Tag: cancel culture

  • Wat mogen we nog zeggen in 2021?

    Wat mogen we nog zeggen in 2021?

    Een nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Is dit een goede ontwikkeling, een komische, of is het ronduit gevaarlijk? vraagt FOCUS zich af. Door wie zich niet aan de regels houdt te ‘cancellen’ en door simpele tekens als een duimpje omhoog, is iedere nuance ver te zoeken.

    Van de boze ophef die ze veroorzaakte, raakt ze niet meer verlost. J.K. Rowling, schepper van Harry Potter en een van de populairste schrijfsters ter wereld, heeft een tomeloze toorn over zich afgeroepen. En dat omdat de begenadigde taalkunstenares zich uitsprak tegen een bijzondere taalvariant. Ze zou niet meedoen met grillen als gedifferentieerde geslachtsaanduidingen, verklaarde ze, en ze maakte zich bijvoorbeeld vrolijk over de formulering ‘mensen die menstrueren’. Waarom, vroeg ze zich af, zeggen ze niet gewoon, zoals sinds mensenheugenis, ‘vrouw’? Sindsdien wordt ze belaagd door zelfbenoemde taalhervormers en onverbiddelijke opiniebewakers. Rowling zou de kant gekozen hebben van duistere machten. Ze zou transseksuelen discrimineren en sowieso reactionair zijn.

    Rowling heeft slechts een paar tweets over dit thema gepost, maar de knuppel der verachting treft haar met volle kracht. Op het internet heeft zich een groep geformeerd die haar onder de hashtag ‘Rust zacht J.K. Rowling’ de dood toewenst. En er gaan filmpjes rond waarin Harry Potterboeken verbrand worden.

    Alle mensen goed en gelijk

    Uitgestoten worden vanwege een paar zogenaamd verkeerde woorden? Tot persona non grata verklaard worden om een uitspraak die anonieme opiniebewakers niet welgevallig is? Het geval van J.K. Rowling laat zien hoe gevaarlijk het kan zijn om iets schijnbaar onschuldigs te zeggen als je met die uitspraak bepaalde regels overtreedt. Regels die, zo lijkt het althans, de manier van spreken (en daarmee van denken) beïnvloeden en in een bepaalde richting duwen. 

    De nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Daarin gelden alle mensen als goed en gelijk. In plaats van gedevalueerde ‘vluchtelingen’ zijn er nu ‘vluchtenden’ onderweg. Het zuiver manlijke ‘inwoners’ moet plaatsmaken voor ‘inwonenden’. De ‘zigeunerschnitzel’ is al even vergiftigd als de ‘negerzoen’ – en Pippi Langkous’ papa wordt nu ‘Zuidzeekoning’ [in plaats van negerkoning]. 

    Geslachten zijn sowieso slecht

    Symbool van deze grote verbale opvoeding is een sterretje – dat aan elk mannelijk wezen een vrouwelijke uitgang hangt. Geslachten zijn sowieso slecht. In tijden van ‘diversiteit’ is elke indeling een last, een belediging en een bedreiging. Een geslachtsverandering verandert in een ‘geslachtsaanpassing’ en de zin ‘Ze was vroeger een man’ is nu uit den boze. Goed is: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld.’ 

    En migranten? Juist, dat zijn nu ‘mensen met een internationale achtergrond’. Zo staat het in de nieuwe richtlijn van de Berlijnse minister van Justitie voor het gebruik van een ‘diversiteitsgevoelige’ taal in het bestuur van de hoofdstad.

    Taal als machtsmiddel

    Je kunt zulke ontwikkelingen goed vinden. Of komisch. Maar ook gevaarlijk. Critici van deze nieuwe, moreel zo vlekkeloze woordkeus zien de vrijheid van spreken en van meningsuiting in gevaar komen. Het volk zou gemuilkorfd worden – elke provocatie, elke vorm van brutale en duidelijke taal zou verboden worden. Wie zich niet aan de nieuwe regels houdt, zou veroordeeld worden als verachter van de gelijkheid, als seksist, als racist. 

    Taal, zo waarschuwde onlangs nog de Neue Zürcher Zeitung, is een ‘machtsmiddel’. Het politiek correcte ‘koeterwaals’ dat aanvankelijk door academische elites in de VS, en nu ook steeds vaker in Europa wordt gepropageerd, zou in ieder geval door bepaalde lagen van de bevolking opgevat kunnen worden als een ‘aanval’ op hun cultuur.

    De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, verdoemen en verspreiden

    Intussen hebben de nieuwe regels ook de scholen bereikt. Of en in hoeverre ze van kracht zijn wordt beslist door de leraressen (en leraren) zelf. Zo kan in een opstel het ontbreken van het gendersterretje aangegeven worden, maar het hoeft niet fout gerekend te worden.

    Heinz-Peter Meidinger, president van de Duitse bond van leraren, tilt niet zwaar aan het schriftbeeld: ‘Ik geloof niet dat een niet-discriminerende of genderneutrale cultuur in de school opgehangen kan worden aan de invoering van het gendersterretje.’ Het zou beslist fout zijn daar een ‘geloofsstrijd’ van te maken.

    Maar is deze geloofsstrijd niet al lange tijd bezig? De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, veroordelen en verspreiden. De Berlijnse viroloog Christian Drosten bijvoorbeeld is voor heel wat tegenstanders van de coronamaatregelen een mikpunt van haat. Op desbetreffende fora is vrijwel iedere uitspraak van de onderzoeker aanleiding tot woede en verontwaardiging. 

