Tag: Bwindi

  • De strijd tegen de pandemieën van de toekomst begint in dit Oegandese bos

    De strijd tegen de pandemieën van de toekomst begint in dit Oegandese bos

    Bwindi National Park is een van de epicentra van het onderzoek naar zoönosen. Door de groeiende bevolking in de regio en het opkomende toerisme komt contact met wilde dieren er steeds vaker voor. ‘Bwindi is een tikkende tijdbom en een nieuwe uitbraak is onvermijdelijk.’

    Met medewerking van de Oegandese journalist Dicta Asiimwe

    Het gebeurde in Kenia in de jaren tachtig. De Franse ingenieur Charles Monet werkte in een van de westelijke suikerfabrieken van het land. Monet – de naam is een pseudoniem dat hem later werd gegeven door de schrijver Richard Preston – trok als natuurliefhebber in zijn vrije tijd graag naar afgelegen natuurgebieden in de omgeving. Bij een van zijn bezoekjes aan Mount Elgon, de grootste en oudste uitgedoofde vulkaan van Oost-Afrika, ging hij met zijn metgezel de grot van Kitum binnen, een ruimte die rijk is aan minerale zouten en waar vroeger olifanten en buffels rondzwierven. Wat Charles Monet niet wist, was dat in die grot, die nu voor het publiek gesloten is, ook een kolonie fruitvleermuizen leefde. 

    Tijdens de tocht haalde hij zijn been open aan een steen waarop resten zaten van de uitwerpselen van vleermuizen. Zo liep hij het marburgvirus op, een lid van de familie van de filovirussen, zoals ebola. Hij overleed een paar dagen later in een ziekenhuis in Nairobi. Zijn vrouw en het medisch personeel dat hem behandelde, werden besmet en stierven eveneens; de Franse ingenieur ging de geschiedenis in als patiënt nul van het marburgvirus. Wereldwijd begonnen wetenschappers te waarschuwen voor de risico’s van zoönosen: ziekten die kunnen worden overgedragen tussen dieren en mensen. Ze waarschuwden dat de mensheid steeds vaker aan deze ziekten zou worden blootgesteld vanwege het toenemende contact tussen mensen en wilde dieren, als gevolg van globalisering, bevolkingsgroei en economische ontwikkeling. 

    Vier decennia later en honderden kilometers verwijderd van de grot van Kitum, stelt Benard Ssebide, veterinair hoofd van de ngo Gorilla Doctors, de uitrusting samen die hij nodig heeft voor een noodgeval in het Bwindi Impenetrable Forest National Park van Oeganda. Enkele uren eerder hadden parkwachters hem laten weten dat een vijf jaar oude gorilla met zijn arm verstrikt zat in een strik die door stropers was uitgezet. Ssebide en zijn team verlaten het kamp rond vijf uur ’s morgens; zij zullen van de gelegenheid gebruik maken om meer te doen dan alleen het dier verzorgen. 

    Een tikkende tijdbom

    Met steun van de Amerikaanse National Institutes of Health lanceerde de Universiteit van Californië-Davis eerder dit jaar CREID, een wereldwijd netwerk van onderzoekscentra dat monsters verzamelt van in het wild levende dieren en mensen. De monsters worden geanalyseerd op pathogenen – virussen, bacteriën, schimmels en dergelijke, die van in het wild levende dieren op mensen kunnen overspringen – met als doel de verbetering van de preventie en de aanpak van pandemieën. 

    Bwindi National Park, dat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staat, is een van de zestien locaties in Afrika die voor dit netwerk werden geselecteerd. Het is een uitgestrekt en ongerept woud waar toeristen uit de hele wereld naartoe komen om gorilla’s te zien. Door economische ontwikkeling groeide de bevolking rond het park aanzienlijk. 

    Naast het behandelen van de gewonde arm van de kleine gorilla, maken Ssebide en zijn team van de interventie gebruik om neus-, bloed- en speekselmonsters van het dier te nemen en diens gezondheidstoestand te analyseren. Monsters van primaten die in Bwindi leven (apen, bavianen en gorilla’s), maar ook van muggen en vleermuizen, worden geanalyseerd in een laboratorium van het EpiCentre for Emerging Infectious Disease Intelligence (EEIDI), in samenwerking met het veldteam van Gorilla Doctors. Het programma is gericht op enkele specifieke virussen die op de soorten actief zijn. In het geval van primaten gaat de aandacht vooral uit naar filovirussen zoals ebola en marburg. Bij muggen ligt de nadruk op de aanwezigheid van arbovirussen die verantwoordelijk zijn voor ziekten als dengue, gele koorts, chikungunya en zika; bij vleermuizen ligt de nadruk op de beroemde coronavirussen die covid-19 en het MERS-CoV (Middle East respiratory syndrome) veroorzaken.

