Journalist, professor en schrijfster Margo Jefferson (1947) vertelt in haar onlangs vertaalde autobiografie Negroland hoe het was om op te groeien in de elite van de zwarte gemeenschap in Chicago. Een fragment.
Ik heb geleerd me niet op de voorgrond te dringen. Ik heb geleerd me te onderscheiden door declameren, niet proclameren, uit te blinken door prestaties en manieren, niet door me op de voorgrond te dringen. Maar is elke autobiografie niet een manier om je op de voorgrond te dringen? In het Negroland van mijn jeugd was dat een gevaarlijke bezigheid. Negroland is mijn naam voor het deel van zwart Amerika waar de inwoners zich tot op zekere hoogte beschermd wisten door voorrechten en welvaart. De kinderen in Negroland werden gewaarschuwd dat weinig negers deze voorrechten en welvaart ten deel viel en dat de meeste blanken hen het liefst weer behoeftig, eerbiedig en onderdanig zagen. De kinderen werd geleerd dat andere negers een voorbeeld aan ons moesten nemen, maar dat velen van hen (uit afgunst of onwetendheid) de vooroordelen juist bevestigden.
Te veel negers, zo werd gezegd, vielen op door de verkeerde dingen: hun luide stemmen, hun vrijpostige en opvallende manier van doen, hun talent voor populaire muziek en dans, voor sport meer dan voor de letteren en de wetenschap. De meeste blanken, zo werd ons verteld, waren gespitst op deze, in hun ogen, fundamentele raskenmerken. Maar de meeste blanken waren ook gespitst op al te zichtbare successen op hún terrein, op ons aandeel in hún voorrechten en welvaart, in wat zij als hún raskenmerken zagen. Je moest je in hun gezelschap altijd waardig gedragen, en opzichtigheid werd niet op prijs gesteld. Op de voorgrond treden was toegestaan, werd zelfs aangemoedigd, maar alleen als dat je hele familie ten goede kwam, en hun vrienden, en alle gemeenschappelijke voorouders.
Het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen
En dus sta ik bij een talentenshow van Jack and Jill of America, vier jaar oud, achter de coulissen in een auditorium, samen met andere opgewonden deelnemers. Terwijl we met zachte en harde hand tot stilte worden gemaand, glip ik weg en stap het toneel op. Mijn vriendinnetje van vijf is halverwege haar voordracht. Ik ga voor haar staan, draai me om, en zeg tegen de man achter de piano: ‘Speel maar door.’ Hij gehoorzaamt; ik draai me weer naar het publiek en doe een paar minuten lang wat ik denk dat een dans is. Ik hoor de aansporingen en gulle lach van de volwassenen. Ik heb ze betoverd, want ze kennen mij als slim en spontaan; zelfs de moeder van mijn vriendinnetje laat me begaan. Ik herinner me niet hoe mijn vriendinnetje reageerde – en waarom zou ik ook? Ik was erop uit haar weg te blazen.
Soms deed ik een te groot beroep op de toegeeflijkheid van de volwassenen, en mijn verlangen om te schitteren maakte dat ik vergat wat de gelegenheid van mij vroeg. Tijdens een etentje niet lang daarna, waar de volwassenen weinig oog hadden voor de kinderen, wachtte ik een moment van stilte af en verklaarde toen: ‘Soms vergeet ik mijn billen af te vegen.’
De lach kwam, maar pas na een korte stilte, en ik zag hoe de gasten blikken wisselden voordat ze zich naar mij richtten. Ik besefte dat ze me eerder tolereerden dan vertederd waren, en het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen.
Dus ontwikkelde ik me. En terwijl ik me ontwikkelde, leerde ik dat mijn fouten – slechte manieren, slechte smaak, een overmaat aan enthousiasme – buiten onze vertrouwde kring een probleem vormden voor mij, mijn ouders en mijn mensen.
Levenslang secundair
Allemaal konden we zomaar, en voor altijd, bestempeld worden als vulgair, grof en minderwaardig.
Slim van mij om recensent te worden. Wij recensenten keuren en dringen ons op de voorgrond voor een hoger doel. Voor een gemeenschappelijk belang. Onze manieren, onze smaak en onze proclamaties worden verwelkomd.
Levenslang superieur. Behalve wanneer we dat niet zijn. Behalve wanneer we worden weggewuifd of voor afgunstig en kleinzielig worden uitgemaakt; voor onecht en inherent parasitair. Levenslang secundair.
Dat is het verhaal in grote lijnen. Hier is de toegespitste versie: het verhaal van een meisje uit het Midden-Westen halverwege de vorige eeuw, een van twee kinderen van een aantrekkelijk echtpaar dat zich gelukkig prees met hun leven en prestaties, dat het beste wilde voor hun kinderen en dat wilde dat hun kinderen tot de besten zouden behoren.
