetenschapper die gespecialiseerd is in mondiale biologische en culturele diversiteit; dat werk wees op verbanden tussen de staat van ’s werelds taalkundige diversiteit en die van de biodiversiteit. In 2012 onthulde een studie in Proceedings of the National Academy of Sciences dat biodiversiteitshotspots en wilde natuurgebieden met een hoge biodiversiteit de thuisbasis zijn van 70 procent van de wereldtalen. De studie benadrukte ook dat veel van deze talen endemisch zijn in hun regio en met uitsterven worden bedreigd, en wees op de parallelle afname van mondiale taalkundige en biologische diversiteit.

    ‘We konden aantonen dat ongeveer driekwart van de talen op aarde wordt gesproken in gebieden met een hoge biodiversiteit, wat neerkomt op een kwart van het landoppervlak, Antarctica niet meegerekend,’ zegt Larry Gorenflo, medeauteur van de studie en hoogleraar landschapsarchitectuur, geografie, Afrikaanse studies en antropologie aan de Pennsylvania State University. ‘Van sommige van deze biodiversiteitshotspots is de taalkundige diversiteit ronduit fenomenaal.’ 

    Volgens Gorenflo kun je taalkundige diversiteit zien als een indicator voor culturele diversiteit in bredere zin, die traditioneel gezien moeilijker te definiëren was. ‘Lange tijd werd antropologie beschouwd als de sociale wetenschap die cultuur bestudeerde. Maar niemand was het helemaal eens over wat cultuur precies inhield,’ zegt hij. ‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit.’

    De precieze redenen achter de verbanden tussen talen en natuur zijn niet volledig duidelijk, aldus Gorenflo. Eerdere studies wezen erop dat in gebieden met een groot aantal hulpbronnen taalkundige diversiteit ontstaat doordat mensen zich moeten aanpassen aan een complexere omgeving. Volgens anderen verkleinen overvloedige hulpbronnen de kans dat men deze moet delen en zodoende in tijden van nood moet communiceren met naburige groepen. Weer ander onderzoek suggereert dat de redenen achter dit gelijktijdig voorkomen veel ingewikkelder zijn en per gebied verschillen. Gorenflo benadrukt de noodzaak van meer onderzoek. ‘Als we dit verband begrijpen, kan dat de manier beïnvloeden waarop we omgaan met de relatie tussen inheemse volkeren en biologische diversiteit – en met de natuur.’

    Taal en ecologische wijsheid

    Taalkundigen schatten dat er ongeveer 8324 talen in de wereld zijn, waarvan er volgens de website Ethnologue nog 7164 worden gesproken. De verdeling van de wereldbevolking over deze talen is echter ongelijk. Meer dan de helft van de acht miljard mensen op aarde spreekt een van de 25 meest voorkomende talen. De meeste van de overige 7139 talen hebben maar weinig sprekers. Ongeveer de helft van alle talen wordt gesproken door gemeenschappen van tienduizend mensen of minder, en een paar honderd talen hebben slechts maximaal tien sprekers.

    Volgens Gary Simons, hoofdredacteur van Ethnologue, sterft er ongeveer elke veertig dagen een taal uit. Taalkundige Kenneth Hale vergeleek het verlies van één enkele taal met ‘een bom op het Louvre’, vanwege de cultuur en ‘intellectuele rijkdom’ die in elk ervan besloten ligt. De snelheid waarmee talen uitsterven zal naar verwachting toenemen naarmate kinderen ze niet meer leren en oudere sprekers overlijden. De meeste talen zijn spoorloos verdwenen doordat ze gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis uitsluitend mondeling werden overgeleverd. Maar het zijn juist de bedreigde talen die de schoonheid van de menselijke diversiteit en de flexibiliteit van de menselijke geest blootleggen. Zo kennen sommige talen zeer gespecialiseerde termen op het gebied van bijvoorbeeld kruidengeneeskunde, astronomie of zeewier.

    Náhuatl wordt een schoolvak in Mexico-Stad

    Clara Brugada, de nieuwe burgemeester van Mexico-Stad, wil het Náhuatl, een van de belangrijkste inheemse talen van Mexico, invoeren op openbare scholen in de hoofdstad. De taal is jarenlang genegeerd in het officiële onderwijssysteem en wordt nu een vak op 78 scholen.

    Mexico-Stad is een smeltkroes van meer dan zestig verschillende inheemse talen. Zo’n veertigduizend inwoners van de stad spreken nog Náhuatl en veel woorden die je er in het dagelijks leven regelmatig hoort komen uit het Náhuatl, zoals apapacho (liefkozing), tianguis (markt) en guacamole.

    Volgens Pablo Yanes Rizo, secretaris van Onderwijs in de Mexicaanse hoofdstad, is dit initiatief ook een manier om het bestaan te erkennen van een culturele realiteit met een lange geschiedenis. Veertig procent van de 25 miljoen mensen die zichzelf als inheems beschouwen, zegt vaak gediscrimineerd te worden. Er bestaat een duidelijke klassenscheiding in veel delen van het land, blijkt uit onderzoek, waarbij niet voor iedereen dezelfde rechten gelden.

    Het initiatief kreeg zowel applaus als kritiek. Taalkundige Yásnaya Aguilar Gil zegt in El País dat een eerdere poging in 2007 uiteindelijk op niets uitliep. Ze vindt dit ‘losse, tijdelijke acties zonder een breder beleidsplan die zelden een duurzaam effect hebben’. Volgens haar is er een hervorming nodig die de invoering van andere talen structureel mogelijk maakt, zoals in Catalonië of Baskenland.

    Daarnaast is het de vraag of onderwijs in het Náhuatl de toch al zwakke positie van het Engels in het openbare onderwijs verder zal ondermijnen. In een wereld waarin het Engels vaak toegang biedt tot hogere studies en betere banen, blijft Mexico achter: volgens ­studies beheerst zo’n 97 procent van de leerlingen in het openbaar onderwijs het Engels niet op basaal niveau. Voorstanders van het Náhuatl-initiatief erkennen dat, maar benadrukken dat het leren van inheemse talen ook cognitieve voordelen en een dieper cultureel bewustzijn met zich meebrengt.

    Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Vaak is deze wijsheid ecologisch van aard. In het westen van Canada en de Verenigde Staten geven uitdrukkingen in inheemse talen aan wanneer wilde planten geoogst moeten worden. Australische Aboriginals definiëren de seizoenen op basis van signalen zoals de bloei van inheemse bomen, die op hun beurt informatie bieden voor het bestrijden van bosbranden. Traditionele Sami-kalenders kennen dertien maanden, gebaseerd op plantengroei en dierlijke activiteit in een bepaalde periode van het jaar, zoals miessemánnu (rendierkalfmaand) en borgemánnu (rendiervachtwisselmaand). Maar de uitdrukking Mitákuye Oyás’in, van de Lakota, die zowel ‘al mijn verwanten’ (menselijk en niet-menselijk) betekent als ‘alles is verwant’, verwoordt de onderlinge verbondenheid van mens en natuur misschien nog wel het best.

    Veel bedreigde talen drukken eerbied en respect uit voor de natuur en een besef van het evenwicht dat moet worden bewaard. ‘Voor gemeenschappen die een innige band hebben met hun directe omgeving is het land de leermeester. Je moet de lessen van het land leren om te overleven en te gedijen, en dat raakt natuurlijk verankerd in je waardensysteem, dat tot uiting komt in taal,’ zegt Maffi. ‘Nergens zul je een filosofie vinden die zegt: neem zo veel als je maar wilt en trek je van de toekomst niks aan.’

    Taal als koloniaal wapen

    De opmerkelijke concentratie van talen in ’s werelds meest biodiverse regio’s, vooral in de tropen en gebieden nabij de evenaar, kan deels worden verklaard door de beschermende rol die deze wildernisgebieden speelden tegen kolonisatie. Historisch gezien werd het uitsterven van talen vaak veroorzaakt door kolonialisme. Zoals Alfred Crosby betoogt in Ecological Imperialism, gaven Europese kolonisten doorgaans de voorkeur aan gebieden met vlak, vruchtbaar land dat makkelijker te bewonen en bebouwen was. 

    Tropische regio’s daarentegen brachten meer uitdagingen met zich mee, waaronder ziektes waar Europeanen vatbaarder voor waren wegens een gebrek aan immuniteit. En het zijn de geïsoleerde, moeilijk bereikbare gebieden die naar meer diversiteit neigen. ‘In berggebieden en op eilanden vind je veel biodiversiteit. En als het lastig is om je er te verplaatsen, tref je er ook al snel behoorlijk wat culturele diversiteit aan,’ vertelt Gorenflo.

    GettyImages 578262616
    In Balwina, in West-Australië, zoeken Balgo-vrouwen naar bijzondere kikkers die water in hun lichaam opslaan. – © Getty Images

    Europeanen beseften al snel dat in de gebieden die ze wel koloniseerden, taal cruciaal was voor hun missie. Om politiek en economisch te overheersen, zagen de koloniserende machten in dat ze ook op het gebied van taal moesten domineren. De Spaanse geleerde Antonio de Nebrija pleitte voor het belang van het schrijven van grammatica’s en woordenboeken in het Castiliaans. In 1492 schreef hij: ‘Taal en het rijk gaan immer hand in hand.’ Tegen het begin van de twintigste eeuw was door eeuwenlang kolonialisme zo’n 20 procent van de inheemse talen in Australië, de VS, Zuid-Afrika en Argentinië verloren gegaan.

    ‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’

    Door hun moedertalen uit te roeien, ontnamen kolonisatoren de lokale bevolking hun band met de cultuur, alsook herinneringen, gemeenschappelijke identiteit en de relatie met het land, dat hun eveneens was afgenomen. ‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’, schreef de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o. Zo werd de bevolking dus verhinderd om hun kennis door te geven aan de volgende generatie. Ngugi sprak treffend van ‘kolonisatie van de geest’. 

