Tag: boekfragment

  • In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras

    Journalist, professor en schrijfster Margo Jefferson (1947) vertelt in haar onlangs vertaalde autobiografie Negroland hoe het was om op te groeien in de elite van de zwarte gemeenschap in Chicago. Een fragment.

    Ik heb geleerd me niet op de voorgrond te dringen. Ik heb geleerd me te onderscheiden door declameren, niet proclameren, uit te blinken door prestaties en manieren, niet door me op de voorgrond te dringen. Maar is elke autobiografie niet een manier om je op de voorgrond te dringen?
 In het Negroland van mijn jeugd was dat een gevaarlijke bezigheid. Negroland is mijn naam voor het deel van zwart Amerika waar de inwoners zich tot op zekere hoogte beschermd wisten door voorrechten en welvaart. De kinderen in Negroland werden gewaarschuwd dat weinig negers deze voorrechten en welvaart ten deel viel en dat de meeste blanken hen het liefst weer behoeftig, eerbiedig en onderdanig zagen. De kinderen werd geleerd dat andere negers een voorbeeld aan ons moesten nemen, maar dat velen van hen (uit afgunst of onwetendheid) de vooroordelen juist bevestigden.

    Te veel negers, zo werd gezegd, vielen op door de verkeerde dingen: hun luide stemmen, hun vrijpostige en opvallende manier van doen, hun talent voor populaire muziek en dans, voor sport meer dan voor de letteren en de wetenschap. De meeste blanken, zo werd ons verteld, waren gespitst op deze, in hun ogen, fundamentele raskenmerken. Maar de meeste blanken waren ook gespitst op al te zichtbare successen op hún terrein, op ons aandeel in hún voorrechten 
en welvaart, in wat zij als hún raskenmerken zagen. Je moest je in hun gezelschap altijd waardig gedragen, en opzichtigheid werd niet op prijs gesteld. Op 
de voorgrond treden was toegestaan, werd zelfs aangemoedigd, maar alleen als dat je hele familie ten goede kwam, en hun vrienden, en alle gemeenschappelijke voorouders.

    Het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen

    En dus sta ik bij een talentenshow van Jack and Jill 
of America, vier jaar oud, achter de coulissen in een auditorium, samen met andere opgewonden deelnemers. Terwijl we met zachte en harde hand tot stilte worden gemaand, glip ik weg en stap het toneel op. Mijn vriendinnetje van vijf is halverwege haar voordracht. Ik ga voor haar staan, draai me om, en zeg tegen de man achter de piano: ‘Speel maar door.’ Hij gehoorzaamt; ik draai me weer naar het publiek en doe een paar minuten lang wat ik denk dat een dans is. Ik hoor de aansporingen en gulle lach van de volwassenen. Ik heb ze betoverd, want ze kennen mij als slim en spontaan; zelfs de moeder van mijn vriendinnetje laat me begaan. Ik herinner me niet hoe mijn vriendinnetje reageerde – en waarom zou ik ook? Ik was erop uit haar weg te blazen.

    Soms deed ik een te groot beroep op de toegeeflijkheid van de volwassenen, en mijn verlangen om te schitteren maakte dat ik vergat wat de gelegenheid van mij vroeg. Tijdens een etentje niet lang daarna, waar de volwassenen weinig oog hadden voor de kinderen, wachtte ik een moment van stilte af en verklaarde toen: ‘Soms vergeet ik mijn billen af te vegen.’

    De lach kwam, maar pas na een korte stilte, en ik zag hoe de gasten blikken wisselden voordat ze zich naar mij richtten. Ik besefte dat ze me eerder tolereerden dan vertederd waren, en het begon me te dagen dat zo’n uitspraak – iedereen laten delen in wat je doet als je alleen bent – altijd op afkeuring kon rekenen.

    Dus ontwikkelde ik me. En terwijl ik me ontwikkelde, leerde ik dat mijn fouten – slechte manieren, slechte smaak, een overmaat aan enthousiasme – buiten onze vertrouwde kring een probleem vormden voor mij, mijn ouders en mijn mensen.

    Levenslang secundair

    Allemaal konden we zomaar, en voor altijd, bestempeld worden als vulgair, grof en minderwaardig.

    Slim van mij om recensent te worden. Wij recensenten keuren en dringen ons op de voorgrond voor een hoger doel. Voor een gemeenschappelijk belang. Onze manieren, onze smaak en onze proclamaties worden verwelkomd.

