China vermaalt rotsen om aan grote zandvraag te voldoen
Volgens een nieuw onderzoek wordt ongeveer 80 procent van het zand dat tegenwoordig in de Chinese bouwsector wordt gebruikt, geproduceerd en niet uit de natuur gewonnen, dat schrijft South China Morning Post. ‘Dit markeert een keerpunt in de menselijke ingenieurskunst en biedt hoop om een grote crisis in de wereld op te lossen.’
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Natuurlijke zandreserves raken namelijk op en de grote honger naar zand heeft een verwoestend effect op het milieu. Het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) schat dat er jaarlijks 50 miljard ton zand en grind – stenen groter dan zand – wordt gewonnen voor de bouw. ‘We kunnen geen 50 miljard ton per jaar van welk materiaal dan ook winnen zonder dat dit enorme gevolgen heeft voor de planeet en dus voor het leven van mensen,’ vertelde UNEP-onderzoeker Pascal Peduzzi in 2019 aan de BBC.
Volgens een recent onderzoek dat vorige maand in het tijdschrift Nature Geoscience is gepubliceerd, is de totale zandaanvoer van China – die tussen 1995 en 2020 ongeveer vervijfvoudigd is – echter grotendeels afkomstig van kunstmatig zand, dat wordt geproduceerd door rotsen of mijnafval mechanisch te vermalen en te zeven. Het onderzoek was een samenwerking tussen internationale onderzoekers van instituten als het Research Centre for Eco-Environmental Sciences van de Chinese Academie van Wetenschappen, de Universiteit Leiden in Nederland en de Universiteit van Cambridge in Groot-Brittannië.
In de Amerikaanse stad Seattle is de woningmarkt zo oververhit dat veel oude huizen moeten plaatsmaken voor nieuwe. De oude woningen verhuizen per schip naar een betaalbare bestemming buiten de stad.
Een groepje buurtbewoners heeft zich in een buitenwijk van Seattle langs de waterkant opgesteld om een 35-jarige woning uit hun straat te zien vertrekken. In dit geval vereist de verhuizing hydraulische liften, een hijskraan en een aak. ‘Ik heb nog op dat huis gepast,’ zegt een vrouw hoofdschuddend, terwijl 750 vierkante meter grijs hout en glas traag van de fundering loskomt. Toen werklui het huis eerst kwamen losmaken ontdekten ze dat het veel steviger aan de fundering was bevestigd dan gebruikelijk, met verankeringen om de 30 centimeter. ‘De oorspronkelijke eigenaar, een bouwkundig ingenieur, had ervoor gezorgd dat het huis muurvast stond,’ zegt Dan Wozniak, de hoofdaannemer die is ingehuurd om een nieuwer, groter en duurder huis op deze plek neer te zetten. ‘Hij zou nog raar opkijken,’ grinnikt Wozniak.
Een woning die in zijn geheel is opgelicht is een vreemd gezicht. Dit huis balanceert, zo nu en dan wankel, op balken die als een Jenga-toren op een enorme trailer zijn gestapeld. De doorgaans verborgen onderzijde is nu voor iedereen zichtbaar en nergens aan verbonden: je ziet een plaatstalen buis die nergens heen gaat en een loshangende plastic waterleiding met de isolatie er nog omheen.
Peter Teutsch, een van de buren die het spektakel komt bekijken, denkt terug aan de jaren tachtig, toen zijn huis werd gebouwd. In die tijd, zegt hij, stond deze wijk van Kirkland, gelegen aan Lake Washington, recht tegenover Seattle, bekend om zijn bungalows, meestal kleine, ongeïsoleerde zomerhuizen op ruime percelen. ‘Waar de wijk nu om bekendstaat?’ reageert Teutsch lachend op mijn vraag. ‘Oude huizen die het veld moeten ruimen voor nieuwe huizen.’
