Tag: christenen

  • Op dit eiland in Tunesië leven joden, moslims en christenen vreedzaam samen

    Op dit eiland in Tunesië leven joden, moslims en christenen vreedzaam samen

    Elk jaar in mei vindt in Tunesië een uniek en buitengewoon evenement plaats. Het Noord-Afrikaanse land, waar zich de oudste synagoge van Afrika bevindt, viert dan zijn joodse wortels met de bedevaart van La Ghriba, waarbij verschillende religies samenkomen.

    Zodra de veerboot de kust nadert, wacht je op Djerba een sereen welkom. Het eiland, voor Tunesiërs de historische thuishaven van de drie grote monotheïstische godsdiensten en de bestemming van een jaarlijkse joodse pelgrimstocht, wordt vaak het ‘eiland der dromen’ genoemd. Er zijn palmbomen zover het oog reikt en overal langs de soms nog rudimentaire wegen zie je Djerba’s kenmerkende huizen of ‘houche’, de kleurrijke kleine winkeltjes van het eiland. Mannen dragen er grijze jebbas-gewaden en vrouwen beskrismalhfas en dhallalas (traditionele strohoeden).

    Dit decor wordt aangevuld met tal van ongeëvenaarde details, zoals de geur van de prachtige blauwe zee, de vissers en de her en der verspreid liggende boten, verkopers van boeketten jasmijn, groepjes oude mannen die dammen en vrouwen op motorfietsen. Op dit eiland kom je in aanraking met kleuren, tinten en vormen die soms eenvoudig en minimalistisch zijn, maar nooit saai.

    Maar het zijn niet alleen de paradijselijke kusten en de onvergelijkbare zonsondergangen die dit eiland tot een unieke en mooie plek maken; het zijn vooral de mensen. Vandaar dat Djerba niet alleen wordt aanbeden door Tunesiërs, maar door talloze bezoekers van over de hele wereld. Hier zijn de bewoners er in de loop van de geschiedenis namelijk in geslaagd een vreedzame coëxistentie tussen de moslim-, christelijke en joodse gemeenschappen te behouden. En dat is uiterst zeldzaam – niet alleen voor de Arabische regio, ook voor de rest van de wereld.

    Joden van Djerba

    Vóór de oprichting van Israël in 1948 woonden er meer dan honderdduizend joden in Tunesië, maar met het verstrijken der jaren en na de Arabisch-Israëlische oorlog van 1967 zijn velen vertrokken. Toch herbergt het land een van de grootste joodse gemeenschappen in de MENA-regio [de regio Midden-Oosten en Noord-Afrika], van circa tweeduizend joden, waarvan zo‘n twaalfhonderd op Djerba wonen.

    Nog altijd hebben joodse Tunesiërs een belangrijke plek in de samenleving van Djerba. Net als hun niet-joodse buren zijn ze vooral actief in de toerismesector van het eiland.

    Djerba heeft één joodse school (Yeshiva), waar zowel seculier als religieus onderwijs wordt gegeven aan vijf- en zesjarigen evenals aan tieners. Als je door de klaslokalen loopt, hoor je de leerlingen discussiëren over verzen uit de Torah, waarbij ze afwisselend spreken in Tunesisch Arabisch en het Hebreeuws van de bijbelse teksten. Op een andere school op het eiland, de lagere school van Souani, krijgen islamitische en joodse leerlingen les in dezelfde klaslokalen. Ze hebben hetzelfde seculiere academische streven en geloven beide in een samenleving waarin verschillende religies harmonieus naast elkaar bestaan.

    Ook niet-joodse Tunesiërs nemen deel aan bepaalde tradities van de synagoge

    De joodse erfenis van Djerba en de religieuze diversiteit van Tunesië worden elk jaar tijdens de Ghriba-bedevaart getoond. Dit jaarlijkse evenement vond dit jaar plaats van 14 tot 22 mei. Tot de activiteiten behoorden onder andere een bezoek aan de synagoge, liefdadigheidsacties, gebedsdiensten en andere lokale tradities.

    Ook niet-joodse Tunesiërs nemen deel aan bepaalde tradities van de synagoge. Lokale vrouwen en bezoekers brengen bijvoorbeeld eieren mee waarop de namen van jonge meisjes uit hun familie staan en laten die in de synagoge achter. Na afloop van de bedevaart worden de eieren teruggebracht naar de jonge meisjes, die ze opeten in de hoop dat hun huwelijkskansen daarmee verbeteren.

    Als je naar de synagoge loopt, valt de beveiliging op. Honderden politieagenten, speciale eenheden en pantservoertuigen staan langs de weg en rond het bedevaartsoord opgesteld om een goed verloop van de festiviteiten te garanderen. Alvorens het terrein te betreden, moeten de bezoekers door een scanpoort en worden hun bezittingen grondig doorzocht.

    Maar zodra je het veiligheidsapparaat voorbij bent, zie je honderden Tunesische vlaggen en het kenmerkende blauw en wit van de gebouwen.

    Kleurrijke pelgrimage

    Op de achtergrond klinkt muziek. Er hangt een feestelijke sfeer. Alle betrokkenen, van jong tot oud, hebben hun mooiste kleren aangetrokken. Onder de prachtige zon van een aprilmiddag komen groepen bezoekers bijeen in nette overhemden, kleurrijke jurken en op hoge hakken, hun passen versnellend om een goede plek te bemachtigen in de Oukala (een soort traditionele en goedkope hotels in populaire Tunesische wijken), waar muziek zal worden gemaakt.

    ‘Mijn moeder heeft nieuwe kleren voor me gekocht voor vandaag. Nu wacht ik op mijn vrienden. Ik heb er heel veel zin in!’ zegt de achtjarige Ishmail met brede lach. Hij is hier met zijn ouders en andere familieleden.

    Aanwezigen die vooral gericht zijn op het religieuze aspect van het evenement, begeven zich rechtstreeks naar de synagoge. Ondanks de relatief kleine omvang is het interieur van het gebouw verbluffend mooi. Opvallend is de blauwe kleur van de aardewerken tegels die de vier muren tot aan het plafond bedekken. De ruimte krioelt van de mensen.

    Onder de bogen en de eeuwige lampen zitten sommige aanwezigen de Torah te lezen, anderen steken kaarsen aan en spreken, discreet en met gesloten ogen, lang gekoesterde wensen uit.

    ‘Ik ben hier gekomen om dit ei neer te leggen in naam van mijn alleenstaande nichtje,’ vertelt de zeventigjarige Frans-Tunesische Eliana. ‘Ik weet dat ze er niet echt in gelooft, maar sinds ik klein was, kwam ik al naar deze synagoge en zag ik mijn moeder en mijn tantes dit doen. Het maakt deel uit van onze geschiedenis en onze identiteit, en zo houd ik het erfgoed in leven.’

    Tragische aanslagen

    Deze jaarlijkse bedevaart is niet alleen belangrijk voor de plaatselijke gemeenschap, maar voor het hele land, zowel in economisch opzicht, doordat de toeristische sector van het eiland nieuw leven wordt ingeblazen, als in politiek opzicht, omdat ze bijdraagt aan het behoud van de vreedzame en multiculturele identiteit van Tunesië. Het evenement wordt maanden van tevoren voorbereid, met medewerking van verschillende belanghebbenden, waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit alles om onaangename verrassingen te voorkomen.

    In het recente verleden maakte Tunesië namelijk twee tragische aanslagen op de joodse gemeenschap van Djerba mee. De eerste was in 1985, toen een soldaat die belast was met de ordehandhaving het vuur opende in de synagoge van Ghriba, waardoor vijf mensen om het leven kwamen. In 2002 doodde een vijfentwintigjarige Frans-Tunesiër, die banden had met Al-Qaida, eenentwintig mensen.

    Met deze incidenten in het achterhoofd doen de Tunesische autoriteiten er alles aan om het jaarlijkse evenement veilig te houden. Zo willen ze tevens het toerisme, de nationale economie en de reputatie van Tunesië in het buitenland opschroeven. Regeringsleider Najla Bouden, minister van Toerisme Mohamed Moez Belhassine, woonde dit jaar het begin van de pelgrimage bij, evenals gouverneur van Médenine Said Ben Zayed, de opperrabbijn van Tunesië Haïm Bittan en verschillende ambassadeurs en diplomaten uit landen als Frankrijk, België, Duitsland, Italië en de VS.

    ‘Djerba is een smeltkroes van beschavingen en een plek van vrede en tolerantie’

    ‘Djerba is een smeltkroes van beschavingen en een plek van vrede en tolerantie,’ zegt Bouden. Minister van Toerisme Belhassine noemt de bedevaart van La Ghriba een belangrijke gebeurtenis die de zomer en het toerismeseizoen inluidt en de mensen aanspoort tot vreedzaam samenleven, tolerantie en een open gemeenschap.

    Hij voegt eraan toe dat dit belangrijke evenement, dat volgens hem ongeveer drieduizend bezoekers, vijftig journalisten en hoogwaardigheidsbekleders van veertien nationaliteiten bijeenbracht, niet alleen de gelegenheid biedt om het multiculturele aspect van het eiland te ontdekken, maar ook om je onder te dompelen in de talloze andere attracties van deze rijke bestemming.

    De organisatoren van de pelgrimstocht, onder leiding van Perez Trabelsi (voorzitter van het joodse comité van Ghriba en leider van de joodse gemeenschap in Djerba), zijn van mening dat de opkomst dit jaar uitzonderlijk was en dat het evenement zich op verschillende niveaus onderscheidde. Voor hen was het, na twee jaar van pandemie, van cruciaal belang om in deze tumultueuze tijden vanuit Tunesië een boodschap van vrede en coëxistentie over de wereld te verspreiden.

    Lees ook:

  • Laatste bastion tegen IS

    Laatste bastion tegen IS

    Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.

    Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer 
afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.

    Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.

    Toch zochten tientallen christelijke 
families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de 
val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij 
chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.

    Mar Mattai – © Emmanuelle Veuillet/Flickr Creative Commons
    Mar Mattai – © Emmanuelle Veuillet/Flickr Creative Commons

    Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.

    Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub 
(letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak 
forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.

    ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’

    Vluchten

    ‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich 
terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’

    In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten 
het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.

    Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. 
De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, 
en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.


    Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over

    Ultimatum

    Op 18 juli gaven de luidsprekers van 
de moskeeën een ultimatum van de 
jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’

    Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’

    Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze 
eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer 
en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.

    Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.

    Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.

    Mar Mattai. – © Corbis
    Mar Mattai. – © Corbis

    Wapens

    ‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden 
gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.

    Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’

    ‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.

    De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.

    Émilienne Malfatto