    Maar wat is dat voor communicatie, als er overal valstrikken staan? Als jan en alleman (of -vrouw) alle mogelijke gevolgen van elke uitspraak van tevoren moet bedenken, alsof hij (of zij) werkt op de protocolafdeling van de diplomatieke dienst? Als iedere vergissing, iedere verspreking, iedere verontschuldiging onmogelijk is? Hoe moet je met elkaar praten als het niet meer op de inhoud, maar alleen nog op de vorm van het gezegde aankomt, en op een omineuze subtekst die deze vorm zogenaamd overbrengt?

    Gewoon een beetje luchtig

    Bij het afscheid van de algemeen secretaris van de FDP Linda Teuteberg maakte partijleider Christian Lindner een dubbelzinnig grapje. In de afgelopen vijftien maanden waren Teuteberg en hij ongeveer driehonderd keer samen de dag begonnen, grapte Lindner. En na een korte stilte voegde hij eraan toe: ‘Ik bedoel ons dagelijks telefoongesprek in de ochtend over de politieke situatie. Niet wat u nu denkt.’ 

    Hij had zijn praatje gewoon een beetje luchtig willen houden, benadrukte Lindner later, nadat zijn opmerking ‘viraal ging’. Er was weer eens gebleken wat voor een seksist Lindner was, luidde het vonnis. En in de digitale ruimte was het nu de vraag of ‘zo iemand’ eigenlijk wel geschikt was voor een leiderspositie.

    Opvallend is dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren

    Opvallend is dat de hoek van waaruit zulke smaadstormen opsteken intussen een andere is geworden. Dat ervoer ook de literaire wereldster Karl Ove Knausgard. Toen hij in 1998 in zijn vaderland Noorwegen zijn debuutroman Buiten de wereld publiceerde, waarin de liefdesgeschiedenis tussen een leraar en zijn dertienjarige leerlinge op provocerende wijze wordt verteld, werd het boek bejubeld. Maar zeventien jaar later, bij verschijning in Zweden, werd het door critici bestempeld als pornografisch en pedofiel. 

    ‘Het klimaat is totaal veranderd,’ aldus een verbaasde Knausgard. Opvallend daarbij was dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren.

    De popcultuur had van meet af aan iets rebels. Ze richtte zich tegen het establishment, tegen de zedenmeesters en de kleinburgers. Pop was links. Maar nu komen uit dit milieu de hardste sancties tegen vermeende of feitelijke overtredingen van de regels en taboebreuken. Nooit was de spreuk van het satirisch gezelschap Neue Frankfurter Schule toepasselijker: ‘De scherpste critici van de barbaren zijn zij die ’t vroeger zelf waren.’

    De oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan

    De controverse rond de Oostenrijkse cabaretier Lisa Eckhart, die ontbrandde naar aanleiding van een gepland optreden op de Hamburger Kiez, vlak bij de legendarisch recalcitrante krakerswijk Hafenstraße St Pauli, past helemaal in dit beeld. Eckhart had er in 2018 in het satirische televisieprogramma Mitternachtsspitzen op gewezen dat de intussen veroordeelde seksmisdadiger Harvey Weinstein een jood was. ‘Altijd zijn we tekeergegaan tegen het vooroordeel dat het de Joden om geld gaat, en nu blijkt plotseling dat het ze helemaal niet om geld gaat, maar om vrouwen,’ zei ze, waarmee ze een cliché ontkrachtte dan wel de grenzen van het politiek correcte moedwillig overschreed – al naargelang je standpunt.

    De organisatoren van het literatuurfestival in Hamburg vreesden in elk geval gewelddadige protesten in de ‘zoals bekend uiterst linkse wijk’ St Pauli, en trokken de uitnodiging aan Eckhart in. Dat is de andere kant van de digitale proteststorm: hij veroorzaakt ook schade in de analoge wereld. Ook daarom is de ‘cancelcultuur’ zo dubieus: de oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan. 

    Dat satire grenzen overschrijdt, was vroeger vanzelfsprekend. Tegenwoordig wordt een zin uit een satirische context losgerukt, van iedere ironie ontdaan en wordt de afzender ermee om de oren geslagen. Maar is satire, of provocerende kunst in het algemeen, dan nog wel mogelijk? ‘Ik ben bang dat ik me op zeker moment in mijn schrijven niet meer op riskant terrein wagen kan,’ zei Karl Ove Knausgard onlangs in een interview met Die Zeit.

    De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is

    Maar hoe moet je reageren als je te maken krijgt met felle beledigingen? De cabaretier Dieter Nuhr, in wiens uitzending Lisa Eckhart regelmatig optreedt, kiest voor de aanval. Nuhr verdedigt zich op Twitter en YouTube tegen critici die hem een ‘klimaatontkenner’ en een ‘wetenschapsverachter’ noemen. Helaas is het tegenwoordig niet meer voldoende om satire voor zichzelf te laten spreken, klaagt hij.

    Maar ironie is van nature ambivalent, en cabaret berust op rollenspel. Wanneer Gerhard Polt in een van zijn beroemdste nummers een racist wordt die zijn Aziatische vrouw Mai Ling opvoert, betekent dat niet dat hij zelf racistisch denkt.

    Overigens moet ook gewoon in de gaten worden gehouden of uitspraken strafbaar zijn, of ze bijvoorbeeld beledigingen, Holocaustontkenning of verheerlijking van het nationaalsocialisme bevatten, of racistisch zijn. De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is bovendien paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is.

