Tag: clinton

  • ‘Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten’. De arrogantie van de elite

    ‘Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten’. De arrogantie van de elite

    Jarenlang keek de progressieve elite stiekem neer op de mensen onder aan de maatschappelijke ladder. Die mensen zijn nu afgehaakt en stemmen overal ter wereld op de populisten. Eigen schuld, dikke bult, zegt Elisabeth Raether.

    Keuze uit het archief

    Vijf jaar geleden, september 2016, publiceerden wij een dossier genaamd: ‘Hé elite, kijk eens in de spiegel!’ In dit artikel daaruit fileert een jonge Duitse journaliste vlijmscherp de kronkels in de gedachten van wat meestal de linkse elite wordt genoemd. Hun stelregel lijkt te zijn: zolang je zelf alles volgens de – door hen zelf bepaalde – regels doet, is het geen probleem om op anderen neer te kijken.

    Na maanden van voorverkiezingsstrijd heeft onze verontwaardiging over Donald Trump iets overbodigs gekregen: hij zegt iets onbeschofts en wij grijpen geschrokken naar onze parelketting, als burgerdames die iemand aan tafel uit een vingerkommetje zien drinken. Maar de verrassing is er nu wel af. En vooral: Trump kwam niet uit het niets. Waarschuwingssignalen genoeg. We hebben lang gedacht dat het voldoende was iemand als hij met scherpzinnige spot en minachting op zijn plaats te zetten.

    Maar of het nu satirische stukjes of afkeurende hoofdartikelen waren, of dat we hem gewoon voor gek zetten om zijn haar: niets hielp. Eigenlijk hebben we steeds gedacht dat alleen dat kapsel al genoeg was om erger te voorkomen. Maar Trump en andere autoritaire leiders kregen steeds meer succes en werden steeds zelfbewuster.

    Het zou aan ons kunnen liggen. Want uit alle aanwijzingen, die we niet alleen over het hoofd hebben gezien maar bewust hebben genegeerd, blijkt dat wij − ook als Europeanen − een onaangename waarheid onder ogen moeten zien: wij leven in een klassenmaatschappij, waar de ene groep leidt en de andere volgt. En als we om Trump en Melania lachen, ontmaskeren we niet hén, maar onszelf.

    Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden

    Wie zijn wij? Wij zijn de leiders. Wij zijn de nieuwe liberale elite. Wij zijn degenen die met tranen in de ogen luisteren naar Michelle Obama’s toespraak op de democratische conventie. Wij zijn het soort mensen dat niet bang is om een moderne en toch elegante outfit te dragen die vermoedelijk is ontworpen door een jonge designer uit New York wiens naam de meeste Amerikanen niet eens kunnen uitspreken. Wij zijn de mensen die überhaupt niet zo snel bang zijn, niet voor de onbegrijpelijke soevereiniteit waarmee de First Lady spreekt, noch voor de mengeling van macht en morele volmaaktheid die ze belichaamt als ze zegt: ‘Ik word iedere dag wakker in een huis dat is gebouwd door slaven.’ Michelle Obama is mooi, rijk, intelligent, elegant en heel, heel machtig. Maar ze is ook zwart, zodat ze zonder een zweempje schaamte mag genieten van al haar voorrechten, de schaamte die lange tijd de prijs is geweest van leven in de bovenlaag van de samenleving.

    Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is, wat hoort en wat niet hoort, en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden. We zoeken het gezelschap van ‘ons soort mensen’. Maar net als een regime dat door revolutie aan de macht is gekomen, staan we boven alle verwijten, want wij, althans de generaties voor ons, hebben voor die plaats moeten vechten.

    We hebben de tolerantie bij wijze van spreken uitgevonden, en we definiëren dus ook wat dat is

     Het resultaat is de onaantastbare macht van het juiste, onze macht dus. En inderdaad, we hebben veel goeds teweeggebracht wat we de wereld nalaten: vrijheid en rechten voor vrouwen, migranten, gehandicapten, homoseksuelen. Maar de klassen hebben we niet afgeschaft. We hebben ons in de top van de klassenmaatschappij genesteld, en hebben nu het gevoel dat alle remmen los zijn.

    Van onderaf zou dat er wel eens heel anders uit kunnen zien.

    Michelle en Melania

    Hillary Clinton heeft dochter Chelsea ‘perfect’ opgevoed, zei Michelle Obama in haar toespraak. Dat zal niet iedere Amerikaanse moeder van haar kinderen durven zeggen; in ieder geval niet de moeders van de dikzakken en de spijbelaars, gedetineerden, tienermoeders en drugsverslaafden. Maar die moeders kunnen de First Lady niet verwijten dat ze arrogant is, tenzij hun voorouders op zijn minst ook slaven waren.

    Na Michelle Obama was er een toespraak van een jonge transvrouw, Sarah McBride. Dankzij zorgvuldige medische ingrepen ziet ze er zo fantastisch uit als iedere vijfentwintigjarige zich zou wensen. McBride was stagiaire in het Witte Huis en werkt nu bij een ngo. Haar verhaal gaat er niet alleen over dat álle mensen gelijk zijn, ze vertelt ook over haar echtgenoot, een transman, die op zijn achtentwintigste aan kanker overleed en zich tot zijn dood heeft ingezet voor LBGTQA-mensen in de VS.

    Er zijn niet veel vijfentwintigjarigen die op de conventie mogen spreken, en nog minder die zo hoogstaand en onzelfzuchtig overkomen. Maar hoe zit het met die anderen? Die niet zwart of hoogbegaafd, niet stijlvol of transgender, geen stralende jonge weduwe en wellicht niet eens vrouw zijn? Wat is hun heldenverhaal?

    Op de conventie van de Republikeinen, kort daarvoor, stond Melania Trump op het podium. Ook zij is aan haar gezicht geopereerd, maar om andere redenen. Smalle ogen, volle lippen, geföhnd haar. Ze leest van de autocue, waar ze zich kennelijk erg voor moet concentreren. Ze heeft een zwaar Balkanaccent en een monotone stem. Haar gelaatsuitdrukking past niet bij wat ze zegt: ze praat over liefde, het gezin en kindness, maar ze kijkt als een roofdier, cool, sexy, alsof ze bezig is iemand te verleiden, alsof ze alleen maar zo kan kijken.

    Veel van wat bij een toespraak mis kan gaan, gaat ook mis. Dat is al duidelijk vóórdat iemand ontdekt dat hele passages ervan zijn overgeschreven uit een toespraak van Michelle Obama in 2008. Een paar dagen later onthult een tijdschrift in New York dat het designdiploma dat Melania Trump zou hebben in het postcommunistische Slovenië van de jaren tachtig helemaal niet bestond. Vanaf dat moment kent het leedvermaak geen grenzen meer. Als ze dan al een universitair diploma verzint, waarom dan niet een bestaand? Melania, een vrouw net zo nep als haar borsten.

    Maar hoe zit het met de fakeborsten van de jonge transvrouw? Waarom zijn sommige borsten progressief en andere reactionair? Als iemand zijn biologische geslacht niet wil accepteren, mag hij zich laten opereren tot zelfs zijn moeder hem niet meer herkent. En als iemand er mooier of jonger uit wil zien dan hij is, dan zou dat niet mogen? Hoe moet je dat uitleggen aan iemand buiten de liberale kliek?

    Je kunt ook anders naar het optreden van Melania Trump kijken. Een verkiezingsteam had het niet beter in scène kunnen zetten: de hoon waar Trumps vrouw tegenaan loopt, is dezelfde die bij zijn kiezers tomeloze woede-uitbarstingen veroorzaakt. Zij worden opnieuw bevestigd in hun wrok. Zwarte mannen en vrouwen in de VS zijn slachtoffer van politiegeweld, arm, en moeten zich tegen ontelbare vooroordelen verdedigen. Maar er is nog een groep die buitengesloten wordt. Want ook over mensen die de vooruitgang niet zo snel kunnen bijbenen, mogen we − ook in tijden van sekseneutrale taal − allerlei denigrerende dingen zeggen; de mensen die onzeker zijn, geen talenten hebben, bang zijn: de witte mannen. Hun verlangens, hun behoeften, hun angsten, hun levensverhalen: één grote grap. Je kunt ze white trash noemen, of arbeiders, werklozen, ongeschoolden. Hoe dan ook, populair zijn ze niet, wereldwijs evenmin en zelfspot kennen ze niet. Zij zijn degenen die gekwetst zijn.

    Het kan op het eerste gezicht misplaatst lijken dat juist degenen die zijn afgehaakt zich identificeren met het echtpaar Trump, dat tenslotte fabelachtig rijk is. Melania Trump post selfies vanuit haar gouden woonkamer en heeft een assistente die boodschappen voor haar doet. De tegenstrijdigheid dat uitgerekend miljardairs de uitgeslotenen weten te bereiken, verdwijnt snel: want ze zijn niet alleen economisch uitgesloten, maar vooral cultureel.

    Lees ook:

    De leidster van het Front National, Marine Le Pen, had een bevoorrechte jeugd in een rijke voorstad van Parijs, maar mensen die zich aan de kant gezet voelen, zijn dol op haar. Terwijl de welgestelden een lompe vrouw met prefascistische opvattingen zien, koesteren de gepijnigde zielen zich in haar warmte. Want zij voelen hoe de liberale elite op hen neerkijkt. Le Pen heeft jarenlang haar uiterste best gedaan om toegelaten te worden in de Parijse televisiestudio’s waar haar vader een ongewenste gast was. Nu vecht ze voor het presidentschap met een hartstocht alsof het niet om politiek, maar om het vereffenen van een rekening gaat.

    Dat is het heldenverhaal van de veronachtzaamden: jullie zogenaamd tolerante veelverdieners hebben ons jarenlang genegeerd. We mochten optreden in realityshows op tv, zodat jullie je, met je eeuwige ironie, konden amuseren. Maar nu is het ernst. Nu willen we de macht, en die zullen we krijgen ook. Jullie vonden het toch altijd zo erg dat we niet gingen stemmen? Nou, dat is precies wat we gaan doen.

    Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen

    ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.

    Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.

    Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet

    Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen. Hoewel, bijvoorbeeld: niet alle tegenstanders van genetische modificatie kunnen je vertellen waarom ze daar zo tegen zijn, want het is ook gewoon een gevoel. Je wilt nou eenmaal graag dat wat je eet op een of andere manier waarde heeft en puur is.

    Ook kunnen niet alle pleitbezorgers van de EU uitleggen wat daar nou zo goed aan is, want het gaat uiteraard ook om onze identiteit, een vaag gevoel dat zich zo moeilijk laat beschrijven. Het is in ieder geval makkelijker om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet waar van die uitstekende, maar ongelooflijk goedkope wijnen op de kaart staan.