Bloed des blancs
In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras, ergens tussen het gros van de negers en de blanken van alle klassen in. Net als het Derde Oog beschikte het Derde Ras over wijsheid, intuïtie en verlichte kennis die bij de andere twee rassen ontbrak. De leden waren goed opgeleid, ambitieus, ontwikkeld en hadden de verbale vingervlugheid tot kunstvorm verheven.
Als, zoals zo vaak werd gezegd, te velen van ons ernaar hunkerden, verlangden, streefden om Blank te zijn zijn zijn, Blank Blank Blank Blank blank…
Als (zoals zo vaak werd gezegd) velen van ons te zeer opschepten over het bloed des blancs dat door de eeuwen heen openlijk of heimelijker zijn weg naar onze aderen en bloedvaten had gevonden en daar nu futloos stroomde (arteria cerebri, aorta, renalis, femoralis, jugularis, subclavia, en de mesenterica superior) …
Als we te veel waarde hechtten aan het uiterlijk, de manieren en moraal die het geboorterecht vormden van de mensen van Angelsaksische afkomst…
Blanke mensen wilden net zo graag blank zijn als wij. Ze deden er net zozeer hun best voor. Ze mislukten net zo vaak. Ze mislukten vaker. Toch doorstonden ze altijd de test, en dus was er niemand die protesteerde.

Denise en Margo dragen allebei een wollen mantel met een kraag van Perzisch lammerenbont. Ze stoppen hun handen diep weg in een mof van Perzisch lammerenbont. Ze zijn betoverd door hun eigen bekoorlijkheid. Ze dragen bijna nooit dezelfde kleren, maar dit keer doen ze dat met een doel. Denise en Margo zijn een setje en een tableau. Hun outfit is de beloning voor een onberispelijke kindertijd: jurken van taf en fluweel met kragen van kant, petticoats, enkellinten, handtasjes en zakdoekjes met initialen, handschoentjes, passend bij het seizoen, van katoen en geitenleer, dezelfde mantels en moffen. Strooien hoeden en hoofdbanden met bloemen. Niet slechts één bloem, als bij een corsage, maar een ovale rij, als in een prieel.
Het prieel van de kindertijd. We praten of lachen niet hard in het openbaar. We zakken niet onderuit. We spreken goed gearticuleerd en zonder accent. Wanneer onze tante Ruby, onderwijzeres op een basisschool, op bezoek komt vanuit Californië, dwingt ze me een penny in een spaarpot te doen voor elke keer dat ik ‘jee’ zeg. Ik vind het fijn. Ik vind het fijn om onberispelijk te zijn.
De schoonheidsidealen voor meisjes zijn dwingend in het Negroland van de jaren vijftig. Negermeisjes moeten alert zijn op hun vermeende gebreken. Meedogenloos. Catalogiseer en compenseer.
Platte voeten in plaats van een hoge voetboog.
Een opzichtig achterwerk dat weigert stilletjes in nauwsluitende jurken te schuiven, te slinken en te blijven zitten.
‘Asachtige huid.’ Wit sediment op het oppervlak van een bruine huid die te lang niet is ingesmeerd. Knieën en ellebogen moeten goed worden verzorgd. ‘Een goed geoliede machine’ is geen metafoor.
Huidskleur
Ivoor, crème, beige, graan, leer, mocassin, kalfsleer, café au lait en de blekere tinten van honing, amber en brons zijn het best. Siena, chocolade, zadelbruin, omber (gebrand of rauw) en mahonie werken het best met fatsoenlijk-tot-goed haar en gelijkmatige-tot-scherpe gelaatstrekken. In deze gevallen moet
de vrouw kiezen voor kleding in ingetogen kleuren. Felle kleuren maken de indruk dat ze met zichzelf te koop loopt. In het algemeen geldt voor vrouwen dat de donkere huidskleuren, zoals walnoot, chocoladebruin, zwart en zwart met blauwe ondertonen niet zijn toegestaan. Een donkere huid geeft een indruk van agressieve en algehele seksuele bereidheid. Op zijn minst vestigt het de aandacht op je ras en kan zo ongunstige associaties oproepen.
Soorten haar
1. Supersteil haar kan gedragen worden in lange, dikke vlechten die tot halverwege de rug reiken, of zelfs tot aan de taille.
2. Glanzend haar dat golft en krult: dit roept associaties op met het Moorse Spanje en Mexico.
3. Dichter opeengepakte golven met minder glans: dit haar kan geborsteld worden tot het bijna steil is, maar moet wel behandeld worden met een dunne haarcrème voor licht haar. Een hoge vochtigheidsgraad (de keuken) kan het stug maken in de nek en kroezig rond het gezicht. Ga er herhaaldelijk snel doorheen met een hete kam.