    Tegenwoordig is taalverlies vaak een gevolg van wat veel mensen in geïndustrialiseerde samenlevingen ‘vooruitgang’ zouden noemen: gemengde huwelijken, het onderwijzen van ‘populairdere’ talen op scholen en migratie voor betere kansen. Inheemse talen zijn moeilijk te behouden wanneer de sprekers zich aanpassen aan nieuwe levensomstandigheden en hun talen niet meer in de oorspronkelijke context gebruiken.

    Conservatie en inheemse kennis

    Paradoxaal genoeg stond het idee dat mensen losstaan van de natuur ook centraal in de ideologie rond natuurbehoud. Tijdens een reis naar de Verenigde Staten in 1919 bezocht koning Albert I van België drie nationale parken: Yellowstone, Yosemite en de Grand Canyon. Dit was enkele jaren nadat president Woodrow Wilson een wet had ondertekend die een National Park Service in het leven riep, met de bedoeling 35 nationale parken en monumenten te beschermen. Koning Albert, geïnspireerd door wat hij aan de andere kant van de Atlantische Oceaan had gezien, besloot een paar jaar later, in 1925, zijn eigen park op te richten in Belgisch-Congo. Hij noemde het het Albert Nationaal Park. Dit park, nu bekend als het Virunga Nationaal Park in Congo, wordt beschouwd als het eerste nationale park op het Afrikaanse continent.

    Het concept van een ‘nationaal park’ stamt uit een negentiende-eeuwse natuurbeschermingsbeweging met de overtuiging dat de natuur gescheiden moest worden van en beschermd tegen de mensen die er wonen. De Belgische autoriteiten beweerden dat er slechts zo’n driehonderd mensen in het park in Congo woonden, maar in werkelijkheid verdreven ze duizenden Hutu’s en Tutsi’s met geweld uit het gebied. Door de jaren heen is de biodiversiteit er bedreigd door oorlog, ontbossing, stroperij en olie- en gasboringen, terwijl het ‘fort’-beschermingsmodel (waarbij omgevingen onaangetast blijven door menselijke invloed) onder vuur is komen te liggen doordat de lokale bevolking niet langer bij de hulpbronnen kan.

    Een vergelijkbaar verhaal speelde zich enkele decennia eerder af in de vallei die nu bekendstaat als Yosemite. Toen natuuronderzoeker John Muir er in 1868 arriveerde, stond hij versteld van het adembenemende landschap. Hij besefte niet dat die schoonheid het resultaat was van zorgvuldig beheer door de Ahwahneechee, een stam die een mengeling was van de Noordelijke Paiute en de Sierra Miwok. Deze gemeenschappen, wier talen een diepgaand begrip van de lokale planten en dieren weerspiegelden, werden in 1851 met geweld verdreven door het Mariposa-bataljon onder leiding van James Savage. 

    ‘Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven’

    Na de oprichting van het nationale park, gebaseerd op Muirs idee van ‘pure wildernis’, werd de leefwijze van de Ahwahneechee steeds meer aan banden gelegd. Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven. In haar boek Savage Dreams schrijft Rebecca Solnit dat in 1969 ‘het oorspronkelijke doel van het Mariposa-bataljon dichterbij kwam: de verdrijving van de Ahwahneechee uit de vallei waar ze duizenden jaren waren verbleven’.

    Tegenwoordig spreken nog slechts vierhonderd mensen de taal van de Noordelijke Paiute, terwijl dat van de Sierra Miwok is geslonken tot een handjevol sprekers. Studies hebben inmiddels aangetoond dat hun verdrijving leidde tot ecologische achteruitgang. Een rapport uit 1996 van het Sierra Nevada Ecosystem Project concludeerde dat er ‘een ecologisch “vacuüm” of onevenwicht in de Sierra Nevada ontstond door het vertrek van de inheemse Amerikanen die deze ecosystemen beheerden’. De verwijdering van inheemse gemeenschappen en hun landbeheertechnieken, die vaak gericht waren op natuurbehoud, heeft de aantasting van het milieu waarschijnlijk verergerd, zoals ook blijkt uit de verwoestende bosbranden die onlangs in Los Angeles woedden.

    Voordelen van meertaligheid

    Meertaligheid maakt mensen slimmer, socialer en gezonder.

    Ondanks oude vooroordelen tonen moderne onderzoeken overtuigend aan dat tweetaligheid mentale voordelen biedt. Tweetaligen presteren beter in cognitieve en sociale taken, herstellen sneller van een beroerte en ontwikkelen later dementie dan eentalige mensen, aldus Mosaic Science. Het brein van tweetaligen is flexibeler, multitaskt beter en heeft meer grijze stof. Taal beïnvloedt ook het wereldbeeld en het gedrag. Kinderen die tweetalig onderwijs krijgen, zijn vaak zelfverzekerder en betrokkener.

    Bovendien is, bijvoorbeeld in de VS, de vraag naar tweetalige werknemers sterk gestegen, vooral naar sprekers van het Spaans, Chinees en Arabisch. Van 2010 tot 2016 verdubbelde het aantal vacatures waarin tweetaligheid vereist is, schrijft Boston Globe. Het gaat om zowel hoog- als laagopgeleide functies, veelal in het onderwijs, de gezondheidszorg en de klantenservice. Vooral eerstegeneratie-immigranten zijn hierbij in trek.

    En hoewel native speakers op het eerste gezicht een streepje voor lijken te hebben binnen een internationale werkomgeving, biedt werken in een tweede taal verrassende voordelen, onderzocht The Economist. Niet-native speakers worden soms onderschat, wat strategisch kan uitpakken in onderhandelingen. Ze denken vaak zorgvuldiger na, nemen rationelere beslissingen en herkennen culturele gevoeligheden beter. Tweetaligheid stimuleert ook empathie en een ‘afwijkend accent’ wordt vaak charmant gevonden. Werken in een vreemde taal kan dus, ondanks de moeite, leiden tot scherpere analyses en betere communicatie.

    ‘Mensen vormen een essentieel onderdeel van een ecosysteem,’ zegt Gorenflo. ‘Het verlies van talen kan leiden tot verlies van biodiversiteit, deels doordat er een afstand ontstaat tot traditionele gedragspatronen, zoals landschapsbeheer.’ Hij voegt eraan toe dat er inmiddels een groeiend besef bestaat dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen de beste beheerders zijn van hun land. ‘Als je de taal verliest, is dat een van de puzzelstukjes die verloren gaan. De mensen die deze talen spreken, volgden in veel gevallen traditionele gebruiken – op het gebied van landschapsbeheer, grondstoffengebruik en in sommige gevallen zelfs natuurbehoud – en die komen de biodiversiteit uiteindelijk ten goede.’

    Uiteraard is het meeste inheemse land niet verloren gegaan aan nationale parken, maar aan grootschalige landbouw en stedelijke wildgroei. In de Sonorawoestijn [in Mexico en de VS] heeft de afname van planten als de mesquite en de populier invloed gehad op de traditionele ceremonies van de inheemse Yoeme-gemeenschappen, die voor veel van hun rituelen afhankelijk zijn van de natuur. Hun kennis van het landschap komt in veel van hun liederen tot uiting, maar naarmate deze gebieden meer bebouwd raken en planten verdwijnen, verliezen deze liederen hun betekenis en worden ze niet langer doorgegeven aan toekomstige generaties.

    Taalbehoud als conservatie

    Maffi ziet de overvloed aan talen, culturen en biodiversiteit binnen een gebied als onderling afhankelijke elementen die elkaar wederzijds versterken. Het behoud van de talen in de wereld kan dan ook worden gezien als een essentieel instrument in de strijd tegen de klimaatcrisis. Op Hawaï is de groene zeeschildpad, of honu – een bedreigde diersoort die wordt beschermd door de Amerikaanse wet – al van oudsher een krachtig symbool van de lokale cultuur. De honu staat voor wijsheid, bescherming en spirituele leiding. Volgens traditioneel geloof is de honu een ‘aumakua, een persoonlijke of familiegod, of een vergoddelijkte voorouder. Veel ‘aumakua zijn dieren, maar het kunnen ook planten zijn – een traditie die doet denken aan hoe de Lakota alle andere levende wezens als ‘verwanten’ beschouwen.

    GettyImages 1288684526
    De bedreigde groene zeeschildpad in de warme, ondiepe wateren rond Hawaï. – © Getty Images

    Naast deze tradities is de Hawaïaanse taal essentieel voor de identiteit van de eilandengroep. Beide ondergingen echter een verwoestende neergang in de twintigste eeuw: de populaties honu kelderden door overbevissing, terwijl het Hawaïaans bijna verdween door een wet die het Engels tot 1987 uitriep tot de enige onderwijstaal op alle openbare en privéscholen. In die periode werden leerlingen gestraft als ze Hawaïaans spraken.

    De afgelopen decennia zijn zowel de honu als de Hawaïaanse taal echter centraal komen te staan in de heropleving van de Hawaïaanse cultuur. De nestpopulaties van de honu zijn de laatste twintig jaar jaarlijks met 5 procent gegroeid, terwijl het aantal Hawaïaans-sprekers in dezelfde periode spectaculair is toegenomen (van 1500 in 1980 tot 18.000 in 2016) dankzij programma’s en een verbeterde taalvaardigheid onder jongere generaties. Biodiversiteit en taal vormen samen het hernieuwde herstel van het natuurlijke en culturele erfgoed van Hawaï, en beide spelen een essentiële rol in de herverbinding van de bewoners met hun voorouderlijke tradities en identiteit.

    Een universeel woord: huh?