    Lees ook:

    Wereldwijde woede, vooral onder jongeren

    Iedereen heeft altijd meer begrip voor zijn eigen domheid dan voor die van de ander. Maar wie bepaalt wat dom is? Wie beslist wat de juiste problemen zijn en wat de verkeerde? Afgezien daarvan: Wat kan er nou dom aan zijn om iemand in het Witte Huis of het Elysée te kiezen waarmee je je kunt identificeren?

    Superioriteit

    ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.

    Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.

    Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet

    Op het moment dat ze zo woedend werden, waren de uitgeslotenen allang van het politieke toneel verdwenen. De Franse socioloog Didier Eribon zegt dat de communistische arbeidersklasse vroeger ook al homofoob en racistisch was, maar dat ze nu vooral op het Front National stemmen omdat de socialistische regeringspartij niets meer met hen te maken wil hebben. De PS onder François Hollande wil het ‘nieuwe links’ zijn, vertegenwoordigd door vlerken als premier Manuel Valls en minister van economische zaken Emmanuel Macron, die geen idee hebben van de strijd die de afhakers tegen ‘die daar boven’ voeren. Onverholen hautain zei Valls laatst over degenen die tegen een geliberaliseerde arbeidsmarkt demonstreerden: Dat is het oude links. De Franse socialisten, de Duitse SPD, de Democraten in de VS, allemaal hebben ze hun groezelige komaf achter zich gelaten en zich geconcentreerd op de veel deftiger culturele vraagstukken.

    Dat de achterblijvers pas door autoritaire leiders en racisten weer een stem hebben gekregen, is een drama. Want natuurlijk hebben ook arbeiders en werklozen transgenderkinderen en homoseksuele zonen en dochters voor wie ze het allerbeste willen, en natuurlijk zullen vooral degenen die geïsoleerd zijn geraakt het meest te lijden hebben van de gevolgen van klimaatveranderingen. Maar wij hebben onze internationale attitude tot ons handelsmerk gemaakt. We hebben geen enkele mogelijkheid voorbij laten gaan om onze superioriteit te demonstreren: wij zijn zo veel intelligenter, humoristischer en hebben zo’n heldere kijk op de zaken. Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten. Het mag dan slechts een ondertoon zijn, die onze arrogantie verraadt, we moeten er wel naar gaan luisteren. Bij de afhakers is de boodschap namelijk al lang aangekomen, en voor de autoritaire leiders was het vervolgens gemakkelijk om het nadenken over vrijheid en het verantwoordelijkheidsgevoel af te serveren als een luxe die maar weinigen zich kunnen permitteren. Zij beweren dat tolerantie de ideologie van de macht is. Dat mag onjuist en manipulatief zijn, het laat wel zien wat onze grootste zwakte is.

  • 1. De claim op het ‘echte volk’

    1. De claim op het ‘echte volk’

    De Duitse professor Jan Werner-Müller wil het populisme precies omschrijven, zonder ‘vage anti-establishment sentimenten’. Sleutel in zijn analyse is de pretentie van populisten dat zij het ‘echte’ volk vertegenwoordigen. Ze geloven in regeren bij meerderheid, maar niet in verscheidenheid.

    Tegenwoordig lijkt de diepere betekenis van alle verkiezingen in Europa (en misschien zelfs in de wereld) zich tot één enkele 
vraag te beperken: heeft het populisme gewonnen of verloren? Tot de Nederlandse verkiezingen van maart 2017 werd het publieke debat gedomineerd door het beeld van een onstuitbare golf – of tsunami, zoals Nigel Farage het noemde – van populisme. En vooral na de grote zeges van Macron hoor je nu vaak dat we misschien al in het ‘post-populistische tijdperk’ zijn beland. 
Die diagnoses zijn allebei fout en verdienen het etiket dat het populisme zelf vaak krijgt opgeplakt: simplistisch.

    Bij het beeld van een onhoudbare golf gaat men er klakkeloos van uit dat zowel de Brexit als het presidentschap van Trump een triomf voor het populisme betekende. En natuurlijk, Farage en Trump zijn populisten, al zijn ze 
dat niet omdat ze, zoals het cliché wil, ‘afgeven op de elite’. Niet iedereen met kritiek op de elite is automatisch een populist. Een kritische houding tegenover de elite kun je net zo goed opvatten als teken van democratische betrokkenheid van de burger. Populisten in de oppositie hebben allicht kritiek op de regering. Maar belangrijker is dat ze ook beweren dat zij en zij alleen opkomen voor wat populisten vaak ‘echte mensen’ of ‘de zwijgende meerderheid’ noemen.

    Daarmee zeggen ze eigenlijk dat alle andere partijen in wezen geen recht van spreken hebben. Het gaat 
de populisten nooit om een verschil 
van mening over het beleid of zelfs over normen en waarden, het soort meningsverschil dat in een democratie natuurlijk heel normaal is (en in het beste geval ook productief). Nee, populisten spelen in ieder politiek conflict meteen op de man en maken er een morele kwestie van: de anderen zijn volgens hen simpelweg ‘slecht’ en 
‘corrupt’. Die spannen zich niet in voor ‘het volk’ maar alleen voor zichzelf (voor de gevestigde orde) of voor multinationals of voor de EU of noem maar op. 
In dat opzicht was de campagneretoriek van Trump een extreem geval, maar 
niet echt een uitzondering.

    ‘Echte mensen’

    Minder in het oog springend is de 
suggestie van populisten dat mensen die het niet eens zijn met hun opvatting van wat ‘het volk’ is, en die hen dus niet steunen, eigenlijk niet tot dat volk behoren. Denk aan Farage, die op de avond van het beslissende referendum riep dat de Brexit een ‘victory for real people’ was. Daarmee impliceerde hij dat de 48 procent die tegen een Brexit hadden gestemd geen ‘echte mensen’ zijn, ofwel: niet echt tot het Britse volk behoren. Of denk aan Trump, die op een verkiezingsbijeenkomst vorig jaar zei: ‘Het gaat erom dat we de mensen verenigen – want die andere mensen doen er niet toe.’ De populist bepaalt dus 
wie de echte mensen zijn.

    Vage ‘anti-establishment sentimenten’ vormen dus geen lakmoesproef voor 
wat populisme is: kritiek op de elite kan terecht of onterecht zijn, maar is niet per se antidemocratisch. Waar het om gaat, is het antipluralisme van de populisten. Ze doen altijd aan uitsluiting op twee niveaus. Op het niveau van de partijpolitiek presenteren ze zichzelf als de enige legitieme spreekbuis van het volk, om zo alle politieke rivalen op zijn minst moreel uit te sluiten. En iets subtieler wordt op het niveau van de mensen zelf, zo je wilt, iedereen buitengesloten die hun symbolische fictie van ‘de echte mensen’ niet onderschrijft (en dus niet achter de populisten staat). Anders gezegd: populisme maakt per definitie aanspraak op het morele alleenrecht om de wil te vertolken van de zogenaamde echte mensen – en vervalt daardoor per definitie tot een radicaal wij-zij-denken.

    Merk daarbij op dat populisten ook zonder te regeren grote schade kunnen toebrengen aan de politieke cultuur. Populistische partijen die slecht presteren bij de stembus worden immers met een evidente paradox geconfronteerd: hoe kan hun partij aanspraak maken op een rol als enige echte spreekbuis van het volk, als ze geen overweldigende meerderheid bij de stembus halen? Niet alle populisten kiezen voor de makkelijkste uitweg 
uit dit dilemma, maar velen wel: zij suggereren dat ze niet zozeer een 
zwijgende meerderheid vertegenwoordigen, als wel een meerderheid die het zwijgen is opgelegd. Als die meerderheid zich kon uiten, zouden de populisten per definitie aan de macht zijn, maar iets of iemand heeft deze meerderheid de mond gesnoerd. Anders gezegd: populisten suggereren op meer of minder subtiele wijze dat ze de verkiezingen helemaal niet echt verloren hebben, maar dat het hele proces door verdorven elites achter de schermen is gemanipuleerd. Denk weer aan Trump: toen hij in het midden liet of hij een verkiezingszege van Hillary Clinton zou accepteren, plaatste hij impliciet vraagtekens bij de deugdelijkheid van het Amerikaanse kiesstelsel. Veel van zijn kiezers begrepen die boodschap heel goed. Uit een peiling bleek dat zeventig procent van zijn aanhang dacht dat het doorgestoken kaart zou zijn als Clinton de verkiezingen won.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen

    Nu mag iedereen kritiek hebben op het Amerikaanse kiesstelsel, daar is duidelijk genoeg reden toe. Ook zulke kritiek kan een teken zijn van oprechte 
democratische betrokkenheid. Wat niet democratisch is, is de houding van populisten die in feite neerkomt op de bewering: ‘Omdat wij niet gewonnen hebben, moet het systeem wel fout 
en verrot zijn.’ Zo zullen populisten 
het vertrouwen van burgers in hun instituties systematisch ondermijnen, en daarmee het politieke klimaat 
verzieken, ook zonder zelf ooit aan de macht te komen.

    Ik wil niet beweren dat alle populisten hun gebrek aan electoraal succes afdoen met een beroep op complot-theorieën. Maar ze zullen op zijn minst geneigd zijn onderscheid te maken tussen de empirisch vastgestelde en de morele uitslag van verkiezingen. (Denk aan de Hongaarse rechtse populist Viktor Orbán, die na zijn verkiezingsnederlaag in 2002 zei dat ‘het land niet in de oppositie kan zitten’; of aan Andrés Manuel López Obrador, die na zijn nederlaag bij de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2006 zei dat ‘de zege van rechts moreel onbestaanbaar’ was en hijzelf de enige ‘legitieme president van Mexico’.) Zo blijven populisten zich beroepen op een onbestemde groep ‘echte mensen’ die een andere keuze zouden hebben gemaakt. De extreemrechtse populist Norbert Hofer zei na zijn nederlaag bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen van 2016 bijvoorbeeld dat de winnaar, de groene politicus Alexander Van der Bellen, ‘gezählt, aber nicht gewählt’ was: hij insinueerde dus dat zijn tegenstander weliswaar de meeste stemmen had gekregen, maar toch niet echt gekozen was (alsof een ‘echte keus’ op een of andere wijze tot stand kan komen bij acclamatie of zoiets, en niet in het stemhokje). In veel gevallen zullen populisten de cijfers afzetten tegen sentimenten, zonder oog voor het feit dat juist die cijfers, een correcte telling van het aantal stemmen, het enige is waar democratie uit bestaat.

