Tag: castro

  • Cubaanse kunstenaars betuigen steun aan protest | Italiaanse kers van 33 gram

    Cubaanse kunstenaars betuigen steun aan protest | Italiaanse kers van 33 gram

    Cubaanse kunstenaars betuigen steun aan protest

    De volksopstand die op 11 juli op Cuba ontstond, was misschien niet voldoende om het regime van Castro, dat al meer dan zestig jaar aan de macht is, omver te werpen, maar lijkt in ieder geval de angst te hebben weggenomen bij de oppositie en de Cubaanse intelligentsia om zich uit te spreken.

    De demonstraties, van een omvang die sinds 1994 niet meer is vertoond, hebben de steun gekregen van bekende Cubaanse artiesten, zo meldt nieuwssite 14ymedio. Op het eiland, dat al vele jaren onder censuur en zelfcensuur gebukt gaat, houdt een handvol kunstenaars de vlam van het protest levend, soms met gevaar voor hun vrijheid.

    Onder de belangrijkste steunbetuigingen van de afgelopen dagen schaart de in Havana gevestigde nieuwssite die van persoonlijkheden van internationale allure ‘die voorheen banden hadden met het regime of zeer terughoudend waren met het uiten van hun politieke mening’. Componist en dirigent Leo Brouwer en jazzpianist Chucho Valdés hebben beiden berichten op Facebook geplaatst waarin zij hun steun betuigen aan de demonstranten.

    ‘Wij steunen de duizenden Cubanen die hun rechten opeisen. Er moet naar ons geluisterd worden’

    Net als de muziekgroep Los Van Van, die op haar pagina schrijft: ‘Wij steunen de duizenden Cubanen die hun rechten opeisen. Er moet naar ons geluisterd worden. Wij zeggen nee tegen geweld en repressie. Wij eisen vrede in onze straten.’

    Schreeuw

    Op de website La Joven Cuba, verbonden aan de Universiteit van Matanzas La Joven Cuba(Cuba), heeft de schrijver Leonardo Padura (Prinses van Asturias Prijs in 2015), zelf zijn politieke terughoudendheid doorbroken om ‘een schreeuw’ te laten horen die hij tot nu toe alleen heeft durven uiten door de filter van de avonturen van zijn personage Mario Conde, een melancholische politieagent, symbool van de ontgoocheling van een hele generatie.

    ‘Een schreeuw die het resultaat is van de wanhoop van een samenleving die niet alleen een langdurige economische crisis en een eenmalige gezondheidscrisis doormaakt, maar ook een vertrouwenscrisis en een verlies van vooruitzichten’, legt de auteur uit. Padura herinnert eraan dat de economische blokkade debet is aan de catastrofale situatie waarin het land verkeert en wijst op de gevaren van ‘elke vorm van buitenlandse interventie’. Hij roept op tot ‘veranderingen en sociale dialoog, want het uitblijven daarvan heeft, naast andere verwoestende factoren, de migratiedrang van zovele Cubanen veroorzaakt’.

    Voor Cubaanse ingezetenen zijn deze uitspraken riskant, schrijft Infobae, die de namen vermeldt van vijf kunstenaars die momenteel om politieke redenen gevangen zitten. Onder deze kritische en gevangengenomen stemmen bevindt zich Maykel Osorbo, een van de rappers die te horen is in het lied Patría y Vida (‘Vaderland en Leven’, een omkering van het motto van het Castro-regime, ‘Vaderland of Dood’), dat het strijdlied van de demonstraties is geworden.

    Geconfronteerd met deze golf van protest uit de kunstwereld organiseerde het Cubaanse ministerie van Cultuur de uitzending van een reeks korte video’s met kunstenaars die loyaal zijn aan het regime, bericht de website Cubanet, gevestigd in de Amerikaanse staat Florida. Het is een serie getuigenissen van vele kunstenaars, waaronder de schrijver Reynaldo González Zamora (Nationale Literatuurprijs) die de Cubanen oproept zich te ‘verenigen’.

    Deze campagne zal de Cubanen, die in groten getale de straat op zijn gegaan, de redenen van hun woede tegen het regime niet doen vergeten. In een land waar de laatste representanten van de revolutie van 1959 aan het verdwijnen zijn, ontstaat er onder een groeiend deel van de bevolking een dringende behoefte aan politieke verandering en een grotere vrijheid van meningsuiting, zoals Leonardo Padura schrijft: ‘Als Cubaan die in Cuba woont, werkt en kunst maakt, neem ik het recht om na te denken en een mening te hebben over het land waar ik woon, werk en kunst maak’.


    Italiaanse kers van 33 gram

    In Italië is ’s werelds grootste kers geteeld, zo liet landbouworganisatie Coldiretti aan de Italiaanse nieuwssite Ansa weten. De recordkers werd vorige week bij Guinness World Records aangemeld. De vrucht weegt iets meer dan 33 gram, is van het type Carmen en werd gekweekt op een boerderij in de provincie Turijn.

    Italië is de belangrijkste producent van kersen in de EU

    Dat het record werd gebroken is bijzonder, want 2021 was een slecht jaar voor Italiaans fruit. Een op de vier kersen ging verloren door het slechte weer. Met bijna 30.000 hectare, waarvan 62 procent in Puglia, gevolgd door Campania, Emilia-Romagna, Veneto en Lazio, is Italië is de belangrijkste producent van kersen in de EU.


    Miljardenschikking in opioïdenrechtszaken

    Amerikaanse staten onthulden woensdag een ‘historische’ schikking van 26 miljard dollar met vier farmaceutische bedrijven om duizenden rechtszaken in verband met de opioïdencrisis te beslechten, meldde The Wall Street Journal. De aankondiging ‘markeert een belangrijke stap die de weg vrij kan maken voor geld dat de staten al begin volgend jaar kunnen ontvangen‘, schrijft de krant, die gemeenschappen in het hele land ‘een financiële impuls zou moeten geven voor de aanpak van een epidemie van pijnstillerverslaving die nog niet is afgenomen’.

    Het betreft de drie grootste medicijndistributeurs van het land, McKesson Corp. AmerisourceBergen Corp. en Cardinal Health Inc., en medicijnenproducent Johnson & Johnson, tevens producent van het Janssen-vaccin.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


    FILM | Verliefd op zichzelf 
en de vergetelheid

    ‘Hoe heeft ze dat in godsnaam gefilmd?’

