360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.
LITERATUUR – Het leven tot de vierde macht
Paul Auster, ambitieus en onbegrepen
Het nieuwe boek van Paul Auster is een complexe pil van 866 bladzijden. De ene recensent woog het boek (1,23 kilo volgens The Independent), een ander telde het aantal woorden in de langste zin (426, volgens The Times) en meerdere benadrukten de verhouding van deze mastodont tot de rest van Austers oeuvre. 4 3 2 1 is bijvoorbeeld bijna twee keer zo lang als de drie delen van zijn beroemde New York Trilogy samen.
Zulke aandacht voor de buitenkant van een kunstwerk is meestal een veeg teken voor de inhoudelijke waardering. Het lijkt er inderdaad op dat niet elke recensent het spel dat Auster speelt met zijn personage, zijn verhaal en zijn lezer op waarde weet te schatten. Dat spel komt erop neer dat vier versies van een familiesaga worden verteld, telkens met dezelfde personages maar met een andere uitwerking. Eerst lees je hoofdstuk 1 over variant 1, dan de andere drie eerste hoofdstukken, en dan hoofdstuk 2 van variant 1 enzovoort. Het zal per lezer verschillen hoe snel je de bedoeling begrijpt, maar heel ingewikkeld is het niet.
John Sutherland van The Times schreef een stroeve recensie, die zowel in print als online verscheen. Met één zin verschil: in de onlineversie vraagt Sutherland zich hardop af of hij het boek wel heeft begrepen. Een voorbehoud dat de lezers van de papieren Times er niet bij krijgen.
Wat is hier aan de hand? ‘Hoe gaat die Joodse uitdrukking ook alweer? “Niet vragen.” Er zijn een hoop dingen die je maar beter niet kunt vragen over dit boek. En aan het eind heb je het gevoel dat je een potje blindemannetje hebt gespeeld. Dan, houd u vast, wordt alles ineens glashelder, inclusief de vreemde titel en de hoofdstuktitels in decimale cijfers, die geheel betekenisloos leken.’
… hoe verder hij in het boek vordert, hoe meer hij het gevoel krijgt in “het Austerversum te worden ingezogen, die vreemde, ongemakkelijke ruimte waar alles draait om het zelfbeeld van de auteur”
Dat Sutherland een groot deel van zijn beschouwing wijdt aan het opsommen van de discrepanties tussen de verschillende varianten, geeft aan dat hij niet heeft begrepen dat het om parallelle verhalen gaat. ‘Archies vader bijvoorbeeld, sterft in 1955 in een uit de hand gelopen brandstichting. Vijf jaar later lijkt hij het prima te doen als verkoper van televisies.’ Hij beklaagt zich over ‘de verwarde indruk die het verhaal maakt’. Net als Tim Martin in The Daily Telegraph kost het hem tot het einde van het boek om tot de conclusie te komen dat het niet om ‘een kwartet van jongemannen’ gaat maar om vier keer dezelfde jongeman. Sutherland gaat zo ver dat hij de lezer aanraadt om ‘onmiddellijk naar pagina 862’ te gaan, en daar te lezen hoe de vork in de steel zit, alvorens het boek ter hand te nemen.
Aan een inhoudelijk oordeel of een poging te interpreteren wat Auster heeft bedoeld met deze vorm, komen Sutherland en Martin niet toe. Sutherland blijft het ‘een worsteling’ vinden, en Martin krijgt hoe verder hij in het boek vordert hoe meer het gevoel ‘het Austerversum te worden ingezogen, die vreemde, ongemakkelijke ruimte waar alles draait om het zelfbeeld van de auteur’.
Wel een inhoudelijk oordeel geeft David L. Ulin in The Washington Post: ‘Het gaat niet om de wisselvalligheden van het lot, althans niet zoals we daar in het algemeen over denken, maar meer om het begrijpen dat de omstandigheden waarin wij leven ons altijd beperken: onze ouders, de gemeenschap; de mogelijkheden zijn niet onuitputtelijk met andere woorden.’ Laura Miller geeft in The New Yorker een mogelijke biografische verklaring voor Austers obsessie met varianten. ‘Op zijn veertiende was hij op een wandeltocht tijdens noodweer. Met een groep jongens kroop hij onder een prikkeldraadhek door, toen de bliksem daar insloeg. De jongen vóór hem werd gedood. Het is niet onbegrijpelijk dat toeval daardoor een terugkerend thema werd in zijn fictie. In 4 3 2 1 bepaalt het toeval de vier verschillende levenswandels van Archie.’
‘Maar waar gaat het nou om?’ vraagt Janet Wolf zich af in The Independent. ‘Bij Auster is de stijl altijd voortreffelijk, zijn humor en zijn menselijkheid perfect in balans. Maar hadden we er echt vier nodig, daar waar eentje het waarschijnlijk net zo goed had gedaan? Ik denk het niet. Maar hoewel de 866 bladzijden van de lezer een grote investering vragen in tijd en toewijding, valt er toch veel te zeggen voor 4 3 2 1 vanwege de fijnzinnige en ambitieuze uitvoering van de structuur en het plot.’
De Nederlandse vertaling van 4 3 2 1 door Ronald Vlek is verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij.
BEELDENDE KUNST – Nog altijd fel
Lee Bontecou in Den Haag
De verdwijning van Lee Bontecou was een mysterie in de kunstwereld gedurende meer dan dertig jaar. ‘Zo fel als zij in de jaren zestig naar voren sprong, deed geen enkele vrouwelijke kunstenaar haar na, en slechts weinig mannelijke. Haar werk hing in de galerie van Leo Castelli, de belangrijkste startbaan voor nieuw talent in die tijd.
Ze deed mee aan talloze belangrijke tentoonstellingen over de hele wereld en figureerde tot driemaal toe in het jaaroverzicht van het Whitney Museum. Vogue, Cosmopolitan en Life schreven over haar, telkens benadrukkend hoe groot het verschil was tussen haar uiterlijk van verlegen meisje en dat wat de kunsthistoricus Alan Solomon omschreef als “de indrukwekkende schaal van en het impliciete geweld in haar duistere en beangstigende reliëfs”. En toen verdween ze uit beeld, zonder uitleg’, schreef Calvin Tomkins in The New Yorker.
Toen het Hammer Museum in Los Angeles in 2004 met veel tamtam een retrospectief van Bontecous werk aankondigde, ‘ontdekten sommigen in de kunstwereld tot hun oprechte verrassing dat zij nog leefde’, schreef The New York Times. Over de nu 86-jarige kunstenares was in die stille jaren hier en daar nog wel eens een ongeautoriseerde overzichtstentoonstelling opgedoken, maar haar naam was steeds minder vaak gevallen. Alleen de roddel was blijven hangen: Bontecous echtgenoot, de minder succesvolle kunstenaar William Giles, zou haar uit jaloezie hebben gedwongen om zich minder te manifesteren.
Het werk van Lee Bontecou “lijkt te zijn geboren, eerder dan gemaakt”
Aan de vooravond van het retrospectief in het Hammer vond Tomkins haar (met echtgenoot) terug in the middle of nowhere in Pennsylvania. De tentoonstelling in Los Angeles, waartoe Bontecou zich had gezet onder het motto ‘nu of nooit’, nadat een ernstige botziekte bij haar was geconstateerd, werd een succes. ‘De mensen die haar waren vergeten, feliciteerden zichzelf met het feit dat ze haar hadden herontdekt’, constateerde de NYT. De generatiegenote van Andy Warhol, Roy Lichtenstein en Robert Rauschenberg bleek nog niets van haar felheid te hebben verloren. Een kunstcriticus die in de catalogus bij de tentoonstelling een verband suggereerde tussen haar werk en de drie decennia lange eclips, kreeg van Bontecou de volle laag.
Het werk van Lee Bontecou ‘lijkt te zijn geboren, eerder dan gemaakt’, schreef The New York Post. Haar comeback in 2004 maakte net zo veel los als haar debuut in de kunstwereld in de jaren zestig. ‘Ze heeft als een gek doorgewerkt’, constateerde een verblufte recensent van Newsweek. En dat maakt de tentoonstelling die nu in het Haags Gemeentemuseum opent extra interessant. Want volgens het museum toont Bontecou hier werken die nog niet eerder te zien zijn geweest.
Auteur: Pieter van den Blink
360 Top-5 non-fictie
De volgende titels worden getipt door Athenaeum Boekhandel in Amsterdam:

