Tag: burgerrechten

  • De drie gouden regels van ‘Tatjana 911’

    De drie gouden regels van ‘Tatjana 911’

    Tatjana Sedych maakt al veertien jaar in haar eentje de onafhankelijke krant van de gemeente Vanino, in het Verre Oosten van Siberië. Dat leverde haar de Sacharovprijs op – maar ook een afgebrand huis en een aanslag op haar leven.

    Martijn Smiers, Rusland-correspondent van RTL4, tipte de redactie dit artikel: ‘Het verhaal van Tatjana viel mij op omdat dit Rusland in het klein is. Het land heeft uitstekende journalisten. Niet alleen in Moskou, maar ook in provinciesteden en dorpjes. Die journalisten verdienen weinig, worden vaak tegengewerkt door de plaatselijke autoriteiten en toch kiezen ze niet voor een comfortabel bestaan bij de staatsmedia. Zelfs niet als ze, zoals Tatjana, invalide zijn en een moordaanslag om hun oren krijgen.’

    In de markt tegenover de haven bedekken zo’n vijftien vrouwen hun houten kisten met een doek en leggen de eerste oogst erop: de nog niet opgegeten wintervoorraad jam, de door hun mannen gevangen vis en kiemplantjes. Ze verkopen puree van duindoornbessen, pijnboompitten in een schaal, gedraaide limoentakjes en blaadjes van rode bosbessen. Hun vis is een geschenk uit de Tatarski-baai: vandaag liggen er op de toonbank gedroogde komkommervisjes (die vangen ze in de winter en in de badkamer hangen ze de visjes aan een spijker te drogen), gedroogde regenboogspiering, gerookte roze zalm en krabben (tien euro voor een kilo). Al dagen wachten ze hier op de adelaarsvarens. Als de oogst begint, zijn ze er voor 30 cent per bos en worden ze in elk huis gebakken met ui en knoflook. Een deel van de varens wordt ingezouten voor de winter. De rest wordt opgestuurd naar de kinderen in Europees Rusland, in een pakketje, samen met gedroogde komkommervisjes.

    Langs de kraampjes, steunend op een wandelstok, loopt een vrouw. Ze begroet elke verkoper, vraagt of ze het niet koud hebben, hoe vandaag de handel gaat en ze deelt de krant uit. Dit is Tatjana Sedych, uitgever, redacteur en enig journalist van de plaatselijke krant Moje Poberezje (‘Mijn Kust’). Elke zaterdag heeft ze, hier op de markt, een ontmoeting met haar lezers.

    Een bevriende verkoper heeft de rolstoel al voor haar uitgeklapt. Die staat in de winkel ernaast en wacht daar op Tatjana, van zaterdag tot zaterdag. Ze bevestigt een blad met opschrift ‘Abonnement 2018’ aan haar wandelstok. De lezers komen non-stop naar Tatjana toe. De een klaagt over het leven, de ander vraagt of ze kan kijken naar haar lekkende dak, en weer een ander laat haar een medisch dossier zien.

    Moje Poberezje is een zwart-witte krant van aanvankelijk acht à tien pagina’s. Nu zijn het er vier: de drukkerij is duur. Het eerste nummer verscheen in januari 2004, en zowel toen als nu is dit de enige onafhankelijke krant in Vanino.

    Edelstenen

    Tatjana werd in 1958 geboren, op het eiland Sachalin, in een geologisch verkenningsdorp. Haar ouders waren opgeroepen om daar, in het Verre Oosten van Siberië, te werken. Ze woonden in het Noorden van Sachalin, in trailers, midden in de taiga. De bewoners noemden hun dorpje dan ook Razvedka (‘Verkenning’).

    In Razvedka was een medische post, een crèche en een schooltje met één grote klas voor alle kinderen. Om bij het station te komen, moest je eerst een aantal kilometer lopen over een onverharde weg. Als je geluk had kon je met de paardenslee. De trein – die bestond uit een locomotief en één wagon – ging één keer per dag: 28 kilometer naar het dorp Ocha en daarna nog eens 12 kilometer naar de haven Moskalvo, de rand van het eiland. Bussen waren er niet.

    Toen bij Tamara, de moeder van Tatjana, ’s nachts de weeën begonnen, werd ze in Razvedka op een paardenslee gezet en uit Razvedka naar het ziekenhuis in Moskalvo gebracht. Daar werd Tatjana geboren.

    Als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana zelf een antwoord. Iemand moest het doen

    Tatjana werd journalist na haar dertigste, toen ze al twee kinderen had. Ze verhuisde in 1991 naar Vanino met haar man, een militair die daarheen werd uitgezonden. Midden jaren negentig begon ze stukjes in te sturen bij de plaatselijke krant Voschod (‘Zonsopgang’). Later kwam de hoofdredacteur bij haar thuis langs en bood haar een baan aan.

    Ze werd aan het werk gezet bij de brievenrubriek. Daar moest ze ingezonden brieven lezen en interne memo’s schrijven met wat de lezers bezighoudt. Soms kwamen er artikelen naar aanleiding van een ingezonden brief. Soms werd een lezersbrief naar de plaatselijke autoriteiten gestuurd als alleen die het probleem konden oplossen.

    Maar als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana weleens dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana dan maar zelf een antwoord. Iemand moest het doen.

    Toen Tatjana op een dag zag dat een collega haar artikel ter controle naar de autoriteiten stuurde, waarna het stuk niet gepubliceerd werd, besloot ze de krant te verlaten.

    Ze ging aan de slag bij een particuliere krant. Daar had ze weliswaar niet te maken met afhankelijkheid van de autoriteiten, maar wel met een baas en met zakelijke belangen. Om als journalist openlijk te kunnen schrijven over wat er aan problemen leefde onder de mensen, zag ze in, moest ze zelf een krant oprichten.

    Mama, brand!

    Het eerste nummer haalde ze zelf op bij de drukker. Ze slaagde erin om 900 exemplaren bij plaatselijke kraampjes te bezorgen. Om tien uur ’s avonds was ze thuis, bracht ze haar dochter naar bed, en schreef ze tot drie uur ’s nachts het tweede nummer. Om vier uur werd ze wakker van haar dochter, die schreeuwde. ‘Mama, brand!’