    Iedereen die wil weten hoe het is als een adelaar boven de bergen te zweven, zou deze film moeten zien. Al bestaat de kans dat je de openigshots, waarin de beroemdste soloklimmer ter aarde op een bergricheltje 500 meter boven de grond staat, zonder touwen, zonder wat voor uitrusting ook, niet aankan. Daar zijn de kranten het over eens. Regisseur Jennifer Peedom brak door met haar film Sherpa uit 2015, die over de enorme risico’s gaat die Nepalese bergbeklimmers nemen om toeristen de Himalaya op te begeleiden en extra bekendheid kreeg doordat tijdens het filmen in 2014 zestien sherpa’s door een lawine om het leven kwamen.

    Mountain (2017) heeft als luchtiger onderwerp de – soms fatale – fascinatie van de mens voor de bergen, en laat zien hoe we deze ‘steeds meer als speelplaats gebruiken’ . Vooral degenen die bizarre sporten beoefenen als van pieken af mountainbiken, soloclimben en parachutespringen en volgens de voice-over ‘half verliefd zijn op zichzelf, en half op de vergetelheid’.

    Peedom schreef het script samen met de geleerde bergbeklimmer Robert MacFarlane; zijn Mountains of the Mind diende voor haar als lijfboek toen ze zelf begon met klimmen. Hun teksten worden voorgelezen door William Defoe, wiens ‘verweerde stem’ volgens The Irish Times een wat curieuze keuze is om de abnormaal atletische beelden te vergezellen. Het artikel in de Ierse krant heeft de kop ‘Hoe in godsnaam heeft ze dat gefilmd?’ – een vraag die meer recensenten zich stellen. Gevolgd door die andere: ‘En hebben ze het allemaal overleefd?’

    Het eerste antwoord ligt redelijk voor de hand: drones, de meest geavanceerde draagbare apparatuur, getrainde cameramannen, zoals Peedom aan Radiotimes vertelt. Het antwoord op de tweede vraag geeft ze aan Hollywood Reporter en is half geruststellend. Tijdens het filmen is niemand doodgegaan – wat niet wil zeggen dat iedereen die in Mountain voorkomt nu nog leeft. (Ook vertelt ze HR dat ze sinds ze kinderen heeft beter bestand is tegen ‘de sirenen van de top’, zoals McFarlane de soms haast suïcidale behoefte beschrijft om op wat voor manier ook bij de piek te komen.)

    ‘Niets doet je zo beseffen dat je leeft, als de wetenschap dat je elk moment kunt sterven’

    Peter Bradshaw van The Guardian spreekt de wens uit dat Peedom net als David Attenborough een korte making of-montage aan de film had toegevoegd. Hij noemt de beelden ‘zo adembenemend dat je bereid bent een aantal nogal fantasieloze muziekkeuzes door de vingers te zien’. Vivaldi’s Vier seizoenen had van hem niet gehoeven. Het Australian Chamber Orchestra onder leiding van Richard Tognetti initieerde het project en is dan ook nadrukkelijk bij Peedoms beelden aanwezig. Maar soms ook is het even stil – zoals wanneer soloclimber Alex Honnold op dat richeltje staat. Alleen zijn ademhaling is te horen. Hij had even een off-moment, blijkt later. Vroeg zich af waarom hij daar eigenlijk was.

    Omdat niets je zo doet beseffen dat je leeft, als de wetenschap dat je elk moment kunt sterven, licht Defoe met zijn onheilspellende bas toe, die meteen een National Geographic -documentaire in herinnering roept.

    Ondanks dat sommigen de 74 minuten waarin de tweeduizend uur materiaal is gegoten wat aan de lange kant vinden, is Mountain nu al een groter kassucces dan Sherpa. Wie wil dan ook niet voelen hoe het is om als adelaar boven de bergen te zweven?

    Mountain gaat 22 maart in Nederland en België in première.

    fresa

    LITERATUUR | Het meest gekopieerde boek ter wereld

    Waarom mannen wél aardbeienijs mogen eten

    In de vroege jaren van de Cubaanse revolutie serveerde Havana’s beroemde ijssalon Coppelia 54 smaken. Fidel Castro pochte ermee dat dit meer was dan de Yankee-onderneming Howard Johnson in zijn assortiment had. Maar nadat de Cubaanse economie tijdens de crisis was gekelderd, hadden bezoekers van Coppelia al geluk als ze uit twee smaken konden kiezen.

    Chocola, en aardbei. Voor mannen betekende dat eigenlijk geen keuze. Een man die aardbei bestelde was not done, ‘een softie’, in de ogen van de revolutionairen.

    Dit was de tijd waarin duizenden Cubaanse homoseksuelen in concentratiekampen werden gestopt en waarin hiv-patiënten in quarantaine werden geplaatst. En ook de tijd waarin de novelle El Lobo, el bosque y el hombre nuevo van Senel Paz speelt, dat later (in 1995) werd verwerkt tot de film Chocolate en Strawberry en via fotokopieën massaal van hand tot hand ging: het zou het meest gekopieerde boek ter wereld zijn, volgens o.a. de site Escritores.org.

    In het verhaal sluit David, een revolutionair, vriendschap met Diego, die uit porseleinen kopjes drinkt, Maria Callas luistert, zijn liefde voor mannen niet onder stoelen of banken steekt – en aardbeienijs eet. Ondanks dat de clichés er wat dik bovenop liggen, schrijft The New York Times, is de wisselwerking tussen de twee dankzij het nieuwsgierige karakter van David overtuigend. Ook Le Monde vindt het door ‘de tegelijk naïeve en bewuste openhartigheid van de verteller (…) een verrassend verhaal’.

    In feite was het bedoeld als aanklacht tegen alle soorten discriminatie, licht de inmiddels overleden verfilmer Tómas Gutierrez Alea in The Guardian toe. ‘Het gaat over intolerantie en een gebrek aan begrip voor degenen die “anders” zijn. Dat geldt niet alleen voor homoseksuelen, maar voor mensen die voor zichzelf nadenken, voor zwarten, voor iedereen die wordt gediscrimineerd.’

    Paz is dan ook evenmin als Diego een antirevolutionair (‘Dat ik homo ben maakt me nog niet antipatriottisch,’ zegt die laatste in het boek). Hij komt zelf uit een arm gezin en kon dankzij een beurs van de regering gaan studeren, het gezin onderhouden en zijn moeder onderwijzen. De revolutie bracht verandering teweeg, maar ging gepaard met een gebrek aan vrijheid, zegt hij tegen El País. In zijn boek stelt hij een vraag, namelijk: Wie moet er boeten voor de fouten van de revolutie? Die vraag wordt niet beantwoord, maar was genoeg om een doorbraak te betekenen voor hoe er in Cuba tegen homorechten werd aangekeken. (Inmiddels is de dochter van de huidige president van Cuba, Mariela Castro, de grootste activist van homorechten op het eiland.)

    Paz won voor zijn roman de prestigieuze Juan Rulfoprijs, en wordt door La Repubblica o.a. vanwege de eenvoudige setting tot ’uitvinder van de Cubaanse literaire nouvelle vague’ bestempeld; het verhaal speelt zich overwegend af in de huiskamer van David, dat hij omtoverde tot ‘toevluchtsoord binnen het rumoer van de Cubaanse samenleving en de pijlen die daarin op homoseksuelen zijn gericht’ .

    Begin april verschijnt Aardbei & chocola in een vertaling van Pieter Lamberts bij Zirimiri Pers.


    MUZIEK | De Malinese zangeres uit de Ivoorkust

    Zangeres wil met haar muziek de wereld veranderen

    De eerste keer dat Fatoumata Diawara weer in Afrika optrad, op het populaire Festival Sur le Niger, was volgens Tom Pryor van Afropop een zenuwslopend moment. Ze vluchtte op haar negentiende het land uit en keerde niet meer terug, totdat ze zich in 2015 vanwege de crisis in Mali gedwongen zag een steentje bij te dragen. Maar ‘door de Wassoulou-invloeden in haar muziek en haar overtuigende optreden had ze het publiek als snel voor zich gewonnen’, vertelt Pryor erachteraan. Haar lied Mali-ko (Vrede) noemt The Independent zelfs het symbool voor het verzet tegen de islamitische revolutionairen.

    Diawara (Ivoorkust, 1982) werd geboren in een groot gezin van Malinese ouders en moest omdat ze niet naar school wilde bij haar acterende tante in Bomoko verblijven, waar ze op haar negende op de set werd ontdekt. Ze speelde onder andere in een film waarin ze haar man ontvlucht om niet aan God geofferd te worden, en kreeg bij haar eigen middernachtelijke vlucht, om aan een gearrangeerd huwelijk te ontkomen, hulp van haar tante. Ze kwam in Parijs als achtergrondzangeres terecht bij de eveneens vrijgevochten Malinese diva Oumou Sangare en startte een razendsnelle solocarrière. Schreef Robin Denselow in *The Guardia*n in 2013 nog dat ze weliswaar alles mee had (jong, mooi, talentvol), maar zich moest zien te bewijzen als grote Malinese artiest, een paar jaar later prijst hij haar ‘volwaardige, overweldigende optreden’, ‘beheerste en krachtige stem’ en ‘aanstekelijke dans’. De ‘Malinese godin met een zachte, gedempte stem’, zoals Bozar haar aanbeveelt, toerde de wereld over voor optredens en samenwerkingen met grote namen als Herbie Hancock, Bobby Womack en Franz Ferdinand.

    Op de vraag van OkayAfrica waarom ze zich consequent Malinees noemt terwijl ze er niet is geboren en maar enkele jaren woonde, legt Diawara uit dat het de mentaliteit is, de overtuiging dat muziek de wereld kan veranderen. Ze zingt over onderwerpen als besnijdenis en vrouwenrechten, en wil haar teksten ook toegankelijk maken voor de Facebook- en Twitter-generatie: een zo bondig en helder mogelijke boodschap voor een maximaal resultaat.

    Ondanks de ernst van haar thema’s is haar lach opvallend veelbesproken, ArtDesk noemt deze bijvoorbeeld ‘zo breed is dat hij bij ieder ander geforceerd zou lijken. Maar bij haar is [hij] er gewoon, soms sereen, soms vol overgave.’ ‘Ik word zo gelukkig van op het podium staan!’ verzucht de zangeres dan ook tegen CNN. ‘Want ik weet wat ik heb gedaan om hier te komen.’

    Fatoumata Diawara treedt op 25 maart op in Paradiso Noord.

    Auteur: Laura Weeda

  • Raúl Castro treedt terug – maar raakt niet uit zicht

    Raúl Castro treedt terug – maar raakt niet uit zicht

    In februari krijgt Cuba een nieuwe president, als opvolger van Raúl Castro. Maar dat betekent niet dat de Castro-clan alle macht opgeeft, denken analisten. Daarvoor zijn de verhoudingen met de VS sinds de verkiezing van Donald Trump te gespannen.

    Wie de Cubaanse leider Raúl Castro na de aanstaande presidentsverkiezingen ook zal opvolgen, hij zal een storm van uitdagingen het hoofd moeten bieden met als absoluut hoogtepunt orkaan Donald Trump. De zesentachtigjarige Castro heeft gezegd dat hij van plan is na de landelijke verkiezingen van februari 2018 terug te treden als hoofd van de Staatsraad en de Ministerraad. Wel verwacht men dat hij zal aanblijven als leider van de Cubaanse Communistische Partij van Cuba.

    Sinds Donald Trump in januari 2017 zijn intrede deed in het Witte Huis is de relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba duidelijk bekoeld. Zo verharde Trump zijn taal tegen Castro en heeft hij gezegd korte metten te maken met de toenaderingspolitiek van zijn voorganger Obama.

    Zakendoen met staatsbedrijven die door Cubaanse militairen worden geleid, is voortaan verboden. De spanning tussen beide landen liep onrustbarend op toen het nieuws naar buiten kwam dat Amerikaanse diplomaten in Havana en medewerkers van de ambassade doelwit zouden zijn van aanvallen met geluidswapens of iets van dien aard. Beide regeringen hebben over en weer beschuldigingen geuit en de aanvankelijk terughoudende Cubaanse media deinzen er niet langer voor terug om Trump een ongelikte beer te noemen. Al hebben de Verenigde Staten de Castro-regering niet rechtstreeks beschuldigd, toch hamert regeringswoordvoerder Heather Nauert erop dat de Cubaanse regering op de hoogte moet zijn geweest van wat er is voorgevallen. Op zijn beurt heeft Cuba verklaard zich van geen kwaad bewust te ziijn. De hele episode lijkt een flashback van de Koude Oorlog.

    ‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren’

    Voor Domingo Amuchástegui, voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst en momenteel woonachtig in Miami, is het ‘ondenkbaar’ dat onder de huidige omstandigheden iemand terug zal treden.

    Het ‘Trump-effect’ is voelbaar in het politieke debat in Cuba, menen enkele analisten. Trumps nieuwe maatregelen, die het reizen naar Cuba en de handel met staatsbedrijven aan banden leggen, voeden de oude staat-van-beleg-mentaliteit op het eiland, zegt 
de Cuba Study Group, de Cubaans-Amerikaanse organisatie die de toenaderingspolitiek van oud-president Barack Obama steunde. Hoe groot de macht is van de conservatieven binnen de Cubaanse regering bleek al toen de regering de afgifte van nieuwe licenties voor werknemers in de private 
sector stopzette. ‘Raúl Castro zegt al langer dat de oude mentaliteit het voornaamste obstakel voor hervormingen is. Ook heeft hij gezegd dat de hervormingen zo snel gaan als de consensus dat toestaat. Die twee dingen wijzen er wel degelijk op dat er een groep is die het proces vertraagt,’ meent Carlos Alzugaray, oud-ambassadeur van Cuba bij de Europese Unie.

    Wie de nieuwe president van Cuba ook wordt, hij zal het hoofd moeten bieden aan ingewikkelde uitdagingen die van invloed zijn op zijn politieke speelruimte. De olievoorziening uit Venezuela is het afgelopen jaar opgedroogd omdat Cuba’s bondgenoot zelf kampt met een economische crisis. Orkaan Irma, die over de noordkust van het eiland trok, heeft een spoor van verwoestingen achtergelaten. De Cubanen morren over de traag verlopende herstelwerkzaamheden en er waren kleine, spontane protestacties in de hoofdstad en in een aantal provincies. Econoom Carmelo Mesa-Lago verwacht dat de Cubaanse economie dit jaar opnieuw met 0,3 procent zal krimpen – het afgelopen jaar werd afgesloten met een recessie. Volgens Mesa Lago zit Cuba in de zwaarste economische crisis sinds 1990, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel.

    Moody’s Investors Service voorspelt dat als gevolg van orkaan Irma en de nieuwe maatregelen van de Trump-regering de Cubaanse economie met 0,5 procent zal krimpen. Manuel Cuesta Morúa, een tegenstander van het regime, die het voortouw nam om onafhankelijke kandidaten op de lokale verkiezingslijsten te krijgen, acht het niet uitgesloten dat Raúl Castro voorlopig aanblijft als hoofd van de regering vanwege ‘de kritieke situatie’ waarin Cuba plotseling terecht is gekomen door de nasleep van orkaan Irma en de verslechterde relatie met de Verenigde Staten. ‘Zo’n crisis kan beter door ervaren mensen worden aangepakt dan door nieuwkomers.’ Wel denkt Morúa dat Raúl Castro het regeren zal overlaten aan vicepresident Miguel Díaz-Canel, de zichtbaarste kandidaat tot nu toe. ‘Ik denk dat de Cubanen in institutionele zin voldoende zijn voorbereid om de toenemende problemen te trotseren en tegelijkertijd de politieke overgang door te zetten,’ zegt Richard Feinberg, docent politicologie aan de Universiteit van Californië in San Diego. ‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren.’

    De gebroeders Castro.
    De gebroeders Castro.

    ‘Het is weinig waarschijnlijk, zo niet onmogelijk dat er zich géén wisseling van de wacht zal voordoen in de hoge echelons van de regering,’ meent oud-ambassadeur Alzugaray. ‘Raúl Castro heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij wil terugtreden en de institutionele basis wil leggen voor het Cuba na de Castro’s. Raúl Castro is bijna negentig en staat bekend als iemand die het fijn vindt tijd met zijn familie door te brengen. Hij zal nu niet terugkrabbelen,’ aldus de Cubaanse ex-diplomaat. ‘Hij heeft niet voor niets voorgesteld dat een president maar twee termijnen mag aanblijven. Op die regel zal hij niet de eerste uitzondering zijn.’

    Castro’s plannen dateren van 2013. Toen zei hij voor het eerst dat hij van plan was zich na vijf jaar uit de staatsraad terug te trekken. Op het zevende congres van de Communistische Partij van Cuba in 2016 heeft de president voorgesteld een leeftijdslimiet in te stellen voor leden van de regering en van de Communistische Partij, een voorstel dat door de aanwezige tachtigers die tot de ‘historische generatie’ behoren – de mannen die samen met Fidel en Raúl Castro deelnamen aan de omverwerping van de Baptista-dictatuur – lauwtjes werd ontvangen.

    ‘Vanaf het moment dat hij president werd (officieel in 2008) heeft Castro gepoogd de instituties te versterken, hetgeen de beste garantie op voortzetting van het regime zou zijn,’ aldus William LeoGrande, docent aan de American University. ‘Maar Castro heeft met geen woord gerept over het opgeven van zijn plek als eerste secretaris van de Communistische Partij van Cuba, en in die hoedanigheid heeft hij een grote vinger in de pap bij belangrijke beslissingen.’

    Ander debat

    Maar zelfs áls Castro uit de regering stapt, dan liggen de kaarten van het politieke debat nu anders, meent Arturo López Levy van de Universiteit van Texas in Río Grande en voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst. ‘Eerst ging het erover of vicepresident Díaz-Canel genoeg in huis had om te kunnen omgaan met een geglobaliseerde wereld en een pluriformere samenleving. Nu is het debat over de politieke hervormingen in Cuba uitgesteld of zelfs stopgezet,’ aldus López Levy. De regering heeft bijvoorbeeld het verzoek afgewezen van meer dan honderd onafhankelijke kandidaten om deel te mogen nemen aan de lokale verkiezingen van 26 november. In plaats van over progressievere kandidaten of andere politieke hervormingen gaat het huidige debat erover of Díaz-Canel en zijn team voldoende zijn klaargestoomd om een adequate strategie te ontwikkelen tegen Trump, en of ze de energie hebben om het tegen Washington op te kunnen nemen.

    Auteurs: Nora Gámez Torres en Mimi Whitefield
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    El Nuevo Herald
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 95.000

    In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, staat sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.

  • Wij Cubanen willen eindelijk een normaal leven

    Wij Cubanen willen eindelijk een normaal leven

    De Cubaanse blogger Yoani Sánchez beschrijft aan de hand van haar 
eigen familiegeschiedenis de opkomst en het failliet van het communisme in haar land. ‘Fidel is negentig. De jongeren hebben de tijd mee.’

    Dit wordt een reis waarin drie perioden die mijn land heeft doorgemaakt de revue zullen passeren: een waarin jongeren hoop koesterden, een waarin ze gefrustreerd raakten en een waarin ze slim laveren tussen de vele hobbels op hun weg. Zonder hun veerkracht en moed 
zouden we nog minder rechten hebben en nog meer in de gaten gehouden en gecontroleerd worden. Zij deden het raam naar de vrijheid open toen de deur dicht was. Het zou past echt mooi zijn geweest als ze de drempel naar 
de vrijheid over waren gestapt zonder dat ze hun ideeën en politieke overtuigingen hoefden te verloochenen.

    De eerste generatie is die van mijn vader. Hij was treinmachinist, lid van de Communistische Partij, onderdeel van de politieke orde die het in Cuba 
in 1959 voor het zeggen kreeg. Hij had geen keuze, hij kon alleen het pad 
volgen dat anderen voor hem hadden uitgetekend, de bebaarde jongens onder leiding van Fidel Castro en 
Che Guevara die in een heftige en gedenkwaardige periode hoopvol de bergen afdaalden en zich verscholen achter hun ‘historische opdracht’.

    Mijn vader was nog een kind. Hij 
zag hoe zijn land veranderde. Er was euforie, er klonken strijdliederen en 
op de foto’s van toen kijken zijn landgenoten glimlachend en hoopvol naar de urenlang achter zijn spreekgestoelte orerende Grote Leider die zijn gestrekte wijsvinger demonstratief de lucht in steekt. Aan mijn vaders generatie de heroïsche taak om met alfabetiseringscampagnes en vrijwilligerswerk een rijk en ontwikkeld land van Cuba te maken. Kenmerkend voor die periode was het gevoel dat men aan de dag van morgen werkte, dat alle inspanningen, inzet en offers een betere toekomst zouden brengen voor de volgende generaties. Mijn vaders generatiegenoten waren jong, wilden plezier maken en de wereld ontdekken, maar namen genoegen met hun soldatenrol, want de volgende generaties zouden in een vrijer en welvarender Cuba leven.

    Fidel Castro en Che Guevara, 1959. – © Camera Press / PR / Lat.
    Fidel Castro en Che Guevara, 1959. – © Camera Press / PR / Lat.

    Om die droom te laten uitkomen 
sloegen de leden van mijn vaders 
generatie de puberteit over, omarmden ze een doctrine die ver van hun bed stond – het marxisme-leninisme – 
en offerden ze hun beste jaren op het altaar van de geschiedenis op. Het was nooit genoeg, de regering vroeg steeds meer onbaatzuchtigheid en liet steeds minder ruimte voor zelfbeschikking. En klagen was uit den boze. Hun namen waren de eerste die op het zogeheten bonnenboekje werden genoteerd dat elke Cubaan recht gaf 
op dezelfde hoeveelheid producten. 
Zo voorkwam men sociale ongelijkheid en de wedergeboorte van de duivelse middenklasse die het Castro-regime door onteigening, stigmatisering en verbanning de nek had omgedraaid.

    Mijn vader kon niet anders dan 
atheïst worden. De Cubaanse gezinnen verstopten hun schilderijen van het Heilig Hart van Jezus achter in de woonkamer, vermeden uitdrukkingen als ‘godzijdank’ en Kerstmis werd jarenlang uitgesteld. Voor de leiders was godsdienst niet alleen opium van het volk, het verschafte het individu een spirituele wereld waar zij geen toegang toe hadden. Wanneer Cubanen hun toevlucht namen tot het gebed of een smeekbede, raakten de partijambtenaren van het communistische systeem hun greep op hen kwijt. Op 
elk formulier dat ze moesten invullen voor een opleiding of een nieuwe baan stond die ene vraag over je geloofs-overtuiging. Velen stopten hun kruisje onder hun shirt, zeiden dat ze ‘trouwe kameraden’ waren en vinkten ‘nee’ aan. Nee, ze waren niet gelovig, en ja, met hun hand op het hart, ze geloofden alleen in de Revolutie, de Grote Leider en de Partij. Zo werd de basis gelegd voor de dubbele moraal waarvan de Cubaanse maatschappij doordrenkt is.

    Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn

    Zij waren de Cubanen die vijftien jaar later, adolescenten inmiddels, deel 
uitmaakten van de troepen die naar 
de oorlogen in het verre Afrika werden gestuurd. Ze hadden geen flauw idee waarom. Ze waren niet meer dan dan kanonnenvlees, speelgoedsoldaatjes die door de Sovjet-Unie naar believen werden ingezet op het heftige strijdtoneel van de Koude Oorlog. Duizenden stierven, verloren hun verstand of vroegen zich huilend af wat de Cubanen in die oorlog te zoeken hadden.

    Het was ook de generatie die afscheid moest nemen van familieleden die door het regime gedwongen werden 
te emigreren. In Camarioca en de haven van Mariel werden ze, groentjes zonder baardgroei nog, ingezet om tegen hun eigen familie ‘Laat het tuig maar opdonderen!’ te schreeuwen. Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn.

    Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.
    Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.

    Mijn generatie werd geboren in een land waar alles was voorgeprogrammeerd en waar voor jou werd beslist. 
Ik kwam ter wereld in een volkomen gesovjetiseerd Cuba.

    Wij waren de ‘nieuwe mens’ voor wie het kapitalisme, de uitbuiting van de ene mens door de andere, de vrije markt van vraag en aanbod, respect voor privacy, en, uiteraard, vrijheid, niet bestonden. In het Cuba van de jaren zestig en zeventig wisten we wat onze collega aanhad en wat hij at in de kantine, want dat was exact hetzelfde als wat wij aten en wat wij droegen. Spreken in de eerste persoon enkelvoud werd een probleem. We spraken altijd in de wij-vorm, noemden elkaar ‘kameraden’ en hadden dezelfde dromen en angsten.

    Vanuit het idee dat de 
massa van bovenaf moest worden 
aangestuurd werd mijn generatie naar de zogeheten plattelandsscholen gestuurd. Een sociaal en educatief laboratorium waar ze Cubanen van 
ons maakten die nog meer bij de 
Goede Zaak betrokken waren, die 
hun neus ophaalden voor bezit en 
die op elk moment bereid waren om hun schoolboeken in te ruilen voor 
een geweer als het vaderland – of de machthebbers die zich daarmee 
vereenzelvigden – daarom vroeg.

    Als een mens in een door indoctrinatie gedomineerde omgeving zit, zal hij altijd iets voor zichzelf reserveren, een plek waar het gebazel van de macht niet te horen is en waarin geen enkele ideologie doordringt. Achter maskers van gezeglijkheid hielden we dit 
toevluchtsoord verborgen voor onze collega’s, familieleden of buren die 
ons wilden aangeven bij het systeem.

    Havana, 1975. Twee vrouwen kletsen op straat. Op het bord staat: Lang leve de vriendschap tussen de Sovjet-Unie en Cuba. – © AP Photo / Charles Tasnadi
    Havana, 1975. Twee vrouwen kletsen op straat. Op het bord staat: Lang leve de vriendschap tussen de Sovjet-Unie en Cuba. – © AP Photo / Charles Tasnadi

    De machthebbers beloofden dat Cuba het paradijs op aarde zou worden, maar wij wilden nu van het leven genieten. We deden ons voor als makke schapen terwijl we steeds opstandiger werden. Routinematig scandeerden we leuzen die we een minuut later alweer vergeten waren. We leerden liegen, een masker 
opzetten, lauwtjes applaudisseren 
en eeuwige trouw 
zweren terwijl er diep van binnen alleen maar twijfel en apathie was. Leven was overleven geworden.

    Toen we pubers waren viel de Berlijnse Muur. Al sloegen we zelf niet met hamers en beitels op dit symbool 
van een tijdperk, elke hamerklap resoneerde in ons hoofd. Mijn vader moest huilen om het communistische Duitsland dat hij ooit als ‘voorbeeldige arbeider’ had leren kennen en waar hij met eigen ogen had kunnen zien hoe de toekomst eruit zou zien. Maar ons hart maakte een vreugdesprongetje, ons gordijn – niet van ijzer maar van suiker – kon ook verdwijnen.

    Honger

    Nadat het congres van de Communistische Partij in 1991 had besloten dat gelovigen lid konden zijn van ’s lands enige politieke partij, haalden onze ouders hun oude, weggeborgen religieuze relikwieën weer tevoorschijn. Maar op datzelfde moment deed de honger zijn intrede, dat brandende gevoel in je maagstreek waardoor je aan niets anders meer kunt denken. Met het uiteenvallen 
van de Sovjet-Unie en het verdwijnen van het socialisme raakte Cuba zijn subsidies en de ‘rechtvaardige handel tussen de volken’ kwijt waarmee het decennialang het hoofd boven water had gehouden. Het wisselgeld dat ons afhankelijk maakte van het Kremlin was er niet meer.
    We werden hard met onze neus op 
de feiten gedrukt. De werkelijkheid was wreed, droevig en uitzichtloos. Een wereld van verschil met de toekomstdromen waarmee mijn vader me in slaap had gesust toen ik klein was. 
Zijn generatie liet ons een zieltogende doctrine na; aan ons de zware taak haar te begraven.

    De crisis rond de bootvluchtelingen 
die in augustus 1994 uitbrak, was een van de talloze manieren van mijn generatiegenoten om onze illusies 
ten grave te dragen. We trokken niet protesterend naar de pleinen, we haalden geen muren neer. Veel Cubanen gaven er de voorkeur aan om in wrakke bootjes de zee en de golven te trotseren.

    Op de Malecón-boulevard in 
Havana zag je gedesillusioneerde 
mannen van mijn vaders leeftijd maar ook gefrustreerde jongeren in de kracht van hun leven vlotten in elkaar timmeren. Zij gingen weg, wij zwaaiden hen uit. Met hun vertrek begon 
het cynisme, het niets, de apathie, 
de desillusie, een periode waarin we nergens meer in geloofden maar ons ook niet verzetten. We hadden in onze vaderlandse geschiedenis het punt bereikt waarop je alleen het vege lijf probeerde te redden.

    Een muurschildering van Che Guevara in Havana, 2016. – © AP Photo / Desmond Boylan
    Een muurschildering van Che Guevara in Havana, 2016. – © AP Photo / Desmond Boylan

    Terwijl de vluchtelingenbootjes met ruisende roeispanen richting Florida koersten en de stijfkoppige regering opriep om vol te houden in deze woelige economische tijden, zette mijn generatie zich aan de moeilijke taak van het ouderschap. De baby’s die werden 
geboren waren de kinderen van de 
ontgoocheling: de kleinkinderen van een generatie die brieste dat ze hun beste jaren aan een mislukt project 
hadden gegeven en de kinderen van 
een generatie die de ‘nieuwe mens’ had moeten voortbrengen maar die niet eens de ‘goede mens’ had voorgebracht.

    Van de jongeren van tegenwoordig kun je niet veel verwachten, en toch doen ze het beter dan wij. De generatie van mijn zoon – hij is 21 – is grootgebracht met onze scepsis; ze hebben ons horen fulmineren bij de staatstelevisie, ons inkopen zien doen op de zwarte markt, ons heimelijk weg zien sluipen van 
de optochten en ons zachtjes horen mompelen dat we hoopten dat onze toekomst niet zou zijn waar onze ouders van hadden gedroomd. Inmiddels hadden we wel begrepen dat het paradijs een gouden kooi was waarin anderen ons wilden opsluiten.

    Schouderophalend – dat typisch Cubaanse gebaar waarmee we willen zeggen: ‘kan mij wat schelen’ – 
ontmantelt de jongste generatie wat 
er nog over is van het communistische systeem. Dit doen ze zonder zichzelf 
op de borst te kloppen, misschien niet helemaal van harte en een tikkeltje gedesinteresseerd. Niets van wat er vanaf het spreekgestoelte klinkt raakt hen of maakt hen bang. Anders dan 
de Cubanen die hen voorgingen, kent de generatie die nu jonger is dan 25 
de rantsoenbonnen niet waarmee je per jaar slechts een broek of shirt kon kopen. Of ze ooit een toespraak van Fidel Castro hebben gehoord, herinneren ze zich niet en ze hebben nooit punten voor goed gedrag op het werk of voor de partij hoeven verzamelen 
om een huishoudelijk apparaat te mogen kopen.

    De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt

    Op het eiland waar zij wonen kun je apparaten zoals een 
ijskast nu alleen krijgen met echt geld. De zwarte markt heeft zich in alle uithoeken van de maatschappij genesteld. Zo ongeveer vanaf hun peutertijd 
zitten deze Cubaanse millenniumkinderen vastgeplakt aan het toetsenbord van hun computer. Hun ouders kochten de eerste computers en laptops 
op de illegale markt. Via alternatieve distributiekanalen kregen ze hun 
eerste kilobytes en videospelletjes, 
die niets te maken hebben met de 
ideologie die ze op school leren.

    Met hun op Japanse manga’s, de internationale showbizz of tegendraadsheid geïnspireerde kapsels bepalen zij het straatbeeld. De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt. Ze hebben geleerd om toespraken te wantrouwen van de Robin Hoods die geld van de 
rijken afpakken dat ze daarna eerlijk onder de armen verdelen, maar die niet geleerd hebben hoe je rijkdom creëert, hoe je een welvarend land vol mogelijkheden opbouwt zoals de in een olijfkleurig uniform gestoken man met baard uit de bergen ooit beloofde. Ze hebben hetzelfde uiterlijk en dezelfde dromen als jongeren uit Duitsland, Engeland of Guatemala. Ze kijken met de nodige minachting achterom en 
met een zeker vertrouwen naar een 
toekomst die niet zal zijn zoals de 
sciencefictionboeken uit de vorige eeuw voorspelden, maar ook niet zoals de totalitaire regimes predikten. Ze 
denken dat de toekomst in elk geval menselijker, pluriformer en vrijer zal zijn.

    ‘Jongeren van nu’ in een kapperszaak in Havana. – © HH
    ‘Jongeren van nu’ in een kapperszaak in Havana. – © HH

    Als iemand tegen hen zegt dat het 
castroïsme nooit zal verdwijnen en 
dat Cuba nooit meer een democratie zal worden met alle imperfecties en risico’s die daarbij horen, glimlachen de jonge Cubanen en herinneren ze ons eraan dat er gedreven jongeren aan de basis stonden van de omwentelingen in het verre Rusland. Net als die jongeren zeggen ze tegen zichzelf dat het niet uitmaakt dat de mannen met hun ‘historische opdracht’ de scepter zwaaien; zij – fris en kritisch – hebben de tijd mee. Net als elders in de wereld groeien ze op, gaan ze naar de sportschool, luisteren ze naar illegaal gedownloade muziek, maken selfies 
en proberen hun leven via internet 
met anderen te delen, ook al leven ze in een land waar de overheid beducht is voor informatie. Het zijn twintigers, 
en Fidel is negentig. Ze horen bij de eenentwintigste eeuw, en de caudillo zit gevangen in de twintigste eeuw.

    Deze kleinkinderen van de offergeneratie en kinderen van de utopiegeneratie vormen een groot deel van de emigratiegolf in Midden-Amerika. Ze lijden, sterven en leggen hun lot in handen van mensensmokkelaars om te vluchten uit een land dat nu het paradijs 
op aarde had moeten zijn dat de oudere generatie hun had beloofd. Deze jongeren zijn de toekomst. Ze geven haar gestalte op hun eigen manier. Zonder naar de adviezen van hun ouders te luisteren. Ze zijn jonger dan dertig, waarom zouden ze dan de weg volgen die anderen voor hen hebben uitgestippeld? Vooral als die anderen zich 
zo enorm hebben vergist. Het zijn de kleinkinderen en de kinderen van een hersenschim. Ze zijn pragmatisch genoeg om te vergeten en meelevend genoeg om te kunnen vergeven. Zij zullen wonen in een Cuba waar we nooit op hadden durven rekenen. Een land waar voor iedereen plaats is.

    Auteur: Yoani Sánchez
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    14ymedio
    Cuba | 14ymedio.com

    Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan up in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.

    De auteur

    Yoani Sánchez is een journaliste die vanuit Cuba onafhankelijk en kritisch bericht over het Cubaanse regime. ‘Ik verdedig geen speciale zaak, ik verdedig de vrijheid en de vrijheid van informatie,’ verklaarde ze op 7 oktober tegenover de Guatemalaanse webkrant Soy502.

    Vanaf de veertiende verdieping van een flatgebouw in Havana – vandaar de naam 14ymedio – leidt zij sinds 2014 haar webkrant met een redactie van een tiental medewerkers, van wie de meesten vrijwilligers. Om de publicatie te kunnen bekostigen ontvangt zij financiële bijdragen van privépersonen.

    Voordien publiceerde zij vanaf 2007 een blog, Generación Y, waarmee ze naam maakte in het buitenland, maar dat niet in goede aarde viel bij de autoriteiten in eigen land. Ze werd tal van malen lastiggevallen vanwege haar artikelen over het dagelijkse leven in Cuba en het optreden van overheidsinstanties. Haar landgenoten kunnen niet rechtstreeks kennis nemen van haar publicaties, want de toegang tot 14ymedio wordt in Cuba geblokkeerd. Maar, zo zei ze tegen Soy502, de artikelen worden er als pdf en via e-mail toch verspreid.

    yoani sanchez

    BELANGRIJKE GEBEURTENISSEN IN CUBA

    1959 1 januari Na twee jaar guerrilla maakt Fidel Castro een triomfantelijke intocht in Havana. In februari neemt hij de leiding van de regering op zich. Dictator Fulgencio Batista wijkt uit naar het buitenland.

    1961 7 oktober Nederlaag van de anti-Castro-gezinden, die door de VS worden gesteund en een landing uitvoeren in Playa Girón (Varkensbaai).

    1962 De Amerikaanse president John Kennedy vaardigt een volledig embargo tegen Cuba uit.

    1990 De Cubaanse regering neemt een reeks bezuinigingsmaatregelen om na de val van de Sovjet-Unie de economische crisis de baas te worden. Deze maatregelen vormen het begin van de ‘Speciale Periode’.

    2008 Fidel Castro treedt af en wordt opgevolgd door zijn broer Raúl.

    2014 Begin van de diplomatieke toenadering tussen de VS en Cuba.

  • Het plezier van het ondernemen

    Het plezier van het ondernemen

    Sinds de Cubanen zelf bedrijfjes mogen oprichten, ontstaan overal op het eiland kleine initiatieven. Voormalig ambtenaar Luís verkoopt bijvoorbeeld sinds kort zijn eigen koffie.

    Bij het krieken van de dag hebben de slapelozen, de reizigers en de nachtwakers de primeur om van een kopje koffie te genieten dat de naam van dit heerlijke brouwsel alle eer aandoet. Vanaf drie uur ’s ochtends begint Luís Armando Cabrera Soler met de bereiding van zijn nectar in de dokterspraktijk aan de Calle 27 de Noviembre in Pinar del Río, 150 kilometer ten zuiden van Havana, waar hij woont. Zijn vrouw Madalina, arts, helpt hem bij het in gereedheid brengen van zijn uitrusting voor de straatverkoop: thermosflessen, tassen en een draagstel.

    Ondertussen snuift de bewaker die in de buurt werkt genietend het aroma op van de koffie die gezet wordt. ‘Ik heb een lampje op mijn pet gemonteerd zodat een klant niet naar een straatlantaarn hoeft te lopen om goed te kunnen zien, en uiteindelijk is dit lichtpunt ook een vorm van reclame,’ vertelt Luís. Hij is begonnen met één thermosfles en nu heeft hij er elke ochtend vijf. ‘Ik heb mijn assortiment allereerst uitgebreid met een cortadito, koffie met een wolkje melk, zoals me was aangeraden door een taxichauffeur die dat in Havana had gezien. Daarna ben ik verdergegaan met cappuccino en koffie met een chocoladearoma of gecondenseerde melk.’

    Een café beginnen is niet nodig: de klanten verdringen zich. ‘Kwaliteit is de beste reclame,’ verkondigt Luís. ‘Als ze me met een groot biljet willen betalen en ik heb geen wisselgeld, dan serveer ik ze gratis. Dat kost me geen geld, want uiteindelijk levert het me meer klanten op.’

    Luís met een klant in Pinar del Río.
    Luís met een klant in Pinar del Río.

    Over de koffie die hij gebruikt doet Luís niet geheimzinnig: ‘Café 100% Soler,’ zegt hij, terwijl hij het logo laat zien dat hij zelf heeft ontworpen. ‘Koffie die door mijn familie wordt geoogst en door mijzelf gebrand en gemalen. Mijn plantage in een dorpje hier in de buurt is niet groot, en daarom ben ik niet verplicht mijn productie aan de staat af te staan; maar ze is toereikend voor een heel jaar,’ legt hij uit.

    In principe is de Cubaanse staat de enige die koffieoogsten mag opkopen, en overtreding van deze wet staat gelijk aan diefstal of illegale export. De enige manier om koffie te vercommercialiseren is door het in winkels te kopen waar je betaalt in CUC’s, de Cubaanse peso die inwisselbaar is tegen een tarief dat veel te hoog is voor gewone Cubanen. Door de hoge prijzen in deze winkels nemen de onafhankelijke ondernemers (cuentapropistas) hun toevlucht tot de informele markt.

    ‘Het moeilijkste is om aan weggooibekers te komen,’ zegt Luís terwijl hij een klant zijn koffie serveert. ‘Omdat je die nergens kunt kopen, ben ik aangewezen op de welwillendheid van buren en vrienden die ze voor me meenemen uit het buitenland.’

    Door zijn creoolse humor weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen

    Eerst werkte Luís bij de inkoopafdeling van de benzineverkoopdienst van Pinar del Río, die onder het ministerie van Energie en Mijnbouw valt. Voorzichtigheidshalve heeft hij deze baan eerst met zijn straatverkoop van koffie gecombineerd, ‘Veel mensen zijn bang om hun baan op te zeggen en een eigen bedrijf te beginnen. Ik heb de sprong alleen maar gewaagd omdat mijn bedrijfsinkomsten regelmatig begonnen te worden en de werkuren voor mijn baan mijn bedrijfje in de weg begonnen te staan.’

    Door zijn creoolse humor en de vriendelijkheid waarmee hij een vuurtje geeft aan degenen die er eentje willen opsteken bij hun koffie, weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen. ‘Biljetten van hoeveel wil je terug hebben?’ grapt hij tegen een klant die geen kleingeld terug wil. ‘Ik zorg dat de mensen over de kleinste details tevreden zijn,’ licht hij toe.

    Om negen uur ’s ochtends loopt zijn verkoop ten einde, maar begint de voorbereiding voor de volgende dag: hij moet de koffie branden en malen, de thermosflessen schoonmaken met chloor, de servetten wassen waarmee hij de druppels opneemt, de vlekken verwijderen van het witte blad waarop hij zijn koffie serveert en ten slotte zijn boekhouding doen. Zo eindigt de werkdag van Luís Armando Cabrera, die er geen spijt van heeft dat hij een kleine ondernemer is geworden.

    Auteur: Ricardo Fernández
    Vertaler: Peter Bergsma

    14ymedio
    Cuba | 14ymedia.com

    Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan op in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.