    Levenslang superieur. Behalve wanneer we dat niet zijn. Behalve wanneer we worden weggewuifd of voor afgunstig en kleinzielig worden uitgemaakt; voor onecht en inherent parasitair. Levenslang secundair.

    Dat is het verhaal in grote lijnen. Hier is de toegespitste versie: het verhaal van een meisje uit het Midden-Westen halverwege de vorige eeuw, een van twee kinderen van een aantrekkelijk echtpaar dat zich gelukkig prees met hun leven en prestaties, dat het beste wilde voor hun kinderen en dat wilde dat hun kinderen tot de besten zouden behoren.

    Bloed des blancs

    In Negroland beschouwden we onszelf als het Derde Ras, ergens tussen het gros van de negers en de blanken van alle klassen in. Net als het Derde Oog beschikte het Derde Ras over wijsheid, intuïtie en verlichte kennis die bij de andere twee rassen ontbrak. De leden waren goed opgeleid, ambitieus, 
ontwikkeld en hadden de verbale vingervlugheid 
tot kunstvorm verheven.

    Als, zoals zo vaak werd gezegd, te velen van ons ernaar hunkerden, verlangden, streefden om Blank 
te zijn zijn zijn, Blank Blank Blank Blank blank…

    Als (zoals zo vaak werd gezegd) velen van ons te zeer opschepten over het bloed des blancs dat door de eeuwen heen openlijk of heimelijker zijn weg naar onze aderen en bloedvaten had gevonden en daar 
nu futloos stroomde (arteria cerebri, aorta, renalis, femoralis, jugularis, subclavia, en de mesenterica superior) …

    Als we te veel waarde hechtten aan het uiterlijk, de manieren en moraal die het geboorterecht vormden van de mensen van Angelsaksische afkomst…

    Blanke mensen wilden net zo graag blank zijn als wij. Ze deden er net zozeer hun best voor. Ze mislukten net zo vaak. Ze mislukten vaker. Toch doorstonden ze altijd de test, en dus was er niemand die protesteerde.

    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur
    Margo Jefferson, circa 1950. – © Privéarchief auteur

    Denise en Margo dragen allebei een wollen mantel met een kraag van Perzisch lammerenbont. Ze stoppen hun handen diep weg in een mof van Perzisch lammerenbont. Ze zijn betoverd door hun eigen bekoorlijkheid. Ze dragen bijna nooit dezelfde kleren, maar dit keer doen ze dat met een doel. Denise en Margo zijn een setje en een tableau. Hun outfit is de beloning voor een onberispelijke kindertijd: jurken van taf en fluweel met kragen van kant, petticoats, enkellinten, handtasjes en zakdoekjes met initialen, handschoentjes, passend bij het seizoen, van katoen en geitenleer, dezelfde mantels en moffen. Strooien hoeden en hoofdbanden met bloemen. Niet slechts één bloem, als bij een corsage, maar een ovale rij, als in een prieel.

    Het prieel van de kindertijd. We praten of lachen niet hard in het openbaar. We zakken niet onderuit. We spreken goed gearticuleerd en zonder accent. Wanneer onze tante Ruby, onderwijzeres op een basisschool, 
op bezoek komt vanuit Californië, dwingt ze me een penny in een spaarpot te doen voor elke keer dat ik ‘jee’ zeg. Ik vind het fijn. Ik vind het fijn om onberispelijk te zijn.

    De schoonheidsidealen voor meisjes zijn dwingend in het Negroland van de jaren vijftig. Negermeisjes moeten alert zijn op hun vermeende gebreken. Meedogenloos. Catalogiseer en compenseer.

    Platte voeten in plaats van een hoge voetboog.

    Een opzichtig achterwerk dat weigert stilletjes in nauwsluitende jurken te schuiven, te slinken en te blijven zitten.

    ‘Asachtige huid.’ Wit sediment op het oppervlak van een bruine huid die te lang niet is ingesmeerd. Knieën en ellebogen moeten goed worden verzorgd. ‘Een goed geoliede machine’ is geen metafoor.