    De garage was in brand gestoken, het vuur verspreidde zich naar naar het huis. Toen ze wakker werden, stond de voordeur al in vuur en vlam. Voor alle ramen zaten tralies, behalve één: daardoor kropen ze naar buiten. Op de veranda lag het eerste nummer van de krant, een oplage van 10.000, die – net als de woning – in vlammen op ging. Van de auto bleef alleen een geraamte over.

    Na de brand ging Tatjana vaak naar de politie. Ze eiste een strafzaak, maar de daders zijn nooit gevonden.

    ‘Ik dacht: Daar sta je dan op straat en overal om je heen gaat het leven gewoon door. Maar er zijn toch daders? We hebben politie, de brandweer, justitie. Maar ze deden alsof er niets gebeurd was, alsof niemand het wat interesseerde, alsof iedereen het was vergeten.’

    Tatjana en haar dochter gingen noodgedwongen op de redactie wonen. Overdag werd er in het kantoor gewerkt; ’s avonds dweilden ze de vloer, legden ze een matras neer en gingen ze slapen.

    Aangezien de eerste oplage in de vlammen was opgegaan, was er geen omzet binnengekomen. Maar de drukkerij moest wel worden betaald. Tatjana had dus meteen een schuld.

    In die periode werd Tatjana gebeld door ‘De Jonge Verre Oosterling’, een loyale krant uit de stad Chabarovsk, die loyaal is aan de autoriteiten. Ze boden haar een baan aan, maar Tatjana weigerde resoluut: ‘Ik heb niet mijn eigen krant opgericht om mijn huis te laten afbranden en de boel te sluiten.’ Het tweede nummer kwam er, gewoon op tijd.

    Foto’s: © Viktoria Mikisja
    Foto’s: © Viktoria Mikisja

    Manifest

    De krant van Tatjana heeft een ongeschreven handvest, bestaande uit drie regels die Tatjana zelf heeft bepaald en nooit overtreedt.

    Regel 1: de mens, in voor- en tegenspoed, staat altijd voorop.

    Wanneer je in Vanino alles al hebt geprobeerd om je recht te halen en alle wegen zijn uitgeput, dan ga je naar Tatjana.

    Als je over het werk van Tatjana een actiefilm zou maken, dan zou zij de heldin zijn die strijdt tegen twee grote krachten: de autoriteiten van de gemeente Vanino en hun loyale pers. De autoriteiten hebben enorm veel macht. Gedurende de hele film proberen ze de heldin, die opkomt voor de plaatselijke bewoners die door de autoriteiten zijn vernederd, te gronde te richten. De machthebbers vinden dat een individu niets waard is, dat je er geen aandacht aan moet besteden. De heldin vecht voor de waarheid en voor de eer van de gewone man. Ze gelooft dat iedereen respect, aandacht en een stukje in de krant verdient. En ze wint keer op keer.

    Dat deed bijvoorbeeld een groep scholieren, die willen dat hun klas blijft bestaan, terwijl de autoriteiten hem willen sluiten aangezien het onrendabel is om zo weinig kinderen les te geven. Tatjana Sedych schrijft het ene artikel na het andere, plus nog een stuk of tien brieven naar alle instanties. Met vereende krachten lukt het de journalist, de ouders en activisten de klas te behouden. De kinderen kunnen nog steeds naar hun eigen dorpsschool.

    Er kwamen ook een keer vissers op de redactie die op de oever een kleine, gewonde zeehond hadden gevonden. Het beestje kruipt, schreeuwt van de pijn. Tatjana is al op zoek naar een auto en brengt hem naar een dierenarts.

    Wie beschermd wil worden tegen de politie, gaat ook naar Tatjana Sedych. Zelfs als dat de politie zelf is, zoals de agente die bij haar werk gewond raakte en daardoor vaak niet kan werken. Eerst kreeg ze een medische verklaring, daarna hebben ze haar ontslagen.

    Regel 2: schrijf de waarheid, wees nooit niet bang.

    De plaatselijke kranten zijn niet alleen afhankelijk van de autoriteiten omdat ze daar subsidie van krijgen, de journalisten wonen bovendien in dezelfde straat als de ambtenaren. Je relatie met hen verpesten, is zeer onverstandig. Als je vandaag iets verkeerds schrijft, geven ze morgen geen commentaar meer, word je niet meer uitgenodigd voor evenementen en heb je niets meer om over te schrijven. Bovendien ontmoet je de ambtenaren ’s avonds in de winkel of op de school van je kind.

    Maar Tatjana schrijft alles in haar kleine plaatselijke krant. Ze legt uit dat haar krant een informatieplatform is voor burgers die een beroep doen op de autoriteiten. Hier heerst geen enkele zelfcensuur, alles wordt afgedrukt opgeschreven zoals het is. Enkele voorbeelden van recente artikelen: ‘Wanneer gaan ze eindelijk een mensenleven op waarde schatten?’ – over het opheffen van een dorpsziekenhuis; ‘Ze zijn nog niet af of ze moeten al gerepareerd’ – over de nieuw aangelegde wegen; ‘Passagiers zijn slechts aanvullende lading’ – over de problemen met de veerboot tussen het vasteland en het eiland Sachalin.

    Regel 3: Kom in actie.

    Eigenlijk is dit een vreemde regel voor een journalist. In een land of regio waar de autoriteiten hun werk doen, hoeven journalisten geen actie te ondernemen. Maar Tatjana moet in Vanino een keuze maken: ofwel mengt ze zich in het leven van haar sprekers en biedt ze hulp, ofwel schrijft ze gewoon haar stukje. Tatjana heeft ervoor gekozen om in actie te komen.

    Nadat Tatjana stukken van de betreffende persoon heeft ontvangen gaat ze instanties schrijven en bellen. Hun antwoorden publiceert ze in haar krant. Ze gaat door tot het verhaal is afgerond.

    29

    In december werd ze gebeld door een vrouw die huilend vroeg: ‘Weet je nog dat er in januari op zee een zeilboot is gezonken? Daarbij is mijn zoon omgekomen.’ Het lichaam van haar zoon was aangespoeld in Japan. Sinds de ramp was er bijna een jaar verstreken, maar de ouders hadden het lichaam nog steeds niet terug.

    Het was een oude vissersboot. Alle opvarenden waren jongens uit de buurt. Op 7 januari vorig jaar, toen het schip begon te zinken, zond de kapitein een SOS-signaal uit. In de meldkamer hoorden ze de kapitein: ‘Aan iedereen, iedereen die mij hoort! We zijn in nood…’ De kapitein bleef nog een tijd aan de lijn – toen werd het stil. In de lokale media kwamen er berichten dat er een zeilschip was gezonken. Wat later werd gemeld dat de zoektocht naar de schippers was gestaakt.