    ‘De gezondheid van ons allen staat op het spel’

    Christine Johnson, hoofdonderzoeker van het EEIDI-project en coördinator van CREID, onderstreept dat Bwindi en het Virus Research Laboratory in Oeganda de eerste verdedigingslijn vormen tegen de uitbraak van een nieuwe pandemie. 

    ‘Bwindi is een tikkende tijdbom en een nieuwe uitbraak [van een zoönose] is onvermijdelijk. Het doel van ons werk is zoveel mogelijk te leren over de ziekteverwekkers die we bij dieren aantreffen, zodat we zo goed mogelijk voorbereid zijn om verspreiding ervan op tijd te stoppen,’ zegt Johnson tijdens een videogesprek vanuit de Verenigde Staten.

    Het labonderzoek kan bijdragen aan toekomstige vaccins, nieuwe diagnostische tests en vooral kennis die inzicht verschaft in hoe een nieuw virus zich verspreidt en evolueert, voegt zij eraan toe. Als die route bekend is, kan de overdracht beter worden gestopt. 

    Het project in het Bwindi-woud is eigenlijk een druppel op een gloeiende plaat, maar wel van cruciaal belang. Het fungeert als model om datgene te leren en te herhalen wat in andere contexten is ontdekt. 

    ‘Idealiter zouden wij dit soort monitoring natuurlijk doen in alle risicogebieden waar mensen en wilde dieren samenleven, maar de middelen zijn beperkt. Daarom is Bwindi de basis voor de ontwikkeling van mogelijke besmettingsmodellen,’ aldus Johnson. 

    Ze benadrukt dat er behoefte is aan wereldwijd gecoördineerde samenwerking en financiering voor dit soort onderzoek: ‘De gezondheid van ons allen staat op het spel.’

    Onderbelicht probleem

    Haven Nahabwe is functionaris Volksgezondheid van het Bwindi Community Hospital, en tevens verantwoordelijk voor de uitvoering van de EEIDI-studie bij mensen. Hij legt uit dat er in dit gebied een ernstig probleem is met het diagnosticeren van ziekten, omdat er te weinig tests zijn. 

    ‘Als mensen koorts hebben, krijgen ze automatisch paracetamol of een behandeling tegen malaria voorgeschreven. Er wordt nooit gekeken naar een mogelijke virale of bacteriële infectie. Met ons programma proberen we te begrijpen wat de oorzaak van de koorts kan zijn.’

    Bwindi National Park ligt in een dichtbevolkte regio van Oeganda, waarin meer dan een miljoen mensen zijn geconcentreerd op slechts 4000 vierkante kilometer. Het grenst aan de Democratische Republiek Congo en Rwanda, en ligt op enkele uren rijden van steden als Goma en Kigali, die beide meer dan een miljoen inwoners tellen. Het constante verkeer van personen en goederen tussen de drie landen speelt zich voor een groot deel af buiten de controle van de gezondheidsautoriteiten. 

    Veel mensen kunnen geen gebruik maken van de gezondheidszorg omdat het te duur is

    Het Bwindi Community Hospital, dat gerund wordt door een christelijke Amerikaanse ngo, moet een bevolking van ongeveer 350.000 bedienen. Veel mensen kunnen geen gebruik maken van de gezondheidszorg omdat het te duur is, aldus Nahabwe.

    ‘Als ze ziek zijn, gaan ze meestal naar traditionele genezers. Als dat niet helpt, kiezen ze voor zelfmedicatie via de apotheker. Alleen als ze echt ziek zijn, komen ze naar het ziekenhuis, als ze het al kunnen betalen. Dat zorgt ervoor dat diegenen die naar onze praktijk komen een zeer slechte gezondheid hebben. Van de mensen die wij zien, heeft slechts 30 procent een ziektekostenverzekering.’ 