    Huidskleur
    Ivoor, crème, beige, graan, leer, mocassin, kalfsleer, café au lait en de blekere tinten van honing, amber en brons zijn het best. Siena, chocolade, zadelbruin, omber (gebrand of rauw) en mahonie werken het best met fatsoenlijk-tot-goed haar en gelijkmatige-tot-scherpe gelaatstrekken. In deze gevallen moet 
de vrouw kiezen voor kleding in ingetogen kleuren. Felle kleuren maken de indruk dat ze met zichzelf te koop loopt. In het algemeen geldt voor vrouwen dat de donkere huidskleuren, zoals walnoot, chocoladebruin, zwart en zwart met blauwe ondertonen niet zijn toegestaan. Een donkere huid geeft een indruk van agressieve en algehele seksuele bereidheid. Op zijn minst vestigt het de aandacht op je ras en kan zo ongunstige associaties oproepen.

    Soorten haar
    1. Supersteil haar kan gedragen worden in lange, dikke vlechten die tot halverwege de rug reiken, of zelfs tot aan de taille.
    2. Glanzend haar dat golft en krult: dit roept associaties op met het Moorse Spanje en Mexico.
    3. Dichter opeengepakte golven met minder glans: dit haar kan geborsteld worden tot het bijna steil is, maar moet wel behandeld worden met een dunne haarcrème voor licht haar. Een hoge vochtigheidsgraad (de keuken) kan het stug maken in de nek en kroezig rond het gezicht. Ga er herhaaldelijk snel doorheen met een hete kam.
    4. Pluizig haar, stadium 1. Vereist dagelijks een dikke haarcrème en frequent gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet tot voorbij de schouders.
    5. Pluizig haar, stadium 2. Vereist steeds nieuwe lagen haarcrème en constant gebruik van de hete kam. Groeit doorgaans niet verder dan halverwege de nek.

    De meisjes Jefferson
    Een plat achterste moet vermeden worden, maar 
dat van hen is mooi van vorm en niet overdreven 
volumineus. Geen van de twee meisjes Jefferson heeft een van de drie topsoorten haar. Hun moeder bewerkt het met de hete kam en de krultang. Dagelijks brengt ze olie aan; blootgesteld aan regen of hoge luchtvochtigheid neemt negerhaar een borstelige, pluizige of kroezige vorm aan. ‘Borstelig’ is het woord dat het meest wordt gebruikt; ‘pluizig’ en ‘kroezig’ zijn scherpere en grovere woorden. Denises haar is een paar graden erger dan dat van Margo. Maar Margo was weer dom genoeg om te geloven, toen ze nog klein was, dat haar haar blond zou worden als haar moeder het waste. Gelukkig sprak ze haar overtuiging uit, zodat deze een genadige en snelle dood kon sterven. Haarolie kan vlekken maken op linten en op de bloemen op hoofdbanden en op de stoffen binnenkant van bleke strooien hoeden die naar de kerk gedragen worden en naar gelegenheden waar nette kleding vereist is, als je er niet voor zorgt dat je handen schoon zijn wanneer je ze opdoet en weer afneemt.

    Mevrouw Jefferson heeft een opvallende Romeinse neus. Denise heeft een kleine, goedgevormde neus; meer decoratief dan sierlijk. Hoewel Margo’s neusgaten wijken, wijken ze niet zo dat de onwelwillende toeschouwer er aanstoot aan kan nemen.

    Beide meisjes hebben volle maar niet overdreven volle lippen. Ze zouden liever kleinere, smallere lippen hebben, maar de basisvorm is goed.

    Niemand kan hen ervan beschuldigen dat ze dikke lippen hebben.

    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar
    Margo Jefferson nu. – © Michael Ironstar

    We woonden in Bronzeville tot ik drie was 
en Denise zes; toen verhuisden we naar Park Manor. Bronzeville was de op een na grootste gekleurde stad in Amerika, en onze grootmoeder bezat er twee gebouwen. We woonden comfortabel in een daarvan, toen op een dag in 1949, zo leert de geschiedenis, ‘een poging van twee zwarte gezinnen om twee huizen te betrekken aan de zuidkant van Park Manor resulteerde in een menigte van tweeduizend blanken 
die scandeerden: “Wij willen vuur, wij willen bloed”, 
terwijl blanke politiemannen zwijgend toekeken.’ Wat zouden blanke politiemannen anders moeten? Ze handhaafden vijfentwintig jaar oude wetten en meer dan honderd jaar oude gebruiken. Ze beschermden het bezit van hun collega’s, die ook in Park Manor woonden.

    Op een avond, een paar jaar later, wanneer we ons zonder probleem in Park Manor hebben gevestigd, houdt een politieauto papa aan.

    ‘Wat doet u hier?’

    ‘Ik woon hier.’

    ‘Wat zit er in die zwarte tas? Drugs?’