4. Pluizig haar, stadium 1. Vereist dagelijks een dikke haarcrème en frequent gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet tot voorbij de schouders.
5. Pluizig haar, stadium 2. Vereist steeds nieuwe lagen haarcrème en constant gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet verder dan halverwege de nek.
De meisjes Jefferson
Een plat achterste moet vermeden worden, maar
dat van hen is mooi van vorm en niet overdreven
volumineus. Geen van de twee meisjes Jefferson heeft een van de drie topsoorten haar. Hun moeder bewerkt het met de hete kam en de krultang. Dagelijks brengt ze olie aan; blootgesteld aan regen of hoge luchtvochtigheid neemt negerhaar een borstelige, pluizige of kroezige vorm aan. ‘Borstelig’ is het woord dat het meest wordt gebruikt; ‘pluizig’ en ‘kroezig’ zijn scherpere en grovere woorden. Denises haar is een paar graden erger dan dat van Margo. Maar Margo was weer dom genoeg om te geloven, toen ze nog klein was, dat haar haar blond zou worden als haar moeder het waste. Gelukkig sprak ze haar overtuiging uit, zodat deze een genadige en snelle dood kon sterven. Haarolie kan vlekken maken op linten en op de bloemen op hoofdbanden en op de stoffen binnenkant van bleke strooien hoeden die naar de kerk gedragen worden en naar gelegenheden waar nette kleding vereist is, als je er niet voor zorgt dat je handen schoon zijn wanneer je ze opdoet en weer afneemt.
Mevrouw Jefferson heeft een opvallende Romeinse neus. Denise heeft een kleine, goedgevormde neus; meer decoratief dan sierlijk. Hoewel Margo’s neusgaten wijken, wijken ze niet zo dat de onwelwillende toeschouwer er aanstoot aan kan nemen.
Beide meisjes hebben volle maar niet overdreven volle lippen. Ze zouden liever kleinere, smallere lippen hebben, maar de basisvorm is goed.
Niemand kan hen ervan beschuldigen dat ze dikke lippen hebben.

We woonden in Bronzeville tot ik drie was en Denise zes; toen verhuisden we naar Park Manor. Bronzeville was de op een na grootste gekleurde stad in Amerika, en onze grootmoeder bezat er twee gebouwen. We woonden comfortabel in een daarvan, toen op een dag in 1949, zo leert de geschiedenis, ‘een poging van twee zwarte gezinnen om twee huizen te betrekken aan de zuidkant van Park Manor resulteerde in een menigte van tweeduizend blanken die scandeerden: “Wij willen vuur, wij willen bloed”, terwijl blanke politiemannen zwijgend toekeken.’ Wat zouden blanke politiemannen anders moeten? Ze handhaafden vijfentwintig jaar oude wetten en meer dan honderd jaar oude gebruiken. Ze beschermden het bezit van hun collega’s, die ook in Park Manor woonden.
Op een avond, een paar jaar later, wanneer we ons zonder probleem in Park Manor hebben gevestigd, houdt een politieauto papa aan.
‘Wat doet u hier?’
‘Ik woon hier.’
‘Wat zit er in die zwarte tas? Drugs?’
‘Ik ben arts.’
De inhoud van de tas bevestigt dat. Gelukkig was hij kinderarts, geen anesthesioloog.
‘Er woonde een blank gezin pal naast ons. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden’
We hebben hier bijna een heel huis. Drie van de vier verdiepingen zijn van ons. De vierde verhuren we aan een gescheiden vrouw, mevrouw Collins (negerin), die hoeden maakt en door haar appartement loopt in felgekleurde robes die zo uit de film lijken te komen, met aan haar voeten muiltjes die zijn afgezet met een randje ganzendons. Ze rookt, en ze slikt met een hese precisie haar klanken in. Zoals Peggy Lee die ‘Black Coffee’ zingt.
Links van ons woont de vriendelijke dokter Hall (neger), met zijn ronde gezicht, waarboven hij in de winter een bruinvilten gleufhoed draagt en in de zomer een bleekgele strohoed. Ik zou zijn huidskleur ‘donkere tabak’ willen noemen. Jesse Owens (bekend negeratleet) woont een tijdje aan het eind van onze huizenrij, maar zijn kinderen hebben een andere kinderarts. In het huis van lichte baksteen aan de andere kant wonen meneer en mevrouw Hull. Ze hebben een licht zuidelijk accent. Meneer Hull is taxichauffeur. Mevrouw Hull is verpleegster; ze heeft een volle pony en donkere krullen die tot op haar schouders vallen. Hun dochter Shirley is van mijn leeftijd; we spelen vaak samen, in hun tuin of de onze.