    Een van de resultaten uit een vergelijkende taalstudie door onderzoekers van het Max Planck Instituut in Nijmegen is dat bijna elke taal een variant van het woord ‘huh?’ kent. Het klinkt zelfs overal vrijwel hetzelfde, al wordt het vaak net iets anders geschreven: ehh, hè, hein of eh. Maar in elke taal is duidelijk wat ermee wordt bedoeld: een vraag om herhaling of duidelijkheid.
    Mark Dingemanse, Francisco Torreira en Nick Enfield bestudeerden talen over de hele wereld en ontdekten dat er overal wel een woord is dat qua vorm en betekenis lijkt op ‘hè?’ Dat ‘hè’ of ‘huh’ helemaal geen woorden zouden zijn, weerleggen Dingemanse en zijn collega’s. Ook andere taalkundigen kwamen tot de conclusie dat ‘hè’ grammaticaal verbonden is aan een zin die eraan voorafgaat, en niet zomaar losstaat. Het is te begrijpen in verschillende contexten, bijvoorbeeld bij verbazing of om instemming te vragen.

    Het zou een vorm van convergente evolutie zijn, een fenomeen dat bekend is uit de evolutionaire biologie. Als verschillende soorten in een gelijksoortige omgeving leven, kunnen ze onafhankelijk van elkaar gelijkenissen gaan vertonen. Haaien en dolfijnen bijvoorbeeld hebben een verschillende evolutionaire afstamming, maar toch heeft hun lichaam eenzelfde soort vorm, aangepast aan het water. Op een vergelijkbare manier, zo stellen Dingemanse en zijn collega’s, kunnen woorden eenzelfde vorm aannemen als ze voorkomen in dezelfde omgeving.

    Het wereldwijde gebruik van ‘huh’ of ‘hè’ is dus niet slechts een toevallige gelijkenis, maar een hulpmiddel dat illustreert hoe menselijke communicatie, ondanks de linguïstische diversiteit, op een ­fundamenteel niveau universele ­kenmerken deelt.

    Op het Japanse eiland Okinoerabu zijn sprekers van het Shimamuni – een lokale variant van het Kunigami, een taal die als ‘ernstig bedreigd’ wordt beschouwd – een schoolproject gestart. Kinderen komen dagelijks bijeen om het strand schoon te maken terwijl ze in hun taal zingen. Ook houden ze in dezelfde taal een dagboek bij. Deze aanpak bleek niet alleen effectiever dan lesgeven in een klaslokaal, maar verbeterde ook de communicatie over milieukwesties met oudere eilandbewoners. Zo bleken sommigen van hen te denken dat zwerfafval vanzelf zou vergaan. Dit voorbeeld toont de risico’s van het verlies van communicatie tussen generaties, met schadelijke gevolgen voor de gemeenschap als geheel.

    Het belang van meertaligheid

    Zonder inspanningen voor heropleving zal het taalverlies volgens wetenschappers binnen veertig jaar zijn verdrievoudigd. Taalkundigen voorspellen dat 50 tot 90 procent van de wereldtalen aan het eind van deze eeuw zal zijn uitgestorven, met rampzalige gevolgen voor de betreffende gemeenschappen, de wetenschap en het cultureel erfgoed. Het feit dat leerlingen die langer op school zitten eerder met dit taalverlies te maken hebben, wijst erop dat de snelle achteruitgang kan worden gelinkt aan een eentalige manier van denken. Hoewel meertaligheid dominant is onder mensen (zo’n 60 procent van de wereldbevolking spreekt meer dan een taal), zien veel landen zichzelf als eentalige natiestaten, waarin één enkele taal cruciaal wordt geacht voor het behoud van de nationale identiteit. ‘Het idee van niet alleen nationale maar ook taalkundige eenheid en uniformiteit kwam pas echt op met de vorming van de natiestaat in de moderne tijd,’ vertelt Maffi. ‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’ 

    Lange tijd was de overtuiging dat de dominante taal zogenaamd minder ‘wenselijke’ talen moest vervangen, in plaats van dat co-existentie bevorderd werd. De overtuiging dat tweetalige kinderen in de war raken of moeite hebben met het leren van meerdere talen tegelijk, is door onderzoek veelvuldig ontkracht. Studies tonen juist consequent de talrijke cognitieve voordelen van meertaligheid aan. Willen de duizenden ‘kleinere’ talen ter wereld overleven, dan is dringend een andere aanpak nodig, waarbij we afstappen van eentaligheid als norm en erkennen dat het ‘nut’ van een taal niet per se wordt bepaald door het aantal sprekers.

    ‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’ 

    Talen zijn, zoals Ralph Waldo Emerson het in zijn boek The Poet verwoordt, ‘historische archieven’. Taalkundige Nicholas Evans merkte op dat ‘ze ons niet alleen inzicht geven in menselijke cognitie, maar ook in het rijke weefsel van menselijke ervaringen door de eeuwen heen’. Als we ze verliezen, riskeren we niet alleen een groot deel van de menselijke geschiedenis kwijt te raken, maar ook het vermogen om verschillende manieren van kijken naar en leven op de wereld te begrijpen. 

    Utsi, de rendierherder, noemt nog een Noord-Samisch woord dat illustreert hoe zijn taal uniek is toegesneden op de omgeving waarin deze ontstond. ‘Guorban is een woord dat “overgraasd” betekent, tot op het punt waar de korstmossen zullen verdwijnen. Je wilt dus eigenlijk niet guorbadit [overgrazen], want dan vernietig je de weide voor de volgende generatie,’ vertelt hij.

    Volgens Gorenflo worden de factoren die de gelijktijdige aanwezigheid van taalkundige en biologische diversiteit veroorzaken, en die aanvankelijk raadselachtig leken, steeds helderder. ‘Ik beschouw taal als een verlengstuk van het culturele systeem, dat op zijn beurt deel uitmaakt van de bredere ecologie van de wereld. Het is dus bovenal belangrijk om te verkennen hoe deze ecologie eruitziet.’ 

    Het behoud van bedreigde talen gaat om meer dan alleen het redden van woorden. Het kan cruciaal zijn voor het veiligstellen van eeuwenoude menselijke kennis en helpt ons de systemen die ons allen in stand houden beter te begrijpen.

  • De egel is nu bijna met uitsterven bedreigd

    De egel is nu bijna met uitsterven bedreigd

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran executeert Iraans-Duitse dissident Jamshid Sharmahd

    » Pentagon: Noord-Korea heeft 10.000 soldaten naar Rusland gestuurd

    De egelpopulatie is in het VK met 75 procent afgenomen

    In West-Europa neemt de populatie egels af: ze worden door stadsuitbreiding uit hun leefgebied verdreven, op wegen neergemaaid door auto‘s en worden het slachtoffer van pesticiden en de achteruitgang van insecten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De Erinaceus europaeus is van de categorie ’niet bedreigd‘ naar ’bijna met uitsterven bedreigd‘ gegaan. Dit blijkt uit de bijgewerkte Rode Lijst van de International Union for Conservation of Nature (IUCN), die maandag werd gepubliceerd in Cali tijdens de COP16 over biodiversiteit.

    De populatie is afgenomen in meer dan de helft van de landen waar de soort voorkomt. Het gaat voornamelijk om de volgende landen: het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, België en Duitsland. In 2022 onthulde een onderzoek volgens The Daily Telegraph dat de egelpopulaties in het Verenigd Koninkrijk sinds 2000 met 75 procent waren afgenomen.

  • VN-conferentie COP16 van start gegaan in Colombia

    VN-conferentie COP16 van start gegaan in Colombia

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » India kondigt een overeenkomst aan met China over grenspatrouilles

    » Brazilië: president Lula annuleert reis naar BRICS-top na ‘ernstig’ ongeluk

    Op de conferentie staat het onderwerp biodiversiteit centraal

    Zondag is de zestiende VN-conferentie over biodiversiteit geopend in de Colombiaanse stad Cali. De conferentie begon met een formele ceremonie waarbij ‘een oproep aan de vele leiders werd gedaan om het leven te beschermen en de daad bij het woord te voegen‘ om de natuur te beschermen, meldt El Tiempo.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In een videoboodschap drong VN-secretaris-generaal António Guterres er bij de deelnemers op aan om ‘belangrijke investeringen‘ te doen om de biodiversiteit te beschermen, ‘de beloften na te komen die zijn gedaan over de financiering [in 2022 tijdens COP15] en de steun voor ontwikkelingslanden te versnellen‘.

  • Colombia versterkt politiebeveiliging met het oog op VN-top

    Colombia versterkt politiebeveiliging met het oog op VN-top

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Frankrijk: akkoord bereikt tussen RN en LR

    » Elon Musk laat rechtszaak tegen OpenAI vallen

    Het land is nog altijd in oorlog met guerrillastrijders van de FARC

    Colombia gaat rond de twaalfduizend militairen en politieagenten inzetten om de veiligheid te garanderen tijdens de COP16 (Conference of the Parties), de VN-top over biodiversiteit die van 21 oktober tot 1 november gehouden zal worden in de Colombiaanse stad Cali.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Als voorbereiding voor de COP16, die gepland staat voor oktober, gaat Cali door met het opvoeren van de veiligheidsmaatregelen door vierduizend extra politieagenten toe te voegen aan de zesduizend die al aanwezig zijn’ in de op twee na grootste stad van Colombia, meldt W Radio. De autoriteiten zullen ook zestienhonderd militairen inzetten om samen met de politie de VN-top te beveiligen.

    Het stadhuis van Cali ‘heeft herhaald dat het evenement geen significante veiligheidsrisico’s met zich meebrengt’, aldus het Colombiaanse radiostation. Maar de autoriteiten van het land geven de voorkeur aan een proactieve houding tegenover de ‘bedreigingen’ van de dissidente guerrillastrijders van de FARC die in de regio actief zijn en een open oorlog voeren tegen de regering.

  • Een nieuwe pandemie lijkt onafwendbaar – maar is te voorkomen

    Een nieuwe pandemie lijkt onafwendbaar – maar is te voorkomen

    We staan niet machteloos tegenover een nieuwe pandemie, maar dan moeten we wel snel in actie komen, aldus klimaatjournalist John Vidal. ‘De enige manier om de gezondheid van mens en planeet langdurig op peil te houden is de verstoring van de natuur tot een minimum terugbrengen.’