    ‘Ik ben arts.’

    De inhoud van de tas bevestigt dat. Gelukkig was hij kinderarts, geen anesthesioloog.

    ‘Er woonde een blank gezin pal naast ons. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden’

    We hebben hier bijna een heel huis. Drie van de vier verdiepingen zijn van ons. De vierde verhuren we aan een gescheiden vrouw, mevrouw Collins (negerin), die hoeden maakt en door haar appartement loopt in felgekleurde robes die zo uit 
de film lijken te komen, met aan haar voeten muiltjes die zijn afgezet met een randje ganzendons. Ze rookt, en ze slikt met een hese precisie haar klanken in. Zoals Peggy Lee die ‘Black Coffee’ zingt.

    Links van ons woont de vriendelijke dokter Hall (neger), met zijn ronde gezicht, waarboven hij in de winter een bruinvilten gleufhoed draagt en in de zomer een bleekgele strohoed. Ik zou zijn huidskleur ‘donkere tabak’ willen noemen. Jesse Owens (bekend negeratleet) woont een tijdje aan het eind van onze huizenrij, maar zijn kinderen hebben een andere kinderarts. In het huis van lichte baksteen aan de andere kant wonen meneer en mevrouw Hull. Ze hebben een licht zuidelijk accent. Meneer Hull is taxichauffeur. Mevrouw Hull is verpleegster; ze heeft een volle pony en donkere krullen die tot op haar schouders vallen. Hun dochter Shirley is van mijn leeftijd; we spelen vaak samen, in hun tuin of de onze.

    Niet langer worden hier kruizen verbrand, en niemand trekt lelijke grimassen of schreeuwt. Wij komen, en de buurt gaat eraan. Brrring rinkelt de telefoon overal om ons heen. ‘Hallo, wij zijn slimme blanke makelaars en u bent een boze blanke huiseigenaar. Laat ons uw huis verkopen aan de negers, en voor prijzen die veel hoger liggen dan u of welke andere blanke er ooit voor zou betalen. U zult uw geluk niet op kunnen. Laat hen betalen om de buurt te verzieken, als ze dat dan zo graag willen.’

    ‘Moeder, waren er ooit blanke gezinnen in onze straat?’ vraag ik twintig jaar later.

    ‘O ja, kind, die waren er. Er woonde een gezin pal naast ons, voordat de Hulls er kwamen wonen. Ze hadden twee kinderen. Van jouw leeftijd. En ze zorgden ervoor dat die zich zo min mogelijk met jullie bemoeiden.’

    Een zomerdag in 1952…

    Mevrouw Jefferson legde Denise en Margo in bed voor hun middagslaapje, en ging toen naar de eetkamer. Ze ging aan tafel zitten en schonk zichzelf koffie in. Ze was van plan te dagdromen. De jaloezieën boden een doorkijk naar de tuin. De viooltjes stonden in hun borders, de rozen tegen hun latwerk. Het was een moment van leeuwerik-in-de-lucht en slak-op-de-doorn, tot het moment dat ze de twee blanke buurkinderen het tuinhek zag openen, onze tuin 
zag binnenstappen, recht op onze vrolijk gekleurde schommels af zag lopen en hun achterwerkjes erop zag neerdalen.

    Nog een vertelling uit de crypte van een negerjeugd. Ik vraag haar hoe ze eruitzagen.

    ‘Als twee blanke kinderen. Niets bijzonders. Vaal blond haar.’

    ‘Waren het meisjes?’ (zucht) ‘Ik geloof van wel.’

    Mevrouw Jefferson zag hoe de schommels in beweging kwamen, stond toen op en trok haar schouders naar achteren. Was dit zo ongeveer wat ze dacht?

    De duizend verwondingen door blanken had ik zo goed als ik kon verdragen, maar toen ze het domein van de belediging betraden zon ik op wraak. Jij, die mijn ziel zo goed kent, hoeft er natuurlijk niet van uit te gaan dat ik dreigende woorden heb gesproken…

    Toen ze de veranda op stapte verraadde niets in haar ook maar het minste gevoel van urgentie of irritatie. ‘Meisjes,’ zei ze kalm maar duidelijk, ‘Margo en Denise slapen. Ze komen niet spelen, dus jullie kunnen beter naar huis gaan.’

    En ze gaan. Maar de volgende week keren ze terug. En de week erna. Elke keer stapt mevrouw Jefferson op de veranda en spreekt dezelfde woorden. Elke keer vertrekken ze zonder iets te zeggen. Na de derde keer komen ze niet meer terug. En binnen het jaar zijn ze voorgoed verdwenen.

    Een onrecht is niet gewraakt wanneer vergelding de wreker treft. Een onrecht is evenmin gewraakt wanneer de wreker zich niet als zodanig bekend weet te maken aan degene die haar het onrecht aandeed.

    Nu, zoveel jaar later, slaat mevrouw Jefferson haar ogen neer, dempt haar stem en eindigt haar verhaal als volgt: ‘Ik was te geïntimideerd om hun moeder erop aan te spreken.’

    Ik vind het ondraaglijk om aan haar te denken als geïntimideerd. ‘Natuurlijk was je dat,’ zeg ik snel. ‘Die politiemensen uit de buurt patrouilleerden waarschijnlijk nog steeds, alleen nu in hun vrije tijd.’

    Stilte.

    Ze zwijgt, dus ik probeer een slavernijgrapje. ‘Je moest altijd uitkijken voor de ontsnapteslavenpatrouille van Park Manor.’ Het is flauw en het produceert een plichtmatig pre-lachgeluidje. Ik moet beter mijn best doen.

    ‘Moeder, het enige wat mij dwarszit is dat die mensen verhuisd waren voordat ik mijn badmintonset kreeg. Ze zouden erin gebleven zijn.’ Ze gunt me een blik waarin ik lees dat ze mijn poging waardeert, of in elk geval mijn goede bedoeling.

    Dan staat ze op en beëindigt het gesprek, nog immer vervuld van schaamte.

    Margo Jefferson is op 4 november te gast in het 
Humanity House in Den Haag in het kader van 
het Crossing Border Festival. Aanvang 20:45 uur. 
www.crossingborder.nl

    Auteur: Margo Jefferson

    Dit is een fragment uit 
Margo Jeffersons Negroland, 
dat onlangs verscheen bij 
De Arbeiderspers 
(vertaling: Pauline Slot).

  • David Sedaris ten voeten uit

    David Sedaris ten voeten uit

    Gestolen voorwerpen, een dikke pil met dagboekaantekeningen van de Amerikaanse tragikomische schrijver David Sedaris, is net verschenen, maar voor die paar lezers die niet in hun slaapzak voor de winkel lagen, een kleine appetizer. Alles komt voorbij, drugsverslaving, idiote baantjes, zijn inmiddels bekende neurotische familieleden, hijzelf en niet te vergeten het International House of Pancakes.

    Niet lang nadat ik had besloten een boek met dagboekaantekeningen uit te brengen vond ik een biljet van 5 pond. Ik was afval aan het oprapen op een landweggetje in West Sussex toen ik het zag liggen, tussen een lege chipszak en een halfvol bierblikje met verdronken naaktslakken erin. Met de wisselkoers van dat moment was het briefje ongeveer 8,15 dollar waard, wat, zoals mijn moeder gezegd zou hebben, ‘niks was’. Een paar dagen later had ik in Londen afgesproken met mijn vriendin Pam. We hadden het over meevallertjes, en toen ik over het geld begon vroeg ze of ik het had uitgegeven.

    ‘Ja, natuurlijk,’ zei ik.

    ‘Als je in Engeland iets van waarde vindt en je houdt het, heet dat “gestolen voorwerpen”,’ vertelde ze. 
‘Je moet onderzoeken of het verloren of gestolen is, hoewel het in dit geval – 5 pond – natuurlijk geen probleem is.’

    Heb je nog een appeltje te schillen met je stiefmoeder of de bedrijfsleider van de plek waar je tot gisteren hebt gewerkt? Laten we het er alsjeblieft over hebben!

    Gestolen voorwerpen. Het leek me de perfecte titel voor dit boek. Wat onderwerpen betreft zijn alle dagboekschrijvers verschillend. Ik schreef bijvoorbeeld nooit over mijn gevoelens, deels omdat ze niet bijzonder interessant waren (zelfs voor mij niet), maar vooral omdat ze hoogstwaarschijnlijk zouden veranderen. De gevoelens van anderen daarentegen waren een ander verhaal. Heb je nog een appeltje te schillen met je stiefmoeder of de bedrijfsleider van de plek waar je tot gisteren hebt gewerkt? Laten we het er alsjeblieft over hebben!