Florerende economie
Dat geldt tegenwoordig voor heel Seattle en omstreken. Met een florerende economie, drijvend op techgigant Amazon, schieten de huizenprijzen sneller omhoog dan waar ook in de VS. Aannemers verdringen zich om aan de groeiende vraag te voldoen – en om hun graantje mee te pikken. Met als resultaat dezelfde ontwikkeling die zich in andere steden langs de westkust aftekent: een schrikbarende toename van dakloosheid, autochtone inwoners die noodgedwongen moeten verhuizen of uren kwijt zijn aan forenzen, en de teloorgang van een gemengde gemeenschap. Via de hashtag #NoticeofProposedLandUseAction uiten bewoners in Seattle hun frustraties over de openbare kennisgevingen die weer een nieuwe sloop aankondigen.
Tawny Davis ziet in alle sloopvergunningsaanvragen juist een gouden kans. Als regionale verkoopmedewerker voor Nickel Bros spoort ze huizen op die op de nominatie staan voor sloop maar die nog in goede staat verkeren. Terwijl de sloopvergunning nog in behandeling is, probeert zij de aannemer over te halen om haar een nieuwe bestemming voor het huis te laten vinden. (Nickel Bros bestaat al sinds de jaren vijftig en was oorspronkelijk gericht op verhuizingen van bedrijfspanden; pas sinds kort is het verhuizen van woonhuizen een aantrekkelijke markt gebleken.) Vervolgens zoekt Davis naar kopers die willen betalen om het huis te verplaatsen – meestal naar goedkopere grond. ‘Ik noem het landontginning,’ zegt ze. ‘Ik verhuis talloze huizen uit Seattle; er zijn maar weinig huizen die hier blijven.’
Dit werk biedt een wonderlijke inkijk in de huizenmarkt van Seattle. Volgens Davis willen de meeste mensen een groter huis, maar ze maken een uitzondering voor de iconische houten Craftsman-bungalows. Is het huis per aak te verplaatsen – dat wil zeggen: bevindt het zich op een locatie in de nabijheid van water, zonder viaducten of bovengrondse hoogspanningslijnen – dan zijn de mogelijkheden legio. Kan het huis de stad niet verlaten, dan vist Davis achter het net. (Behalve als een vrijstaand huisje klein genoeg is om voor luxe tuinhuis door te gaan.)
Sommige mensen denken dat er iets mankeert aan de huizen die Davis te koop aanbiedt, maar de nieuwe realiteit is dat huizen op percelen met een bouwvergunning ‘ongeacht de staat waarin ze verkeren worden neergehaald’, aldus Davis. In Seattle gaan huizen regelmatig tegen de vlakte om plaats te maken voor twee huizen, of een appartementencomplex dat letterlijk het hele perceel bestrijkt.
Steden verkeren altijd in een borgesiaans veranderingsproces: mensen trekken erheen of trekken weg, oude gebouwen maken plaats voor nieuwe. Seattle zal dichter moeten worden bebouwd, wil de stad niet alleen maar duurder en exclusiever worden. Hoe dan ook vormen de vertrekkende huizen voor sommige achterblijvers een pijnlijke herinnering aan alle mensen die, net als hun huizen, uit de stad zijn verjaagd, op zoek naar een betaalbare woonplaats elders. Vorig jaar, toen een lokale blog in West-Seattle meldde dat Nickel Bros van plan was zes huizen uit de wijk te verhuizen, luidde een van de commentaren: ‘Onroerend goed is hier zo onbetaalbaar geworden dat zelfs de huizen verkassen!’
De kosten voor de nieuwe eigenaar? Eén dollar voor het huis en 249.999 dollar voor de verhuizing
Onder het oog van de steeds grotere groep toeschouwers wordt het wiebelende huis naar de wachtende aak verplaatst. Werklui in felgekleurde overalls leiden het hele proces in goede banen en zorgen ervoor dat het huis stabiel en waterpas blijft. Een passerende speedboot mindert vaart om het spektakel te bekijken. Een drone die de verhuizing filmt moet uit de lucht worden gehaald omdat hij wordt aangevallen door een visarend. In de middag zal het huis over Lake Washington en Lake Union worden gesleept, de sluizen naar Puget Sound passeren en vervolgens op een grotere aak worden geplaatst voor de laatste tocht naar een fjord in British Columbia, driehonderd kilometer noordwaarts.
