Tag: biologie

  • Taxonomie

    Taxonomie

    De schade die klimaatverandering aan de biodiversiteit toebrengt wordt ook bijgehouden door taxonomen. Zij proberen de talloze organismen op aarde in kaart te brengen. Net als veel van de soorten die ze bestuderen, dreigen zij zelf een uitstervende groep te worden. Weten dat dit allemaal verloren gaat, is ‘alsof je een bibliotheek ziet afbranden zonder ook maar één boek te kunnen redden’.

    De aarde barst van het leven. Vier miljard jaar na de eerste microben, 400 miljoen jaar nadat het leven het land bereikte, 200.000 jaar na de komst van de mens, zo’n 5000 jaar na Noach – en tweehonderd jaar nadat we dat alles systematisch zijn gaan ordenen – ontdekken we nog altijd honderden, zo niet duizenden, nieuwe soorten.

    Voor taxonomen – de wetenschappers die deze eindeloze stroom aan biodiversiteit in kaart brengen – verliep de eerste week van november 2017 als elke andere. Oftewel: uitzonderlijk.

    Het begon met 95 nieuwe keversoorten uit Madagaskar. Maar dat was pas het begin. In de dagen daarop volgden zeven nieuwe microvlinders uit Zuid-Amerika, tien piepkleine spinnen uit Ecuador en zeven Zuid-Afrikaanse kluizenaarsspinnen – allemaal giftig.

    Een grotbewonend kreeftachtig dier uit Brazilië. Zeven soorten ondergrondse oorwormen. Vier kakkerlakken uit China. Een nachtelijke kwal uit Japan. Een blauwogige waterjuffer uit Cambodja. Dertien borstelwormen van de oceaanbodem – sommige bolvormig, andere behaard, allemaal afschrikwekkend. Acht Noord-Amerikaanse mijten, gevonden in de veren van aangereden dieren in Georgia. Drie zwarte koralen uit Bermuda. En een Andes-kikker met feloranje ogen, die zijn ontdekkers deed denken aan de Inca-zonnegod Inti.

    Tot nu toe zijn er zo’n 2 miljoen soorten planten, dieren en schimmels bekend. Hoeveel er nog te ontdekken zijn, weet niemand. Sommigen schatten het aantal op nog eens 2 miljoen, anderen op meer dan 100 miljoen.

    Ongrijpbaar totaal

    De werkelijke omvang van de biodiversiteit is een van de grootste en lastigst te beantwoorden vragen in de wetenschap. Er is geen snelle berekening die daar uitsluitsel over geeft – alleen een gestage stroom nieuwe waarnemingen van kevers, vliegen en andere soorten, die zich langzaam opstapelen richting een vrijwel ongrijpbaar totaal.

    Maar terwijl er elk jaar duizenden nieuwe soorten worden ontdekt, verdwijnen er evenveel – meegesleurd in een ecologische crisis die bekendstaat als de zesde massaextinctie.

    Eerder vonden al vijf van zulke uitstervingsgolven plaats. De bekendste (en meest recente) is die aan het einde van het Krijt, 66 miljoen jaar geleden, toen de dinosauriërs uitstierven. De meest verwoestende was de Perm-extinctie, zo’n 190 miljoen jaar eerder, die de weg vrijmaakte voor de dinosauriërs.

    Om vast te stellen of we ons werkelijk in een zesde massaextinctie bevinden, moeten wetenschappers zowel het huidige tempo van uitsterven bepalen als het tempo dat zonder menselijke invloed zou optreden – de zogeheten ‘achtergrondsnelheid’.

    ER zijn zo’n 2 miljoen soorten planten, dieren en schimmels bekend. Hoeveel er nog te ontdekken zijn, weet niemand

    In 2015 concludeerde een team van Amerikaanse en Mexicaanse onderzoekers, op basis van gegevens over alle bekende gewervelde dieren, dat diersoorten door menselijk toedoen tot wel honderd keer sneller verdwijnen dan ze van nature zouden doen – een tempo dat de uitsterving van de dinosauriërs in herinnering brengt.

    Maar zoals de legendarische tropisch entomoloog Terry Erwin mij vertelde, zijn die schattingen van een zesde massaextinctie ‘gebaseerd op slechts een klein deel van de biodiversiteit’.

    Als het gaat om ongewervelden – slakken, krabben, wormen, spinnen, octopussen en vooral insecten, die het grootste deel van de dierensoorten vormen – tasten we grotendeels in het duister. ‘Natuurbeschermers doen wat ze kunnen, maar gegevens over insecten ontbreken grotendeels,’ aldus Erwin.

    Om echt te begrijpen wat er met de biodiversiteit gebeurt, moeten ecologen meer aandacht besteden aan ongewervelden en minder aan de ‘aaibare soorten’ – zoals Terry Erwin gewervelden noemt. (Na al die verhalen over gorilla’s en bultruggen kan een verstokte insectenliefhebber daar best wat cynisch van worden.) Per slot van rekening zijn er simpelweg veel meer van hen dan van ons.

    Ruggengraat

    We leven in een wereld van ongewervelden. Van alle bekende diersoorten heeft minder dan 5 procent een ruggengraat, terwijl zo’n 70 procent uit insecten bestaat. Minder dan een op de tweehonderd soorten is een zoogdier, en daarvan is een groot gedeelte knaagdier. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit zijn wij zoogdieren dus niet meer dan een handvol muizen op een planeet vol kevers. Het grootste deel van die kevers zijn planteneters uit de tropen. Wie de biodiversiteit op aarde echt wil begrijpen – en het tempo waarin die verdwijnt – moet daarom nagaan hoeveel soorten kevers leven van elke soort tropische boom.

    Maar voordat je soorten kunt tellen, moet je ze eerst benoemen. Daar komen taxonomen in beeld. Het begrip ‘soort’ is voor biologen berucht lastig te definiëren, vooral omdat organismen vaak in elkaar overlopen en steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn naarmate ze meer op elkaar lijken.

    De meest gebruikte definitie komt van evolutionair bioloog Ernst Mayr: soorten zijn groepen dieren die zich onderling voortplanten, maar normaal gesproken niet met andere groepen. (Als je een zebra en een ezel kruist en zo een zebrel krijgt, heb je één hybride gecreëerd – maar dat betekent niet dat het geen aparte soorten zijn, omdat zo’n kruising in de natuur niet vanzelf voorkomt.)

    Het begrip ‘soort’ is voor biologen berucht lastig te definiëren

    Taxonomen geven niet alleen individuele soorten een naam; ze moeten ook bepalen hoe soorten onderling verwant zijn. Door de eeuwen heen hebben wetenschappers geprobeerd alle levensvormen in een logisch systeem onder te brengen, met wisselend succes. Aristoteles probeerde al het leven te ordenen op basis van essentiële kenmerken, vooral de manier waarop organismen zich voortbewegen. Stilzittende organismen bezorgden hem de meeste hoofdbrekens. Op het eiland Lesbos zou hij lang hebben nagedacht over de vraag of zeeanemonen en sponzen dieren, planten of iets daartussenin zijn.

    De echte revolutie in de taxonomie komt pas in de achttiende eeuw, tijdens de Verlichting, en is grotendeels te danken aan Carl Linnaeus, die wel de Isaac Newton van de biologie wordt genoemd. Linnaeus is een opvallende figuur: briljant, eigenzinnig en ijdel, met een uitzonderlijk talent om de geslachtskenmerken van planten te onthouden. Zelf maakt hij slechts één grote expeditie – naar Lapland in het noorden van Zweden – maar daarnaast stuurt hij zeventien ‘apostelen’ de wereld in om specimens te verzamelen. Zeven van hen keren nooit terug. Op basis van al dat werk beschrijft hij zo’n 7700 plantensoorten en 4400 diersoorten.

    Latere biologen hebben veel aan te merken op zijn indeling – zo plaatst hij egels en vleermuizen samen als ‘woeste dieren’ en spitsmuizen en nijlpaarden als ‘lastdieren’. Zijn blijvende verdienste ligt dan ook niet zozeer in die groepen zelf, maar in het systeem dat hij invoert om soorten te benoemen. Volgens Linnaeus krijgt elke soort een tweedelige naam: het eerste deel geeft het geslacht aan, het tweede de soortaanduiding.

    Op basis van al zijn werk beschreef Carl Linnaeus zo’n 7700 plantensoorten en 4400 diersoorten

    Dit is een zeer efficiënt systeem, zowel om soorten te benoemen als om ze te ordenen. Dankzij dit systeem zien we meteen dat wij, Homo sapiens, verwant zijn aan maar ook verschillen van onze evolutionaire verwanten Homo erectus en Homo habilis. Het levert taxonomen bovendien plezier op. Namen die verwijzen naar presidenten – zoals bushi, obamai en donaldtrumpi (een opvallend gekapte mot) – halen vaak het nieuws. Soms verwijzen soortnamen naar politieke gebeurtenissen: zo kreeg een Braziliaanse eendagsvlieg de naam tragediae, ter herinnering aan de rampzalige dambreuk in 2015. Taxonomen houden ook van woordspelingen: zo noemde Terry Gosliner een soort uit het geslacht Thurunna uit Hawaï Thurunna kahuna.

    Gosliner ontdekte zijn eerste zeenaaktslak al op de middelbare school. Sindsdien reist hij de wereld rond en heeft hij in veertig jaar meer dan driehonderd soorten beschreven. Net als bewoners van koraalriffen zijn zeenaaktslakken bijzonder gevoelig voor stijgende zeetemperaturen. Sommige wetenschappers denken dat klimaatverandering en verzuring van de oceaan riffen binnen vijftig tot honderd jaar kunnen doen verdwijnen. Gosliner is iets optimistischer en wijst op het herstelvermogen van riffen. Maar terwijl koraalriffen onder druk staan in de zee, dreigt er op het land een mogelijk nog grotere crisis: die onder insecten – waarvan de omvang nog maar net begint door te dringen tot entomologen.

    30 miljoen

    Voordat entomologen zich konden buigen over de angstaanjagende mogelijkheid van een massale insectensterfte, moesten ze inzicht krijgen in de enorme diversiteit. Daar worstelen ze nog steeds mee. Voor velen kwam het keerpunt in 1982, met een kort artikel van de jonge keverspecialist Terry Erwin.

    Erwin wilde weten hoeveel insectensoorten op 1 hectare regenwoud in Panama leven. Hij pakte het praktisch aan: hij spande plastic rond een boom en besproeide die met insecticide, waarna hij uren later duizenden dode insecten verzamelde en maandenlang sorteerde. Het resultaat was verbluffend: alleen al op die ene boom leefden 1200 soorten, waarvan meer dan honderd nergens anders voorkwamen. Op basis daarvan schatte hij dat er wereldwijd zo’n 30 miljoen insectensoorten bestaan.

    Die schatting werd beroemd, maar ook omstreden. Hoewel Erwin veel aanzien geniet binnen de entomologie, vinden veel collega’s zijn cijfers te hoog en hebben latere studies het aantal naar beneden bijgesteld. Zelf blijft hij bij zijn standpunt: volgens hem kan het werkelijke aantal zelfs oplopen tot 80 of 200 miljoen soorten – waarvan er mogelijk al veel verdwijnen zonder ooit ontdekt te zijn.

    Overal ter wereld worden ongewervelden bedreigd door klimaatverandering, invasieve soorten en verlies van leefgebied. Het aantal insecten lijkt zelfs sterk af te nemen op plekken waar hun habitat nauwelijks is veranderd. Een alarmerend rapport uit Duitsland laat bijvoorbeeld een daling van 75 procent in insectenpopulaties zien sinds 1989 – een teken dat de situatie ernstiger kan zijn dan eerder gedacht.

    Overal ter wereld worden ongewervelden bedreigd door klimaatverandering, invasieve soorten en verlies van leefgebied

    Entomologen volgen die achteruitgang met groeiende bezorgdheid. Toen Brian Fisher in 1993 naar Madagaskar ging, verwachtte hij enkele nieuwe soorten te vinden, maar de rijkdom bleek overweldigend. Inmiddels heeft hij meer dan duizend nieuwe mierensoorten beschreven, waaronder de zogenoemde ‘Dracula-mieren’, waarvan de volwassen dieren zich voeden met het bloed van hun eigen larven.

    Duizend soorten lijken veel, maar tot nu toe zijn er al zo’n 16.000 mierensoorten geïdentificeerd. Voor een leek lijken ze misschien sterk op elkaar – wat kleurverschillen daargelaten doen ze denken aan de (invasieve) Argentijnse mieren die bij regen massaal keukens binnendringen. Maar voor een expert als Fisher zijn de verschillen enorm. Onder de microscoop blijken mieren vol unieke kenmerken te zitten, van hun fijne haartjes en gelede antennes tot hun kaken, die eruitzien als kleine, duivelse snoeischaren.

    In de decennia sinds Brian Fisher zijn expedities naar Madagaskar begon, is de ontbossing sterk toegenomen. Vandaag de dag is nog slechts zo’n 10 procent van de oorspronkelijke bossen intact. Fisher vreest dat er over vijftig jaar misschien helemaal geen bos meer over is. Volgens Wendy Moore, verbonden aan de University of Arizona, heerst er onder onderzoekers een groeiend gevoel van urgentie. Omdat veel insecten afhankelijk zijn van één specifieke plantensoort, kan ontbossing een enorme kettingreactie veroorzaken: als een bepaald type bos verdwijnt, verdwijnen mogelijk ook duizenden tot honderdduizenden soorten. Zoals Erwin het stelt: ontbossing veegt miljoenen soorten weg zonder dat we ze ooit kennen.

    Als een bepaald type bos verdwijnt, verdwijnen mogelijk ook duizenden tot honderdduizenden soorten

    Hoewel we nog geen volledig beeld hebben van wat er met individuele soorten gebeurt, is er op populatieniveau duidelijk sprake van een crisis. Zelfs als er veel soorten blijven bestaan, zijn hun aantallen drastisch afgenomen.

    Het alarmerende Duitse onderzoek – dat gedurende vijfendertig jaar het aantal vliegende insecten meet – laat een scherpe daling zien en is slechts een van de vele signalen. Volgens schattingen van Claire Régnier van het Muséum national d’Histoire naturelle zijn in de afgelopen vier eeuwen mogelijk al tot 130.000 soorten ongewervelden verdwenen.

    Ook anekdotisch bewijs lijkt dit te bevestigen. De milieujournalist Michael McCarthy wijst op het verdwijnen van het zogenoemde ‘voorruitfenomeen’: waar autoritten in de zomer vroeger steevast eindigden met een voorruit vol insecten, lijkt dat beeld tegenwoordig vrijwel verdwenen.

    Zonder insecten en andere geleedpotigen, stelt E.O. Wilson, zou de mensheid slechts enkele maanden overleven

    Hoewel insecticiden vaak als oorzaak worden genoemd voor de achteruitgang in Europa, denkt Terry Erwin dat klimaatverandering de uiteindelijke boosdoener is. De plek die hij in Ecuador bestudeert, is ongerept regenwoud, zonder pesticiden of andere directe menselijke invloeden. Toch is er in de loop der jaren iets subtiels maar ingrijpends veranderd in het ecosysteem. Op basis van hun gegevens concluderen Erwin en zijn collega’s dat het Amazonewoud de afgelopen vijfendertig jaar langzaam achteruitgaat. En als het bos verdwijnt, waarschuwt hij, wordt al het leven dat ervan afhankelijk is meegesleurd.

    Als dit patroon doorzet, zijn de gevolgen enorm. Insecten bestaan al duizend keer langer dan de mens en hebben in veel opzichten de wereld gevormd zoals wij die kennen. Ze speelden een cruciale rol in het ontstaan van bloeiende planten en vormen de basis van voedselketens op land, zoals plankton dat in de oceaan doet. Zonder insecten en andere geleedpotigen, stelt E.O. Wilson, zou de mensheid slechts enkele maanden overleven. Daarna zouden ook de meeste amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren verdwijnen, evenals bloeiende planten.

    De aarde zou veranderen in een gigantische composthoop, vol dode lichamen en omgevallen bomen die niet meer vergaan. Schimmels zouden nog kortstondig floreren, maar uiteindelijk ook verdwijnen. De planeet zou terugkeren naar een toestand zoals in het Siluur, zo’n 440 miljoen jaar geleden: een stille, sponsachtige wereld met mossen en levermossen, wachtend tot het eerste nietsvermoedende garnaaltje denkt: Laat ik het land eens proberen.