Niet langer worden hier kruizen verbrand, en niemand trekt lelijke grimassen of schreeuwt. Wij komen, en de buurt gaat eraan. Brrring rinkelt de telefoon overal om ons heen. ‘Hallo, wij zijn slimme blanke makelaars en u bent een boze blanke huiseigenaar. Laat ons uw huis verkopen aan de negers, en voor prijzen die veel hoger liggen dan u of welke andere blanke er ooit voor zou betalen. U zult uw geluk niet op kunnen. Laat hen betalen om de buurt te verzieken, als ze dat dan zo graag willen.’
‘Moeder, waren er ooit blanke gezinnen in onze straat?’ vraag ik twintig jaar later.
‘O ja, kind, die waren er. Er woonde een gezin pal naast ons, voordat de Hulls er kwamen wonen. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden.’
Een zomerdag in 1952…
Mevrouw Jefferson legde Denise en Margo in bed voor hun middagslaapje, en ging toen naar de eetkamer. Ze ging aan tafel zitten en schonk zichzelf koffie in. Ze was van plan te dagdromen. De jaloezieën boden een doorkijk naar de tuin. De viooltjes stonden in hun borders, de rozen tegen hun latwerk. Het was een moment van leeuwerik-in-de-lucht en slak-op-de-doorn, tot het moment dat ze de twee blanke buurkinderen het tuinhek zag openen, onze tuin zag binnenstappen, recht op onze vrolijk gekleurde schommels af zag lopen en hun achterwerkjes erop zag neerdalen.
Nog een vertelling uit de crypte van een negerjeugd. Ik vraag haar hoe ze eruitzagen.
‘Als twee blanke kinderen. Niets bijzonders. Vaal blond haar.’
‘Waren het meisjes?’ (zucht) ‘Ik geloof van wel.’
Mevrouw Jefferson zag hoe de schommels in beweging kwamen, stond toen op en trok haar schouders naar achteren. Was dit zo ongeveer wat ze dacht?
De duizend verwondingen door blanken had ik zo goed als ik kon verdragen, maar toen ze het domein van de belediging betraden zon ik op wraak. Jij, die mijn ziel zo goed kent, hoeft er natuurlijk niet van uit te gaan dat ik dreigende woorden heb gesproken…
Toen ze de veranda op stapte verraadde niets in haar ook maar het minste gevoel van urgentie of irritatie. ‘Meisjes,’ zei ze kalm maar duidelijk, ‘Margo en Denise slapen. Ze komen niet spelen, dus jullie kunnen beter naar huis gaan.’
En ze gaan. Maar de volgende week keren ze terug. En de week erna. Elke keer stapt mevrouw Jefferson op de veranda en spreekt dezelfde woorden. Elke keer vertrekken ze zonder iets te zeggen. Na de derde keer komen ze niet meer terug. En binnen het jaar zijn ze voorgoed verdwenen.
Een onrecht is niet gewraakt wanneer vergelding de wreker treft. Een onrecht is evenmin gewraakt wanneer de wreker zich niet als zodanig bekend weet te maken aan degene die haar het onrecht aandeed.
Nu, zoveel jaar later, slaat mevrouw Jefferson haar ogen neer, dempt haar stem en eindigt haar verhaal als volgt: ‘Ik was te geïntimideerd om hun moeder erop aan te spreken.’
Ik vind het ondraaglijk om aan haar te denken als geïntimideerd. ‘Natuurlijk was je dat,’ zeg ik snel. ‘Die politiemensen uit de buurt patrouilleerden waarschijnlijk nog steeds, alleen nu in hun vrije tijd.’
Stilte.
Ze zwijgt, dus ik probeer een slavernijgrapje. ‘Je moest altijd uitkijken voor de ontsnapteslavenpatrouille van Park Manor.’ Het is flauw en het produceert een plichtmatig pre-lachgeluidje. Ik moet beter mijn best doen.
‘Moeder, het enige wat mij dwarszit is dat die mensen verhuisd waren voordat ik mijn badmintonset kreeg. Ze zouden erin gebleven zijn.’ Ze gunt me een blik waarin ik lees dat ze mijn poging waardeert, of in elk geval mijn goede bedoeling.
Dan staat ze op en beëindigt het gesprek, nog immer vervuld van schaamte.
Margo Jefferson is op 4 november te gast in het Humanity House in Den Haag in het kader van het Crossing Border Festival. Aanvang 20:45 uur. www.crossingborder.nl
Auteur: Margo Jefferson
Dit is een fragment uit Margo Jeffersons Negroland, dat onlangs verscheen bij De Arbeiderspers (vertaling: Pauline Slot).


