Tag: Centraal-Afrikaanse Republiek

  • Het geheime leger van Poetin: de Wagner-groep

    Het geheime leger van Poetin: de Wagner-groep

    Ontmoet Jevgeni Prigozjin, ‘de kok van Poetin’ en de man achter de schimmige Wagner-groep, het uitzendbureau voor huurlingen dat actief is over de hele wereld – van Oekraïne tot Syrië tot Mozambique. Wagner haalt de kastanjes uit het vuur voor Poetin in situaties waaraan het Kremlin zich de vingers niet wil branden.

    Keuze uit het archief

    Woensdag is Jevgeni Prigozjin omgekomen bij een vliegtuigongeluk tussen Moskou en Sint-Petersburg. De leider van Wagner was sinds zijn muiterij tegen de Russische legerleiding in juni zijn leven niet zeker. Veel experts denken dan ook dat Poetin en de Russische geheime dienst achter zijn dood zitten. In dit portret van de Wagner-groep uit 2021 lees je waar Wagner haar beruchte reputatie aan te danken heeft en hoe Prigozjin van cateraar tot legercommandant is opgeklommen.

    Ze trainen, vechten en sterven in het diepste geheim. Sinds 2012 duiken Russische huurlingen van de Wagner-groep, van Oekraïne tot de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), via Syrië, Libië en Mozambique, op in gebieden waar Rusland officieel geen soldaten naartoe heeft gestuurd om te vechten. Dat blijkt uit een onderzoek van de Franse krant Le Monde aan de hand van online gevonden materiaal.

    Op een van de beelden zien we ze staan: tussen de menigte tijdens een campagnebijeenkomst in de Centraal-Afrikaanse Republiek van president Faustin-Archange Touadéra, december vorig jaar. Bleke blonde mannen met zonnebrillen en mondkapjes én in legertenue met grote automatische geweren. Ze beschermen de president, die campagne voert voor een tweede termijn, en houden de menigte strak in de gaten.

    Enkele weken later wordt ook CAR-premier Firmin Ngrébada op film vastgelegd geflankeerd door een groep witte mannen in gevechtsoutfit, wederom zwaarbewapend. Op de opnames gepubliceerd door Le Monde is te zien dat twee soldaten onderling Russisch met elkaar praten. Dat is vreemd: officieel heeft Rusland geen enkele soldaat uitgezonden naar de CAR. Wél enkele gespierde militaire trainers die het Centraal-Afrikaanse leger moeten opleiden.

    ‘Waarom zijn er Russen, gekleed in gevechtstenue en zwaarbewapend, aanwezig in de Centraal-Afrikaanse Republiek om de machthebbers te beschermen?’ vraagt Le Monde zich af.

    Door de beelden te vergelijken met andere opnames van Russische huurlingen, stelt de krant vast dat het werknemers van de Wagner-groep zijn, een Russisch privéagentschap voor militaire contacten (PMC) met banden tot in het hart van het Kremlin. Van de organisatie is geen officieel spoor te vinden, maar sinds 2012 is ze in verschillende conflictgebieden actief.

    Codenaam ‘Wagner’

    Wagner is opgericht door Dmitri Oetkin, een voormalig officier bij de Russische militaire inlichtingendienst GROe – codenaam ‘Wagner’ –, die in 2013 samen met andere Russische ex-militairen onder de naam Slavonic Corps Limited aan de zijde van het leger van Bashar al-Assad vocht, in Syrië. Le Monde vond ook beelden van deze missie, die werden rondgestuurd binnen een openbare groep van instantmessagedienst Telegram. Uit onderzoek van Bellingcat blijkt eveneens dat de groep destijds actief was in Syrië.

    De huurlingen van Slavonic Corps Limited vertrekken eind 2013 weer uit Syrië wegens gebrek aan materieel en manschappen. Het bedrijf wordt opgedoekt, en in plaats daarvan duikt een nieuwe entiteit op die officieel niet op papier bestaat: de Wagner-groep.

    In 2014 verschijnen ze opnieuw, nu in de het oosten van de Donbassregio in Oekraïne, aldus Foreign Policy. Op beelden die Le Monde vond van begin 2015 is te zien dat de groep actief is op vijfentwintig kilometer van de Russische grens. In dit gebied voeren op dat moment – en nog steeds – pro-Russische separisten een strijd met het Oekraïense leger. Ze zijn weer uitgerust in gevechtstenue – de winterversie – zonder naamtags of insignes. En ze gebruiken militaire voertuigen die ook door het Russische leger worden gebruikt, zoals Le Monde aantoont.

    Lees ook:

    Tussen 2015 en 2016 verandert Wagner-groep van leider en omvang. De organisatie wordt overgenomen door een Russische oligarch en voormalig gangster die negen jaar in de gevangenis heeft gezeten: Jevgeni Prigozjin – die nauwe contacten heeft met Poetin.

    De kok van Poetin

    Met zijn cateringbedrijf Concord Catering verzorgt Prigozjin onder andere maaltijden voor het Russische leger, wat hem de bijnaam ‘de kok van Poetin’ heeft opgeleverd. Ook wordt hij er door de VS van beschuldigd achter het bedrijf Internet Research Agency (IRA) te zitten, dat met een trollenleger de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 zou hebben geprobeerd te beïnvloeden.

    In 2016 duiken huurlingen van Wagner weer op in Syrië, ditmaal in de buurt van Palmyra, zoals de ruïnes op de achtergrond van de foto’s in het bezit van Le Monde duidelijk maken. Maar de stad wordt ingenomen door IS en Wagner trekt zich, zij aan zij met het Russische leger, terug. ‘Waarom deze mengvorm van anonieme huurlingen en officiële Russische soldaten?’ aldus Le Monde. Het antwoord is simpel: door het inzetten van anonieme huurlingen, kan Moskou desgewenst alle verantwoordelijkheid ontkennen.

    In 2017 duikt er een gruwelijke video op die is opgenomen in de buurt van de al-Shaer-gasfabriek nabij Palmyra. De video toont hoe een Syrische man, die onder vrienden en familie bekend stond als Hamdi Bouta, op de grond ligt, omringd door Russisch sprekende mannen in militaire uniformen, aldus Foreign Policy. Ze slaan met een voorhamer op zijn ledematen alvorens hem te onthoofden, zijn lichaam in brand te steken en met zijn stoffelijk overschot te poseren. De daders zijn door het Russische onafhankelijke persagentschap Novaya Gazeta geïdentificeerd als huurlingen van Wagner.

    ‘De moord op Bouta is symptomatisch voor het vacuüm waarin de Wagner-groep opereert. Hoewel huurlingengroepen in Rusland verboden zijn, dienden ze als het speerpunt van de proxy-oorlogen van het Kremlin in het buitenland’, aldus Foreign Policy.

    Deze strategie komt nog duidelijker naar voren in Libië, waar sinds 2014 een burgeroorlog woedt. Rusland heeft de kant gekozen van Khalifa Haftar, oud-generaal van Qadhaf, die een schaduwregering aanvoert vanuit de noordoostelijke stad Benghazi. Officieel heeft het Kremlin geen enkele soldaat naar het Noord-Afrikaanse land gestuurd. Maar uit een rapport van de Verenigde Naties blijkt dat in de praktijk tussen de achthonderd en twaalfhonderd Russische huurlingen aan de zijde van Haftar strijden.

    Als Haftar in november 2018 op bezoek komt bij het Russische ministerie van Defensie is naast minister Sjojgoe ook Prigozjin aanwezig. Volgens een militair-diplomatieke bron verzorgde Prigozjin daar de lunch en nam hij deel aan een discussie over het culturele programma van de Libische delegatie, aldus The Bell.

    ANP 202823421 1 1 1
    Zakenman Jevgeni Prigozjin (links) serveert eten aan toenmalig Russisch premier Vladimir Poetin (nu president) tijdens een diner in het restaurant van Prigozjin buiten Moskou, november 2011. – © AP Photo / Misha Japaridze

    Poetins invloed in Afrika

    Tijdens een persconferentie begin 2020 ontkent Poetin dat de Russische huurlingen in Libië gestuurd zijn of betaald worden door het Kremlin. ‘Er zijn altijd veel huurlingen in conflictzones (…), erg verontrustend,’ voegt hij eraan toe. Toch vechten Russische huurlingen toevallig in verschillende conflicten in Afrika en het Midden-Oosten altijd aan de kant van de door Rusland gesteunde partij, merkt Le Monde op.

    Rusland wil zijn invloed in Afrika versterken door betrekkingen aan te knopen met bestaande heersers, militaire deals te sluiten en een nieuwe generatie van ‘leiders’ en ‘undercoveragenten’ op te leiden, zo blijkt uit uitgelekte documenten, schrijft The Guardian in 2019. Spil in het web van de Russische plannen: Jevgeni Prigozjin. Naast de inzet van huurlegers, is hij ook verantwoordelijk voor het opzetten van pro-Russische mediabedrijven.

    Een van de doelstellingen is om de VS en de voormalige koloniale mogendheden het VK en Frankrijk de regio uit te krijgen. Een ander doel is om ‘prowesterse’ opstanden af te wenden, aldus de documenten.

    In Soedan werden Wagner-huurlingen in 2017 voor het eerst gefilmd toen zij militairen trainden om gebouwen te bestormen, aldus The Guardian in een ander artikel. Huurlingen werden ook gesignaleerd in de buurt van de antiregeringsprotesten in 2019, die uiteindelijk leidden tot het afzetten van president Bashir, waarna Wagner weer vertrok uit het land.

    Sinds 2019 is Wagner ook actief in Mozambikaanse regio Cabo Delgado, bericht The Moscow Times. In die olie- en gasrijke regie strijdt de regering tegen islamistische rebellen die onlangs de stad Palma innamen.

    Lees ook:

    En sinds 2018 ontvangt de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat ontwricht wordt door een intern conflict, militair materieel van Rusland en een honderdtal militaire opleiders. Officieel ondersteunt Rusland het Afrikaanse land zonder zelf mee te vechten. Tegelijkertijd huurt de Centraal-Afrikaanse regering het Russische privéagentschap Sewa Security Services in, dat ook in handen blijkt te zijn van Prigozjin, volgens onderzoek van Le Monde.

    De Centraal-Afrikaanse Republiek wordt in de uitgelekte documenten in handen van The Guardian beschreven als ‘strategisch belangrijk’ voor Rusland en een ‘bufferzone tussen het islamitische noorden en het christelijke zuiden’. Van daaruit zou Moskou zijn aanwezigheid ‘over het hele continent’ kunnen uitbreiden, en Russische bedrijven kunnen er lucratieve delfstoffendeals sluiten.

    In de CAR verschijnt nog een opmerkelijk figuur ten tonele: Dimitri Sytyi, een jonge polyglot die aan een Franse hogeschool heeft gestudeerd, en optreedt als vertaler. Zijn voormalige werkervaring? Clandestiene politieke manipulatiecampagnes voor IRA, het trollenleger van Prigozjin.

    Sytyi is ongetwijfeld niet alleen vertaler, aldus Le Monde. Hij wordt er door het Amerikaanse ministerie van Financiën van verdacht aan het hoofd te staan van mijnbouwbedrijf Lobaye Invest. Het bedrijf wordt vermoedelijk gebruikt om de huurlingen te financieren. Maar drie Russische journalisten die gezamenlijk onderzoek deden naar de geldstromen van het bedrijf, zijn in 2018 door anonieme schutters vermoord, vertelt Le Monde.  

    Mensenrechten

    Uit een recent rapport van onafhankelijke experts van de Verenigde Naties blijkt dat Russische huurlingen van de Wagner-groep mensenrechtenschendingen hebben begaan in de Centraal-Afrikaanse Republiek, bericht The Guardian.

    Volgens de VN-werkgroep werken de Russische huurlingen nauw samen met de vijftienduizend man sterke VN-vredesmissie (MINUSCA), die sinds 2014 in de CAR is gestationeerd. Er vonden regelmatig ontmoetingen plaats tussen VN-personeel en ‘Russische adviseurs’, evenals bezoeken van de Russen aan MINUSCA-bases en medische evacuaties van gewonde ‘Russische trainers’ naar bases van MINUSCA.

    Volgens de VN-deskundigen ontvingen ze meldingen van ‘ernstige schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht’ door Russische particuliere militairen die samen met het Centraal-Afrikaanse leger opereerden. In sommige gevallen waren VN-vredeshandhavers getuigen, voegen zij eraan toe.

    De vermeende schendingen omvatten massale standrechtelijke executies, willekeurige detentie, marteling tijdens verhoren en gedwongen verplaatsing van de bevolking. Ongeveer 240.000 burgers zijn hun huizen ontvlucht vanwege de gevechten de afgelopen weken, aldus The Guardian.

  • Scouts bewaren de vrede in Centraal-Afrikaanse Republiek

    Scouts bewaren de vrede in Centraal-Afrikaanse Republiek

    De scoutingbeweging is groter dan welke rebellengroep ook in de geteisterde Centraal-Afrikaanse Republiek. Misschien is het wel het effectiefste vredesleger van allemaal.

    Het is begin september en de diverse humanitaire hulp-
organisaties in Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), vrezen het ergste. 
De ebola-uitbraak in buurland Congo maakt een dodelijke opmars en de kans is groot dat deze overslaat naar een afgelegen gebied in het oosten van de CAR, waar gewapende groeperingen de dienst uitmaken. Op een donderdag-
ochtend bereiken paniekerige berichten over mensen met inwendige bloedingen de hoofdstad. Misschien zijn ze besmet met ebola.

    Die informatie moet worden geverifieerd. Klopt het? Is het inderdaad ebola? De regering heeft geen enkel gezag over de oostelijke uithoek van het land, en door de geweldsuitbarstingen zijn er geen internationale organisaties actief. Het ontbreekt aan gezondheids-klinieken en een betrouwbaar communicatienetwerk, dus er valt niet te 
checken of de informatie klopt, zonder een helikopter met zwaar bewapende vredessoldaten in te zetten, wat een gevaarlijke, peperdure operatie is. 
Maar er is nóg een optie: de scouts inschakelen.

    Milities

    Na vijf jaar burgeroorlog kun je de 
CAR niet met goed fatsoen een land noemen. Goed, er is een vlag, er is een volkslied en er zijn grenzen, maar wat zich binnen die grenzen afspeelt, wordt niet gereguleerd door iets wat ook maar enigszins op een traditionele staat lijkt. De regering in Bangui, overeind gehouden door een heel legioen aan vredessoldaten, heeft alleen controle over een paar gebieden rondom de hoofdstad en in het westen.

    De rest van het land is verdeeld onder een tiental milities die continu van gezicht veranderen en steeds wisselende 
territoria beheersen. Het is zelfs zo dat sommige groeperingen tegen de tijd dat er vredesbesprekingen worden gehouden, inmiddels niet meer bestaan en dat nieuwe groeperingen, die juist niet bij de besprekingen zijn betrokken, de kop hebben opgestoken. Soms lijkt het alsof de rebellen zelf 
niet eens precies weten waar ze voor vechten.

    Vaak is het geweld doordrenkt van religieuze motieven: de ‘goede’ christelijke soldaten binden de strijd aan met ‘de terroristen’, de vervolgde moslims beschermen hun geterroriseerde minderheidsgroep, maar nog vaker gaan de gevechten over de steeds schaarsere voedselbronnen.
    In Bangui wemelt het van de uniformen: VN-soldaten met hun opvallende lichtblauwe helmen, militairen met rode baretten in hun versleten plunje, gendarmerie in het blauw.

    De rebellen in de stad, die zich voornamelijk in de moslimwijk schuilhouden, laten zich minder vaak zien. En dan heb je nog 
de leden van de verschillende takken van de scoutingorganisatie, de Central African Boy Scouts Movement, in hun uniform.
    Ze lijken op elkaar, met hun kaki blouse, shorts, kousen en keurig gestrikte sjaaltjes, en je ziet ze regelmatig in groepjes door de stad lopen. Als je goed kijkt, zie je de behaalde insignes op hun korte mouwen: voor houtbewerking, koken, navigatie.

    Scouting is ongekend populair in de CAR: volgens de organisatie zelf telt het land rond de twintigduizend scouts, maar door de burgeroorlog is het lastig om de statistieken precies bij te houden. (Ter vergelijking: het land telt 14.787 VN-soldaten.) De scouts zijn 
vertegenwoordigd in alle zestien provincies en in bijna ieder bisdom. Hiermee is de scoutingbeweging groter dan welke rebellengroep ook, en sterker verankerd. Door de strikte, hiërarchische structuur heeft de beweging de klappen van de burgeroorlog overleefd en ze is een van slechts een handjevol nationale instellingen – waaronder ook de katholieke kerk – waarvan je redelijk zeker kunt zijn dat wanneer in Bangui een beslissing wordt genomen, die elders in het land wordt uitgevoerd.

    Het allerbelangrijkste was dat ze hem van de straat hielden, uit de klauwen van de rebellen en de drugsdealers die azen op de talloze rondhangende puberjongens en jonge mannen

    Zoals zoveel dingen in dit land is de beweging opgedeeld langs religieuze lijnen: je hebt ook nog de evangelische scouts, bekend als Les Flambeaux, 
en een slinkende groep islamitische scouts.

    Bengai sloot zich op zijn zevende aan bij de scouts en is nu, op zijn negenentwintigste, al tweeëntwintig jaar in een of andere vorm actief. Voor hem is het een reddingslijn geweest.

    ‘Bij de scouts heb ik geleerd in een gemeenschap te leven, ik heb er een morele, lichamelijke en geestelijke opvoeding gekregen’, zegt hij. Maar het allerbelangrijkste was dat ze hem van de straat hielden, uit de klauwen van de rebellen en de drugsdealers die azen op de talloze rondhangende puberjongens en jonge mannen, die vrijwel allemaal werkloos en ongeschoold zijn en weinig andere opties hebben.

    Bengai 
is niet voor die verleiding bezweken. 
Hij en zijn medescouts dreunen een waslijst aan successen op waaruit duidelijk blijkt dat de scoutingbeweging in dit land meer is dan een alleen een leuke vrijetijdsbesteding. Een paar voorbeelden: als nerveuze dorpsbewoners opzien tegen een bezoek aan het ziekenhuis in een nabijgelegen plaats, kunnen ze om een scout vragen 
die hen begeleidt; toen een moslimgemeenschap in de jungle nabij Boda in 2017 door rebellen werd gegijzeld, waren het scouts die hun vrijlating bedongen.

    Wees voorbereid

    Abdelwadid Gakara, een leider van 
de Moslim Scouts Association, haalt Baden-Powels beroemde leus aan 
wanneer hem wordt gevraagd de enorme maatschappelijke bijdrage van de scouts te verklaren: ‘Ons motto is: Wees voorbereid! Er kan van alles gebeuren.’ Hij voegt eraan toe: ‘Bij ons draait alles om de vredesboodschap. Een goede scout is iemand die met iedereen overweg kan.’ Was het maar zo eenvoudig.

    Ngoaporo Ghislain-Oxwold (17) en 
Boy-Fini Mikael (18) zijn vrienden. Ze hebben het initiatiekamp al achter 
de rug, waar ze overlevingstechnieken hebben geleerd, zoals het vinden van een goede overnachtingsplek en het maken van een kampvuur. Ze leren 
ook vaardigheden die als vrouwenwerk worden bestempeld: de was doen, afwassen, koken. Ghislain-Oxwold, die aan ’s lands enige functionerende universiteit studeert, merkt dat zijn leerprestaties verbeterden sinds hij zich bij de scouts heeft aangesloten. ‘Dankzij de scouts heb ik God leren kennen en heb ik mijn laatste examen gehaald.’

    Niet al hun vrienden zijn scouts. Sommigen hebben zich aangesloten bij milities, die een soortgelijke aantrekkingskracht uitoefenen. Net als scouts voorzien rebellengroepen in een sterk saamhorigheidsgevoel en een gemeenschappelijk doel. Zelfs hun trainingskampen hebben, gelet op de vaardig-
heden die nieuwe rekruten worden 
bijgebracht, veel van elkaar weg – met als enige uitzondering dat scouts niet leren hoe ze met wapens moeten omgaan. Ondanks de militaristische attributen is de scoutingbeweging, zowel in de car als de rest van de wereld, expliciet pacifistisch. In de 
context van een burgeroorlog kan het verkondigen van pacifisme een revolutionaire daad zijn die niet altijd even populair is.

    Ali Ousman is de coördinator van de grootste moslimorganisatie in Bangui. Hij woont, zoals alle moslims in de stad, in Point Kilomètre Cinq, ofwel PK5, een wijk op precies vijf kilometer van het centrum, feitelijk een getto waar het merendeel van ’s lands moslimpopulatie opeen is geperst. PK5 is een gevaarlijk gebied. Er zijn verschillende milities actief, die regelmatig 
in gevecht raken met de zogenaamde christelijke milities. VN-soldaten 
bewaken de in- en uitgaande wegen, maar gaan zelf zelden de wijk in.

    De enige reden dat de moslimpopulatie nog niet is uitgemoord, gelooft het merendeel van de inwoners, is dat PK5 door gewapende groeperingen wordt beschermd. Sinds het uitbreken van 
de burgeroorlog zijn er duizenden 
moslims vermoord. Nog eens duizenden moslims zijn de grens over gevlucht. Vanuit Ousmans perspectief zijn de jongens die zich bij de plaatselijke milities hebben aangesloten helden.

    ‘De jeugd heeft noodgedwongen de wapens opgepakt om PK5, de enige plek in Bangui waar moslims mogen wonen, te verdedigen. Deden 
ze dat niet, dan zouden ze eraan gaan, hun ouders zouden eraan gaan, hun grootouders zouden eraan gaan. Ze hebben geen keus. De moslimscouts daarentegen, in hun belachelijke outfit, met die shorts en die kniekousen, doen als het erop aankomt helemaal niks.’

    Scouts van jeugdorganisatie Flambeaux werken als veiligheidsbewaker bij een event in het Complexe Scolaire International Galaxy in Bangui (CAR). – © Will Baxter
    Scouts van jeugdorganisatie Flambeaux werken als veiligheidsbewaker bij een event in het Complexe Scolaire International Galaxy in Bangui (CAR). – © Will Baxter

    Een aantal jaar geleden werden de scouts van de car tijdelijk geschorst door de World Organisation of the Scout Movement (WOSM), omdat de contributiegelden niet waren betaald. Inmiddels wordt er druk onderhandeld of ze zich weer kunnen aansluiten bij de moederorganisatie, die erg te 
spreken is over de inspanningen 
van de Centraal-Afrikaanse tak. Wel moeten er nog een paar obstakels worden overwonnen, voordat ze kunnen terugkeren in de moederschoot.

    Ten eerste is er de openstaande rekening. Ook de versplintering van 
de nationale scoutingorganisatie is een probleem: Les Flambeaux, de Catholic Scouts en de Muslim Scouts moeten allemaal onder één paraplu komen. 
En een ander belangrijk punt is dat de scoutingbeweging in de CAR tot dusver een jongensaangelegenheid is geweest. Om internationaal mee te mogen doen, moeten ook meisjes worden toegelaten. In Bangui is onlangs een meisjesgroep opgericht; een welkome ontwikkeling, zeker in een land waar meisjes weinig te kiezen hebben, zowel wat werkgelegenheid als recreatie betreft.

    Vredesleger

    De eventuele terugkeer van de nationale scoutingorganisatie in de moederschoot zou een erkenning zijn 
van de belangrijke rol die de scouts in de CAR spelen, waardoor de beweging meer geldbronnen kan aanboren en meer partnerschappen kan aangaan om de werkzaamheden uit te breiden. Om dat werk echt op waarde te schatten, is het zinnig je voor te stellen dat er geen scouts in de car zouden zijn.

    Stel je voor dat die twintigduizend jongens niet op kamp zouden gaan, geen insignes zouden behalen of afgelegen dorpjes zouden bezoeken om over 
vaccinatiecampagnes te vertellen. Wat zouden ze dan doen? Bij welke groeperingen zouden ze zich dan aansluiten? Stel je voor dat die jongens andere uniforms zouden dragen, en geweren, dat ze de bevolking zouden terroriseren.

    Het antwoord op die vraag wordt nog het best verwoord door Bengai. ‘De gewapende rebellen zijn een oorlogs-leger, de scouts zijn een vredesleger’, zegt hij. In een ineengestort land waar een burgeroorlog woedt, zijn de scouts misschien nog wel het effectiefste leger van allemaal.

    Auteur: Simon Allison

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail _
en in 1990 nieuw leven in 
geblazen door _The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links 
georiënteerde krant ijvert voor 
een toleranter Zuid-Afrika.

  • Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom lukt het China zich aan de armoede te ontworstelen, en veel Afrikaanse staten niet? Die Zeit zocht naar antwoorden in de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    De president van het armste land ter wereld resideert achter een grote zwarte toegangspoort, die wordt bewaakt door een handvol mannen met machinegeweren. Wie de poort passeert, stuit op een kantoorcontainer met een schotelantenne op het dak. Een achteringang voert naar een met hout betimmerde werkkamer met zware gordijnen, die de middaghitte buiten moeten houden. Daar bezet president Faustin-Archange Touadéra een van de kolossale leren stoelen, waarin hij er op de een of andere manier ietwat verloren uitziet.

    Eigenlijk is Touadéra hoogleraar in 
de wiskunde. Een paar jaar geleden ging hij de politiek in om zijn land te dienen, zegt hij. En vrij snel werd hem duidelijk dat dat ingewikkelder is dan de ingewikkeldste wiskundige vergelijking. Touadéra’s land is namelijk de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    581 dollar

    Als je op een kaart van het Afrikaanse continent ongeveer in het midden een lijn van noord naar zuid trekt en dat ook van oost naar west doet, dan ligt het land nagenoeg op het snijpunt van die lijnen. Eén keer per jaar publiceren de Verenigde Naties een lijst die de landen ter wereld op welvaartsniveau rangschikt. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat op de laatste plaats. Slechts 581 dollar bedraagt er het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – in Duitsland is dat 43.919 dollar.

    Hoe komt dat?

    Waarom staat de burgemeester van Paderborn een hoger budget ter beschikking dan de president van een land dat twee keer zo groot is als de Bondsrepubliek?

    Waarom rollen er in Duitsland jaar 
in, jaar uit bijna zes miljoen auto’s 
van de band en in het rijk van Faustin-Archange Touadéra niet een?

    Waarom worden Duitsers gemiddeld 81 jaar oud en de mensen in het hart van Afrika maar amper 51 jaar?

    Met andere woorden: waarom zijn arme landen arm en rijke landen rijk?

    Ontelbare economen hebben zich over die vraag gebogen. Ze hebben de oorzaken van de armoede onderzocht en erover nagedacht waarmee de armen geholpen zouden kunnen zijn. Maar ze zijn met hun ideeën maar nauwelijks doorgedrongen in de zenuwcentra van de internationale politiek.

    Door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen

    Zoals zo vaak in de economie is er niet één maar zijn er vele theorieën waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom arme landen arm zijn. Sommige deskundigen schrijven armoede toe aan de geografische ligging van een land, door te stellen dat de toegang tot de open zee een belangrijke voorwaarde voor economische ontwikkeling is, omdat de handel erdoor wordt vergemakkelijkt. Dat klinkt logisch, maar een land als Zwitserland ligt behoorlijk ver van zee en is toch een van de rijkste landen ter wereld.

    Anderen zien het klimaat als een belangrijke oorzaak: door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen. Dat verklaart evenwel niet waarom tropische landen als Maleisië relatief rijk zijn geworden.

    Weer andere economen betogen dat de armen arm zijn omdat de rijken rijk zijn: het Noorden schermt zijn markten af, waardoor de landen van het Zuiden hun producten daar niet kunnen verkopen. Toch heeft China dat juist wel gedaan en daarmee miljoenen Chinezen een weg uit de armoede geboden.

    Tot zover de theorieën van de deskundigen. Maar wat is de visie van Faustin-Archange Touadéra in hoofdstad Bangui, voor wie de armoede net zo bij het dagelijks regeren hoort als het pensioendebat voor Angela Merkel?

    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty
    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty

    Meneer de president, waarom is uw land zo arm?

    ‘We hebben praktisch geen regering. We zijn niet in staat de bevolking te beschermen. We moeten dat allemaal weer opbouwen.’

    Waar ontbreekt het aan?

    ‘Vooral de infrastructuur baart ons zorgen. Er zijn nauwelijks wegen en 
er is te weinig elektriciteit.’

    De bewoners van het land waarvan de geschiedenis, net als die van zoveel Afrikaanse landen, tot nog toe weinig aanleiding tot hoop heeft geboden, hebben die hoop gevestigd op Touadéra. Na de laatste coup in 2013 richtten rivaliserende milities bloedbaden aan, waarbij duizenden mensen de dood vonden en honderdduizenden op de vlucht werden gedreven. Touadéra is de eerste president sinds jaren die na min of meer eerlijk verlopen verkiezingen aan de macht is gekomen.

    Aan de andere kant zal er vrijwel geen politicus op aarde zijn die zich niet zou beklagen over de staat van de wegen in zijn land. Daarom loont een bezoek aan Jean-Christophe Carret, die veel weet over elektriciteit en wegen, en nog meer over de oorzaken van armoede. Carret is namelijk econoom en hij werkt voor de Wereldbank. De Wereldbank is een halve eeuw geleden opgericht om de armoede op de wereld te verslaan. De bank heeft meer dan tienduizend werknemers in ruim honderdtwintig landen. Het kantoor van Jean-Christophe Carret ligt vlak bij het presidentiële paleis.

    Meneer Carret, waarom zijn de mensen hier arm?

    ‘Stap in, dan zal ik u iets laten zien.’

    Eén onderneming

    Carret stuurt zijn terreinauto richting het noorden. Hij wordt begeleid door een groep zwaarbewapende blauwhelmen, omdat milities het gebied nog altijd onveilig maken. Het konvooi rijdt door de levendige buitenwijken van Bangui, waar op markten fietsbanden, flessen benzine, ondergoed en een uitgebrande Citroën worden aangeboden. Daarna zijn er alleen nog maar her en der lemen hutten te zien en omzomen schier eindeloze struikgewassen de stoffige weg. Na anderhalf uur rijden wordt het landschap bergachtiger en is het geraas van een enorme waterval te horen.

    Carret zet koers naar een fabriekshal. Binnen zet het vallende water vijf turbines in beweging, die generatoren ter grootte van een minibus aandrijven. ‘Dit is hier de enige officiële energiebron, een hoogspanningsleiding transporteert de stroom naar Bangui,’ zegt Carret. ‘We hebben de centrale gerenoveerd. Een stuwdam zorgt ervoor dat er ook in de droge tijd genoeg water is. We kunnen van hieruit de stad van stroom voorzien, maar het is niet voldoende om fabrieken in bedrijf te houden.’

    In de hele Centraal-Afrikaanse Republiek is er zegge en schrijve één grote onderneming, een brouwerij in een buitenwijk van Bangui. Die behoort tot het Franse drankenconcern Castel, dat daar een moutbier brouwt en de helft van zijn energiebehoefte op een dure manier moet opwekken met behulp van een eigen generator, een wijdverbreid fenomeen in Afrika. Volgens een onderzoek van consultancybureau McKinsey produceren de 49 landen ten zuiden van de Sahara jaarlijks ongeveer 423 terawattuur elektrische energie. De VS verbruiken iets meer dan het negenvoudige. De slechte stroomvoorziening weerhoudt veel ondernemingen ervan investeringen te doen.

    Als er meer stroom was, dan zouden zich dus meer bedrijven in Afrika vestigen – en dat zou helpen in de strijd tegen armoede. Bedrijven spelen daarin namelijk een sleutelrol, zo blijkt uit onderzoek. Dertig jaar geleden was China nog een straatarm land. Toen werden er enorme fabrieken gebouwd, die miljoenen eenvoudige mensen werk bezorgden. Met hun loon konden die mensen zich een betere opleiding voor hun kinderen permitteren, die vervolgens werk kregen als ingenieur of geschoold arbeider. Nu is China de op een na grootste economie ter wereld.

    In de afgelopen jaren is het echter enigszins uit de mode geraakt om stuwdammen en krachtcentrales in ontwikkelingslanden te bouwen. Dat komt doordat bij dergelijke grote projecten vaak maar weinig rekening werd gehouden met het milieu en de getroffen mensen. En in plaats van elektrische leidingen en generatoren werden keuterboertjes en kredietverenigingen gefinancierd. Er zijn zelfs deskundigen, zoals Nobelprijswinnaar voor de Economie Angus Deaton, die ontwikkelingshulp radicaal willen schrappen omdat de betalingen alleen maar corrupte regimes in stand houden en in het ergste geval zelfs schade aanrichten. Een regering die bijvoorbeeld regelmatig geld uit het buitenland krijgt voor de staatshuishouding, hoeft er niet voor te zorgen dat de mensen in eigen land genoeg verdienen om belasting te kunnen betalen.

    Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar

    Ook Carret heeft zich met dergelijke theorieën beziggehouden. Maar zijn grootste zorg is dat de Centraal-Afrikaanse Republiek in een spiraal van geweld terechtkomt als de bevolking niet het gevoel heeft dat het haar met een democratisch gekozen president ook financieel beter gaat. Daarom financierde hij met Wereldbankgeld de salarissen van de ambtenaren toen de regering daar niet toe in staat was. Daarom liet hij wegen opknappen om arbeidsplaatsen voor de bevolking te creëren. En daarom wil hij ervoor zorgen dat eindelijk ook de turbines worden geïnstalleerd die al jaren op een bouwplaats naast de waterkrachtcentrale liggen. En dat misschien zelfs met hulp van Chinese investeerders een zonne-energiecentrale wordt gebouwd, zodat stroom in Bangui geen schaars goed meer is.

    En is het land echt niet meer arm als dat allemaal zou lukken?

    Een paar kilometer buiten Bangui bevindt zich een kazerne, beschermd door muren en prikkeldraad. Hier maakt Masse Noudjoutar de dienst uit, commandant van het derde bataljon infanterie van het Centraal-Afrikaanse leger. Zijn soldaten staan in rijen van twee op het exercitieterrein. Het ruikt naar vis, die boven een open vuur wordt gebraden. Merkwaardig is alleen dat vrijwel niemand een wapen draagt.

    Commandant Noudjoutar, waarom is het land arm?

    ‘Kijk om u heen. We zijn met te weinig. We hebben nauwelijks uitrusting, zegt hij. Noudjoutar bouwt met steun van Belgische en Franse militairen het leger van het land op. Zij leren soldaten hoe je controleposten bemand, wat in de strijd is toegestaan en hoe je met gevangenen omgaat. Het probleem daarbij is dat het leger tot nog toe niet meer dan een paar honderd man sterk is – en dat is niet genoeg om de rust in het land te herstellen.

    Niet alleen zijn er te weinig soldaten, er zijn ook te weinig politieagenten, te weinig leraren en te weinig belastingambtenaren. Het ontbreekt aan onafhankelijke rechters, ambtenaren op ministeries, accountants. Op papier is de Centraal-Afrikaanse Republiek een keurig geordend staatsbestel met zestien prefecturen en 179 gemeenten. Maar de praktijk ziet er anders uit. Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar. En dus moeten ze toekijken hoe de in het oosten van het land gewonnen diamanten de grens over worden gesmokkeld, waar ze in de zakken 
van de militieleiders terechtkomen 
in plaats van bij de eigen bevolking.

    Zelfs als er geld is, wordt het vaak zodanig gebruikt dat het land er meer schade van ondervindt dan baat bij heeft. Daar kan de enige grootindustrieel van het land over meepraten; de directeur van de brouwerij is een zeer actieve Fransman die al meer dan twintig jaar in Afrika werkt. Ooit moest hij tijdens onlusten de werkzaamheden staken omdat de diesel voor de aandrijving van de generatoren was gestolen – samen met ongeveer vijftienduizend flesjes bier. Het grootste probleem zijn echter de autoriteiten, zegt de directeur. Een paar jaar geleden had hij een tiental werknemers moeten ontslaan omdat de zaken slecht gingen. Het ontslag was door de rechtbank goedgekeurd, maar niet veel later door dezelfde rechtbank onrechtmatig verklaard. Hij werd tot een boete veroordeeld, met als motivatie dat de wet was gewijzigd.

    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty
    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty

    Vroeger beschouwden veel ontwikkelingsdeskundigen de overheid als overbodig, als een bureaucratisch apparaat dat de economische groei remde. Tegenwoordig weten ze dat economisch succesvolle landen doorgaans over een sterke overheid beschikken, die ervoor instaat dat privébezit wordt beschermd, dat de maatschappij niet uit elkaar valt, dat scholen en universiteiten functioneren en dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden. Een nieuwe fabriek is vaak pas na jaren rendabel. Zonder een minimum aan rechtszekerheid zal geen investeerder er geld in willen steken.

    In de meeste Afrikaanse landen is de overheid niet sterk, maar opgeblazen: ze doet zich gelden waar ze niets te zoeken heeft en is afwezig waar ze gewenst is. Zo is het bijzonder ingewikkeld om een bedrijf te registreren, kunnen ondernemingen maar moeilijk nieuwe kredieten krijgen en worden voorschriften geïnterpreteerd zoals het de overheid uitkomt. In een recent onderzoek van de Wereldbank naar de kwaliteiten van hun lidstaten als vestigingsland neemt de Centraal-Afrikaanse Republiek van de 190 landen plaats 185 in. Ook de meest gewiekste ondernemers kunnen onder dergelijke omstandigheden niet groeien en arbeidsplaatsen creëren.

    Dat een hogere plaats er niet in zit na de zware onlusten van de afgelopen jaren is niet verwonderlijk, maar het is opvallend dat onder de zakenmensen, ontwikkelingswerkers, politici en militairen in Bangui niemand de geografie verantwoordelijk stelt voor de misère van het land, en nauwelijks iemand zich beklaagt over het klimaat of over het feit dat het Noorden zijn markten afschermt. Voor hen lijkt het belangrijker wat er in het land zelf gebeurt.

    Dat sluit aan bij de stelling van economisch onderzoeker Daron Acemoglu van het Massachusetts Institute of Technology. Acemoglu meent dat de welvaart van een land afhangt van de manier waarop dat land zijn zaken regelt. In de meeste arme landen heeft een kleine elite de macht over politieke en economische hulpbronnen en gebruikt ze die om zichzelf te verrijken. Omdat werken niet loont, blijft de vooruitgang uit. Rijke landen zijn daarentegen rijk omdat economische en politieke vrijheidsrechten grenzen stellen aan de uitbuiting van de bevolking, en het overheidsoptreden zich meer richt op het algemeen welbevinden.

    Dat gold lang geleden misschien ook wel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek. De mensen leefden er in relatief stabiele omstandigheden, tot vanaf de vijftiende eeuw zoals in zoveel landen ten zuiden van de Sahara eerst slavenhandelaren uit Noord-Afrika en vervolgens Europeanen – in dit geval de Fransen – het land teisterden. Uit recente onderzoeken blijkt dat deze rooftochten de bestaande maatschappelijke structuren ontwrichtten, zodat uitbuitende regimes vaste voet konden krijgen. De instituties van de betreffende landen hebben daar nog altijd onder te lijden.

    Armoede is geen lot

    Maar – en dat is de eigenlijke boodschap van het onderzoek van Daron Acemoglu – armoede is geen lot. Als het bijvoorbeeld zou lukken om in het noorden van Bangui de extra turbines te installeren, als Masse Noudjoutar meer soldaten zou krijgen en als de rechters de wetten zouden interpreteren in plaats van ze te breken, dan zou de Centraal-Afrikaanse Republiek stijgen in de welvaartstabel.

    Een dag nadat president Touadéra van achter zijn zwarte poort de wederopbouw van zijn land heeft aangekondigd, komen in het Franse cultureel centrum in Bangui een stuk of twaalf mannen en vrouwen bijeen. Daar vindt een soort grondleggersbazaar plaats; de mensen zijn gekomen om hun ideeën te presenteren. De een is van plan om van oude plastic flessen een soort wegdek te maken, een ander heeft een houten koelkast ontwikkeld die weinig energie zou verbruiken, een derde wil een energiedrankje produceren uit de bladeren van de mierikswortel, die in de tropische gebieden van Afrika op elke hoek groeit. ‘Mijn doel is massaproductie. Ik zou graag een fabriek bouwen,’ zegt hij. Dat is nu precies waar het om gaat.

    Auteur: Mark Schieritz
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.