In het Amerikaanse Charlottesville leidde een demonstratie tegen een standbeeld van de Zuidelijke generaal Robert E. Lee tot een geweldsexplosie. En de vraag: wat moeten we met dit soort monumenten? Volgens (kunst)historicus Holland Cotter is het het beste ze in musea te bewaren. ‘Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten.’
Dit is een zomer van herhalingen. De cultuuroorlogen zijn terug. Evenals de burgerrechtenbeweging. En de Burgeroorlog. Op 12 augustus deden die zich allemaal gelden in Charlottesville, Virginia, toen een demonstratie tegen de voorgenomen verwijdering uit een stadspark van een standbeeld van generaal Robert E. Lee, een generaal van het zuidelijke leger, tot een geweldsexplosie leidde. Twee groepen demonstranten kwamen samen en gingen met elkaar op de vuist: een bataljon blanke nationalisten, neonazi’s en Ku Klux Klan-aanhangers enerzijds, en een groep tegendemonstranten, van wie sommigen met Black Lives Matter-borden liepen.
Vervolgens was er een tweede uitbarsting, nu op internet, toen president Donald J. Trump zich er, na een betekenisvolle stilte, vanaf maakte door beide partijen de schuld te geven van al het geweld. (‘Hoe zit het dan met het geweld van alt-links?’) Hij plaatste Robert E. Lee op één lijn met George Washington. Hij roemde de ‘schoonheid’ van het standbeeld van Lee en betreurde het verlies van andere standbeelden van geconfedereerden.
Het is waar dat ook andere standbeelden gevaar lopen. Door de gebeurtenissen in Charlottesville en door de opmerkingen van de president, is er een zekere bewustwording op gang gekomen, een roep om alle standbeelden die herinneringen oproepen aan de Burgeroorlog weg te halen – of er juist voor te vechten. Er dient zich een verhitte ideologische strijd aan. Voor de demonstrerende blank-nationalisten is Lee een held, en symboliseert zijn standbeeld de blanke overheersing die, in een Amerika dat gestaag van kleur verandert, terrein verliest.
Voor de raciaal gemengde contraprotestanten is hetzelfde standbeeld een herinnering aan de tijd dat de Zuidelijke Staten het land in tweeën wilde verdelen teneinde de zwarten als slaven te kunnen houden.
Het gaat er niet bepaald netjes aan toe – de strijd kan niet worden beslecht met een opgestoken of naar beneden gekeerd duimpje. De standbeelden die het slachtoffer worden van deze strijd kunnen geheel verloren gaan, mogelijk voorgoed. De dag na de protesten gaan er beelden rond van demonstranten in Durham, North Carolina, waar een bronzen beeld van een Zuidelijke soldaat van zijn sokkel wordt getrokken. In Baltimore worden die woensdag, in het holst van de nacht, vier monumentale beelden die verwijzen naar de geconfedereerden in bestelwagens geladen en weggereden.
Overal in het land klinkt de roep om dergelijke acties – in Annapolis, Maryland; in Jacksonville, Florida; in Memphis; in Washington; in New York, waar burgemeester Bill de Blasio opdracht heeft gegeven om alle ‘symbolen van haat’ in de stad in kaart te brengen. (Eentje was snel gevonden: een muur in de subway van Times Square, met tegeltjes die, daar waren de onderzoekers het al snel over eens, het patroon van de vlag van de Zuidelijke Staten vormden.)
Niets nieuws
Het vernielen van standbeelden uit sociale, politieke of religieuze motieven is niets nieuws. In het oude Egypte was het gebruikelijk dat de farao afbeeldingen van voorgangers schond of voor andere doeleinden gebruikte. In Noord-Europa werd tijdens de protestantse reformatie kunst uit katholieke kerken gehaald. De nazi’s zuiverden Europa van ‘ontaarde’ moderne schilderkunst. Mao Zedong scheurde, in zijn ‘Vier Oude Dingen’-campagne, klassieke landschappen aan flarden.
Van recenter datum zijn de reusachtige Boeddha’s van Bamyan in Afghanistan, die de taliban in 2001 heeft opgeblazen. De beelden hiervan zijn de hele wereld over gegaan. Datzelfde geldt voor de opnamen van twee jaar later, van het reusachtige beeld van Saddam Hoessein dat in Bagdad omver werd getrokken. Eerder dit jaar heeft een Engelse kunstenares, Hannah Black, de curatoren van de Whitney Biënnale verzocht om een schilderij te verwijderen – een schilderij van een blanke kunstenares, Dana Schutz, waarop de tot martelaar uitgegroeide Emmett Till staat afgebeeld [een veertienjarige Afro-Amerikaanse jongen die in 1955 werd gelyncht in Mississippi nadat een blanke vrouw aanstoot aan hen nam].
In principe lijkt het me heel gezond om beelden van geconfedereerde nationalisten in kaart te brengen en weg te halen. De burger in mij – die, net als elke Amerikaan dagelijks getuige is van racisme, het virus dat door ons land waart – is verheugd over de mogelijkheid om bepaalde sporen van de geschiedenis van ons land uit te wissen. De kunsthistoricus in mij is verheugd daarmee te kunnen afrekenen, maar om een andere reden.
In tegenstelling tot president Trump kan ik weinig schoonheid ontwaren in het standbeeld van Robert E. Lee, met zijn gladde, neoklassieke nietszeggendheid. In Lee zelf zie ik een verrader die oorlog voerde tegen de Verenigde Staten, in een strijd voor een systeem van slavernij dat niet valt te verdedigen.
Ook zie ik een werk dat niet helemaal is wat het lijkt, een reliek uit de Burgeroorlog. Zoals geldt voor veel militaire monumenten van de geconfedereerden, dateert ook dit standbeeld van ver na de oorlog – uit 1924 om precies te zijn, en het is vervaardigd in New York, voor het grootste deel door Henry Merwin Shrady, die met name bekend is geworden door zijn standbeeld van Ulysses S. Grant dat voor het United States Capitol in Washington staat. Na Shrady’s dood is het standbeeld voltooid door de Italiaanse beeldhouwer Leo Lentelli.
In de decennia tussen 1890 en 1920 namen dit soort opdrachten een hoge vlucht. In die jaren na de wederopbouw kwam de politieke macht weer in handen van blanke zuiderlingen, en kwam de Lost Cause-beweging op. Die laatste verwijst naar een collectieve fantasie van een geïdealiseerde antebellumwereld waarin de behandeling van slaven dermate zachtaardig was dat dit onmogelijk een belangrijke factor kon zijn geweest voor het uitbreken van de Burgeroorlog.
Om kort te gaan: het Charlottesville-Lee-standbeeld heeft veel minder van doen met het gedenken van zowel een held als een cultuur die weliswaar verloren is gegaan maar niet vergeten, dan met gevoelens van weemoed die worden aangewend om de werkelijkheid te verzachten van een heden waarin heimelijk van alles broeit. Het zal geen verbazing wekken dat in de jaren waarin dit beeld het licht zag, een sterke toename was te zien van blank-nationalistisch activisme en racistisch geweld.
Musea zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen
Het is belangrijk om het conceptuele mechanisme van een dergelijk beeld te doorgronden: hoe het door middel van stijl en bedrog boodschappen uitzendt die door verschillende soorten publiek op verschillende manieren kunnen worden gelezen. En die boodschappen worden heel duidelijk, en gevaarlijk, verspreid in het heden. De gewelddadige verdediging van het Lee-standbeeld in Charlottesville bewijst dat eens te meer en maakt ook dat ik, als historicus, die beelden wil behouden in plaats van ze te vernietigen.
Zoals gezegd zijn mijn redenen pragmatisch. Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten. Het moet bewaard blijven voor het openbaar ministerie. In het geval van dit soort beelden is de officier van justitie de geschiedenis en kan het proces lang duren, tot ver in de toekomst voortslepen, en kunnen talloze getuigen worden opgeroepen. Men moet waken voor een overhaast oordeel en drastische beslissingen.
Dus wat te doen met deze beelden, die nu evenzeer symbool staan voor racisme als de vlag van de Geconfedereerden? Een conservator zou kunnen zeggen: voorzie ze van een toelichting en behoud ze binnen de bedoelde context. Maar waar het mij om gaat is die context veranderen, de magie doorbreken, het stof van een vals soort nostalgie eraf kloppen, onszelf wakker schudden. Bovendien, als je de beelden verplaatst, kan er iets anders voor terugkomen, kun je nieuwe verhalen introduceren.
En waar moeten ze dan naartoe? Naar al bestaande of nog te bouwen musea, in of buiten de stad. Daar kunnen ze in zekere zin worden bewaard, toegankelijk maar onder gecontroleerde omstandigheden, en kunnen ze worden getoond als de propaganda die ze zijn. Om dat mogelijk te maken zullen musea afstand moeten doen van hun vermeende ideologische neutraliteit. Ze zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen.
Oefenterrein
Onze encyclopedische musea, zoals het Met, zijn reusachtige pakhuizen vol voorwerpen van over de hele wereld die zijn bedoeld om precies dat te doen wat de beelden van de Geconfedereerden beoogden: om een ideologische boodschap uit te dragen, met ethische beelden die we stuitend zouden kunnen vinden als we in staat zouden zijn de visuele symbolen te duiden – de taal die taal overstijgt. We moeten leren symbolen te lezen met wijd open ogen, in onze eigen politieke realiteit van vandaag de dag, in een tijd van razendsnelle tweets en elektronische afleiding.
Musea kunnen fungeren als oefenterrein voor een dergelijke manier van lezen, maar om echt effectief te zijn zullen ze eerst moeten onderkennen dat ze in historisch opzicht niet alleen een hall of fame zijn, maar ook een hall of shame.
In reactie op de voorgenomen verwijdering van het standbeeld in Charlottesville, en andere standbeelden, twitterde president Trump: ‘Robert E. Lee, Stonewall Jackson – wie is de volgende? Jefferson? Washington? Zo dom! Je kunt de geschiedenis niet veranderen, maar je kunt er wel van leren.’
Mis. Je kunt de geschiedenis wel veranderen, omdat je je kijk op de geschiedenis kunt veranderen. Die ligt nooit vast, al willen de Lost Cause-gedachte en de hedendaagse blank-nationalisten ons anders doen geloven. Door te graven naar beelden en woorden in dat wat we het verleden noemen, hebben wetenschappers het verleden veranderd, de cycli in kaart gebracht, er nieuwe informatie aan ontleend. Wat wij kunnen doen is bewijsmateriaal vergaren, of we er blij mee zijn of niet, en dat doorgeven.
Auteur: Holland Cotter
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
The New York Times
Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