    Catherine Tumushabe heeft drie kinderen en was zwanger van haar vierde toen we haar ontmoetten. Ziektekostenverzekering voor haar familie betekent dat ze 25.000 Oegandese shilling per trimester (ongeveer 6 euro) moet betalen, maar dat heeft ze niet altijd. 

    ‘Ik kan allerlei ziekten behandelen, waaronder covid-19’

    ‘Ik heb dit trimester kunnen betalen, maar ik was te laat, dus ik weet niet of ik naar het ziekenhuis kan om te bevallen. Ik weet niet of mijn aanvraag zal worden goedgekeurd,’ zegt ze. 

    Als haar situatie niet op tijd wordt geregeld, moet zij ongeveer 50.000 shilling (12 euro) betalen per ziekenhuisdag, wat betekent dat de familie een deel van de bezittingen moet verkopen om de rekening te betalen. De meeste mensen in deze regio hebben die mogelijkheid niet eens.

    Alufunsi Bifumbo woont in Kanungu en stamt af van een geslacht van traditionele genezers dat meer dan drie generaties teruggaat. Hij leerde van zijn voorouders hoe hij ziektes kan behandelen met kruiden die in het Bwindi National Park te vinden zijn. Het Frans dat hij spreekt, getuigt van zijn Congolese afkomst én van de poreusheid van de grenzen. 

    ‘Ik behandel mensen aan beide kanten van de grens. Als ik mijn familie in Congo bezoek, neem ik geneeskrachtige kruiden van hier mee. Ik kan allerlei ziekten behandelen, waaronder covid-19; ik heb het zelf een paar maanden geleden opgelopen en ben genezen door te stomen met verschillende kruiden,’ zegt hij. 

    De meesten keren ziek en zonder diagnose terug naar huis, waardoor het risico van besmetting toeneemt

    Om dat te demonstreren, roept hij zijn kleinzoon en vraagt hem drie verschillende planten uit de tuin te halen. Hij plukt de bladeren van de takken en plet ze in een vijzel. Dan dompelt hij ze onder in heet water om de stoom te produceren die, zegt hij, in staat is om corona te genezen.

    Traditionele genezers zijn zeer gerespecteerde figuren binnen de gemeenschappen, omdat zij over eeuwenoude kennis beschikken, maar zij kunnen ook katalysatoren zijn bij een epidemie. Bifumbo houdt zich echter aan het protocol dat door de autoriteiten is opgelegd voor het geval zich ebola voordoet: patiënten onmiddellijk verwijzen naar het Bwindi Community Hospital. Wel houdt hij een pleidooi voor zijn bekwaamheid om andere zoönosen te behandelen, zoals infecties van de luchtwegen of koortsen die niet gepaard gaan met bloedingen. 

    Voor de mensen die rond het park wonen en voortdurend aan besmettingen worden blootgesteld, zijn er weinig alternatieven naast het Bwindi Community Hospital. Het dichtstbijzijnde openbare gezondheidscentrum is Kayonza, op vijf uur lopen. Vanwege zijn reikwijdte moet het ziekenhuis in staat zijn patiënten op te nemen en een breed scala aan behandelingen aan te bieden. Maar er is gebrek aan middelen en personeel. Patiënten krijgen vaak paracetamol voorgeschreven of een doorverwijzing naar een privéziekenhuis, wat velen zich niet kunnen veroorloven. De meesten keren ziek en zonder diagnose terug naar huis, waardoor het risico van besmetting en verdere uitbraken toeneemt.

    Onderzoek om te kunnen handelen

    John Kayiwa is het hoofd van EEIDI bij het UVRI, het Oegandese instituut voor onderzoek naar virussen. Hij coördineert de analyse van monsters die door het team van Gorilla Doctors worden verzameld en binnengebracht, om ziekteverwekkers in een vroeg stadium te kunnen identificeren. Daarna worden ze naar de Universiteit van Californië gestuurd, waar ze worden gesequencet om er een genetische kaart van te maken, zodat de ziekteverwekkers kunnen worden geïdentificeerd en gecatalogiseerd. 

    ‘Wanneer iemand met koorts negatief test op malaria kan het wel een maand duren voordat we hier in het lab het resultaat hebben. Daarom sterven patiënten soms zonder te weten wat ze hadden. Wanneer iemand positief test voor een besmettelijke zoönose, is het wel zo dat diens contacten prioriteit worden en we de resultaten al tussen de 24 en 48 uur later kunnen hebben, waarna we maatregelen kunnen treffen.’