Uit het financiële plaatje blijkt maar weer dat het bij onroerend goed allemaal draait om locatie: met de torenhoge grondprijzen hebben de nieuwe eigenaren 3,3 miljoen dollar betaald voor een huis dat, als Davis niet tijdig lucht had gekregen van de sloopvergunning, tegen de vlakte was gegaan. Wozniak schat dat de kopers nog eens zo’n zelfde bedrag zullen neertellen voor de bouw van een nieuw huis, inclusief garage, van om en nabij 3500 vierkante meter. Ondertussen vertrekt het grijze huis naar British Columbia, een gebied dat gebied dat bekendstaat om zijn zomerhuizen, waar een bouwploeg het op een gloednieuwe fundering zal plaatsen. De kosten voor de nieuwe eigenaar? Eén dollar voor het huis en 249.999 dollar voor de verhuizing.
De dieplader met het grijze huis staat inmiddels goed en wel op de aak, en in de verte verschijnt de sleepboot die ze zal wegslepen. De buurtbewoners, met lege koffiebekers in de hand, druppelen langzaam weg. Peter Teutsch leidt me rond door de buurt. ‘Alles verandert,’ zegt hij terwijl hij huizen aanwijst. ‘Die twee woningen zijn nieuw. Dat huis wordt over een half jaar neergehaald.’ Hij wijst naar een licht geschilderd huis met een groen dak aan de overkant van een kleine inham. Hij herinnert zich nog dat het huis hier rond 1980 op een aak arriveerde, vlak voordat het grijze huis werd gebouwd. Destijds, vermoedt hij, stond het huis met het groene dak elders op de nominatie voor sloop en vond het hier, ver van huis, een betaalbare verblijfplaats.
In 2014 opgericht magazine dat wordt geleverd aan abonnees van onder meer de LA Times en de San Francisco Chronicle. Brengt verhalen over het westen van de VS, Latijns-Amerika en Azië.
Daar waar Polen net als veel andere Oost-Europese landen weigert Syrische vluchtelingen op te nemen, zijn Aziatische arbeidsmigranten er van harte welkom.
Na de golf economische vluchtelingen uit Oekraïne komt er nu een nieuwe aan – uit het Verre Oosten. Poolse werkgevers hebben steeds meer moeite om aan Oekraïense werknemers te komen – die al even veeleisend zijn geworden als de Polen – en beginnen in exotischer oorden personeel aan te werven.
Volgens gegevens van het ministerie van Gezin, Arbeid en Sociaal Beleid heeft Polen alleen al in 2017 bijna 30.000 werkvergunningen afgegeven aan mensen uit Nepal, India, Bangladesh, Oezbekistan, Pakistan, de Filippijnen en China. Het afgelopen jaar raakte het echt in de mode om mensen uit het Verre Oosten te rekruteren, iets wat Poolse werkgevers tot dusverre nooit hebben gedaan.
Het aantal buitenlandse werknemers in Polen stijgt gestaag: in 2016 zijn 140.000 werkvergunningen afgegeven, een jaar later is dat aantal bijna verdubbeld. Natuurlijk bestaat de meerderheid van hen uit Oekraïners en, in iets mindere mate, Witrussen. Maar na hen worden de meeste werknemers naar Polen gehaald uit… Nepal, gevolgd door India, Moldavië, Bangladesh en Oezbekistan. ‘Qua openheid van de grenzen kunnen we stellen dat we onze verplichtingen ten opzichte van de Europese Commissie meer dan vervuld hebben,’ grapt Andrzej Kubisiak, directeur [van de dienst analyse en communicatie] bij Work Service [het grootste wervingsbureau in Polen]. ‘Maar even serieus, het menselijk potentieel aan onze oostgrens raakt uitgeput. En daarom beginnen de werkgevers en de wervingsbureaus nu andere bronnen te zoeken.’
