In het Himalayaanse boeddhisme werden nonnen lange tijd in hun religieuze rol beperkt door regels en genderbarrières. Nu brengt één religieuze groep daar verandering in, door meditatie te combineren met vechtkunst en milieuactivisme.
Boven de besneeuwde toppen van de Himalaya priemen de eerste zonnestralen door de wolken. Jigme Rabsal Lhamo, een boeddhistische non, trekt van achter haar rug een zwaard tevoorschijn. Met een zwaai slaat ze haar tegenstander tegen de grond.
‘Houd je ogen op het doel! Concentreer je!’ schreeuwt Lhamo tegen de gevloerde non, terwijl ze haar recht in de ogen aankijkt. We bevinden ons buiten bij een witgekalkte tempel in het Druk Amitabha-nonnenklooster. Het gebouw staat op een heuvel die uitkijkt over Kathmandu, de hoofdstad van Nepal.
Lhamo en de andere leden van haar religieuze orde staan bekend als de kungfu-nonnen. Ze maken deel uit van een achthonderd jaar oude boeddhistische sekte die Drukpa heet, wat in het Tibetaans ‘draak’ betekent. In de Himalaya, maar ook in de rest van de wereld, combineren volgelingen van de sekte meditatie met vechtkunst.
Elke dag verruilen de nonnen hun donkerrood gewaad voor een kastanjebruin uniform en beoefenen ze de eeuwenoude Chinese vechtkunst kungfu. Onderdeel van hun spirituele missie is het streven naar gendergelijkheid en fysieke fitheid. Hun boeddhistische geloof schrijft bovendien voor dat ze een milieuvriendelijk leven leiden.
Tijdens de ochtenden waarop de nonnen trainen onder leiding van Lhamo, klinkt het gedreun van voetstappen en het gekletter van zwaarden. De wijde uniformen van de nonnen ritselen door de ruimte als ze radslagen maken en elkaar stoten en trappen uitdelen.
Genderbarrières
‘Kungfu helpt ons om genderbarrières te doorbreken en zelfvertrouwen te ontwikkelen,’ zegt Lhamo (34), die twaalf jaar geleden naar het nonnenklooster kwam vanuit Ladakh, in het noorden van India. ‘Het leert ons ook voor anderen te zorgen in tijden van crisis.’
Zo lang als boeddhistische geleerden zich kunnen herinneren, rustte er een stigma op Himalayaanse nonnen die streefden naar spirituele gelijkwaardigheid ten opzichte van monniken. Dat stigma werd veroorzaakt door de ideeën van religieuze leiders en algemene sociale conventies.
Monniken werden aangemoedigd om diepzinnige filosofische debatten aan te gaan, maar vrouwen mochten niet deelnemen. Ze mochten alleen klusjes doen als koken en schoonmaken in kloosters en tempels. Ze mochten geen activiteiten verrichten waarbij fysieke inspanning nodig was, geen gebeden leiden en zelfs niet zingen.
In de afgelopen decennia zijn deze belemmeringen onderwerp geworden van een hevige strijd. Deze wordt gevoerd door duizenden nonnen, afkomstig uit vele verschillende sekten van het Himalayaanse boeddhisme.
Aan het hoofd van de strijd om verandering staan de kungfu-nonnen, wier Drukpa-sekte dertig jaar geleden onder leiding van Jigme Pema Wangchen een hervormingsbeweging begon. Wangchen, die ook wel bekendstaat als de twaalfde Gyalwang Drukpa, was bereid eeuwenlange tradities te doorbreken. Hij wilde ervoor zorgen dat nonnen de religieuze boodschap van de sekte buiten de kloostermuren zouden uitdragen. ‘We willen grote veranderingen teweegbrengen,’ aldus kungfu-non Konchok Lhamo (29). ‘In een klooster op een kussen zitten en mediteren is niet genoeg.’
Conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken
Vandaag de dag houden Drukpa-nonnen zich niet alleen bezig met kungfu. Ze leiden ook gebeden en maken maandenlange pelgrimstochten om plastic afval op te rapen en mensen in te lichten over klimaatverandering.
Afgezien van een corona-gerelateerde onderbreking hebben de nonnen de afgelopen twintig jaar elk jaar ruim tweeduizend kilometer gefietst om duurzaam vervoer te promoten. De reis begint in Kathmandu en eindigt in Ladakh, een hoog in het Himalaya-gebergte gelegen streek. Onderweg stoppen de nonnen om mensen op zowel het Nepalese als Indiase platteland voor te lichten over gendergelijkheid en over het feit dat ook meisjes ertoe doen.
In 2008 kwamen de nonnen van de sekte voor het eerst in contact met de vechtkunst. Ze leerden erover van volgelingen uit Vietnam, die naar het klooster waren gekomen om geschriften te bestuderen en de instrumenten te bespelen die tijdens het gebed worden gebruikt. Sindsdien zijn ongeveer achthonderd nonnen getraind in de basisbeginselen van de vechtkunst. Zo’n negentig van hen hebben een intensief lesprogramma doorlopen om trainer te worden.
De twaalfde Gyalwang Drukpa heeft de nonnen ook opgeleid tot zangmeesters, een post die vroeger alleen aan mannen was voorbehouden. Bovendien zorgde hij ervoor dat ze het hoogste niveau van onderwijs kregen: mahamudra. Het is een geavanceerd meditatiesysteem dat zijn naam ontleent aan het Sanskriet woord voor ‘grote zegel’.
De nonnen genieten inmiddels grote bekendheid, zowel in het overwegend Hindoestaanse Nepal – dat voor ongeveer 9 procent uit boeddhisten bestaat – als in het buitenland. Maar de veranderingen die de sekte teweegbrengt, worden niet zonder slag of stoot geaccepteerd: conservatieve boeddhisten hebben al gedreigd Drukpa-tempels in brand te steken.
‘Ons leven wordt beperkt door heel veel regels; die gaan zelfs over wat voor zakken je in je gewaad mag hebben’
Wanneer de nonnen over steile hellingen van het klooster naar de plaatselijke markt gaan, worden ze vaak uitgescholden door monniken van andere sekten. Dat schrikt ze naar eigen zeggen niet af. Als ze in hun open busjes door de streek rijden, lijken ze met hun kaalgeschoren hoofden op soldaten. Ze zien eruit alsof ze in de frontlinie thuishoren en elk vooroordeel onderuit kunnen halen.
Op de enorme campus van de sekte wonen driehonderdvijftig nonnen. Ze leven er samen met eenden, kalkoenen, zwanen, geiten, twintig honden, een paard en een koe – allemaal dieren die ofwel uit de handen van de slager ofwel van de straat zijn gered. De vrouwen werken als schilder, kunstenaar, loodgieter, tuinier, elektricien en metselaar, en ze beheren tevens een bibliotheek en een medische kliniek voor leken.
‘Wanneer mensen naar het klooster komen en ons zien werken, zien ze plotseling in dat een nonnenbestaan niet “nutteloos” is,’ aldus Zekit Lhamo (28). Daarmee verwijst ze naar een belediging die de nonnen geregeld naar het hoofd geslingerd krijgen. ‘We bekommeren ons niet alleen om onze religie, maar ook om de samenleving.’
Inspiratie
Het werk van de nonnen heeft andere vrouwen in de hoofdstad van Nepal geïnspireerd. ‘Als ik naar hen kijk, wil ik ook non worden,’ zegt Ajali Shahi, die afstudeert aan de Tribhuvan-universiteit in Kathmandu. ‘Ze zien er zo cool uit. Je krijgt zin om je leven ervoor overhoop te gooien.’
Elke dag ontvangt het nonnenklooster minstens twaalf verzoeken om te mogen intreden. Die komen van verre, bijvoorbeeld uit Mexico, Ierland, Duitsland en de Verenigde Staten. ‘Maar niet iedereen kan dit,’ zegt non Jigme Yangchen Ghamo. ‘Van de buitenkant ziet het er aantrekkelijk uit, maar je weet niet hoe zwaar het leven hierbinnen is.’ Ze gaat verder: ‘Ons leven wordt beperkt door zoveel regels. Er is zelfs voorgeschreven wat voor zakken je in je gewaad mag hebben.’
De nonnen worden om drie uur ’s nachts wakker om in hun slaapzaal te gaan mediteren. Vóór zonsopkomst lopen ze naar de hoofdtempel, waar zangmeester Tsondus Chuskit de gebeden leidt. In kleermakerszit zitten de nonnen op banken en bladeren ze op hun iPads door de gebedsteksten – dit om zo weinig mogelijk papier te gebruiken. Dan beginnen ze eenstemmig te zingen, en de felgekleurde tempel vult zich met het geluid van trommels, hoorns en bellen. Na de gebeden verzamelen ze zich buiten.
Jigmet Namdak Dolker was ongeveer twaalf jaar oud toen ze een groep Drukpa-nonnen langs het huis van haar oom in het Indiase Ladakh zag lopen. Ze rende naar buiten en liep met ze mee. Dolker, die geadopteerd is, wilde ook non worden en smeekte haar oom om haar naar het Drukpa-nonnenklooster te laten gaan, maar hij weigerde.
Vier jaar later liep ze op een dag weg van huis om zich aan te sluiten bij de duizenden mensen die de verjaardag van Jigme Pema Wangchen, het hoofd van de sekte, vierden. Uiteindelijk kwam ze in het klooster terecht. Ze is er nooit meer weggegaan.
En? Hoe voelt ze zich zeven jaar later, waarvan er zes in het teken stonden van kungfu? ‘Trots. Ik voel de vrijheid om te doen wat ik wil,’ zegt ze. ‘En ik voel me zo sterk van binnen dat ik alles aankan.’
Boeddhisten staan niet bekend om hun boosheid. Maar toen de Japanse premier hun land bezocht, lieten deze Zuid-Koreaanse monniken hun stem horen tegen het lozen van radioactief water in de Stille Oceaan. Want begaan met de wereld zijn ze zeker.
Boeddhistische monniken in Zuid-Korea protesteren tijdens het bezoek van de Japanse premier Fumio Kishida om aandacht te krijgen voor de berging van radioactief water dat buurland Japan de Stille Oceaan in pompt. Kishida en de Zuid-Koreaanse president Yoon gaan economisch en militair nauwer samenwerken. Het door de kernramp in Fukushima vervuilde water stond formeel niet op de agenda.
De Australische radicaal boeddhistische non Robina Courtin geeft lessen over de vraag hoe we ons hoofd helder kunnen houden in een krankzinnige wereld. ‘De boeddhistische visie is dat we onszelf vormgeven, of het nou gaat om een muzikant of om een gelukkig mens. Wij zijn de baas.’
Het is dinsdagavond in het Australische plaatsje Milton, aan de zuidkust van New South Wales. De geur van vers gezette chai en zelfgemaakte soep wordt meegevoerd op de tocht in de zaal van de Country Women’s Association. Ondertussen wordt er gesproken over van alles en nog wat, variërend van de dood, iemand het leven benemen, tot oorlog, abortus, gevangenis en lijden.
Zo’n vijftig mensen, van wie sommigen al heel lang lid zijn van de lokale boeddhistische club terwijl anderen voor het eerst een kijkje komen nemen, zitten in kleermakerszit op de grond of op een plastic stoel. Ze luisteren naar een boeddhistische non, terwijl een portret van een jonge koningin Elizabeth vanaf de wand op hen neerkijkt. Het gespreksonderwerp van vanavond: hoe kun je positief blijven als je wordt omgeven door negativiteit?
‘Het probleem is dat we denken dat de buitenwereld de voornaamste oorzaak is van ons lijden – en van ons geluk’
‘Het probleem is dat we denken dat de buitenwereld de voornaamste oorzaak is van ons lijden – en van ons geluk,’ zegt Eerwaarde Robina Courtin, een Australische van inmiddels 77, die eind jaren zeventig werd toegelaten tot de Gelug, een van de hoofdscholen binnen het Tibetaans boeddhisme. ‘Als je muzikant wilt worden, begrijpen we allemaal dat je jezelf vormgeeft en dat het aan jou ligt of je uiteindelijk ook echt muzikant wordt. Het werk moet worden gedaan in je hoofd, het vereist precisie, helderheid en uitgewerkte theorieën, en daarnaast moet je oefenen, steeds maar weer oefenen. We zijn ons ervan bewust dat we onszelf op die manier vormgeven.
Maar,’ vervolgt ze, ‘als het erom gaat dat we een gelukkig mens willen worden, gaan we ineens twijfelen of we wel over dat vermogen beschikken. De boeddhistische visie is dat we onszelf vormgeven, of het nou gaat om een muzikant of om een gelukkig mens. Wij zijn de baas.’
Ervaringen interpreteren
Maar hoe zit het dan met al dat extra lijden van de afgelopen jaren, vraagt een vrouw, doelend op corona, overstromingen en de oorlog in Oekraïne. Courtin vertelt het verhaal van twee gevangengezette Tibetaanse vrouwen die gemarteld werden en seksueel misbruikt, maar die ‘deze ervaring toch wisten te interpreteren’ op een manier waardoor ze ‘het konden verdragen’.
De vrouw lijkt niet tevreden met het antwoord. ‘Wat is er?’ vraagt Courtin. ‘Toe maar, zeg het maar, het is belangrijk.’ Courtin kan zowel vriendelijk zijn als uitermate direct en scherp – toen iemand die een vraag had gesteld haar de avond ervoor in de rede was gevallen, reageerde ze met: ‘U hoort toch dat ik bezig ben uw vraag te beantwoorden!’ – en het duurt dan ook even voordat de vrouw haar gedachten onder woorden brengt. ‘Het lijkt me gewoon ondoenlijk om in de praktijk te brengen,’ zegt ze uiteindelijk.
Wereldwijde treurnis?
Naar voorbeeld van Taylor Swift, die in het begin ‘vreselijk romantisch’ was maar nu in haar werk ‘een scala aan negatieve gevoelens aanboort zoals angst, uitputting en woede’, lijken de thema’s van popsongs allengs somberder te worden, schrijft commentator David Brooks in The New York Times.
Onderzoekers Charlotte Brand, Alberto Acerbi en Alex Mesoudi hebben vijftienduizend popsongs geanalyseerd die tussen 1965 en 2015 zijn uitgebracht en constateren in de teksten een duidelijke afname van het woord ‘liefde’, terwijl woorden met een negatieve connotatie als ‘haat’ juist toenemen. Voor krantenkoppen geldt hetzelfde. Dit negativisme weerspiegelt onze werkelijkheid: volgens de jaarlijkse peiling van het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup in honderdveertig landen hebben de cijfers die mensen aan hun eigen geluk geven – op een schaal van 0 tot 10 – een historisch dieptepunt bereikt. ‘Zestien jaar geleden gaf maar 1,6 procent van de wereldbevolking zijn leven een 0. Vorig jaar was het aantal mensen dat zei het slechtst denkbare leven te leiden meer dan verviervoudigd. Reden voor het Amerikaanse dagblad om te veronderstellen dat de ‘wereldwijde treurnis’ momenteel een hoogtepunt bereikt.
‘Het is wel in de praktijk te brengen als je seksueel wordt misbruikt in de gevangenis,’ antwoordt Courtin. ‘We hebben het vermogen om iets te veranderen aan de manier waarop we ons leven interpreteren, en zij waren daartoe in staat. Ze waren zelfs in staat compassie op te brengen voor de mannen die hen mishandelden. Het resultaat? Dat ze hun verstand niet verloren. Dat is niet moralistisch; het is júíst gericht op de praktijk.
Lieve kind, luister naar me,’ zegt Courtin, nu op wat mildere toon. ‘Ons probleem is dat we niet goed uit de voeten kunnen met ons eigen lijden of het lijden om ons heen, en daarom proberen te zorgen dat het verdwijnt. Maar dat kunnen we niet. We kunnen alleen maar zo goed mogelijk ons best doen in dit krankzinnigengesticht dat Aarde heet.’
Eerder die dag, tijdens de lunch, vertelde Courtin: ‘Ik ben altijd heel erg betrokken geweest bij de wereld. Ik hou van de wereld en ik hou van rare mensen.’ Ze is ‘verslaafd’ aan kranten en aan nieuws; de Financial Times, The Economist en The Washington Post behoren tot haar favorieten.
Ondeugendste kind
Courtin groeide op in Melbourne, als een van zeven kinderen in een rumoerig, arm, katholiek huishouden. Als ‘het ondeugendste kind van het gezin’ werd ze op haar twaalfde naar een nonnenschool gestuurd. ‘Ik was in de zevende hemel, het was puur geluk,’ zegt ze. Niet alleen had ze eindelijk een eigen bed, maar bovendien ‘was er geen chaos om me heen, er was discipline. Ik ging elke dag naar de mis. Ik hield van God en van de maagd Maria en de heiligen. Voor mij was het ideaal.’
Als tiener ontdekte ze de jongens. Toen ze zich realiseerde dat ze ‘niet zowel God als jongens’ kon hebben, maakte ze ‘heel bewust’ een keuze: ‘Vaarwel God, hallo jongens.’ Een tweedehands elpee die ze voor een kwartje op de kop wist te tikken bracht de jazz op haar pad. ‘Ik had een langspeelplaat gekocht waar “Billie Holiday” op stond. Ik had geen idee, ik vroeg me af wie hij zou zijn. Er ging een wereld voor me open. Ik wist niet wat me gebeurde: ineens hoorde ik over het leven van zwarte Amerikanen, van mensen die leden.’
Eind jaren zestig ging Courtin naar Londen, ‘helemaal klaar voor de revolutie’. Daar sloot ze zich aan bij demonstraties van ‘radicaal-links’ en steunde ze de Black Panther-beweging. In 1971 ging ze voltijds werken voor Friends of Soledad, een Britse groep politieke activisten die zich inzetten voor drie zwarte Amerikaanse gevangenen die werden beschuldigd van de moord op een witte gevangenbewaarder. Daarna sloot ze zich aan bij de radicaal feministische beweging. Ze verloor haar belangstelling voor mannen en werd ‘radicaal lesbisch feministe’, verdiepte zich in oosterse vechtsporten en verhuisde naar de Verenigde Staten, waar ze in een door lesbiennes beheerde dojo in New York ging wonen.
Ongelukkigheid
De Spanjaard Alejandro Cencerrado geeft leiding aan het Happiness Research Institute in Kopenhagen. Hij is ook de auteur van het boek En defensa de la infelicidad (Pleidooi voor ongelukkigheid) dat in 2022 verscheen. De specialist meet zijn eigen geluk al sinds zijn achttiende, meldt het Argentijnse dagblad La Nación. ‘Elke avond stel ik mezelf dezelfde vraag,’ zegt hij. ‘Wil ik de dag die ik vandaag heb beleefd morgen opnieuw beleven?’ Volgens hem is het belangrijk te analyseren wat ons op individueel niveau gelukkig of ongelukkig maakt, maar ook op grotere schaal ‘om op termijn een verandering in gang te zetten’. Uit zijn onderzoek blijkt dat geld niet per se gelukkig maakt, vooral niet in rijke landen: zodra de verschillen in rijkdom toenemen, is dat van invloed op het welzijnsniveau. Finland is minder rijk dan de Verenigde Staten, maar steekt dat land de loef af wat geluk betreft. Vooral dankzij een grotere sociale gerechtigheid.
In 1976 keerde ze terug naar Australië, met een gebroken voet waardoor ze geen vechtsport kon beoefenen. In Queensland zag de eenendertigjarige Courtin een affiche dat een lezing aankondigde met twee Tibetaanse boeddhisten: lama Yeshe en lama Zopa Rinpoche. Ze besloot erheen te gaan. ‘Zo heb ik mijn weg gevonden,’ zegt ze. ‘Ik was altijd al op zoek naar een manier om me te verhouden tot de wereld, tot de vraag waarom er lijden is, wat de oorzaken daarvan zijn. En ik denk dat ik niemand meer kon bedenken die ik de schuld kon geven voor het lijden van de wereld.’
Boeddhistische lessen
Sinds haar wijding, inmiddels vierenveertig jaar geleden, werkte Courtin als redacteur van boeddhistische tijdschriften en boeken. Nadat ze in 1996 een brief had gekregen van een jonge Mexicaans-Amerikaanse ex-gangster, die tot drie keer levenslang was veroordeeld en in een zwaarbeveiligde gevangenis in Californië zat, zette ze het Liberation Prison Project op, een non-profitorganisatie die gevangenen boeddhistische lessen en steun biedt.
Courtin heeft veertien jaar aan het hoofd gestaan van dit programma en heeft op die manier duizenden gevangen geholpen. Nog altijd onderhoudt ze contact met enkele van haar ‘gevangenisvrienden’. Onlangs nog heeft ze een van hen opgezocht, een man die al sinds 1983 in Kentucky in de dodencel zit. ‘De gevangenis waar hij zit is een soort vuilnisbelt,’ zegt ze. ‘Geen enkel zintuiglijk plezier, het eten is verschrikkelijk, hij heeft niet de vrijheid om wat dan ook te doen, hij wordt als een monster beschouwd – en toch is hij gelukkig.’ Als praktiserend boeddhist is hij ‘voldaan en tevreden’. ‘Hij heeft gewerkt aan zijn geestelijke gezondheid, heeft de verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen. Hoewel hij dolgraag vrij zou komen, accepteert hij de realiteit van zijn bestaan. “Ik ben klaar voor die elektrische schok,” zei hij tegen me.’
Ik vraag Courtin of ze ook woede voelt als ze denkt aan de situatie waarin deze man verkeert. ‘Nee, geen woede. Ik probeer hem te helpen in de situatie waarin hij zich bevindt, meer niet,’ zegt ze. ‘Ik weet nog dat ik een radicale politiek activiste was, in Londen, begin jaren zeventig. Toen was ik kwaad, om niet te zeggen woedend. Er is nu echt niet minder racisme, seksisme en onrecht dan toen, eerder meer – het gevangenissysteem in Amerika is echt godgeklaagd – maar ik ga nu anders te werk.
‘Een vogel heeft twee vleugels nodig om te vliegen: wijsheid en compassie’
Het probleem is dat we het zien van nare dingen verbinden met boos zijn. We hebben het gevoel dat we, als we onze woede opgeven, het kind met het badwater weggooien.’ Courtin zegt dat ze ‘nog altijd activist’ is, maar dat het vasthouden aan woede vergelijkbaar is met jezelf steken met een mes: ‘het verlamt je gewoon’. In plaats daarvan past ze nu onverschrokken compassie toe, om haar eigen woorden te gebruiken. ‘In het boeddhisme is er het gezegde dat een vogel twee vleugels nodig heeft om te vliegen: wijsheid en compassie. Wijsheid is het eeuwige, het vormgeven van jezelf. Compassie is de daad bij het woord voegen en je inspannen om de wereld beter te maken.’
Zoom
Ruim tien jaar lang was Courtin vrijwel continu op pad, om in boeddhistische centra over de hele wereld onderwijs te geven. Totdat, toen ze in 2020 in Santa Fe was, de pandemie uitbrak. Ze stapte over op lessen via Zoom – ‘Ik ben verzot op Zoom’ – en een vriend maakte socialemedia-accounts voor haar aan. Op haar TikTok-account, waar ze 85.600 volgers heeft, staan korte filmpjes, waarin ze soms reageert op dingen die op dat moment spelen, met titels als: ‘Hoe je in deze wereld kunt leven zonder je verstand te verliezen’.
‘Je kunt de wereld gebruiken om jezelf te ontwikkelen,’ zegt ze. ‘Neem bijvoorbeeld oud-president Donald Trump. Als ik naar Trump kijk, ga ik niet lopen schreeuwen dat hij zo’n foute man is. Nee, ik denk: Dit zijn leugens, dat herken ik. Dit is ijdelheid, dat herken ik ook. Dit is arrogantie, dat herken ik ook. Er is niet één waanidee van Trump waarin ik me niet herken. De boeddhistische visie is dat we die gemoedstoestanden allemaal hebben, we zitten in hetzelfde schuitje. Dus dan heb ik iets van: fijn dat je me duidelijk maakt hoe ik niet wil zijn.’
‘Ik ga proberen mezelf nuttig te blijven maken. Nuttig tot ik erbij neerval’
Courtin schreef onlangs op sociale media dat haar zus Jan was overleden na een ongeval in huis. Ze zegt dat de enorme hoeveelheid reacties op haar post haar ‘diep heeft geraakt, omdat de mensen zo aardig waren’. Zodra ze van het ongeval had gehoord, nam ze een vliegtuig naar Australië. Toen Jans beademing werd uitgeschakeld fluisterde Courtin de boeddhistische mantra’s die bij het overlijden horen, te midden van haar familieleden die luidkeels het lijflied van de Sydney Swans zongen.
Zodra Courtin haar huidige Australische onderwijstournee heeft afgerond, vertrekt ze naar New York. Ze is voornemens daar ‘de laatste jaren van haar leven’ door te brengen. ‘Ze is van plan te gaan schrijven en redigeren, haar persoonlijke studie en haar boeddhistische praktijk voort te zetten, en les te geven via Zoom. Ik ga proberen mezelf nuttig te blijven maken. Nuttig tot ik erbij neerval.’
Het Mexicaanse Hooggerechtshof heeft op dinsdag 7 september ‘een historisch precedent’ geschapen door de strafbaarstelling van abortus in de noordelijke deelstaat Coahuila ongrondwettelijk te verklaren, schrijft de Mexicaanse krant Excelsior.
‘Dit besluit zal gevolgen hebben voor het hele land, zodat vrouwen die hun zwangerschap vroegtijdig afbreken in geen enkele staat kunnen worden gestraft’, aldus de krant.
‘Wat de beslissing van het Hof niet doet, is abortus volledig legaliseren
‘Wat de beslissing van het Hof niet doet, is abortus legaliseren in de dertig staten die het verbieden, noch op federaal niveau, schrijft de krant Reforma. De rechters hebben alleen de antiabortuswet van Coahuila ongeldig verklaard, ‘zodat de antiabortuswetten van de andere 29 staten die vrijwillige abortus strafbaar stellen (…) van kracht blijven’. Momenteel zijn Oaxaca en Mexico-Stad de enige staten waar abortus binnen de eerste twaalf weken van de zwangerschap volledig is gedecriminaliseerd, aldus Reforma.
Maar deze uitspraak zal ‘alle rechters in het land ervan weerhouden vrouwen te vervolgen die beschuldigd worden van het misdrijf van vrijwillige abortus‘, en ‘als er tot vervolging wordt overgegaan, zal de federale rechterlijke macht in staat zijn die ongedaan te maken‘. Vrouwen die hun zwangerschap willen afbreken kunnen nu naar de rechter stappen ‘zodat een federale rechter de betrokken kliniek of het betrokken ziekenhuis kan bevelen de abortus uit te voeren’.
Groene sjaals
‘Coahuila zwaait met groene sjaals!‘ kopt El Financiero. Dinsdag gingen in Saltillo, de hoofdstad van de deelstaat, verschillende feministische groepen de straat op met groene sjaals – het symbool van de strijd voor toegang tot abortus – om het nieuws te vieren.
‘Dit is een nieuwe stap in de historische strijd voor gelijkheid, waardigheid en volledige uitoefening van de rechten van de vrouw‘, aldus voorzitter Arturo Zaldívar van het Hooggerechtshof. Tijdens de stemming benadrukte rechter Ana Margarita Ríos Farjat dat de federale grondwet abortus niet verbiedt en dat het strafbaar stellen ervan in strijd is met de mensenrechten ‘zoals de menselijke waardigheid, autonomie, vrije ontplooiing van de persoonlijkheid, rechtsgelijkheid, gezondheid en reproductieve vrijheid‘, aldus El Universal.
De rechter voegde hieraan toe dat naar schatting elk jaar tussen de 350.000 en een miljoen abortussen worden uitgevoerd in Mexico, waarvan een derde complicaties oplevert, doordat vrouwen moeilijk toegang hebben tot medische zorg, schrijft La Jornada.
De ultranationalistische monnik Ashin Wirathu, bekend om zijn anti-islamretoriek, is vrijgelaten en de aanklachten tegen hem zijn door het Myanmarese militaire regime ingetrokken. Wirathu had zich november vorig jaar aan de politie overgegeven na verscheidene maanden op de vlucht te zijn geweest, schrijft de website Myanmar Now. Hij werd vervolgd wegens opruiing, na toespraken waarin hij het voormalig de facto staatshoofd, Aung San Suu Kyi, had aangevallen.
Sindsdien is de politieke situatie radicaal veranderd doordat het leger de verkozen regering van Aung San Suu Kyi op 1 februari omver heeft geworpen.
Wirathu had zijn aanhangers opgeroepen om ‘het leger te koesteren alsof het Boeddha belichaamde’
In 2019 had Wirathu zijn aanhangers opgeroepen om ‘het leger te koesteren alsof het Boeddha belichaamde’. Nationalistische groeperingen hebben sinds de machtsovername door het leger om zijn vrijlating gevraagd.
Myanmar Now meldt dat het leger sinds 1 februari veel gevangenen heeft vrijgelaten, waaronder een andere boeddhistische extremist. Ook zijn gewone gevangenen vrijgelaten, alsmede personen die dicht bij het regime staan.
In 2013 stond Wirathu op de voorpagina van het tijdschrift Time met de kop ‘Het gezicht van boeddhistisch terrorisme’. Tien jaar eerder was hij veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf wegens het aanzetten tot antimoslimrellen in Kyaukse, in de regio Mandalay, schrijft Myanmar Now.
Singapore heeft besloten niet langer te streven naar ‘zero covid’ en zal moeten leren ‘leven met het virus’, aldus de premier van het land, Lee Hsien Loong. ‘Het is niet langer mogelijk om covid-19-gevallen tot nul te reduceren, ook al zouden we voor lange tijd op slot gaan. Daarom moeten we ons erop voorbereiden dat covid-19 endemisch wordt, zoals griep of waterpokken’, aldus Lee.
Singapore heeft een van de hoogste vaccinatiepercentages ter wereld
Zijn vaststelling komt ondanks het feit dat Singapore een van de hoogste vaccinatiepercentages ter wereld heeft, met 80 procent van de volwassenen die volledig zijn gevaccineerd. Daarmee staat Singapore op de tweede plaats na Malta met 82 procent, schrijft Gizmodo.
Singapore, met ongeveer 5,7 miljoen inwoners, behoorde tot het handvol landen die een strategie volgen om covid-19 volledig uit te bannen, in plaats van alleen het virus te onderdrukken. Andere ‘zero covid’-landen waren het afgelopen jaar Nieuw-Zeeland, Taiwan, China, Vietnam en Australië.
1958, Ngawa, Tibet: Als de zevenjarige Gonpo, kroonprinses van de Mei-Dynastie, terugreist naar haar stad, ziet ze vanuit de verte bij hun paleis tenten van het Chinese Volksbevrijdingsleger staan. De Chinese invasie betekent het einde van de wereld zoals ze die heeft gekend.
Voorpublicatie
Dit is een voorpublicatie uit De laatste prinses van bekroond auteur Barbara Demick. In dit boek reconstrueert Demick de ongelofelijke levensverhalen van de inwoners van Ngawa, Tibet. Met oog voor detail beschrijft ze hoe de Tibetanen pogen hun cultuur, geloof en taal te behouden – in weerwil van de onderdrukking door een niets en niemand ontziende supermacht.
The New York Times, The Washington Post en The Economist riepen het uit tot een van de beste boeken van 2020. ‘Je kunt China niet begrijpen zonder dit boek over Tibet te lezen’, schreef The New Yorker. Wij publiceren hoofdstuk 1 van deel 1, dat speelt tussen 1958 en 1976, genaamd ‘De laatste prinses’.
Gonpo voelde de rook in haar neus prikken voordat ze zag wat er aan de hand was. Hoewel ze pas zeven was en weinig tot niets van politiek begreep, bevestigde dit het knagende gevoel van de laatste weken. Er was iets mis. Samen met haar moeder, zus, tante en een escorte van dienaren was ze nu onderweg naar huis. Ze waren weg geweest om de begrafenisrituelen voor haar overleden oom bij te wonen. Toen ze vertrokken naar het dorp van haar oom was het nog zomer. In totaal waren ze negenenveertig dagen gebleven, de traditionele boeddhistische rouwperiode tussen de dood en de wedergeboorte. Nu was het begin herfst en de avondkoelte fluisterde al van de sneeuw die weldra van de bergtoppen naar beneden zou kruipen. Gonpo droeg een dik, met bont afgezet gewaad van schapenvacht. Toch huiverde ze van de wind die van onder haar paard naar boven zwiepte. Het hele gezelschap zat te paard: zoals gebruikelijk voor Tibetanen was Gonpo al op jonge leeftijd een ervaren ruiter. Ze volgden een onlangs door Chinese militairen aangelegde, maar nog niet bestrate weg naar het westen, naar daar waar de zon onderging. Hun route splitste zich af bij een beek die noordwaarts leidde, richting Gonpo’s huis. Toen ze voorbij wat struikgewas reden, zag Gonpo waar de rook vandaan kwam. Vanaf haar paard had ze vrij zicht op zes kampvuren en evenzoveel tenten. Naarmate ze dichterbij kwamen, zag ze ook dat dit niet de door de Tibetanen gebruikte, van zwarte jakharen gemaakte tenten waren, maar de kleine witte tenten van het Volksbevrijdingsleger.
In 1958 was het negen jaar geleden dat Mao Zedong de Volksrepubliek China had uitgeroepen, dus op het platteland stuitte je wel vaker op kampen van het Rode Leger. Maar dit kamp bevond zich óp het land van de familie – en juist dat maakte het zo vreemd. Tijdens de laatste etappe van hun tweedaagse tocht had Gonpo tegen de slaap zitten vechten, maar nu was ze klaarwakker, uit nieuwsgierigheid en ook door een vleugje angst. Als een van de eersten steeg ze af. Zonder op hulp van een dienaar te wachten, gleed ze van haar paard. Terwijl ze naar de poort rende, vroeg ze zich verbaasd af waarom niemand de terugkerende escorte kwam begroeten. Ze bonsde hard op de houten poort – die was twee keer zo hoog als een volwassen man en had bovenin een latei. Omdat een reactie uitbleef, schreeuwde ze zo hard ze kon: ‘Hallo, hallo! Waar is iedereen?’
Haar moeder kwam achter haar aan en begon ook te roepen.
Uiteindelijk verscheen Gonpo’s kinderjuffrouw om de poort te openen. Maar in plaats van een hartelijke begroeting boog ze zich over Gonpo heen alsof ze er niet was. Ze bracht haar gezicht zo dicht bij het oor van Gonpo’s moeder dat ze haar iets kon influisteren. Gonpo verstond niet wat ze zei, maar uit haar moeders reactie begreep ze wel dat het weinig goeds kon zijn. De laatste tijd had ze haar moeder veel zien huilen. De overleden oom was haar lievelingsbroer geweest en Gonpo dacht dat haar moeder nu weer huilde omdat ze nog steeds verdrietig was over diens dood. Dat was althans wat Gonpo graag wilde geloven, ook al wezen de rook, de tenten en het bloedserieuze gezicht van de kinderjuffrouw op het tegendeel. Intuïtief begreep ze dat dit het begin van het einde was van de wereld zoals ze die kende.
Niet echt een meisjesachtige prinses
Gonpo werd opgevoed als een prinses. Haar vader, Palgon Tinley Rapten [veel Tibetanen hebben geen achternamen zoals we die in het Westen kennen, maar meestal hebben ze wel meerdere voornamen],een naam die je kunt vertalen als ‘Achtenswaardig Verlichting Standvastig’, was de veertiende koning uit een geslacht van heersers van het zogeheten Mei-koninkrijk. De koninklijke hoofdstad was Ngawa, dat nu in de provincie Szechuan ligt. Toen Gonpo in 1950 werd geboren, was Ngawa een onbeduidend marktstadje waar handelaren hun zout en thee kwamen verkopen en herders hun boter, huiden en wol. De hele regio was een lappendeken aan kleine leengoederen die werden bestuurd door verschillende stamhoofden en koningen, prinsen, khans en warlords. De Chinezen verwezen met de term tusi, die vaak wordt vertaald als ‘grootgrondbezitter’, naar lokale heersers zoals Gonpo’s vader. Maar de Tibetanen noemden hem gyalpo, oftewel ‘koning’. In de Engelstalige kronieken uit begin twintigste eeuw wordt trouwens ook naar hem verwezen als iemand van koninklijken bloede. Dat was hoe dan ook zoals Gonpo de maatschappelijke status van haar familie zag.
Als kind droeg Gonpo zogenaamde chuba’s, gewaden die tot aan de enkels vallen en bij de taille worden aangehaald. Bijna alle Tibetanen droegen dezelfde kleding, waarbij je iemands status aan de kwaliteit kon aflezen. Gonpo’s chuba’s werden afgezet met otterbont. Rond haar nek droeg ze touwtjes met kralen zo dik als druiven – van koraal, barnsteen en het uiterst kostbare dzi, een Tibetaanse gestreepte agaat die haar moest beschermen tegen het boze oog. In andere opzichten was ze niet echt een meisjesachtige prinses. Ze was eerder schattig dan knap, met spleetjes tussen haar tanden en een stomp wipneusje dat haar op een ondeugend jongetje deed lijken. Zoals veel jonge meisjes in Ngawa had Gonpo kortgeschoren haar, wat aangaf dat ze niet van huwbare leeftijd was. Haar moeder en de andere volwassen vrouwen uit de koninklijke familie droegen lange vlechten, die door kwastjes en koraalsnoeren op hun plek werden gehouden en zo doorwrocht waren dat hun dienaressen soms wel twee dagen zoet waren met vlechten.
De familie woonde aan de oostkant van Ngawa, net buiten het centrum in een imposant landhuis – strikt genomen was het een paleis, al leek het meer op een solide en sterk fort dat in de eerste plaats was neergezet om stand te houden. Het huis was in traditionele Tibetaanse stijl opgetrokken uit aangestampte aarde. Tijdens het droge seizoen, wanneer er geen gras op de hoogvlakte groeide, ging het donkere, grijsbruine huis volledig op in het om- liggende landschap. De massieve, onderaan bijna drie meter dikke muren liepen bovenin taps toe en boden zo extra stabiliteit in het geval van aardbevingen; ook de smalle, met houten latwerk omkaderde raamopeningen hadden zo’n toelopende vorm. De muren waren kaal, afgezien van twee uitstekende houten balkons. Die bevonden zich aan weerszijden: eentje aan de oostkant, eentje aan de westkant. Hoe elegant die balkons er ook uitzagen, daar bevonden zich wel de toiletten. De menselijke uitwerpselen vielen naar beneden, werden daar met as vermengd en vervolgens als mest over de velden verspreid.
Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhistische rituelen
Het gebrek aan moderne gemakken werd gecompenseerd door de enorme omvang van het huis. De meer dan 850 ruimtes waren verspreid over 7400 vierkante meter. Van de kerkers, stallen en voorraadkamers beneden tot de hogergelegen kamers die eleganter waren en een hogere functie hadden. Daar waren de slaapkamers voor de kinderen en hun moeder. En ook die van de hele schare aan medewerkers en persoonlijke functionarissen van de koning. De vertrekken op de bovenste verdiepingen waren voorzien van houten panelen die de gedroogde modder van de buitenmuren aan het oog onttrokken.
Volgens deze logica paste het dat de bovenste verdieping was bestemd voor spirituele doeleinden. Die kamers werden verlevendigd met fresco’s en thangka’s, Tibetaanse banieren, met stuk voor stuk felle gouachekleuren die de ogen deden knipperen. Aangezien boeddhistische personages telkens opnieuw reïncarneren, komen ze voor in talloze verschijningsvormen: mannelijk of vrouwelijk en vertrouwd of juist vol verbeeldingskracht. Zo was er de vroegere en toekomstige Boeddha. En waren er vele bodhisattva’s, de verlichte wezens die de toestand van nirwana uitstellen om opnieuw geboren te worden en zo anderen te kunnen helpen. Het meest gekoesterde beeld was dat van Avalokitesvara of Chenrezig, de bodhisattva van compassie en de beschermheilige van de Tibetanen. Dit beeld, dat door de veertiende Dalai Lama aan de koning was geschonken, had een centrale plek in de kapel.
De koning was een toegewijd bibliofiel en bezat een uitgebreide verzameling boeken en heilige geschriften, waarvan sommige in goud en zilver waren gedrukt. De ontvangstzaal onder de bibliotheek was ruim genoeg om duizenden monniken te ontvangen. Op boeddhistische feestdagen weergalmde het in het hele paleis van de kakofonie die werd voortgebracht door chants en klankbekkens, hoorns en schelpen. En natuurlijk door de onvertaalbare mantra die Tibetanen uiten om hun beschermheilige, de bodhisattva van compassie, aan te roepen:
Om mani padme hum
Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhistische rituelen. De koning begon elke ochtend met meerdere prosternaties voor een altaar. Hij ging rechtop staan en vouwde in gebed zijn handen ineen boven zijn hoofd, om vervolgens in één beweging door zijn lichaam languit op de vloer uit te strekken en weer op te staan. Met dit ritueel hield hij zijn lichaam slank en zijn geest helder.
In hoeverre iets religie was en in hoeverre traditie of gewoonte viel onmogelijk te bepalen. Wanneer Gonpo bijvoorbeeld op gejok werd betrapt, moest ze verschillende rondjes om een nabijgelegen klooster lopen en talloze gebedsmolens laten draaien, grote verticale cilinders van metaal en hout, en al zwoegend de daarop geschreven gebeden lezen. Elke keer dat je een gebedsmolen op zijn spoel draaide, was het alsof je hardop een gebed opzei. Voor een kind waren ze best zwaar. De straf dwong haar na te denken over wat ze verkeerd had gedaan.
@ Thomas Pilke / Unsplash
De kinderen – Gonpo en haar zes jaar oudere zus – woonden met hun moeder in afzonderlijke vertrekken aan één kant van het huis. Wanneer ze wakker werden, nam hun moeder de meisjes mee naar de kamers van hun vader om hem goedemorgen te wen- sen. Tegen bedtijd herhaalden ze dit ritueel om hem welterusten te zeggen. Het gezin at de meeste maaltijden gezamenlijk. Daarbij zag hun vader streng toe op hun manieren. Vóór de maaltijd zei- den ze gebeden op. Vervolgens aten de ouderen eerst terwijl de kinderen wachtten. Hun vader at zijn bord altijd leeg tot op de laatste rijstkorrel, om zijn dochters eraan te herinneren hoe hard de boeren voor hun voedsel werkten. Ook stond hij erop dat zijn personeel dezelfde porties kreeg als hij – al aten zij vaak later, waar- door hun maaltijden al koud waren geworden. De koning was een scrupuleus man die wilde voorkomen dat zijn dochters, koninklij- ke afkomst of niet, werden verwend. Ook al wemelde het in huis van de dienaren, toch maakte de koning zijn eigen bed op.
Om mani padme hum
Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhis- tische rituelen. De koning begon elke ochtend met meerdere prosternaties voor een altaar. Hij ging rechtop staan en vouwde in gebed zijn handen ineen boven zijn hoofd, om vervolgens in één beweging door zijn lichaam languit op de vloer uit te strek- ken en weer op te staan. Met dit ritueel hield hij zijn lichaam slank en zijn geest helder.
In hoeverre iets religie was en in hoeverre traditie of gewoonte viel onmogelijk te bepalen. Wanneer Gonpo bijvoorbeeld op ge- jok werd betrapt, moest ze verschillende rondjes om een nabijge- legen klooster lopen en talloze gebedsmolens laten draaien, grote verticale cilinders van metaal en hout, en al zwoegend de daarop geschreven gebeden lezen. Elke keer dat je een gebedsmolen op zijn spoel draaide, was het alsof je hardop een gebed opzei. Voor een kind waren ze best zwaar. De straf dwong haar na te denken over wat ze verkeerd had gedaan.
De kinderen – Gonpo en haar zes jaar oudere zus – woonden met hun moeder in afzonderlijke vertrekken aan één kant van het huis. Wanneer ze wakker werden, nam hun moeder de meisjes mee naar de kamers van hun vader om hem goedemorgen te wensen. Tegen bedtijd herhaalden ze dit ritueel om hem welterusten te zeggen. Het gezin at de meeste maaltijden gezamenlijk. Daarbij zag hun vader streng toe op hun manieren. Vóór de maaltijd zeiden ze gebeden op. Vervolgens aten de ouderen eerst terwijl de kinderen wachtten. Hun vader at zijn bord altijd leeg tot op de laatste rijstkorrel, om zijn dochters eraan te herinneren hoe hard de boeren voor hun voedsel werkten. Ook stond hij erop dat zijn personeel dezelfde porties kreeg als hij – al aten zij vaak later, waardoor hun maaltijden al koud waren geworden. De koning was een scrupuleus man die wilde voorkomen dat zijn dochters, koninklijke afkomst of niet, werden verwend. Ook al wemelde het in huis van de dienaren, toch maakte de koning zijn eigen bed op.
De koning was zijn tijd vooruit en hechtte er groot belang aan dat meisjes hetzelfde onderwijs kregen als jongens. Hij had geen zonen en ging ervan uit dat een van zijn dochters de nieuwe monarch zou worden. Gonpo had een leraar die haar elke ochtend het Tibetaanse alfabet onderwees. Daarvoor gebruikte ze een traditionele methode. Ze spreidde as uit op een leistenen bordje en gaf Gonpo een ganzenveer om de letters na te trekken. Tibetaans leren schrijven is nog niet zo gemakkelijk. Het schrift is in aangepaste vorm overgenomen uit Noord-India en de medeklinkers worden boven op elkaar geschreven. Gonpo zat urenlang met glazige blik naar de dwarrelende letters te staren.
Als kind was ze rusteloos. Ze ergerde zich aan de strikt afgeba-kende grenzen van haar leven binnen de paleismuren. Toen ze een peuter was, bond haar kinderjuffrouw een bel rond Gonpo’s middel zodat ze het direct hoorde als Gonpo naar buiten probeerde te gaan. Pas veel later besefte Gonpo hoezeer deze afgezonderde periode van haar vroege kinderjaren van voorbijgaande aard was geweest. Ze had geen speelkameraadjes van haar eigen leeftijd. Haar oudere zus, die bleek zag en vlijtig studeerde, ging niet mee in Gonpo’s neiging om kattenkwaad uit te halen. Gonpo was het gelukkigst wanneer de monniken op bezoek kwamen, aangezien sommige monniken gewoon nog jongens van haar leeftijd waren. Een van hen was haar favoriet. Het toeval wilde dat hij was geïdentificeerd als een gereïncarneerde lama, een tulku. Terwijl de volwassenen deze jongen aanbeden, trok Gonpo aan zijn mouw en eiste ze dat ze in de ontvangstzaal samen een balletje gingen trappen. Ook glipte Gonpo regelmatig het paleis uit om met de kinderen in een van de naburige huizen te gaan spelen. En dan gedroeg ze zich allerminst als een prinses. Zo herinnerde een van die kinderen zich later hoe ze erop stond om bij hem thuis mee te helpen met huishoudelijke klusjes. Omdat ze het ongemakkelijk vond dat ze meer had dan andere kinderen probeerde ze kledingstukken weg te geven. Eenmaal sloop ze met de kinderen uit de buurt de privétuinen van het paleis in om bonen te pikken. Gonpo besefte niet dat de gepikte bonen eigenlijk van haarzelf waren.
Toen ze ouder werd, maakte haar vader zich zorgen omdat ze zich niet als een prinses gedroeg. Hij probeerde te verhinderen dat ze omging met de buurtkinderen, het kroost van zijn onderdanen. Vanaf dat moment moest ze genoegen nemen met uit het raam staren naar de ommuurde binnenplaats en verder, naar de rollende heuvels die in het noorden overgingen in besneeuwde bergtoppen. Alles wat ze zag behoorde tot haar vaders koninkrijk.
Het Mei-koninkrijk strekte zich in ieder geval uit tot Dzorge (Zoige in het Chinees), bijna 150 kilometer naar het noordoosten. Het was niet helemaal duidelijk hoeveel land er precies onder het koninkrijk viel, aangezien in deze samenleving de macht niet in gebied, maar in onderdanen werd uitgedrukt. Grenzen waren minder belangrijk dan loyaliteit. En weinig banden van loyaliteit waren zo sterk als familiebanden. Volgens Tibetaanse bronnen regeerde de Mei-koning over 12 stammen en 1900 huishoudens. Chinese documenten stellen dat 50.000 mensen rechtstreeks onder zijn gezag vielen. De rijkdom werd op overeenkomstige wijze gemeten, namelijk op basis van het aantal dieren dat een familie bezat. En dus staan die in de kronieken nauwgezet geboekstaafd: het koninkrijk bezat 450 paarden en 800 stuks vee, waaronder jaks, die soms met koeien werden gekruist.
Hoewel er weilanden rondom het paleis lagen, werden de meeste dieren gehouden nabij Meruma, een dorp zo’n twintig kilometer naar het oosten dat speciaal was gebouwd voor de kuddes van het koninkrijk. In Meruma had de koning ook een zomerpaleis. Weer een ander, kleiner paleis bevond zich een aantal kilometer verder naar het westen. Dat stond op het terrein van het Kirti-klooster, dat ooit was gesticht door de voorouders van de koning. Dit paleis werd gebruikt tijdens bedevaarten en op boeddhistische feestdagen.
Tientallen jaren later speurde ze de speelgoedwinkels van Azië af naar het soort speelgoedappel dat ze destijds had moeten achterlaten
Gonpo wist niet beter dan dat haar vader de onbetwiste heerser van dit gebied was. Hij besloot op welke uren de markten open waren, wat er verkocht mocht worden en op welke dieren er mocht worden gejaagd. Hij was een vroom boeddhist en dus verbood hij de jacht op vogels, vissen, marmotten en andere kleine dieren. Aangezien men geloofde dat in elk dier een gereïncarneerde ziel huisde, was het beter om een groot dier zoals een jak of schaap te doden. Daarmee konden immers vele monden worden gevoed. Ook de verkoop van opium was streng verboden.
Vanaf het ontbijt ontving de koning een stroom bezoekers die een beroep op hem deden om iets te doen met hun klachten of ge- schillen te beslechten. Iemand die met zijn buurman ruziede over een stuk land of juist een bedrijfje wilde beginnen, verzocht de ko- ning om een oordeel. Dergelijke verzoeken waren zo talrijk dat er altijd wel mensen in afwachting van hun audiëntie kampeerden op het veld voor het paleis. Er kwamen trouwens niet alleen Tibetanen om raad vragen. De streek herbergde mensen uit tientallen etnische groepen, waaronder de Mongolen, die in de dertiende eeuw op de hoogvlakte waren neergestreken, en de Qiang, die uiterlijk sterk leken op de Tibetanen maar wel hun eigen taal en cultuur hadden. En dan had je nog de Chinese moslims, de Hui (spreek uit: Hwee). Zij waren etnisch gezien Chinees, maar zagen er zeer opvallend uit. De mannen hadden pluizige baarden en vaak witte kalotjes, de vrouwen droegen hoofddoeken.
Langzamerhand kwamen er ook steeds meer Han-Chinezen in het gebied wonen. De Han vormden de meerderheid in China. En de meeste Han-Chinezen die Gonpo tegenkwam, waren op de een of andere manier verbonden aan de Chinese regering. Maar ook zij leken haar vader met eerbied te behandelen. Gonpo had dan ook niets tegen hen. Verrukt maakte ze mee hoe Chinese ingenieurs en bouwvakkers evenwijdig aan de rivier een nieuwe weg aanlegden – dezelfde weg waarover ze na de begrafenisrituelen naar huis waren gereisd. In een van Gonpo’s vroegste herinneringen nam ze deel aan de ceremonie ter ere van de ingebruikname van de weg die Ngawa met Chengdu verbond en vlak langs hun paleis liep. Gekleed in hun mooiste Tibetaanse gewaden en getooid met kralen overhandigden ze bosjes bloemen aan de Chinese functionarissen die het lintjes knippen kwamen bijwonen. Tijdens die gelegenheid zagen de jonge meisjes voor het eerst motorvoertuigen. Na afloop maakte haar moeder het grapje dat de meisjes hadden geprobeerd de trucks gras te voeren, omdat ze dachten dat het paarden waren.
Heel erg mis
Toen de koninklijke familie die avond in 1958 thuiskwam van de begrafenis, had Gonpo geen idee waarom de Chinezen vlak voor haar huis hun tenten hadden opgeslagen. Ze stoof naar binnen en rende naar de tweede verdieping. De dienaren keken al even strak als haar kinderjuffrouw. Sommigen hadden tranen in hun ogen. Er was iets mis, heel erg mis. Ze kon haar vader nergens vinden – iemand zei dat hij naar een bijeenkomst was gegaan, maar dat overtuigde haar niet. Op zoek naar hem, of naar iemand die haar kon vertellen wat er aan de hand was, rende ze van kamer naar kamer. Niemand gaf haar antwoorden. De dienaren bewogen zich met hun armen vol kleren en beddengoed tussen de vertrekken. Dat ergerde Gonpo alleen maar meer. Op de typische manier waarop heel kleine kinderen heel harde geluiden kunnen maken, dreunden haar voetstappen na op de houten vloeren – bons, bons – totdat de kinderjuffrouw haar inhaalde en bij de arm greep.
Ze moest stil zijn, waarschuwde de kinderjuffrouw haar. Begreep ze soms niet dat dit ernstig was? Nee, dat begreep ze niet. Helemaal niet zelfs. Maar aangezien iedereen aan het inpakken was, bedacht Gonpo dat ze dat ook maar moest gaan doen. Ze ging naar haar kamer en zocht haar speelgoed bij elkaar.
‘Die spullen zul je niet nodig hebben. Laat ze hier,’ snauwde haar kinderjuffrouw, die al voor Gonpo zorgde sinds ze een baby was en nooit eerder zo scherp tegen haar was uitgevallen.
En dus nam ze afscheid van haar dierbaarste bezit: een plastic appel uit India, die als je hem opende steeds kleinere plastic appels bevatte, net als een Russische matroesjka. Tientallen jaren later, toen ze al ver voorbij de middelbare leeftijd was, grijs werd en last had van jicht, speurde ze de speelgoedwinkels van Azië af naar het soort speelgoedappel dat ze destijds had moeten achterlaten.
Toen het de volgende ochtend licht werd, zag Gonpo dat het hele huis werd verzegeld. De soldaten bevestigden aanplakbiljetten met daarop grote handgeschreven Chinese karakters. Die leken een dringende politieke boodschap te verkondigen, maar Gonpo wist niet welke want ze las geen Chinees. Rond het kordon soldaten stonden de buren. Tranen stroomden over hun gezichten. Onder hen bevonden zich ook de kinderen met wie ze bonen was gaan stelen.
Nog altijd zag Gonpo de ernst van de situatie niet in. Ze had vooral oog voor de auto die klaarstond om hen mee te nemen. Dat was gewoon een jeep van Russische makelij, die zelfs naar de maatstaven van het China van de jaren vijftig weinig bijzonders had. Maar Gonpo had nooit eerder een ritje in een privéauto gemaakt, alleen in een bus. Dit vooruitzicht vond ze zo spannend dat ze even vergat welke tragedie er gaande was, naar de auto rende en van opwinding op en neer sprong.
Haar moeder riep haar met een felle tik op haar wang tot de orde – de enige keer dat een van haar ouders haar ooit heeft geslagen. Gonpo had een kernprincipe van de Tibetaanse gedragsregels overtreden door niet op eerbiedige wijze uit huis te vertrekken. Bedeesd voegde ze zich weer bij haar zus, twee nichtjes en tante. Als in gebed staken ze tegelijk hun handen in de lucht en wierpen ze zichzelf op de grond, om te laten zien dat ze dankbaar waren voor het huis dat hen al die jaren had geherbergd en beschermd. Vervolgens klommen ze in de jeep. De auto werd gstart en met hun koffers opgestapeld op het dak reden ze weg.
De laatste prinses (Eat the Buddha) van Barbara Demick verscheen eind mei bij uitgeverij Nieuw Amsterdam in een vertaling van Alexander van Kesteren en Dhr. Koos Mebius.
In Sri Lanka kunnen covid-19-doden nu worden begraven
Na de uitbraak van de pandemie heeft de regering in Sri Lanka het verplicht gesteld om mensen die getroffen zijn door het coronavirus te cremeren, zoals de gewoonte is binnen de boeddhistische gemeenschap, die de meerderheid vormt in Sri Lanka, evenals bij de hindoeïstische Tamils. De bedoeling was om hiermee ‘elke mogelijke dreiging te voorkomen’. Maar de maatregel leidde zowel nationaal als internationaal tot veel ophef, meldt de nieuwssite Adaderana, vooral onder moslims.
Op 3 maart gaf de regering van Rajapaksa toe aan de druk en zag af van de verplichte crematie. Begrafenissen zijn echter alleen toegestaan op een afgelegen eilandje in de buurt van Jaffna, in het noordwesten van Sri Lanka. Lichamen moeten nu in een koelkamer worden bewaard totdat de juiste administratieve procedure is afgerond, waarna ze voor de begrafenis naar het eiland Iranaitivu worden vervoerd.
De bewoners van het eiland zijn het er niet mee eens. Woensdag vond er een demonstratie plaats tegen de aanstaande komst van de lichamen van covid-19-slachtoffers, vermeldt de site in een ander artikel.
‘Een wrede praktijk waarvan niet wetenschappelijk is bewezen dat deze de verspreiding van het virus voorkomt’
De wijziging van de regering ‘getuigt van de onvermoeibare strijd van de families van de slachtoffers en mensenrechtenactivisten, evenals de druk van de internationale gemeenschap’, schrijft Colombo Telegraph. De Sri Lankaanse website noemt de verplichte crematie ‘een wrede praktijk waarvan niet wetenschappelijk is bewezen dat deze de verspreiding van het virus voorkomt’.
De ‘Rajapaksa-clan’ – Gotabaya, het staatshoofd, en Mahinda, de voormalige president, momenteel premier – zou zich hebben laten leiden door ‘de anti-moslimwaanzin’ die in 2019 ontstond onder boeddhistische geestelijken, die de regerende partij ondersteunen, na de aanslagen op Paaszondag in april dat jaar. De regering zou van deze sentimenten gebruikmaken ‘om het publiek af te leiden van de treurige mislukking van hun beleid op alle fronten’.
Misschien, oppert het artikel, moeten we in de draai ook een verband zien met het lopende onderzoek door het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties naar de schendingen van de Singalezen (de grootste etnische groep van Sri Lanka) tegen de Tamils tijdens de burgeroorlog (1981-2009). Het politieke belang om de internationale gemeenschap over te halen en veroordeling te vermijden, zou heel goed een rol kunnen hebben gespeeld.
Duitse AfD ‘onder toezicht’
De Duitse binnenlandse inlichtingendienst heeft het extreemrechtse AfD onder observatie geplaatst als een mogelijke bedreiging voor de Duitse democratie. Het is de eerste keer dat een dergelijke actie wordt ondernomen tegen de belangrijkste oppositiepartij in de naoorlogse geschiedenis van het land, meldt Der Spiegel.
De leiders van de AfD maken moslimimmigranten uit voor criminelen, vallen de pers aan en trekken democratische principes in twijfel, zo luidt de beschuldiging. Tijdens de pandemie hebben AfD-functionarissen deelgenomen aan protesten die soms uitliepen in geweld.
De partij won in 2017 13 procent van de stemmen, sindsdien is de steun geslonken tot ongeveer 10 procent. In het voormalige communistische oosten van Duitsland is de aanhang nog altijd twee keer zo hoog.
Twijfelachtig
De beslissing over het toezicht werd vorige week genomen, maar nog niet aangekondigd, in afwachting van een rechtszaak die de AfD heeft aangespannen om de maatregel te stoppen. Leden van de partij beschuldigden de federale regering van een politieke zet in de aanloop van een nationale verkiezing, meldt de Süddeutsche Zeitung in een video.
Ook onder ander de Neue Zürcher Zeitung hebben hun vraagtekens bij de ontwikkelingen. ‘Dat AfD een extreemrechtse partij is staat buiten kijf. Toch is het feit dat de Duitse binnenlandse geheime dienst kort voor de verkiezingen semiopenbare actie tegen hen onderneemt, twijfelachtig. Het agentschap wordt verondersteld de grondwet te beschermen – niet de gevestigde partijen.’
Het bericht valt samen met het Franse verbod op Génération Identitaire, een militante jongerenbeweging die als gevaarlijk wordt beschouwd vanwege de gelikte rebranding van neonazistische concepten, en Orbáns gedwongen breuk met de christen-democratische fractie in het Europees Parlement in Brussel, schrijft The New York Times.
Fragmenten van meteoor op het Britse platteland
Van de meteoor die zondagavond boven Engeland was te zien, zijn waarschijnlijk fragmenten op het aardoppervlak gevallen, melden experts in The Independent. De meteoor, die in botsing kwam met de atmosfeer van de aarde, creëerde een vuurbal en een luide dreun ‘die zelfs in Ierland en Nederland te horen was’.
Door de vele video’s van de vuurbal hebben onderzoekers de aard van de asteroïde vast kunnen stellen en haar baan kunnen bepalen.
‘De opnames vertellen ons dat de snelheid ongeveer 50.000 kilometer per uur was; te snel is om door mensen gecreëerd “ruimteafval” te zijn, dus het is geen oude raket of satelliet,’ citeert The Guardian Ashley King van het Natural History Museum. ‘Dit specifieke stuk asteroïde bracht het grootste deel van zijn baan tussen Mars en Jupiter door, hoewel ze soms dichter bij de zon kwam dan de aarde.’
‘Deze meteoor is erg gefragmenteerd, zoals je in de video’s kunt zien. Het grootste deel van de meteoroïde is verdampt tijdens de zes seconden zichtbare vlucht’, vertelt Luke Daly van de Universiteit van Glasgow aan The Independent. ‘We vermoeden echter dat nogal wat fragmenten de grond hebben bereikt. Als er stukken zijn geland, bevinden die zich waarschijnlijk net ten noorden van Cheltenham.’
Katherine Vreugde van de Universiteit van Manchester geeft tips voor wie zo’n fragment vindt: ‘Fotografeer het op zijn plaats, noteer de locatie met de gps van je telefoon, raak het niet aan met een magneet en, als dat kan, ook niet met je handen. Pak het indien mogelijk op met een schone zak of een schoon stuk aluminiumfolie.’
De enorme populariteit van mindfulness baart wetenschappers zorgen. ‘Sommige populaire meditatiepraktijken doen meer kwaad dan goed.’
Mindfulness is erg populair. Is dat reden tot zorg? Carl Erik Fisher denkt van wel. Fisher is professor klinische psychiatrie aan de Columbia-universiteit en psychotherapeut. In zijn therapiesessies maakt hij gebruik van meditatietechnieken en hij mediteert zelf ook. Toch vreest hij dat bepaalde populaire meditatiepraktijken, die verlossing zoeken in een heldere geest, de voordelen van meditatie meer kwaad dan goed doen. Recent onderzoek laat zien dat beoefenaars van mindfulmeditatie er schade van kunnen ondervinden.
‘De mindfulnesshype prent mensen in dat ze altijd strak gefocust moeten zijn op wat ze ervaren en hun geest moeten vrijwaren van invloeden en gedachten,’ aldus Fisher. ‘Maar dat is een volstrekt verkeerd beeld van waar het om gaat. Er is geen enkele traditie van mindfulness die zegt dat je je gedachten moet stopzetten. In een normale, niet-religieuze, klinische setting gaat het er alleen maar om dat je aandacht krijgt voor het hier en nu… Misschien moeten we eerst goed duidelijk maken wat mindfulness eigenlijk is, voordat we er overal op scholen en bedrijven posters over ophangen.’
Jaarlijks komen er alleen in de Verenigde Staten 1 miljoen nieuwe mediteerders bij. Willoughby Britton, directeur van het Clinical and Affective Neuroscience Laboratory van de Brown-universiteit, schreef vorig jaar in een paper: ‘Met meer dan twintig mindfulness-telefoonapps draagt mindfulness flink bij aan de miljardenindustrie rondom meditatie. In totaal bedient deze industrie ruim 18 miljoen meditatiebeoefenaars.’
Meditatie-ervaringen
Eén zorg betreft de overdreven aandacht van de mindfulnessbeweging voor positieve, gezonde dingen als het reduceren van stress of angsten. Daardoor wordt meditatie een middel om mentale hygiëne te bereiken.
Docent positieve psychologie Tim Lomas van de University of East London en zijn collega’s ondervroegen in 2014 mannelijke beoefenaars van meditatie. Van de dertig ondervraagden had een kwart last gekregen van sterke stemmingswisselingen – sommigen hadden moeite hun gedachten en gevoelens onder controle te houden; bij sommigen verergerden depressie en angsten en weer anderen werden psychotisch. Eén jonge man, een beginner, probeerde een methode uit waarmee gevorderden hun ‘ik’ proberen af te breken. ‘Ik stortte in elkaar, lag op de grond te snikken,’ vertelt hij. ‘Ik ervoer heel duidelijk dat alles tijdelijk was, maar dan zonder alles daaromheen, zonder het positieve van die ervaring. Ik had een allesoverheersend gevoel van wanhoop…’ Een andere man was iets minder negatief: ‘Je houdt soms niet van jezelf, je denkt: wat een lul ben ik ook.’ De conclusie van Lomas en zijn collega’s: ‘Deze studie laat duidelijk zien dat het welzijn van beoefenaars van meditatie in het geding is, zowel in een klinische omgeving als daarbuiten.’
De ambitie van Britton en haar collega’s met hun onderzoek uit 2017 was om het hele scala aan meditatie-ervaringen nauwkeurig op te tekenen. Zij wilden daarmee recht doen aan de verschillende ‘variëteiten van contemplatieve beleving’. Deze laatste zin is wellicht een bewuste verwijzing naar William James’ beroemde boek over de religieuze ervaring. In hun onderzoek gingen zij uit van zeven ervaringsdomeinen, die elk weer uit minimaal vijf soorten verandering bestonden die de beoefenaars konden hebben ervaren. Hun proefpersonen – 43 procent vrouwen en 57 procent mannen, met een gemiddelde leeftijd van 48 jaar – hadden bij het mediteren veelal vreemde en zware dingen beleefd. ‘Om ook aandacht te geven aan het soort ervaringen waar in de wetenschappelijke literatuur relatief weinig over wordt gesproken’, schreven de auteurs, ‘vroegen wij expliciet ook naar ervaringen die de beoefenaars onverwacht, moeilijk, beangstigend of functioneel beperkend hadden gevonden.’
‘Ik sloeg mezelf en zei dat ik slecht mediteerde, altijd zou blijven lijden en een rotleven zou hebben. Maar dat heb ik nu wel een beetje achter me gelaten’
Op het cognitieve vlak, met in totaal tien categorieën, werd ‘verandering van wereldbeeld’ (48 procent) het vaakst genoemd, direct gevolgd door een ‘verwrongen, irrationele of paranormale kijk op dingen’ (47 procent). Het meest genoemde type ervaring op het vlak van de waarneming was, met 42 procent, ‘hallucinaties, visioenen of illusies’. De ervaring die het meest werd genoemd lag op het affectieve vlak: ‘angst, bevreesdheid, paniek of paranoia’, genoemd door 82 procent van de ondervraagden. De andere vlakken van beleving waarnaar gevraagd werd waren: ‘somatisch’ (te maken hebbend met lichamelijke ervaringen) ‘conatief’ (met motivatie en doelgericht gedrag), ‘zelfgevoel’ en ‘sociaal’. De helft van de door Britton en haar collega’s geïnterviewde meditatiebeoefenaars ervoeren ‘veranderingen in de grens tussen (hen)zelf en anderen of tussen (hen)zelf en de wereld’ en een even groot deel gaf aan zich ‘sociaal beperkt’ te voelen.
Iemand die weet wat erbij komt kijken om een arhat, of ‘geperfectioneerd persoon’ te worden, zoals het in het theravada-boeddhisme heet, zal hier niet van opkijken. Om een arhat te worden, moet je het Nobele Achtvoudige Pad volgen – ‘de juiste kijk’, ‘het juiste gedrag’, ‘de juiste inzet’, enzovoorts. Het gaat er niet om of je een goed mens bent – want dat wordt sowieso verondersteld, schrijft Peter Harvey in An introduction to Buddhist Ethics. ‘Beschik je over deugd als een onmisbare basis voor verdere verbetering, dan kun je met meditatie gaan experimenteren. Doe je het goed, dan wordt je geest vanzelf rustiger, sterker… helderder.’ Dan kom je op een spoor terecht waarbij het proces zichzelf gaat voeden. Een heldere, rustige geest helpt je om je deugden te trainen, de ervaring lange tijd goed te doen verdiept je wijsheid en daarvan profiteren dan je meditatieve gaven weer.
Het onderdeel van dit Achtvoudige Pad waar Fisher het meeste moeite mee had, ‘zelfs op een meditatiekussentje’, was de ‘juiste inzet’. ‘Span ik me in en probeer ik heel hard om werkelijk geen seconde te missen? Of ontspan ik me en laat mijn geest overal naartoe dwalen waarheen hij maar wil?’ vertelt Fisher. Hij oordeelt niet meer zo hard over zichzelf als vroeger. ‘Je moet de balans tussen die twee houdingen weten te vinden. Er bestaat een heel spectrum aan reacties en tijdens een meditatiesessie bestrijk je dat hele spectrum,’ vertelt hij.
Fisher vond het meditatiecentrum in Zuid-Korea waar hij direct na zijn college met een beurs naartoe ging ‘een ongelooflijk verrijkende ervaring’. ‘Het overtuigde me ervan dat mindfulness prima samen kan gaan met wetenschappelijke psychiatrie en neurowetenschap.’ Toch kostte het mediteren hem vaak moeite. ‘Ik sloeg mezelf en zei dat ik slecht mediteerde, altijd zou blijven lijden en een rotleven zou hebben. Maar dat heb ik nu wel een beetje achter me gelaten.’ Grappig genoeg hielp het hem om in de buurt van ambitieuze New Yorkers te zijn. ‘Hun probleem is dat ze over het algemeen erg streng voor zichzelf zijn. De meeste mensen uit die stad zijn superstreng voor zichzelf!’ vertelt Fisher. ‘Niet dat mijn ervaringen per se ook opgaan voor anderen, maar ik merk dat ik veel gemeen heb met mijn patiënten en dat we voor dezelfde opgaven staan.’
Begonnen als online weekblad, maar verschijnt sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.