    Door in te zien dat populisme een 
specifieke vorm van antipluralisme is, voorkomen we misschien dat we 
kritiekloos het beeld blijven herhalen van ‘het volk’ dat overal in opstand komt tegen ‘de gevestigde orde’. Dat is geen onschuldige, laat staan neutrale beschrijving van de politieke ontwikkelingen. Het is in feite populistisch jargon. Met zo’n omschrijving accepteer je impliciet dat de populisten 
werkelijk ‘het volk’ vertegenwoordigen. Maar types als Farage of Geert Wilders slagen er in de verste verte niet in om zelfs maar een kwart van het electoraat aan te spreken.

    populism no c

    Toch vallen politici en journalisten vreemd genoeg vaak van het ene uiterste in het andere als het om populisten gaat: van de opvatting dat het allemaal demagogen zijn die per definitie onzin uitkramen, naar de gedachte dat 
populisten in feite de ‘echte zorgen’ van de mensen vertolken. De populist een monopolie geven op de vertolking van wat mensen bezighoudt, getuigt van een diepgaand gebrek aan inzicht in hoe democratische vertegenwoordiging werkt. Die vertegenwoordiging moet niet gezien worden als een mechanische afspiegeling van objectief bestaande belangen en identiteiten. Die belangen en identiteiten krijgen dynamisch vorm naarmate politici 
(en het maatschappelijk middenveld, vrienden, buren, enz.) bepaalde stappen zetten en burgers daarop reageren. Het is dus niet dat alles wat populisten zeggen per se verzonnen is, maar het is een vergissing om te denken dat alleen zij weten wat er echt in de maatschappij leeft. Zo is Trump er zonder twijfel in geslaagd een aantal Amerikanen het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van zoiets als een blanke identiteits-
beweging. Maar het zelfbeeld van 
burgers kan ook weer veranderen.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen. Toch gaan veel 
niet-populisten daarvan uit. Denk maar aan hoe sommige socialisten 
en sociaaldemocraten in Europa 
tegenwoordig lijken te denken: ‘De arbeidersklasse heeft het gewoon niet op buitenlanders. Het succes van de rechtse populisten toont dat wel aan. Niks aan te doen.’

    Er bestaat nog een andere denkfout met betrekking tot de verkiezingswinst van populisten. Je moet er niet van uitgaan dat alle kiezers die op een populistische partij stemmen zelf 
ook populist zijn, dat wil zeggen: de antipluralistische ideeën van hun populistische leider delen.
    Een kiezer kan het bijvoorbeeld volstrekt oneens zijn met de kritiek van Marine Le Pen dat andere partijen immoreel zijn en hun land verraden, maar toch op het Front National stemmen vanwege het landbouwbeleid dat die partij voorstaat. Oké, dat is wat vergezocht, maar het punt blijft dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat iedereen die op een populistische politicus of partij stemt, per se ook het hele antipluralistische programma daarvan onderschrijft. Dat is een elementair empirisch feit, maar het heeft ook gevolgen voor de politieke strategie. Denk maar aan de desastreuze uitwerking van 
Hillary Clintons opmerking over ‘deplorables’. Ze had beter alleen genadeloze kritiek kunnen leveren op haar tegenstander, zonder te generaliseren over de kiezers die hij aanspreekt.

    Maar zit er niet toch iets in, in dat idee van een populistische golf, al is die nu even op zijn retour? Nee, dat beeld was altijd al zeer misleidend. Nigel Farage heeft de Brexit immers niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij had hulp nodig van Conservatieven uit het 
establishment, zoals Boris Johnson en Michael Gove (die nu allebei in May’s kabinet zitten). Het was Gove die in 
het voorjaar van 2016, als reactie op 
de vele sombere voorspellingen van deskundigen over een eventuele Brexit, zei dat het Britse volk de buik vol had van deskundigen. Het grappige was 
dat Gove zelf juist lange tijd als een intellectueel binnen de Tory-gelederen gold. Het was dus niet zomaar iemand die de mensen vertelde dat deskundigheid werd overschat – er was een 
deskundige voor nodig om die conclusie te trekken.

    Trump is natuurlijk geen president geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. 
Hij vertegenwoordigde een gevestigde partij en had de zegen nodig van 
Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani, Chris Christie en Newt Gingrich. Die laatste zei tegen een verslaggever van CNN op het Republikeins partijcongres in de zomer van 2016 dat hij de misdaadcijfers niet vertrouwde, maar geloofde in de beleving van mensen. Hij flikte dus hetzelfde kunstje als Gove in Engeland, want wat je ook van Gingrich mag vinden, onder Amerikaanse conservatieven gaat hij voor een soort intellectueel door. Dus net als in het Verenigd Koninkrijk was er een deskundige nodig om de waarde van deskundigheid in twijfel te trekken.

    Polarisatie

    Wat zich op 8 november 2016 voltrok was geen op zichzelf staande 
triomf voor het populisme, maar een bevestiging van de polarisatie van de Amerikaanse politiek: 90 procent van de Republikeinse kiezers had op Trump gestemd. Ook al bleek uit peilingen dat veel Republikeinse kiezers grote bedenkingen bij deze kandidaat hadden, het was voor hen duidelijk ondenkbaar om op een Democraat te stemmen. De manier waarop Hillary Clinton door veel Republikeinen werd gedemoniseerd, had daar natuurlijk ook iets mee te maken – en die 
demonisering dateerde al van ver voor Trump. Die was al begonnen in de jaren negentig, toen Bill Clinton door rechts steevast werd aangeduid als ‘jullie president’, alsof hij niet het hele volk vertegenwoordigde. Feit is dat tot op de dag van vandaag geen enkele rechtse populist in West-Europa 
of Noord-Amerika aan de macht is 
gekomen zonder hulp van de gevestigde conservatieve elite.

    Na de verkiezingen in Frankrijk en Nederland waren commentatoren er als de kippen bij om te spreken van 
een post-populistische beweging. 
Het veronderstelde ‘nieuwe normaal’, van de ene populistische verkiezingszege na de andere, wordt alweer
 achterhaald genoemd. Maar dan wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het populisme als een moreel monopolie op 
de vertegenwoordiging van het echte volk, en anderzijds specifieke programmapunten die aan rechts populisme kunnen raken – zoals een strenger immigratiebeleid – maar op zichzelf niet populistisch zijn. Met andere woorden: antipluralisme en inhoudelijke programmapunten zijn twee 
verschillende zaken.

    Wilders, een echte populist, deed het in Nederland minder goed dan verwacht. Maar zijn officiële ‘mainstream’ rivaal, de rechts-liberale premier Rutte, sloeg veel Wilders-achtige taal uit, door onder meer tegen immigranten te zeggen dat ze maar moesten vertrekken als ze niet ‘normaal’ wilden doen. Rutte is geen populist geworden, 
hij pretendeert niet de enige echte 
vertegenwoordiger van het eigenlijke Nederlandse volk te zijn. Maar hij doet iets ongebruikelijks en volgens mij onaanvaardbaars: het is niet aan de Nederlandse premier om te bepalen wat in de Nederlandse cultuur 
‘normaal’ is (met de bijbehorende implicatie dat je enerzijds een ‘echt’ Nederlands volk hebt en anderzijds mensen die zich ‘abnormaal’ gedragen). Als gevolg van zulke opportunistische concessies aan populisten schuift de hele politieke cultuur naar rechts op, zonder behoorlijke democratische machtiging van de burger. Misschien zitten we dus niet zozeer in een post-populistische tijd, maar zijn de populisten eigenlijk aan het winnen, ook al verliezen ze nominaal. In plaats van officieel met de populisten samen te werken, kopiëren de conservatieven immers gewoon hun ideeën. Diezelfde dynamiek kon je in het voorjaar van 2017 zien in de campagne voor de 
parlementsverkiezingen van Theresa May, die erop gokte dat ze UKIP kon vermorzelen door Farage na te doen.

    Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt

    Naast samenwerking en imitatie hebben conservatieven nog een derde manier om rechts populisme te 
vergoelijken. Denk maar aan hoe de Europese Volkspartij (EVP), de mainstream partijfamilie van overwegend christendemocraten en gematigde conservatieven in het Europarlement, Viktor Orbán beschermen tegen kritiek (van onder meer de Europese Commissie). Orbán was de pionier van het populisme in Europa. Hij had zijn inmiddels in veel opzichten autoritaire bewind nooit kunnen opbouwen zonder de rugdekking van de EVP. En wederom, het is niet dat de leden van de EVP zelf populisten zijn geworden, verre van dat. Maar met hun strategische keuzes, vooral ingegeven door hun wens om de grootste partij in het Europarlement te blijven, hebben de conservatieven de opkomst van rechts populisme mogelijk gemaakt.

    In dat verband is het ook de moeite waard even terug te kijken naar een recente verkiezingsstrijd waarin veel conservatieven zich vooraf tegen samenwerking met de populisten hebben uitgesproken. Het hele beeld van een niet te stuiten golf van populisme was eigenlijk al ontkracht door dit ene tegenvoorbeeld: Oostenrijk, waar alom een zege voor Norbert Hofer was voorspeld. Veel conservatieve 
politici spraken zich expliciet tegen hem uit. Dat betrof vooral burgemeesters en andere provinciale politieke grootheden, die bij kiezers in de regio het vertrouwen genoten dat groene bobo’s uit Wenen duidelijk misten. Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt.

    De stabiliteit van democratieën in Europa heeft, zoals de politicoloog Daniel Ziblatt betoogt, altijd sterk afgehangen van het gedrag van de conservatieve elites. In het interbellum kozen die voor samenwerking met autoritaire en zelfs fascistische partijen, wat op veel plekken tot de dood van de democratie leidde. Na de oorlog besloten ze zich aan de regels van het democratische spel te houden, ook al was dat niet altijd bevorderlijk voor wat zij als conservatieve kernwaarden beschouwden. We leven in een heel andere samen-leving dan in de naoorlogse periode en de populisten van nu zijn geen fascisten, maar het is nog steeds zo dat het lot van een democratie even sterk afhangt van de keuzes van de gevestigde orde als van opstandige outsiders. Larry Bartels, een vooraanstaand 
Amerikaans politicoloog, wijst erop dat er ook weinig empirisch bewijs is voor een toename (laat staan een ‘tsunami’) van rechts populistische sentimenten. Wat uit onderzoek wel blijkt, is dat zowel politieke avonturiers als gevestigde partijen in de loop der tijd steeds weer voor de keuze hebben gestaan 
om dergelijke sentimenten te bezweren, dan wel te mobiliseren en uit te buiten. Het is van belang om ons niet uitsluitend op de populisten zelf te fixeren (waarbij we hun kracht regelmatig onder- dan wel overschatten). We moeten juist de elites ter verantwoording roepen die met populisten samenwerken of hun ideeën overnemen of hun gedrag in feite vergoelijken en ze zo uit de wind houden.