    In 2009 zetten de VS onder Obama het PREDICT-project op, de voorloper van het CREID-netwerk. Het moest enige autonomie en capaciteitsopbouw bieden aan landen die het meest zijn blootgesteld aan uitbraken van zoönosen, waaronder Oeganda. Zo ontstonden de eerste pogingen om pandemische surveillance- en preventiesystemen op te zetten en te coördineren. Op basis van de verzamelde gegevens stelden stichtingen zoals The Global Virome Project rapporten op, waarin wordt geschat dat 75 procent van de toenemende infectieziekten bij mensen afkomstig is van dieren; en dat van de naar schatting 1,6 miljoen virussen die nog ontdekt zullen worden, er 700.000 zijn die mensen direct kunnen treffen. Er is nog een lange weg te gaan, aldus Kayiwa. 

    ‘Zoönosen, uitzonderingen als covid-19 daargelaten, hebben de neiging zich langzaam te verspreiden, maar dat mag natuurlijk geen rechtvaardiging zijn voor de lange aanlooptijden waarmee wij werken. Investeren in lokale testcapaciteiten moet het doel zijn.’

    Stijgende temperaturen kunnen het ontstaan van toekomstige pandemieën in de hand werken

    Nahabwe, het hoofd Volksgezondheid in Bwindi, voegt daaraan toe dat het verhogen van de investeringen in Afrikaanse gezondheidsstelsels een eerste stap is om blootstelling aan toekomstige uitbraken te kunnen verminderen. ‘Als we echt een nieuwe pandemie willen voorkomen, moet dit voor de internationale gemeenschap de hoogste prioriteit hebben.’ 

    Tel bij dit alles de klimaatcrisis op: uit verschillende onderzoeken, waaronder een studie die afgelopen april in het tijdschrift Nature verscheen, blijkt dat stijgende temperaturen het ontstaan van nieuwe ziekten en toekomstige pandemieën in de hand kunnen werken. Voorlopige studies tonen aan hoe de temperatuurstijging leidt tot een verandering van de habitat van bepaalde dieren, die gaan samenleven met andere soorten en met de mens. Daardoor wordt het onvermijdelijk dat zij naast nieuwe leefgebieden ook ziekten met elkaar zullen delen.

    Gedurende ons verblijf in Bwindi kregen we een glimp te zien van de veranderingen die in de nabije toekomst worden verwacht. Tijdens een van haar regelmatige uitstapjes om monsters te verzamelen, vond de Amerikaanse onderzoeker Jelica J. Joyner van het Gorilla Doctors-team een exemplaar van de Aedes aegypti, een type mug dat virussen overbrengt zoals knokkelkoorts, gele koorts, chikungunya en zika. De vondst was niet ongewoon, afgezien van het feit dat de mug zich amper een meter boven de grond bevond, terwijl dit insect zich gewoonlijk op een hoogte van 3 of 4 meter beweegt. Een subtiele verandering, maar een die voor Joyner wijst op de wetenschappelijke consensus dat klimaatverandering van invloed is op de habitat en zodoende op het risico van overdracht van virale ziekten.  

    Overdracht door toerisme

    Het Bwindi Impenetrable Forest National Park is een van de meest bezochte parken van Oeganda. Het genereert meer dan 60 procent van de inkomsten die het land uit ecotoerisme haalt, en volgens prognoses zal dat alleen maar stijgen. Bezoekers van over de hele wereld trekken naar dit kleine park van 330 vierkante kilometer om de laatste berggorilla’s van de planeet te zien. Hoewel het aantal berggorilla’s is gestegen tot iets meer dan duizend, waarvan meer dan de helft in Oeganda leeft, blijft het een bedreigde diersoort. De inspanningen om de soort in stand te houden en zijn omstandigheden te verbeteren zijn dan ook groot. 

    De mens deelt 98,25 procent van zijn DNA met deze primaten; de coronacrisis betekende een keerpunt in de relatie tussen de twee soorten, althans in Bwindi. Gezien de kwetsbaarheid van de gorilla’s voor corona, werden de veiligheidsprotocollen voor een bezoek aan de dieren verscherpt om mogelijke besmetting tot een minimum te beperken. Temperatuurcontroles, desinfectiemaatregelen en het gebruik van mondkapjes werden verplicht gesteld. 