    Igor Jasjin was negentien jaar, kwam net uit militaire dienst en besloot wat bij te verdienen als matroos op een zeilschip. Zijn lichaam spoelde aan op het noordelijkste puntje van Japan. In zijn duikpak werd zijn telefoon gevonden. Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken werd geïnformeerd en al snel werd duidelijk uit welk dorp de jongen kwam. Zijn ouders deden een DNA-test en er was een match.

    Dat was begin februari, maar er was al bijna een jaar voorbij en het lichaam van de zoon was nog altijd niet overgebracht naar Rusland. Wat zijn ouders ook deden, niets hielp, ook niet de talloze telefoontjes naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. En toen belde Igors moeder Tatjana.

    Tatjana maakte een reportage en een paar dagen later kwam de gouverneur naar Vanino. ‘Toen ik hem dit verhaal vertelde, was hij verbijsterd: “Dit kan bij ons toch niet gebeuren?” Dat kan dus wel. Ik vroeg de gouverneur om deze zaak onder zijn hoede te nemen. Uiteindelijk konden de ouders een week later hun zoon begraven. Maar ik denk soms wel: Wat zijn we toch een geduldig volk, want die ouders hebben bijna een jaar gewacht. In die tijd heeft zijn vader een hartaanval gehad.’

    Spoorloos verdwenen

    In 2007 zat de redactie van Moje Poberezje in een kantoor naast het plaatselijke veteranenhuis. Tatjana zag dat daar vaak een oude vrouw kwam die altijd werd weggejaagd. Een van de leiders van dat Veteranenhuis schreeuwde dan tegen die kleine vrouw: ‘Ga weg, u heeft hier niets te zoeken!’ Ze ging weg, kwam weer terug, en werd opnieuw de deur gewezen. Op een dag zag Tatjana hoe ze op de stoep zat te huilen. Tatjana bracht haar naar de redactie, gaf haar een glaasje water en liet haar vertellen.

    De vrouw heette Kifaja Salachova. Haar man, Sachabtdin Salachov, was een gedecoreerd oorlogsveteraan die hoog in aanzien stond. Na de oorlog belandde hij in Vanino. Hij werkte in de haven als bewaker, hij zat in een klein hokje. In 1972 was hij in zijn hokje vergeten de kookplaat uit te zetten. Hij verbrandde op zijn werk, levend.

    Vanaf dat moment verdween zijn naam uit meerdere lijsten met veteranen, alsof hij nooit heeft had bestaan. Maar Kifaja mocht bij de veteranenraad niet naar binnen, ze werd niet uitgenodigd voor feestdagen en ze kreeg het nabestaandenpensioen voor veteranen niet. De herinnering aan haar man was verdwenen uit de archieven en zijzelf werd uit de gemeenschap gezet, weggejaagd, onzichtbaar gemaakt. Ze vertelde dit aan Tatjana en huilde.

    Tatjana werd boos en begon de informatie te checken. Ze vond het portret van Sachabtdin Salachov in het schoolmuseum onder een stapel van soortgelijke veteranenfoto’s. Op de achterkant van het portret was andermans naam geschreven.

    In de administratie van de lokale overheid waren er geen documenten die bevestigden dat veteraan Salachov in het district had gewoond. Toen vroeg Tatjana informatie op in het Centrale Archief van het ministerie van Defensie: heeft deze veteraan bestaan? Drie maanden later kwam het antwoord: ja, hij heeft bestaan en hij heeft die-en-die onderscheidingen gekregen. Tatjana stelde dezelfde vraag in Tatarstan, van waaruit Sachabtdin Salachov was vertrokken voor militaire dienst: ook hier daar was het antwoord bevestigend. Na een paar maanden stapelde het bewijs zich op. Sachabtdin Salachov was officier, had twaalf dankbetuigingen gekregen van de opperbevelhebber, was onderscheiden met een medaille voor militaire verdiensten en de Orde van de Rode Ster.

    Met alle documenten en brieven ging Tatjana naar de districtsraad van veteranen en naar het gemeentebestuur. Weduwe Salachova werd weer opgenomen in de plaatselijke Veteranenraad en ze kreeg het nabestaandenpensioen. Vanaf dat moment zat ze bij feestdagen op de eerste rij.

    De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld

    Tatjana ontving zelfs brieven uit de gevangenis. In de gemeente zijn er twee: ‘nummer een’ in Vanino en ‘nummer vijf’ in het naburige stadje Sovjetskaja Gavan. De gevangenen vroegen in hun brieven om hulp, klaagden, zochten een penvriend en vertelden verhalen uit hun leven. In de krant verscheen katern ‘de Rode Sneeuwbal’, met fragmenten uit die brieven.

    Op een dag kwam er een man naar de redactie die iets wilde vertellen: in zijn flat, op de begane grond, woonde een oude man zonder benen. Hij kon zijn huis niet uit. Dat deze invalide man zijn halve leven in de gevangenis had doorgebracht in de gevangenis, ontdekte Tatjana pas later, toen ze er langsging. In de kamer zaten mannen rond een tafel in het midden van de kamer kaart te spelen. Er hing een dikke laag sigarettenrook. Tatjana groette iedereen en stelde zich voor. Toen ze met de eigenaar van de kamer begon te praten, Pjotr, ging de rest van het gezelschap ervandoor. Met hem wilden ze niks te maken hebben. Hij woonde eigenlijk in een oude opslagruimte, maar aangezien er in de flat geen kamer vrij was, hadden de autoriteiten de invalide man nadat hij vrij was gelaten daar maar geplaatst.

    Maar de flat was zacht gezegd niet op rolstoelen ingesteld. Pjotr kon er de badkamer niet mee in en ook niet naar buiten. Hij ging nooit via de conciërgedeur naar buiten, maar klom in plaats daarvan uit het raam. Pal onder dat het raam had hij zijn oude auto geparkeerd. Hij klom op de vensterbank en daalde af, langs de muur, leunend op een trapladder, rechtstreeks zijn auto in. Hij liep al tegen de zestig. Tatjana hoorde zijn verhaal aan en beloofde na te denken over hulp.

    Toen Pjotr een keer in het ziekenhuis lag, huurde Tatjana twee klussers in. Ze kozen behang uit, kochten verf, kwasten en, plamuurmessen. De klussers verfden de meubels, poetsten de kroonluchter, plakten het behang, witten het plafond, vervingen het beddengoed en het servies. Het werd schoon en licht. En op de gang plaatsten de autoriteiten zelfs iets wat leek op een opritje voor rolstoelen.

    ‘Pjotr belde me later op. Hij was heel dankbaar en zei dat hij niet had verwacht dat iemand met zijn levensverhaal nog eens zou worden geholpen. Ze hadden me alles over hem verteld hoor, dat hij verschrikkelijke dingen heeft gedaan. Ik kreeg veel reacties op mijn onderneming in de trant van “Nou, ze heeft iemand gevonden om te helpen hoor…” De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld. Dus schreef ik in mijn krant: “Waarom zou je iemand zelfs op die leeftijd niet kunnen laten begrijpen dat het leven ook anders kan zijn, dat je anders kan leven. En dat je op een menselijke manier kan worden behandeld.”’

    Hakken

    Tatjana’s onverzettelijkheid blijkt ook uit haar beslissing nooit in rolstoel over straat te gaan, ook al heeft ze sinds haar twaalfde geen linkerbeen meer. Ze loopt op krukken met een prothese. ‘Fysiek gezonde mensen en gehandicapten worden door anderen vaak als gelijken beschouwd. Maar we zijn niet gelijk, voor ons is alles zwaarder, elke beweging, elke verplaatsing. Veel mensen die iemand in een rolstoel zien, denken dat hij het zwaar heeft, maar wanneer ze iemand op krukken zien, denken ze er niet over na hoe zwaar hij het heeft. Diegene loopt immers. Maar iemand die loopt terwijl hij eigenlijk voor zijn gezondheid in een rolstoel zou moeten rijden, overwint zichzelf. Het is in Rusland onmogelijk om je in een rolstoel te verplaatsen.’

    Tatjana bestelt haar houten prothese in Chabarovsk, bij de enige prothesemaker in het Verre Oosten van Siberië, waar ze nog protheses maakten in de naoorlogse jaren. Haar prothese overleeft dienstreizen naar dorpjes en de taiga die ze op zoek naar verhalen bezoekt.

    Vroeger, wanneer de prothese het niet hield, vroeg Tatjana de havenarbeiders om hulp. Zij boorden een nieuw gaatje of schroefden de prothese weer vast. Later stopte ze in haar portemonnee een oude munt van drie kopeken – een grote sleutel meezeulen in haar handtas is onhandig – voor het geval de prothese losraakt of de voet eraf valt. Dan gaat ze een trappenhuis in, draait ze het met de munt weer vast en gaat weer verder.

    De prothese is als een pook: je kunt hem niet hoger of lager zetten. Toen Tatjana op hoge hakken wilde lopen, bedacht ze een oplossing – en ze vroeg een havenarbeider die te maken. Aan de onderkant van het scheenbeen zaagde hij twee stukjes eraf. Als Tatjana nu op hakken wil lopen, zet ze aan de achterkant van de prothese een kleine inham erop, waardoor er een hak ontstaat.

    Als je Tatjana naar haar gezondheid vraagt, fronst ze haar wenkbrauwen en verandert snel het gespreksonderwerp.

    12

    Haar zoon, Timur, noemt zijn moeder ‘Tatjana 911’, omdat ze altijd te hulp schiet. Samen met zijn zus, Zjanna, dringt hij erop aan dat ze dichterbij gaat wonen, in Europees Rusland. Timur woont aan de andere kant van het land, waar hij films maakt en een gezin heeft. Dochter Zjanna is stewardess in Moskou en heeft eveneens een kind. Beiden moedigen ze haar aan de krant te sluiten. ‘Je hebt genoeg mensen gered, je hebt lang genoeg over het mijnenveld gelopen, kom naar ons.’ Tatjana stelt de beslissing al lange tijd uit.

    ‘Ga je verhuizen?’ vraag ik haar.

    ‘Ik snap ook wel dat ik een dagje ouder word en dat mijn gezondheid niet meer is zoals vroeger, maar durf niet te stoppen. Ik hou van mijn papieren krant. Ook al is hij zwart-wit en primitief. De grootste groep lezers zit in kleine dorpjes, langs de spoorlijn, zij lezen de papieren krant, ze zitten niet op internet, ze hebben zelfs geen computer.’

    ‘Maar je kan toch verhuizen en op afstand werken?’

    ‘Waarom? In Europees Rusland barst het van de journalisten en media. Hier ben ik nodig.’

    ‘Je komt oorspronkelijk niet uit Vanino. Hoe komt het dat je van deze omgeving bent gaan houden?’

    ‘Misschien komt het door de liefde voor het vak. Daardoor leer je de omgeving kennen. Je wordt er verliefd op. Bijvoorbeeld op het uitzicht vanuit mijn raam. Daar wil ik eigenlijk nooit afscheid van nemen.’

    Vanuit haar raam heeft ze het mooiste uitzicht op de baai van Vanino.

    Auteur: Viktoria Mikisha
    Vertaler: Martijn Smiers

    Takie Dela
    Rusland | website | ruim 2 miljoen bezoekers per maand

    Takie Dela (‘Van die dingen’) is een Russische nieuwssite die in 2015 werd opgericht door een liefdadigheidsorganisatie. De website brengt dagelijks reportages over sociale problemen in Rusland, vaak longreads met foto’s, meestal aan de hand van persoonlijke verhalen. Bij sommige artikelen kunnen lezers direct doneren aan een goed doel dat met het verhaal te maken heeft.

  • 7. De rechtsstaat is vervangen door het recht van de staat

    7. De rechtsstaat is vervangen door het recht van de staat

    Waarom moest de noodtoestand worden verankerd in de grondwet? Om wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, schampert weekblad Politis.

    Momenteel worden er twee artikelen van de grondwetswijziging behandeld door de leden van de Franse Nationale Vergadering, waarvan de verankering van de noodtoestand in de grondwet het belangrijkste is. Maar het debat gaat eigenlijk alleen over artikel 2 van het wetsontwerp: de ontneming van de nationaliteit.