    Keuze uit het archief

    Een nieuwe ziekte houdt de wereld in de ban: het hantavirus. De uitbraak begon aan boord van het cruiseschip Hondius, waar meerdere passagiers aan het virus bezweken. In Nijmegen moesten twaalf personeelsleden van het Radboud UMC in quarantaine na in contact te zijn geweest met een patiënt met hantavirus.
    Voor de deskundigen komt de mogelijk nieuwe pandemie niet uit de lucht vallen. Klimaatjournalist John Vidal schreef drie jaar geleden in The Guardian al over het hantavirus. In zijn artikel pleit hij ervoor niet zozeer de symptomen als wel de onderliggende oorzaken van een eventuele pandemie aan te pakken: het landbouwbeleid, klimaatopwarming en de veranderde relatie tussen mens en dier.

    Toen hij op internet voor acht dollar die leuke brandmuis kocht voor zijn dochters zesde verjaardag, wist de zakenman uit São Paulo niet beter of het beestje was gegarandeerd vrij van ziektes en afkomstig van een erkend fokker. In werkelijkheid was het gevangen op de uitgestrekte suikerrietvelden die in Brazilië zijn aangeplant voor de productie van de biobrandstoffen waarmee het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden teruggedrongen. Die akkers waren na de zoveelste hittegolf weer eens overspoeld met muizen.

    De muis had wel een keer in de vinger van zijn dochtertje gehapt, maar daar maakte niemand een drama van, en zes dagen later vertrok vader op reis naar Europa. Tegen de tijd dat hij in Amsterdam aankwam, was zijn dochtertje al met hoge koorts, spierpijn en ademhalingsproblemen in het ziekenhuis opgenomen en voelde hij zich ook niet zo lekker. Dat was het begin van een van de ergste pandemieën in de geschiedenis, die meer slachtoffers eiste dan corona, sars en de Spaanse griep bij elkaar.

    Binnen een week waren er al driehonderd mensen besmet en na een maand lagen wereldwijd driehonderdduizend mensen naar adem te happen. Na acht maanden waren er naar schatting al twintig miljoen mensen overleden en een miljard mensen besmet. Dit was corona op anabolen. Aan corona overleed 1 procent van de mensen die besmet waren, maar dit nieuwe hantavirus muteerde net zo snel als de omikronvariant en kostte een op de drie van de besmette personen het leven. Dit was ‘ziekte X’, de in 2018 door deskundigen van de Wereldgezondheidsorganisatie bedachte naam voor een onbekende en extreem schadelijke ziekte waar nog geen medicijn of vaccin tegen bestaat en die honderden miljoenen levens zou kunnen eisen.

    Niet machteloos

    Tot zover is dit fictie. Ziekte X is nog een hypothetische ziekte. Maar men is het er in de wetenschap wel over eens dat er iets dergelijks aan zit te komen. Dat hoeft geen hantavirus te zijn. Het kan ook een griepvirus zijn, een coronavirus zoals covid-19, of de terugkeer in krachtiger gedaante van een oude moordenaar zoals tyfus, tuberculose of de pest. Zo’n virus kan op de mens overspringen via een hamster, een vleermuis, een kip of een teek. Het kan gebeuren in een pelsdierfokkerij in Noorwegen of bij een varkenshouder in Mexico. Het kan ontstaan in een door mensen verstoord bos, in een Amerikaans wapenlaboratorium of op een Britse boerenmarkt. Het kan nog decennia duren voordat het gebeurt, maar met de klimaatverandering, de nieuwe ecologische wereldsituatie, de hypermobiliteit van de mens en de steeds grotere bevolkingsconcentraties van zowel mensen als dieren is een volgende grote pandemie onvermijdelijk.

    Pandemieën kosten veel meer levens en geld dan oorlogen

    Pandemieën kosten veel meer levens en geld dan oorlogen, en toch maakt geen enkele nationale overheid of internationale instantie momenteel plannen om iets te doen aan de onderliggende oorzaken van corona of van het feit dat de uitbraken van grote nieuwe infectieziekten als aids, ebola, het Marburg-virus, de vogelgriep, sars, mers, mpox en het Nipah-virus allemaal in de afgelopen vijftig jaar plaatsvonden. Overheden en bedrijven geven meer prioriteit aan een betere bestrijding van de symptomen met vaccins en technologie dan aan het aanpakken van de oorzaken van de ziektes.

    Toch staan we niet machteloos. We weten dat de volgende grote pandemie hoogstwaarschijnlijk een zoönose zal betreffen (een ziekte die is overgesprongen van dier op mens) en verband zal houden met de staat van het milieu en de wijze waarop de mens overal ter wereld zijn leefomgeving manipuleert, verandert en beschadigt. Intensieve ontbossing, het droogleggen van waterrijke gebieden, bodemuitputting, de instorting van de biodiversiteit en de groei van uitgestrekte, verarmde steden creëren samen de ideale omstandigheden voor virussen om sneller te ontstaan en te evolueren en gemakkelijker van de ene soort naar de andere over te springen.

    Zes lessen

    Corona heeft ons geleerd dat het niet mogelijk is de evolutie van ziektes tegen te houden of ons er volledig voor af te sluiten. Maar er zijn minstens zes dingen die we wel kunnen doen om de kans op een pandemie te verkleinen en de ernst van een eventuele uitbraak te verminderen.

    Ga anders denken over de relatie tussen mens en dier. Sinds 1970 hebben bij welhaast elke grote uitbraak van een ziekte dieren een grote rol gespeeld. In die betrekkelijk korte tijd zijn er zo’n vijfhonderd nieuwe zoönosen ontstaan, waaronder mers, de vogelgriep, ebola, het marburgvirus, lassakoorts, het Nipah-virus, het zikavirus, corona en aids. Nooit eerder hebben zoveel mensen zo dicht op de ziekteverwekkers van andere diersoorten geleefd.

    Hervorm de landbouw. Nooit eerder hebben we zoveel dieren in de intensieve veehouderij gehouden: jaarlijks worden er meer dan zeventig miljard geslacht. De wereldwijde voedselproductie is momenteel afhankelijk van enorme hoeveelheden genetisch identieke kippen, runderen en varkens die in enorm intensieve, overbevolkte, krappe en volstrekt onnatuurlijke omstandigheden worden gehouden. Het groeiende gevaar is dat intensieve veehouderijen een ziektefabriek worden, waar infectieziekten zoals griepvirussen ontstaan en krachtiger worden, totdat extreem schadelijke varianten zich onder de dieren verspreiden en zelfs op de mens overspringen.

    We moeten de verstoring van de natuur minimaliseren en zorgen dat we minder in contact komen met de ziektes van andere soorten

    Herstel ecosystemen. In de afgelopen dertig jaar zijn bossen, watergebieden en bodemstructuren onder druk van de voedselproductie wereldwijd sneller veranderd dan ooit tevoren, zijn er grotere hoeveelheden fossiele brandstoffen en andere delfstoffen aan de aarde onttrokken dan ooit tevoren en is de wereldwijde handel en het verkeer van mensen sterker toegenomen dan ooit tevoren. Door houtkap, verstedelijking en bevolkingsgroei zijn ecosystemen verbrokkeld en is een ideale situatie geschapen voor het ontstaan en de verspreiding van nieuwe ziektes. We moeten de verstoring van de natuur minimaliseren en zorgen dat we minder in contact komen met de ziektes van andere soorten.

    Beperk de uitstoot van broeikasgassen. De opwarming van de aarde verhoogt de kans op nieuwe ziektes en heeft invloed op waar die ontstaan en zich verspreiden. Als temperaturen stijgen, de regenval toeneemt of droogte en hittegolven langer duren, veranderen de levensomstandigheden. De insecten, vleermuizen, teken en andere dieren die dragers zijn van ziektes als malaria, riftdalkoorts, cholera en dengue zullen zich daardoor wijder verspreiden. De klimaatverandering drijft dieren nu al naar nieuwe gebieden doordat hun natuurlijke habitat wordt vernietigd. Zo belanden ze in nieuwe omstandigheden, waarin soorten die nooit eerder met elkaar in contact kwamen naast elkaar leven en ziektekiemen uitwisselen. Als de opwarming geen halt wordt toegeroepen, zal niet alleen de mens daaronder lijden, maar zullen er tal van nieuwe ziektes opduiken, op onverwachte plaatsen.

    Leg laboratoriumproeven aan banden. Over de oorzaak van covid-19 lopen de meningen uiteen, maar het risico op een pandemie die in een laboratorium ontstaat is reëel en groeit ieder jaar. Wereldwijd wordt in duizenden laboratoria van bedrijven, universiteiten en overheidsinstanties nu medisch en militair onderzoek uitgevoerd met de gevaarlijkste bacteriën en virussen ter wereld. De zoektocht naar nieuwe vaccins en manieren om gevaarlijke ziekteverwekkers te beteugelen is een miljardenindustrie. Het risico op een pandemie die voortkomt uit controversieel ‘gain-of-function’ onderzoek (waarbij een virus voor militaire of medische doeleinden doelbewust gevaarlijker wordt gemaakt) is hoog.

    Als we ons beperken tot het met vaccins en technologie bestrijden van eenmaal uitgebroken epidemieën, laten we de kans lopen om te voorkomen dat ze zich überhaupt voordoen

    Hou meer controle op mogelijke ziekte-uitbraken. Van nieuwe uitbraken en mutaties van infectieziekten komen we niet meer af. Maar wie erdoor getroffen wordt en waar het plaatsvindt, daar hebben wij nu wel zelf invloed op. Zeker in grote steden is een goede gezondheidszorg de beste manier om nieuwe uitbraken van een ziekte vroeg te signaleren, te achterhalen welke stammen zich verspreiden, daarop te testen en de verspreiding een halt toe te roepen. Maar daarvoor moeten alle landen echt werk maken van het uitroeien van de armoede in de wereld. Dat is voor het rijke noorden misschien wel de beste garantie tegen toekomstige pandemieën.