    ‘Het nauwere contact tussen dieren en mensen in Bwindi is een gevolg van toerisme. Ziekten kunnen zich gemakkelijk verspreiden,’ zegt de Oegandese arts Gladys Kalema-Zikusoka, vicevoorzitter van de Afrikaanse Vereniging voor Primaten en oprichter van de plaatselijke ngo Conservation through Public Health [Natuurbehoud door Volksgezondheid].

    ‘Een epidemie van schurft bij de gorilla’s toonde ons dat plaatselijke gemeenschappen geen adequate gezondheidszorg kreeg’

    Toerisme, erkent Kalema-Zikusoka, is een complexe factor bij de preventie van pandemieën. Het is een risicofactor voor de wereldgezondheid omdat het voor nieuwe uitbraken van zoönosen kan zorgen, maar tegelijkertijd genereert het ook onmisbare inkomsten voor de instandhouding en bescherming van ecosystemen.

    Deze Oegandese arts is toonaangevend in de wereld van de natuurbescherming en kreeg voor haar werk in het nationale park diverse onderscheidingen, waaronder de Edinburgh Medal of Merit. Zij is ook bekend als pleitbezorger voor meer Afrikaanse stemmen in het mondiale debat over natuurbehoud. Na enkele jaren als dierenarts voor het Oeganda Wildlife Agency te hebben gewerkt, besloot zij in 2003 haar eigen organisatie op te richten om gorilla’s te beschermen vanuit wat toen een uniek perspectief was: het welzijn van lokale gemeenschappen. 

    ‘Een epidemie van schurft bij de gorilla’s [die zich verspreidde via de mens] toonde ons dat plaatselijke gemeenschappen geen adequate gezondheidszorg kregen. We besloten dat we moesten pleiten voor een verbetering van hun welzijn. Niemand zag dit als een maatregel om het milieu te beschermen, behalve de mensen van Bwindi zelf.’

    In Bwindi werden stropers omgeschoold tot gorillaspotters

    Om het ecosysteem te beschermen, is het van essentieel belang dat de gemeenschap bij het proces wordt betrokken, benadrukt Kalema-Zikusoka. Dat in Bwindi werkgelegenheid werd gecreëerd in de toeristische sector en stropers werden omgeschoold tot gorillaspotters, heeft de bevolking gestimuleerd om het park met andere ogen te gaan bekijken. Het is van essentieel belang, zegt ze, om meer steun te geven aan de plaatselijke gezondheidscentra, die de eerste lijn tegen besmetting vormen. Het zijn Afrikaanse stemmen zoals de hare die theorieën over natuurbehoud hebben voorzien van een meer lokaal en een menselijker standpunt; plaatselijke gemeenschappen worden nu gezien al onmisbare actoren. 

    ‘Geloven in een wereld waarin geen conflict bestaat tussen mensen en wilde dieren vanwege een vermeende fysieke scheiding, is totaal onrealistisch. Coëxistentie moet mogelijk worden gemaakt, en dat kan door gemeenschappen te voorzien van sociale, economische en gezondheidsinstrumenten waarmee ze een waardig leven kunnen leiden. Als ze zich op eigen kracht kunnen redden, hebben ze het niet nodig om hun toevlucht te nemen tot stroperij of andere activiteiten die het ecosysteem kunnen schaden.’

    Dr. Kalema-Zikusoka lanceerde uiteenlopende initiatieven om het welzijn van de bevolking te verbeteren: van het opzetten van pluimveehandel en het bevorderen van vaccinatie voor werknemers in de toeristische sector, tot het voorstel dat gemeenschappen het vlees dat zij eten, moeten kunnen testen om te voorkomen dat zij zoönosen oplopen. 

    Tweesnijdend zwaard

    Toen Bwindi in de jaren negentig tot nationaal park werd uitgeroepen, ontstond een economisch centrum dat is blijven groeien. Door de constante bevolkingsgroei veranderden dorpen op korte tijd in steden; in februari 2021 gebeurde dat met Buhoma, bij de ingang van Bwindi. 