    Voorbijgegaan wordt aan artikel 1. Dat dreigt zonder slag of stoot te worden aangenomen. Dit eerste artikel is echter een vlucht naar voren op het gebied van de veiligheid, in aansluiting op de wet op de inlichtingendiensten en de toekomstige wet ‘ter versterking van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de financiering ervan, en met de doeltreffendheid en de waarborgen van de strafrechtelijke procedure’. Over het uit elkaar halen van de behandeling van die onderling samenhangende wetten heeft de regering nog amper uitleg hoeven geven.

    Vraag der vragen

    Waar dient deze verankering van de noodtoestand in de grondwet toe? 
Op deze essentiële vraag heeft premier Manuel Valls de commissie wetgeving van het Franse parlement op 27 januari drie antwoorden gegeven:

    De eerste reden is van juridische aard. Het gaat er volgens de premier om 
‘een onwrikbare grondwettelijke basis te verschaffen aan de noodtoestand’. Deze regeling ‘die wordt toegepast in uitzonderlijke omstandigheden en die het vaakst is toegepast in de Vijfde Republiek’, is de enige die niet is verankerd in de grondwet. Er zou dus 
juridische leemte worden opgevuld: ‘Vanuit het oogpunt van grondwettelijke jurisprudentie moeten dus alle tijdelijke bevoegdheden die aan de autoriteiten worden verleend in het kader van de noodtoestand kunnen worden gewettigd. Een grondwettelijke basis verschaffen aan de noodtoestand houdt in dat de maatregelen van de administratieve politie als bepaald in de wet van 1955 worden geconsolideerd.’

    Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet

    Het is in verband met deze leemte dat Manuel Valls op 20 november in de Senaat zei dat het ‘riskant’ zou kunnen zijn om de Grondwettelijke Raad te raadplegen over het wetsontwerp ter verlenging van de noodtoestand en ter aanscherping van de bepalingen ervan.

    Met andere woorden: Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet.

    De leden van de Franse Nationale Vergadering bij de hoofdelijke stemming over het afroepen van de noodtoestand. – © Charles Platiau
    De leden van de Franse Nationale Vergadering bij de hoofdelijke stemming over het afroepen van de noodtoestand. – © Charles Platiau

    Toch is dat argument zeer discutabel. Zoals de groen-linkse parlementariër Sergio Coronado al zei: ‘De Grondwettelijke Raad heeft al in 1985 erkend dat het feit dat de noodtoestand niet in de grondwet is opgenomen de wetgever niet hoeft te beletten hem af te kondigen. Ook heeft de Raad, toen hem de vraag werd gesteld of het huisarrest zoals dat wordt toegestaan door de wet op de noodtoestand van november 2015 in overeenstemming is met de grondwet, dit bevestigd. Bovendien heeft de Raad van State (Conseil d’État) in zijn advies over het voorontwerp van de wet inzake de verlenging van de noodtoestand gesteld, dat de noodtoestand niet in de grondwet hoefde te worden opgenomen. Om vervolgens het tegenovergestelde te stellen in zijn advies over de ontwerp-grondwet die nu werd ingediend. Het leek dus juridisch niet echt noodzakelijk de noodtoestand in de grondwet te verankeren.

    De tweede reden is dat de gelegenheid zich voordoet. Manuel Valls stelt dat 
hij ‘de herziening van de wet van 1955 wil voltooien’. ‘Sommige maatregelen konden niet worden opgenomen in de wet van 20 november om redenen van jurisprudentiële aard,’ zo verklaarde hij tegenover de commissie wetgeving van de Nationale Vergadering, en hij kondigde aan op korte termijn een wetsontwerp te zullen indienen. Wat zou dus nóg een reden kunnen zijn om de noodtoestand in de grondwet te verankeren?

    We weten niet wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden

    Een gedachtewisseling tussen het 
parlementslid Alain Chrétien 
(Les Républicains) en de minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Cazeneuve, tijdens een debat over de noodtoestand en het strafrecht, begin januari, kan wellicht opheldering geven. De afgevaardigde beklaagde zich over het feit dat zijn amendement in november werd verworpen. Dat amendement was erop gericht bij huiszoekingen computerapparatuur in beslag te mogen nemen in plaats van alleen een kopie 
te maken van de gegevens.

    Terloops verzekerde hij dat de voorzitter van de commissie wetgeving, Jean-Jacques Urvoas, die inmiddels is benoemd tot minister van Justitie, had ‘erkend dat dit amendement zeer zinvol geweest zou zijn’.

    Hetgeen ook de opvatting was van Cazeneuve in zijn antwoord: ‘Zelf zie 
ik geen enkele reden om bezwaar te maken tegen een maatregel waarvan ik wel degelijk het nut en het belang inzie (…) De reden dat uw amendement door de regering is verworpen toen u het indiende, was onze overtuiging, 
op basis van een juridische analyse die volgens mij zeer weloverwogen was, dat het ongrondwettelijk was. Dat wij nu voorstellen de noodtoestand in 
de grondwet op te nemen is juist om dergelijke amendementen te kunnen aannemen.’

    Artikel 36-1

    In de ontwerp-grondwet werd na artikel 36 een artikel 36-1 toegevoegd: ‘Artikel 36-1. – De noodtoestand wordt afgekondigd door de ministerraad, op het gehele grondgebied van de Republiek of een deel ervan, hetzij ingeval van een onmiddellijk dreigend gevaar ten gevolge van een ernstige verstoring van de openbare orde, hetzij in geval van gebeurtenissen die door hun aard en hun ernst het karakter van een openbare calamiteit hebben.

    De wet stelt de maatregelen van de administratieve politie vast die de civiele autoriteiten kunnen nemen om dit gevaar te voorkomen of deze gebeurtenissen het hoofd te bieden.

    Voor verlenging van de noodtoestand voor een periode langer dan twaalf dagen kan alleen bij wet toestemming worden verleend. In de wet wordt de duur vastgesteld.’

    Doel van de opneming van de noodtoestand in de grondwet is dus wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, door de grondwet te veranderen. En dat komt neer op vervanging van de rechtstaat door het recht van 
de staat.

    De duur van de noodtoestand wordt niet beperkt

    Dan de laatste reden die door Manuel Valls werd genoemd: het zou erom gaan ‘te voorkomen dat de noodtoestand wordt gebanaliseerd of dat er overmatig gebruik van wordt gemaakt’. Een lofwaardig streven, waar je echter om drie redenen een vraagteken bij kunt zetten.

    In de eerste plaats: het feit dat de noodtoestand wordt ‘afgekondigd’ in de ministerraad, impliceert niet dat de ministers debatteren over de vraag of het wel zinvol is. Sommige parlementariërs, onder wie de nieuwe voorzitter van de commissie wetgeving, Dominique Raimbourg, hadden er de voorkeur aan gegeven ‘te schrijven dat er over 
de noodtoestand wordt “besloten”, 
een term die lijkt te bevorderen dat er collectief over wordt beraadslaagd.’

    In de tweede plaats omdat de duur van de noodtoestand in het wetsvoorstel van de regering niet wordt beperkt. Toen hij hierop werd aangesproken toonde Manuel Valls – die recentelijk tegenover de BBC had verklaard dat ‘de noodtoestand moet worden verlengd totdat we zijn verlost van IS’ – zich 
niet bereid in te stemmen met amendementen die de verlenging van de noodtoestand door parlementariërs – tot bijvoorbeeld vier maanden – zouden beperken. De premier zag er een beperking van de prerogatieven van het parlement in, dat zich niet zou kunnen aanpassen aan bepaalde maatschappelijke crises.

    Delicaat

    Ten derde kun je alleen maar ongerust zijn wanneer je Manuel Valls tegen onze volksvertegenwoordigers hoort zeggen dat het ‘delicaat’ zou zijn in 
de grondwet te verbieden dat het 
parlement wordt ontbonden tijdens de noodtoestand, een voorzorgsmaatregel waarop met name wordt aangedrongen door Roger-Gérard Schwartzenberg (PRG) en Jean-Christophe Lagarde (UDI).

    Tegen hen voerde de premier zelfs een argument aan dat wijlen [de zeer rechtse oud-minister] Charles Pasqua niet verworpen zou hebben: als de noodtoestand in mei en juni 1968 was afgekondigd, had generaal De Gaulle dan de Nationale Vergadering kunnen ontbinden? Waarop de voorzitter van de UDI antwoordde: ‘Het punt is dat 
we niet weten wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden.’

    Dat is inderdaad de hele vraag van de verankering van de noodtoestand in 
de grondwet. In dit geval hadden de afgevaardigden en senatoren er goed aan gedaan het voorzorgsbeginsel toe te passen.

    Door tegen te stemmen.

    Auteur: Michel Soudais
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Politis 
    Frankrijk, weekblad, oplage 30.000
    Links weekblad, opgericht in 1988 en het eerste Franse tijdschrift met een vaste rubriek Ecologie.

  • 5. Een buitengewoon gevaarlijk artikel

    5. Een buitengewoon gevaarlijk artikel

    Niet de ontneming van de Franse nationaliteit is het meest heikele punt in de nieuwe grondwet, stelt website Numerama. Het gaat vooral om het eerste artikel, dat het Franse parlement de macht geeft de controleurs van de naleving van de grondwet monddood te maken.

    Er moet nog eens grondig worden gekeken naar het eerste artikel van het grondwetsvoorstel voor ‘de bescherming van de natie’, dat niet alleen over ontneming van de nationaliteit gaat, maar in de allereerste plaats over de noodtoestand. De aangenomen tekst is buitengewoon gevaarlijk, omdat hij de Grondwettelijke Raad [Conseil constitutionnel, de waakhond die dit soort uitzonderingswetgeving aan de grondwet moet toetsen.] van een groot deel van zijn controlerende macht berooft.

    Het gaat om een politieke communicatietruc die helaas maar al te goed werkt

    Het betreft een politieke communicatietruc, die helaas maar al te goed werkt. Tijdens een televisie-interview met de Franse president op 11 februari sprak presentator David Pujadas over ‘de wet op de ontneming van de nationaliteit’ alvorens met François Hollande het zeer belangrijke wetsvoorstel voor ‘de bescherming van de natie’ aan te snijden. De interviewer was zo in de war door het groteske artikel 2 van het wetsvoorstel, dat de waarden van de Parti Socialiste gevaarlijk dicht in de buurt brengt van die van het Front National, dat hij vergat dat het vooral om het éérste artikel ging; over de noodtoestand.

    Lees maar na!

    De week die daaraan voorafging had al een deel van de pers, bijgestaan door een spontaan koor van antiparlementair gezinde internetgebruikers, met verontwaardiging gereageerd op het grote aantal parlementsleden dat ontbrak tijdens de behandeling van en de stemming over dit eerste grondwetsartikel. Het parlement werd opgeroepen zijn excuses aan te bieden en de kiezers werden aangespoord om rekenschap te eisen. Terwijl er die dag in werkelijkheid heel wat meer leden in het parlement aanwezig waren dan gebruikelijk is bij de behandeling van een wetsvoorstel.

    Maar over de grondslag van het eerste artikel, waarbij de noodtoestand wordt opgenomen in de grondwet, hebben we uiteindelijk maar weinig te lezen gekregen. Veel minder in elk geval dan over de ontneming van de nationaliteit. Terwijl het een essentieel en ongelooflijk gevaarlijk artikel is. Lees maar na!


    Om te begrijpen waarom dat eerste artikel gevaarlijk is en in strijd met ‘de bescherming van de natie’, moeten we ons er eerst rekenschap van geven dat de Grondwettelijke Raad tot taak heeft te controleren of de wetten die door het parlement worden aangenomen verenigbaar zijn met de grondwet. 
Wie de grondwet verandert, verandert de grondslagen van de grondwettelijke controle.

    Tot nu toe kon met de wet in de hand tot het uitroepen van een noodtoestand worden besloten, binnen het gebruikelijke kader van de grondwet. Desgewenst kon de Grondwettelijke Raad bepalen of de door de wetgever voorgestelde maatregelen verenigbaar waren met deze grondtekst van de Vijfde Republiek, en bezwaar maken tegen wetten die disproportioneel werden geacht.

    Premier Manuel Valls heeft zich natuurlijk juist verzet tegen het raadplegen van de Grondwettelijke Raad over de noodtoestand van november 2015, omdat hij een dergelijk bezwaar vreesde. Maar verontruste leden van 
de Nationale Vergadering of van de Senaat hadden wél een beroep op de wijze mannen en vrouwen kunnen doen. Dat is wezenlijk voor de bescherming van de democratie.


    Wat doet dat eerste artikel van de grondwet nu precies, waarop maar zo weinig commentaar is geleverd? Het voegt een nieuw artikel, 36-1, aan de grondwet toe waarin wordt gesteld dat ‘de wet de administratieve politiemaatregelen bepaalt die de burgerlijke autoriteiten kunnen nemen’ wanneer de regering besluit dat er sprake is van een noodtoestand. De parlementaire meerderheid kan dus min of meer zelf bepalen wat voor uitzonderlijke politiemaatregelen er moeten worden genomen, en als hij geraadpleegd wordt door 
verontruste parlementariërs van de oppositie, zal de Grondwettelijke Raad zich moeten beperken tot de constatering dat de grondwet het parlement de macht geeft om te besluiten wat het goeddunkt.

    Monddood

    Omdat het nieuwe artikel 36-1 dezelfde juridische waarde heeft als alle andere artikelen van de grondwet, en dezelfde waarde als de Verklaring van de Rechten van de Mens, is de Raad niet of nauwelijks in staat om de onverenigbaarheid van de wetten betreffende de noodtoestand aan andere grondwettelijke normen te toetsen. Temeer omdat het juridische principe ‘lex specialis derogat legi generali’ (de speciale wet wijkt af van de algemene wet) van toepassing zou kunnen zijn.

    De Grondwettelijke Raad zou zelfs niet op zoek kunnen gaan naar bepalingen uit het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, of andere internationale verdragen die voorrang hebben boven de nationale wet, omdat hij van mening is dat zijn rol zich beperkt tot het controleren van de verenigbaarheid van wetten met de grondwet, en niet met de internationale afspraken van Frankrijk. Dat is de rol van de rechter.

    ‘Wat wij in het leven roepen, zijn zeer strenge controlemechanismen op zowel politiek als juridisch gebied,’ had premier Valls de parlementariërs beloofd tijdens de behandeling van het grondwetsvoorstel. Maar het is de vraag wat er met de strenge controle op de ‘bescherming van de natie’ gebeurt als de grondwet wordt geamendeerd om de Grondwettelijke Raad monddood te maken..

    Auteur: Guillaume Champeau
    Vertaler: Peter Bergsma

    Numerama 
    Frankrijk | numerama.com
    Numerama is een website over de digitale wereld en techniek. De site trekt maandelijks twee miljoen bezoekers.

  • Dossier: Noodtoestand

    Dossier: Noodtoestand

    De Franse Vijfde Republiek schudt op haar grondvesten. De noodtoestand, die geldt sinds de aanslagen van 13 november, werd onlangs tot in mei verlengd. Wat er daarna gebeurt is onduidelijk, want premier Valls heeft verklaard dat de huidige toestand gehandhaafd blijft ‘tot IS is verslagen’. Wat betekent dit voor Frankrijk? Kan de rechtstaat zich weer herstellen, of glijdt het land af richting autoritair bestuur?

    1. Noodtoestand: de uitzondering is regel geworden

    2. Drie vragen over de verlenging van de noodtoestand

    3. ‘Frankrijk vervalt snel in autoritaire reflexen’

    4. Kroniek van een aangekondigd aftreden

    5. Een buitengewoon gevaarlijk artikel

    6. De clan-Hollande gebruikt de grondwet als poetsdoek

    7. De rechtsstaat is vervangen door het recht van de staat

    Beeld bovenaan: President François Hollande en premier Manuel Valls in het Elysée. – © Chesnot / Getty

  • Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Een halve eeuw na de strijd om gelijke burgerrechten staan de Amerikaanse universiteiten weer in vuur en vlam.
De inzet dit keer: racisme, diversiteit en vrijheid van meningsuiting. Onze zwartepietendiscussie is er kinderspel bij.

    Keuze uit het archief

    Al wekenlang vinden er op verschillende universiteiten in de Verenigde Staten protesten plaats tegen de oorlog in Gaza. De afgelopen week sloegen de demonstraties ook over naar de campussen van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht. Studenten protesteerden tegen de oorlog in de Gazastrook en riepen op tot vrede. Maar het protest mondde uiteindelijk uit in een confrontatie met de politie.
    Er wordt verschillend tegen deze protesten aangekeken. Demonstreren? Prima, maar hou je gedeisd, zullen sommigen denken. Anderen zullen weer van mening zijn dat de urgentie van de situatie in Gaza om drastische maatregelen vraagt.
    In dit artikel van New Republic uit 2015 over de studentenprotesten in de VS van tien jaar geleden, breekt journalist Roxane Gay een lans voor kritische studenten die hun stem laten horen, een fenomeen dat al teruggaat op de jaren zestig. ‘Studenten begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken.’

    Studentenactivisme is niets nieuws. Soms is het ondoordacht, soms wordt het van tafel geveegd, maar het is altijd oprecht. In 1960 vormden jonge zwarte studenten, die genoeg hadden van rassenongelijkheid en de inbreuk op hun burgerrechten, de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), een geweldloze studentenbeweging. Uiteindelijk werden ze de radicale tak van de Amerikaanse beweging voor gelijke burgerrechten en coördineerden ze de zogenoemde Freedom Rides tegen de segregatie in het openbaar vervoer
en campagnes voor een betere kiezersregistratie. Ze waren gepassioneerd.
Ze waren provocerend. Ze zetten hun leven op het spel. De SNCC toonde aan dat jonge mensen een integraal onderdeel zijn van een participatiedemocratie.



    Nu, na de gelijktijdige en vergelijkbare studentenprotesten aan de Universiteit van Missouri (Mizzou) en Yale University, hebben we opnieuw reden om na te denken over studentenactivisme, ras en de voortzetting van de beweging voor burgerrechten. Er is de laatste tijd veel geschreven over studenten en hun eigenaardige gewoonten, over het feit dat ze uiterst politiek correct zijn, overdreven gevoelig en verwend. Sommigen hebben gesuggereerd dat studenten pietluttige activisten zijn, dat ze geen gevoel voor humor meer hebben en dat het liberalisme op hol is geslagen op de campussen, en dat dit de studenten noodlottig is geworden.

    Dat is een kleinerende en nogal luie kijk op het studentenactivisme. Tijdens de protesten op Mizzou en Yale en ook elders hebben studenten duidelijk gemaakt dat de huidige situatie onverdraaglijk is. Of we het nu met ze eens zijn of niet, we moeten wel luisteren.

    Op 7 november werd bekend dat de zwarte leden van het footballteam 
van Mizzou van plan waren te staken. Ze schaarden zich als laatsten achter promovendus Jonathan Butler, die in hongerstaking was gegaan, en de activistische groepering Concerned Student 1950, die aandrongen op het vertrek van universiteitsbestuurder Timothy Wolfe. Hun protest was het gevolg van Wolfes laksheid en vermeende onverschilligheid ten aanzien van een aantal rassenincidenten op de campus van Mizzou, waaronder een met menselijke uitwerpselen getekend hakenkruis op een muur. Toen de footballspelers zich eenmaal achter zaak hadden geschaard, ging het snel. Er kwamen meer promovendi in opstand. Op 9 november nam zowel Wolfe als R. Bowen Loftin, de bestuursvoorzitter van Mizzou, ontslag. De overige bestuurders kondigden een reeks initiatieven aan om een beter rassenklimaat op de campus te scheppen.

    Halloween

    Bij Yale stuurde de Commissie voor Interculturele Zaken, bestaande uit diversiteitsbestuurders van alle geledingen van de universiteit, vlak voor Halloween een e-mail aan de studenten waarin ze hun smeekten beter na te denken over de keuze van hun kostuums tijdens Halloween, om daarmee beledigende cultuuruitingen of onjuiste voorstellingen van zaken te voorkomen. ‘Halloween is helaas ook een tijd waarin de gebruikelijke bedachtzaamheid en gevoeligheid van de studenten soms uit het oog worden verloren en er betreurenswaardige beslissingen kunnen worden genomen, zoals het dragen van verentooien, tulbanden, “oorlogsverf”, het aanbrengen van een andere huidskleur dan wel zwarte of rode schmink op het gezicht’, aldus een deel van de mail.

    Dit advies doet misschien paternalistisch aan, maar als je bedenkt hoeveel studenten zich in het verleden met zwarte gezichten hebben getooid en op andere manieren culturen en het gezond verstand met voeten hebben getreden, was de mail ongetwijfeld goed bedoeld en niet zo buitengewoon. Desondanks waren er studenten die klaagden.

    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images

    Erika Christakis, bestuurder van het Silliman College van Yale, schreef een e-mail waarin ze betoogde dat studenten het recht hebben om studenten te zijn en fouten te maken – met andere woorden, om kinderen te zijn. ‘Ik vraag me af, en ik probeer niet te provoceren, of er geen ruimte meer is voor een kind of jongere om een klein beetje aanstootgevend te zijn, een klein beetje ongepast of provocerend, of zelfs beledigend. Amerikaanse universiteiten waren ooit een veilige haven, niet alleen om volwassen te worden maar ook om enige regressieve of zelfs grensoverschrijdende ervaring op te doen. Nu lijken ze steeds meer plekken te zijn geworden waar censuur en verbods‑
bepalingen de boventoon voeren.’


    Theoretisch is het verleidelijk: waarom zouden mensen hun kwalijke oprispingen níét mogen botvieren?

    Maar Christakis las de e-mail van de Commissie voor Interculturele Zaken opzettelijk verkeerd. De commissie 
verbood helemaal niets, en suggereerde evenmin dat ze dat wilde. Ze deed alleen een aantal suggesties om voor Yale-studenten een betere wereld te scheppen dan die waarin we leven.

    Toen ik aan Yale studeerde, werd ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond beschouwd

    Ik heb van 1992 tot 1994 aan Yale gestudeerd. Toen ik daar was, begreep ik dat ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond werd beschouwd. Niemand kon geloven dat ik daar alleen maar was, net als de anderen, om te leren. Het was niet ongewoon om het doelwit van racistisch gemompel te zijn, van gefluister over positieve discriminatie, en om elke dag minuscule uitingen van agressie [microagressie] te ondergaan. De campuspolitie maakte er een sport van om mij en andere zwarte studenten naar onze studentenkaart te vragen. Mijn ervaring was allesbehalve uniek.



    De huidige protesten zijn het symbool van een veel ingewikkelder probleem: een verstoord rassenklimaat op de campus van Yale dat al vele jaren domineert. De meeste andere overwegend blanke campussen in de Verenigde Staten hebben daar ook last van. Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven op universiteitscampussen doorgebracht, eerst als student en later als docent. Op elke campus was het rassen‑
klimaat altijd gespannen – in het gunstigste geval. Wat er op Yale gebeurt verbaast me niets.

    Op Mizzou is een banale en voorspelbare tegenbeweging op gang gekomen. De studenten zijn door de conservatieve media afgeschilderd als laffe baby’s, kwezels of regelrechte leugenaars. Ze zijn ondankbaar, onverantwoordelijk. Als het om racisme gaat, moeten mensen met een kleurtje kennelijk alles maar zonder klagen slikken.

    Uiterste grens

    Er wordt vaak neerbuigend gedaan over deze zogenaamd kwetsbare jongeren die de echte wereld niet begrijpen. Maar studenten begrijpen de echte wereld wel degelijk, want ze zijn niet alleen maar studenten: ze laten hun sociale achtergrond, seksualiteit, ras
of etniciteit niet achter zich als ze zich aanmelden als student, en hun problemen verdwijnen niet wanneer ze zich inschrijven voor colleges. We mogen hun terechte zorgen niet van tafel vegen. Amerikaanse universiteiten zijn altijd kraamkamers voor de bevoorrechten geweest, en de enigen wier fysieke en emotionele veiligheid daar enigszins is gegarandeerd zijn blanke, heteroseksuele mannen. Is het dan verwonderlijk dat studenten een minimale veiligheidsgarantie eisen? We moeten niet vergeten dat voor de zwarte studenten op zowel Mizzou als Yale de uiterste grens is bereikt. Zij kunnen niet langer verdragen wat ondraaglijk is. Ze zeggen: het is genoeg geweest.



    Studentenactivisme is wijdverbreid omdat sommige studenten hun universitaire ervaring ten volle benutten. Ze begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken in een omgeving waar ze gedwongen zijn mensen te ontmoeten die er anders uitzien dan zij, die anders denken dan zij, een omgeving waar verandering nog mogelijk is. De SNCC en de demonstranten op campussen in het hele land, inclusief Yale en Mizzou, maken deel uit van een krachtige, vitale traditie die we niet over het hoofd mogen zien.
De huidige studentenactivisten 
verrichten het noodzakelijke werk om ervoor te zorgen dat de volgende generatie die deelneemt aan de traditie van studentenactivisme een andere strijd zal voeren.