    Het is nu net zo onmogelijk om het risico op infectieziekten volledig uit te bannen als twintig jaar geleden. Maar als we ons beperken tot het met vaccins en technologie bestrijden van eenmaal uitgebroken epidemieën, laten we de kans lopen om te voorkomen dat ze zich überhaupt voordoen. De enige manier om de gezondheid van mens en planeet langdurig op peil te houden is de verstoring van de natuur tot een minimum terugbrengen en te zorgen dat wij zo weinig mogelijk in contact komen met de ziekteverwekkers van andere soorten.

    Lees ook:

  • In de Ecuadoraanse Amazone voeren de bewoners een lange strijd tegen oliewinning

    In de Ecuadoraanse Amazone voeren de bewoners een lange strijd tegen oliewinning

    Een referendum moet uitsluitsel geven over de vraag of de Ecuadoraanse regering ruwe olie mag exploiteren in een gebied van ruim 1 miljoen hectare met de grootste biodiversiteit ter wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Waorani, doen er alles aan om hun leefomgeving te beschermen.

    Op 15 augustus 2013 maakte de president van Ecuador, Rafael Correa, de stopzetting van het Yasuní ITT-initiatief bekend. Het betrof een project dat was opgezet om de aanwezige aardolie in blok 43 van Nationaal Park Yasuní in de grond te houden. Dit park, het grootste beschermde gebied van Ecuador, beslaat meer dan een miljoen hectare verdeeld over de provincies Orellana en Pastaza, in het noordoosten van het Amazoneregenwoud.

    De annulering van het project liep vooruit op de plannen van de regering om genoemd blok te exploiteren, ook al bevond het zich in een van de gebieden met de grootste biodiversiteit ter wereld; dit gebied is door de Unesco uitgeroepen tot biosfeerreservaat en is domicilie van de Tagaeri en de Taromenane, de laatste inheemse groepen die in Ecuador in vrijwillig isolement leven. Vanwege de stopzetting vroeg het milieucollectief Yasu­nidos om een referendum, met de bedoeling de burgers zelf te laten beslissen. Tien jaar later, na talloze juridische obstakels, gaf het Constitutioneel Hof toestemming; het referendum zal nu op 20 augustus worden gehouden.

    Een dag na de gunstige beschikking om een referendum uit te schrijven begon de minister van Energie, Fernando Santos, over de te verwachten verliezen voor de staat als de exploitatie van blok ITT zou worden geblokkeerd: ‘Het gaat om 1,2 miljard dollar aan (jaarlijkse) inkomsten in een land met enorme problemen,’ zei hij. De regering gaf te kennen dat er irrationele verlangens ten grondslag lagen aan het verzet tegen het genereren van inkomsten die overduidelijk hard nodig waren. Ze liet welbewust de schaduwkanten van haar eigen pleidooi buiten beschouwing.

    Koolstofdioxide

    Het Yasuní ITT-initiatief hield in dat Ecuador zich verplichtte 846 miljoen vaten in de grond te houden, wat de uitstoot van 400 miljoen ton koolstofdioxide moest tegenhouden. In ruil daarvoor zou het land een financiële compensatie van de internationale gemeenschap krijgen van 3600 miljoen dollar, 50 procent van wat, heette het, de baten zouden zijn als de olie wel werd geëxploiteerd. Toen het initiatief, zes jaar nadat het was gelanceerd, werd afgeblazen, was er 13 miljoen dollar binnengekomen, amper 0,37 procent van het verwachte bedrag.

    Het Nationaal Park Yasuní, dat in 1989 door de Unesco tot biosfeerreservaat werd verklaard, en het aangrenzende Voorouderlijk Leefgebied van de Waorani behoren tot de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld. In het park wees de Ecuadoraanse staat in 1999 een zona intangible aan, een ‘onaantastbare zone’ (ongeveer 74 procent van het totale oppervlak), die eeuwig moest worden gevrijwaard van oliewinning. Het aardolieblok ITT grenst aan een deel van de onaantastbare zone, waar de Tagaeri en Taromenane wonen; zij zijn verwant zijn met de Waorani, een van de veertien oorspronkelijke inheemse groeperingen van het land.

    Tot halverwege de jaren vijftig leefden alle stammen met een Waorani-origine in vrijwillig isolement. Ze kregen met gedwongen verhuizing te maken toen zendelingen van het Linguïstisch Zomerinstituut hen, met toestemming van de staat, uit hun gebied weghaalden en verplaatsten naar een bepaald stuk grond met de bedoeling hen te ‘kerstenen’. Een deel van het territorium dat ze achterlieten werd prompt ingepikt door Texaco, waarmee het begin van de ecologische verwoesting door aardoliewinning een feit was.

    Toen in 2008 de huidige grondwet werd opgesteld, werd revolutionair genoeg gedecreteerd dat de natuur moest worden erkend als rechtspersoon en dat de inheemse dorpen moest worden gegarandeerd dat ze tevoren zouden worden geraadpleegd over eventuele exploitatieplannen van hun territorium. Niettemin verzocht de toenmalige president Correa het parlement met een beroep op dezelfde grondwet, na de mislukking van het Yasuní ITT-initiatief te hebben afgekondigd, om de exploitatie van de aardolie in blok ITT van nationaal belang te verklaren.

    Jongeren

    Uit verontwaardiging over de teleurstellende beschikking vormden leden van mensenrechtenorganisaties, milieuactivisten en feministen, veelal jongeren tussen de zestien en dertig, het collectief Yasunidos, een onafhankelijk front dat inmiddels alle kritische geluiden tegen het grove verdienmodel bundelt en van de casus Yasuní ITT zijn speerpunt heeft gemaakt.

    Niet veel later later deponeerde Yasunidos een vraag bij het Constitutioneel Hof om het genoemde referendum uit te schrijven: ‘Bent u het ermee eens dat de regering van Ecuador de ruwe olie van het ITT, bekend als blok 43, voor onbepaalde tijd in de grond houdt?’

    Tegen april 2014 waren vrijwillige inzamelaars erin geslaagd 757.623 handtekeningen binnen te halen, veel meer dan het vereiste aantal. Ze werden diezelfde maand ter verificatie overhandigd aan de Nationale Kiesraad. Maar via een proces dat jaren later frauduleus zou worden bevonden schrapte dat instituut meer dan vierhonderdduizend handtekeningen en weigerde het toestemming tot het referendum. Er werden de idiootste redenen aangevoerd om de ongeldigverklaring van de handtekeningen te onderbouwen: dat er alleen met een blauwe balpen mocht worden ingevuld, dat de formulieren niet allemaal even groot waren of evenveel wogen, dat de kopie van de achterkant van het identiteitsdocument van de inzamelaars ontbraken, dat iemand die Batman heette niet mocht tekenen, al zijn er in Ecuador mensen die zo heten en had inderdaad een zekere Batman zich pro Yasuní uitgesproken.

    Er was een kronkelig proces begonnen, waarin vanuit vijf regeringsinstanties een onbeschrijfelijke wirwar aan juridische beletselen naar voren kwam om maar te verhinderen dat het referendum werd uitgeschreven. Het proces zou tien jaar duren en drie regeringen overleven. ‘Het is duidelijk dat de staat, onafhankelijk van het zittende staatshoofd, waakt over de belangen van de grondstofwinning die het levensbloed van het kapitaal zijn,’ zegt zegt Pedro Bermeo, juridisch adviseur en spreekbuis van Yasunidos.

    Uiteindelijk, in september 2022, toen het Constitutioneel Hof erkende dat de rechten van Yasuní en de ondertekenaars waren geschonden, gaf de Landelijke Kiesraad dan toch toestemming voor het uitschrijven van het referendum. Wel moest nog de vraag worden goedgekeurd die tien jaar eerder was voorgelegd.

    De grootste armoede heeft zich juist in het Amazonegebied geconcentreerd

    Als de uitslag ‘ja’ wordt, zou dat de geleidelijke ontmanteling moeten betekenen van de olievelden die daar al in werking zijn. Niets had kunnen verhinderen dat dat gebeurde. In 2016, zodra de verklaring over het vermeende nationaal belang van kracht werd, begon het staatsoliebedrijf Petroamazonas met de exploitatie van de velden Tiputini en Tambobocha, en in 2022 ging het een stap verder met het bodemonderzoek van het Ishpingo-veld.

    Alicia Cahuiya en haar voorouders werden geboren in de gemeenschap Ñuneno, in het hart van wat nu het huidige Nationaal Park Yasuní is, in de zona intangible. Halverwege de jaren zeventig, toen ze zes maanden oud was, werden zij en haar familie uit hun grondgebied gehaald en overgeplaatst naar wat door de zendelingen als een protectoraat werd betiteld. Meer dan tien jaar lang woonden ze ver van hun geboortegrond.

    Alicia, nu zevenenveertig en moeder van vijf kinderen, begon ze zich af te vragen hoe die ondernemingen hun land konden binnenkomen zonder de daar wonende gemeenschappen te hebben geraadpleegd. Op haar vijftiende kwam ze al met vrouwen van haar eigen stam samen te komen om het verzet te organiseren en begon een politieke loopbaan die ze tot nu toe vastberaden heeft volgehouden.

    Op een gegeven moment besefte ze dat het complot tussen de staat en de zendelingen uiteindelijk zijn beslag kreeg dankzij de medewerking van corrupte leiders van hun eigen mensen die, in ruil voor privileges, de plundering toestonden. Om het recht op financiële autonomie te verkrijgen en politieke bewegingsvrijheid af te dwingen richtte ze de Amwae op, het Verbond van Waorani-vrouwen uit het Ecuadoraans Amazonegebied; later werd ze de op een na belangrijkste persoon van de Nawe, de organisatie die de hele Waorani-gemeenschap van Ecuador omvat.