    Intussen moet blijkbaar altijd rekening worden gehouden met de omgeving waarin je een mening uit. Het publiek beslist wat mag en wat niet. Toen in de zomer tijdens de protesten na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd de Republikeinse hardliner en Trumpaanhanger Tom Cotton in een gastcommentaar in The New York Times eiste dat er militairen tegen de demonstranten zouden worden ingezet (‘Stuur er troepen heen’), veroorzaakte dat grote ophef bij de redactie en onder de lezers van het liberale blad. Uiteindelijk moest de verantwoordelijke redacteur, James Bennet, het veld ruimen. Een afwijkende mening ter discussie stellen was kennelijk niet te verenigen met de ‘debatcultuur’ van de krant, waarop ze toch zo trots is.

    Banaliserend effect

    De discussie over het gendersterretje en de binnen-I [bijv. in ‘LehrerInnen’. vgl. in het Nederlands de toevoeging m/v], heeft het taalbewustzijn onder de bevolking zonder meer vergroot. Professionele speechschrijvers constateren in elk geval bij hun opdrachtgevers een vergrote gevoeligheid voor wat taal aan kan richten. ‘En dat,’ zegt de voorzitter van het verbond van Duitse speechschrijvers, Jacqueline Schäfer, ‘ervaren wij in eerste instantie als iets positiefs.’

    Taal is iets levends, het taalgebruik laat zien wat dominant wordt – ‘en als dat op zeker moment het gendersterretje is, dan heeft gewoon iedereen wie dat niet bevalt, het nakijken’. 

    Toch gaat de consensus over ‘wat je nog zeggen kunt’ en wat taboe is wel verloren, volgens Schäfer. ‘Veel grenzen zijn in de voorbije decennia doorbroken, daarmee verdwijnt ook het gevoel voor tact. En dit gat wordt dan steeds vaker opgevuld door een soort taalpolitie.’

    Wat tot dan toe normaal was, wordt zo tot overtreding van de regels verklaard – zoals het woord ‘dakloze’, dat een paar jaar geleden werd ingevoerd als vervanging voor ‘zwerver’ en dat mettertijd een negatieve bijklank kreeg. ‘Maar het verbetert niets voor hen als je deze mensen als “woningzoekenden” aanduidt,’ zegt Schäfer, ‘integendeel: het kan zelfs een banaliserend effect hebben.’

    Op de radar

    Alice Schwarzer hechtte altijd al aan duidelijke, provocerende taal. In de afgelopen jaren viel de feministische activiste steeds opnieuw het ook in Duitsland merkbare en invloedrijke islamisme aan. En ze uitte zich kritisch over vluchtelingen uit islamitische landen. Toen ze berichtte over de misdaden in de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen, waarbij tientallen vrouwen door rellende vluchtelingen (of vluchtenden) op het Domplein werden aangevallen en enkelen zelfs werden verkracht, kwam ze zelf op de radar van de deugdpolitie.

    Op het internet werd ze zwartgemaakt als een racistische ophitser – bijvoorbeeld op het zogenaamd feministische en antiracistische forum ‘#ausnahmslos’. Schwarzer zelf kan zulke belasteringen wel aan, maar in haar nieuwe boek Lebenswerk waarschuwt ze voor de gevolgen van een ‘verkeerde tolerantie’ tegenover andere culturen. De slachtoffers zouden genegeerd worden en de daders veracht. ‘Want hoe moeten die ooit de kans krijgen te veranderen en vreedzaam met ons te leven als we ze hier in ons land gewoon door laten razen?’

    Prominenten krijgen de kracht van de nieuwe taalreguleerders snel te voelen. In het openbaar gesproken woorden worden meteen veroordeeld. Daarbij houden de critici van de vaak onbeduidende uitglijers zich zelf aan geen enkele fatsoensregel. Op het internet wordt schaamteloos gescholden, beledigd, gesmaad, gedreigd, zodat de grote sociale media hele cohorten controleurs in dienst nemen om hun platforms enigszins schoon te houden.

    Sinds de opkomst van communicatiediensten als Twitter en Facebook, nog maar vijftien jaar geleden, is een alternatieve publieke ruimte ontstaan die zich onttrekt aan de traditionele regulering. Waar mediabedrijven met veel moeite het waarheidsgehalte van wat gepubliceerd wordt checken, jagen we met zijn allen zonder te checken en doorgaans ongestraft haatboodschappen en nepnieuws het internet op.

    Elke aanhanger van welke idiote leer ook treft hier gelijkgezinden met wie hij zonder enige tegenspraak van gedachten kan wisselen

    Aanhangers van welke idiote leer ook treffen hier gelijkgezinden met wie ze zonder enige tegenspraak van gedachten kunnen wisselen. Hier mogen ze eindelijk zonder problemen zeggen waarvoor ze ergens anders, meestal terecht, ter verantwoording zouden worden geroepen. De toenemende democratisering die de grondleggers van het internet beloofden heeft geleid tot een versplintering van de openbare ruimte.

    Nu spreekt iedereen in zijn eigen niche met gelijkgezinden. Luisteren, of zelfs over opiniegrenzen heen van gedachten wisselen, dat wil niemand meer. Zo spreken ontelbare miljoenen op het net elkaar alleen nog over opvattingen en meningen en argumenten die ze toch al hadden. Ze voeren feitelijk eindeloze gesprekken met zichzelf – in het gunstigste geval worden hun oordelen en voorstellingen bevestigd. In het ongunstigste geval wordt hun blik vernauwd en worden hun opvattingen steeds verstokter en radicaler. Net als hun taal.

    De zogenaamd sociale media zijn vergiftigd door haat, bedreigingen, verachting, woede en geweldfantasieën. Mateloosheid is de maat van alle dingen, ze garandeert aandacht, verspreiding en likes. Het internet is volgestort met woorden waar geen woorden voor zijn.

    Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer

    Klaus-Dieter Hartleb moet zich dag in dag uit blootstellen aan deze virtuele excessen. De vijftigjarige hoofdofficier van Justitie uit München is sinds het begin van dit jaar verantwoordelijk voor de afdeling ‘hatespeech’ van de Beierse justitie en jaagt op verbale radicalen die met hun posts of pamfletten de grenzen van het toelaatbare overschrijden.

    In 80 procent van de onderzochte gevallen, zegt Hartleb, gaat het om het strafbare feit van opruiing. Gediscrimineerd, beledigd en bedreigd worden in het bijzonder Joden, vluchtelingen en politici die zich inzetten voor het toelaten van vluchtelingen. De als doelwit gekozen groepen moeten, zo eisen veel haatverspreiders, ‘teruggestuurd worden naar het oerwoud’, ‘tegen de muur gezet’ of ‘vergast’ worden.

    Juist daders die het voor het eerst doen en betrapt worden, tonen zich ‘langdurig onder de indruk’ wanneer er plotseling opsporingsambtenaren voor de deur staan. Velen zien hun schuld ook in, wat beslist aan te raden is gezien de dreigende straffen (hoge geldboetes of zelfs celstraf).

    Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer. De vrijheid van meningsuiting, aldus Hartleb, is inderdaad een ‘zeer groot goed’, maar hij is ‘geen censor’ en geen taalbewaker. Hij houdt uitsluitend de strafrechtelijke grenzen in het oog die op het internet worden overschreden. 

    Duizendvoudig, elke minuut. Alleen al in de eerste drie maanden van het jaar 2019 wiste Facebook in Duitsland 160.000 uitspraken die het bedrijf als ongeoorloofde haatberichten beoordeelde. Verbazingwekkend: in het hele jaar 2019 werden door het Bundeskriminalamt (BKA, de Duitse federale recherche) maar ongeveer 1500 onderzoeken ingesteld wegens het verspreiden van ‘hatespeech’. De typ- en klikmisdadigers die Facebook zelf ontmaskert, beschermt het bedrijf tegen de politie. Rechtshulpverzoeken van Duitse opsporingsambtenaren laat het concern vaak onbeantwoord of het blokkeert ze met het argument dat de servers in de VS staan, waar andere wetten gelden.

    ‘Wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden, kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert’

    Al vervolgt de Duitse justitie intussen doelgericht ‘hatespeech’-delicten met speciale officieren van justitie en al moet een aanscherping van ‘internetwetgeving’ de platformexploitanten tot aangifte dwingen – een aanzienlijk aantal verbale strafbare daden blijft tot op heden voor de daders zonder consequenties. Maar voor de vrijheidslievende samenleving zijn de gevolgen enorm. En er moeten dringend uitgangspunten gevonden worden om allemaal weer zonder conflicten en vooroordelen met elkaar te kunnen spreken.

    In de universiteitsstad Tübingen ligt aan de centrale Wilhelmsstrasse een betonnen bunker voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Het gebouw is genoemd naar Bertold Brecht, van wie je veel kunt zeggen, maar zeker niet dat hij een moraalridder was. Hier onderzoekt het in 1963 door Walter Jens opgerichte Seminar für Allgemeine Rhetorik het Duitse taalgebruik.

    ‘Politieke correctheid,’ zegt de professor retorica Olaf Kramer, ‘is aanvankelijk ontstaan vanuit de wens om bepaalde ethische en sociale standaards in te stellen voor begrippen en erop te wijzen dat taal discriminatoire processen in de maatschappij kan versterken.’

    Bijvoorbeeld wanneer in de publieke discussie bepaalde begrippen worden gebruikt die iemand als beledigend ervaart. Of wanneer een subtiele uitsluiting plaatsvindt omdat over bepaalde beroepen steeds alleen in de mannelijke vorm wordt gesproken, alsof daarin geen vrouwelijke representanten te vinden zijn. Het beslissende criterium is dus de subjectieve ervaring.

    ‘Maar wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden,’ zegt Kramer, ‘kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert, want bepaalde groepen vatten die op als een spreekverbod en hebben dan het gevoel niet aan het woord te komen. Zo groeit de verontwaardiging.’

    De beste oplossing

    Democratie heeft echter vrijheid van meningsuiting nodig, want, zo schrijft de plaatsvervangende voorzitter van de FDP Wolfgang Kubicki in zijn juist verschenen boek Meinungsunfreiheit. Das gefährliche Spiel met der Demokratie, ‘de beste oplossing is vrijwel nooit die welke je thuis in je eentje hebt bedacht, maar die welke in discussie met anderen ontwikkeld is.’

    Maar dat veronderstelt de bereidheid om te luisteren, zonder dat andersdenkenden monddood gemaakt worden. ‘Ontbreekt deze menselijke openheid ten aanzien van andere meningen,’ schrijft Kubicki, ‘dan ontbreekt ook de voorwaarde om de vrede bij ons te bewaren en onze vrijheid te behouden.’

    ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen’

    De retoricaprofessor Kramer wil daarom nieuwe regels voor digitale communicatie. Belangrijk is enerzijds het ‘pedagogische uitgangspunt dat al op school gevoeligheid voor de omgang met anderen wordt aangekweekt en de consequenties duidelijk worden gemaakt’. Anderzijds zouden de platforms van de sociale media ook technische oplossingen moeten ontwikkelen. ‘De zuiver emotionele deelname aan een discussie met “duimpje omhoog” of “duimpje omlaag” is niet geschikt voor gecompliceerde politieke kwesties,’ zegt Kramer. ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen.’

    Onmisbaar acht hij strenge juridische consequenties voor ‘hatespeech’ op het internet, ook al zou het in strijd zijn met het oorspronkelijke idee van het internet als een volledig vrije, open en ongecontroleerde ruimte. ‘Men zou – internationaal – kunnen afspreken dat handelingen op het internet dezelfde consequenties hebben als in de reële wereld. Misschien zou het internet dan weer het fantastische platform worden waarop iedereen met iedereen echt in gesprek kan komen.’

    En misschien zouden sociale media dan hun charme weer terug kunnen krijgen omdat men daar met prominenten als J.K. Rowling, Lisa Eckhart of Dieter Nuhr van gedachten kan wisselen over hun denkbeelden, verhalen en wie weet over hun provocaties. In plaats van ze met vervloekingen te bestoken.

  • De open brief die een einde moest maken aan de afrekencultuur

    De open brief die een einde moest maken aan de afrekencultuur

    De open brief in Harper’s Magazine die Thomas Chatterton Williams schreef om zich uit te spreken tegen de onverdraagzaamheid in de ‘vrije uitwisseling van informatie en ideeën’ veroorzaakte een lawine aan reacties. Critici zagen een sinistere poging de landelijke discussie over raciale rechtvaardigheid na Black Lives Matter te ondermijnen. Bewees Chatterton hiermee zijn eigen gelijk?

    Wat ging er om in het hoofd van Thomas Chatterton Williams toen hij besloot om een korte open brief te schrijven over de gevaren van het liberalisme en het vrije debat, en om enkele gelijkgestemde intellectuelen te vragen die te ondertekenen?

    Hij dacht aan de Poetry Foundation, van wie de leiders terugtraden nadat hun verklaring van vier zinnen ter ondersteuning van Black Lives Matter als te halfslachtig werd bestempeld door de meer dan achttienhonderd mensen die een petitie tekenden. En hij dacht aan de National Book Critics Circle, waarvan het bestuur struikelde over hun poging een dergelijke verklaring op te stellen.

    Hij dacht aan David Shor, een politiek analist die werd ontslagen na een tweet over een onderzoek waarin werd geopperd dat de verkiezingen van 1968 dankzij gewelddadige straatprotesten waren uitgevallen in het voordeel van de Republikeinen; hij dacht aan Colin Kaepernick, een quarterback die uit de NFL werd gezet na zijn antiracisme-protest bij conservatieve fans in het verkeerde keelgat was geschoten.

    ‘In het bredere politieke spectrum hoorde je overal de roep om meer controle en minder ruimte om je te uiten,’ zegt Williams, een cultuurcriticus die uitvoerig over ras heeft geschreven.

    Daarom stelde hij samen met vier anderen ‘A Letter on Justice and Open Debate’ op – waarin wordt gewaarschuwd dat ‘de vrije uitwisseling van informatie en ideeën’ wordt beknot door ‘een onverdraagzaamheid jegens tegengestelde meningen, een trend om mensen publiekelijk aan de schandpaal te nagelen’ en ‘een tendens om complexe politieke vraagstukken terug te brengen tot een rigide moreel standpunt.’ De brief, die op 7 juli werd gepubliceerd door Harper’s, is ondertekend door 153 bekende mensen uit de wereld van de wetenschap, media en cultuur. Er staan namen onder als Noam Chomsky, Gloria Steinem, Margaret Atwood, Salman Rushdie en Wynton Marsalis.

    De reacties kwamen snel en waren venijnig – en voor veel van de ondertekenaars zeer onverwacht.

    De brief werd allerminst enthousiast onthaald als een hoogstaand eerbetoon aan vrijheid van meningsuiting en de positieve effecten van het politieke debat, maar neergesabeld omdat hij een boodschap zou uitdragen waarvan de auteurs bezweren dat ze die nooit zo hebben bedoeld. Sommige mensen zagen er een sinistere poging om de landelijke discussie over raciale rechtvaardigheid te ondermijnen. Transgender-activisten zagen de brief als een verhulde aanval op hun gemeenschap. Links las hem als de aloude aanklacht tegen politieke correctheid. Een paar ondertekenaars wilden hun naam weer laten weghalen toen ze zich ineens in het kamp leken te bevinden van hun ideologische vijanden. 

    Maar de meest vernietigende kritiek kwam van cynici die de brief afdeden als een afspiegeling van het gekwetste ego van de beroemde ondertekenaars – die zich door social media ineens gedwongen zagen te reageren op kritiek van de gewone man, en die het gevoel hadden dat daarmee hun eigen vrijheid van meningsuiting onder druk kwam te staan.

    Hoe dan ook heeft de brief ruime aandacht gekregen, redeneert Williams. ‘Drie alinea’s zouden nooit wereldwijd zoveel weerklank vinden als de inhoud geen hout zou snijden,’ zegt hij.

    Sommigen zagen de reacties al van verre aankomen. Bari Weiss hoogst waarschijnlijk ook – al valt te betwijfelen of dat haar ervan zou hebben weerhouden te tekenen. De brief verscheen een week voordat deze opinieredacteur van de New York Times op dramatische wijze ontslag zou nemen, met een eigen ingezonden brief waarin ze scherp uithaalde naar de redactie, die volgens haar de oren zou laten hangen naar twitteraars die met alle geweld willen vasthouden aan een links-orthodoxe koers en naar collega’s van de Times die haar zouden hebben getreiterd omdat zij – in haar eigen woorden – voor het midden koos.

    Maar goed, Weiss is ook weer iemand die graag de confrontatie mag opzoeken. Haar specialiteit bij de Times was deels het aankaarten van de afrekencultuur. Ze maakte zich sterk voor het werk van het ‘intellectuele dark web,’ dat volgens haar door de mainstream media werd gemeden vanwege de heersende opvattingen. En toen online critici haar wezen op bepaalde denkfouten in haar stukken, deed ze dat af als een aanval van een linkse ‘bende’.

    De laatste tijd organiseerde ze met enige regelmaat etentjes in de Comedy Cellar in Manhattan, waar gelijkgestemde bekendheden hun ongenoegen konden delen. Een van die avonden werd voortgezet in het huis van schrijfster Katie Roiphe, in Brooklyn. Dit samenzijn werd schertsend de ‘Thought Crimes Party’ genoemd, verwijzend naar George Orwells 1984, en zowel de lijst van aanwezigen als de besproken onderwerpen waren off the record. Het feestje ging door tot twee uur ’s nachts, zegt Roiphe, en iedereen had het reuze naar zijn zin.

    Enkele anderen, die zich wel kunnen vinden in Williams’ boodschap, neigen veel minder naar Weiss’ strijdlustige aanpak.

    ‘Dit is geen al te beste timing,’ aldus Robert Reich, econoom en voormalig minister van werkgelegenheid, die zich achter de geest van de brief schaarde, maar toch weigerde te tekenen.

    De brief sluit aan bij enkele controverses die vragen oproepen over de grenzen van wat nog acceptabel is binnen de politieke strijd. Zo was er op 7 juni het opstappen van James Bennet, de redacteur van de opiniepagina van de New York Times, na grote onenigheid binnen de redactie omdat Bennet een ingezonden stuk had geplaatst van Tom Cotton (de Republikeinse senator van Arkansas), die zich een voorstander verklaarde van het sturen van troepen naar steden waar de demonstraties op rellen waren uitgelopen. Later erkende Bennet dat hij het stuk niet had gelezen voordat het werd geplaatst en zei hij dat het niet voldeed aan de criteria van de krant. 

    En op dezelfde dag dat Weiss ontslag nam, zorgde de semi-conservatieve schrijver Andrew Sullivan voor bijna net zoveel ophef met de mededeling dat hij opstapte bij New York Magazine omdat ‘mijn collega’s niet langer met me willen samenwerken.’ (De hoofdredacteur, David Haskell, formuleerde het iets neutraler: ‘Het publiceren van conservatief getinte stukken… is een delicate kwestie in 2020.’)

    De brief viel ook midden in de anti-racismedemonstraties die in steeds meer Amerikaanse steden om zich heen grepen – protesten die zich aanvankelijk richtten tegen op het politiegeweld, maar die de katalysator werden voor een bredere herijking binnen culture instellingen en mediabedrijven, waarbij een al veel langer sluimerende ontevredenheid over ongevoeligheden en salarisongelijkheid naar buiten kwam.

    Reich omschrijft dit als ‘een ontkiemende beweging van mensen van kleur die de rest van Amerika iets duidelijk maakt over systemisch racisme, en van vrouwen die zich moedig teweer stellen tegen systemisch misbruik.’ Hij vreesde dan ook dat de brief ‘het risico in zich droeg om, al was het nog zo indirect, die mensen af te schilderen als obstinaat of overgevoelig.’

    En inderdaad hebben veel lezers die boodschap meegekregen in de derde zin van de brief. Daar staat dat ‘deze hoognodige herijking’ (en die is echt hoognodig, haastten de auteurs eraan toe te voegen) heeft geleid tot ‘een versterking van een nieuw stelsel van normen en waarden… dat onze norm van een open debat waarin ruimte is voor verschillen dreigt te ondergraven, ten gunste van ideologische conformiteit.’

    De reden dat Jill Abramson niet heeft getekend? ‘Ik dacht dat de brief deel uitmaakte van een anti-wokeness-campagne, een tegenbeweging vermomd als vrijheid van meningsuiting,’ zegt de voormalig executive editor van de New York Times onomwonden.

    ‘IJdel, zelfgenoegzaam geneuzel,’ schreef Richard Krim, editorial editor van HuffPost, die ook weigerde te tekenen, ‘dat alleen de mensen die ze zeggen te willen bereiken, zou trollen.’ Een deel van het probleem schuilt in de vage formuleringen van de brief –mensen die volgens de ondertekenaars ten onrechte de mond werd gesnoerd of die aan de schandpaal waren genageld, werden niet bij naam genoemd: ‘Redacteuren worden ontslagen omdat ze omstreden stukken plaatsen; boeken worden van de markt geweerd omdat ze onwaarheden zouden bevatten; journalisten wordt belet over bepaalde onderwerpen te schrijven; er wordt een onderzoek ingesteld naar hoogleraren omdat ze tijdens colleges literaire werken hebben geciteerd; een onderzoeker is ontslagen omdat hij een peer reviewed wetenschappelijk onderzoek heeft laten rondgaan; mensen die aan het hoofd staan van een organisatie worden aan de kant gezet vanwege iets wat in sommige gevallen niet meer dan een onhandigheid is.’

    Over welke gevallen gaat het hier precies? Degenen die het opschreven, wisten dat. Of in ieder geval meenden ze het te weten. Verder moet iedereen zelf maar proberen duiding te vinden in de namen van de 153 mensen die de brief hebben ondertekend – van wie sommigen zich al diep in de meer omstreden wateren van het huidige politieke discours hadden gewaagd en al doende mensen tegen zich in het harnas hadden gejaagd. 

    Denk aan: J.K. Rowling, vooral bekend als de auteur van de Harry Potter-boeken, maar ook iemand die onlangs haar ongerustheid heeft uitgesproken over het groeiende aantal kinderen dat genderbevestigende zorg verlangt, en iemand die onlangs mopperde dat de zinsnede ‘mensen die menstrueren’ (als aanduiding van zowel vrouwen als transgender mannen) kwetsend was voor vrouwen – waarmee ze zich de woede op de hals haalde van enkele trans-activisten die er vervolgens, omdat Rowling ook had ondertekend, van uitgingen dat de hele brief een frontale aanval op hén was.

    Of neem Steven Pinker, een psycholoog aan Harvard die ook heeft ondertekend, en wiens provocerende uitspraken over de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen, en de gevolgen daarvoor voor de intelligentie, heftige reacties hebben opgeroepen. Een van die reacties bestond uit een petitie, getekend door 550 academici, om Pinker zijn leerstoel bij de Linguistic Society of America af te nemen, vanwege zijn tweets waarin hij beweert dat ras geen belangrijke rol speelt bij police shootings, en nog een handvol andere tweets die naar hun mening ‘een poging zijn de stem te smoren van mensen die hebben te lijden onder racistisch en seksueel geweld.’

    En dan is er natuurlijk nog Weiss zelf, die velen aan de linkerkant van het politieke spectrum tegen de haren in heeft gestreken met haar columns waarin ze zich uitspreekt vóór culturele toe-eigening en waarin ze de spot drijft met wat zij ziet als een links ‘kastestelsel’ – gebaseerd op de mate waarin bepaalde identiteitsgroepen zich erop kunnen beroepen onderdrukt te zijn.

    Naar later bleek hadden zelfs de auteurs van de brief verschillende drijfveren. Williams zal vermoedelijk de Poetry Foundation in gedachten hebben gehad, en George Packer zal Bennet in gedachten hebben gehad. ‘Dat hij onder druk was opgestapt en dat er vervolgens een huivering door de burelen van de New York Times trok, baarde ons zorgen,’ zei Packer. Hij refereerde ook aan het geval van Alexis Johnson, een van de weinige zwarte verslaggevers van de Post-Gazette in Pittsburgh, die van de redactie geen verslag meer mocht doen van de demonstraties tegen raciale ongelijkheid omdat hij een ironische tweet had geplaatst waaruit naar de mening van de hoofdredactie een vooroordeel sprak (ze had een foto geplaatst van een terrein dat vol troep was achtergelaten na een countrymusic-show, met een grappende verwijzing naar de recente hype over plunderingen). Packer, die voor de Atlantic schrijft, wil duidelijk maken dat het er haar om gaat op te komen voor ánderen die met onverdraagzaamheid worden geconfronteerd. ‘Er is niets persoonlijks aan deze brief of aan de ervaring van de vijf opstellers.’

    Packer zegt dat ze heel bewust  hebben geprobeerd handtekeningen te verzamelen van een eclectische groep intellectuelen – ‘een lijst die zo divers zou zijn, als je kijkt naar identiteit en politieke overtuiging, dat er niet één stempel op zou zijn te plakken, zodat niemand ons zou kunnen afdoen als een kliekje, of zou kunnen zeggen dat het altijd weer  dezelfde mensen zijn,’ zegt hij. ‘Ik wilde een lijst waarvan mensen zich zouden afvragen: “Wat bindt al deze mensen? Welke overtuiging hebben ze gemeen?”’

    Williams vroeg ook de conservatieve econoom Glenn Loury, hoogleraar aan Brown University, die zich gevlijd voelde maar bedankte voor de eer: Als conservatief had hij het gevoel dat het debat ‘heel erg beperkt was tot een bepaald clubje’ – te weten een clubje liberalen – ‘en ik maak niet echt deel uit van die club.’

    De opstellers, zegt Packer, wilden niet de indruk wekken zich kritisch op te stellen ten aanzien van de demonstraties tegen politiegeweld. Maar: ‘Je kunt erop wachten dat iemand je bedoelingen verkeerd interpreteert, want er zal altijd iemand zijn die je bedoelingen verkeerd opvat.’

    Drie dagen na de Harper’s-Brief ondertekende een groep van meer dan 150 journalisten, wetenschappers en schrijvers een reactie, waarin werd gesteld dat het Harper’s-Manifest voorbij ging aan de heersende machtsstructuren en aan het feit dat ‘gemarginaliseerde stemmen binnen de journalistiek, de academische wereld en de uitgeefwereld, al generaties lang de mond worden gesnoerd.’

    ‘Zwarte mensen, bruine mensen en LGBTQI+’ers – met name zwarten en transmensen – kunnen nu publiekelijk kritiek leveren op de elite en die ter verantwoording roepen,’ valt te lezen in de reactie. ‘Dat lijkt de grootste zorg van de briefschrijvers.’

    ‘Ik weet niet zo goed wat ik met die kritiek moet,’ zegt Williams, die bi-raciaal is. Hij heeft de lijst van ondertekenaars ‘ongekend divers’ genoemd, met namen als Reginald Betts, een Afro-Amerikaanse dichter en memoiresschrijver die acht jaar in de gevangenis heeft gezeten omdat hij op zijn zestiende een auto heeft gestolen; Orlando Patterson, een van oorsprong Jamaicaanse socioloog aan Harvard die erom bekend staat dat hij zich veel bezighoudt met rassenkwesties; en Kian Tajbakhsh, een Iraans-Amerikaanse hoogleraar urban studies aan Columbia, die jaren in Iran in de gevangenis heeft gezeten voordat hij terugkeerde naar de Verenigde Staten. ‘Het idee dat het zou gaan om een stelletje elitaire witten is uitgegroeid tot een retorische stellingname die geen recht doet aan wat we hebben neergezet,’ aldus Williams.

    Hoewel de Harper’s-brief de schuld niet expliciet bij de ‘afrekencultuur’ legt, is dat voor veel lezers wel de subtekst – een belangrijk aspect van het debat dat zorgt voor zoveel ophef binnen elitaire culturele instellingen.

    Voor sommigen staat de afrekencultuur voor een schrikbeeld van online bendes die erop aansturen dat mensen worden ontslagen om redenen die kunnen variëren van een oude tweet tot een onbenullige opmerkingen die niet strookt met een bepaalde progressieve opvatting die op dat moment in zwang is. Volgens anderen is dat helemaal niet aan de orde – zij zeggen dat die manier van formuleren alleen al een poging is om jongeren of minderheden of LGBTQ-groepen die gebruik maken van social media om de machtigen ter verantwoording te roepen, buiten spel te zetten.

    In bepaalde liberale kringen gaan alle haren overeind staan zodra het woord afrekencultuur valt, al helemaal nu conservatieven de bal meteen terugspelen. Toen nog tachtig medewerkers van de Post-Gazette uit Pittsburgh te horen kregen dat ze geen verslag mochten doen van de protesten omdat ze per tweet hun steun hadden betuigd aan Jones, kreeg het verhaal landelijke bekendheid en schoof de hoofdredacteur bij Fox News de schuld in de schoenen van de ‘Twitter mob’ – een klassiek eufemisme binnen de afrekencultuur – die hem zou hebben afgeschilderd als racist.

    Michelle Goldberg, een linkse columniste van de New York Times, wilde de brief pas ondertekenen toen een verwijzing naar de ‘afrekencultuur’ eruit was gehaald. Het specifieke probleem, zo schreef ze, zijn de gevallen waarin activisten niet alleen iemand op een verkeerde argumentatie wijzen, maar erop aansturen dat diegene wordt ontslagen. ‘Wat mij de meeste zorgen baart is de betrokkenheid van het humanresourcemanagement dat in een wurggreep wordt gehouden door snel veranderende normen over hoe mensen zich moeten uiten en hoe het debat moet worden gevoerd.’

    Jonathan Chait, een columnist bij New York Magazine, heeft niet getekend, maar dat is alleen omdat hij principieel weigert mee te doen aan open brieven. Hij is ook van mening dat links ‘in het debat over identiteitsvraagstukken tegenwoordig regels hanteert die het onmogelijk maken om welke beschuldiging van racisme of seksisme dan ook te weerleggen.’ Wie ergens van wordt beticht, zegt hij, ‘rest geen andere mogelijkheid dan zich binnen de discussie de verontschuldigende rol aan te meten.’

    Masha Gessen, die verschillende boeken over autocratie en totalitarisme op haar naam heeft staan, is niet gevraagd te tekenen – misschien omdat Gessen zich al in het openbaar had uitgesproken over de suggestie van de opstellers dat het fenomeen van social media die het debat de kop indrukken even kwalijk is als onderdrukking door de staat. ‘De totalitaire ideologie wordt gesteund door de macht van de staat,’ schreef Gessen in juni in de The New Yorker. ‘De demonstranten in de straten van de Amerikaanse steden, en de journalisten die achter hen staan, worden niet gesteund door de staat of door een institutionele macht. Integendeel: ze staan op elk vlak tegenover elkaar.’

    Yascha Mounk, die wel heeft getekend, onderschrijft het onderscheid dat Gessen maakt, maar hij waarschuwt dat links zich wel degelijk zorgen zou moeten maken over het onderdrukken van de vrijheid van meningsuiting, omdat hij heeft gezien hoe het van kwaad tot erger kan gaan. Mounk is expert op het gebied van populisme en illiberalisme aan de Johns Hopkins School for Advanced International Studies, en zijn grootouders hebben in Polen gevochten voor een communistisch regime dat zich uiteindelijk tegen hen keerde en hen tijdens antisemitische pogroms heeft gedeporteerd. Mounk weet als geen ander dat bewegingen die een nobel doel lijken na te streven, kunnen ontsporen. Hij ziet hoe de autoritaire tendensen onder Trump het debat aan de andere kant van het politieke spectrum vergiftigen.

    Enkele dagen voor het verschijnen van de Harper’s-brief lanceerde Mounk een online publicatie, Persuasion, gewijd aan het open debat. Meer dan 25 duizend mensen hebben zich aangemeld voor de mailinglist – veel meer dan hij had verwacht. Hij wil dat het een veilige haven wordt voor mensen die zich gemuilkorfd voelen door wat hij ziet als het inperken van de vrijheid van meningsuiting in mainstream publicaties.

    Schrijvers als… Bari Weiss of Andrew Sullivan, misschien?

    Die twee lijken inmiddels hun eigen veilige haven te hebben gevonden. Sullivan heeft laten weten dat hij terugkeert naar een onafhankelijk blogging platform. Weiss heeft, in een mail, laten weten dat ze goede hoop heeft een manier te vinden om te helpen ‘de ongekende honger te stillen naar eerlijke journalistiek en integere debatten.’ Nog geen specifieke bestemming, maar volgens vrienden zijn er investeerders die maar wat graag haar volgende project willen steunen.