    Brexit volgens Banksy, 2017.
    Brexit volgens Banksy, 2017.

    Wat kan er tegen populisten zelf worden gedaan? Wat de laatste jaren 
in ieder geval duidelijk is geworden, 
is wat er niet werkt. Een volledig isolement bijvoorbeeld, en zeker het soort morele uitsluiting waarnaar populisten zelf vaak grijpen (in de trant van: ‘wij goede demoraten willen niet samen met populisten op tv’ of ‘als er in het parlement een populist aan het woord komt, loop ik naar buiten,’, enz.). Dat is dom, zowel in strategisch als – minder in het oog springend – in moreel opzicht. Het is als strategie tot mislukken gedoemd omdat het alleen maar bevestigt wat populisten hun aanhang steeds voorhouden: dat de corrupte elite nooit naar hen luistert of bepaalde zaken niet ter discussie durft te stellen. (En niet in de laatste plaats dat deze elites tegen de populisten samenspannen om hun onverdiende voorrechten te beschermen: ‘Eén tegen allen, allen tegen één’.)

    Ook vanuit democratisch oogpunt kleeft er een groot bezwaar aan deze aanpak: zeker als de populisten al in het parlement zitten en je sluit hun partij uit van het debat, dan sluit je 
ook al hun kiezers daarvan uit. En zoals hierboven gezegd: je mag er niet van uitgaan dat alle kiezers van populistische partijen overtuigde antipluralisten zijn die de regels van het democratische spel afwijzen.

    En dan is er het andere uiterste: in plaats van de populisten uit te sluiten of te negeren, ga je achter ze aan hollen. Maar hoe hard je ook holt, je haalt ze natuurlijk nooit in. Wat je als zogenaamde ‘politicus van het midden’ ook over immigratie zegt, het zal toch nooit genoeg zijn voor partijen als Alternative für Deutschland of de Deense Volkspartij. Maar ook hier is het probleem niet alleen strategisch van aard, ook hier speelt een normatieve kwestie mee. Het imiteren van populisten vloeit immers vaak voort 
uit de hierboven genoemde misvatting over democratische vertegenwoordiging. Dan gaat men er simpelweg van uit dat de populisten eindelijk de ware politieke voorkeuren van veel burgers blootleggen, in plaats van te beseffen dat politieke vertegenwoordiging een dynamisch proces is. Denk weer aan Trump: veel Europeanen zullen op 
8 november 2016 met enig leedvermaak hebben vastgesteld dat hun lang gekoesterde vermoeden over de VS nu officieel was bevestigd: het is een land met 63 miljoen racisten! Maar zoals enkele sociale wetenschappers al snel zeiden: er zijn genoeg racisten in de VS, maar racisme kan de zege van Trump niet volledig verklaren. Sommige 
kiezers hebben op Trump gestemd nadat ze dat eerder twee keer op Obama hadden gedaan.

    Er is geen andere keuze dan met 
populisten de strijd aan te gaan. Maar praten met populisten wil nog niet zeggen dat je moet praten áls een populist. Je hoeft hun beschrijving van politieke, economische en sociale problemen niet over te nemen om in debat met hen overeind te blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat een hele reeks standpunten waar links grote moeite mee heeft, binnen een democratie niettemin toelaatbaar zijn – en dat je zulke standpunten moet bestrijden met feiten en de best mogelijke argumenten, niet met het polariserende verwijt van ‘populisme’. Anderzijds, wanneer populisten zichzelf nadrukkelijk als populist manifesteren – dat wil zeggen: als ze het recht van spreken van hun tegenstander of van bepaalde burgers in twijfel proberen te trekken of vraagtekens plaatsen bij de regels van het democratische spel – 
dan is het van groot belang dat andere politici daar een grens trekken. Denk weer even terug aan die eerste keer dat de ‘gevestigde orde’ niet voor de ‘golf’ van het populisme bezweek: Oostenrijk. De winnende kandidaat wist in zijn campagne veel kiezers te mobiliseren door duidelijk te maken dat zij niet alle programmapunten van de Groenen hoefden te onderschrijven om op hem te stemmen; ze moesten het er alleen mee eens zijn dat de extreemrechtse kandidaat een reële bedreiging voor de Oostenrijkse democratie vormde. Nog belangrijker was dat kiezers door zijn campagne werden gestimuleerd om uit hun vertrouwde kringetje te stappen, om in dialoog te gaan met mensen uit andere milieus met wie ze anders niet snel in contact kwamen – en vooral 
om dan niet al na vijf minuten met 
verwijten van ‘racisme’ en ‘fascisme’ 
te smijten.

    Ook dit is misschien alleen vrome hoop van de theoretici. Uit sociologisch onderzoek blijkt vaak dat de zogenaamde contacthypothese te mooi is om waar te zijn: contact met mensen die sterk van ons verschillen is op 
zichzelf nog niet genoeg om tolerantie en respect voor pluralisme te kweken. Maar alles wat kan helpen om de 
populistische fantasie van een volledig verenigd en homogeen volk te ontkrachten, is meegenomen. In tegenstelling tot wat links soms gelooft, is niet alles wat populisten zeggen per se leugenachtig of demagogisch, maar hun zelfgeschapen imago berust uiteindelijk wél op een leugen: dat er 
één ondeelbaar volk is waarvan alleen zij de wil vertolken. Om ze te bestrijden, is het nodig die cruciale claim 
te doorzien en te ontkrachten.

    Auteur: Jan-Werner Müller
    Vertaler: Frank Lekens

    ‘Understanding the populist turn’.
    Grote Zaal Frascati, 2 juni 15.00

    Project Syndicate
    Tsjechische Republiek | project-syndicate.org

    Het in 1994 opgerichte non-profit contentdistributiemodel voorziet lezers uit alle windstreken van originele, boeiende en tot nadenken stemmende commentaren van schrijvers en denkers die de economie, politiek, wetenschap en cultuur van de wereld vormgeven.

  • Waarom Saoedi-Arabië 16 kerncentrales wil bouwen

    Waarom Saoedi-Arabië 16 kerncentrales wil bouwen

    Voor een land dat zwemt in de olie en makkelijk zou kunnen overschakelen op zonne-energie, is een mega-investering in kerncentrales een vreemde stap. Het echte doel is dan ook een kernwapenprogramma, vrezen sceptici.

    Saoedi-Arabië bezit de op een na grootste oliereserves ter wereld en hoeft zich dus weinig zorgen te maken om energie. Maar het koninkrijk wil nu toch een van de grootste investeringen in kernenergie aller tijden plegen: het steekt 80 miljard dollar in de bouw van zestien kernreactoren die de komende vijfentwintig jaar moeten verrijzen.

    Uit deze krachtpatserij blijkt dat het ’s werelds meest iconische oliegigant ernst is met het terugdringen van zijn bijna totale afhankelijkheid van olie – maar kan het ook zijn dat het land op termijn een kernarsenaal nastreeft?

    123-overeenkomst

    Saoedi-Arabië stelt dat het zijn energieportefeuille wil uitbreiden. Elektriciteitsopwekking uit kernreactoren betekent dat de Golfstaat zelf minder olie hoeft te consumeren en er dus meer van kan exporteren. Meer export betekent meer overheidsinkomsten.

    Volgens energiedeskundigen wil Saoedi-Arabië zo snel mogelijk munt slaan uit zijn oliereserves, omdat verwacht wordt dat de mondiale vraag op termijn zal afnemen vanwege de opkomst van hernieuwbare energie en de uiteindelijke dominantie van de elektrische auto. En dus is het zaak het accent in de Saoedische economie te verleggen van olie naar de tech- en entertainmentsector.

    Momenteel is Riyad in gesprek met bedrijven uit meer dan tien landen over de aankoop van nucleaire technologie om de eerste twee reactoren te bouwen – en Amerikaanse gegadigden staan vooraan in de rij. Probleem is wel dat de regering-Trump voorafgaand aan elke Amerikaanse verkoop een overeenkomst voor nucleaire samenwerking met Saoedi-Arabië moet sluiten, een zogeheten ‘123-overeenkomst’ waarin landen beloven dat ze de krachtige nucleaire installaties die ze van de VS kopen niet op oneigenlijke wijze zullen gebruiken.

    Gesprekken tussen de VS en Saoedi-Arabië over een dergelijk akkoord zijn al gaande – de Amerikaanse minister van Energie Rick Perry besprak de zaak in maart in Londen met Saoedische functionarissen, en ook president Trump zal de kwestie hebben aangesneden tijdens zijn ontmoeting met de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman kort geleden.

    Dekmantel

    Experts op het gebied van nucleaire proliferatie en Amerikaanse Congresleden van beide partijen maken zich echter grote zorgen over de deal. Zij vrezen dat Riyad zal proberen de technologie te gebruiken om een kernwapenprogramma op te zetten. Dat zou een van de meest instabiele regio’s ter wereld nog instabieler maken. Sommige sceptici denken zelfs dat het energieverhaal van Riyad louter een dekmantel is voor militaire ambities.

    Dit is meer dan een gissing. In een interview met de Amerikaanse omroep CBS op 18 maart gaf de Saoedische kroonprins, ook wel MBS genoemd, openlijk toe dat nucleaire bewapening een optie was: ‘Saoedi-Arabië wil geen kernwapens hebben, maar als Iran ze ontwikkelt, dan zullen wij zeker niet achterblijven.’

    De regering-Trump kan proberen ervoor te zorgen dat dit nooit gebeurt. Met de ‘123-overeenkomst’ kan het de Saoedi’s dwingen tot een juridisch bindende toezegging dat ze geen uranium zullen verrijken of verbruikte splijtstof zullen opwerken – processen die nodig zijn om kernwapens te maken.

    Naar verluidt overweegt Washington echter om Saoedi-Arabië toe te staan uranium te verrijken. Daarvoor zouden volgens deskundigen twee belangrijke redenen zijn. Ten eerste heeft Trump duidelijk een zwak voor Saoedi-Arabië: het was het eerste land dat hij op zijn eerste buitenlandse reis als president bezocht. Ook steunde hij een aantal van Riyads meest radicale politieke beslissingen, zoals de campagne van afgelopen zomer om buurland Qatar te isoleren en de vernietigende militaire interventie in Jemen.

    Ten tweede zou Trump kunnen zwichten voor het aanlokkelijke vooruitzicht van miljardencontracten voor Amerikaanse nucleaire productiebedrijven die dolgraag zaken willen doen. De verleiding om een deal te accepteren die de weg naar een Saoedische kernbom effent is mogelijk te groot om te weerstaan.

    Saoedi-Arabië blijft erbij dat het alleen kernenergie wil om de energieproductie te verhogen en niet om wapens te bouwen. ‘Wij voelen wij er niets voor nucleaire technologie aan te wenden voor militaire doeleinden en doen juist erg ons best om de verspreiding van kernwapens door anderen tegen te gaan,’ aldus de Saoedische minister van Energie Khalid al-Falih op een gezamenlijke persconferentie met minister Perry in december vorig jaar.

    Het nucleaire akkoord dat Iran in 2015 met onder meer de VS tekende, beperkt de mogelijkheden van het land om materiaal te maken dat nodig is voor een atoombom aanzienlijk, maar rond 2030 verlopen cruciale onderdelen van de overeenkomst

    Energiedeskundigen zeggen dat het zeker zin heeft voor Saoedi-Arabië om nieuwe vormen van energie te genereren, zodat het meer van zijn olie kan exporteren voordat de verwachte waardedaling van deze grondstof een feit is. Maar waarom gekozen voor nucleaire energie als alternatief, in plaats van hernieuwbare energie?

    Joe Romm, een voormalig onderminister van Energie tijdens de Clinton-jaren, vertelde me dat Saoedi-Arabië een groot deel van het land van stroom zou kunnen voorzien met zonne-energie. De uitgestrekte woestijnen waar de zon vrijwel permanent zeer fel schijnt zijn daarvoor van nature geschikt.

    Aangezien Saoedi-Arabië tegen extreem lage kosten zonne-energiecentrales zou kunnen bouwen om zonnestroom te produceren, is het, aldus Romm, ‘vanuit energie-oogpunt niet zo logisch dat de Saoedi’s zo’n sterke voorkeur aan de dag leggen voor de nucleaire optie, die notoir duur is’.

    Leg de plannen van Saoedi-Arabië om te investeren in hernieuwbare energie naast de voorgenomen investeringen in kernenergie, en je ziet volgens Romm dat Riyad minstens drie keer zo veel elektriciteit uit kernreactoren zal proberen op te wekken als uit hernieuwbare energie.

    Militaire ambities

    Amerikaanse experts op het gebied van buitenlandse politiek en nucleaire non-proliferatie zijn het door de bank genomen eens dat de voorkeur voor het ene programma boven het andere maar één ding kan betekenen: militaire ambities.

    ‘Ik denk dat een belangrijke – zo niet de belangrijkste – drijfveer voor het nucleaire programma van Saoedi-Arabië de veiligheidscompetitie met Iran is,’ aldus Kingston Reif, een non-proliferatie-expert bij de Arms Control Association.

    Iran is de aartsrivaal van Saoedi-Arabië in het Midden-Oosten en Saoedi-Arabië vreest dat Teheran zijn civiele nucleaire programma zal gebruiken om in de toekomst wapens te maken en de machtsverhoudingen in de regio daarmee in zijn voordeel te doen omslaan. Het nucleaire akkoord dat Iran in 2015 met onder meer de VS tekende, beperkt de mogelijkheden van het land om materiaal te maken dat nodig is voor een atoombom aanzienlijk, maar rond 2030 verlopen cruciale onderdelen van de overeenkomst.

    Die beperkingen kunnen nog veel sneller tot het verleden behoren wanneer Trump zijn herhaalde dreigementen uitvoert om zich uit de deal terug te trekken. Iran kan in dat geval binnen enkele dagen de nodige stappen zetten in de richting van wapenproductie.

    Aangezien MBS openlijk heeft toegegeven dat Saoedi-Arabië zich genoodzaakt zal voelen kernwapens na te streven als Iran hetzelfde doet, moet een Saoedisch civiel nucleair programma welhaast als een potentiële militaire troef worden beschouwd.

    De regering-Trump is momenteel in onderhandeling met de Saoedi’s over een overeenkomst inzake nucleaire samenwerking. Waarschijnlijk kwam die ter sprake toen de kroonprins op 20 maart te gast was in het Witte Huis. (Noch Saoedi-Arabië, noch de VS vermeldde hier iets over naar aanleiding van de bijeenkomst, wel werd er gezinspeeld op ‘nieuwe handelsovereenkomsten’.)


    Volgens recente berichten zal het Witte Huis Saoedi-Arabië mogelijk toestaan uranium te verrijken. Een land kan uranium verrijken om brandstof te produceren voor zijn kernreactoren, maar datzelfde proces kan ook dienen om een atoombom te maken – en dat heeft de bezorgdheid van Amerikaanse Congresleden van beide partijen gewekt.

    ‘Het interview met de kroonprins van vorige week zou reden genoeg moeten zijn voor de regering om de rem te zetten op de onderhandelingen en te benadrukken dat er geen 123-overeenkomst mogelijk is die verrijking en opwerking omvat,’ aldus het Republikeinse Congreslid Ileana Ros-Lehtinen, voorzitter van de Subcommissie Buitenlandse Zaken voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika van het Huis van Afgevaardigden. ‘Maar helaas blijkt uit het weinige dat de regering loslaat dat ze deze deal louter in handelstermen beziet en dat de nationale veiligheid niet of nauwelijks een overweging is.’

    Senator Bob Corker, voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen, heeft de regering laten weten dat er in het Congres vanuit beide partijen weerstand is tegen een 123-overeenkomst die uraniumverrijking toestaat.

    Het Witte Huis moet de overeenkomst ter beoordeling aan het Congres voorleggen en Congresleden kunnen deze blokkeren met een gezamenlijke resolutie.
    Maar dat kan een averechts effect hebben: de Saoedi’s kunnen zich dan tot Russische of Chinese bieders wenden. En volgens analisten zullen de Russen en Chinezen minder geneigd zijn de verrijkings- of opwerkingsambities van Saoedi-Arabië te beteugelen. Om die reden stellen sommige analisten dat Washington een compromis met Riyad moet overwegen.

    ‘Ik zie liever de Amerikaanse nucleaire industrie in Saoedi-Arabië dan die van Rusland of China, dus moeten we ons met de Saoedi’s zien te verstaan’

    ‘Ik zie liever de Amerikaanse nucleaire industrie in Saoedi-Arabië dan die van Rusland of China, dus moeten we ons met de Saoedi’s zien te verstaan. We moeten de best mogelijke beperkingsclausules voor verrijking en opwerking zien te bedingen, inclusief een verbod voor langere tijd, bijvoorbeeld twintig of vijfentwintig jaar,’ aldus Robert Einhorn, voormalig adviseur wapenbeheersing en ontwapening van het ministerie van Buitenlandse Zaken, tegen The Washington Post. ‘We moeten enige flexibiliteit tonen.’

    Saoedi-Arabië beschouwt het vermogen om uranium te verrijken als een ‘soeverein’ recht, en kon geen 123-overeenkomst met de regering-Obama bereiken omdat president Obama weigerde dat recht te erkennen.

    Alexandra Bell, een expert op het gebied van wapenbeheersing uit het Obama-tijdperk, vertelde me dat de Saoedi’s niet zullen toegeven ‘zonder druk uit de allerhoogste kringen van het Witte Huis’. Dat wil zeggen: aanhoudende druk van de president zelf of topfunctionarissen als minister van Energie Perry. Maar Trump ligt misschien helemaal niet wakker van de verrijkingskwestie. Hij bekijkt de kwestie door een andere bril dan zijn voorganger – voor de huidige president stijgen de belangen van het Amerikaanse bedrijfsleven ver uit boven het veiligheidsaspect. Vorig jaar, toen Trump zijn enorme wapendeal van 110 miljard dollar met de Saoedi’s beklonk, verkocht hij dit aan het publiek als een manier om ‘banen, banen en nog eens banen’ voor de VS te creëren.

    Een nucleaire deal met de Saoedi’s betekent een stimulans voor de in zwaar weer verkerende Amerikaanse nucleaire bouwbedrijven. Westinghouse, de meest prominente Amerikaanse bieder, zit momenteel in een faillissementsprocedure, wat nu al duizenden banen heeft gekost.

    In hun onderhandelingen met Washington zullen de Saoedi’s Trumps gevoeligheid voor het werkgelegenheidsaspect waarschijnlijk als dankbaar drukmiddel gebruiken om hun zin te krijgen.

    Auteur: Zeeshan Aleem
    Vertaler: Carl Stellweg

    Vox
    Verenigde Staten | vox.com

    in 2014 opgerichte nieuws- en opiniesite die onderdeel is van Vox Media. Dit technologiebedrijf beheert ook de sportwebsite SB Nation, de technologiesite The Verge en gamingsite Polygon. Vox heeft als missie om ‘het nieuws uit te leggen‘ en richt zich op een jong en welvarend publiek.

  • Vergeleken met Russiagate was Watergate kinderspel

    Vergeleken met Russiagate was Watergate kinderspel

    Een vergelijking tussen de Rusland-affaire en Watergate is gauw gemaakt, schrijft commentator Andrew Cohen. Maar de huidige zaak is veel ernstiger.

    De 31 pagina’s tellende federale aanklacht tegen Trumps voormalige campagneleider Paul Manafort en zijn zakenpartner Rick Gates – wegens witwassen, bankfraude en valsheid in geschrifte – markeert het einde van het begin van het diepgaande onderzoek dat speciale aanklager Robert Mueller heeft ingesteld naar de banden van Trumps campagneteam met Rusland. Het voorlezen van de aanklacht op maandagochtend 30 oktober – 51 weken nadat Donald Trump tot president werd gekozen en slechts een paar uur nadat hij had getwitterd dat hij van het onderzoek walgde – betekende dat de fase voorbij is waarin bijna al het nieuws over de kwestie afkomstig was van anonieme bronnen, die allemaal een eigen draai aan het verhaal probeerden te geven. Nu is de fase aangebroken waarin we in elk geval specifieke aantijgingen over crimineel gedrag tot ons kunnen nemen. De advocaten zullen zich namens hun cliënten ontpoppen tot demagogen. En het fascinerende verhaal, waarvan de afloop ongewis is, neemt telkens een nieuwe wending.

    Zo ook die maandag. Het belangrijkste nieuws was niet de tenlastelegging, maar de bekendmaking van de details van een strafvermindering die een andere voormalige campagnemedewerker van Trump, George Papadopoulos, had gekregen in ruil voor een schuldbekentenis. Zijn verklaring brengt de campagne rechtstreeks in verband met de vuile spelletjes die de Russen met Hillary Clinton hebben gespeeld. Erger nog – althans bezien vanuit het perspectief van het Witte Huis – is dat Papadopoulos al maanden zijn medewerking aan Muellers onderzoek verleent. Dat betekent dat federale onderzoekers veel meer weten over hoe het werkelijk zit met de openlijk toegegeven samenzwering tussen de campagneleiding en de Russen. Wat weet Papadopolous precies, sinds wanneer weet hij het en aan wie heeft hij het verteld? Een foto waarop hij op 31 maart 2016 met Trump en minister van Justitie Jeff Sessions aanzit tijdens een bespreking over de buitenlandpolitiek logenstraft de mededeling van het Witte Huis, later die maandag, dat hij een randfiguur is, een ‘vrijwilliger’ die aan de campagne meewerkte. In mum van tijd riekte het in Amerika ineens naar doofpot en complot.

    Watergate

    De vergelijking met Watergate is gauw gemaakt. Een Republikeinse president die van het padje af is. De foute types met wie hij zich heeft omringd. De vuile spelletjes. Het ondermijnen van de democratische normen. De onverschrokken journalisten die de zaak tot op de bodem willen uitzoeken. Een rechtszaak die gewoon doorloopt terwijl er nieuwe feiten naar buiten komen en Congresleden nog bezig zijn met hun onderzoek. Na ruim 45 jaar is ons beeld van de Watergate-affaire echter bepaald door de afloop, niet door hoe ze begon. Het is een rond verhaal met, achteraf bezien, een onvermijdelijke uitkomst: een schurkachtige president die oneervol aftrad. Maar zo dachten onze ouders en grootouders er in juni 1972 helemaal niet over, toen de ‘derderangsinbraak’ aan het licht kwam, of in januari 1973, toen het proces tegen de inbrekers begon. Voor hen was die tijd net zo vaag en verwarrend als deze voor ons.

    Daarom is elke vergelijking met Watergate ook zo oppervlakkig. Nog afgezien van de overduidelijke feitelijke verschillen tussen de verhalen (zo zijn de aantijgingen van een Russisch complot veel ernstiger), zijn de wetgeving, de politiek en de journalistiek nu zo anders dat het geen zin heeft om te denken dat alles zich zo zal voltrekken als toen. Hoe complex Watergate ook was, het is kinderspel vergeleken met datgene waar Mueller en zijn team mee te maken hebben. Hoe gemeen de gebeurtenissen destijds ook waren, en hoezeer ook door partijpolitiek bepaald, ze zijn vreemd ouderwets vergeleken met het giftige klimaat rondom het huidige schandaal. De mogelijkheid van een afzettingsprocedure is nog niet van de baan, maar het proces wordt zelfs nog partijdiger dan in 1974.

    President Nixon vertrekt per helikopter nadat hij zijn aftreden bekend heeft gemaakt. – © Bill Pierce
    President Nixon vertrekt per helikopter nadat hij zijn aftreden bekend heeft gemaakt. – © Bill Pierce

    Zelfs de timing verschilt – en misschien wel totaal – van wat we begin jaren zeventig hebben gezien. Er zaten 208 dagen (ruim zes maanden) tussen de datum van de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij en het begin van het proces tegen de mannen die de inbraak namens het Witte Huis hadden gepleegd. Dat leek misschien lang, maar is niets vergeleken bij waar we nu mee te maken hebben. Het lijkt me sterk, gezien de aard van de huidige federale rechtszaken, dat er binnen een half jaar een proces tegen Manafort en Gates komt. Waarschijnlijk duurt het een jaar of langer, als het al op een proces uitdraait, en niet op een strafverminderingsdeal. Of dat in het voor- of nadeel van de president werkt weet niemand.

    Wat we wel weten is dat Mueller anders dan zijn voorganger kan rekenen op weerstand in het Congres, of op z’n minst op pogingen om de boel te traineren. Dat wil zeggen: tot aan de tussentijdse verkiezingen van half november 2018. Na de verkiezingen van 1972 telde het Huis van Afgevaardigden vijftig Democraten meer dan Republikeinen. De Senaat was met zesenvijftig tegen vierenveertig zetels in handen van de Democraten. Zelfs toen, met een Republikein in het Witte Huis, duurde het maanden voordat het Congres uit zijn lethargie ontwaakte en het schandaal besloot te onderzoeken. Op dit moment zijn de Republikeinen de baas in zowel het Huis als de Senaat. Maar dat is maar het halve verhaal. Door gerommel in kiesdistricten en doordat ambtsdragers bang zijn om tijdens een voorverkiezing door een Trump-aanhanger te worden uitgedaagd, zitten er veel minder duiven in de beide huizen dan in 1972 en hebben veel minder wetgevers in staten en districten oog voor beide partijen. 2016 heeft alleen maar tot polarisatie geleid. Nu al zien we welke gevolgen dat heeft voor het onderzoek van Mueller.

    Elke analyse van elke ontwikkeling in de naderende rechtszaken stelt miljoenen mensen bloot aan bizarre vormen van bedrog en achterbakse spin

    Het is niet verwonderlijk dat Trump, net als Nixon, het gemunt heeft op degenen die zijn bondgenoten gerechtelijk onderzoeken. Nixon was net zo onbesuisd, paranoïde en autoritair. Het verschil is dat Nixon zijn woede binnenskamers hield (zij het dat die op band werd vastgelegd), terwijl Trump publiekelijk op Twitter tekeergaat. Het is trouwens niet alleen Trumps persoonlijke afkeer van Mueller; het Witte Huis voert een georkestreerde campagne om de voormalige FBI-directeur de voet dwars te zetten.

    Ook een groot verschil met vroeger, en iets wat de komende processen maar al te gemakkelijk belemmert, is dat steeds meer politici vijandig staan tegenover Muellers onderzoek. Het Congres bemoeide zich niet met het onderzoek naar Watergate; de hoorzittingen behoren tot de grootste wapenfeiten van het overheidsorgaan. Deze keer doen veel Republikeinen in het Congres er alles aan om het onderzoek van Mueller te dwarsbomen door twijfel te zaaien aan zijn geloofwaardigheid, de verhoren te torpederen en de aandacht voor de president te verleggen naar de kandidaat die hij versloeg, die geen publieke functie meer bekleedt. En hoe zit het met de voorgestelde bescherming van de speciale aanklager door het Congres, mocht Trump besluiten hem af te zetten? Ik moet het wetsvoorstel daarvoor nog zien.

    Een ander verschil met de periode 1972-1974 is dat de tot machtige commissievoorzitters benoemde Republikeinse houwdegens in het Congres, zoals Devin Nunes (afgevaardigde voor Californië) en Trey Gowdy (voor South Carolina), net doen alsof ze eerlijk opereren uit naam van een wetgevende macht die dient ter controle van de haperende uitvoerende macht. Maar net als de vele senatoren die zich al jaren voordoen als ‘het recht in eigen persoon’ – onder wie Charles Grassley – zijn ze publiekelijk de partijdige mening toegedaan dat Trump het voordeel van de twijfel geniet, en niet Mueller. Dat verschilt fundamenteel van de rol die het Congres speelde tijdens de Watergatecrisis en zal waarschijnlijk niet veranderen zodra de Democraten het in het Congres of in een van beide huizen weer voor het zeggen krijgen. Wat uiteraard sowieso de komende veertien maanden niet zal gebeuren.

    Het zullen veertien lange, naargeestige maanden worden, waarin met elkaar wedijverende verhalen in de media over objectieve feiten het land zullen blijven verdelen. Ooit kregen de meeste Amerikanen hun landelijke nieuws via drie tv-netwerken, van de radio en uit kranten die niet vanwege ‘nepnieuws’ en ‘alternatieve feiten’ door het slijk werden gehaald. Maar tussen nu en de tussentijdse verkiezingen kijken miljoenen Amerikanen naar Fox News of lezen ze verhalen op Breitbart en krijgen een totaal ander beeld van de werkelijkheid dan de rest. Elke analyse van elke ontwikkeling in de naderende rechtszaken stelt miljoenen mensen bloot aan bizarre vormen van bedrog en achterbakse spin.

    Toeristen bij het Witte Huis lezen het nieuws over het aftreden van de president. – © Getty
    Toeristen bij het Witte Huis lezen het nieuws over het aftreden van de president. – © Getty

    Eind jaren negentig deed ik van a tot z verslag van de soap rond de poging om Bill Clinton af te zetten. Achteraf zie je hoe snel het van kwaad tot erger is gegaan: van Watergate tot Whitewater en van de Lewinsky-affaire tot ‘Russiagate’, met zijn stupide naam. Voor Clinton begonnen de problemen aan het begin van het internettijdperk, toen hij zowel in de beide huizen als in het Congres tegenover een Republikeinse meerderheid stond. Toch bleef hij grotendeels overeind dankzij publieke steun, zelfs toen de omvang van zijn wangedrag duidelijk werd. Trump betreedt met steun van de beleidsmakers, maar met weinig steun van het publiek, een nieuwe fase in een mediatijdperk waarin hij zich in 140 tekens rechtstreeks tot zijn achterban richt. De vernietigende partijdigheid en de manipulatie door de media uit de Clinton-tijd waren mijlenver verwijderd van het Watergate-tijdperk, zoals de afzettingsprocedure tegen Clinton mijlenver verwijderd is van het Ruslandonderzoek. Het gaat duidelijk de verkeerde kant op met dit land.

    En dus zal Mueller het met zijn team moeten opnemen tegen een vijandig gezind Witte Huis met een president die bereid lijkt het volledige democratische bestel kapot te maken om er zelf zonder kleerscheuren vanaf te komen. De speciale aanklager en zijn collega’s zullen partijdige inmenging van het Congres moeten afweren die erop is gericht het bewijs dat in de rechtszaal wordt gepresenteerd onschadelijk te maken. Mueller zelf wordt het doelwit van propagandisten die zich voordoen als journalisten.

    Het land moet intussen rekening houden met de reële mogelijkheid dat de president Mueller zal ontslaan nog voordat Manafort en Gates voor de rechter zullen komen.

    We hebben hier niet te maken met een herhaling van Watergate. Wat nu speelt is een veel ernstiger bedreiging van de republiek.

    Auteur: Andrew Cohen
    Vertaler: Nico Groen

    Andrew Cohen is redacteur bij The Marshall Project, medewerker van The Atlantic, fellow bij het Brennan Center for Justice en juridisch commentator voor de programma’s 60 Minutes en CBS Radio News.

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

  • De textielindustrie in Lesotho ligt aan het infuus

    De textielindustrie in Lesotho ligt aan het infuus

    Het kleine Lesotho exporteert jaarlijks voor 227 miljoen euro kleding naar de Verenigde Staten zonder invoerrechten te hoeven betalen. Maar zodra er een eind komt aan dit handelsakkoord, zal de sector instorten.

    Meestal verdwijnt het loon van Mamoleboheng Mopooane als sneeuw voor de zon. Het gaat op aan schoolgeld voor haar kinderen, aan boodschappen, aan huur en aan het steunen van werkloze familieleden. Mamoleboheng Mopooane is naaister in een fabriek die spijkerbroeken maakt voor een groot Amerikaans merk. Ze verdient maar negentig euro per maand. ‘Deze fabrieken hebben geen toekomst,’ zegt ze. En toch weet ze dat diezelfde fabrieken haar leven hebben veranderd. Ze kan nu haar kinderen onderhouden zonder steun van een man. Haar twee kinderen zullen de eerste in de familie zijn die de middelbare school afmaken.

    Voor Mamoleboheng Mopooane en zo’n 32.000 andere arbeiders in Lesotho – een bergachtig dwergstaatje in zuidelijk Afrika – keerde het fortuin toen er zestien jaar geleden een handelsovereenkomst werd getekend met een immense fabriek op dertienduizend kilometer van de plek waar ze haar dagen doorbrengt.

    De African Growth and Opportunities Act (AGOA), een overeenkomst ter bevordering van de economische groei in Afrika, werd in mei 2001 getekend door de toenmalige Amerikaanse president Bill Clinton. Sindsdien kunnen tientallen landen in Sub-Saharaans Afrika een reusachtige variëteit aan producten – olie, auto’s, textiel – naar de Verenigde Staten exporteren zonder invoerrechten te betalen.

    Een textielarbeidster aan het werk in een fabriek in Maseru, Lesotho. – © Pieter Bauermeister / Getty
    Een textielarbeidster aan het werk in een fabriek in Maseru, Lesotho. – © Pieter Bauermeister / Getty

    Lesotho is een van de landen die het meest profiteren van de AGOA. De Lesothaanse kledingsector – een van de belangrijkste van het continent – is de grootste private werkgever van het land geworden. De twintig fabrieken in de hoofdstad Maseru exporteren elk jaar voor 227 miljoen euro aan producten die zijn bestemd voor grote merken als Levi’s, Walmart en Old Navy. En in een land waar het van oudsher de mannen zijn die in het gezinsinkomen voorzien door in de Zuid-Afrikaanse mijnen te werken, bestaat 85 procent van de textielwerknemers nu uit vrouwen.

    Maar de situatie in Lesotho laat tegelijkertijd zien hoe kwetsbaar en precair de industriële vooruitgang is die door de AGOA in gang is gezet. Vijftien jaar na de ondertekening van het verdrag zijn de aandelen van de Lesothaanse kledingindustrie nog altijd volledig in buitenlandse handen – voornamelijk van Taiwanese investeerders – en is de bedrijfstak nog altijd sterk afhankelijk van zijn voorkeurspositie op de Amerikaanse markt.

    Overigens kan men niet oneindig op de AGOA blijven rekenen. De overeenkomst, die elk jaar wordt vernieuwd, zal in 2025 aflopen en vermoedelijk niet worden verlengd. Bovendien kunnen landen die niet aan de bestuursnormen en andere criteria (zoals mensen- en werknemersrechten) van de Verenigde Staten voldoen, van de overeenkomst worden uitgesloten. Dat is gebeurd met Swaziland en Madagaskar, die hun opkomende textielindustrie op deze manier te gronde hebben zien gaan. En door de mislukte staatsgreep in Lesotho in 2014 en de politieke repercussies die daaruit zijn voortgevloeid dreigt voor Lesotho volgend jaar hetzelfde lot.

    ‘Aan de ene kant hebben de Verenigde Staten veel moeite gedaan om de democratie in dit land te versterken, wat op hoge prijs wordt gesteld, maar aan de andere kant, als ze ons land uitsluiten van de AGOA, dreigen ze een relatie die van fundamenteel belang is tot nul te reduceren,’ zegt Joshua Setipa, minister van Handel van Lesotho, die net terug is uit Washington om daar te lobbyen bij Congresleden. Zijn redenering is simpel: in een land waar meer dan de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft en het officiële werkloosheidspercentage rond de 30 procent schommelt, is de politieke stabiliteit afhankelijk van de economische stabiliteit. En de economische stabiliteit berust op de AGOA.

    In 2004 was bijna de helft van de Lesothanen op de officiële arbeidsmarkt werkzaam in de kledingindustrie

    Ook elders op het Afrikaanse continent heeft de overeenkomst een gunstig effect. Sinds de ondertekening ervan is de export van Sub-Saharaanse niet-olielanden naar de Verenigde Staten tussen 2001 en 2014 gestegen van 1,3 naar 3,7 miljard euro. Een groot deel van deze groei kan worden toegeschreven aan Zuid-Afrika, dat met behulp van de AGOA een bloeiende auto-industrie heeft kunnen opbouwen die goed is voor 62.000 nieuwe banen. Vorig jaar heeft Zuid-Afrika op basis van de voorwaarden van het akkoord voor zo’n 1,5 miljard dollar aan goederen geëxporteerd. Hoewel Zuid-Afrika het land is waar de AGOA het meeste geld heeft opgeleverd, zijn het over het algemeen de minder ontwikkelde economieën die het meest van het akkoord hebben geprofiteerd.

    Vóór de ondertekening van het handelsakkoord stelde de export van Lesotho weinig voor, op goedkope arbeidskrachten na. Volgens de cijfers van de Wereldbank bedroeg het geld dat naar het buitenland werd gestuurd in 2013 nog altijd bijna een vijfde van het Lesothaanse bbp. Bovendien wordt ongeveer 90 procent van de consumptiegoederen uit Zuid-Afrika geïmporteerd. 


    Toch heeft de geografische ligging van Lesotho het land een ruime voorsprong gegeven bij de ontwikkeling van zijn textielindustrie. In de jaren tachtig van de vorige eeuw begonnen Taiwanese bedrijven met een vertegenwoordiging in Zuid-Afrika zich in Lesotho te vestigen om de sancties te ontlopen die werden opgelegd aan het apartheidsregime.

    Sinds 2000 kunnen alle textielproducten die in Lesotho worden geproduceerd zonder invoerrechten de Verenigde Staten binnenkomen, waardoor ze zo’n 15 procent goedkoper zijn dan de kleding uit Oost-Azië. Nieuwe Taiwanese ondernemingen waren er als de kippen bij en de industrie is tot grote bloei gekomen. In 2004 was bijna de helft van de Lesothanen op de officiële arbeidsmarkt werkzaam in de kledingindustrie.

    Maar volgens zakenman en diplomaat Nkopane Monyane is het fundament altijd wankel gebleven. ‘Lesotho heeft nooit industrie gehad, alleen maar industriëlen.’ Volgens hem zijn de Aziatische textielondernemingen nooit echt lokaal geworteld geraakt. Voor het leiden van de naaiateliers laten ze liever mensen uit Taiwan en China overkomen.

    Geen springplank

    Maar het grootste probleem is waarschijnlijk dat de meeste landen die van de AGOA hebben geprofiteerd – Lesotho niet uitgezonderd – van de overeenkomst geen springplank hebben weten te maken. Meer dan een decennium later bevinden Mamoleboheng Mopooane en haar collega’s zich nog altijd in dezelfde positie, helemaal onder aan de mondiale kledingproductieketen. En Lesotho hoeft de voordelen van de AGOA maar te verliezen of hun banen zullen naar een concurrerender land verdwijnen.

    Ondertussen wacht Joshua Setipa, de minister van Handel, nog altijd op het moment dat de Verenigde Staten hun beslissing bekendmaken. Volgens hem heeft het land de negen jaren die nog resten voor het aflopen van de AGOA hard nodig om zich voor te bereiden op het fatale verlies van zijn status van bevoorrechte handelspartner.

    Elke dag vraagt Mamoleboheng Mopooane zich af of de politieke leiders van haar land haar enige en unieke kans hebben verpest om haar familie voor armoede te behoeden. ‘Die politieke problemen hebben niets met ons te maken,’ zegt ze spijtig. ‘Eén ding is zeker: als we worden uitgesloten van de AGOA, ziet het er slecht voor ons uit.’

    Auteur: Ryan Lenora Brown
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verdergegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. Niet religieus, dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • 2. Man van de rede

    2. Man van de rede

    Geen enkele Amerikaanse president stak meer werk in zijn speeches dan Barack Obama. Zijn toespraken waren prachtig geschreven en zorgvuldig samengesteld en werden theatraal uitgesproken. Maar welke zal de geschiedenis ingaan als de allerbeste?

    Weinig politieke carrières en presidentschappen zijn zo sterk bepaald door toespraken als die van Barack Obama. Dankzij zijn redevoering voor de Democratische Conventie in 2004 kreeg hij bekendheid in het hele land. In 2008 redde hij met zijn speech over ras zijn haperende presidentscampagne. Obama’s grootste en belangrijkste momenten als president waren vaak toespraken – zijn onbeantwoorde oproep in Caïro aan de islamitische wereld, zijn redevoering in Oslo bij de aanvaarding van de Nobelprijs voor de Vrede, over de sombere noodzaak van oorlog, en zijn grafrede voor negen vermoorde kerkgangers in Charleston.

    De beste Obama-speeches zijn prachtig geschreven en zorgvuldig samengesteld en worden theatraal uitgesproken. Het zijn verhalen over onze angsten, fouten, tekortkomingen en successen. ‘Geen enkele andere president heeft zo veel werk in zijn toespraken gestoken,’ zegt historicus Douglas Brinkley, die is gespecialiseerd in het presidentschap. ‘Hij gebruikt pen en papier om zijn gedachten te ordenen.’

    In slechts 272 woorden herdefinieerde Abraham Lincoln in Gettysburg de idealen van het land. John F. Kennedy zal altijd herinnerd worden om zijn inaugurele rede: ‘Vraag niet wat het land voor u kan doen, vraag wat u voor het land kunt doen.’ Die uitdaging is des te indringender door het offer dat hij zelf bracht. Ronald Reagan leek de loop van de geschiedenis te veranderen toen hij bij de Brandenburger Tor in Berlijn rechtstreeks tot de leider van de Sovjet-Unie sprak: ‘Mr. Gorbatsjov, haal deze muur neer!’

    Dus als kinderen over tientallen jaren op school nog een toespraak van Obama lezen, welke zal dat dan zijn?

    ‘Hij schept een beeld van hoe het zou kunnen zijn, maar helaas is het een sprookje’

    Om op die vraag een antwoord te krijgen, heb ik Republikeinen, Democraten en enkele zeer loyale medewerkers van de president geïnterviewd. Ik ben op zoek gegaan naar diens eigen voorkeuren. Welke speech zou Obama zelf kiezen? Het is onmogelijk om in de toekomst te kijken, en onder degenen die ik heb gesproken was meer discussie dan overeenstemming.

    Bij de presidentiële staf in Obama’s West Wing wordt algemeen aangenomen dat zijn toespraak voor de Conventie in 2004 de speech is die zal voortleven. Op het moment dat Obama deze rede hield, dong hij naar een zetel in de Senaat, maar hij was nauwelijks bekend en had een naam – Barack Hussein Obama – die associaties opriep met de vijanden van het land. Hij gebruikte zijn eigen biografie als bewijs van de uitzonderlijke aard van Amerika: hij stamde af van een Keniaanse kok, een man uit Kansas die nog in het leger van Patton had gevochten en ouders die geloofden dat ‘in een tolerant Amerika je naam geen belemmering is voor succes’ en dat je ‘in een ruimhartig Amerika niet rijk hoeft te zijn om jezelf te ontplooien’. Belangrijker nog: Obama verwierp politieke polarisatie als een giftig bijproduct van een disfunctioneel Washington: ‘Er is niet een liberaal Amerika en een conservatief Amerika; er zijn de Verenigde Staten van Amerika. Er is niet een zwart Amerika, een blank Amerika, een latino Amerika en een Aziatisch Amerika; er zijn de Verenigde Staten van Amerika.’

    Die speech op de conventie, die Obama zelf, zonder speechschrijver, had geschreven, ging later in zijn Witte Huis fungeren als een soort oertekst. Telkens als de presidentiële speechschrijvers moeite hadden een toespraak op te stellen, raadde Obama’s adviseur en vriend David Axelrod ze aan om de rede van 2004 nog eens te lezen. ‘Obama’s liefdesbrief aan Amerika’, noemde Axelrod hem. Jon Favreau, de belangrijkste speechschrijver van de president in diens eerste termijn, had een van de beroemdste zinnen uit die speech aan de muur van zijn appartement in Los Angeles gehangen: ‘In geen enkel ander land op aarde zou mijn verhaal mogelijk zijn.’


    Toch heeft die toespraak ook zwakke kanten. De middelste delen zijn nogal gezwollen, vol Democratische clichés en een eerbetoon aan John Kerry, die toen de weinig inspirerende Democratische kandidaat voor het presidentschap was. En ook dan al is de tekst een tikje treurigmakend. ‘Hij schept een beeld van hoe het zou kunnen zijn, maar helaas is het een sprookje,’ zegt Jeff Shesol, die ten tijde van Bill Clinton als speechschrijver in het Witte Huis werkte. ‘Obama’s hele presidentschap is in tegenspraak met die redevoering.’ In zijn laatste State of the Union nam Obama zelfs enigszins afstand van de meest optimistische stukken in die ‘oerspeech’: ‘Een van de weinig dingen uit mijn presidentschap die ik betreur, is dat de verbittering en het wantrouwen tussen de partijen groter zijn geworden in plaats van kleiner.’

    Als er iets echt dramatisch aan de hand is, kan een toespraak extra lang blijven hangen. Obama’s toespraak over ras in 2008, die werd geschreven nadat er een video was opgedoken waarin zijn vroegere geestelijk raadsman Amerika vervloekte, vertegenwoordigt zo’n moment. Obama vocht voor zijn politieke leven en hield een persoonlijke toespraak zoals de meeste Amerikanen er nog nooit een hadden gehoord.

    Met zijn gemengde afkomst kon Obama zich vrijelijk tot zowel zwarte als blanke Amerikanen richten. Hij riep blanken op begrip te hebben voor pastor Jeremiah Wright, die als marinier had gediend en opgegroeid was in de tijd van de segregatie. En hij maande zwarten om te denken aan zijn blanke grootmoeder, die bang was voor zwarte mannen op straat en soms zulke racistische dingen zei dat hij ervan ineenkromp. ‘Deze mensen zijn deel van mij,’ zei Obama, ‘en ze zijn deel van Amerika, het land waarvan ik houd.’

    In de hectische laatste maanden van Obama’s presidentschap, getekend door woedende protesten, aanslagen op politiemensen en verhitte politieke retoriek, blijft de speech uit 2008 nog steeds overeind.

    Geestelijk leider

    Veel historici zoeken ‘de’ toespraak – die ene die voortleeft – onder de redes die Obama hield na de massa-schietpartijen en terroristische aanslagen die in de loop van zijn presidentschap met een dodelijke regelmaat plaatsvonden. ‘Obama legt zijn hele ziel en zaligheid in die toespraken,’ vertelt Brinkley.

    Elke president neemt op een bepaald moment de rol van geestelijk leider op zich. Reagan deed dat met een eenvoudige, maar ontroerende toespraak waarin hij schoolkinderen en volwassenen troostte na de ontploffing van de Space Shuttle Challenger. Bill Clinton sprak prachtig na de bomaanslag in Oklahoma City. Maar geen enkele president heeft deze rol zo gespeeld als Obama, die het telkens weer opnieuw deed – in Tuscon, in Newtown, in Dallas.

    Volgens Brinkley zouden toekomstige generaties uit een bloemlezing van Obama’s herdenkingsredes veel kunnen opmaken over het Amerika van nu. Een van de opvallendste daarvan is de redevoering die de president hield in Charleston, na de moord op negen parochieleden in de methodistische Emanuelkerk. Die is vooral bijzonder door de meeslepende manier waarop hij over Gods genade spreekt en door de verrassing van een president die een christelijk lied zingt.

    Obama maakte van de moorden in Charleston een door God geïnspireerd keerpunt. In de dagen na de moordpartij stemde een grote meerderheid van het parlement in South Carolina voor het verwijderen van de Confederale vlag van het parlementsgebouw. Het land, zo zei Obama, had op de wrede moorden gereageerd met ‘een grootmoedigheid, een bedachtzaamheid en zelfonderzoek die we in het openbare leven zelden zien’.

    Hij riep het land op om in die geest verder te gaan en de wapenwetten te hervormen, de armoede aan te pakken en het strafrecht te hervormen. Maar al die pogingen liepen op niets uit. De moorden in Charleston – hoe choquerend en tragisch ook – verdwenen al snel uit de herinnering, net als de moorden die daarvoor hadden plaatsgevonden en de moorden die nog zouden volgen.

    Net als Lincoln herschreef Obama de Amerikaanse geschiedenis, door rebellen, kunstenaars en immigranten in het hart van dat verhaal te plaatsen

    De beroemdste presidentiële toespraak – de norm waartegen alle andere Witte Huis-toespraken worden afgezet – is de Gettysburg Address. Op de gewijde grond waar zich een van de bloedigste veldslagen uit de Burgeroorlog had afgespeeld, probeerde Abraham Lincoln met die speech alle Amerikanen – Noorderlingen en Zuiderlingen – te verenigen onder één gemeenschappelijke visie. De toespraak gaat niet in op details, noemt geen namen van de doden en vertelt niet over het verloop van deze verwoestende slag. Het onderwerp slavernij wordt geheel buiten beschouwing gelaten. Lincoln gebruikt zijn speech om de Amerikaanse geschiedenis opnieuw vorm te geven, door gelijkheid te verheffen boven vrijheid als het belangrijkste ideaal van het land.

    Met de speech die hij vorig jaar hield ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het bloedig neerslaan van de protestmars in Selma, Alabama, haalde Obama eenzelfde kunststuk uit. Hij sprak op de gewijde grond van Selma en vergeleek de gebeurtenissen op de Edmund Pettus-brug met die in Gettysburg. Net als Lincoln herschreef Obama de Amerikaanse geschiedenis, door rebellen, demonstratieleiders, outcasts, kunstenaars en immigranten in het hart van dat verhaal te plaatsen. ‘Kijk naar onze geschiedenis,’ verzocht hij dringend. In zijn opsomming van Amerikaanse helden noemde hij de ‘Lost Boys of Sudan’, ‘de mensen die vol hoop de Rio Grande oversteken’, ‘de slaven die het Witte Huis hebben gebouwd’ en ‘de homoseksuele Amerikanen van wie het bloed is gevloeid op de straten van San Francisco en New York’. De stichters van Amerika en de ‘jonge soldaten’ van de Tweede Wereldoorlog werden slechts in het voorbijgaan genoemd. Voor het eerst waren ze naar de zijlijn verwezen.

    De speech in Selma, die vijf keer werd herschreven, was de meest ambitieuze en radicale toespraak van Obama’s presidentschap. Hij beschreef een Amerika dat voortdurend in verandering is en chronisch ontevreden, dat eeuwig blijft streven naar de idealen die de oprichters van de natie voor ogen stonden. ‘Wat is een grotere uiting van geloof in het Amerikaanse experiment dan dit?’ zei Obama in Selma. ‘Welke grotere vorm van vaderlandsliefde is er dan het geloof dat Amerika nog niet af is, dat we sterk genoeg zijn om kritisch tegenover onszelf te zijn, dat elke nieuwe generatie onze onvolmaaktheden onder ogen kan zien en besluiten dat we in staat zijn dit land nog verder te hervormen en zo nog dichter bij onze hoogste idealen te brengen?’

    Zelfs in deze weerbarstige tijden blijft de speech in Selma bewondering oogsten, zowel onder Republikeinen als onder Democraten. ‘Dit is het soort toespraak dat elk kind op school zou moeten lezen,’ zegt Michael Gerson, de belangrijkste speechschrijver van president George W. Bush en nu columnist bij The Washington Post. Volgens medewerkers is de speech in Selma ook Obama’s favoriete toespraak, omdat die het helderst zijn kijk op de buitengewoonheid van Amerika verwoordt.

    Genie

    Maar het ware genie van de Selma-speech is dat hij de Amerikaanse toekomst aanspreekt. Volgens cijfers van het Amerikaanse bureau voor de statistiek zal de blanke bevolking van de VS in 2044 niet langer een meerderheid vormen. Deze verschuiving heeft onrust gebracht onder blanken en waarschijnlijk een impuls gegeven aan de presidentscampagne van Donald Trump. Het is deels de oorzaak van het verzet tegen Obama’s presidentschap en de vraagtekens die worden geplaatst bij zijn staatsburgerschap, zijn vaderlandsliefde en zijn geloof.

    Maar op een dag zal deze demografische verschuiving gezien worden als een onvermijdelijk deel van het Amerikaanse verhaal. ‘Selma’ is de eerste, grootse, presidentiële speech die zich richt tot dat Amerika, en alleen onze eerste zwarte president had hem kunnen houden.

    Selma, dat is de toespraak die blijft.

    Auteur: Greg Jaffe

    Beeld bovenaan: Obama neemt zijn applaus in ontvangst tijdens zijn State of the Union in 2014.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.