    Toen het gebied tot park werd verklaard, verkocht Gordon Kwikiriza houten beeldjes aan westerse toeristen die de mysterieuze gorilla’s kwamen bekijken. Vervolgens opende hij een winkel en ging hij in een hotel werken, totdat hij de hand wist te leggen op een van de iconische safarivoertuigen. Dat stelde hem in staat de maatschappelijke ladder verder te beklimmen. Kwikiriza maakt nu deel uit van de rijkere klasse in de regio. Het laatste project waarmee hij zijn brood hoopt te verdienen, is een nieuw, gezinsvriendelijk hotel bij de entree van het park. 

    ‘Buhoma zit midden in een toeristische hausse en die groei zal niet stoppen,’ zegt hij, staand op het terrein waar hij drie bungalows wil bouwen, op minder dan tweehonderd meter van de ingang van het Bwindi Impenetrable Forest. 

    Sinds de gorilla’s zich hebben aangepast aan het toerisme, vallen ze minder gauw mensen aan

    Bwindi heeft een eigenaardigheid ten opzichte van andere parken: gezien de hoge bevolkingsdichtheid in het gebied – met een jaarlijkse groei van drie procent, een van de hoogste op het continent – heeft het geen zogenaamde bufferzones, die bedoeld zijn om de leefgebieden van mens en dier af te bakenen om conflicten te vermijden of te verminderen. Het enige wat in plaats daarvan is voorgesteld, is om enkele gebieden te reserveren voor theeplantages: dat gewas is niet aantrekkelijk voor de wilde dieren van Bwindi omdat het geen voedselbron is. Vooralsnog verhindert dat de dieren niet om het park te verlaten en het groeiende aantal boerderijen en landbouwvelden te bereiken. 

    Ibrahim Byarugaba is zevenenvijftig jaar oud en woont in Kwenda, net buiten het park. Eind jaren negentig werd hij aangevallen door een gorilla terwijl hij zijn land tussen de Democratische Republiek Congo en Oeganda bewerkte. Zijn geval is niet uniek: in die tijd vonden er veel aanvallen plaats. Sinds de gorilla’s zich hebben aangepast aan het toerisme, vallen ze minder gauw mensen aan. Maar de ontmoetingen met dieren in het veld vinden nog steeds plaats.

    ‘We komen nog steeds olifanten, bavianen, apen en gorilla’s tegen. Ze eten alles op en vaak vernielen ze de boel compleet. Ze laten ons achter zonder eten voor onze kinderen, zodat we het schoolgeld kunnen betalen.’ 

    Wanneer een kind naar school gaat, wordt het risico van contact met dieren op het veld kleiner

    De boer bekritiseert het feit dat het Oegandese Wildlife Agency geen compensatie biedt voor dergelijke vernielingen en dat er voor de gemeenschap zware straffen staan op het verzamelen van brandhout, vruchten of andere hulpbronnen uit het bos: de jacht op een dier kan leiden tot elf jaar gevangenisstraf. 

    Zolang mensen en wilde dieren nog samenleven, is het voor het EEIDI-team vrijwel onmogelijk een nieuwe uitbraak van zoönose te voorkomen. Daarom vertrouwen zowel Johnson als dierenarts Ssebide op onderwijs als middel voor verandering. 

    ‘Mensen weten dat vleermuizen gastheer zijn van een hele rits aan ziekten. De eerste bijdragen uit de gemeenschappen voor een veilige oplossing waren voorstellen die neigden naar uitroeiing. We moesten didactisch materiaal maken op basis van de bijzonderheden van elke plek om uit te leggen dat dit geen optie was, aangezien [vleermuizen] essentieel zijn voor de instandhouding van het ecosysteem,’ zegt Johnson.

    Ssebide benadrukt dat preventie altijd bij voorlichting begint, al is het maar vanwege het simpele gegeven dat wanneer een kind naar school gaat, het risico van contact met dieren op het veld kleiner wordt.  

    ‘In plaats van de gewassen te bewaken, zit hij of zij dan te leren in een klaslokaal. Bij leden van de gemeenschap die naar school gaan, is de kans ook kleiner dat zij veel kinderen krijgen, wat de bevolkingsdruk zal doen afnemen. Met een betere opleiding kom je in aanmerking voor beter werk en zal je dus minder brandhout hoeven te sprokkelen in het bos of hoeven te stropen; er is dan meer geld voor andere brandstoffen of om voedsel te kopen. Voorlichting is immers het beste middel om eventuele toekomstige uitbraken te bestrijden.’

    Lees ook: