Tag: bomen

  • Bomen die via een netwerk met elkaar verbonden zijn; bestaat er zoiets als het ‘wood-wide web’?

    Bomen die via een netwerk met elkaar verbonden zijn; bestaat er zoiets als het ‘wood-wide web’?

    De afgelopen tien jaar heeft het idee dat bomen onderling communiceren en voor elkaar zorgen sterk aan populariteit gewonnen. Maar is het waar? Of wíllen we alleen maar dat bomen iets menselijks hebben?

    Er zijn veel mensen op deze wereld. Dat het ervan wemelt klinkt wat onaardig, maar is misschien wel passend als je bedenkt dat de wereldbevolking in drie eeuwen tijd is gegroeid van achthonderd miljoen naar acht miljard. Acht miljard energieverslindende individuen, die apps downloaden, zich in bussen wringen en hun plastic afval in vuilnisbakken proppen – een verbijsterende en soms misselijkmakende gedachte.

    Toch zijn mensen niet de voornaamste bewoners van de aarde. Dat zijn bomen. Er zijn er ruim drie biljoen van, vierhonderd keer zoveel als mensen. Hun gezamenlijke biomassa overtreft die van de mensheid duizenden malen. Niettemin wordt deze talrijkste levensvorm op aarde dikwijls over het hoofd gezien. Toon iemand een foto van een bos met een ree die bevallig achter een esdoorn vandaan piept en vraag wat diegene ziet. Tien tegen één dat het verheugde antwoord  ‘een ree’  luidt, alsof de groene materie die het grootste deel van het beeld inneemt niet meer dan landschappelijk vulsel is. 

    Toegegeven, bomen zijn bepaald geen aandachtstrekkers. Dat was althans tot voor kort het geval. De verrassende bestseller van de Duitse boswachter Peter Wohlleben, Het verborgen leven van bomen, heeft een nieuw bomendiscours op gang gebracht, waarin ze niet langer als inerte objecten worden opgevoerd, maar als intelligente subjecten. Bomen hebben gedachten en verlangens, schrijft Wohlleben, en ze communiceren via schimmels die hun wortels met elkaar verbinden ‘als glasvezelkabels’. 

    Diezelfde gedachte is terug te vinden in Tot in de hemel, de gevierde roman van Richard Powers uit 2018, waarin een boswetenschapper haar vakgebied op zijn kop zet door aan te tonen dat schimmels ‘bomen verbinden tot gigantische, slimme gemeenschappen’.

    Het hoofdpersonage in het boek van Powers is gebaseerd op Suzanne Simard, een jonge Canadese bosecoloog. Samen met vijf vakgenoten publiceerde zij in 1997 een onderzoek in het tijdschrift Nature dat beschrijft hoe bomen voedingsstoffen uitwisselen, klaarblijkelijk met behulp van schimmels. Bomen geven niet alleen suikers aan elkaar door, betoogde Simard, ze kunnen ook noodsignalen uitzenden en voedingsstoffen sturen naar buren in nood. 

    ‘We staan aan de vooravond van een nieuwe kijk op het plantenleven’

    Het idee dat bomen intelligent zijn en samenwerken is allang niet meer uitsluitend een onderwerp van wetenschappelijke discussie. Het wordt ook besproken aan de borreltafel (‘Ik las laatst…’) en te berde gebracht in kinderboeken. En er is meer op komst. ‘We staan aan de vooravond van een nieuwe kijk op het plantenleven,’ schrijft journalist Zoë Schlanger. In haar boeiende nieuwe boek, The Light Eaters [vanaf juni in Nederlandse vertaling te koop als Lichteters], portretteert ze onderzoekers die de waarneming en het gedrag van planten bestuderen en hun onderzoeksobjecten als wezens met een bewustzijn zijn gaan beschouwen. Indachtig aanhangers van kunstmatige intelligentie die stellen dat neurale netwerken ook zonder echte neuronen opvallend hersenachtige functies kunnen vervullen, opperen sommige plantkundigen de mogelijkheid van plantaardige intelligentie.

    Tegenwoordig schijnen we ineens allerlei verschillende bewustzijnsvormen te erkennen. Je kunt het zien als een manier om iets goed te maken: nadat we bomen eeuwenlang gewoon als hout hebben behandeld, krijgen we nu de kans ze als soortgenoten te omarmen.

    GettyImages 594044251
    Ficus macrophylla in Moreton Bay op het eiland Norfolk. – © Getty Images

    Voordat we onszelf allemaal liefdevol om een ruwe boombast wikkelen, is het misschien goed om even pas op de plaats te maken. Terwijl onderzoekers vaak tientallen jaren in anonimiteit moeten zwoegen voordat hun ideeën aandacht krijgen, wint het idee dat planten intelligent zouden zijn ineens razendsnel aan populariteit. Niet zozeer wetenschappelijke toetsing als wel publieke belangstelling is de drijvende kracht achter deze ontwikkeling. De vraag dringt zich op waarom we er zo op gebrand zijn om menselijke eigenschappen aan de bomenwereld toe te schrijven.

    Symbiotische relatie

    Op het eerste gezicht zou de betekenis van Simards onderzoek je wellicht ontgaan. Botanici weten al een tijd dat schimmels (‘mycorrhiza’), een symbiotische relatie met bomen vormen, waarbij ze water en voedingsstoffen ruilen voor fotosynthetische suikers. Simard en haar co-auteurs hebben laten zien dat de suikers niet alleen hun weg vinden naar de schimmels, maar ook naar andere bomen in het bos, kennelijk via die schimmels. Het tijdschrift Nature maakte er het omslagverhaal van, liet een voorwoord schrijven door een vooraanstaand botanicus en voegde er een ijzersterke woordspeling aan toe: dit was het wood-wide web.

    De metafoor was niet van Simard, maar ze sloeg er wel meteen op aan. Het bos, zo schreef ze, is ‘zoals het internet’: een systeem van ‘centra en satellieten, waarbij de oude bomen de grootste communicatieknooppunten zijn en de kleinere de wat minder drukke knooppunten, en waarin berichten over en weer gaan via schimmelverbindingen’.  Bomen zijn geen concurrenten die strijden om voedingsstoffen, maar – in Simards woorden – ‘supersamenwerkers’.

    Simards vakgenoten voelden aanvankelijk niet zo veel voor haar concept van het harmonieuze bos. Haar onderzoeksbudget, vertelde ze, kwam na publicatie op de tocht te staan en haar bevindingen waren een mikpunt van spot. ‘Geen enkel ander dier sluit de gelederen zo snel als Homo sapiens,’ schreef Powers in zijn fictieve verslag van deze verwikkelingen. Volgens Simard lag het probleem niet zozeer bij de gehele menselijke soort, als wel bij het mannelijke deel ervan. 

    Vrouwen verleenden daarentegen de broodnodige steun. Simard roemt vooral de mycorrhiza-expert Melanie Jones, die in Simards promotiecommissie zat en co-auteur was van het Nature-artikel, en diverse vrouwen die haar bijstonden in haar onderzoek. Een andere metafoor drong zich aldus aan Simard op. Hoewel de coniferen die ze bestudeerde zowel mannelijke als vrouwelijke organen hadden, kwam de manier waarop volwassen bomen zaailingen via schimmelnetwerken hielpen haar voor als ‘moederschap’. De ‘energiestromen van de moederbomen’ waren in haar verbeelding ‘net zo krachtig als het getij van de oceaan, zo sterk als zonnestralen, zo onbedwingbaar als de wind in de bergen, zo onstuitbaar als een moeder die haar kind beschermt’.

    Het idee van moederbomen die via een netwerk met elkaar verbonden waren, bleek inderdaad onstuitbaar. En dat idee werd nog populairder in 2016. Dat was het moment waarop Simard haar veel bekeken Ted Talk hield, How Trees Talk to Each Other (bijna acht miljoen keer bekeken), en samen met Wohlleben haar opwachting maakte in de documentaire Intelligent Trees. Van Wohllebens boek zijn meer dan drie miljoen exemplaren verkocht. Powers’ roman Tot in de hemel, met zijn Simard-achtige personage, won de Pulitzerprijs voor fictie in 2019. Dit jaar noemde Time Magazine Simard een van de honderd invloedrijkste mensen ter wereld. De productiebedrijven van Amy Adams en Jake Gyllenhaal hebben de filmrechten op Simards Op zoek naar de moederboom gekocht. Het is de bedoeling dat Adams Simard gaat spelen.

    Mager bewijs

    Het komt zelden voor dat academische ideeën het Amy Adams-stadium bereiken zonder wetenschappelijk controverse te wekken. Sinds 2023 zijn er drie artikelen verschenen in wetenschappelijke tijdschriften, met in totaal 45 auteurs, waarin wordt betoogd dat het bewijs voor het wood-wide web behoorlijk mager is. Er bestaan tal van bezwaren tegen de theorie. Veel onderzoeken naar de overdracht van voedingsstoffen tussen bomen, hebben  slechts minuscule hoeveelheden van die pendelende suikers gevonden – ‘statistisch significant’ maar niet noodzakelijkerwijs ‘biologisch significant’, zegt een groep auteurs – en de meesten sluiten de mogelijkheid niet uit dat de voedingsstoffen via de lucht of de bodem in plaats van via schimmels hun weg hebben afgelegd.

    De meeste onderzoeken hebben geen bewijs gevonden dat zaailingen in schimmelnetwerken het beter doen als ze dicht bij oudere bomen staan (ze doen het dan vaak juist slechter). Opvallend aan de recente kritiek op het werk van Simard is dat die voor een deel afkomstig is van haar voormalige collega’s en bewonderaars. De eerste kritische beoordeling van het bewijsmateriaal kwam van drie wetenschappers – Justine Karst, Melanie Jones en Jason Hoeksema – die alle drie met Simard artikelen hebben geschreven. De hoofdauteur, Karst, schreef hoe het onderzoek van Simard haar inspireerde om mycorrhiza-ecoloog te worden. De tweede, Melanie Jones, wordt in Simards memoires voorgesteld als een heldin die Simard steunde toen weinig anderen dat deden. Jones was co-auteur van het ‘world-wide web’-artikel uit 1997, hoewel ze er niet langer volledig achter staat.

    Simard, die nog bezig is met een uitgebreid antwoord op de kritiek, beschouwt dit alles als geharrewar dat maar afleidt van de dringende taak om de bossen te beschermen. Ze omschrijft de aandacht die de kritiek van Karst, Jones en Hoeksema krijgt als ‘een onrecht voor de hele wereld’. Dat kan zo zijn, maar het is buitengewoon moeilijk om, na de recente beoordelingen van het bewijsmateriaal te hebben gelezen, geen vertrouwen te verliezen in het wood-wide web als vaststaand wetenschappelijk feit.

    ‘Waarom willen we zo graag dat dit waar is?’ vraagt Karst zich af. Misschien heeft de nieuwsstroom over de opwarming van de aarde en de daarmee gepaard gaande catastrofes – bosbranden, orkanen – de behoefte van lezers aangewakkerd om troost te zoeken in rustgevender milieuverhalen. Of misschien willen we, door recente wreedheden op het wereldtoneel, graag geloven dat wezens in de natuur zorgzaam en goedaardig zijn. 

    Meestal is er een directe relatie tussen populaire opvattingen over de natuur en de politiek

    Literatuurwetenschapper Rob Nixon beschouwt het wood-wide web als een economische parabel. Meestal, zo merkt hij op, is er een directe relatie tussen populaire opvattingen over de natuur en de politiek. Het ‘wood-wide web’-verhaal overstijgt volgens Nixon de wetenschap. Het hele concept voelt voor velen gewoon goed aan. Het geeft ons de bomen die in deze tijd passen: antikapitalistisch, feministisch en ontzettend online. 

    Het verborgen leven van bomen, zo heet het boek van Peter Wohlleben. Niet te verwarren met The Secret Life of Trees van Colin Tudge [in het Nederlands ook verschenen als Het verborgen leven van bomen], waarin het mycorrhiza-verhaal andermaal wordt verteld. Dergelijke titels lijken zeer sterk op de titel van het beruchtste plantkundeboek ooit geschreven: Het verborgen leven van de plant, een bestseller uit 1973 van Peter Tompkins en Christopher Bird. Planten zenden, net als dieren, elektrische pulsen door hun lichaam. Tompkins en Bird geloofden dat zulke pulsen de gedachten van planten aan het licht konden brengen.

    ANP 466061210
    Bosecoloog Suzanne Simard ontdekte hoe bomen voedingsstoffen uitwisselen. – © ANP

    Er volgde een reeks wilde experimenten, typerend voor die leuke, dwaze jaren zeventig met hun vrije pseudowetenschap. Het boek markeerde het begin van een opmerkelijk tijdperk waarin mensen tegen hun kamerplanten praatten en klassieke muziek voor ze speelden. Ondertussen bleef Het verborgen leven van de plant decennialang zwaar boven de plantkunde hangen als waarschuwing voor speculatieve excessen. Want serieus onderzoek naar wat planten eventueel ervaren en hoe ze reageren werd erdoor belemmerd. ‘De dubbele poortwachters van wetenschapsfinanciering en wetenschappelijke toetsing – altijd al conservatieve instellingen – hielden de toegang [voor dergelijk onderzoek] gesloten,’ schrijft Zoë Schlanger.

    Dat was jammer, vindt Schlanger, want planten zijn echt tot opmerkelijke dingen in staat. Naast het ‘wood-wide web’-idee is er een golf van nieuwe publicaties over planten verschenen, waaronder De stem van de plant van Monica Gagliano (voorwoord door Suzanne Simard), Planta Sapiens van Paco Calvo en Natalie Lawrence, What a Plant Knows van Daniel Chamovitz en Plantenrevolutie van Stefano Mancuso, die allemaal het buitengewone gedrag van planten beschrijven.

    Volgens Schlanger lopen plantenwetenschappers tegenwoordig op eieren. Ze willen ruchtbaarheid geven aan hun bevindingen, maar zijn begrijpelijkerwijs bang om te overdrijven. Voor velen is het geen probleem om het bij planten over ‘waarneming’ te hebben, maar ‘gedrag’ is twijfelachtig, ‘intelligentie’ verraderlijk en ‘bewustzijn’ drie bruggen te ver. De antropoloog Natasha Myers ontwaart een ‘weifelen tussen betovering en ontgoocheling’ bij botanici. Onder elkaar spreken ze geanimeerd over de verlangens van planten, maar wanneer ze tot publicatie overgaan ‘mijden ze alle verwijzingen naar planten als actoren’.

    En toch bewegen ze. De meeste planten doen dit langzaam en op de verwachte manier – bladeren die naar het licht reiken, wortels naar vocht – maar sommige, zoals klimplanten, met onverwachte behendigheid. Het meest intrigerende onderzoek betreft warkruid, dat niet in staat is tot fotosynthese en dus snel andere planten moet vinden om op te parasiteren. Onderzoekers hebben ontdekt dat ze eigenschappen van potentiële gastheren – soort,afstand, gezondheid zelfs – kunnen detecteren voordat ze contact maken. Ze kunnen chemische sporen in de lucht oppikken en ze groeien zelfs meer in de richting van LED-lampen als die zijn gerangschikt in de vorm van geschikte gastheren, wat erop kan duiden dat het lichtgevoelige vermogen van warkruid een rudimentaire vorm van zicht is.

    Plantaardig gevoelsleven

    Met timelapsevideo’s kunnen we zien hoe klimplanten waarnemen en reageren. Het gedrag van de meeste andere planten is onzichtbaar. Met uitzondering van klimplanten zijn planten beroerde atleten. Het zijn daarentegen wel begaafde scheikundigen, die complexe verbindingen afgeven om hun buren te verleiden, af te weren of te vergiftigen. Vooral bomen blinken hierin uit.

    Interessant is dat bomen zichzelf kunnen ruiken, of in ieder geval hun eigen chemische verbindingen in de lucht weten te detecteren. Een blad dat wordt gegeten kan gassen uitstoten die andere takken – en nabijgelegen bomen – ertoe aanzetten hun eigen bladeren bij wijze van afweer te vullen met gifstoffen. We weten dat acacia’s suikers en eiwitten afscheiden om mieren als voetsoldaten te ronselen in de strijd tegen klimplanten en rupsen. 

    Zij die geloven in een plantaardig gevoelsleven hebben een lievelingsplant, de Boquila trifoliolata, een klimplant die groeit in Chileense en Argentijnse regenwouden. In 2013 ontdekte de ecoloog Ernesto Gianoli dat de Boquila andere plantensoorten overtuigend kon imiteren. Hij verbergt zich voor zijn belagers, zoals slakken en kevers, door de vorm, grootte en kleur van zijn bladeren af te stemmen op die van zijn buren. Gianoli merkt op dat hij planten kan nabootsen die geen deel hebben uitgemaakt van zijn evolutionaire geschiedenis, wat zou kunnen betekenen dat hij op een of andere manier hun vormen in realtime waarneemt.

    Voor stoutmoediger botanici zijn dergelijke bevindingen genoeg reden om de oude vraag of planten kunnen denken nieuw leven in te blazen. Planten hebben geen hersenen – wat altijd is gezien als voorwaarde voor intelligentie – maar dat geldt ook voor computers. Nu chatbots laten zien wat er met neurale netwerken kan worden bereikt, is het misschien tijd om ook planten anders te benaderen.

    De ethische implicaties zijn verstrekkend. Zelfs veganisten raken in de war als ze de morele status van planten serieus in overweging moeten nemen. ‘Als planten ook gevoel hebben, wat valt er dan nog te eten?’ vraagt filosoof Philip Goff zich af. Toch is het argument voor plantenbewustzijn eenvoudig en nadrukkelijk: kijk maar eens wat ze allemaal kunnen.

    Bewustzijn

    Er is echter een tegenargument: de wervelkolom van de rat. Scheid die van zijn hersenen (sta even stil bij de keten van keuzes die je tot deze daad hebben gebracht), en je ontdekt dat die wervelkolom op eigen houtje nog allerlei zaken prima kan regelen. Hij kan de poten intrekken bij elektrische schokken. Hij kan, nog opmerkelijker, leren om op schokken te anticiperen en de poten zo te richten dat ze de schokken vermijden. Hij is in staat tot geavanceerdere vormen van leren dan welke plant ook. Maar heeft de wervelkolom van een rat een bewustzijn?

    Bewustzijn is frustrerend moeilijk te definiëren. Misschien zit het in veel dingen, zelfs in delen van dingen. Of misschien kunnen evolutionaire krachten verfijnd gedrag programmeren – flexibel en gevoelig voor signalen uit de omgeving – maar zonder dat de speciale vonk die intelligent leven heet, eraan te pas komt. Redelijke, goed geïnformeerde mensen zijn het oneens over waar ze de grens moeten trekken, van panpsychisten die atomen als bewust beschouwen (in beperkte mate) tot de conservatieven die vraagtekens zetten bij het bewustzijn van chimpansees.

    Het enige wezen over wiens bewustzijn we het eens zijn, is de mens. Daarnaast beoordelen we kandidaten op basis van de vraag of ze subjectieve ervaringen lijken te hebben, zoals wij. Met andere woorden: de vraag is fundamenteel narcistisch. We meten de waarde van iets af naar de mate waarin het ons aan onszelf herinnert. Dit is het impliciete uitgangspunt van veel planten- en bomenboeken, met hun optocht van moederbomen, socialistische schimmels en uitgekookte klimplanten die sterke staaltjes uithalen om menselijke goedkeuring te oogsten. Is dit de beste manier om over de natuur na te denken? Zoals Justine Karst tegen mij zei: ‘Kunnen we dan geen gevoelens van liefde en zorg koesteren voor dingen die niet op ons lijken?’   

    De hoogste is hoger dan 115 meter: de lengte van een groot voetbalveld, maar dan recht omhoog

    Bomen zijn uiteindelijk niet zoals wij. Eén aspect van hun vreemdheid is hun grootte. Als jonge boompjes passen ze bij onze lengte en vallen ze binnen ons blikveld, maar ze blijven groeien, sommige hoger dan mensen goed  kunnen bevatten. De ecoloog Meg Lowman beschrijft de boomtoppen als een nog onontgonnen ‘achtste continent’. Beschermd in het bladerdak van de allerhoogste bomen, de sequoia’s van Noord-Californië, tiert een heel eigen leefmilieu, bestaande uit grassen, varens, waterdiertjes en zelfs andere bomen, die zonder de aarde ooit te raken de hemelwereld van de sequoia’s bewonen.

    De Californische sequoia’s zijn de hoogste levensvormen ter wereld. De hoogste is hoger dan 115 meter: de lengte van een groot voetbalveld, maar dan recht omhoog. Ze zijn ‘zo groot dat je er stil van wordt’, schrijft Anne Lamott. De in Madrid geboren filosoof George Santayana maakte in 1911 kennis met deze sequoia’s. Hij vond Noord-Californië ‘intellectueel leger dan de Sahara’, maar was onder de indruk van het ‘maagdelijke en wonderbaarlijke’ landschap. Hij ervoer de plek als een gesel voor de Europese filosofie, had het over ‘de ijdelheid en oppervlakkigheid van alle logica, de nodeloosheid  van argumentatie’. In zo’n omgeving, zo bedacht hij, heb je niet langer het gevoel dat je de natuur kunt beheersen: ‘Het is passender jezelf als een uitloper van haar leven te zien; één dappere kleine kracht onder haar immense krachten.’

    GettyImages 1500917734 1
    Baobabs (Adansonia gregorii) in Morondava, Madagascar. – © Getty Images

    Bomen bereiken een schaal die het menselijke ver te boven gaat, niet alleen in meters, maar ook in jaren. Het zijn de enige ons bekende organismen die de mens ver overleven. Meestal gaan wij tientallen jaren mee; bomen kunnen millennia meegaan. Dergelijke bomen zijn niet tijdloos maar tijdvol (‘timeful’), schrijft de historicus Jared Farmer in zijn indringende boek Elderflora: A Modern History of Ancient Trees. Ze voegen ‘chronodiversiteit’ toe aan een biologische wereld die normaal gesproken wordt gemeten in dagen, jaren, decennia.

    Oude bomen brengen, net als wortels die door het trottoir steken, ons tijdsbesef uit balans. Groot-Brittannië kent taxusbomen die stammen uit de oudheid. De oudst bekende boom ter wereld, een Pinus longaeva in Californië, is ongeveer vijfduizend jaar oud, wat betekent dat hij een jong boompje was in de bronstijd. Er is een boom in Chili die mogelijk ouder is. En sommige bomen kunnen fysiek verbonden, genetisch identieke kopieën van zichzelf creëren; deze kloonbare bomen ‘leven’ nog langer, in de zin dat ze als replica voortbestaan. Milieuzorg, meent Farmer, vereist dat je leert ‘denken in de volheid van de boomtijd’.

    De boomtijd lijkt echter op te raken. In 2005 startten wetenschappers een onderzoek naar de grootste Afrikaanse baobabs: enorm dikke bomen die niet slechts één stam hebben, zoals de meeste bomen, maar meerdere, met elkaar vergroeide stammen. De bekendste, Chapman’s Baobab in Botswana, heeft zes stammen, in leeftijd variërend van ongeveer 500 tot 1400 jaar. Of beter gezegd, hij hád zes stammen. Op 7 januari 2016 viel het geheel om. Twee jaar later maakten de onderzoekers bekend dat negen van de dertien oudste baobabs, of in ieder geval hun grootste of oudste stammen, inmiddels waren ingestort. 

    Klimaat

    Andere bomen met een lange levensduur – de ceders van Libanon, de Californische sequoia’s – gaan ook verloren. De vermoedelijke boosdoener ligt voor de hand: klimaatverandering. Bomen die zijn uitgerust om op een bepaalde plek te overleven, doen het slecht als de eigenschappen van die plek, zoals temperatuur, watervoorziening en lengte van seizoenen, drastisch veranderen. Na verloop van tijd kunnen boomsoorten zich aanpassen of nieuwe habitats vinden. Het probleem is alleen dat de evolutie en migratie van bomen pijnlijk langzaam gaan, en de opwarming van de aarde pijnlijk snel.

    Een boom, zo schrijft Farmer, is ‘in de verste verte niet-menselijk’, en dat geldt vooral voor grote, oude bomen. Als bomen conceptuele waarde hebben, is dat niet omdat hun gelijkenis met de mens onze sympathie wekt, maar omdat de manier waarop ze van ons verschillen ons blikveld verruimt. Zij zijn de zichtbaarste markeringen op het evolutionaire pad dat we niet zijn ingeslagen. Bomen staan voor alle fotosynthetiserende, koolstofdioxide-ademende, zich niet voortbewegende soorten waarmee wij onze wereld delen, maar die een fundamenteel andere manier van leven hebben.

    Bomenbeschouwingen moeten bovenal een oefening in nederigheid zijn. De bergen en bossen, zo zei Santayana tegen zijn gehoor in Californië, stellen je in staat ‘jezelf eenvoudig, nederig te nemen zoals je bent, en de wilde, onverschillige, niet-oordelende oneindigheid van de natuur te eren’. Misschien kan de aanwezigheid van wezens die ouder, groter en talrijker zijn dan wij – of ze nu wel of niet op internetgebruikers of onze moeders lijken – ons eraan herinneren dat wij niet alles zijn wat er is, en dat er meer is dan wij. ‘ En laat de bomen bomen zijn. 

  • Onderschat nooit de intelligentie van bomen

    Onderschat nooit de intelligentie van bomen

    Bomen kunnen met elkaar communiceren, dragen zorg voor hun nageslacht en raken gestrest. Wortelnetwerken functioneren net als zenuwstelsels. Nautilus in gesprek met wetenschapper Suzanne Simard.

    Keuze uit ons archief

    We zijn gewend bomen wijsheid en zelfs persoonlijkheid toe te kennen, en toch is het begrip boomintelligentie, in de westerse wereld althans, nieuw. Evenals boomemoties, en boomstress. Als bomen intelligente wezens met gevoel blijken te zijn – zoals de wetenschap aantoont –, gaan we ze dan ook beter beschermen?

    Dit artikel verscheen eerder op 9 januari 2020 in nummer 172 van 360 Magazine

    Kijk naar een bos: je ziet natuurlijk de stammen en het bladerdek. Steken er een paar wortels kunstig boven de grond en de gevallen bladeren uit, dan zie je die ook, maar je staat nauwelijks stil bij de ondergrondse voedingsbodem die zich misschien wel even dik en ver uitstrekt als de takken boven je hoofd. Fungi worden al helemaal niet opgemerkt, op her en der wat paddenstoelen na; die worden afzonderlijk waargenomen, in plaats van als de uitbottende toppen van een onmetelijk ondergronds raamwerk dat is vervlochten met die wortels. De wereld onder de grond is even rijk als die erboven.

    De afgelopen twee decennia heeft Suzanne Simard, hoogleraar aan de faculteit Bosbeheer van de Universiteit van British Columbia, die veronachtzaamde onderwereld bestudeerd. Ze is gespecialiseerd in mycorrhiza’s, de symbiotische verbindingen tussen fungi en wortels die planten helpen voedingsstoffen uit de bodem te absorberen. Na baanbrekende experimenten waaruit bleek hoe koolstof heen en weer stroomt tussen papierberk en douglasspar, ontdekte Simard dat mycorrhiza’s bomen niet alleen met de aarde verbinden, maar ook met elkaar.

    Vervolgens toonde Simard aan hoe door mycorrhiza’s verbonden bomen netwerken vormen, met individuen die ze moederbomen noemt in het centrum van gemeenschappen die ook weer met elkaar verbonden zijn en voedingsstoffen en water uitwisselen via een letterlijk pulserend netwerk dat niet alleen bomen omvat maar al het leven in het bos. Deze ontdekkingen hadden ingrijpende gevolgen voor ons begrip van de ecologie van het bos, maar dat was nog maar het begin.

    Planten worden niet geacht slim te zijn, althans niet volgens het traditionele westerse denken

    Het zijn niet alleen maar voedingsstromen die Simard beschrijft. Het is een vorm van communicatie. Zij – en ook andere wetenschappers die wortels bestuderen, evenals de chemische signalen die planten afgeven en zelfs de geluiden ze maken – hebben bij hun bestudering van planten de factor intelligentie betrokken. In plaats van als biologische automaten zouden we planten kunnen zien als schepsels met capaciteiten die bij dieren zonder meer als leren, herinnering, besluitvorming en zelfs daadkracht worden beschouwd.

    Dat is misschien moeilijk voorstelbaar. Planten worden niet geacht slim te zijn, althans niet volgens het traditionele westerse denken. Je kunt ook zeggen dat, hoewel deze gedragingen inderdaad heel bijzonder zijn, ze niet naadloos passen in wat mensen gewoonlijk onder leren en herinnering en communicatie verstaan. Misschien lopen we wanneer we het plantengedrag volgens onze eigen beperkte opvattingen proberen te definiëren wel het risico de unieke kant van hun intelligentie over het hoofd te zien.

    Het is een veelzijdige en fascinerende discussie, die nog heel wat onderzoek vereist, onderzoek waarbij rekening zal moeten worden gehouden met het feit dat planten een geestelijk leven hebben. In haar werkkamer op de Universiteit van British Columbia sprak Simard met Nautilus over de betekenis van haar werk.

    Kunt u bij wijze van aftrap iets vertellen over de ‘wortelbreinhypothese’ van Charles en Francis Darwin?

    Achter een groeiende worteltop zit een groep differentiërende cellen. Darwin dacht dat die cellen bepaalden hoe de wortels zouden groeien en waar ze naar voedsel zouden zoeken. Hij dacht dat het gedrag van een plant in wezen werd gestuurd door wat er in die cellen gebeurde. In het werk dat anderen en ik hebben gedaan – het onderzoeken van familierelaties tussen individuele planten, hoe ze elkaar herkennen en met elkaar communiceren – spelen de wortels ook een rol. Alleen weten we nu meer dan Darwin; we weten dat alle planten, op een handjevol families na, mycorrhizaal zijn: het gedrag van hun wortels wordt gestuurd door symbiose. Het gedrag van de wortel wordt niet alleen bepaald door de cellen in de top van de plantenwortel, maar ook door de interactie daarvan met fungi. Darwin was iets op het spoor. Hij had alleen nog niet het hele plaatje. En ik ben tot de conclusie gekomen dat wortelstelsels en de mycorrhizale netwerken waardoor die stelsels verbonden worden, zijn opgezet als zenuwstelsels en zich als zodanig gedragen, en een zenuwstelses is de kiem van de intelligentie in ons brein.

    U heeft geschreven dat zenuwnetwerken hun bijzondere eigenschappen danken aan het feit dat ze schaalvrij zijn, wat ook voor plantennetwerken geldt. Wat betekent ‘schaalvrij’? Waarom is dat zo belangrijk?

    Alle netwerken hebben schakels en knooppunten. In een bos zijn de bomen knooppunten en fungusverbindingen schakels. ‘Schaalvrij’ betekent dat er een paar grote knooppunten zijn en een heleboel kleinere. En dat is op bossen op veel verschillende manieren van toepassing: je hebt een paar grote bomen en een heleboel kleine bomen. Een paar grote percelen oud bos, en meer kleinere percelen. Dit soort schaalvrije verschijnselen doen zich op vele niveaus voor.

    Een zaailing van de Hemelse bamboe (Nandina domestica). Bomen zijn in staat hun nageslacht te herkennen en zorgen eerder voor een verwante zaailing dan voor een niet-verwante zaailing.  © Emmanuel Douzery / Wikipedia
    Een zaailing van de Hemelse bamboe (Nandina domestica). Bomen zijn in staat hun nageslacht te herkennen en zorgen eerder voor een verwante zaailing dan voor een niet-verwante zaailing. © Emmanuel Douzery / Wikipedia

    Ziet u ook schaalvrije netwerken op het niveau van individuele bomen, in de interacties binnen één enkel wortelstelsel?

    Dat heb ik niet echt gemeten, maar je kunt naar een heleboel dingen kijken. Wortelgrootte bijvoorbeeld. Je hebt een paar grote wortels die allengs dunnere wortels steunen. Volgens mij volgen die hetzelfde patroon.

    Een moederboom zal zo nodig zelfs haar eigen nageslacht doden

    Wat maakt die configuratie zo bijzonder?

    Stelsels ontwikkelen zich in de richting van die patronen omdat die efficiënt en veerkrachtig zijn. Als we denken aan mijn bos, en aan de netwerken die ik heb beschreven, dan is dat een efficiënte opzet voor de uitwisseling van hulpbronnen tussen bomen en voor hun interactie. In onze hersenen zijn schaalvrije netwerken een efficiënte manier om neurotransmitters over te dragen.

    Dat netwerken tussen en in bomen soortgelijke eigenschappen vertonen als de netwerken in onze hersenen is zeer verbazingwekkend. In het geval van onze hersenen begrijpen we dat de structuur van deze netwerken tot cognitie leidt. Heeft u voorbeelden van cognitie bij planten?

    Hoe definieer je cognitie? Dat vraag ik omdat er een hele groep wetenschappers is die zegt dat we die term niet mogen gebruiken omdat hij voor verschillende dingen staat.

    Was het beter geweest als ik het woord ‘intelligentie’ had gebruikt?

    Ik heb het woord ‘intelligentie’ in mijn boeken en artikelen gebruikt omdat ik denk dat we vanuit de wetenschap intelligentie aan bepaalde structuren en functies toeschrijven. Wanneer we een plant en het bos ontleden en naar die dingen kijken – Is er een zenuwnetwerk? Is er communicatie? Is er perceptie en ontvangst van boodschappen? Verandert je gedrag afhankelijk van wat je waarneemt? Herinner je je dingen? Leer je dingen? Zou je dingen anders doen als je ze eerder had meegemaakt? – zijn dat allemaal kenmerken van intelligentie. Planten beschikken over intelligentie. Ze beschikken over alle structuren. Ze beschikken over alle functies. Ze beschikken over gedragingen.

    Monotropastrum humile is een myco-heterotrofe plant die zijn energie haalt uit het schimmelnetwerk zonder daarvoor iets terug te leveren.  © Wikipedia
    Monotropastrum humile is een myco-heterotrofe plant die zijn energie haalt uit het schimmelnetwerk zonder daarvoor iets terug te leveren. © Wikipedia

    Een ander woord dat lastig kan zijn is ‘communicatie’. Ik zou communicatie definiëren als iedere vorm van informatie-uitwisseling. Dat is een erg grote paraplu; het kan bijvoorbeeld van toepassing zijn op de co-evolutie van bessenkleur en vogelvoorkeur, zodat de bessenkleur in de loop van de tijd aantrekkelijker voor vogels wordt en correleert met voedingseigenschappen. Dat is communicatie, maar we categoriseren die anders dan de alarmkreten van eekhoorns bij de nadering van een havik, of het gesprek dat u en ik nu voeren. Waar past plantencommunicatie in dat spectrum?

    Precies daar. En wij zijn gevangenen van onze eigen westerse wetenschap; inheemse volkeren weten al heel lang dat planten met elkaar communiceren. Maar zelfs in de westerse wetenschap weten we dat, want je kunt de verdedigingschemie van een bos dat wordt aangevallen ruiken. Er wordt een chemische stof afgescheiden die door alle andere planten en dieren wordt waargenomen, en waar ze hun gedrag op aanpassen. Als we de wetenschap daarop loslaten, gaan we beseffen dat die planten net zo communiceren als wij. Het is niet alleen maar iets vocaals, al meten sommigen zelfs de akoestiek in bomen en realiseren ze zich dat er een heleboel geluiden zijn die wij niet kunnen horen, en dat zou onderdeel van hun communicatie kunnen zijn. Maar ik weet niet hoe ver dat onderzoek is gegaan. In mijn eigen werk heb ik naar de conversatie via chemie gekeken.

    Maar als u en ik communiceren, of dat nu via geluiden of geuren gaat, dan zijn er nog steeds individuen bij betrokken met een innerlijk wereldbeeld. Het is een gesprek tussen bewuste individuen en geen uitwisseling van informatie die plaatsvindt zonder enig besef dat die informatie wordt uitgewisseld. Bestaat dat soort communicatie bij planten? Ik stuur niet aan op een hiërarchie waarin het ene type communicatie beter is dan het andere, maar probeer alleen de verschillen te begrijpen.

    Ik denk dat u bedoelt of het een doel dient.

    De inheemse bevolking van Noord-Amerika wist allang dat bomen kunnen communiceren

    Een doel, en ook een plek om dat doel te ontvangen en te versturen. Ten aanzien van de dierlijke intelligentie hebben sommige filosofen het nu over prereflectief zelfbewustzijn. Het idee is dat er een coherente zelfbeleving bestaat, een bewustzijn dat jij jij bent, dat alle dieren bezitten dankzij hun zintuigen en enig herinneringsvermogen. Op het moment dat er perceptie en herinnering is, is er een zelf. Denkt u dat planten een zelf hebben dat op die manier communiceert?

    Dat zijn echt goede vragen. Het beste bewijs dat we hebben – en vergeet niet dat wetenschappers heel wat langer naar mensen en dieren hebben gekeken dan naar planten – is waarschijnlijk dat oude bomen verwante zaailingen kunnen herkennen. We begrijpen niet precies hoe ze dat doen, maar we weten dat er zich zeer geraffineerde handelingen voltrekken tussen fungi die met die bewuste bomen geassocieerd zijn. We weten dat die oude bomen hun gedrag zodanig veranderen dat hun eigen verwanten daar baat bij hebben. Daarna reageren de verwanten ook weer op geraffineerde wijze door beter te groeien of een betere chemische toestand te ontwikkelen. Een moederboom zal zelfs haar eigen nageslacht doden als het zich niet op een geschikte groeiplek bevindt.

    Dat laatste voorbeeld, van een moeder die haar nageslacht doodt als de omstandigheden ongunstig zijn, raakt aan wat ik probeerde te zeggen. Weet de moederboom dat ze dat doet? Is er een keus? Heeft een moederboom de keus om al dan niet zorg te verlenen, en is ze zich daar dan op enig niveau van bewust?

    We hebben zogeheten keuze-experimenten gedaan met een moederboom, een verwante zaailing en een niet verwante zaailing. De moederboom kan kiezen voor welke ze zal zorgen. We ontdekten dat ze eerder voor haar eigen nageslacht zal zorgen dan voor een niet-verwante zaailing. Bij een ander experiment is de moederboom ziek en zorgt ze voor vreemden dan wel verwanten. Ook daar is sprake van een differentiatie. Naarmate ze zieker is en sneller zal sterven zal ze meer voor haar verwanten zorgen.

    We hebben heel wat experimenten gedaan waarbij we de gezondheid van de donor, de moederboom, aanpasten aan de gezondheid van de ontvanger, de zaailing, door het schaduw- of stikstof- of waterniveau te veranderen. Belangrijk is in welke conditie beide verkeren; ze kunnen elkaar waarnemen, en dat soort beslissingen wordt aan de hand van de conditie genomen. Als we de ontvangende zaailing minder gezond maken, zal de moederboom meer voedingsstoffen toedienen dan als we dat niet doen. We concentreren ons voornamelijk op eenrichtingsverkeer, van moederboom naar zaailing. De respons van grote oude bomen is moeilijker te manipuleren en te meten omdat er veel meer factoren een rol spelen. Toch denk ik dat we die experimenten moeten doen, want het is gek om het verkeer de andere kant op buiten beschouwing te laten.

    Jaarringen van bomen bevatten een schat van informatie over het klimaat.  © Getty
    Jaarringen van bomen bevatten een schat van informatie over het klimaat. © Getty

    Heeft een moederboom een mentaal beeld van die zaailingen? Een mentaal beeld is uiteraard een zeer dierspecifiek concept. Maar heeft de boom een soort innerlijke beleving, hoe die zich ook manifesteert? Heeft ze dezelfde herinnering aan de zaailing als ik aan bijvoorbeeld mijn kat? Ik kan op ditzelfde moment aan mijn kat denken hoewel hij zich in een andere kamer bevindt, niet omdat ik hem waarneem maar omdat ik een mentaal beeld van hem heb.

    Je kunt naar de ringen van een boom kijken. De interacties met zaailingen zijn van invloed op het groeitempo; ze zijn van invloed op de hoeveelheid water en voedingsstoffen die wordt opgenomen. Mensen kunnen dit reconstrueren en zeggen: ‘O, de boom hiernaast is in dat jaar doodgegaan. Toen kreeg deze boom meer ruimte.’ Ze kunnen die reacties zelfs in bepaalde delen van de boomstam compartimenteren. Verschillende planten zijn daar op verschillende manieren toe in staat, maar bij alle bomen huist de herinnering in hun ringen. Bij coniferen huizen de herinneringen ook in de chemie van hun naalden. Een altijdgroene boom, bijvoorbeeld, houdt zijn naalden vijf tot tien jaar vast.

    Als je de top van een plant afhakt, volgt daarop een enorme respons van stresshormonen

    Bij het onderzoek naar dierlijke intelligentie is lange tijd de nadruk gelegd – en dat gebeurt begrijpelijkerwijze nog steeds – op niet-emotionele en niet-affectieve vormen van cognitie. Nu zijn steeds meer onderzoekers ook emoties gaan bestuderen en realiseren ze zich dat die andere vormen van cognitie, zoals herinnering, probleemoplossing en redenering, vervlochten zijn met emotie.

    Als je de neurobiologie die aan onze emoties ten grondslag ligt weglaat uit de vergelijking, dan ontwikkelen vaardigheden als probleemoplossend vermogen en logisch redeneren zich niet. Bij planten ging het meeste onderzoek dat ik heb gelezen over de niet-emotionele kant van dingen. Is er bij planten ook sprake van emotie? Ik zou willen dat ik meer afwist van emotie en affectief leren.

    Maar toch, stel dat je een groep planten hebt en er eentje gestrest maakt, dan zal de respons enorm zijn. Botanisten kunnen hun serotoninerespons meten. Ze hebben serotonine. Ze hebben ook glutamaat, dat een van onze eigen neurotransmitters is. Daar hebben planten een heleboel van. Ze krijgen deze responsen onmiddellijk. Als we hun bladeren afknippen of er een stel insecten op zetten, verandert al die neurochemie. Ze beginnen heel snel boodschappen naar hun buren te sturen. Is dat een emotionele respons? Ik denk van wel. Maar ik hoor de botanist in mij al zeggen: ‘Dat is geen emotie. Dat is alleen maar een respons.’

    Toch denk ik dat we deze parallellen kunnen trekken. Het komt opnieuw neer op taal, op hoe we deze taal toepassen op het kijken naar deze respons bij planten. Ik denk dat het belangrijk is om die communicatiekloof te overbruggen, zodat mensen beseffen dat als je de top van een plant afhakt,  daar een enorme respons op volgt. En geen welwillende. Is dat een emotionele respons? De plant probeert zichzelf ongetwijfeld te redden. Er treedt regulatie op. De genen reageren. De plant begint deze chemische stoffen te produceren. Hoezeer verschilt dat van onze eigen productie van een heleboel noradrenaline?

    Zijn er dingen die ons ontgaan bij planten omdat we ons eigen idee over intelligentie aan mensen en dieren ontlenen? Zouden er hele manieren van bestaan kunnen zijn waarvoor we niet eens woorden hebben?

    Ik denk het wel. Ik denk dat onze benadering van planten veel te utilitair is en dat we ze zonder reden mishandelen. Dat komt volgens mij omdat we oogkleppen ophebben. We kijken niet goed. We gaan er gewoon van uit dat het goedaardige schepsels zijn zonder emotie. Zonder intelligentie. Ze gedragen zich niet zoals wij, dus sluiten we die mogelijkheid uit. Wat ik ook nog wil zeggen is dat ik weliswaar ontdekkingen heb gedaan over die ondergrondse netwerken, over hoe bomen via die fungusnetwerken kunnen communiceren, maar dat de inheemse bevolking van de westkust van Noord-Amerika dat allang wist.

    Je vindt het terug in geschriften en mondelinge overlevering. Het idee van de moederboom is al heel oud. De fungusnetwerken, de ondergrondse netwerken die het hele bos gezond en in leven houden, vind je daar ook. Dat die planten op elkaar reageren en met elkaar communiceren, dat vind je allemaal terug. Ze noemden de bomen het bomenvolk. Aardbeiplanten waren het aardbeivolk. De westerse wetenschap heeft daar een tijdlang een stokje voor gestoken en nu komen we erop terug.

    Wat voor relaties zijn er nog meer mogelijk? Wat betekent het om mee te leven met de plantenwereld?

    Twee woorden dringen zich onmiddellijk op. Het ene is verantwoordelijkheid. Ik denk dat de moderne samenleving zich niet verantwoordelijk heeft gevoeld voor de plantenwereld. Dus het begint bij verantwoordelijk rentmeesterschap. En we moeten weer respect hebben, een respectvolle interactie met bomen, met planten. Robin Wall Kimmerer vertelt in haar boek Braiding Sweetgrass hoe ze het bos in gaat om geneeskrachtige of eetbare planten te verzamelen. Ze vraagt de planten om toestemming. Dat heet respectvol verzamelen. Niet zo van: ‘O, ik zal de plant vragen of ik hem mag plukken, en als hij nee zegt doe ik het niet.’ Het gaat erom dat je de planten observeert en respect hebt voor hoe ze eraan toe zijn. Dat is volgens mij een verantwoordelijke relatie, niet alleen ten opzichte van de planten, maar ook ten opzichte van onszelf en onze kinderen en de talloze generaties voor en na ons. Ik denk dat mensen meteen zullen begrijpen hoe bomen met elkaar in verbinding staan en communiceren. Het begrip daarvoor zit bij ons ingebakken. En ik denk niet dat het ons veel moeite zal kosten om het opnieuw te leren.  

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • In de ban van de boom

    In de ban van de boom

    De Duitsers hebben altijd een liefdevolle verhouding met hun bossen gehad. Geen wonder dus dat een boek over het verborgen leven van bomen een bestseller werd. Maar tegelijk neemt het houtverbruik bij onze oosterburen toe. Een reportage over houthakkers en bomenknuffelaars, en over de vraag of bomen kunnen voelen.

    Hoe het hart van een land eruitziet, wordt ook in zijn periferie bepaald. In bowlingcentra, cafés, verenigingsgebouwen. En zelfs in het bos. Dus is het van belang dat op deze winterochtend in Oberbayern een boom valt. 
Vannacht heeft het gesneeuwd, maar nu is het bos onder een vale lucht druppend aan het ontdooien 
en valt er natte sneeuw van de takken. Horen doe je dat niet, want midden in het winterlandschap is 
een dreunende en dampende machine, voorzien 
van grijparmen, zagen, walsen en messen, zich als een hongerig insect door het bos heen aan het bijten. De gevelde boom wordt stevig vastgepakt: een spar, misschien wel negentig jaar oud. Sneeuw spat op, boomschors barst, spaanders vliegen in het rond. 
Een paar tellen later ligt de stam in stukken op de grond, pasklaar voor op de vrachtwagen, vakkundig doorgesneden als een gehalveerd varken.

    Op een paar meter afstand staat een man roerloos toe te kijken. Laarzen en spijkerbroek, gewatteerde jas en vilthoed, grijs haar en een montere blik. De Beierse boseigenaar Florian von Schilcher (1944), 
de zesde generatie van een adellijke familie, ziet 
deze ochtend bomen vallen die zijn opa Hubert 
heeft geplant.

    Voelt hij weemoed? ‘Ach, welnee! Bomen groeien om te worden gekapt,’ zegt Von Schilcher. Hij vindt het goed om te zien dat waar zojuist nog de oude boom stond er nu licht en ruimte is, zodat de volgende 
spar ‘gas kan geven’. Over een paar decennia zullen zijn zoons of kleinkinderen die vellen.

    Zo simpel is dat.

    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke
    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke

    Hetzelfde jaar, dezelfde winter, hetzelfde land, 
alleen een ander deel van de periferie en een ander bos, waar een uit de kluiten gewassen man in een olijfgroen boswachterspak boven de bladeren en 
takken uitsteekt. Het is muisstil, alleen kraakt er zo nu en dan een tak in het gemeentebos van het Eifeldorp Hümmel in Rheinland-Pfalz. De man in het bos draagt een bril met een zwart montuur en heeft een baard van drie dagen; hij zou zomaar een therapeut uit de grote stad kunnen zijn. Plotseling gaat hij op zijn hurken zitten en veegt oude bladeren, mos en modder weg. In de grond zit iets ruws. Knoestig, donker, dood. ‘Schraapt u er maar eens overheen,’ zegt hij. ‘Wel voorzichtig.’ Onder het donker wordt het licht. Dat is hout. Leven.

    Een paar jaar geleden was het Peter Wohlleben zelf die – nieuwsgierig en onthutst – met zijn zakmes over deze donkere klomp schraapte. Een oeroude boomstronk, het overblijfsel van een beuk. Hoe kon die nog leven, zonder stam, zonder bladeren, zonder fotosynthese? Met biologen van de nabijgelegen 
Universiteit van Aken bekeek Wohlleben de stronk in het bos nauwkeuriger. Kennelijk pompten de bomen eromheen al vierhonderd jaar een suikeroplossing naar hun verminkte soortgenoot, via diens wortels. ‘Dat noem ik nou burenhulp,’ zegt Wohlleben.

    Peter Wohlleben (1964) is de afgelopen tijd een beroemdheid geworden. In zijn afgelegen 
boswachtershuis heeft hij een boek geschreven dat de Duitsers recht in het hart treft. Het verborgen leven van bomen stond in 2015 het langst boven aan de 
bestsellerlijst voor non-fictie van Der Spiegel. De boodschap: bomen zijn niet alleen dingen, maar ook wezens. Het zijn ‘oude vrienden’ van elkaar. Maar ook van de mens. Inmiddels hebben 400.000 Duitsers het boek gekocht.

    Florian von Schilcher mag dan waarschuwen voor ‘behaaglijkheidslectuur’ en een ‘nieuwe romantisering’ van het bos, Peter Wohlleben krijgt onophoudelijk uitnodigingen voor debatten en aanvragen 
voor seminars. En liefdesbrieven van alleenstaande vrouwen, die zijn boek onder – jawel – de kerstboom hebben gelezen.

    Zo gecompliceerd ligt dat.

    Het bos is zo Duits als brood en bier

    De twee mannen wonen hemelsbreed 500 kilometer van elkaar vandaan en schelen twintig jaar in leeftijd. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Hun confrontatie komt alleen tot stand door een journalistieke constructie, het onderzoek voor deze reportage. Je zou de twee en hun meningsverschillen simpelweg kunnen laten voor wat ze zijn, ware het niet dat de Duitsers hun liefde voor het bos uitgerekend hebben ontdekt in een tijd waarin ze heel veel bomen voor zichzelf laten kappen.

    Vrijwel iedereen zal zichzelf hierin herkennen: wie hout koopt, voelt zich goed, of het nu om speelgoed, meubilair of terrasdelen gaat. Wie hout koopt, is een goed mens. Dat daarvoor bomen moeten sneuvelen, wordt snel vergeten.

    Onderzoekers van de universiteit van Hamburg schatten het jaarlijkse ‘boshoutverbruik’ van de Duitsers op 1,06 kubieke meter per persoon. De vraag van 
articuliere huishoudens is tussen 1990 en 2010 verdubbeld. Hout geeft warmte, ook als het niet brandt. Als het wel brandt, dan geeft het des te meer warmte: verwarmen met hout geldt als knus en effectief tegelijk. In het afgelopen decennium is het aantal pelletkachels verviervoudigd. Voor het eerst sinds meer dan honderd jaar wordt in Duitsland weer meer hout verbrand dan er in de bouw wordt gebruikt. Volgens Von Schilcher is de houthonger in Duitsland alleen te stillen met snelgroeiende bomen, gekapt zonder rekening te houden met welk wezen ook.

    Wohlleben vindt dat een redenering die zo van iemand uit de bio-industrie zou kunnen komen. Von Schilcher vraagt zich hierop af wat er aan levensvreugde 
overblijft als we allemaal vegetariër zouden worden. Het antwoord van Wohlleben: tot nog toe heeft dat niemand kwaad gedaan.

    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Het debat, dit artikel, de bestseller: ze zouden er 
allemaal niet zijn als Peter Wohlleben een boek had geschreven over het verborgen leven van de suikerbieten. Of over tarwe. Maar het bos? Dat is voor de Duitsers meer dan een verzameling bomen. In het bos wortelt de nationale identiteit, het is natuurlijk en cultureel erfgoed, de Germaanse geesteswereld, die sprookjes en mythen voortbrengt.

    In het bos was Hermann de Cherusk de Romeinen te slim af. In het bos nam Siegfried een bad in drakenbloed. In het bos daar zijn de rovers. Hans en Grietje verdwaalden in het bos. Joseph von Eichendorff noemde het bos de ‘echokamer van de ziel’, Caspar David Friedrich schilderde de ene boom na de andere. Schilderijen, lyriek en prentenboeken met het bos 
als thema vullen musea en bibliotheken. Het bos is zo Duits als bier en brood.

    In moeilijke tijden trekken de Duitsers zich terug in het bos, als wild waarop wordt geschoten. Onthaasting en escapisme, in elk geval mentaal. Een dood vluchtelingenkind op het strand? Poetins strategische spelletjes met Syrië? Aanrandingen op het domplein in Keulen? In het bos, waar geen televisie is en op plekken geen bereik, is nog aan nieuws te ontsnappen. Bos is wellness. Een vlucht uit de werkelijkheid, zoals ooit in de romantiek.

    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons
    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons

    Er is geen romanticus te bekennen wanneer op een waterkoude ochtend in het bos van Von Schilcher 
de kettingzagen beginnen te huilen. Zoals zoveel branches besteedt ook de bosbouw al sinds lange tijd opdrachten uit aan externe bedrijven, die het zware werk door seizoenarbeiders laten doen.

    En dus kijkt Florian von Schilcher toe hoe twee zwijgzame Roemenen zich door het kreupelhout heen werken. Vlad en Vasile zwaaien met hun 
kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer in Rambo. Ze hebben opdracht om jonge beuken weg te halen en ‘zo andere bomen in staat te stellen te groeien,’ zegt Von Schilcher. En wel zo veel mogelijk sparren. Waarom eigenlijk?

    ‘De beuk is vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven een bron van ergernis,’ zegt Von Schilcher.
De bladeren nemen te veel licht weg voor andere bomen. De stam vertakt zich te vroeg in een brede kruin, waarmee je vrijwel niets kunt beginnen. 
‘En een beuk die omvalt, slaat in als een bom. Daar groeit dan de eerste jaren niets meer.’

    Vlad en Vasile zwaaien met hun kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer

    De strijd tussen Wohlleben en Von Schilcher ontbrandt al bij dit detail, dat voor beiden geen detail is. De beuk is namelijk de meest Duitse van alle Duitse bomen, meer nog dan de eik. Als Peter Wohlleben groepen rondleidt door het bos bij Hümmel, laat hij hen vierduizend jaar oude beuken zien, en zegt: ‘Zo zag het er vroeger in vrijwel het hele land uit.’ Voordat kolenbranders, mijnwerkers en scheepsbouwers Europa in de zeventiende eeuw in belangrijke mate hadden ontbost, was het gebied dat tegenwoordig Duitsland heet grotendeels bedekt met beukenbossen. Nog altijd buigen taalonderzoekers zich over de vraag of de Duitse woorden Buch en Buchstabe zijn ontstaan doordat de Germanen hun runen in het harde hout van de beuk [Buche in het Duits] krasten.

    Wohlleben vraagt zich af: waarom niet laten groeien wat inheems is? De spar is een importplant. Hij noemt die een ‘boom voor luie mensen’. Sparren groeien niet naar het licht, maar kaarsrecht tegen de aantrekkingskracht van de aarde in, snel en pasklaar 
de zagerij in. Desondanks, vindt Wohlleben, doen ze alleen maar alsof ze rendabel zijn. In warme zomers worden ze aangevreten door kevers. En bij een storm kieperen ze om, omdat ze ondiepe wortels hebben. De beuk daarentegen wortelt diep en opent zijn kruin als een waaier om elke drup regen op te vangen. ‘Welke boom zou nou beter zijn opgewassen tegen 
de opwarming van de aarde?’

    Von Schilcher vindt het grappig dat uitgerekend een eco-auteur zich uitspreekt tegen het idee van duurzaamheid. Hij vertelt dat Hans Carl von Carlowitz, net als Von Schilcher van adel, in 1713 in een manifest voor het eerst als voorwaarde heeft gesteld dat er altijd net zoveel hout moet aangroeien als er wordt gekapt. Hoe sneller er wordt gerooid, des te sneller er dus ook moet worden aangeplant. ‘Daar houd ik me aan.’ Ook zegt Von Schilcher dat hij zijn hele leven een gemengd bos heeft onderhouden: 70 procent naaldbomen, ondersteund door 30 procent loofbomen – als ‘bijmenging’. Als er iemand is die een monocultuur wil, dan is het die schrijver uit de Eifel wel. Anonieme stemmen noemen Wohlleben een ‘boomracist’ en een ‘plantenfascist’, die niets anders dan de beuk wil accepteren. Wohlleben zegt hierop dat hij gemengde bossen wantrouwt. Wat eruitziet als de wil van de natuur, zijn ‘bomenakkers’, geplant naar de behoeften van de markt.

    Zo gaat het over en weer. Niet alleen tussen Wohlleben en Von Schilcher, maar ook tussen het 
Bundesamt für Naturschutz, dat meer ‘natuurlijke ontwikkeling van het bos’ wil, en het Deutscher Energieholz- und Pellet-Verband, dat snel veel nieuw hout nodig heeft. Zelfs in de Bondsregering wijzen de neuzen niet dezelfde kant op. Het door een SPD-minister geleide ministerie voor Milieu wil tot 2020 10 procent van alle openbare bossen tot oerbos maken. In het door een CSU-minister geleide ministerie van Landbouw noemt een hoge ambtenaar oerbossen ‘bosruïnes’. Als de Bondsrepubliek ‘het tijdperk van de decarbonisatie’ wil binnengaan, zich onafhankelijk wil maken van smerige kolen, Poetins gas en de olie van de Saoedi’s, dan kan dat alleen met zon, water, wind – en hout.

    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Aan al deze tegenstrijdige opvattingen valt op dat de verschillende partijen er tot nog toe alleen maar over gediscussieerd hebben met welke mix van bomen de mensheid het meest geholpen is, als koks die hartstochtelijk van gedachten wisselen over een optimaal recept. Maar nu verovert deze boswachter uit de Eifel het hart en het brein van zijn lezers met de bewering dat de bomen zelf van belang zijn en een geheugen en gevoelens hebben.

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens, door de mens onderschat en afgeslacht? Staan we binnenkort met beuken te knuffelen zoals we dat nu met dolfijnen doen?

    Er zijn seminars waarbij je bomen kunt omhelzen. En het is waar dat tijdens een boswandeling de bloeddruk daalt. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat zelfs het aantal antikankercellen in het lichaam toeneemt. Onduidelijk is nog waarom. Waarschijnlijk vanwege de zogenaamde phytoncides, gasvormige stoffen die bomen afscheiden ter bescherming tegen schadelijke insecten en dieren.

    Op een mistige, waterkoude dag leidt Peter Wohlleben weer een groep rond in zijn bos. Mannen en vrouwen met stevige schoenen en kleurrijke outdoorkleding van dure merken. Ze hebben veldkijkers, fototoestellen, thermosflessen en wandel- en nordic walking-stokken bij zich. De uitrusting van stedelingen die een bezoek aan het platteland brengen. Liefdevol streelt Wohlleben de jonge scheuten van beuken, zoals een moeder in het voorbijgaan de hoofden van haar kinderen. ‘Het is toch jammer,’ zegt hij, ‘dat vrijwel elke boom in Duitsland voor zijn natuurlijke dood wordt omgehakt.’

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens?

    In de groep wordt geknikt. Dat zijn gasten soms in imposante auto’s naar de Eifel komen, daarover spreekt Wohlleben niet. Hoeveel hout ze verbruiken, vraagt hij niet. En dat hij vindt dat elk meubelstuk net als eieren een herkomststempel zou moeten 
hebben, houdt hij voor zich. Tijdens de urenlange natuurwandelingen onthoudt Wohlleben zich consequent van kritiek op zijn publiek en leidt hij de bezoekers van zijn bos van wonder naar wonder zoals zijn lezers van anekdote naar anekdote. In Het verborgen leven van bomen schrijft Wohlleben dat ‘hele bossen’ via een ‘wood wide web’ met elkaar in verbinding staan. ‘Beukenouders’ bieden schaduw en brengen hun kinderen geduldig groot. Als je ze ongemoeid laat, groeien beuken dicht bij elkaar: ‘Groepsknuffels 
zijn aangenaam.’ Wohlleben schrijft dat ‘bomen 
pijn ervaren en een geheugen hebben’.

    Florian von Schilcher zegt: ‘Hij schrijft best aardig, dat moet ik hem nageven. Maar kinderen en ouders? Enorme flauwekul. Daarmee verslijt hij de mensen voor dom.’

    Rondvraag onder wetenschappers levert aanvankelijk niets op. Er is vrijwel geen onderzoeker die het boek van Wohlleben heeft gelezen. Omdat het onomstreden is? Er niets nieuws in staat? Of omdat het onzin is? Christian Ammer, professor Bosbouw en Bosecologie in Göttingen, mailt aan Die Zeit: ‘Het boek zegt meer over de lezers dan over bomen. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kun je – zwak uitgedrukt – bij sommige passages alleen maar het hoofd schudden.’


    Waar Wohlleben ook verschijnt, telkens weet hij de rust te bewaren van iemand die het recht aan zijn zijde weet en een meerderheid achter zich waant. Niet hij verslijt de mensen voor dom, zegt Wohlleben, maar de houtindustrie, een conservatief kartel van zwijgers en mooipraters. Iedere Duitser weet tot op de komma nauwkeurig wat het brandstofverbruik van zijn auto is en hoeveel stroom zijn huishouden verbruikt. Maar hoeveel kubieke meter van zijn bloedeigen grondstof hout hij jaarlijks nodig heeft, weet niemand. Waarom niet?

    Ik ontmoet hem bij hem thuis, in zijn boswachterswoning in het bos. In de tuin heeft hij met zijn vrouw mais, aardappels, pastinaken en courgettes geplant, om zo zelfvoorzienend mogelijk te kunnen leven. Wohlleben zegt dat hij is opgegroeid in decennia van angst. Club van Rome, bossterfte, Koude Oorlog, opgedroogde rivieren, Tsjernobyl. ‘Ik heb altijd de vaste overtuiging gehad dat ik niet aan seniliteit zal sterven.’

    Als hij over zichzelf vertelt, klinkt hij een beetje minder zelfverzekerd dan tijdens zijn rondleidingen in het bos. Hij weet dat elke tijd en elk milieu hun eigen verschijningsvormen hebben. Op het gymnasium was hij onder de indruk van ‘de jonge leraren, die allemaal hadden meegedaan aan de studentenprotesten van eind jaren zestig’. Wohlleben nam 
deel aan demonstraties van Greenpeace en het WNF. Hij probeert ‘zo weinig mogelijk vlees’ te eten. Aan 
de muren van zijn huis hangen de verentooi van e
en Sioux, een parelketting van de Yokut-stam en armbanden van de Crow. Peter Wohlleben heeft altijd hart gehad voor de indianen.

    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons
    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher neigt meer naar een cowboy. Hij is voorzitter van de schietvereniging van Dietramszell. Onlangs was hij op antilopejacht in Oeganda. De geweien aan de muren van zijn huis strengelen zich bijna ineen. De angst voor bossterfte vond hij dertig jaar geleden al overdreven.

    Als Von Schilcher zijn leven moet samenvatten, pookt hij eerst eens het vuur op en laat vervolgens op vrijwel elke anekdote een zelfvoldaan lachje volgen. Zijn jeugd heeft voor een groot deel uit ‘vlegelachtig gedrag’ bestaan: ‘We reden als waanzinnigen. Op mijn veertiende zat ik zonder rijbewijs achter het stuur.’

    Een ‘rampzalige leerling’ was hij, zegt Von Schilcher, zeven keer wisselde hij van school. Hij had een baantje in het orang-oetanhuis in de dierentuin van Berlijn, deed alsnog examen, trouwde met een Braziliaanse, studeerde biologie in Edinburgh en schreef zijn proefschrift over het seksleven van de fruitvlieg. In de open haard ligt het hout zachtjes te knapperen, Von Schilcher legt er nog een paar blokken op. Tussen Dietramszell en Hümmel, op die 500 kilometer tussen de twee mannen, gaat het om veel meer dan het bos. En ook om meer dan ecologie en economie of een generatieconflict.

    Het gaat om de levensinstelling alles goed te willen doen, zoals Wohlleben, en het niet iedereen naar de zin te hoeven maken, zoals Von Schilcher. Het gaat om verschillende mannenrollen. En om het eeuwige contrast tussen stad en platteland.

    Al 25 jaar onderhoudt Peter Wohlleben het bos van Hümmel, maar hij zegt zelf dat hij ‘in de stad gesocialiseerd is’. Een eengezinswoning in de buurt van Bonn, vader werkte bij het ministerie van Financiën en ’s avonds werd er onder het eten over politiek gesproken. Al die gesprekken hadden een hoog 
theoretisch en moralistisch gehalte. Vanuit de stad bekeken lijkt de plattelandsbevolking soms gecorrumpeerd door de eigen economische belangen. 
Hoe zou iemand die in een mestveehouderij werkt tegen mestveehouderijen kunnen zijn?

    © dominikla / Flickr Creative Commons
    © dominikla / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher vindt deze manier van denken ‘schijnheilig’. Buiten de steden gaat het er nu eenmaal niet zo idyllisch aan toe als het tijdschrift Landlust in de stationskiosk doet vermoeden. ‘Hoe intensiever de verstedelijking, des te sterker de romantisering van de natuur,’ zegt Von Schilcher. Het komt er immers op neer dat de plattelandsbevolking het vuile werk doet voor de stedelingen. Zaaien en maaien, mesten en slachten. ‘En wat krijgen ze voor dank?’

    Het heeft weer eens gesneeuwd, misschien wel voor het laatst deze winter. Peter Wohlleben loopt met een oudere dame door zijn stijf bevroren bos. In de kwarteeuw die hij tot nog toe in het bos van Hümmel heeft doorgebracht, heeft Wohlleben 15 procent ervan ongemoeid gelaten, zodat boomouders en -kinderen ongehinderd kunnen groeien. Dat zijn werk desondanks lucratief is voor de gemeente heeft een andere oorzaak: hij verkoopt grafplaatsen, die hij ‘rustbiotopen’ noemt. Begraven worden in het bos is een trend.

    De Duitse verbondenheid met het bos is eeuwigdurend. Sinds Wohlleben dertien jaar geleden zijn rustbos opende, zijn hier 3400 mensen ter aarde besteld. Ze liggen in cirkels om de stammen heen, 
in biologisch afbreekbare urnen. Vandaag leidt Wohlleben de 75-jarige Eleonore Rottscheid-Zölliken van stam naar stam. Ze wil een boomgraf voor zichzelf en haar man reserveren.

    ‘Wilt u liever een schaduw- of een zonplek?’ vraagt Wohlleben.

    ‘Graag een beetje verscholen,’ zegt ze.

    ‘Vindt u de boomsoort belangrijk?’

    Uit de zijzak van zijn wandelbroek haalt Wohlleben een tablet tevoorschijn. Op het scherm verschijnt een landkaart met honderden stippen. Geel staat voor eiken. Rood voor douglassparren. Groen voor beuken. Grijs voor bezet. Grijs overheerst. Na een halfuurtje wikken en wegen staat Eleonore Rottscheid-Zölliken tussen boom 4243 en boom 4249 wolkjes adem het bos in te blazen. De eerste boom is een grote, rechte beuk, de laatste een krom, scheefgegroeid ding. ‘Ik wil die kleine wel,’ zegt mevrouw Rottscheid-Zölliken.

    Wohlleben tikt op zijn tablet en een groene stip wordt grijs. Over enkele dagen zal mevrouw Rottscheid-Zölliken voor de prijs van 2990 euro ‘bijzettingsgerechtigde’ bij boom 4249 zijn en ooit deel gaan uitmaken van een reservaat, ook biologisch.

    99 jaar

    Peter Wohlleben heeft met deze transactie weer een stukje bos beschermd voor de komende 99 jaar. 
Tegen de houtlobby, tegen alle Von Schilchers, en tegen alle mogelijke opvolgers die in de verre toekomst zijn bos zullen overnemen en misschien wel andere ideeën en idealen najagen.

    Van het geld dat Wohlleben met zijn bestseller heeft verdiend, wil hij zijn oude boswachtershuis laten renoveren. De muren isoleren, zonnepanelen op het dak. Tot nog toe stookt Peter Wohlleben met hout. Hij verbruikt geen 1,06 kubieke meter per jaar, zoals de gemiddelde Duitser. Hij verstookt 10 kubieke meter.

    Auteur: Henning Sussebach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Peter Wohllebens Het verborgen leven van bomen, 
verschijnt half april bij AW Bruna. Vertaling: Bonella van Beusekom.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.