    In elk geval leer je van een dagboek waar je interesse ligt. Misschien dat je jezelf in het begin beperkt tot onderwerpen als maatschappelijk onrecht of de onfortuinlijke mensen die vastzaten onder het puin in Turkije of Italië of ergens anders waar een zware aardbeving heeft toegeslagen. Je houdt je dagboek bij zoals je vindt dat je dat moet doen, het soort dagboek waarvan je moeder of je kamergenoot op de campus zou denken: Was ik maar zo betrokken / grootmoedig / wijs als Edward!

    Na een jaar besef je dat het tijd kost om tekeer te gaan over onrecht, tijd die je misschien beter kunt besteden aan het plaatsen van vraagtekens bij fonduen of het beschrijven van de fretten die je je niet kon permitteren. Tenzij natuurlijk maatschappelijk onrecht je ding is, en in dat geval: leef je uit. Het gaat erom dat je erachter komt wie je bent en dat je trouw bent aan die persoon. Want dat is vaak niet mogelijk. Zullen de mensen zich niet van me afkeren als ze zien hoe ik werkelijk ben? vraag je je af. Dat ik in werkelijkheid een hekel heb aan mijn eigen kind, mijn volkomen gezonde hond heb laten inslapen? Dat ik stiekem vind dat The Wire wordt overschat?*

    Het liefst noteer ik aan het eind – of sinds kort aan het begin – van de dag opmerkelijke gebeurtenissen die ik heb waargenomen (een knokpartij, een ongeluk, iemand die met een volle winkelwagen bij de snelkassa staat), flarden van gesprekken die ik heb opgevangen of verrassende dingen die mensen me hebben verteld. Dat zou een vriend kunnen zijn, maar net zo makkelijk een kapper, een onbekende in het vliegtuig of een caissière. Sommige van die verhalen bleken broodjes aap te zijn: de buurman van een familielid wiens dode kat uit de kofferbak van een auto was gestolen enzovoort. Ik hoop dat ik die eruit heb gehaald. En dan zijn er de grappen die ik door de jaren heen op feestjes en signeersessies hoorde. Ze zijn natuurlijk ooit door iemand bedacht – zoals alle moppen –, maar de bedenkers worden bij het navertellen zelden genoemd.

    schermafbeelding 2017 06 29 om 9 35 37 am

    Iets anders wat me opviel bij het doorlopen van veertig jaar dagboeken is dat veel data niet kloppen. Zo waren er bijvoorbeeld drie 1 oktobers 1982. Hoogstwaarschijnlijk doordat ik niet wist welke dag het was. Als je geen baan hebt, heeft tijd de neiging aan elkaar te smelten. In dat prelaptoptijdperk moest je een krant of een kalender raadplegen om te weten 
of het woensdag de achtste of woensdag de negende was. Daarvoor moest je opstaan, dus meestal bleef ik waar ik was en deed een gok. Vaak gokte ik zelfs de maand verkeerd.

    Het kan lijken alsof mijn dagelijkse dagboekaantekeningen uit niet meer dan zeven regels bestaan, maar in feite besteed ik mateloos veel tijd aan het schrijven over mijn dag – doorgaans ongeveer drie kwartier. Als er niets bijzonders is gebeurd schrijf ik wat over een krantenartikel of iets wat ik op de radio heb gehoord. Ik ben niet zo dol op schrijven over het weer, maar ben er niet principieel op tegen. Dus als het leven werkelijk saai wordt, kijk ik gewoon uit het raam en beschrijf ik de kleur van de lucht. Heel vaak leidt dat tot iets anders: een vogel die gemeen doet tegen een andere vogel of het lawaai dat een vliegtuig maakt.

    Vanaf ongeveer 1979 ben ik mijn aantekeningen gaan nummeren.

    Die gewoonte heb ik tot nu toe gehandhaafd.

    28 december 2016
    Een. Het is pas december en nu al…
    Twee. Pa belde me op mijn verjaardag. ‘Ik probeer me een voorstelling te maken van waar je woont,’ zei hij. ‘Zijn er veel hoogspanningskabels?’
    Drie. Hugh stormde gisteren de keuken uit en liet mij, Candy en Amy achter, en ook Ingrid, die net een verhaal over haar moeder aan het vertellen was.
    Vier. Ik liep Michael tegen het lijf in de Waitrose… Vijf. Carrie Fisher is gisteren overleden…
    Zes. Hugh kwam het net vertellen…