    Economisch profijt

    Sinds Ecuador in 1972 veranderde in een olie exporterend land, heeft in de collectieve verbeelding het argument postgevat van economisch profijt als gevolg van de oliewinning. Dat groeide langzaamaan uit tot een panacee van jewelste: het zou een einde maken aan honger en armoede. Dit is doel niet gehaald, sterker nog, de grootste armoede heeft zich juist in het Amazonegebied geconcentreerd.

    Wat betreft de bodemonderzoeken in het Ishipingo-veld, het kwetsbaarste omdat het grenst aan de zona intangible, zei minister Santos begin mei in een lokale krant dat ‘het een teleurstelling was, omdat er een heel dikke teer naar boven kwam’.

    Vanwege alle complicaties die samenhangen met het oppompen van ruwe olie in blok ITT heeft [de nationale oliemaatschappij] Petroecuador erop gewezen dat van de 846 miljoen vaten die in 2007 werden geacht nog als oliereserve aanwezig te zijn, er vandaag de dag nog maar 136 miljoen resteren. Ter verdediging voerde het bedrijf aan dat de winst de komende 33 jaar zo’n 4800 miljoen dollar zou bedragen, dat wil zeggen 148 miljoen per jaar, een bedrag dat hooguit 0,47 procent van de nationale begroting in 2023 bedraagt.

    ‘De plek met de meeste biodiversiteit ter wereld wordt vernietigd vanwege een verwaarloosbaar getal,’ zegt Pedro Bermeo. Fernando Benalcázar, de voormalige onderminister van Mijnbouw, verdedigt de exploitatie van blok ITT en houdt vol dat juist het deel van het Nationaal Park Yasuní dat aangetast zou worden te verwaarlozen is. ‘Voorkomen dat beslag wordt gelegd op 85 hectare ten behoeve van 18 miljoen Ecuadoranen lijkt mij niet op z’n plaats,’ zei hij.

    Als een van de alternatieven voor het oliewinningsmodel stelt Bermeo het schrappen van de belastingvrijstellingen voor de rijksten van het land voor. Volgens gegevens van de Dienst Interne Inkomsten liep Ecuador om die reden in 2021 6338 miljoen dollar mis, wat per jaar alleen al zo’n 30 procent meer is dan wat het in 33 jaar zou ontvangen met de exploitatie van blok ITT.

    Als de inkomsten door de aardolieverkoop niet ten goede komen aan ontwikkeling, als ze bijna gelijk zijn aan wat wordt besteed aan het importeren van derivaten, als de reserves afnemen, wie wordt er dan rijker van die handel? ‘Dat zijn de grote ondernemingen die de branche diensten verlenen,’ antwoordt Ramiro Ávila, een raadsman van Yasuní en universitair hoogleraar.

    Als de uitslag ‘ja’ is, zouden olievelden in werking ontmanteld moeten worden

    Ecuador zou in een ander land veranderen sinds het een aardolie-economie werd. ‘De staat werd pas corrupt doordat er veel geld in het geding was,’ zegt Ávila. ‘Het exploitatiemodel is aan alle kanten corrupt: er wordt gesjoemeld om een aanbesteding te bemachtigen, en de winst te verdelen. Het is een ramp.’ Minister Santos zelf deed er een schepje bovenop in zijn inaugurale toespraak in oktober 2022. ‘De olie heeft vooruitgang gebracht, maar ook de kanker van de corruptie.’

    Ondanks de bewijzen waaruit de huidige zwakte van de economie blijkt en ondanks de veelsoortige schade van ecologische aard die de exploitatie veroorzaakt, zal Ecuador in de nabije toekomst niet kiezen voor een verantwoordelijker en rechtvaardiger beleid. Toch kan het tegenhouden van de exploitatie van blok ITT wel degelijk symbolische betekenis hebben. ‘Het land stort niet in als blok 43 niet langer wordt geëxploiteerd,’ zegt Ávila. ‘Maar als we daarvoor kiezen, kiezen we voor een manier van leven die niet is gebaseerd op de exploitatie van de mens of de agressieve uitputting van de natuur. Dat is wat er op het spel staat.’

    Lees ook:

  • VN-landen komen na jaren tot historisch oceaanakkoord

    VN-landen komen na jaren tot historisch oceaanakkoord

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » China presenteert plannen op Volkscongres

    » Zuid-Korea zet compensatiefonds op voor dwangarbeiders uit WO II

    High Seas-akkoord moet biodiversiteit beschermen

    Na bijna twintig jaar onderhandelen hebben de Verenigde Naties een akkoord bereikt over de bescherming van oceanen, schrijft UN News. In het zogeheten High Seas-akkoord staat dat de biodiversiteit in internationale wateren beschermd moet worden. Vanaf 2030 moet dertig procent van deze wateren een beschermde status hebben.

    De EU noemt het akkoord, dat zaterdagavond gesloten werd, ‘een historisch moment voor de oceanen’. De EU-commissaris voor Milieu, Oceanen en Visserij Virginijus Sinkevicius spreekt van een ‘cruciale stap om het maritieme leven en de biodiversiteit, die voor ons en voor toekomstige generaties essentieel zijn, te beschermen’. Ook milieuorganisatie Greenpeace is enthousiast en noemt het ‘een monumentale overwinning voor de bescherming van de oceanen’.

    In het akkoord staan onder meer passages over visserij en andere commerciële activiteiten die biodiversiteit in de oceanen schaden. Ook zijn er afspraken gemaakt over het schoonhouden van oceanen en het verwerken van plastic afval. Verschillende landen hebben financiële bijdrages beloofd om te zorgen dat de biodiversiteit in de internationale wateren beschermd kan worden. Zo heeft de Europese Unie 40 miljard euro toegezegd.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-zee-dat-is-waar-wij-verstand-van-hebben/
  • WarWilding: hoe Moeder Natuur kan worden ingezet als oorlogswapen

    WarWilding: hoe Moeder Natuur kan worden ingezet als oorlogswapen

    Van overstromingen als verdediging tot het instellen van bufferzones: het inzetten van de natuur in gewapende conflicten is zo oud als oorlog zelf. Een extra voordeel: de natuur raakt erdoor hersteld. Zo ook rondom de Oekraïense rivier de Irpin.

    Keuze uit het archief

    Begin deze week werd de Nova Kachovka-dam in de regio Cherson opgeblazen, met grote overstromingen tot gevolg. Dat was niet de eerste keer dat in de oorlog in Oekraïne water werd ingezet om de tegenstander dwars te zitten. Al in de eerste dagen van de oorlog zetten de Oekraïners het gebied rond de rivier de Irpin bij Kyiv onder water om de opmars van de Russen tegen te houden. Gelukkig had dat toen minder desastreuze gevolgen dan nu in Cherson. Integendeel, de natuur bloeide ervan op.

    In de eerste dagen van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne naderde de invasiemacht de rivier de Irpin en stond bijna voor de poorten van de Oekraïense hoofdstad. Maar toen het water van de rivier plotseling begon te stijgen, werden de Russen gedwongen om te draaien, waarbij ze een spoor van tanks en ander militair materieel moesten achterlaten. Kyiv kon weer ademhalen en het wetlands-ecosysteem raakte voor het eerst in meer dan zeventig jaar overstroomd.

    Al had de gebeurtenis veel weg van een wonder, het was niet de hand van God die Oekraïne te hulp schoot. Jasper Humphreys, programmadirecteur van de Marjan Study Group, onderdeel van het departement oorlogsstudies aan het King’s College in Londen, dat onderzoek doet naar conflicten en milieu, noemt wat er bij de Irpin gebeurde warWilding, ofwel het manipuleren van de natuur tijdens conflictsituaties.

    ‘Ik werd ’s nachts wakker, een paar dagen nadat ik het verhaal over de “heldenrivier” in The Guardian had gelezen, over hoe het Oekraïense leger de opdrogende Irpin en de voormalige moerasgebieden weer onder water zette om de Oekraïense hoofdstad te redden,’ vertelt de academicus. Zo kwam hij op het woord. ‘Ik ging rechtop in bed zitten en fluisterde tegen mezelf: “Dit is warWilding.”’

    Verwildering

    Humphreys bedacht de term voor ‘het creëren en soms zelfs het vernietigen van een habitat als resultaat van tactische manipulatie van de natuur’. Of, om het simpeler te zeggen; ‘het toepassen van de natuur bij oorlogsvoering’. De tweede W wordt met een hoofdletter geschreven om het belang van wilding te benadrukken, legt hij uit.

    ‘Het tactische vernuft van het Oekraïense leger was dat ze de natuur inzetten om de invasie te stoppen, en het resultaat was positief omdat de Russische opmars door de “verwildering” van land en water tot halt werd geroepen. In die zin is deze gebeurtenis een klassiek voorbeeld van warWilding.’

    Hoewel warWilding een neologisme is, is het strategische en tactische gebruik van de natuur al zo oud als oorlog zelf, zegt Humphreys, die eraan toevoegt dat de resultaten niet altijd positief uitpakken. ‘Helaas heeft warWilding ook een schaduwzijde. Saddam Hoesseins tactische manipulatie van de natuur resulteerde bijvoorbeeld in de drooglegging van de moerassen in Centraal-Irak en in de [etnische] zuivering van de Ma’dan, ofwel de moerasarabieren [de oorspronkelijke Arabische bewoners van de moerassen van Mesopotamië (het zuiden van het hedendaagse Irak en aangrenzende Iran)].’

    ‘De overstroming van de Irpin kan resulteren in een unieke hotspot van biodiversiteit’

    Hij voegt eraan toe: ‘WarWilding is van nature onvoorspelbaar, maar als de strategische motieven creatief zijn en niet destructief, dan biedt deze tactiek uitgelezen mogelijkheden om grote stukken wildernis te redden en bufferzones in conflictgebieden te creëren. Op langere termijn kunnen deze zelfs voor vrede zorgen.’

    De aanpak van het Oekraïense leger bij de overstroming van de Irpin is volgens Humphreys een goed voorbeeld van een geslaagde vorm van warWilding. ‘De overstroming van de Irpin redde niet alleen de Oekraïense staat, maar kan in het naoorlogse Oekraïne bovendien resulteren in een unieke hotspot van biodiversiteit door de heropleving van de eens zo machtige rivier en de tienduizenden hectaren aan moerasland.’

    Park van de vrede

    Humphreys noemt ook het Gorongosa Park in Mozambique als voorbeeld van een succesvol staaltje warWilding. ‘Negentig procent van de fauna was verwoest als gevolg van de burgeroorlog, maar dankzij gecoördineerde inspanningen en investeringen zijn de populaties olifanten en leeuwen weer hersteld. De waardering voor deze aanpak bleek uit de benoeming van het gebied tot “park van de vrede”.’

    ‘Op dezelfde manier zou een hersteld ecosysteem rondom de Irpin een monument kunnen worden voor een van de meest legendarische warWildings in de geschiedenis: een hotspot voor biodiversiteit, met safari’s voor toeristen, en bovendien een wildernisbarrière die Kyiv honderden jaren kan beschermen tegen indringers,’ aldus Humphreys.

    De Amerikaanse bioloog en natuurbeschermer Thor Hanson, expert op het gebied van de invloed van oorlogen op het milieu, noemt de nieuwe term ‘aanstekelijk’. ‘Hij kan goed van pas komen om bepaalde milieugevolgen van oorlogsvoering mee aan te duiden,’ aldus Hanson, coauteur van het artikel Warfare Ecology uit 2008.

    ‘Vaker gebeurt deze verwildering onbedoeld, als gevolg van ingrijpende veranderingen in menselijk gedrag’

    ‘Aanzienlijke “verwilderings”-trends doen zich ook wel voor tijdens de voorbereiding op een oorlog, met name op de grote stukken land die zijn gereserveerd voor het trainen van troepen en het testen van bewapening. De gevolgen zijn dan niet noodzakelijkerwijs opzettelijk; in grote delen van zo’n gebied zijn simpelweg de meeste menselijke activiteiten opgeschort,’ zegt Hanson.

    ‘Ik weet nog niet goed of de term warWilding ook van toepassing is in dergelijke situaties, die zich ver buiten de context van de oorlogen zelf voordoen. Ik vind het een relevante term voor het opnieuw verwilderen van habitat als gevolg van oorlog. Dat kan om tactische redenen zijn, zoals het opzettelijk onder water zetten van de Irpin, maar vaker gebeurt deze verwildering onbedoeld, als gevolg van ingrijpende veranderingen in menselijk gedrag en landgebruik. Je kan denken aan regeneratie van verlaten landbouwgrond, of aan onderbreking van de exploitatie van een gebied, zoals commerciële visserij, bosbouw of jacht.’

    Ecologische vredesopbouw

    Verwijzend naar de Irpin, stelt Hanson voor om ten minste enkele van de overstroomde gebieden van het voormalige moerasland te behouden om daarmee ‘ecologische vredesopbouw’ in het naoorlogse Oekraïne te bevorderen. ‘Betwiste grensgebieden worden vaak bufferzones die conflicten kunnen helpen temperen, doordat ze het contact tussen beide partijen belemmeren,’ zegt hij.

    ‘Vermindering van menselijke activiteit in dergelijke gebieden kan leiden tot herstel van de habitat en de bijbehorende flora en fauna. Het klassieke moderne voorbeeld hiervan is de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea, maar er zijn vele andere voorbeelden te vinden in de geschiedenis. Als we milieuoverwegingen een rol laten spelen bij de vredesinspanningen, kan dat beide partijen in het conflict aanzienlijke voordelen opleveren – denk aan betere waterkwaliteit, leefgebied voor wilde dieren of beheersing van overstromingen. Bovendien nemen de spanningen mogelijk af doordat het conflict over de betwiste grond wordt weggenomen.’

    ‘Ik ken niet alle details van de situatie rond de Irpin, maar het is denkbaar dat een dergelijke situatie kan worden bereikt als ten minste een deel van dat overstroomde land in permanent moerasgebied wordt veranderd. Strategisch gezien kunnen permanente, onbegaanbare moerasgebieden ook potentiële toegangswegen blokkeren voor aanvallen in de toekomst. Dit is een goed voorbeeld van de overlap tussen militaire overwegingen en die van milieuplanning.’

    ‘Er is een sterk historisch patroon van geïntensiveerde conflicten in perioden van klimaatstress’

    Hoewel de twee academici het nog niet helemaal eens zijn over de exacte definitie van warWilding, beamen beiden dat het fenomeen door de huidige klimaatsituatie, de voortdurende plundering van natuurlijke hulpbronnen en de snelle vernietiging van vitale ecosystemen steeds vaker zal voorkomen.

    ‘Er is een sterk historisch patroon van geïntensiveerde conflicten in perioden van klimaatstress, dus we verwachten wel degelijk dat spanningen toenemen naarmate de klimaatcrisis zich verder ontvouwt. Dat zal een context creëren voor oorlogszuchtige handelingen, zowel tactisch als onbedoeld,’ zegt Hanson.

    ‘Ik zie een toekomst waarin de Irpin weer krioelt van de wilde dieren’

    ‘Beleidsmakers, wetenschappers en natuurbeschermers moeten zich bewust zijn van de mogelijkheden die “verwildering” biedt om vrede en veiligheid te bevorderen, zoals het creëren van grensoverschrijdende vredesparken en bufferzones, maar ook sociale en politieke stabiliteit op de lange termijn, die worden geassocieerd met een gezond milieu.’

    Humphreys, die de Oekraïense Groep voor Natuurbehoud heeft gevraagd een studie uit te voeren naar de ecologische staat van het gebied, stelt voor dat de Irpin, net als Gorongosa, een vredespark wordt.

    ‘Soms is “verwildering” alleen niet genoeg, maar warWilding kan er de perfecte voorwaarden voor scheppen en die kans moeten we grijpen, zowel tijdens de oorlog als in post-conflictfases,’ zegt hij. ‘Ik zie een toekomst waarin de Irpin weer krioelt van de wilde dieren, met waterbuffels die zich wentelen in onneembare moerasgebieden, lynxen die diep in het dichte kreupelhout sluipen en daarboven rondzwevende zeearenden.’

    Lees ook:

  • Hoe gebruikers van een app wetenschappers helpen nieuwe soorten te ontdekken

    Hoe gebruikers van een app wetenschappers helpen nieuwe soorten te ontdekken

    In de miljoenen berichten op iNaturalist melden gebruikers nieuwe soorten, sporen ze invasieve insecten op en doen ongelooflijke ontdekkingen. Wetenschappers maken er gretig gebruik van.

    https://soundcloud.com/blendle/360-magazine-hoe-de-app-van-een-natuurliefhebber-een-catalogus-van-de-biodiversiteit-op-aarde-werd?si=4e87dc5498ac4afd91f42bbb68c61d6a&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing

    Als Tom Doubleday in de bossen van Vermont wandelt, kijkt hij onder stenen, op zoek naar salamanders. Hij luistert naar gezang van vogels en let op de plantensoorten om zich heen.

    Toen de gepensioneerde tuinder met een levenslange interesse in de natuur een jaar geleden een plant tegenkwam die hij niet herkende, van ongeveer dertig centimeter hoog met vijf bladeren aan de stengel, maakte hij een foto die hij uploadde naar de app iNaturalist.

    ‘Ik wist dat het om iets ongewoons ging,’ vertelt hij.

    Zeldzame orchidee

    Dankzij de hulp van andere gebruikers van het platform voor biodiversiteit en bevestiging van botanici van de staat Vermont in mei 2022, werd duidelijk dat Doubleday was gestuit op de Isotria medeoloides of kransvormige pogonia, een zeldzame orchidee waarvan werd gedacht dat die sinds 1902 was uitgestorven in Vermont.

    Voor natuurliefhebbers die in het bos wandelen, bergen beklimmen of rondneuzen in een getijdenpoel is iNaturalist een handige metgezel om planten en wilde dieren te identificeren. Maar gaandeweg is iNaturalist ook uitgegroeid tot een plek waar burgers waardevolle gegevens verschaffen aan onderzoekers over de toestand in de ecologische wereld door simpelweg hun waarnemingen te delen. Dat loopt uiteen van het identificeren van zeldzame planten tot de ontdekking van de aanwezigheid van invasieve insecten. De app versterkt ons begrip van de complexiteit van de biodiversiteit van de planeet.

    Nu de biodiversiteit op aarde sterk afneemt – in een rapport van de Verenigde Naties uit 2019 wordt geschat dat tot een miljoen soorten met uitsterven worden bedreigd – zijn waarnemingen zoals deze, in kaart gebracht en geregistreerd door mensen van over de hele wereld, van cruciaal belang geworden om wetenschappers te helpen begrijpen wat er ter plaatse met ecosystemen gebeurt.

    Het platform twee heeft hoofddoelen: mensen in contact brengen met de natuur en wetenschappelijk bruikbare gegevens genereren

    ‘Alleen al het feit dat er mensen op pad zijn die dit soort gegevens leveren is belangrijk, omdat het de aandacht vestigt op de staat waarin organismen nu verkeren, en hoe dat in de loop der jaren kan veranderen,’ zegt Tony Iwane, coördinator van iNaturalist.

    Op iNaturalist kan iedereen foto’s van een organisme uploaden met gegevens over waar en wanneer ze het hebben gezien. Gebruikers kunnen hun eigen identificatie doen – als ze willen kan dat met behulp van suggesties die de app aandraagt – en die vervolgens posten zodat andere gebruikers deze kunnen bevestigen, tegenspreken of ander commentaar kunnen geven.

    iNaturalist ontstond in 2008 als een project van masterstudenten van de UC Berkeley School of Information en is inmiddels een gezamenlijk initiatief van de California Academy of Sciences en de National Geographic Society. Volgens Iwane heeft het platform twee hoofddoelen: mensen in contact brengen met de natuur en wetenschappelijk bruikbare gegevens genereren. ‘Wij denken dat die twee goed samengaan,’ zegt hij.

    In juli 2022 waren er meer dan 121 miljoen waarnemingen op de site gepost. Meer dan 66 miljoen daarvan werden geclassificeerd met de kwalificatie ‘research niveau’ (onderzoeksniveau), wat betekent dat er basisinformatie is over datum en locatie; dat er een foto of geluidsfragment is gemaakt; dat bevestigd kan worden dat het organisme niet gevangen of gekweekt is; en dat de gemeenschap het eens is over de soortidentificatie.

    iNaturalist steunt op de deelname van mensen die daadwerkelijk willen leren en onderwijzen, legt Iwane uit. ‘Zelf heb ik het ook vaak mis,’ zegt hij. ‘We proberen echt een cultuur te creëren waarin het oké is om fout te zitten, en het oké is om een ander te corrigeren.’

    Amateurwetenschappers

    Voor Doubleday was het een beleving om de zeldzame orchidee te vinden. Hij houdt van iNaturalist en andere apps voor amateurwetenschappers, omdat ze hem ook dingen leren over de gewonere soorten in het natuurgebied dat hij graag verkent. Nu hij tijdelijk niet naar het bos kan  vanwege een gebroken rib – opgelopen tijdens het zoeken naar een ratelslangvaren – bestudeert hij de varens tijdelijk vanuit huis met behulp van iNaturalist. ‘Het is een hulpmiddel dat je helpt om beter te zien,’ zegt Doubleday. ‘Ik heb het gevoel dat ik mijn vocabulaire van het bos vergroot door die app te gebruiken.’

    Mensen als Doubleday gebruiken iNaturalist om hun eigen waarnemingen te begrijpen, maar ze bouwen tegelijkertijd een schat aan gegevens op.

    Gebruikers van iNaturalist hebben op Australische riffen meer vissoorten waargenomen dan met gestructureerd onderzoek mogelijk was; daaronder waren zeldzame soorten die bij dergelijke surveys vaak over het hoofd worden gezien. In een ander geval hebben onderzoekers 406 vlindersoorten ontdekt nadat de eerst bekende foto van het levende dier op iNaturalist was gepost. Een lopend project dat gebruikmaakt van iNaturalist is de documentatie van kleurvariatie bij eekhoorns.

    In juni 2020, toen iemand een foto postte van een kronkelende beschadiging van een iepenblad in de buurt van Montreal, zag een andere iNaturalist-gebruiker dit als mogelijk bewijs van de aanwezigheid van een Aproceros leucopoda ofwel de iepenzigzagbladwesp, een invasieve soort die nog niet eerder was aangetroffen in Noord-Amerika. Nadat dit vermoeden door de Canadese autoriteiten was bevestigd, werd het publiek gevraagd om op de aanwezigheid van het insect te letten. Een van de velen die dat deden was entomoloog Morgan Jackson, onderzoeker aan de McGill University. Hij ging erop uit en vond het patroon van het insect op een iep in de buurt van zijn huis.

    Een natuurliefhebber die gewoon aan het wandelen is, kan zomaar op een wetenschappelijke openbaring stuiten

    Jackson maakt veel gebruik van iNaturalist, zowel uit persoonlijke nieuwsgierigheid als voor zijn onderzoek naar vliegen. Het platform is uitgegroeid tot een van de grootste entomologische dataopslagplaatsen in Canada en is van onschatbare waarde om nieuwe registraties te vinden, te zien hoe vliegen zich gedragen en om informatie te verkrijgen over gebieden die Jackson slechts af en toe kan bezoeken.

    Jackson ziet het platform ook als een manier om mensen enthousiast te maken over aspecten van biodiversiteit waar ze misschien nog nooit eerder aan hebben gedacht. Onderzoekers schatten dat van het totale aantal soorten terrestrische geleedpotigen, een categorie die spinnen en insecten omvat, in Canada tot nu toe slechts 62 procent is gedocumenteerd.

    Dus als we beginnen te letten op insecten, zegt Jackson, kan een natuurliefhebber die gewoon aan het wandelen is, zomaar op een wetenschappelijke openbaring stuiten.

    ‘Laat ze kennismaken met de vreemde verschijnselen die ze in hun achtertuin kunnen vinden, die ze hun hele leven over het hoofd hebben gezien of waar ze langs liepen en wijs ze dan op het feit dat de dingen die ze zien nieuw zijn,’ zegt hij. ‘Zo leveren ze ons nieuwe kennis op, waar we allemaal van kunnen leren.’

    Beperkingen

    Ecoloog Grace Di Cecco, die een studie maakte van de bijdragen aan iNaturalist, zegt dat de gegevens heel nuttig zijn voor onderzoekers, maar dat ze ook beperkingen hebben.

    Ten eerste zijn er duidelijke vookeuren in wat gefotografeerd wordt, merkt ze op. Organismen die snel bewegen of heel klein zijn, zijn ondervertegenwoordigd. Mensen plaatsen vaker foto’s van dichtbevolkte, door mensen beïnvloede landschappen. Er wordt ook meer gepost in het weekend en in perioden van het jaar waarin het weer aangenaam is. Sommige vragen, zoals die over de overvloedigheid van een bepaalde soort, kunnen niet worden beantwoord met de opportunistische gegevens die op het platform worden verzameld.

    ‘Ik denk niet dat het onoverkomelijke problemen zijn,’ zegt ze. ‘Maar ze zullen wel invloed hebben op welke vragen je kunt stellen.’

    ‘Dit is echt een belangrijke eerste stap om mensen ervan te overtuigen dat deze soorten waardevol zijn’

    iNaturalist kan niet alle wetenschappelijke studies vervangen, zegt ze. Maar het platform biedt wetenschappers wel veel rijk materiaal, dat ze als onderzoeker in hun eentje niet zouden hebben kunnen verzamelen.

    Een van de grootste troeven van iNaturalist is volgens Di Cecco hoe de app gebruikers kan helpen de natuur om hen heen beter te begrijpen. ‘Dit is echt een belangrijke eerste stap om mensen ervan te overtuigen dat deze soorten waardevol zijn en dat we ze moeten proberen te beschermen.’

    Doubleday is het daarmee eens. Nu de biodiversiteit wereldwijd afneemt, ziet hij in dat deelname aan het platform als burgerwetenschapper een belangrijke manier is om te helpen. ‘Het geeft ons allemaal een soort gevoel van kracht. Weet je, we kunnen allemaal een rol hebben, in plaats van alleen maar te moeten aanhoren wat er verloren gaat,’ zegt Doubleday. ‘Er valt nog veel te winnen en er valt nog veel te ontdekken.’

    Lees ook:

  • Onderzoek: steeds minder besneeuwde bergtoppen in Alpen

    Onderzoek: steeds minder besneeuwde bergtoppen in Alpen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duizenden aangespoelde dolfijnen door oorlog Oekraïne, aldus wetenschappers

    » Soedan: na drie jaar nog geen gerechtigheid voor slachtoffers politiegeweld

    Alpentoppen worden steeds groener door hogere temperaturen

    De sneeuwwitte bergtoppen van de Alpen worden steeds groener, zo blijkt uit een studie van satellietbeelden, meldt The Guardian. De begroeide gebieden boven de boomgrens in de Alpen zijn sinds 1984 met 77 procent toegenomen, aldus het onderzoek dat beschreven wordt in Science. Stijgende temperaturen en toegenomen regenval verlengen het groeiseizoen, waardoor planten nieuwe gebieden koloniseren. De begroeiing wordt ook hoger en dichter dan voorheen.

    De smeltende gletsjers zijn een duidelijk signaal dat de aarde aan het opwarmen is. De wetenschappers twijfelen er niet aan dat de toenemende plantengroei die ze hebben waargenomen, ook een groot bewijs van de stijgende temperaturen is.

    Berggebieden warmen ongeveer twee keer zo snel op als gemiddeld

    Volgens professor Sabine Rumpf van de Universiteit van Basel, hoofdauteur van het artikel in Science, kan meer plantengroei op grote hoogten paradoxaal genoeg een bedreiging vormen voor de typische Alpenplanten. ‘De unieke biodiversiteit van de Alpen staat daardoor onder grote druk,’ aldus Rumpf. Ook zegt zij dat groenere bergen minder zonlicht weerkaatsen, wat leidt tot verdere opwarming, wat weer leidt tot verdere inkrimping van het reflecterende sneeuwdek.

    Berggebieden warmen ongeveer twee keer zo snel op als gemiddeld. En hoewel de vergroening van de Alpen het CO2-gehalte kan verminderen, weegt dat waarschijnlijk niet op tegen de negatieve gevolgen. De opwarming zorgt er ook voor dat gletsjers ontdooien en de permafrost afneemt, wat op zijn beurt leidt tot meer aardverschuivingen, steenlawines en modderstromen.

    Lees ook:

  • Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Taiwanezen gaan massaal op cursus zelfverdediging uit angst voor oorlog

    » Californië start groot onderzoek naar ‘misleiding’ plasticindustrie

    Stijgende uitstoot broeikasgassen is funest voor zeeleven

    Als de uitstoot van broeikasgassen blijft stijgen, kunnen het aantal diersoorten die in de oceaan leven tegen 2300 gedecimeerd zijn, zo waarschuwt een studie die donderdag in het prestigieuze tijdschrift Science is gepubliceerd. De massa-extinctie is vergelijkbaar met die van het Perm, die ongeveer 250 miljoen jaar geleden plaatsvond.

    Tijdens die catastrofale gebeurtenis is de biodiversiteit in de zee tot een absoluut minimum gereduceerd, als gevolg van een combinatie van stijgende temperaturen en afnemende zuurstof in de oceanen, een proces dat ook nu nog aan de gang is. Volgens de onderzoekers van de in Science gepubliceerde studie zou een beperking van de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius dit rampscenario helpen voorkomen.

    Lees ook: