Tag: bos

  • ‘Mijn volgende boek zal fictie zijn’

    ‘Mijn volgende boek zal fictie zijn’

    In het Munchmuseum in Oslo heeft bestsellerauteur Karl Ove Knausgård een expositie samengesteld over de schilder van De Schreeuw. Een interview met de schrijver over het ontstaan van de tentoonstelling, en de gevolgen ervan voor zijn eigen werk.

    Als Karl Ove Knausgård de perszaal van het Munchmuseum binnenkomt, gekleed in een donker maatpak met een opvallend strakke broek, gaan alle camera’s en blikken automatisch zijn kant op. Gemompel klinkt door de zaal.

    De Noorse media zijn in groten getale aanwezig. Er is ook buitenlandse pers, want het gebeurt niet elke dag dat twee Noorse kunstenaars van zo’n formaat zich verbroederen. De literaire vernieuwer Knausgård, wereldberoemd geworden met zijn zesdelige autobiografische roman Mijn strijd, presenteert ons vandaag zijn kijk op zijn landgenoot Edvard Munch (1863-1944). Een benard genie dat de schilderkunst de moderne tijd binnenloodste met zijn schilderij van een menselijke figuur die midden op een brug zijn angst lijkt uit te schreeuwen.

    Met de expositie Richting bos. Munch door de ogen van Knausgård wil de schrijver, die een groot liefhebber van bomen is en deze herhaaldelijk laat figureren in zijn werk, het publiek met een nieuwe blik naar het oeuvre van Munch laten kijken. Hij heeft geen enkel heilig verklaard doek in zijn selectie opgenomen, zelfs niet De Schreeuw. Volgens Knausgård wordt het hoog tijd dat de kunstgeschiedenis aan een nieuw hoofdstuk begint over de kunstenaar uit Løten.

    Welk verband wilt u benadrukken tussen deze expositie en uw werk als romanschrijver?

    ‘Onder de sterren is een van mijn lievelingsschilderijen van Munch. De expositie werkt naar dit schilderij toe, dat als laatste is tentoongesteld. In elk van de vier zalen heb ik de kleurschakeringen en de gevoelens naar voren willen brengen. We beginnen met de harmonie van De Zon en we eindigen met de sterren aan de nachtelijke hemel. De voortgang moet vanzelfsprekend lijken. Zoals een roman, die ook passages en hoofdstukken met verschillende kleurschakeringen kent.’

    Munch heeft in totaal 1789 schilderijen gemaakt, maar het zijn de doeken die in zaal 19 van het Nationaal Museum in Oslo hangen die de hele wereld kent: Puberteit, Madonna, Vampier, Jaloezie, De levensdans, Het zieke kind, et cetera. En natuurlijk De Schreeuw, waarvan ook een versie in het souterrain van het Munchmuseum hangt en die al lange tijd op T-shirts, handtassen, tapijten, kopjes en andere voorwerpen prijkt die over de hele wereld in museumwinkels worden verkocht.

    Karl Ove Knausgård denkt dat de beroemdste doeken van de schilder zo vaak zijn tentoongesteld dat niemand ze meer kan zien. ‘De Schreeuw brengt tegenwoordig niet meer dezelfde schok teweeg als aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw. Desondanks,’ zegt hij, terwijl hij de rook van zijn sigaret inhaleert, ‘is er eergisteren iets heel interessants gebeurd, toen ik door de Duitse televisie werd geïnterviewd in het souterrain van het museum. Terwijl we voor De Schreeuw stonden, dat niet achter glas zat en niet was ingelijst, beseften we weer hoe radicaal het was. De kleuren waren als nieuw. Terwijl het zo bloot aan de muur hing, bij wijze van spreken, straalde het doek zo veel kracht uit dat we begrepen hoe bijzonder het is.’

    knausgard foto ove kvavik munchmuseet

    Tijdens de rondleiding door de expositie, waarvan elke zaal zijn eigen gevoelstemperatuur heeft, maakte Knausgård in het begin een beklemde indruk. Maar het enthousiasme spatte er desondanks vanaf. Toen hij in de derde zaal kwam – de spectaculairste, die is ontworpen door architectenbureau Snøhetta, waar de doeken aan zwarte muren hangen, waar het tapijt zwart is en waar het licht opvallend gedempt lijkt – was het alsof hij een buiging maakte. Zoals Strindberg zijn rode kamer had, was dit de zwarte kamer van Knausgård. ‘Dit komt overeen met de plek waar ik als schrijver graag zou willen zijn,’ zei hij, terwijl hij op een schilderij wees van een berg waar zich een cascade van bloed vanaf stort. En hij vertelde dat het laatste boek dat Munch las, op zijn sterfdag, Boze geesten van Dostojevski was geweest.

    Voor de expositie meed Knausgård niet alleen opzettelijk de bekendste werken, hij geeft ook geen enkele informatie bij de schilderijen. ‘Ik wilde ook geen museumbrochure met de titels van de schilderijen en de plek waar ze hangen. Ik wilde dat de doeken voor zichzelf spraken,’ licht de schrijver toe.

    Het is niet zo vreemd dat het Munchmuseum hem de taak heeft toevertrouwd een nieuwe blik op de schilder te werpen. Het doel van Munch was om de scènes en motieven van zijn intieme leven zo dicht mogelijk te benaderen, zoals Knausgård zo diep mogelijk in het mens-zijn heeft willen doordringen door zijn eigen bestaan te beschrijven. In het boek dat hij aan de schilder heeft gewijd vergelijkt Knausgård Munch met Dostojevski die, in tegenstelling tot Tolstoj, op zoek was naar het existentiële en emotionele.

    ‘Als ik me begin te schamen voor wat ik schrijf, weet ik dat ik op de goede weg ben’

    Is het voorstelbaar dat uw expositie nieuwe ‘grote werken’ van Munch creëert?

    ‘Daar droom ik van,’ antwoordt hij. ‘Om een schilderij op een voetstuk te plaatsen en het steeds meer te zien stralen. Dat lukt misschien niet met een expositie, maar het is waarschijnlijk mijn grootste ambitie.’

    In zijn boek over Munch schrijft hij dat ‘de waarheid beleefd moet worden en om die reden naakt moet worden tentoongesteld en niet worden geïntegreerd in overgeërfde afbeeldingen’. Wat is dan Knausgårds waarheid over Munch? ‘Onze kijk op een kunstenaar is nogal universeel, denk ik. Ik geloof dat die na verloop van tijd op hetzelfde moment bij alle mensen postvat. Wij zoeken allemaal hetzelfde in de werkelijkheid. Deze expositie loopt goed omdat we in Munch datgene hebben gezocht en gezien wat de mensen zoeken. Er is een soort collectieve blik.’

    Hij laat een korte stilte vallen, neemt een grote slok koffie en komt terug op zijn boeken. ‘Mijn ervaring is juist dat wat ik schrijf alleen maar over mij gaat. Veel mensen denken hetzelfde, en voor mij is kunst een plek die verzamelt. Simone de Beauvoir is een plek die verzamelt, dus gaan we ernaartoe. Het museum is een plek waar iets analoogs gebeurt, iets collectiefs.’ Knausgård buigt zich voorover. ‘Tegelijkertijd moeten kunstenaars, om te kunnen slagen, dat collectieve aan hun laars lappen! Munch is zowel specifiek als heel universeel. Een eigenschap van mensen is dat ze een bepaalde veranderende esthetiek kunnen begrijpen.’

    In uw boek vraagt u zich af of we niet nog altijd in de tijd van Munch leven, dat wil zeggen in een tijd van radicaal individualisme, waarin gevoelens op de eerste plaats komen. Is dat het geval?

    ‘Ik denk het wel. We worden voortdurend rechtstreeks geïnformeerd over al het leed op de wereld. Er is geen afstand meer. Dat was in de tijd van Munch anders. Er bestond een grote afstand tot de onmetelijke wereld, en daarom kwam zijn kunst zo heftig over.’

    In de vier boeken over de jaargetijden die Knausgård voor zijn dochtertje heeft geschreven komen tal van bomen voor. In Zomer _[dat onlangs verscheen in het Nederlands] leren we veel over de kastanjeboom, die Munch ook graag schilderde. Dat de expositie _Richting bos heet, heeft te maken met de rol die het bos in het leven van mensen speelt. ‘Het bos staat voor alles wat wild en ongecontroleerd is, wat zich aan de beschaving onttrekt, maar tegelijkertijd denk ik dat we deze wilde en onbeschaafde aspecten ook bij mensen aantreffen,’ legt de schrijver uit. ‘Het bos herbergt ook het avontuur en het onderbewuste. Munch schildert bomen als individuen: ze hebben een menselijke houding. Dat aspect was me nooit eerder bij Munch opgevallen, maar ineens sprong het me in het oog. En daarna zie je op het fysieke doek de fysieke kleur van het hout, die er met verfstrepen in is gegraveerd.’


    Appelboom bij de studio 1920-1928; Naar het bos I, 1897; Jaloezie, 1929/30; De Zon, 1910; Naakte man voorover leunend in het bos, 1919. – © Edvard Munch
    Appelboom bij de studio 1920-1928; Naar het bos I, 1897; Jaloezie, 1929/30; De Zon, 1910; Naakte man voorover leunend in het bos, 1919. – © Edvard Munch

    Knausgård is beroemd om zijn wens zichzelf met zijn eigen schaamte te confronteren, maar ook is hij een schrijver die zichzelf met het lichaam en het fysieke confronteert. Hij heeft heel beeldend geschreven over wat er gebeurt als men zijn behoefte doet, maar ook over de afmetingen van zijn geslachtsorgaan. Om zichzelf te rechtvaardigen citeert hij de Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969): ‘In zijn Dagboek spreekt hij over de grote kunst waar we allemaal naar streven, terwijl we een laag-bij-de-gronds leven leiden. In mijn boeken over de jaargetijden benadruk ik alle paralellen die we kunnen trekken: tanden zijn als stenen, wij zijn de wereld, we zijn bijna zoals een boom. Ik laat de psychologie buiten beschouwing en richt me alleen maar op het fysiologische en fysieke.’

    Op een tafeltje waaraan een Japans echtpaar koffie drinkt en taart eet, strijkt een mus neer. ‘Dat is bijna een bestaansvoorwaarde voor me geworden, die lijfelijke nabijheid van een wereld die in feite ontbloot is van cultuur. Die zou ik graag willen kunnen beschrijven. Ik probeer over banale, alledaagse dingetjes te schrijven omdat ze belangrijk zijn: ze maken deel uit van het verhalencorpus dat de wereld in staat stelt vooruit te komen. Als ik me begin te schamen voor wat ik schrijf, weet ik dat ik op de goede weg ben.’

    In vormen denken

    Een groep jonge museumbezoekers heeft kennelijk in de gaten met wie ik in gesprek ben. Knausgård speelt met zijn zonnebril maar zet hem niet op. We komen in de buurt van de vraag die al de hele dag op mijn lippen brandt.

    Zal dit boek over Munch literaire gevolgen hebben?

    ‘Absoluut. Ik heb van heel dichtbij gezien wat hij deed, wat zijn techniek was, wat hij onderzocht. Ik ben gefascineerd door zijn vermogen om zoiets krachtigs te creëren op zo’n klein oppervlak als een doek. Ik heb een steeds grotere behoefte aan structuur. Mijn werk gaat radicaal veranderen… ik moet in vormen gaan denken.’

    U gaat de autofictie dus verlaten, zoals ook in Zomer, waarin u plotseling het liefdesverhaal van een Noorse vrouw en een Duitse soldaat vertelt?

    ‘Ja, ik denk dat mijn volgende boek fictie zal zijn. Het klinkt misschien een beetje stom, maar dat zal andere deuren voor me openen. Zolang ik zo autobiografisch schreef, waren er altijd grenzen aan wat ik kon schrijven, vanwege anderen. Maar nu moet ik fictie gebruiken om te bereiken wat ik eerst niet kon bereiken. In mijn autobiografie ging het er voor een groot deel om een vorm van waarheid te bereiken die reflectie zou bevorderen. Nu wil ik verder gaan. Wat ik wil schrijven moet niet óver iets gaan, maar het iets zélf zijn.’

    Heeft u dus, zoals Munch op een gegeven moment klaar was met het symbolisme, de grenzen van de autobiografische bezieling bereikt?

    ‘Ik ben niet klaar met de autobiografie op zich, maar alleen waar het mezelf betreft. Munch was betrekkelijk jong toen hij de werken schilderde waardoor hij nu beroemd is. Daarna heeft hij mensen veertig jaar lang alleen maar over die werken horen spreken, maar hij heeft er nooit op teruggegrepen. Hij heeft andere wegen verkend.’

    Auteur: Jes Stein Pedersen
    Vertaler: Peter Bergsma

    Politiken
    Denemarken | dagblad | oplage 108.000

    Een van de grootste kranten van Denemarken, met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. Schenkt aandacht aan het gehele culturele spectrum: van hiphop tot architectuur tot nieuwe media. Zijn neiging tot provocatie levert de krant zowel hartstochtelijke liefhebbers als vurige tegenstanders op.