    Zo deden holbewoners het voor de uitvinding van 
§de alinea, en ik weet niet waarom ik niet gewoon inspring of twee keer op de spatiebalk druk. Een andere ouderwetse gewoonte die ik in stand houd is dat ik altijd als ik de deur uit ga een notitieboekje bij me draag, een kleintje, in de borstzak van mijn overhemd. Daarin schrijf ik allerlei opvallende dingetjes op, niet heel gedetailleerd, maar gewoon even snel. Dan zoek ik de volgende ochtend in mijn aantekeningen naar het meest betekenisvolle moment van de vorige dag, waar ik me echt bij aanwezig voelde. Dat kon zijn dat ik een oude vriend had gezien, maar net zo goed dat ik naar een onbekende had zitten kijken die met gesloten ogen een boterham at. (Dat is onlangs gebeurd, fascinerend.) Zo nu en dan maak ik een aantekening die misschien iemand amuseert of verheldering brengt, maar dat zijn de stukjes die ik terzijde leg. Ik dacht dat ze uiteindelijk wel in een boek met dagboekaantekeningen terecht zouden komen, maar toen de uitdraai meer dan twintig centimeter dik werd besloot ik dat het misschien zinniger zou zijn om er twee delen van te maken – waarvan deel twee dan de jaren 2003-2017 zou beslaan. Voor de goede orde zeg ik erbij dat dit míjn bewerking is. Van de grofweg acht miljoen woorden die ik sinds 5 september 1977 handmatig of op de typemachine in mijn dagboek heb geschreven, heb ik maar een klein deel gebruikt. In een totaal ander boek met hetzelfde bronmateriaal zou ik ook kunnen overkomen als slecht, zelfzuchtig, genereus of zelfs, als ik zo vrij mag zijn, gevoelig. Op een willekeurige dag ben ik dat allemaal en ook nog stom, opgewekt, misantropisch, wreed, bekrompen, open, kleinzielig – er komt geen eind aan.

    schermafbeelding 2017 06 29 om 9 39 36 am

    Een andere bewerking, ongetwijfeld een nauwkeurigere, zou hebben betekend dat ik mijn dagboek aan iemand had moeten overdragen, maar dat is iets wat ik me niet kan voorstellen, tenzij die ander een journalist is misschien. (Ze komen nooit verder dan bladzijde 3, wat ze dan ‘de helft’ noemen: ‘Ik had het graag uitgelezen voor ons interview, maar ik ben pas op de helft!’)

    Dat gezegd hebbende verwacht ik niet dat iemand dit van begin tot eind zal lezen. Het zal meer iets zijn waar je zo af en toe induikt, zoals in iemands jaarboek of een moppenverzameling.

    Het was niet gemakkelijk om het dagboek te herlezen dat inmiddels 156 delen omvatte. Ik heb het opgedeeld – een maand of twee per dag –, maar na over mezelf te hebben gelezen moest ik de rest van de dag ook nog mezelf zíjn. Ik weet niet of iets me ooit zo heeft uitgeput. Hugh hoorde me in de aangrenzende kamer dingen roepen als: ‘Kun je alsjeblieft je bék houden!’ of ‘Wie kan die pochet wat verdommen!’

    ‘Tegen wie heb je het?’ vroeg hij dan. ‘Tegen mezelf 
in 2001,’ antwoordde ik dan.

    Toen zag ik al wat licht aan het eind van de tunnel. De eerste jaren, 1977 tot 1983, waren het deprimerendst. Ik schreef alles toen nog met de hand. 
Paginalange piepklein geschreven aantekeningen, aangedreven door amfetamine – ondoordringbare muren van woorden die stuk voor stuk totale bullshit waren. Uit die tijd heb ik maar heel weinig in dit boek opgenomen. Het is net alsof je een gek hoort praten. Meer dan een indruk heb je eigenlijk niet nodig.

    Vliegen vangen

    Het dagboek klaarde wat op toen ik naar Chicago verhuisde, deels omdat ik vanaf dat moment in een grote stad woonde, maar vooral omdat ik een veel beter gevoel over mezelf had. Ik had eindelijk gedaan waar ik het al jaren over had: weggaan uit de stad waarin ik was opgegroeid. Ik was weer gaan studeren en was zelfs afgestudeerd. Een nog belangrijkere reden om me goed te voelen: in het najaar van 1990 was ik naar New York verhuisd. Indertijd schreef ik alleen maar ’s nachts, dronken of op weg dat te worden. Je zou verwachten dat ik het ten minste in mijn privédagboek over mijn drankgebruik zou hebben gehad, maar dat komt nauwelijks ter sprake. Als ik het woord ‘alcoholist’ zou hebben getypt, zou het werkelijkheid zijn geworden, dus de reprimandes van Hugh en behulpzame mensen in mijn familie heb ik nooit op papier gezet.

    Op een vergelijkbare manier heeft het in de jaren zeventig een tijdje geduurd voordat ik het woord ‘gay’ kon opschrijven. ‘Alsjeblieft zeg,’ zei ik op mijn twintigste hardop tegen mezelf toen ik mijn allereerste dagboeken las. ‘Wie wil je nou voor de gek houden?’

    Dit project heeft alle fasen zichtbaar gemaakt waar ik al die jaren doorheen ben gegaan, met alle intensiteit van dien. En al die inkt die ik heb verspild met schrijven over het zoeken naar het juiste telefoonnummer van iemand die me duidelijk – en met reden – een verkeerd nummer had gegeven, over afvallen, over mijn huiswerk voor Frans. Verderop stortte ik me op het vangen van vliegen, die ik aan spinnen voerde, waardoor ik me afvraag: wat krijgen we nog meer? Naar mijn verleden te oordelen kan het van alles zijn: haar verzamelen, knaagdieren kruisen in mijn kelder – wie weet.

    Het viel me tijdens het herlezen van mijn dagboeken ook op hoeveel mensen ik in 1980 kende met wie ik nog steeds bevriend ben. Het is moeilijk te voorspellen welke vriendschappen blijvend zijn en welke zullen vervagen. Als ik verhuisde, raakte ik vaak de helft van mijn contacten kwijt, mensen van wie ik dacht dat ze altijd bij me zouden blijven. Dat kwam niet eens doordat we elk een andere richting insloegen. Het was eerder dat ze geen zin hadden om een postzegel op een brief te plakken. Of ik. Nu we e-mail hebben, is het natuurlijk een stuk makkelijker.

    Maar dat is het probleem met een dagboek. Om je leven te kunnen vastleggen, zul je het toch moeten leven

    Het was interessant om in oude dagboekaantekeningen te stuiten op mensen die later heel belangrijk bleken te zijn, die zomaar ten tonele verschenen en mijn hele leven een andere richting gaven: Hugh, Jim McManus, Meryl Vladimer, Geoff Kloske, Ira Glass, Andy Ward. Ik zou hebben verwacht dat die eerste ontmoetingen gedenkwaardig zouden zijn geweest, dat ik mijn redding zou hebben herkend als die zich aandiende – ‘Ben je daar eindelijk!’ –, maar in de meeste gevallen waren het mensen die ik gewoon een hand had gegeven en van wie ik later achter mijn bureau dacht: Hoe héétte die ook alweer? Met Hugh was het anders. Die eerste ontmoeting herinnerde ik me wel. Wat de anderen betreft is het eigenlijk wel bemoedigend. Je weet nooit wie je een hand geeft.

    En dan waren er degenen die dood waren: mijn moeder, mijn zus Tiffany, Don Congdon, de geweldige David Rakoff. Ik heb de aantekeningen die over hen gingen opnieuw gelezen en mezelf vervloekt dat ik niet meer heb opgeschreven. Waarom heb ik niet alles wat ze zeiden volledig uitgeschreven? En zou ik niet de handjes moeten laten wapperen zodat ik later, als vrienden of familieleden overlijden, iets groters, iets troostrijkers heb om aan terug te denken? Maar dat is het probleem met een dagboek. Om je leven te kunnen vastleggen, zul je het toch moeten leven. Niet achter je bureau, maar ook verder. In de wereld waar het zo mooi en complex en pijnlijk is dat je er soms gewoon over móét schrijven.

    * Ik vind niet dat The Wire wordt overschat.

    Auteur: David Sedaris
    Vertalers: Theo Schoemaker, Monique ter Berg, Lydia Meeder, Annette van der Heijden, Bart Graavendaal, Gerda Baardman

    Openingsbeeld: David Sedaris in 1999. – © Hollandse Hoogte / Sueddeutsche Zeitung Photo

    schermafbeelding 2017 06 29 om 9 47 46 am

    Gestolen voorwerpen is verschenen bij Lebowski Publishers. Maandag 25 september treedt Sedaris op in Carré. Hij vertelt over zijn nieuwe boek en leest voor uit eigen werk. Aanvang 20:00 uur.