    Antioch-duinen

    Het beschermen van individuele insectensoorten, zoals vaak gebeurt bij bedreigde zoogdieren, is bijzonder lastig. Niet alleen zijn het er ontelbaar veel, insecten en andere ongewervelden spreken ook veel minder tot de verbeelding dan bedreigde zoogdieren. IJsberen en bultruggen spreken mensen aan; zachte plantkevers uit de Gaoligong-bergen in Yunnan een stuk minder.

    Niet lang geleden bezocht ik het eerste natuurreservaat dat speciaal is opgericht om een bedreigd insect te beschermen: het Antioch Dunes National Wildlife Refuge, op ongeveer een uur rijden ten noordoosten van Berkeley in Californië. Het gebied is klein – slechts 55 acres – ingeklemd tussen een hek en de San Joaquin River. Eerlijk gezegd is het landschap weinig indrukwekkend: het doet denken aan een verwaarloosd stuk bouwgrond. Toen ik er was, zaten drie gieren rond het karkas van een kat, terwijl aan de overkant van de rivier windturbines traag ronddraaiden.

    Ooit waren deze duinen echter een soort mini-Sahara, met planten en dieren die nergens anders voorkwamen. Pas na decennia ontdekten biologen hoe uniek dit gebied was – en toen was het bijna te laat. Toen kolonisten zich in Californië vestigden, zagen ze de duinen vooral als grondstof. Het zand bleek ideaal voor bakstenen, en tussen de aardbeving van San Francisco in 1906 en de naoorlogse bouwgolf werd vrijwel alles afgegraven en verwerkt in gebouwen. Daarna werd het gebied grotendeels bebouwd.

    Pas in de jaren zestig drong het besef door hoe bijzonder de Antioch-duinen waren. Tegen die tijd waren nog maar drie inheemse soorten over: twee planten – de Contra Costa-muurbloem en de Antioch Dunes-teunisbloem – en één insect, de Lange’s metalmark-vlinder. Deze vlinder is piepklein, met een spanwijdte van ongeveer een vingernagel. Hij is bruin-oranje met witte stippen en een zwakke vlieger: na het uitkomen uit zijn pop leeft hij slechts zeven tot negen dagen in augustus, waarin hij maximaal zo’n 400 meter aflegt.

    Er zaten drie gieren rond het karkas van een kat, terwijl aan de overkant van de rivier windturbines traag ronddraaiden

    Na de oprichting van het reservaat in 1980 kende de vlinder kortstondig een opleving. Inmiddels gaat het weer slecht: bij de laatste telling werden nog slechts 67 exemplaren geteld. De Lange’s legt haar eitjes uitsluitend op één plant, de naaktstengelige boekweit, die momenteel wordt verdrongen door onkruid. De enige andere populatie wordt in stand gehouden via een kweekprogramma in gevangenschap aan het Moorpark College in Californië. Als daar iets misgaat, betekent dat het einde van de soort.

    In een poging de vlinder te redden is de Amerikaanse natuurbeheerder begonnen met een gedurfd experiment: grote delen van het gebied worden bedekt met een dikke laag zand. Die verstikt invasieve planten, waardoor oorspronkelijke duinsoorten weer ruimte krijgen. ‘Als we het leefgebied herstellen, kan de vlinder terugkomen,’ zei beheerder Don Brubaker. Toen ik er was, zag zijn collega een hoopvol teken: de eerste scheuten van de inheemse teunisbloem staken alweer boven het zand uit. Misschien kan dit laatste restje zich, met tijd en geduld, toch herstellen.

    Op mijn vraag of al dat werk de moeite waard is, antwoordde Brubaker simpel: ‘Waarom een soort beschermen? Waarom niet? We proberen er simpelweg voor te zorgen dat de planeet blijft functioneren.’

    Hun beperkte leefgebied maakt zulke insecten juist goed beschermbaar. Volgens Sarina Jepsen van de Xerces Society kan een klein stuk land al een groot verschil maken – veel minder dan nodig is voor bijvoorbeeld wolven of tijgers. Toch blijft het redden van zelfs één soort een enorme opgave. Het is niet genoeg om een soort in een laboratorium te bewaren; je moet een heel ecosysteem herstellen, gevormd door complexe interacties tussen planten, dieren, bodem en klimaat.

    Uiteindelijk wordt duidelijk dat het eigenlijk een schaalfout is om uitsterven alleen per soort te bekijken. Als de somberste voorspellingen uitkomen, zullen er in deze eeuw miljoenen soorten verdwijnen. Ze een voor een redden is dan als proberen een tsunami tegen te houden met een paar zandzakken.

    Uitstervende groep

    Net als veel van de soorten die ze bestuderen, dreigen ook taxonomen zelf een uitstervende groep te worden. Universitaire aanstellingen, museumfuncties en onderzoeksfinanciering nemen af, en steeds minder studenten kiezen voor het vak. Taxonomie wordt vaak weggezet als ouderwets en weinig uitdagend – de wetenschappelijke variant van postzegels verzamelen. Intussen domineert de moleculaire biologie, met haar focus op DNA en cellulaire processen, het onderwijs en de subsidies. Zoals Terry Erwin opmerkt: daar gaat het geld naartoe.

    Ondertussen blijven nieuwe soorten ontdekt worden. Terwijl ik dit schrijf, hebben de tijdschriften ZooKeys en Zootaxa alweer een reeks ontdekkingen gemeld: een pottenbakkerswesp uit Zuid-Amerika, een kever van het Tibetaans Plateau, een mot, een Andeskever, twee Koreaanse kreeftachtigen en zelfs een geheel nieuw geslacht sluipwespen (gelukkig richten die zich op bladluizen). En het is nog niet eens middag.

    Wat moet je met die constante stroom aan nieuwe soorten? Veel taxonomen erkennen dat het nauwelijks bij te houden is. Brian Fisher zegt dat onderzoekers soms simpelweg overweldigd raken door ‘de enorme omvang van wat we niet weten’. Ook Kipling Will van de University of California, Berkeley benadrukt hoe tijdrovend het werk is: het beschrijven van één soort kan jaren duren, omdat onderzoekers het insect moeten ontleden, DNA analyseren en het moeten vergelijken met verwante soorten. Daardoor duurt het vaak jaren, soms zelfs decennia, voordat ontdekte soorten officieel worden beschreven.

    Het kan vaak jaren, soms zelfs decennia duren voordat ontdekte soorten officieel worden beschreven

    Dus wat moeten we doen? En waarom zou het ons eigenlijk iets kunnen schelen? Er zijn genoeg praktische redenen om ons zorgen te maken over het lot van ongewervelden. Ze vormen een essentieel onderdeel van ecosystemen – als het ware het hart, de longen en het spijsverteringsstelsel van onze planeet. Sommige dragen in hun complexe chemie misschien wel de sleutel tot nieuwe medicijnen; stoffen uit zeenaaktslakken worden bijvoorbeeld al getest als mogelijke kankerbehandeling. Andere soorten kunnen dienen als natuurlijk alternatief voor pesticiden. Maar uiteindelijk is het de vraag of zulke argumenten op zichzelf voldoende zijn. Misschien draait het eerder om een gevoel van verwondering en verbondenheid met het leven – wat E.O. Wilson ‘biophilia’ noemde.

    Vraag je taxonomen waarom ze hun leven wijden aan één soort insect, slak of schelp, dan hoor je opvallend vaak hetzelfde woord: ‘mooi’. Hun ogen lichten op bij hun favoriete groep. Een lade vol kleine, glanzend zwarte kevers wordt omschreven als ‘indrukwekkend groot en ongelooflijk mooi’ – waarbij ‘groot’ relatief is: ze zijn ongeveer zo groot als het topje van een pink.

    Tussen potjes met piepkleine zeenaaktslakken raken onderzoekers niet uitgepraat over hun kleuren, vormen en gedrag. Amy Berkov, die ooit uit de kunstwereld kwam, koos mede daarom voor de entomologie: volgens haar is er ‘niets fascinerender dan naar insecten kijken’. Zelfs mierenspecialisten – doorgaans een nuchter gezelschap – wisselen Latijnse namen uit met een warmte die je eerder bij oude vrienden verwacht.

    Het is makkelijk om te geven om aaibare dieren. Binnenkort leven we misschien op een planeet zonder berggorilla’s of lederschildpadden, zonder tijgers of ijsberen – en dat vooruitzicht voelt direct verdrietig.

    Het is makkelijk om te geven om aaibare dieren

    Maar de dreigende uitsterving van ongewervelden confronteert ons met een ander soort verlies. Zo veel zal verdwijnen voordat we überhaupt wisten dat het bestond, voordat we het konden begrijpen. Soorten zijn niet alleen namen of plekjes in een evolutionaire stamboom; ze belichamen millennia aan interacties tussen planten en dieren, bodem en lucht. Elke soort draagt gedragingen die we nog nauwelijks hebben gezien, chemische strategieën die miljoenen jaren zijn verfijnd, complete werelden van imitatie en strijd, zorg en voortplanting. Weten dat dit allemaal verloren gaat, is alsof je een bibliotheek ziet afbranden zonder ook maar één boek te kunnen redden. Onze rol daarin voelt als een vorm van vandalisme – tegen hun geschiedenis, en tegen die van onszelf.
    Neem Strumigenys reliquia, een van de mieren waarover ik met zoveel warmte hoorde praten in de California Academy of

    Sciences. Strumigenys is een zeldzame roofmier die leeft in de ondergroei. Ze werd voor het eerst ontdekt in 1986 door Phil Ward van de University of California, Davis, op een klein bosperceel van twee hectare, niet ver van zijn kantoor. Sindsdien is ze nergens anders meer gezien. Volgens Ward is daar een reden voor.

    Ooit werden de rivieren van Californië omzoomd door uitgestrekte bossen van sterke, altijd groene eiken die bestand waren tegen overstromingen. Geologen denken dat deze rivierbossen al minstens 20 miljoen jaar bestonden. Verslagen van vroege kolonisten en ontdekkingsreizigers geven een indruk van hoe het er moet hebben uitgezien: zwermen ganzen die de lucht verduisterden, zalmen die de rivieren vulden en grizzlyberen die zich in groepen van honderden onder de eiken verzamelden om eikels te eten.

    Vandaag de dag zijn die bossen, op enkele kleine restjes na zoals in Yolo County [een gebied in de Amerikaanse staat Californië], verdwenen. Ze werden gekapt voor brandhout en omgeploegd voor landbouw – voor tomatenvelden en amandelboomgaarden. De zalmen, de ganzen en de grizzly’s zijn verdwenen. Alleen de mier is gebleven. Alleen zij herinnert het zich nog.

  • Marokko: ontdekking fossielen werpt nieuw licht op oorsprong mensheid

    Marokko: ontdekking fossielen werpt nieuw licht op oorsprong mensheid

    Lees ook het andere korte nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » De Trump-regering overweegt Groenland te kopen

    » VS: agent schiet vrouw dood tijdens ICE-operatie

    De fossielen zijn naar schatting 773.000 jaar oud

    De onlangs in Marokko ontdekte fossielen, die onlangs gedateerd zijn op 773.000 jaar geleden,
    zouden toebehoord hebben aan een gemeenschappelijke voorouder van Neanderthalers,
    Denisovamensen en moderne mensen. Dat concludeert een onderzoek dat woensdag in het tijdschrift Nature is gepubliceerd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Deze ontdekking in Marokko versterkt de hypothese ‘van een diep Afrikaanse oorsprong van de homo
    sapiens en spreekt de Euraziatische oorsprongsscenario’s tegen die door sommige auteurs worden
    geopperd’, legt Jean-Jacques Hublin, een van de auteurs van het onderzoek, uit aan New Scientist.
    Verschillende pogingen om deze fossielen te dateren waren eerder mislukt. Totdat in 2022 een
    methode werd gebruikt die gebaseerd is op de omkering van de magnetische polariteit van de aarde.

    773.000 jaar geleden keerde het magnetische veld van de aarde om. Gesteenten over de hele wereld
    hebben sporen van deze verandering bewaard. De Marokkaanse fossielen werden precies gevonden
    in de lagen die ontstaan zijn bij deze omkering, waardoor een ‘zeer, zeer exacte’ datering mogelijk
    was, aldus Hublin.

  • De aardse aliens van de marianentrog

    De aardse aliens van de marianentrog

    Bepaalde delen van de wereld zijn naar menselijke maatstaven zeer vreemd. De diepzee bijvoorbeeld; we beginnen nog maar net te ontdekken wat zich daar bevindt.

    Wij mensen willen graag dat alles om ons draait. Dieren worden met ons vergeleken en beoordeeld op hoe goed of slecht ze het doen ten opzichte van de mens. Zijn ze nuttig? Kunnen we ze opeten, berijden of hun lichamen in kleren, wapens, vervoermiddelen of huizen veranderen? Hetzelfde geldt voor onze omgeving: kunnen we er leven? Is het er prettig? Zo niet, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat dat wel zo is? Als we ons voorstellen hoe het is om er te leven gebruiken we menselijke standaarden.

    Zelfs als we objectief proberen te blijven, als we het over wezens of habitats hebben die mensonvriendelijk zijn, gebruiken we nog steeds menselijke termen. Het moet herkenbaar zijn. Een walvis is twee keer zo groot als een bus of er passen er een x aantal op een voetbalveld. De diepzee is verschrikkelijk donker en koud en de waterdruk is verpletterend hoog. Het is een wezensvreemde en onherbergzame omgeving. Sciencefiction kan ons ertoe aanzetten om onze manier van denken te veranderen, onze aannames in twijfel te trekken, ons open te stellen voor een andere wereld, het vreemde te omarmen en het onbevooroordeeld te bestuderen.

    Als we het woord alien horen, denken we vaak aan buitenaardse wezens. Schepsels van een andere planeet. Toch zijn bepaalde delen van de wereld naar menselijke maatstaven zeer vreemd. De aarde is voor meer dan twee derde bedekt met water, dat op veel plekken kilometers diep is. We beginnen er nog maar net achter te komen wat zich daar allemaal bevindt. Het diepste stukje oceaan is de Marianentrog in de Stille Oceaan, met een diepte van 11 kilometer. 365 meter onder het oppervlak is er geen zonlicht meer en onder de 1000 meter is er helemaal geen licht, behalve van dieren die het zelf produceren, een verschijnsel dat bioluminescentie heet. Naarmate je dieper daalt, stijgt de waterdruk enorm. Er groeien geen planten meer. Er zijn alleen nog maar dieren, helemaal tot op de bodem.

    Zeenettel
    Zeenettel (Chrysaora) © Unsplash

    Het leven in de diepzee heeft zich aan deze omstandigheden aangepast. Organismen eten elkaar of ze leven van het bezinksel van organisch materiaal: van micro-organismen tot dode walvissen die de diepte in zinken, waar ze voedsel vormen voor een scala aan fascinerende dieren. De Osedax-worm, in het Engels ook wel de zombieworm genoemd, leeft van het vet in botten. Vanuit menselijk perspectief zitten er daar in de diepte allerlei nachtmerrieopwekkende beesten, enger nog dan geheime overheidsinstallaties, prehistorische megahaaien of buitenaardse indringers.

    Op de website die voorheen bekendstond als Twitter kwam ik een meme tegen uit 2023 van iemand genaamd Victoria:

    In de diepzee heb je twee soorten dieren:
    Moordbek: een vis van een meter lang met lichtgevende tanden die eruitziet alsof hij rechtstreeks uit de film Alien komt.

    Zeeliefje: een kwalletje van drie centimeter dat zichzelf met schattige scheetjes voortstuwt. Het lacht altijd en is Gods lievelingetje.

    Waarop een gebruiker genaamd gravityeyelids reageerde:

    Moordbek is overigens compleet ongevaarlijk, maar als je zeeliefje zelfs maar voor een honderdste seconde aanraakt kan hij vijfhonderd mensen doden.

    Dit is misschien ietwat overdreven (of niet…) maar er bevinden zich daarbeneden zeker angstaanjagende wezens, en de dieren die er het engste uitzien zijn niet per se het gevaarlijkst. Neem de diepzeehengelvis, die op 2 kilometer diepte leeft: een vis met een lantaarntje op haar kop, enorme uitstekende tanden en een kleine poliep die ooit haar man was, voordat hij letterlijk met haar vergroeide om nageslacht te verwekken. Ze is dodelijk voor andere vissen, maar niet voor al wat leeft. Onder het niveau van de diepzeehengelvissen zwemmen geen dodelijke maar schattige rare snuiters. Van alle diepzeeoctopussen leeft de Dombo-octopus op de grootste diepte, wel op tien tot dertien kilometer, en hij is zelfs een keer op 23 kilometer gesignaleerd. Deze octopussensoort heeft een andere mondvorm dan zijn verwanten; hij slokt zijn prooi volledig op zonder te bijten of te kauwen. Zijn lichaam heeft een skelet van kraakbeen waarmee hij bestand is tegen de immense waterdruk; in tegenstelling tot andere octopussen kan hij zich niet door kleine openingen wurmen. Hij beweegt zich voort met behulp van twee oorachtige vinnen (vandaar dat hij is vernoemd naar het Disney-olifantje dat zijn oren als vleugels gebruikt).

    Slakdolf

    De Dombo-octopus leeft op hetzelfde niveau als een ander snoezig dier, de slakdolf. Slakdolven komen voor op nog grotere diepte dan alle andere vissen die we tot nu toe in de diepzee zijn tegengekomen. Ze zijn aangetroffen op wel 8 kilometer diepte. Het zijn zachte, kikkervisachtige vissen met een gladde of bobbelige huid en een grote kop met een zuignap aan de onderkant, waarmee ze zich aan de zeebodem of een ander oppervlak kunnen hechten. Ze zijn niet zo groot, maximaal 30 centimeter. En er zijn er veel van, meer dan honderd verschillende soorten. De wetenschappers die de diepste krochten van de zee onderzoeken, ontdekken er steeds meer. Vanuit ons gezien leven al deze wezens in een donkere, koude hel met een ongelooflijk hoge waterdruk. Maar als we ze bij toeval op camera krijgen, zien ze er opgewekt uit; ze zwemmen rustig rond in een wereld die voor ons even buitenaards is als de stormen van Jupiter. Voor hen is het thuis. Ze hebben zich aangepast. Ze horen daar.

    Misschien komen we ooit buitenaards leven tegen en vinden we nog meer geweldige en fascinerende soorten. Maar tot dan zijn er nog hele werelden te ontdekken op onze eigen planeet, nieuwe levensvormen, nieuwe soorten of variaties op de organismen die we eerder ontdekten. Sommige leven in omgevingen waarvan we ons nooit een voorstelling hadden gemaakt, in omstandigheden die we voorheen onleefbaar achtten: de bodem van de zee, de gebieden rondom hydrothermale bronnen. Het inspireert en stemt nederig om te bedenken hoe weinig we eigenlijk weten van wat er zich daar beneden allemaal afspeelt, en hoeveel we nog te weten kunnen komen.

  • Waarom deze 
neurobioloog nu aan 
zijn buikspieren werkt

    Waarom deze 
neurobioloog nu aan 
zijn buikspieren werkt

    Neurobioloog Peter Strick geloofde nooit in yoga en pilates. 
Tot hij ontdekte dat niet alleen je hersenen, maar ook je spieren invloed hebben op stressreacties.

    Keuze uit ons archief

    Door corona is er een grotere aandacht voor het immuunsysteem gekomen, maar ook voor psychische klachten die kunnen ontstaan door de onzekerheid, eenzaamheid en thuiswerkstress of -verveling. Neurobioloog Peter Strick deed onderzoek naar hoe je je lichaam en geest weerbaarder kunt maken.

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 107, oktober 2016

    Toptennissers hebben het unieke vermogen om na een gemaakte fout hun hoofd weer leeg te maken. Ze zetten het van zich af en spelen met frisse moed verder voor het volgende punt. Ze kunnen het zich niet veroorloven om lang bij fouten stil te staan.

    Peter Strick is geen proftennisser. Deze vooraanstaande hoogleraar, hoofd van de vakgroep Neurobiologie aan het herseninstituut van de Universiteit van Pittsburgh, is zo’n man die bij elk foutje stilstaat, hoe klein het ook is. ‘Mijn kinderen zeiden: papa, ga toch pilates doen. Ga aan yoga doen,’ zegt hij. ‘Maar dan zei ik: ik zie geen wetenschappelijk bewijs dat ik daar baat bij zou hebben.’

    Wel heeft deze onverbeterlijke scepticus zich aangeleerd om bij stress te kiezen voor de tennisaanpak: jezelf dwingen om stug door te gaan. Er zijn natuurlijk aanwijzingen dat yoga goed is voor je gezondheid, maar geen bewijzen van het soort dat Strick overtuigt.

    Hiërarchisch beeld

    Onderzoek wijst wel op een correlatie, maar hij wil een fysiologische verklaring van het mechanisme dat erachter zit. Hij heeft niet genoeg aan de vage suggestie dat yoga ‘stress vermindert’. Want hoe werkt dat dan? Doordat het je gedachten verzet?

    De stressreactie wordt bij mensen opgewekt door de bijnieren. Die pompen adrenaline in ons bloed als het tijd is voor een vecht-of-vluchtreactie. In gevaarlijke omstandigheden kan zo’n stressreactie onmisbaar zijn, maar in het moderne leven, en zeker in academische kringen, hebben we er zelden behoefte aan. Meestal vormen onze lichamelijke stressreacties een soort achtergrondruis die ons continu gespannen houdt. Pas als we die ruis uitschakelen, kunnen we ontspannen.

    Als onze stressreactie alleen door gebieden in de hersenschors wordt gereguleerd, hoe kan het bewegen van lichaamsdelen dan bijdragen aan het verlagen van stress?

    Lange tijd ging men ervan uit dat de bijnieren werden aangestuurd via enkele zenuwbanen vanuit de hersenen. ‘Mensen zeiden dat er een of misschien twee gebieden in de hersenschors waren die het bijniermerg aanstuurden,’ zegt Strick. Volgens Randy Bruno, universitair hoofddocent Neurowetenschappen aan de Columbia-universiteit, ‘hebben mensen vaak een heel hiërarchisch beeld van de hersenschors’, namelijk dat zintuiglijke waarnemingen van het ene deel van de hersenen worden doorgegeven aan het volgende, en dan weer aan het volgende en het volgende, enzovoort. Eén lange hiërarchische keten, tot het signaal uiteindelijk in de frontale kwab belandt, die vervolgens een motorische reactie opwekt. En als onze stressreactie alleen door deze gebieden in de hersenschors wordt gereguleerd – de gebieden waar ons hoger functioneren plaatsvindt, waar onze overtuigingen en existentieel zelfbesef zetelen – hoe kan het bewegen van lichaamsdelen dan bijdragen aan het verlagen van stress?

    Strick lijkt zijn eigen probleem te hebben opgelost. In het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences legt hij uit dat hij nog een heel ander uitgebreid netwerk in de hersenschors heeft gevonden dat het bijniermerg aanstuurt. De verbindingen tussen de hersenen en het bijniermerg lijken veel uitgebreider te zijn dan altijd werd aangenomen. Complexe netwerken in de primaire somatosensibele en motorische schors hebben rechtstreeks invloed op onze stressreacties. Die ontdekking veranderde zijn beeld van de relatie tussen lichaamsbeweging en gezondheid. Dus begon Strick toch maar met pilates.

    ‘Dit lijkt erop te wijzen dat dit proces veel decentraler is,’ zegt Randy Bruno over Stricks onderzoek, waaraan hij zelf niet heeft meegewerkt. ‘Er liggen allerlei verschillende circuits over elkaar heen, en die sturen allemaal informatie naar onze oudste en primitiefste reactiesystemen. Dit onderzoek toont echt aan dat stressreacties niet alleen door de traditionele hogere, cognitieve hersengebieden worden aangestuurd. Dat lijkt me heel belangrijk.’

    Om te begrijpen wat de implicaties zijn van dit nieuwe ‘connectoom’ (zoals nieuwe neurale verbindingen in de hersenen tegenwoordig vaak worden genoemd), moet je weten hoe dit nieuwe netwerk in kaart is gebracht.

    Hondsdolheid

    In de juiste handen kan hondsdolheid echt een uitkomst zijn. Als je rabiës in een orgaan injecteert, zullen de zenuwen van dat orgaan het virus verder het centraal zenuwstelsel in voeren. Onderweg kaapt dat virus het replicatiemechanisme van de zenuwen in het cellichaam en de dendrieten om zichzelf te vermenigvuldigen en via de synapsen over te springen naar andere zenuwcellen. Door bij te houden hoe het virus zich verspreidt, kunnen wetenschappers de neurale verbindingen tussen het geïnjecteerde orgaan en de hersenen met ongekende precisie in kaart brengen. Voor dit onderzoek heeft het team van Strick rabiës geïnjecteerd in de bijnieren van apen.

    Het verloop van rabiës is heel voorspelbaar. Elke acht à tien uur repliceert het zichzelf, zodat het zich vrij snel door het zenuwstelsel kan verspreiden en zo een netwerk blootlegt. De onderzoekers wachtten dus tot het virus de hersenen bereikte en lieten de apen dan inslapen voordat ze symptomen van de besmetting gingen vertonen.

    ‘Bij iemand die aan herpes is overleden, zijn de temporale kwabben één grote soep,’ legt Strick uit. In vergelijking daarmee zien de hersenen van iemand die aan rabiës is overleden er redelijk normaal uit. Het is nog steeds een open vraag hoe rabiës ons zenuwstelsel precies uitschakelt. Het kan een tijdje in een zenuwcel zitten zonder kwaad te doen – daardoor kan rabiës zich in een populatie verspreiden. Dat betekent dus, benadrukt Strick, dat de apen niet hebben geleden.

    ‘Bij iemand die depressief of gestrest is, zie je een andere lichaamshouding. Als je met een rechte rug staat, heeft dat invloed op hoe je jezelf presenteert en hoe je je voelt’

    Als het virus de tijd heeft gehad om een bepaalde, goed voorspelbare afstand af te leggen, brengen de onderzoekers het dier onder narcose en laten het leegbloeden. Dan fixeren ze het zenuwstelsel en kijken met behulp van antilichamen hoe het virus zich verspreid heeft. Door apen op verschillende momenten te laten inslapen, konden ze de verspreiding van het virus in kaart brengen. Zodra het virus enkele synapsen is gepasseerd, levert dat enorm veel werk op: het aantal aangetaste zenuwcellen stijgt dan exponentieel. Maar toen dat werk eenmaal was voltooid, wisten de onderzoekers niet wat ze zagen.

    De bijnieren bleken in verbinding te staan met de motorische gebieden in de hersenen. In de primaire motorische schors bevindt zich een afspiegeling van het hele lichaam: er zijn gebieden die corresponderen met het gezicht, de armen en benen, en ook een gebied dat de axiale spieren aanstuurt (de ‘core’, in fitnessjargon). Stricks onderzoeksteam had helemaal niet gedacht dat de primaire motorische schors het bijniermerg aanstuurde. Maar er blijken daar een heleboel zenuwcellen te zitten die dat wel doen. En die bevinden zich vooral in het gedeelte van de schors dat correspondeert met de axiale spieren.

    ‘De aansturing van de axiale spieren heeft op een of andere wijze invloed op stressreacties,’ redeneert Strick. ‘Er waren al veel aanwijzingen dat het versterken van die spieren invloed heeft op het stressniveau. En bij iemand die depressief of gestrest is, zie je een andere lichaamshouding. Als je met een rechte rug staat, heeft dat invloed op hoe je jezelf presenteert en hoe je je voelt. En nu blijken de spieren van de romp dus invloed te hebben op stress. Als je die spieren op een verkeerde wijze stimuleert, door een slechte houding, denk ik daarom dat het ook invloed op het stressniveau heeft.’

    ‘Die zenuwbanen kunnen een verklaring bieden voor ons intuïtieve gevoel dat je stress op veel verschillende manieren kunt bestrijden,’ zegt Bruno. ‘Ik vind de voorbeelden in hun artikel heel aansprekend, het idee dat yoga en pilates misschien daarom zo effectief zijn. Maar er zijn nog allerlei andere methoden waarmee mensen stress bestrijden, bijvoorbeeld met behulp van verbeeldingskracht. Dat er zo veel zenuwbanen direct verbonden zijn met het systeem dat stressreacties aanstuurt, dat is heel interessant.’

    Een man (niet Peter Strick) werkt aan zijn axiale spieren. © Jürgen Müller / Getty
    Een man (niet Peter Strick) werkt aan zijn axiale spieren. – © Jürgen Müller / Getty

    Strick heeft vooral gekeken naar lichaamsbeweging, Bruno is meer gespecialiseerd in de zintuigen. Hij kijkt dus vooral naar de resultaten die betrekking hebben op de primaire somatosensibele schors. Sommige van die hersengebieden, waar de signalen van onze tastzintuigen worden verwerkt, lijken al evenzeer met de bijnieren te communiceren. ‘Dat is ook heel nieuw en heel interessant voor mij,’ zegt Bruno. ‘Dat kan helpen verklaren waarom we bepaalde gewaarwordingen ontspannend of juist stressvol vinden.’ Ik moest meteen denken aan lekker op je rug gekrabd worden, of dat rustgevende gevoel als je je hand in een berg verse pasta steekt.

    ‘Als ik dit soort resultaten zie, denk ik: Hm, misschien zijn deze gebieden complexer dan we dachten’

    Doordat de primaire somatosensorische en motorische gebieden in de hersenen zo’n grote rol lijken te spelen in onze innerlijke toestand, begint Bruno vraagtekens te plaatsen bij de gangbare opvatting over de aard van deze hersengebieden. ‘Door deze onderzoeksresultaten en die van mezelf begin ik te betwijfelen of dat wat wij de motorische schors noemen ook echt de motorische schors is,’ zegt hij. 

    ‘Misschien vervult de primaire somatosensibele schors wel veel meer functies dan we altijd dachten. Als ik dit soort resultaten zie, denk ik: Hm, misschien zijn deze gebieden complexer dan we dachten.’

    Psychosomatisch

    En dat heeft gevolgen voor wat we nu ‘psychosomatische aandoeningen’ noemen, het idee dat onze geest invloed heeft op orgaanfuncties. De term ‘psychosomatisch’ heeft nu een negatieve bijklank. De stilzwijgende gedachte is dat het verband tussen lichaam en geest niet bestaat, dat die psychosomatische aandoeningen alleen ‘tussen de oren’ zitten. Maar het soort uitgebreide verbindingen waarvan het bestaan nu is aangetoond, kan betekenen dat die aandoeningen ook écht tussen je oren ontstaan. Het feit dat er gebieden in de hersenschors zijn die via multisynaptische verbindingen de orgaanfuncties beïnvloeden, kan de term ‘psychosomatisch’ misschien van zijn negatieve bijklank verlossen.

    Bij eerder onderzoek heeft het team in Pittsburgh een virus geïnjecteerd in het hart. Toen vonden ze hersengebieden die invloed hebben op het hartritme, waarin ze een mogelijke verklaring zien voor allerlei onverwachte sterfgevallen: doordat gebeurtenissen in de hersenen, van epilepsie en hersenletsel tot sterke emotionele prikkels (zowel positieve als negatieve) een hartaanval opwekken.

    En dan is er ook nog het nieuwe vakgebied van de neuro-immunologie, waarin men onderzoek doet naar de gevolgen van stress voor het immuunsysteem. Het draagt allemaal bij aan de geloofwaardigheid van gezondheidsclaims die ooit werden weggelachen door mensen zoals Strick, omdat er geen concreet mechanisme aan ten grondslag leek te liggen. In zijn woorden: ‘Onze bewegingen, gedachten en gevoelens hebben invloed op onze stressreactie dankzij échte neurale verbindingen.’

  • ‘Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’

    ‘Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’

    In de droge Beed-regio in India is zo moeilijk aan werk te komen, dat vrouwen massaal hun baarmoeder laten verwijderen om aan de eisen van hun werkgevers te voldoen.

    ‘U zult in deze dorpen nauwelijks vrouwen met een baarmoeder vinden. Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’, zegt Manda Ugale met sombere blik in de ogen. Ze zit in haar kleine huisje in Hajipur, in het door droogte geteisterde Beed-district van de Marathwada-regio van Maharashtra [het gebied ten Oosten van Mumbai landinwaarts]. Het kost haar duidelijk moeite om over het onderwerp te praten.

    In Vanjarwadi, waar ze vandaan komt, is het voor vrouwen ‘de norm’ om de baarmoeder te laten verwijderen nadat ze twee of drie kinderen hebben gekregen. Vijftig procent van hen heeft een zogeheten hysterectomie gehad.

    De meerderheid van deze vrouwen trekken tijdens het suikerrietseizoen naar het suikergebied van westelijk Maharashtra; naarmate de droogte toeneemt, neemt het aantal migranten ook toe. ‘De mukadam (aannemer) heeft graag vrouwen zonder baarmoeder in zijn groep rietkappers’, vertelt SatyaBhama, een andere van de vrouwelijke werknemers.

    Echtparen uit de regio trekken tussen oktober en maart beide naar het gebied, en krijgen van de aannemer gezamenlijk één contract. Daarin staat onder andere dat als de man of de vrouw een dag pauze wil nemen van het intensieve werk, het paar elke keer een boete van 500 Indiase roepie [ca. € 5,60] aan de werkgever moet betalen.

    ‘We hebben een doel waaraan moet worden voldaan, en daarbij kunnen we vrouwen die menstrueren niet gebruiken’

    Ook menstruaties belemmeren het werk en brengen dus boetes met zich mee. Volgens werkgevers willen vrouwen tijdens de menstruatie meestal een of twee dagen pauze, zodat het werk wordt onderbroken.

    ‘Na een hysterectomie is er geen kans op menstruatie. En dus worden er tijdens het kappen geen pauzes meer genomen. We kunnen het ons niet veroorloven om zelfs maar een roepie te verliezen’, zegt SatyaBhama.

    ‘We hebben een doel te behalen binnen een beperkt tijdsbestek, en daarbij kunnen we vrouwen die tijdens het kappen van suikerriet menstrueren niet gebruiken’, aldus Dada Patil, een werkgever. Patil houdt vol dat hij en andere werkgevers de vrouwen niet dwingen een operatie te ondergaan; de keuze wordt gemaakt door hun families.

    Maar volgens de vrouwen betalen werkgevers een voorschot voor een operatie, waarna het geld wordt ingehouden op hun loon.

    Ernstige impact

    Achyut Borgaonkar van Tathapi, een organisatie die hier onderzoek naar heeft gedaan, weet te vertellen: ‘In deze kringen wordt menstruatie als een probleem beschouwd en een operatie gezien als de enige manier om ervan af te komen. Maar die heeft een ernstige impact op de gezondheid van de vrouwen. Ze raken hormonaal uit balans, krijgen geestelijke gezondheidsklachten, komen aan et cetera. We zien dat zelfs jonge meisjes van vijfentwintig deze operatie ondergaan.’

    Bandu Ugale, echtgenoot van Satyabhama en zelf ook rietkapper, rekent het voor. ‘Een paar krijgt ongeveer 250 Indiase roepie [€ 2,80] na het kappen van een ton suikerriet. Op een dag kappen we ongeveer drie tot vier ton suikerriet en in een heel seizoen van vier tot vijf maanden kappen we samen ongeveer 300 ton suikerriet. Wat we tijdens het seizoen verdienen, is ons jaarlijkse inkomen, want als we terugkomen van het riet kappen hebben we geen werk’, zegt Ugale. ‘We kunnen ons dus geen dag pauze veroorloven. We moeten werken, zelfs als we gezondheidsproblemen hebben. Er is geen rust. Voor menstruatie is geen tijd’, aldus Ugale.

    Vilabai, een oudere vrouw, noemt het leven van een ‘rietkappersvrouw’ een hel. Ze laat doorschemeren dat er herhaaldelijk sprake is van seksuele uitbuiting van vrouwen door werkgevers en hun mannen.

    ‘Rietkappers moeten in suikerrietvelden of in een tent bij de suikermolens leven [een suikermolen is een grote pers met draaiende rollen waartussen vers gekapt suikerriet wordt gebroken om er het sap uit te persen]. Er zijn geen badkamers of toiletten. Onder deze omstandigheden is het voor een vrouw al helemaal geen doen als ze menstrueert’, vertelt ze.

    Ook vertellen de vrouwen dat artsen al een hysterectomieoperatie voorschrijven als ze zelfs maar klagen over buikpijn of afscheiding.

  • De verborgen lust van de vrouw. Of hoe de clitoris langzaam uit de geschiedenisboeken verdween

    De verborgen lust van de vrouw. Of hoe de clitoris langzaam uit de geschiedenisboeken verdween

    Veel biologie- en anatomieboeken tonen in detail de anatomie van de penis, de bijbehorende zenuwen, bloedvaten en fasces. Maar afbeeldingen van het vrouwelijk lustorgaan, de clitoris, zijn onvolledig, foutief – en vaak ontbreken ze helemaal. Waarom speelt het vrouwelijk geslachtsorgaan in de wetenschap zo’n ondergeschikte rol?

    In een snijzaal in het zuiden van Australië waar anatomen sinds eeuwen menselijke lichamen onderzoeken, werkt aan het eind van de jaren negentig een jonge arts. Ze heeft juist haar opleiding tot uroloog aan de universiteit van Melbourne voltooid – als eerste vrouw in een door mannen gedomineerd specialisme.

    Ter voorbereiding op haar examen boog ze zich dagenlang over de boeken, ook om de anatomie van de urinewegen en de geslachtsorganen te leren. Daarbij viel haar iets op wat alle mannen vóór haar blijkbaar was ontgaan: de boeken tonen op vele pagina’s in detail de anatomie van de penis, de bijbehorende zenuwen, bloedvaten en fasces. Maar de afbeeldingen van het vrouwelijk lustorgaan, de clitoris, zijn onvolledig, foutief – en vaak ontbreken ze helemaal.

    Uitgerust met een camera, een scalpel en een pincet wil de jonge vrouw dat nu recht zetten. Ze ontleedt tien vrouwenlijken en fotografeert de structuren van het vrouwelijk geslachtscomplex, vagina en vulva, zenuwen, bloedvaten – en de clitoris. Later schuift ze gezonde vrouwen in een MRI-scan om deze organen ook bij levende mensen te onderzoeken.

    Het kleine knopje dat vaak als de clitoris wordt afgebeeld, is alleen maar de zichtbare clitoriseikel met voorhuid en kapje

    Haar resultaten publiceert ze in het Journal of Urology: het kleine knopje dat vaak als de clitoris wordt afgebeeld, is alleen maar de zichtbare clitoriseikel met voorhuid en kapje. Het geheel strekt zich uit in het bekken, in het meestal ongeveer tien centimeter lange clitorislichaam en twee gewelfde zwellichamen links en rechts, elk steunend op een aan urinebuis en vagina grenzend voorhofzwellichaam.

    In vakkringen wordt ze voor dit werk overladen met prijzen, krantenartikelen bejubelen de jonge vrouw: ‘Haar werk dwingt tot herschrijving van de anatomieboeken en een omslag in het denken in de medische beroepen’, schrijft bijvoorbeeld de BBC.

    Nu, bijna vijfentwintig jaar later, is Helen O’Connell professor Urologie aan de universiteit van Melbourne. Ze zegt: ‘Het is interessant om te zien of er vooruitgang geboekt wordt.’ Want nog altijd gebruiken studentes en studenten anatomie- en chirurgieboeken waarin gedetailleerde afbeeldingen van de clitoris en haar zenuwen ontbreken. Wat de vrouwelijke anatomie betreft, lijkt er sprake van stilstand.

    Hoe is dat te verklaren? Als het om de vrouwelijke geslachtsorganen gaat, begint de verwarring vaak al bij de begrippen: de vagina is alleen de verbinding van de schede-ingang naar de baarmoedermond en niet de uitwendige geslachtsorganen, zoals vaak abusievelijk wordt aangenomen. Het anatomisch correcte begrip daarvoor is vulva – daartoe behoren schaamlippen, venusheuvel en dat kleine deel van de clitoris dat van buiten te zien is.  Het negeren, of het alleen maar afbeelden van het zichtbare deel van het lustorgaan van de vrouw, is in vakboeken tegen beter weten in een traditie.

    Want wat Helen O’Connell in haar studie vond, bevestigt kennis die twee eeuwen oud is: al in het jaar 1844 onderzocht de Duitse anatoom Georg Ludwig Kobelt de vrouwelijke ‘wellustorganen’, zoals hij ze noemde. Zijn gedetailleerde tekeningen van de clitoris en haar bloed- en zenuwvoorziening gelden tot op heden als een meesterlijke prestatie. Sindsdien is de kennis over de structuren van de clitoris eigenlijk aanwezig. Toen al hadden Kobelts inzichten een revolutie kunnen veroorzaken in de anatomische blik op het vrouwelijk lustorgaan, maar hem overkwam toen hetzelfde als later Helen O’Connell: zijn kennis kwam de snijzaal nauwelijks uit.

    De clitoris paste niet in het victoriaanse tijdperk, waarin vrouwen de rol van huisvrouw en moeder kregen toebedeeld

    Integendeel: in een in het jaar 1901 geactualiseerde editie van de belangrijkste anatomie-atlas, Gray’s Anatomy, verdwijnt zelfs een afbeelding die de clitoris nog in dwarsdoorsnede als een klein puntje voorstelt. Dat documenteerden de sociologen Adele Clarke en Lisa Jean Moore in een uitgebreid onderzoek. De clitoris paste niet in het victoriaanse tijdperk, waarin vrouwen de rol van huisvrouw en moeder kregen toebedeeld. Centraal staan voortplanting en reproductie, de baarmoeder geldt als het belangrijkste seksuele orgaan van de vrouw. De vermeend onbeduidende lust van de vrouw – en daarmee ook de clitoris – zien de medici in die tijd als overbodig, of zelfs als ziekelijk en gevaarlijk. 

    Freud

    Beslissend voor deze zienswijze is de bijdrage van de psychoanalyticus Sigmund Freud: hij onderscheidt in de door hem ontwikkelde theorie van de seksualiteit clitorale en vaginale seksualiteit en postuleert dat alleen de laatste volwassen en gezond is. Voor een succesvolle seksuele ontwikkeling, dus de rijping van kind tot vrouw, was daarom een verschuiving van de erogene zone nodig, weg van de clitoris naar de vagina.

    Zijn hoogtepunt vindt dit denken in de door de Engelse gynaecoloog Isaac Brown ontwikkelde verwijdering van de clitoris, de clitoridectomie. Die geldt als therapie voor als pervers beschouwde zelfbevrediging, voor nymfomanie, voor elke vorm van zogenaamde vrouwelijke ‘hysterie’. 

    Deze therapie speelt in Europa en de VS tegenwoordig geen rol meer. Maar nog altijd geldt de vagina als de vrouwelijke tegenhanger van de penis; de clitoris daarentegen blijft als een oninteressant onderzoeksobject vrijwel geheel verbannen uit voorlichtings- en anatomieboeken. Terwijl wetenschappers en activisten al decennia lang werken aan de rehabilitatie van dit orgaan. Maar de grote anatomie-atlassen die wereldwijd nog steeds door miljoenen studenten gebruikt worden, bereiken tot op heden nog steeds niet het niveau van Georg Ludwig Kobelts tekeningen.

    ‘De geschiedenis van de clitoris is een parabel van de cultuur’ – met die zin eindigt Helen O’Connell het verslag van haar onderzoek. Voor haar is het duidelijk: veel nieuwe edities van de boeken nemen steeds opnieuw de inhoud over van de eerdere uitgaven – zonder kritische toetsing.

    Gouden puntjes

    Dit merkt ook de Zwitserse bioloog Daniel Haag-Wackernagel op wanneer hij met het onderzoek naar het vrouwelijk lustorgaan begint. Voor een voordracht over de lustorganen bij chimpansees doorzocht hij de anatomieboeken op afbeeldingen van de lustorganen van de dieren en ter vergelijking ook die van mensen.

    Mannelijke geslachtsorganen van chimpansees en mensen vindt hij zonder problemen. Maar de speurtocht naar afbeeldingen van de vrouwelijke lustorganen verloopt moeizaam. Pas in de bibliotheek van het anatomisch instituut in Bazel stuit hij op correcte, gedetailleerde afbeeldingen – op het werk van Kobelt uit 1844.

    Sindsdien heeft Daniel Haag-Wackernagel afbeeldingen en modellen van de clitoris verzameld; in zijn boekenkast staan ze tussen dikke anatomieboeken. Intussen heeft hij – in zijn vrije tijd als emeritus professor – op basis daarvan een 3D-model ontwikkeld dat de voor de vrouwelijke lust verantwoordelijke structuren laat zien.

    Onderzoekssubsidies zou hij voor dit werk waarschijnlijk niet gekregen hebben, is zijn overtuiging. De interesse voor dit thema is te gering. Want zelfs een zo nuchtere, descriptief lijkende wetenschap als de anatomie is gevormd door ‘culturele en sociale omstandigheden en machtsstructuren’, zoals Adele Clarke en Lisa Jean Moore in hun onderzoeksverslag schrijven. Beide sociologen zijn het eens met Haag-Wackernagel en O’Connell: het moet als een maatschappelijk fenomeen begrepen worden dat de vrouwelijke geslachtsorganen in de anatomie met zoveel minachting behandeld worden. 

    Als je aan Helen O’Connell vraagt of medici en leken genoeg weten over de vrouwelijke geslachtsorganen, lacht de uroloog. ‘Er is nog enorm veel te onderzoeken,’ zegt ze.  Daniel Haag-Wackernagel haalt bij wijze van antwoord nog een model uit de boekenkast achter hem. Daarop zijn kleine gouden puntjes getekend – nauwelijks onderzochte kleine sensoren die in de huid van de clitoriseikel en –voorhuid, en ook in de kleine schaamlippen zitten. Bij vibratie of aanraking geven ze lustsignalen door aan de hersenen.

    De lijst van structuren in de genitale zone van de vrouw waarover opvallend weinig bekend is, laat zich waarschijnlijk moeiteloos uitbreiden – vaak in verband met een maatschappelijk debat, zoals bijvoorbeeld over het beroemde G-plekje.

    ‘Alle als typisch vrouwelijk of typisch mannelijk begrepen structuren komen steeds ook bij het andere geslacht voor’

    Helen O’Connell onderzocht het vaginale weefsel in 2017 op het bestaan van zo’n plek en vond geen aanwijzingen voor het bestaan ervan. Een ander voorbeeld is de strijd over de vraag of het door Freud gepostuleerde vaginaal orgasme uiteindelijk toch slechts een mythe is – en de clitoris het enige lustorgaan dat een orgasme kan oproepen.

    Vaak gaat het in het wetenschappelijk debat daarover om anatomische structuren bij de vrouw die analoog zijn aan die van de man: ‘Wij staan als geslachten niet zover van elkaar af,’ zegt Daniel Haag-Wackernagel. ‘Alle als typisch vrouwelijk of typisch mannelijk begrepen structuren komen steeds ook bij het andere geslacht voor.’

    Bij mannen bijvoorbeeld bevindt zich een tegenhanger van de vagina in de prostaat. Die op zijn beurt ook bij vrouwen te vinden is – een opeenhoping van klierweefsel om de urinebuis die in het anatomie-onderwijs vaak niet eens vermeld wordt, hoewel die verantwoordelijk is voor de vrouwelijke ejaculatie. Bij sommige vrouwen scheiden deze klieren bij het orgasme een melkachtige vloeistof af. Die secretie bevat – net als de mannelijke pendant – specifieke prostaatantigenen.

    Dat, zegt Haag-Wackernagel, wisten onderzoekers eigenlijk al sinds de oudheid. Toch zijn de details van de vrouwelijke ejaculatie tot op heden nauwelijks onderzocht.

    Als het chirurgen ontbreekt aan precieze kennis van het verloop van de zenuwen in de vrouwelijke genitaliën, werken ze mogelijk in het ongewisse

    Met moderne methoden zou het goed mogelijk zijn deze hiaten in het onderzoek op te vullen. ‘Met MRI en ultrasone apparatuur kunnen we inmiddels de anatomie bestuderen bij levende proefpersonen,’ zegt Helen O’Connell. Maar de blinde vlek blijft. En dat heeft gevolgen. ‘Anatomie is een basiswetenschap voor veel andere medische disciplines,’ zegt ze.

    Disciplines waarin deze basiskennis dan ontbreekt. Zoals chirurgie. Veel zenuwen in het vrouwelijk onderlijf kunnen bij operaties beschadigd raken – bijvoorbeeld bij ingrepen aan de urinebuis, de bekkenbodem of de baarmoeder. ‘In het bekken ligt alles heel dicht bij elkaar,’ zegt Ricarda Bauer, uroloog aan de universiteitskliniek in München. Maar als het chirurgen ontbreekt aan precieze kennis van het verloop van de zenuwen in de vrouwelijke genitaliën, werken ze mogelijk in het ongewisse. Zenuwen die bij operaties beschadigd of doorgesneden zijn, kunnen er dan in het ergste geval toe leiden dat een vrouw geen opwinding meer voelt of geen orgasme meer kan krijgen.

    Inderdaad werden seksuele stoornissen na operaties bij vrouwen lange tijd als bijkomende schade voor lief genomen, zegt Ricarda Bauer. ‘En anders dan bij de man, bij wie na een ingreep standaard naar erectiestoornissen wordt geïnformeerd, vragen veel collega’s na een operatie bij vrouwen nog altijd niet naar het seksueel functioneren.’ 

    Anticensuur

    Maar de chirurgen zijn niet de enigen met gebrekkige kennis. Er zijn opvallend veel gynaecologen, psychologen en seksuele therapeuten die de workshop over de anatomie van de vrouwelijke lustorganen van Daniel Haag-Wackernagel bezoeken. Velen van hen behandelen stoornissen in de opwinding en de lustbeleving van vrouwen zonder genoeg geleerd te hebben over de daarvoor verantwoordelijke organen. En het grote aantal vrouwen dat zulke klachten heeft – vermoedelijk de helft van de vrouwen – doet vermoeden dat er niet altijd een psychologische, maar soms ook een tot op heden onbekende lichamelijke oorzaak achter kan zitten.

    En afgezien van operatie- en spreekkamers ontbreekt het in het bijzonder ook jonge mensen aan kennis over hun eigen lichaam en dat van hun seksuele partners. Want details over de geslachtsorganen van de vrouw die ontbreken in de vakliteratuur, duiken ook in de biologie- en voorlichtingsboeken niet meer op. Het ontbreekt leraren aan geschikt lesmateriaal, zegt Haag-Wackernagel. In de les seksuele voorlichting gaat het dan over de penis, de vagina en de baarmoeder, maar niet over de clitoris, en daarmee ook niet over de vrouwelijke lust. Dat blijft een taboethema – en het onderzoek laat dat liever onaangetast. ‘Er moet een grote verandering komen,’ zegt Helen O’Connell.  

    Anticensuur

    Een soort anticensuur in de literatuur, zoals Daniel Haag-Wackernagel die verlangt, zou een begin kunnen zijn: geen leerboeken meer zonder een verantwoorde afbeelding van de clitoris. In elk geval neemt de kwaliteit van de afbeeldingen in de grote anatomiewerken na al die jaren weer toe, volgens de Zwitserse bioloog. En ook in kunst en cultuur komt het orgaan steeds vaker voor. Op het internet zijn bakvormpjes en bedeltjes in de vorm van de vagina te vinden. ‘Na 2000 jaar dominantie van het fallussymbool,’ zegt Haag-Wackernagel, ‘is het hoog tijd om de clitoris bekender te maken.’   

    De clitoris in de modere anatomie

    b386e01a7c96b03a58d3f9399f27b8101ee95180

    1. eierstokken (ovaria)
    2. eileider (tuba uterina)
    3. baarmoeder (uterus)
    4. endeldarm (rectum)
    5. blaas (vesica urinaria)
    6. schede (vagina)
    7. urineleider (ureter)
    8 schaambeen (symphysis pubica)
    9. schedevoorhof (vestibulum vaginae)
    10. Buitenste schaamlippen (labiamajora pudendi)

    Een dwarsdoorsnede van het bekken van de vrouw uit een hedendaagse anatomie-atlas. Van links naar rechts zijn te zien: de ruggengraat met de wervels, de aangesneden darmlussen met de overgang naar het rectum, de vagina met de verbinding naar de dikwandige baarmoeder en de erboven liggende eileider en de blaas als een groot hol orgaan. Ook nu nog tonen veel leerboeken de clitoris slechts vaag en onvolledig.  In dit voorbeeld is ze afgebeeld als een kleine, liggende L.

    3-D model:  prof. dr. Daniel Haag-Wackernagel en Amos Haag

    2ccb062728c2899348d88b3b181e861ef34a3cad 1

    1. clitoriseikel (glans clitoridis)
    2. RSP infra-corporeal (Residual Spongy Part)
    3. voorhof zwellichaam (bulbus vestibuli)
    4. clitorale zwellichamen (crus clitoridis)
    5. opgaand clitorislichaam (corpus clitoridis pars ascendens)
    6. neergaand clitorislichaam (corpus clitoridis pas descendens)
    7. clitorale hoek (angulus clitoridis)
    8. kobelts adercomplex (pars intermedia)
    9. urinebuis (urethra)
    10. schede (vagina)
    11. schedevoorhof (vestibulum vaginae)
    12. binnenste schaamlippen (nymphe)  (labium minus pudendi)
    13. clitorisvoorhuid (preputium clitoridis)
    14. clitorishoed
    15. clitoristoompje (frenulum clitoridis)
    16. suspensorisch ligament (ligamentum suspensorium clitoridis)

    Het zogenaamde bulbo-clitoraal orgaan 1 t/m 8 is opgebouwd uit verschillende, nauw met elkaar verbonden structuren. Onder het orgaan liggen de urinebuis (9) en de schede (10). De clitoriale zwellichamen (4) alsook het opgaande en neergaande deel van het clitorislichaam (5 en 6) bestaan uit zwellichamen zoals die ook in de penis voorkomen. Die worden bij seksuele opwinding door het opstuwen van bloed eveneens hard: net als bij de man, komt het tot een erectie.

    De sponsachtige lichamen, waartoe de clitoriseikel (1), het RSP (2) en het voorhof zwellichaam (3) behoren, vullen zich gedurende de opwinding ook met bloed, maar blijven zacht omdat daar een vast bindweefselomhulsel ontbreekt. De voorhof zwellichamen zetten bij seksuele opwinding uit en omklemmen de vagina. De enige van buiten zichtbare structuur van het bulbo-clitoraal orgaan is het voorste deel van de clitoriseikel, doorgaans vaak als ‘clitoris’ of ‘kittelaar’ aangeduid. Dat zit als een kapje op het eind van het neergaand clitorislichaam (6).

    Met zijn ongeveer 8000 zenuwuiteinden is het de centrale structuur voor de vrouwelijke opwinding. Bij het orgasme persen de spieren van de clitorale zwellichamen (4) en het voorhof zwellichaam (3) ritmisch bloed via het zogeheten Kobelts adercomplex (8) in het clitorislichaam (5-7) en de clitoriseikel (1). 

    Een soortgelijk effect veroorzaakt het stoten met de penis bij het geslachtsverkeer: ze drukken het voorhof zwellichaam (3) en de clitorale zwellichamen (4) samen en stimuleren via de verhoogde druk de talrijke aanwezige ‘lustreceptoren’. Dit neemt de vrouw waar als seksuele opwinding.

    Hoe het vrouwelijk lustorgaan uit het standaardwerk verdwijnt

    Schermafbeelding 2021 02 12 om 12.03.25

    Vroeg meesterwerk

    ‘De mannelijke en vrouwelijke lustorganen van de mens en enkele zoogdieren in anatomisch en fysiologisch opzicht’: zo luidt de uitvoerige titel van het onderzoek dat de anatomieprofessor Georg Ludwig Kobelt al in 1844 publiceerde.

    De hier afgebeelde tekeningen van Kobelt laten de zwellichamen van de clitoris zien in zij-aanzicht, ingebed in het bek (boven), en frontaal (onder), alsook een op het eerste gezicht aan de penis herinnerende, tot dan toe unieke, zeer gedetailleerde vergroting met bloedvaten en zenuwen.

    De clitoris in Gray’s Anatomy

    In de uitgave van de in 1858 voor het eerst verschenen anatomie-atlas, genoemd naar de uitgever, de anatoom Henry Gray, geïllustreerd door Henry Vandyke Carter, komt de afbeelding van de clitoris in de dwarsdoorsnede van het vrouwelijk bekken in hoge mate overeen met wat Georg Ludwig Kobelt vier decennia daarvoor had ontdekt: de van buiten zichtbare clitoriseikel en de verborgen liggende clitorislichamen zijn ingetekend, het clitoris zwellichaam is tenminste aangeduid.

    514a5bb069fdcd97c1551d0eab1fe904193fabc5 1

    1901:  Een klein knopje

    Vagina en uterus blijven, het lustorgaan krimpt: aan het begin van de twintigste eeuw is in het standaardwerk van de anatomie van de oorspronkelijke afbeelding van de clitoris in dwarsdoorsnede nog slechts een kleine welving aan de voorkant overgebleven. Die komt ongeveer overeen met het deel van het orgaan dat van buiten zichtbaar is. De anatomisch correcte grootte en vorm van de clitoris zijn niet meer te zien.

    c208c7ff544442ebb6719416a37a8aa41a1b9bb2 1

    1913:  Geen spoor meer

    Zelfs het kleine, als clitoris aangeduide bultje uit de vorige uitgave is verdwenen. In deze uitgave van de anatomie-atlas ontbreekt in de betreffende afbeelding elke verwijzing naar het vrouwelijk lustorgaan. Ter vergelijking: in deze uitgave van Gray’s Anatomy treffen medische studenten en artsen nog steeds wel uitvoerige afbeeldingen van de penis aan.

  • Mannen komen van Mars en vrouwen ook

    Mannen komen van Mars en vrouwen ook

    Mannen willen een mooie vrouw en vrouwen een rijke man. Volgens evolutiepsychologen komt die trend voort uit aangeboren biologische impulsen. Maar met de toegenomen gendergelijkheid zijn partnerkeuzes ook veranderd.

    Al tijdens hun eerste afspraakje zitten Mia en Josh te praten alsof ze elkaar al jaren kennen. Josh vindt het leuk dat Mia zo gevat is; Mia vindt Josh warm en goedlachs. Er bloeit iets moois tussen hen op, al worden ze zo nu en dan toch allebei bekropen door twijfel. Josh is de belangrijkste verzorger van een kind uit een eerder huwelijk en zijn financiële vooruitzichten zijn niet al te gunstig. Mia kan daar niet mee zitten, want Josh’ karakter maakt dat meer dan goed. Maar toch, hij is niet het type waar ze normaal gesproken op valt – het type dat veel jonger is dan zij, en ook nog eens sportief en aantrekkelijk. Josh droomt ondertussen van een vrouw die niet alleen geld heeft, maar ook nog eens ambities, status en een goede opleiding, en die het liefst ook nog gepromoveerd is (als het even kan in twee verschillende vakgebieden). Dat Mia alleen een academische graad heeft, is wel een struikelblok. 
Het is tenslotte de norm dat het vooral mannen zijn die ‘een goed huwelijk’ sluiten. Dit scenario klinkt misschien wat merkwaardig, en dat is ook de bedoeling: Ik heb een anekdote verzonnen over hoe de heteroseksuele dating scene er over honderd jaar uit zou kunnen zien. Momenteel lijkt het verlangen naar een jonge, aantrekkelijke partner van de andere sekse meer te spelen bij mannen dan bij vrouwen. En vrouwen zullen status en geld vaak laten prevaleren boven leeftijd en uiterlijk. Waarom? Veel evolutiepsychologen schrijven deze trend toe aan de macht van aangeboren biologische impulsen. Zij betogen dat vrouwen een oerverlangen hebben naar rijke mannen die voor hun kinderen kunnen zorgen tijdens de zwangerschap en de lange periode waarin de kinderen moeten worden grootgebracht. Mannen maken zich ondertussen vooral druk over de vruchtbaarheid van vrouwen, en daarvoor zijn uiterlijk en schoonheid goede indicatoren. In het verre verleden was dit gedrag adaptief en daarom heeft de evolutie het geselecteerd en voorgoed in onze genen gecodeerd. Natuurlijk, het moderne paringsritueel ziet er heel anders uit dan bij onze voorouders. ‘Desondanks worden de seksuele strategieën van onze voorouders ook nu nog met evenveel verve ingezet,’ schrijft psycholoog David M. Buss in The Evolution of Desire (2003).

    Partnervoorkeuren

    ‘Ook in onze moderne wereld houden we vast aan onze geëvolueerde theorie over partnerkeuze omdat het de enige theorie is die wij kennen.’ (Er is maar weinig historisch of intercultureel onderzoek gedaan naar de partnervoorkeuren van LGBT’ers; zulke vragen zijn zonder meer belangrijk, maar helaas beschikken we over onvoldoende gegevens om daar goed onderzoek naar te doen.) De afgelopen vijftig jaar heeft er echter een aardverschuiving plaatsgevonden op het gebied van genderrollen. [In Nederland kregen vrouwen pas in 1994 wettelijk recht op gelijke beloning voor gelijk werk, en verkrachting binnen het huwelijk werd pas in 1991 strafbaar.] Je zou toch verwachten dat deze veranderende opvattingen over relaties hun weerslag hebben op de partnerkeuzes van heteroseksuele mannen en vrouwen? Of zijn we nog altijd willoos overgeleverd aan onze biologische bestemming, zoals evolutiepsychologen beweren?

    Detail van het schilderij The Reluctant Bride (1866) van de Franse schilder Auguste Toulmouche. – © Wikimedia
    Detail van het schilderij The Reluctant Bride (1866) van de Franse schilder Auguste Toulmouche. – © Wikimedia

    De resultaten van het onderzoek zijn duidelijk: mannen en vrouwen groeien steeds meer naar elkaar toe in hun partnerkeuzes. Die ontwikkeling is duidelijk gelinkt aan de toegenomen gelijkheid tussen de seksen, waarbij vrouwen steeds meer toegang krijgen tot bepaalde middelen en mogelijkheden in het bedrijfsleven, de politiek en het onderwijs. In samenlevingen waar minder gelijkheid is tussen de seksen, zoals Turkije, geven vrouwen aan de financiële vooruitzichten van een partner maar liefst twee keer zo belangrijk te vinden als in landen met een grote gendergelijkheid, zoals Finland. Net zoals bij Josh en Mia zullen Finse mannen nu eerder dan Finse vrouwen hun partnerkeuze baseren op de opleiding die de ander heeft gehad.Natuurlijk varieert binnen elke maatschappij de mate van seksisme, en het algehele niveau van gendergelijkheid binnen een land laat zich niet altijd vertalen naar gendergelijke verhoudingen tussen individuen. Maar als de voorkeuren bij de partnerkeuze biologisch zijn bepaald, dan zou individueel seksisme daar geen invloed op moeten hebben. Uit onderzoek in negen landen blijkt echter het tegenovergestelde. Hoe minder positief een man staat ten opzichte van gendergelijkheid, hoe meer waarde hij hecht aan kwaliteiten als jeugdigheid en aantrekkelijkheid bij vrouwen; en hoe minder positief een vrouw staat ten opzichte van gendergelijkheid, hoe meer waarde zij hecht aan geld en status bij mannen.

    Deze gegevens wijzen op enkele zwakke plekken in het verhaal van de evolutionair psycholoog

    Deze gegevens wijzen op enkele zwakke plekken in het verhaal van de evolutionair psycholoog. Als genen bepalen wat we belangrijk vinden bij de partnerkeuze, hoe kan het dan dat onze naar verluidt ingebakken instincten, evenredig aan de mate van gendergelijkheid op maatschappelijk en individueel niveau, aan kracht inboeten? Toegegeven, ook evolutionair psychologen onderkennen dat culturele factoren en lokale gebruiken van invloed kunnen zijn op de manieren waarop mensen een partner kiezen. Maar gendergelijkheid wordt niet tot die factoren gerekend, aangezien zelfs in betrekkelijk gendergelijke samenlevingen de kloof tussen de voorkeuren bij mannen en vrouwen weliswaar kleiner wordt, maar niet geheel verdwijnt. Maar het ontstaan van een kleinere kloof ondersteunt onze aanname juist: het verschil wordt slechts kleiner in de mate waarin de gendergelijkheid groter wordt. Om het verschil helemaal te doen verdwijnen zou er sprake moeten zijn van een volledige gendergelijkheid. Maar daarvan is tot op heden geen sprake.

    Auteur: Marcel Zentner

    Aeon

    Verenigd Koninkrijk | website | aeon.co/magazine Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.

  • Het gevaarlijke liefdesleven van wenkkrabben

    Het gevaarlijke liefdesleven van wenkkrabben

    Door de zeespiegelstijging komen verschillende soorten wenkkrabben met elkaar in contact. Voor de banaanwenkkrab pakt dat niet zo goed uit – omdat hij te aardig is.

    De meeste wenkkrabbensoorten houden er vergelijkbare levensstijlen op na. Toch is de tolerantie van deze krabben voor hoe lang, hoe vaak en op welke manier hun hol bij vloed volstroomt heel verschillend. In de strook kust die bij eb droogvalt kan een paar centimeter hoogte al een groot verschil maken; daardoor is de habitat van elke soort heel smal.

    Twee wenkkrabbensoorten, Tubuca elegans en Tubuca signata, zoeken bij Darwin Harbour in Noord-Australië noodgedwongen hogergelegen gebieden op, waar ze een hol kunnen graven waar ze minder last van het water hebben.

    Helaas dringen ze daarbij het leefgebied binnen van weer een derde wenkkrabbensoort, Austruca mjoebergi, de banaanwenkkrab. Uit recent onderzoek blijkt dat deze soort veel last heeft van zijn nieuwe buren – omdat hij zo aardig is.

    Helaas zwaaien banaanwenkkrabmannetjes ook vrolijk naar voorbij wandelende vrouwtjes van andere soorten

    De mannetjes van alle wenkkrabbensoorten bakenen een territorium af, graven dan een hol en verdedigen dat fel tegen indringers. Gedurende twee weken in de zomer gaan de vrouwtjes op zoek naar een partner en paraderen daarbij langs deze holen, terwijl de mannetjes ervoor staan. Die trekken dan aandacht door met hun grote scharen te zwaaien (vandaar de naam wenkkrabben). Dit systeem werkt prima zolang er maar één wenkkrabbensoort in een gebied leeft. Maar helaas zwaaien banaanwenkkrabmannetjes ook vrolijk naar voorbij wandelende vrouwtjes van andere soorten.

    Soms verlaten ze zelfs hun hol om zo’n passerend vrouwtje een stukje te volgen, waarbij ze een gemakkelijke prooi zijn voor meeuwen, ijsvogels en andere kustvogels. Achtervolgen ze een vrouwtjeskrab van hun eigen soort, dan is dat het risico wel waard. Maar met de nieuwkomers kunnen deze weinig kieskeurige mannetjes niet paren. Zij verspillen dus veel tijd en energie – en riskeren zelfs hun leven.

    Nog ingewikkelder is voor de banaanwenkkrab de interactie met andersoortige mannetjes. Onder wenkkrabben gaat het onderling bepalen van territoriumgrenzen vaak met veel geweld gepaard. Het is dus makkelijker om een buurman te hebben met wie de strijd al is gestreden dan om een nieuwe te krijgen. Soms helpt een mannetje zijn buurman zelfs om diens territorium tegen indringers te verdedigen, maar alleen als ze een goede kans hebben om de strijd te winnen – is de indringer te groot en belooft het een zwaar gevecht te worden, dan denken ze daar wel twee keer over na.


    Banaanwenkkrabben zijn kleiner dan de twee soorten met wie zij nu hun leefgebied moeten delen. Zodra deze grotere krabben hun opwachting maken, zullen de banaanwenkkrabben dus minder vaak solidair zijn om hen te verdrijven. Soms eindigt het zelfs nog dramatischer.

    Banaanwenkkrabben maken namelijk niet altijd even goed het onderscheid tussen hun buren. De bioloog Fabio Sanches van de universiteit van de staat São Paulo in Brazilië, een van de auteurs van het onderzoek, vertelt dat het kan gebeuren dat ze een buur van een andere soort helpen en daarmee een mannetje van hun eigen soort verdrijven.

    Voor een krab is het een regelrechte ramp uit zijn hol verdreven te worden. Als veel banaanwenkkrabben hun territorium aan de nieuwkomers verliezen, kan het resultaat zelfs zijn dat deze populatie zijn natuurlijke habitat kwijtraakt.

    Overlevingsstrategie

    Als gevolg van de zeespiegelstijging, en de daarmee gepaard gaande vernietiging van natuurlijke habitats, worden verschillende soorten vaker in krimpende gebiedjes opeen gedreven. Voor soorten die zich niet kunnen aanpassen kan dat het einde betekenen. Sanches: ‘Het zou goed kunnen dat sommige soorten daar meer onder te lijden hebben dan andere.’

    En de banaanwenkkrabben kunnen nergens heen. De aanleg van gebouwen, wegen en dammen langs de vloedlijn creëert onoverkomelijke barrières voor soorten die het hogerop zoeken wanneer het water stijgt.

    Het is moeilijk te voorspellen hoe deze drie krabbensoorten de beschikbare ruimte uiteindelijk zullen verdelen. ‘Wenkkrabben beschikken over allerlei strategieën om hun soortgenoten te herkennen,’ vertelt bioloog Daniela Perez van de Australian National University, die overigens niet bij het onderzoek betrokken was. Volgens haar zouden de banaanwenkkrabben er op de lange termijn beter in kunnen worden soorten uit elkaar te houden. De redding komt misschien wel van de vrouwtjes. Vrouwtjes lijken geschikte partners namelijk beter te kunnen herkennen dan mannetjes. Ze herkennen bijvoorbeeld de kleur van de scharen van hun eigen mannetjes en de manier waarop zij ermee wuiven.

    Een andere goede overlevingsstrategie is om te letten op het tijdstip waarop de hofmakerij begint. De drie soorten kiezen net een iets ander moment uit om te paren, vertelt Sanches. Paren kost veel energie, dus de mannelijke banaanwenkkrabben krijgen misschien op den duur wel door dat het niet slim is om te wuiven naar elke vrouwelijke wenkkrab die voorbij wandelt, ongeacht de soort waar zij toe behoort.

    De tragedie die zich hier aan de kust afspeelt hoeft dus niet per se slecht af te lopen. Als de mannetjes van de banaanwenkkrab zich weten te beheersen, is er nog hoop op een happy end.

    Auteur: K.N. Smith
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Hakai Magazine
    Canada | www.hakaimagzine.com

    Wetenschap, maatschappij en milieu, met een nadruk op de zeeën. Het tijdschrift is onderdeel van Tula Foundation en Hakai Institute. De naam is geïnspireerd op Hakai Lúxvbálís Conservancy, een groot beschermd gebied aan de westkust van Canada.

  • Klimaatverandering bedreigt parasieten

    Klimaatverandering bedreigt parasieten

    Teken, vlooien en lintwormen zijn geen populaire wezens. Maar als ze door de opwarming van de aarde zouden verdwijnen, zou dat een ramp betekenen.

    Wereldwijd zijn dieren op drift geraakt. En dat geldt ook voor hun parasieten. Onlangs werden de resultaten gepubliceerd van een eerste grootschalig onderzoek naar de gevolgen van de klimaatverandering voor ’s werelds parasieten. De onderzoekers kwamen tot de verbijsterende conclusie dat maar liefst een op de drie parasietensoorten in de loop van deze eeuw dreigt uit te sterven. Door de opwarming van de aarde zullen veel van hen inboeten aan leefgebied, waardoor hun voortbestaan in gevaar komt. Ook veel van hun gastheren zullen het niet redden. ‘Ik ben er nog steeds kapot van,’ vertelt Colin Carlson, de eerste auteur van het stuk, die aan de Universiteit van California op het onderwerp promoveert. Hij vermoedt dat veel mensen het nieuws met applaus zullen begroeten. ‘Parasieten zijn natuurlijk niet echt populair,’ aldus Carlson.

    Maar hoe griezelig lintwormen en bloedparasieten misschien ook zijn, ze zijn cruciaal voor de ecosystemen waarin ze leven. Sterven ze uit, dan kan dat hele voedselnetwerken verstoren, wat zelfs de menselijke gezondheid kan bedreigen. Parasieten verdienen hetzelfde respect dat toppredatoren de afgelopen decennia al kregen. Ooit werden wolven ook als ongedierte gezien – maar toen ze verdwenen veranderden ecosystemen opeens radicaal. Wetenschappers beseften toen dat wolven en andere roofdieren prooidierpopulaties in toom houden, waardoor planten de ruimte krijgen. Toen wolven op plekken als het Yellowstone-park geherintroduceerd werden, gingen deze ecosystemen erop vooruit.

    Monsters uit de Amerikaanse Nationale Parasiet Collectie.
    Monsters uit de Amerikaanse Nationale Parasiet Collectie.

    Nu beginnen onderzoekers voorzichtig te bestuderen welke rol parasieten in dit geheel spelen. In sommige ecosystemen vormen zij het grootste deel van de biomassa en wegen ze gezamenlijk wel twintig keer zoveel als de roofdieren in het gebied. Wetenschappers die voedselnetwerken bestudeerden, waren jarenlang gewend om lijnen te trekken tussen soorten – bijvoorbeeld tussen gnoes en het gras waarop ze graasden, en tussen gnoes en de leeuwen die hen opaten. Ze zagen glad over het hoofd dat parasieten zich met hun gastheren voeden en dat dit ook een niet te verwaarlozen factor is. Het blijkt dat wel 80 procent van de lijnen in een gemiddeld voedselnetwerk bij een parasiet uitkomen. Parasieten kunnen zo gemakkelijk populaties van hun gastheren in toom houden. Sommige daarvan doden ze direct, of anders zorgen ze ervoor dat hun gastheer zich na een infectie niet meer kan voortplanten: het voedsel waar de parasiet naar hunkert moet immers niet verspild worden aan de aanmaak van eitjes of sperma.

    Eigenlijk zou je parasieten samen met hun gastheren moeten beschermen,’ vindt ecoloog Kevin Lafferty van de Universiteit van California, die zelf niet bij het onderzoek betrokken was. De opwarming van de aarde maakt het plaatje nog gecompliceerder. Er was al wel onderzoek gedaan naar het lot van enkele parasietensoorten, maar Carlson en zijn collega’s wilden een globaal beeld van de invloed van klimaatverandering op al deze soorten krijgen. Zij begonnen hun werk bij de National Parasite Collection, die dateert uit 1892 en nu wordt beheerd door het Smithsonian-instituut. Het is een van de grootste verzamelingen in haar soort op de wereld, met twintig miljoen specimens, sommige in potjes met alcohol en sommige in objectglaasjes.

    Parasieten leven meestal in of op hun gastheren, maar dat maakt ze nog niet immuun voor klimaatverandering. Een stijgende omgevingstemperatuur kan schadelijk voor ze zijn

    Carlson en zijn collega’s bepaalden van elke parasietensoort het huidige bereik; zo konden ze inschatten in welk type klimaat de soorten zouden kunnen overleven en hoe het ze in een hete wereld zou vergaan. Nadat ze de hele collectie hadden doorgeploeterd, hadden ze 53.133 parasieten die naar hun idee geschikt waren om bij hun onderzoek te betrekken. Deze behoorden tot 457 soorten lintwormen, teken, vlooien en andere dieren.

    Parasieten leven meestal in of op hun gastheren, maar dat maakt ze nog niet immuun voor klimaatverandering. Een stijgende omgevingstemperatuur kan schadelijk voor ze zijn. Teken kunnen bijvoorbeeld omkomen door de hitte als ze in het gras op hun slachtoffers liggen te wachten. Mijnwormlarven leven in vochtige grond voordat ze iemands voet binnendringen. En parasieten hebben natuurlijk ook hun gastheren nodig – als die uitsterven, overleven de parasieten het meestal ook niet. Carlson en zijn collega’s moesten dus ook nagaan hoe de gastheren het na een klimaatverandering zouden doen.

    Andere leefgebieden

    De onderzoekers combineerden al deze factoren en schatten in welk risico elk type parasiet loopt. Uit het onderzoek bleek bijvoorbeeld dat sommige soorten weinig van de opwarming te vrezen hebben. Haakwormen zullen er bijvoorbeeld niet veel last van hebben omdat hun gastheren, vissen en vogels, zo wijdverbreid zijn. Maar andere typen, zoals vlooien en lintwormen, verdragen sterke temperatuurstijgingen veel minder goed; en veel andere leven op één enkele gastheer die in zijn voortbestaan bedreigd wordt.

    Carlson concludeerde dat zo’n 30 procent van de parasietensoorten het waarschijnlijk niet gaat redden. Volgens Lafferty zetten deze nieuwe onderzoeksresultaten vraagtekens bij die van eerdere, kleinere onderzoeken, die vaak geheel tegengestelde conclusies trokken. ‘We zijn van nature geneigd om aan te nemen dat parasieten en de ziekten die ze veroorzaken zullen toenemen, terwijl de rest van de biodiversiteit afneemt,’ vertelt hij.

    Carlson zegt dat klimaatverandering niet alleen soorten zal laten uitsterven, maar dat ze ook andere effecten heeft. Sommige parasieten kunnen naar andere leefgebieden verhuizen. Teken, die de ziekte van Lyme overbrengen, hebben volgens klimaatveranderingsmodellen een stralende toekomst als ze in noordelijke richting opschuiven. ‘We hoeven niet bang te zijn dat die gaan uitsterven,’ aldus Carlson.

    Auteur: Carl Zimmer
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: Monsters in de Nationale Parasiet Collectie. Zie hier voor meer voorbeelden.

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Leve de lever

    Leve de lever

    De wat onappetijtelijk ogende lever is een zwaar onderschat orgaan, dat maar liefst driehonderd essentiële lichaamsfuncties vervult. Niet zo vreemd dus dat men het in de oudheid beschouwde als zetel van de ziel.

    De Mesopotamiërs beschouwden de lever als het belangrijkste orgaan van het lichaam, de zetel van de menselijke ziel en emoties. De oude Grieken verbonden de lever met plezier: de woorden hepatisch en hedonistisch stammen naar men denkt af van hetzelfde woord.

    In het elizabethaanse Engeland werd de monarch niet het staatshoofd genoemd maar de staatslever. Een leliekleurige lever was een teken van grenzeloze lafheid, dus had het orgaan bij hem of haar die kleur dan zou het volk snel ten onder gaan.

    Toch onderschat waarschijnlijk zelfs de meest accurate over-lever-ing de complexiteit en de veelzijdigheid van het orgaan. Langzaam wordt duidelijk wat we allemaal op – en in – onze lever hebben.

    Kunststukje

    Snij je stukken van de lever weg totdat er bijna niets meer van over is, dan groeit hij even snel weer aan waarna hij weer als nieuw is: een kunststukje waar geen enkel ander orgaan toe in staat is. Dat is maar goed ook, want na de hersenen knapt de lever, van alle organen in het lichaam, het grootste repertoire aan klusjes op. Er zijn in totaal wel driehonderd functies bekend, zoals het ombouwen van voedingsstoffen die we binnenkrijgen tot nuttige bouwstenen voor cellen, het neutraliseren van allerlei schadelijke substanties, het aanmaken van een medicijnkast aan hormonen, enzymen, stollingsfactoren en immuunstoffen, het op peil houden van de bloedchemie, en dan zijn we nog maar net begonnen.

    ‘Als je longen niet meer werken kun je kunstmatige ademhaling krijgen; begeven je nieren het, dan is er altijd nog de dialysemachine en het hart, niet meer dan een pomp, valt eventueel te vervangen door een kunsthart,’ vertelt dr. Anna Lok, voorzitter van de American Association for the Study of Liver Diseases en hoofd van de afdeling klinische hepatologie van de Universiteit van Michigan.

    ‘Maar houdt je lever ermee op, dan is er geen machine die al zijn functies kan overnemen. De enige hoop die je dan nog hebt is een levertransplantatie.’

    Tot hun eigen verbazing ontdekken wetenschappers steeds weer nieuwe talenten en taken van het veelzijdige orgaan.

    Uit recent onderzoek bleek dat de lever elke 24 uur wel veertig procent uitzet en inkrimpt, terwijl de organen eromheen nauwelijks van grootte veranderen. Andere onderzoekers ontdekten dat onze voedselkeuzen mogelijk gestuurd worden door signalen uit de lever, vooral onze trek in zoetigheid. Trek in een rijpe perzik bijvoorbeeld, of een groot glas van die heerlijke limonade die helaas opeens niet meer in de schappen ligt. Toe, lever, hou je rustig.

    © Getty Images / DeAgostini
    © Getty Images / DeAgostini

    Ook hebben wetenschappers ontdekt dat hepatocyten, de metabolische actieve cellen die tachtig procent van de lever uitmaken, eigenschappen hebben die niet in andere, normale lichaamscellen voorkomen. De meeste lichaamscellen hebben bijvoorbeeld twee stel chromosomen in de celkern – twee setjes genetische instructies voor hoe een cel zich moet gedragen. Hepatocyten herbergen en manipuleren moeiteloos tot wel acht van zulke setjes chromosomen, zonder dat ze uit elkaar vallen of tumoren vormen. Deze chromosomale uitbundigheid is volgens dr. Marcus Grompe, die aan de Oregon Health and Science University het fenomeen bestudeert, ‘volstrekt uniek’. Waarschijnlijk is het een van de verklaringen voor het ongeëvenaarde zelfherstellend vermogen van de lever.

    Wetenschappers hopen dat de laatste inzichten in de ontwikkeling en de prestaties van de lever nieuwe therapieën zullen opleveren voor de ruim honderd aandoeningen die je aan het orgaan kunt krijgen. Sommige daarvan komen wereldwijd steeds vaker voor, mogelijk samenhangend met de alarmerende stijging van obesitas en diabetes.

    ‘Eigenlijk is het vreemd,’ vindt leverspecialiste Valerie Gouon-Evans van de Icahn School of Medicine at Mount Sinai: ‘De lever lijkt geen erg sexy orgaan. Zo belangrijk ziet die grote bobbel er niet uit. (…) Toch is het een essentieel ding, de verkeerstoren van het lichaam.’ Ze noemt de cellen van de lever ‘verbazingwekkend’.

    Het bloed uit de poortader brengt halfverteerd voedsel binnen, dat vervolgens door de lever gemasseerd, omgezet, ontgift, opgeslagen, weer uitgescheiden of vernietigd wordt

    De lever is ons grootste interne orgaan, weegt drieënhalve pond en is ruim 15 centimeter lang. De roodbruine massa van vier kwabben van ongelijke grootte ligt als een gestrande zeeleeuw rechts boven in de buikholte, onder het middenrif en boven op de maag.

    Het orgaan bevat veel bloed, zo’n 13 procent van al het bloed in het lichaam. De veelzijdigheid van het repertoire van de lever hangt samen met deze intieme relatie met bloed.

    Tijdens de ontwikkeling van de foetus worden bloedcellen in de lever aangemaakt. Weliswaar neemt het beenmerg die taak later over, maar de lever blijft een goed oor houden voor het biochemische geklets tussen alle uithoeken van het lichaam, zoals dat in de bloedstroom weerklinkt.

    De meeste organen krijgen bloed binnen langs één enkele ader. Alleen bij de lever zijn het er twee: de leverslagader, waar zuurstofrijk bloed uit het hart binnenkomt, en de poortader, waar het bloed vanuit de darmen en de milt binnenstroomt. Dit bloed uit de poortader brengt halfverteerd voedsel binnen, dat vervolgens door de lever gemasseerd, omgezet, ontgift, opgeslagen, weer uitgescheiden of vernietigd wordt.

    ‘Alles wat je in je mond stopt, gaat eerst door de lever vóór het ergens anders in je lichaam van nut kan zijn,’ aldus Lok.

    De meeste bloedvaten in het lichaam zijn hermetisch afgesloten, zodat direct contact tussen bloed en weefsels niet mogelijk is, maar de door de lever kronkelende aders en slagaders zijn bespikkeld met gaatjes zodat er bloed uit kan lekken, recht de hepatocyten in.

    Zoetigheid

    Deze hepatocyten zijn op hun beurt weer bedekt met microvilli – vingervormige uitstulpingen die het celoppervlak dat bloed kan opnemen ‘enorm vergroten’, vertelt leveronderzoeker Marcus Heim van de Universiteit van Bazel.

    ‘Hepatocyten zwemmen in het bloed,’ zegt hij. ‘Daardoor kunnen ze zo goed stoffen uit het bloed opnemen.’

    Omdat de lever voortdurend proeft van het circulerende bloed, kan het van alle organen het beste het energieniveau van het lichaam in de gaten houden. Indien nodig kan het dan uit het voorraadje in de lever opgeslagen glycogeen een dosis glucose afgeven. Verder geeft het orgaan vitaminen af, mineralen, lipiden, aminozuren en andere micronutriënten wanneer daar behoefte aan is.

    Uit nieuw onderzoek blijkt dat de lever zowel een proactieve als een reactieve rol speelt bij het op de situatie afstemmen van onze trek en onze voedselkeuzes.

    Mensen zijn, zoals we allemaal weten, gek op zoetigheid. Waarschijnlijk is dit een erfenis van onze aapachtige voorouders. Maar ga je je te buiten aan zoetigheid, zelfs als dat aan zoiets gezond is als een schaal kersen, dan gaat dat vaak ten koste van ander eten.

    In het tijdschrift Cell Metabolism beschreef Matthew Gillum van de universiteit van Kopenhagen samen met zijn collega’s hoe de lever na inname van een zoet drankje verdere zoete trek afremt door een signaalhormoon af te geven, FGF-21.

    Dat heeft echter niet altijd het gewenste effect. Om onduidelijke redenen bestaan er meer en minder actieve varianten van dit hormoon; de onderzoekers ontdekten dat mensen met een gemuteerde versie van FGF-21 hun leven lang zoetekauwen waren.

    De onderzoekers zoeken nu naar andere leverhormonen, die onze trek in eiwitten of vetten reguleren.


    ‘Het is op zich logisch dat de lever een centrale rol speelt in metabolische processen,’ vertelt dr. Gillum. ‘Tenslotte kan de lever beter dan de hersenen nagaan hoeveel energie er beschikbaar is en of je beter niet nog een peer kunt nemen.’

    De lever houdt ook de tijd bij. Onlangs beschreven Ulrich Schibler en zijn collega’s van de Universiteit van Genève in het tijdschrift Cell hun onderzoek naar de oscillerende lever. Elke dag zet het orgaan uit en krimpt het weer: daarbij volgt het bij dieren de normale circadiaanse ritmes en het patroon van voedselinname.

    De onderzoekers zagen dat de lever van muizen in het donker bijna anderhalf keer zo groot was als bij daglicht, wat deze nachtdieren ongetwijfeld goed van pas komt.

    Ook kwamen de onderzoekers achter de oorzaak van deze grootteverandering.

    ‘Wij wilden weten of het alleen maar door extra water of extra glycogeen kwam,’ vertelt Schibler. ‘Dat zou nogal saai zijn.’ Maar saai bleek het niet. ‘De samenstelling van de soep waaruit de lever bestaat, blijkt overdag en ’s nachts te verschillen,’ vertelt hij. ’s Nachts produceren muizenhepatocyten veel meer eiwitten, maar overdag wordt er weer evenveel eiwit afgebroken.

    Er zijn aanwijzingen dat eenzelfde extravagante afwisseling van aanmaak en vernietiging van eiwit ook in de menselijke lever plaatsvindt, al is de timing andersom omdat wij nu eenmaal overdag actief zijn.

    De onderzoekers begrijpen nog niet goed waarom de lever uitzet en krimpt, maar Schibler vermoedt dat het te maken heeft met de zware onderhoudstaken van het orgaan.

    Strak reparatieregime

    ‘De lever krijgt allerlei rotzooi binnen,’ vertelt hij. ‘Als sommige componenten daarbij beschadigen, dan moet je die vervangen. Als je alles wat stuk is dagelijks vervangt, blijft je lever gezond.’

    Volgens dr. Grompe dragen hepatocyten door hun extreme plasticiteit bij aan het strakke reparatieregime in de lever.

    Samen met anderen toonde hij aan dat hepatocyten, door hun uitzonderlijke vermogen om meerdere setjes chromosomen te gebruiken terwijl ze normaal werken en zich delen, bijna als immuuncellen functioneren. Ze zijn genetisch zo divers dat ze met bijna elk type vergif dat ze tegenkomen om kunnen gaan. ‘Onze voorouders aten geen gezond gekookt voedsel,’ vertelt Grompe. ‘Ze aten allerlei rotzooi, vaak zelfs bedorven dingen, en in de prehistorie kreeg de lever voortdurend allerlei giffen te verwerken. Dan heb je alle mechanismen die je maar kunt verzinnen nodig om je daaraan aan te passen.’

    Gelukkig wist de lever met die evolutionaire uitdaging om te gaan. Ja, ik heb van alles op mijn lever en ben er trots op ook.

    Auteur: Natalie Angier
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Hoe luie dieren fit blijven

    Hoe luie dieren fit blijven

    Uw kat ligt de hele dag te slapen op de bank, en toch loopt hij Usain Bolt er makkelijk uit. Hoe slagen dieren erin in conditie te blijven zonder noemenswaardige training?

    De meer dan 40.000 hardlopers die onlangs aan de start van de Londense marathon 
verschenen, zullen zich stiekem afgevraagd hebben waar ze aan waren begonnen. Al heb je je nog zo goed aan je trainingsschema gehouden, 42 kilometer rennen doet pijn.

    Nee, dan de brandgans. Diens voorbereiding op zijn drieduizend kilometer lange trek zou voor ons net zoiets zijn als lui op de bank vis en patat eten.

    Maandenlange noeste trainingsarbeid, om dan vlak vóór de grote dag een stapje terug te doen? Daar doet de brandgans niet aan. Volgens milieufysioloog Lewis Halsey van de Universiteit van Southampton ‘zitten ze gewoon op het water non-stop te eten’.

    Pas sinds kort onderzoeken wetenschappers hoe dit kan. Niemand had zich nog de vraag gesteld of bij dieren conditie en trainingsactiviteit even sterk 
met elkaar samenhangen als bij de mens. Maar nu hebben die ogenschijnlijk luie dieren, die toch soms een enorm uithoudingsvermogen aan de dag leggen, dan eindelijk de interesse van een handjevol wetenschappers gewekt.

    Vaak wordt aangenomen dat wilde dieren, doordat 
ze tijdens het zoeken naar voedsel en het ontsnappen aan roofdieren zo veel bewegen, topfit zijn. Halsey schreef onlangs een stuk in het Journal of Animal Ecology met de provocerende titel ‘Do animals exercise to keep fit?’. Hij liet zien dat het antwoord vaak nee luidt.

    Omgevingsfactoren

    Kijk maar naar onze goede oude huiskat. De meeste katten liggen het grootste gedeelte van de dag te 
luieren en doen nauwelijks iets. Maar zelfs de luiste kat loopt Usain Bolt er over korte afstanden gemakkelijk uit. Al dat geslaap lijkt hun natuurlijke beweeglijkheid nauwelijks te hinderen als er 
plotseling een hond in de tuin opduikt. En zwarte 
en bruine beren komen uit een maandenlange 
winterslaap tevoorschijn met intacte spiermassa – 
al hebben ze nauwelijks bewogen.

    De brandgans doet daar zelfs een schepje bovenop. Ondanks hun zittende leventje houden ze niet alleen hun conditie op peil, hun hart wordt zelfs sterker, 
ze krijgen grotere vliegspieren en bouwen op de een of andere manier voldoende conditie op om in twee dagen duizenden kilometers te migreren.

    Maar als deze fysieke hoogstandjes niet aan training te danken zijn, waaraan dan wel? Om dat te verklaren, moet het begrip fysieke conditie ruimer worden opgevat. ‘Fit zijn’ wil biologisch gezien zeggen dat het lichaam veranderingen heeft ondergaan waardoor het sterker en efficiënter is geworden. Bij mensen worden zulke veranderingen door training in gang gezet. Bij dieren als beren en trekvogels daarentegen lijkt een wisseling van seizoen het lichaam voor te bereiden op een komende uitdaging. Voor beren 
kunnen een dalende temperatuur of voedselschaarste dus signalen zijn. Maar wat het signaal ook is, het stimuleert de aanmaak van stofjes in het bloed die de spieren beschermen. In experimenten waarin spieren van ratten in het bloed van beren in winterslaap 
werden gelegd, nam het verlies van spierweefsel met veertig procent minder af dan bij spieren die in bloed van beren lagen die niet in winterslaap waren.

    Halsey gaat ervan uit dat ook brandganzen reageren op veranderingen in omgevingsfactoren als temperatuur, waardoor hun lichaam ‘weet’ dat ze fysiek 
op de proef gesteld zullen worden en ze dus aan moeten komen.

    De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia
    De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia

    Bij andere vogelsoorten is het signaal de seizoensafhankelijke hoeveelheid daglicht. Fysiologisch 
ecoloog Chris Guglielmo van de Universiteit van Western Ontario in Canada merkte dat wanneer de geelstuitzanger, een trekvogel, aan een ander aantal uren daglicht werd blootgesteld, honderden genen in zijn spieren een veranderende activiteit lieten zien. ‘Kleine zangvogels hoef je niet speciaal te trainen om ze zes tot tien uur te laten vliegen,’ vertelt hij. ‘Stel je ze een tijdlang bloot aan de juiste daglichtcyclus en haal je ze daarna uit hun kooi, dan vliegen ze in een windtunnel zo tien uur achter elkaar.’

    Anders dan trekvogels krijgen mensen in april helaas geen biologische prikkels om fit te worden, hoe graag een marathonloper dat misschien ook zou willen. Ook hebben we geen spierbeschermende stofjes in ons bloed, dat ervoor zorgt dat we als we op de bank liggen onze zwaarbevochten spierkracht niet verliezen. Invloeden uit ons evolutionaire verleden hebben ervoor gezorgd dat wij alleen door training in goede conditie komen.

    Het leven van onze voorouders was onvoorspelbaar. Ze moesten veel en soms ook hard lopen om aan voedsel te komen en zich uit gevaarlijke situaties te redden. Tegelijk moesten ze hun spiermassa minimaal houden omdat er zelden voedsel in overvloed was. Zo bezien is uit vorm raken zelf ook weer een adaptatie. Het onderhouden van spieren kost immers een hoop energie. Elke kilo spierweefsel vraagt 
dagelijks zo’n tien tot vijftien kilocalorieën van ons rustmetabolisme. Misschien lijkt dat niet veel, maar bedenk dat veertig procent van het lichaamsgewicht van een doorsneepersoon uit spieren bestaat. ‘Een gemiddeld mens besteedt zo’n twintig procent van zijn basale energiebudget aan het op peil houden 
van spiermassa,’ vertelt evolutionair bioloog Daniel Lieberman van de Harvard-universiteit, die tevens marathonloper is.

    Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen

    Onze fysiologie is dus zo geëvolueerd dat ons gewicht en onze conditie variëren als functie van het beschikbare voedsel. Hierin zijn we volgens Lieberman anders dan de meeste andere dieren. De meeste dieren zijn alleen tot korte momenten van intense activiteit in staat, dat geldt zowel voor de cheeta die achter een prooi aan zit als voor de gazelle die aan hem ontsnapt. Katten zijn weliswaar snel, maar 
hoeven maar zelden ver te lopen. Misschien kan een huiskat haar kattenconditie prima op peil te houden door een paar keer een rondje om het huis te stuiven. Mensen daarentegen hoefden niet vaak hard te 
rennen, maar moesten wel langere afstanden 
afleggen, aldus Lieberman.

    Hij denkt dat natuurlijke selectie ons lang geleden 
op de Afrikaanse savanne tot ‘perfect aangepaste duursporters’ heeft gemaakt, die prooidieren er met gemak uitrenden en lange afstanden aflegden als 
het nodig was. Maar schijnbaar moeten we er wel op trainen. Doen we dat niet, dan verslappen we.

    Ook dieren die grote afstanden aflegden, hoefden qua snelheid niet uit te blinken. Een brandgans die de Atlantische Oceaan overstak, hoefde geen wereldrecord te vestigen, zolang hij de overkant maar 
haalde. En, vertelt sportfysioloog Ross Tucker van de Universiteit van de Vrijstaat in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein, de mens is het enige dier dat zich 
zorgen maakt over zijn piekactiviteit. Behalve 
renpaarden en hazewindhonden, allebei gefokt om wedstrijden te rennen, gaan dieren geen directe competitie met elkaar aan. ‘Ik weet niet of dieren allemaal dezelfde prestaties leveren… En we weten niet of zij hun prestaties door training kunnen 
verbeteren,’ zegt hij.

    Wat kan een menselijke sportfanaat leren van de luie, fitte dieren in de vrije natuur? Je zou misschien hopen dat wetenschappers nog eens een marathonlooppil maken die ons lichaam doet transformeren als dat van een brandgans. Maar nog afgezien van 
de gezondheids- en ethische aspecten van dergelijke doping, zal dat niet snel gebeuren. Tot het zover is, moeten we onze motivatie misschien zoeken bij een bescheidener diertje.

    Dopamine

    Iedereen die wel eens een hamster heeft gehad, 
weet dat knaagdieren erg van rennen houden. Uit experimenten met hun hersenchemie blijkt dat zij 
er plezier aan beleven, vertelt evolutionair bioloog Vincent Careau van de Universiteit van Ottawa in Canada. ‘Hun dopaminesysteem maakt dat muizen dat fijn vinden,’ vertelt hij. ‘Ze krijgen er eenzelfde kick van als hardlopers.’

    Een Nederlands experiment uit 2014 liet zien dat niet alleen tamme knaagdieren zo reageren. Zet je een loopmolentje buiten, dan bleken zelfs wilde 
muizen erop te gaan rennen, zodra ze doorkregen hoe het ding werkte.

    Deze zomer wil Careau dit experiment voortzetten, door opnieuw loopmolentjes in de vrije natuur te plaatsen. Hij wil zo veel mogelijk muizen van een merkteken voorzien en bijhouden welke afstand elk van hen op het molentje aflegt, zodat hij kan nagaan of het rennen hun overleven bevordert. Het zou heel goed kunnen van wel, omdat muizen immers voortdurend aan roofdieren moeten ontsnappen: haviken, vossen, slangen, wezels. Wie weet doen zij wel, net als wij, te weinig aan hun conditie om hard genoeg weg te kunnen lopen, en doen ze er goed aan om in hun vrije tijd nog wat bij te trainen. Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen. 
Wil je dus als marathonloper graag je prestaties 
verbeteren, vergeet dan die ganzen, katten en beren. Doe als een muis, en ga op zoek naar die heerlijke dopaminekick.

    Auteur: Richard Lovett
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    New Scientist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 82.000

    Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.

  • De zaadzoekers

    De zaadzoekers

    Zane Webber en Michelle Williamson verzamelen in opdracht van de Nieuw-Zeelandse overheid overal ter wereld zaden van grassen en andere weidegewassen. Hun archief moet de nationale vlees- en zuivelindustrie beschermen tegen rampen en de gevolgen van de klimaatverandering.

    We kunnen er alleen maar naar gissen 
wat die Russische boeren gedacht moeten hebben toen ze dat stel 
Nieuw-Zeelanders voorovergebogen in het groen zagen staan in een afgelegen gebied in de buurt 
van Mongolië. Ze zullen enige argwaan hebben gekoesterd, want niet lang nadat Zane Webber en Michelle Williamson werden opgemerkt door een man op een tractor, hoog in het schitterende 
Altajgebergte, kwam er iemand in een terreinwagen aanrijden die Williamson een identiteitsbewijs onder de neus duwde. ‘Ze spreken natuurlijk geen Engels, dus dan doe ik maar een koe na en maak ik kauwbewegingen,’ zegt Williamson.

    De taalbarrière is een van de redenen waarom Webber en Williamson altijd een tolk bij zich hebben. Dit keer lieten hun Russische collega’s de natuurambtenaar hun vergunningen zien, en dat leek voldoende. Hij vertrok weer. Toch moet hun expeditie een vreemde indruk hebben achtergelaten.

    Webber en Williamson zijn zaadzoekers. Zij en hun collega’s struinen rond in Tadzjikistan, Tunesië, Turkije, China, Spanje, Griekenland en Portugal, of waar er maar zeldzame en oude plantensoorten zijn te vinden. Dat is op zich nog niet zo vreemd. Veel genenbanken hebben verzamelaars in dienst die 
over de hele wereld op zoek zijn naar plantaardig materiaal voor wetenschappelijk onderzoek. Die reizen bijvoorbeeld naar een afgelegen gedeelte van Kazachstan en keren terug met een zak vol zaden 
in envelopjes.

    Elke keer zegt hij na afloop tegen Williamson dat dit écht de laatste keer was. 
“En vervolgens begin ik voorbereidingen te treffen voor de volgende expeditie”’

    Wat de Nieuw-Zeelanders onderscheidt is hun 
obsessie met koeien- en schapenvoer. Het merendeel van hun collega’s is uit op de wilde familieleden 
van gewassen die geschikt zijn voor menselijke consumptie, in de hoop er een sterkere en voedzamere soort tarwe, maïs, zoete aardappel, cassave of rijst mee te kweken. Als de wereld wordt getroffen door een ramp die alle gewassen verwoest, dan zullen 
de mensen die het overleven vermoedelijk proberen om naar het Noorse Svalbard (voorheen Spitsbergen) binnen de poolcirkel te komen, waar diep in de 
permafrost een opslagplaats is voor (inmiddels 
tweeënhalf miljard) zaden, bedoeld om de vruchten van vele eeuwen landbouw te beschermen tegen 
een eventuele ramp. Maar een uitgehongerde koe doet er beter aan om naar Palmerston North te gaan, 
op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland, en te 
proberen daar het imposante grasarchief binnen 
te dringen.

    Het Margot Forde Germplasm Centre is een 
overheidsinstelling op de Grassland-campus van AgResearch en heeft een opslagruimte met klimaatcontrole, waar zo’n 114.000 zaadmonsters worden bewaard. Het betreft vooral zaden van verschillende soorten weidegewassen, met name grassen en klaversoorten, die koeien en schapen helpen omzetten in lucratieve vlees- en zuivelproducten voor de export.

    Kaart en plantengids

    Een zadenzoekexpeditie begint vrijwel altijd met 
een kaart en een plantengids. Op de wereldkaart in het Margot Forde Centre zijn cirkels getrokken rond veelbelovende gebieden met een grote biodiversiteit. Sommige van die gebieden zijn nog niet eerder bezocht door zaadzoekers. Het centrum kan zich een of twee expedities per jaar veroorloven, dus geven 
de jagers de voorkeur aan plekken die waarschijnlijk de grootste lacunes in hun collectie kunnen opvullen. Daarbij moeten ze er ook op letten welke landen bereid zijn een vergunning te verstrekken. Er zijn landen die aanvankelijk wel buitenlandse verzamelaars toelieten, maar die zijn teruggekrabbeld nadat louche partijen, ook wel ‘biopiraten’ genoemd, zonder toestemming zaden meenamen en patent aanvroegen op hun producten, vertelt de Nieuw-Zeelandse specialist Kioumas Ghamkar.

    Zodra alle paperassen in orde zijn, stuurt Webber 
een verlanglijstje met soorten naar een groep lokale medewerkers, die vervolgens een route samenstellen. De afgelopen jaren heeft Webber ook zijn collega Williamson uit de zaadopslag van Palmerston North meegevraagd, zodat zij het een en ander zou kunnen leren over het verzamelen.

    Het team stapt in twee identieke witte busjes, die er haast antiek uitzien, 
al houdt Williamson bij hoog en bij laag vol dat ze nieuw zijn. De Russische busjes blijken het verrassend goed te doen op de steile hellingen in het 
Altajgebergte, en Webber heeft pas één keer gevreesd voor zijn leven. ‘Op zeker moment was de weg heel erg smal en waren we allemaal bang dat ons laatste uur had geslagen. Ik zat op de passagiersstoel en keek recht een ravijn in.’ Elke keer zegt hij na afloop tegen Williamson dat dit écht de laatste keer was. 
‘En vervolgens begin ik voorbereidingen te treffen voor de volgende expeditie.’

    Telkens wanneer ze een veelbelovend stukje groen zien, zetten de verzamelaars de auto neer, stappen uit en verzamelen de zaden die ze later die avond zullen drogen en schoonmaken. De Nieuw-Zeelandse wetgeving verbiedt het aarde en ander uitheems materiaal in te voeren. Zelfs voor de zaden moet speciaal dispensatie worden aangevraagd. In 
Rusland, in augustus, hebben ze zaden geplukt van zevenhonderd populaties, 56 keer de auto aan de kant gezet en bij elke stap een verscheidenheid aan soorten geplukt.

    Aan het einde van de tocht delen ze de buit met de plaatselijke botanisten, die gebruikmaken van de door Nieuw-Zeeland gefinancierde tochten om hun eigen collectie aan te vullen. Ghamkar is ervan 
overtuigd dat zowel het gastland als de bezoekende landen baat hebben bij deze expedities, en daarom weet hij ook zo goed andere landen over te halen 
om mee te werken. De Russische connectie was het werk van zijn voorganger, maar hij probeert nieuwe landen over de streep te trekken. Hij hoopt op een dag een Nieuw-Zeelandse expeditie te kunnen 
regelen naar zijn geboorteland Iran. ‘Ik wil niet dat Iran er schade van ondervindt, maar het gaat hier om internationale schatten,’ zegt hij.

    Een kampement van de zaadzoekers in Rusland. – © Josephine Piggin
    Een kampement van de zaadzoekers in Rusland. – © Josephine Piggin

    Eenmaal terug in Palmerston North kweekt het team in afgeschermde tuinen de zaden van elke variëteit op, totdat er per variëteit ten minste 
honderd exemplaren zijn. Dat is voldoende om 
genetische diversiteit te garanderen, en ook om 
iets aan een andere genenbank af te staan, mocht daartoe een verzoek komen.

    In Palmerston North gaan de zaden naar een droge ruimte, die wel wat doet denken aan de bierkoeling van een supermarkt. Daar blijven de zaden zeker twintig jaar vers, en ze hoeven pas na honderd jaar opnieuw te worden geplant. ‘We hebben hier zaden uit 1940, die nog altijd levensvatbaar zijn,’ zegt Ghamkar.

    De koeling waarin de zaden worden bewaard is 
afgesloten, maar het is bepaald geen fort. Toen Ghamkar vorig jaar aantrad als directeur, kwam hij er tot zijn ontzetting achter dat Nieuw-Zeeland geen reservevoorraad heeft in Svalbard, de noodopslag 
op Spitsbergen, die ooit is aangelegd voor het geval zich een grote ramp zou voordoen. Svalbard is zo gebouwd dat het ook een nucleaire winter kan 
doorstaan. ‘Zelfs Noord-Korea heeft daar wat liggen.’

    Ghamkar heeft er met zijn team negen maanden voor uitgetrokken om te beslissen welke soorten absoluut niet verloren mogen gaan, en dit jaar 
heeft hij een selectie gemaakt voor opslag onder de permafrost. ‘Svalbard is een kluis. Nieuw-Zeelandse grassen en klaversoorten worden daar bewaard voor het geval het Margot Forde Centre getroffen zou worden door een brand of een aardbeving.’

    Klimaatverandering

    Los daarvan is er de klimaatverandering, die de 
hele onderneming nog prangender maakt. Het duurt een jaar of tien om een nieuw gewas te ontwikkelen, en daarmee is de dramatische klimaatverandering, die voor veel plekken op aarde al is voorspeld voor 2030, nog maar twee kweekcycli verwijderd. 
Klimatologen in Nieuw-Zeeland voorzien dat in 2040 de frequentie van de droogten in de oostelijke en noordelijke regio’s van de aarde zal zijn verdubbeld 
of zelfs verdrievoudigd, terwijl het op andere plekken warmer en natter zal worden. Tegen het einde 
van de eeuw zullen bepaalde plekken op aarde vruchtbaarder zijn. Maar over het geheel genomen 
is de verwachting dat ten gevolge van de klimaatverandering de voedselproductie zal krimpen, terwijl de bevolking blijft groeien. Ondertussen zullen door veranderingen in temperatuur en de hoeveelheid neerslag mogelijk nieuwe ziekten en epidemieën 
om zich heen grijpen.

    De zoektocht naar wilde zaden richt zich meer en meer op extreme planten. Als een plant in leven kan blijven met weinig water, of juist tijdens een overstroming, dan zou die plant weleens goed kunnen gedijden in het klimaat van de toekomst. Zelfs als een wild gewas ongeschikt is voor consumptie, dan kan het worden gekruist met andere soorten om hybride gewassen te kweken die zijn bestand tegen droogte of hitte, of die met weinig stikstof toe kunnen.

    Voor wie het kweken van supersoorten nogal klinisch vindt klinken, heeft Ghamkar een mooi liefdesverhaal. Wetenschappers van AgResearch hebben de herkomst van witte klaver – een gewas dat voor Nieuw-Zeeland bij uitstek van belang is – genetisch weten te herleiden tot de verre voorouders. Deze oerklavers bleken geheel andere organismen dan de planten die wij nu kennen. De afstand tussen beide soorten was zo groot dat het een wonder mocht heten dat ze ooit iets met elkaar kregen. ‘Er werden een vader en een moeder ontdekt,’ zegt Ghamkar. ‘De een leeft in de bergen van Azerbeidzjan, de ander op de stranden van Portugal, dus vele duizenden kilometers verderop.’ Op de een of andere manier zijn die oude soorten elkaar ooit, lang geleden, zo dicht genaderd dat ze nageslacht hebben voortgebracht. ‘Misschien aan een Grieks strand. We weten het niet. Maar ze hebben elkaar leren kennen en een plantensoort voortgebracht. De ouders zijn nog altijd twee totaal verschillende individuen, die leven op een andere hoogte, op een andere bodem en in een ander klimaat.’

    Maar toch hebben de wetenschappers, met enige overredingskracht, de planten zo ver weten te krijgen dat ze weer nageslacht zijn gaan produceren. ‘Normaal gesproken zijn deze kruisingen steriel. Maar als we het embryo in het laboratorium houden, en extra voeding en zorg geven, zal een aantal exemplaren weten te overleven, en die zullen in staat zijn de soort te herstellen,’ zegt Ghamkar. ‘Als je wilde planten kruist, breng je de genen terug die voor weerstand en uithoudingsvermogen zorgen. En dat is precies wat we nodig hebben als het klimaat gaat veranderen.’ Versies van de hybride klaver worden op verschillende boerderijen uitgezet om te zien hoe ze het doen. Het beslissende woord is nog niet gesproken, ‘maar de aanvankelijke resultaten tonen planten met diepere wortels, die beter tegen droogte bestand zijn en minder fosfor gebruiken’, zegt Ghamkar.

    En daarom gaat Webber door met verzamelen. Over het algemeen staat hij ervan te kijken hoe gemakkelijk hij in Rusland, of elders, wordt geaccepteerd. 
‘Ik denk dat ze ons maar rare snuiters vinden. Maar zodra je mensen in een dorp uitlegt waar je nou 
precies mee bezig bent, zijn ze al snel bereid een helpende hand toe te steken, en vinden ze het geen enkel probleem dat je wat materiaal meeneemt,’ zegt hij. Hij vraagt zich af hoe hij zou reageren wanneer er ineens een Rus door zijn buurt zou struinen. ‘Het is wel interessant om je af te vragen hoe je zelf zou reageren als er ineens een vreemde over je tuinhek klimt en jouw bloemen plukt. Hoe zou je daar dan tegenaan kijken?’

    Auteur: Eloise Gibson
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: Wilde bloemen in de buurt van Castro Verde, Portugal. – © Getty Images

    New Zealand Listener
    Nieuw-Zeeland | weekblad | oplage 61.000

    Het enige actualiteitenmagazine van Nieuw-Zeeland. Al vanaf 1939.