Een heel ander arbeidsethos
Waarom is Azië plotseling in de mode? Bartosz Cebula, vicedirecteur van een bureau dat gespecialiseerd is in rekrutering van Aziaten, legt uit dat zijn cliënten ‘teleurgesteld zijn in het Oekraïense personeel. Ten eerste stijgen de aanwervingskosten van onze buren almaar. Oekraïners eisen vaak hetzelfde salaris als Polen, en soms meer. Ten tweede zijn Oekraïners, volgens mijn cliënten, vaak minder gemotiveerd. Indiërs en Nepalezen hebben een heel ander arbeidsethos.’
Uit de statistieken van het ministerie blijkt dat het voornamelijk om handarbeiders gaat. In 2017 waren er op een totaal van 250.000 buitenlandse werknemers slechts 30.000 gekwalificeerde krachten, 3000 informatici en 20… artsen. Het gaat hoofdzakelijk over lichamelijke arbeid – in de bouw en de verwerkende industrie. De administratieve rompslomp en de eenmalige kosten die verbonden zijn aan de aanwerving van mensen die van het andere eind van de wereld komen, vormen geen beletsel voor werkgevers die op de salarissen willen besparen.
Maar Bartosz Cebula is van mening dat ‘het bij ons nog steeds gemakkelijker is dan in Duitsland, waar de aanwerving van buitenlands personeel beperkt blijft tot een lijst met beroepen waarvan officieel erkend wordt dat er een tekort aan geschoold personeel bestaat, bijvoorbeeld wiskundigen, artsen of informatici. En daar wordt buitengewoon streng de hand aan gehouden. Daarom besluiten de Aziaten naar ons te komen. Voor hen is werken in de Europese Unie een droom, ze kunnen meer dan tien keer zo veel verdienen als in hun land van herkomst.’
Het ministerie van Arbeid wil uiterlijk voor de zomervakantie de aanwervingsvoorwaarden voor buitenlandse werkkrachten liberaliseren. Evenals in Duitsland moet er een lijst van beroepen komen, maar degenen die aan de criteria voldoen kunnen dezelfde voorrechten genieten als onderdanen uit zes Oost-Europese landen (Oekraïne, Wit-Rusland, Rusland, Armenië, Georgië en Moldavië); ‘de zes’. Werkgeversorganisaties willen zelfs een tiental landen toevoegen aan de lijst met landen waarvoor gunstiger voorwaarden gelden!
Als dit scenario zich voltrekt staat ons misschien een ware toestroom van goedkope arbeidskrachten uit heel Azië te wachten. In de Poolse wetgeving wordt bepaald dat buitenlandse werkkrachten een minimumsalaris moeten ontvangen en woonruimte moeten krijgen, maar hoe die woonruimte eruit moet zien wordt niet nader gepreciseerd. Het is dus mogelijk dat het net zo zal gaan als nu met de Oekraïners die soms met z’n tienen een appartement delen.
In dat opzicht staat het Poolse recht aan de kant van de werkgevers. Afgezien van de ‘bevoorrechten’ uit ‘de zes’, worden de overige werknemers aangeworven voor een minimumperiode van één jaar. Maar bij voorkeur twee jaar. In die periode mogen ze alleen maar werken voor de onderneming die ze heeft aangemeld bij de arbeidsadministratie en ze mogen dus niet, zoals de Oekraïners, van werk veranderen als iets hun niet aanstaat. De werkgever die een Nepalees laat komen voor de duur van een bouwproject heeft dus de garantie dat hij gedurende het project voor een minimumsalaris voor hem zal werken. Sterker nog, hij gaat niet naar huis tijdens de feestdagen en neemt geen vakantiedagen op. Er is geen directe vlucht tussen Warschau en Kathmandu en vluchten duren met overstappen algauw meer dan twintig uur en kunnen wel vijftienhonderd euro kosten. Een Oekraïner daarentegen die in Lublin [Oost-Polen] werkt, kan voor tien euro met de bus naar zijn geboortestad Lviv.
In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd
Het is dus helemaal niet verbazingwekkend dat werkgevers hele ploegen Aziatische bouwvakkers laten komen. ‘Deze bouwvakkers hebben nog een voordeel,’ aldus Andrzej Kubisiak. ‘Ze hebben vaak ervaring met grote bouwprojecten omdat ze gewerkt hebben in de Arabische Emiraten of in Qatar. Ook in Azië zelf zijn er enorme bouwprojecten. Helaas kunnen Oekraïense bouwvakkers niet prat gaan op zo’n cv.’
In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd. Vorig jaar hebben ze in Silezië (Zuid-Polen) gewerkt, terwijl ze twee jaar eerder in Ermland-Mazurië (Noord-Polen) werkzaam waren. Ze worden dus in heel Polen ingezet. Er zou dan ook niets vreemds aan geweest zijn als inmiddels algemeen bekend zou zijn dat het regime-Kim al jarenlang werknemers aan andere landen verkoopt. Vrijwel hun gehele salaris wordt ingehouden en vloeit in de Noord-Koreaanse schatkist. Tegelijkertijd zijn ze gewaarschuwd dat als ze vluchten, hun op het Koreaans schiereiland achtergebleven familieleden de consequenties ervan zullen ondervinden.
Oekraïners en Witrussen spreken al vrij snel Pools. Vaak hebben ze al een basis als ze in Polen aankomen. Hoe communiceren hun superieuren met de Aziaten? Met een Indiër kun je Engels praten, maar het wordt al lastiger met Chinezen, Nepalezen of Filippijnen. De werkgever moet er dus voor zorgen dat iedere ploeg ten minste één persoon bevat die een gemeenschappelijke taal spreekt.
Komt er in Polen een nieuwe boom van buitenlandse werknemers? ‘Naast een stijging van het aantal Aziatische arbeiders moet rekening worden gehouden met een toenemende immigratie uit de landen van de voormalige Sovjet-Unie,’ aldus Grzegorz Sielewicz, hoofdeconoom van Coface Midden-Europa. ‘Hoewel de Russische economie geleidelijk aantrekt, wordt de Poolse arbeidsmarkt een aantrekkelijk alternatief voor mensen uit traditionele emigratielanden als Moldavië, Georgië, Oezbekistan, Tadzjikistan of Kazachstan, die vroeger voor Rusland kozen.’
Wprost (‘Recht op het doel af’) staat in Polen vooral bekend om zijn scoops. In 2014 baarde het blad veel opzien met de publicatie van in het geheim opgenomen gesprekken tussen belangrijke politici.
Ook in de Amerikaanse bouwwereld wordt volop onderzoek gedaan naar het gebruik van robots en digitale technieken, zoals 3D-printen. Maar de sector is veel voorzichtiger dan bijvoorbeeld de auto-industrie. ‘Een huis moet vijftig of honderd jaar staan. Daar hangen mensenlevens vanaf.’
Stel je voor dat je met een druk op een knop een team van machines aan het werk kunt zetten. Op basis van een digitale bouwtekening zetten ze in een paar dagen op een leeg stuk grond een compleet huis neer. Ze zijn op tijd klaar, blijven binnen het budget en produceren geen afval.
In de auto-industrie bestaat deze geautomatiseerde toekomst al; nu hopen ingenieurs dat in de bouw iets dergelijks mogelijk is. In deze analoge sector, die tot voor kort weinig ophad met digitalisering, werken kleine start-ups en onderzoeksgroepen aan een digitale revolutie. Voorbeelden zijn het 3D-geprinte huis van Apis Cor en de nieuwe multifunctionele robotarm van het MIT Media Lab.
In juli 2016 verrees op een parkeerplaats in Californië binnen twee dagen een vijftien meter breed, vier meter hoog gewelfd gebouw. Een robotarm gemonteerd op zelfsturende tankachtige rupsbanden was dertienenhalf uur bezig laag na laag plasticschuim neer te leggen; het resultaat had iets van een reusachtige gele bijenkorf. Het MIT hoopt dat hun Digital Construction Platform (DCP), beschreven in het aprilnummer van het tijdschrift Science Robotics, het fundament zal leggen voor de gebouwen van de toekomst.
‘De omschakeling naar een digitale manier van werken betekende voor de ontwerpfase een enorme vooruitgang,’ vertelt auteur van het artikel Steven Keating. ‘Maar tot nu toe had dat op de bouwplaats nauwelijks gevolgen.’ De vierde industriële revolutie mag dan zijn aangebroken, in de bouw worden als vanouds blokken op elkaar gestapeld, vaak nog met de hand.
De bouw is een reusachtige sector, gebruikt meer materialen dan elke andere en is goed voor elf procent van alle economische activiteit wereldwijd. Het is ook een hopeloos inefficiënte sector: in de Verenigde Staten produceert de bouw de helft van alle afval. Maar dankzij de precisie waarmee robots kunnen werken is daar misschien iets aan te doen.
Hele muren printen
Bouwplaatsen zijn, in tegenstelling tot de lopende band van een fabriek, voortdurend blootgesteld aan weer en wind. Verder worden aan gebouwen strengere veiligheidseisen gesteld dan aan andere consumentenproducten.
Om die reden is het begrijpelijk dat de bouw nooit zo happig was op innovatie, vertelt Keating aan de telefoon: ‘Gebouwen moeten vijftig tot honderd jaar blijven staan, daar hangen mensenlevens vanaf.’
Toch is volgens sommige onderzoeksgroepen een doorbraak niet ver weg. Dit jaar bouwde een robotarm van de start-up Apis Cor van sneldrogend beton de muren van het eerste in situ opgerichte 3D-geprinte huis. Het bouwen van de modelwoning kostte een maand en slechts 10.000 dollar, inclusief alle bedrading en afwerking. Het printen van de muren was volgens woordvoerder Konstantin Nefedev binnen een dag klaar.
Het is evident waarom deze techniek zo aantrekkelijk is. Door hele muren te printen, kunnen aannemers exact voorspellen hoeveel tijd en materialen ze nodig zullen hebben. Zo besparen ze op de kosten. Dit is dan ook de gedachte achter het vergelijkbare Contour Crafting System van de University of Southern California: betaalbare huizen binnen het bereik van miljoenen mensen in ontwikkelingslanden brengen.
Door de flexibiliteit van robotarmen zijn ingewikkeld gevormde componenten niet langer duurder; daardoor kunnen gebouwen meer rondingen krijgen
Maar technologie is niet het hele verhaal. ‘Er bestaan allerlei barrières – zoals bijvoorbeeld de regelgeving in de bouw,’ aldus Nefedev. In Russische testfaciliteiten is aangetoond dat het beton van Apis Cor bestand is tegen meerdere cycli van vriezen en ontdooien. Desondanks vraagt Keating zich af of de zo om veiligheid bezorgde bouwsector zal opteren voor materialen die nog niet het gebruik hun duurzaamheid hebben bewezen.
Keating ziet daarom meer in technieken die huidige methoden incorporeren, in plaats van ze te vervangen. ‘Alleen stap voor stap kunnen we deze sector veranderen. Wil je alles in één klap anders doen, dan valt dat maar moeilijk te integreren in bestaande bouwmethoden.’
Het MIT koos er daarom niet voor te proberen een heel gebouw uit nieuwe materialen op te trekken. In plaats daarvan maakte het als proof of concept een mal, waarin gewoon alledaags beton kon worden gegoten. Een methode waarmee het aansluit bij ruim een halve eeuw bouwgeschiedenis.
‘Als je een essentiële stap weet te verbeteren als het gieten van beton – waar de hele structuur van een gebouw van afhangt – dan ga je uit van een systeem dat al volop gebruikt wordt in de bouw. Op die manier kun je echt beginnen met dingen bouwen en van daaruit opschalen,’ legt Keating uit.
Door de flexibiliteit van robotarmen zijn ingewikkeld gevormde componenten niet langer duurder; daardoor kunnen gebouwen meer rondingen krijgen. ‘In de natuur zie je toch ook geen dieren of insecten met rechthoekige schelpen?’
Keating wijst erop dat de demo maar één van de vele mogelijkheden van het Digital Construction Platform laat zien. ‘Let op: wij noemen dit geen 3D printer, maar een platform.’ Net als de menselijke hand kan de functie ervan met allerlei gereedschappen worden uitgebreid. Momenteel kan het worden ingezet voor het egaliseren van de bouwplaats, snijden, afwerken van oppervlakken en het aan elkaar lassen van rigide componenten.
Ook professor Alexander Schreyer van de universiteit van Massachusetts denkt dat de efficiëntie dankzij 3D-printen omhoog kan. Toch zal er volgens hem nooit een uniforme oplossing voor alle problemen komen.
‘In de bouw is altijd een mix van technieken gebruikt,’ vertelt hij in een telefoongesprek. ‘In plaats van te zeggen: kom, ik ga een heel huis 3D-printen, denk ik dat een combinatie met andere methoden uiteindelijk het beste werkt.’
Schreyer vertelt dat deze ontwikkeling al gaande is, in de vorm van geprefabriceerde onderdelen, die op de bouwplaats in elkaar gezet kunnen worden: ‘Net als bij een IKEA-meubel dat je zelf in elkaar zet: alles past perfect in elkaar.’
Deze technieken zijn al volop beschikbaar, maar worden nog vrij weinig gebruikt. Dat wijst erop dat innovatie in de bouw niet alleen door technische en wettelijke barrières wordt geremd, maar ook door andere factoren.
‘Vrijwel iedereen woont in een huis met grofweg dezelfde functionaliteit en eendere esthetiek. Waarom moet elk huis dan in godsnaam van de grond af opnieuw worden ontworpen?’ vraagt Schreyer zich af.
Economische overwegingen
‘In de auto-industrie worden veel dingen al en masse geproduceerd en tegelijkertijd voldoende aangepast aan specifieke wensen om mensen tevreden te houden. Het is onbegrijpelijk dat met huizen niet hetzelfde gebeurt,’ vervolgt hij. ‘Het zal wel iets met perceptie te maken hebben. Misschien denken mensen dat geprefabriceerde gebouwen minder stevig zijn, speculeert hij.
Uiteindelijk zullen economische overwegingen de innovatie voortstuwen. Er gaan immense bedragen om in de bouw, maar de winstmarges bedragen meestal maar enkele procenten. Elke methode die voor meer winst zorgt, zal bedrijven bevoordelen die er gebruik van maken, maar Schreyer vermoed dat dit kantelpunt nog voor geen enkele techniek bereikt is.
Onduidelijk is of de huizen van de toekomst gegoten, geprint of geprefabriceerd zullen worden. Maar alle experts zijn het erover eens dat verandering op til is, al zal die geleidelijk komen. ‘Ik denk dat de wereld steeds meer geautomatiseerd zal raken, inclusief de bouw, alleen zal het veel langzamer gaan dan mensen denken,’ aldus Keating.
De bouw heeft dus iets weg van beton: hij vloeit al even langzaam en ongenaakbaar voort. ‘We bewegen allemaal in dezelfde richting,’ zegt Nefedev. ‘De technologie vordert gestaag – maar of het in kleine stapjes of in grote sprongen is, de tijd zal het leren.’
Auteur: Charlie Wood
Vertaler: Valentijn van Dijck
Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.