Tag: cold case

  • Al 25 jaar zoekt de Duitse politie ‘de stille passagier’, moordenaar van de Langendonks

    Al 25 jaar zoekt de Duitse politie ‘de stille passagier’, moordenaar van de Langendonks

    In de zomer van 1997 gaan Truus en Harry Langendonk op vakantie naar Duitsland. De reis eindigt bij een bosrand bij Traunstein. Nog altijd zoekt de politie hun moordenaar, die op klaarlichte dag zoiets als de volmaakte misdaad lijkt te hebben gepleegd. 

    En hij dacht nog: Gek, wat doet een zakenman zo laat ’s nachts bij een bushalte? Tien over twee, zo laat rijden er toch allang geen bussen meer? Op dat tijdstip heeft een manager toch geen taxi nodig, de vluchten gaan pas veel later. Rond die tijd wordt hij toch alleen gebeld door dronkelappen of verliefden die elkaar ’s avonds vinden en de volgende morgen alweer vreemden voor elkaar zullen zijn. Maar een zakenman?

    Wolfgang Stahl ziet hem al van ver. Een man in een donker pak, licht overhemd, das, halflang haar. Zeven minuten eerder had hij vanuit de telefooncel hier een taxi besteld bij de halte Löwenberger Strasse, aan de uiterste rand van Neurenberg. Stahl stopt, opent de portier aan de bijrijderskant, maar de man sluit die meteen weer en stapt achter in. Stahl draait zich om, goedenavond, waar gaan we heen? ‘En toen dacht ik, man, wat ziet die eruit! Hij had smerige handen en zijn haar was nat van het zweet.’

    De man zegt dat hij naar het Hauptbahnhof wil. Dan zegt hij niets meer en zit onbeweeglijk op de achterbank, een stille passagier. Pas na twee, drie kilometer vraagt hij of hij met Franse francs kan betalen. Geen probleem, zegt Wolfgang Stahl. Hij roept de centrale op en vraagt om de wisselkoers. Dan geen woord meer tot het station.

    Een paar dagen later zal Stahl in de krant lezen over twee lijken die in deze nacht werden verbrand, even buiten de stad. Truus en Harry Langendonk, een echtpaar uit Nederland. Hij leest over het geld dat ze bij zich hadden voor de vakantie: guldens, schillings, francs. En hij zal de politie bellen en zeggen: hoor es, er zat een man bij mij in de taxi die mij in francs wilde betalen. En dat nog nooit iemand hem in Franse francs wilde betalen. 

    De smerige handen, de haren nat van het zweet, misschien toch geen zakenman

    Wolfgang Stahl, grijze haren, een bruin shirt, rijdt nog eens de route van toen. Hij is allang met pensioen, heeft allang geen taxi meer, maar hij hoeft de bushalte maar te zien en meteen zit hij weer in die nacht in 1997. Alles staat hem meteen weer voor de geest. De smerige handen, de haren nat van het zweet, misschien toch geen zakenman. En zijn dialect, Oostenrijks.

    Het is allemaal bijna vijfentwintig jaar geleden. Vijfentwintig jaar, wat klinkt dat ontzettend lang geleden. En toch is het nog altijd alsof het gisteren was. Stahl rijdt nu naar het centraal station van Neurenberg. Een bouwplaats, wachtende auto’s. Toen was het hier veel minder druk, zegt Stahl, zeker ’s nachts. Dan blijft hij staan, wijst op een lantaarnpaal naast de ingang van het station. ‘Daar heb ik ‘m uit laten stappen.’

    100 francs

    Die nacht in juni 1997, tegen 2.30 uur. De stille passagier heeft betaald: 100 francs. Hij loopt door de hal, maar maakt na een paar meter rechtsomkeert en komt terug naar de taxi. Hij steekt zijn hoofd door het achterportier naar binnen, zegt dat hij geen Duits geld heeft en of Stahl nog eens 100 francs voor hem kan wisselen. Dat kan. Stahl geeft hem 30 mark. De man gooit het portier dicht en verdwijnt.

    Voor Wolfgang Stahl is de rit daarmee afgelopen. Maar de passagier loopt door het station, misschien kijkt hij of er nog treinen gaan, misschien denkt hij koortsachtig na, wie zal het zeggen. Zeker is alleen dat hij aan de andere kant van het station naar buiten loopt en een tweede taxi neemt. Zijn vlucht gaat verder.

    Bijna vijfentwintig jaar later is de politie nog steeds op zoek naar die man. Een man die bij een bosrand in de buurt van Traunstein twee vakantiegangers neerschiet: Truus en Harry Langendonk. Die ze bovendien nog de keel doorsnijdt, op klaarlichte dag, ze later in hun camper legt en daarmee rijdt, en blijft rijden, net zo lang tot de brandstof op is. Hoofdzaak is: wegwezen. Die de auto vlak voor Neurenberg parkeert, alles in brand steekt en dan een raadselachtige reis door de nacht begint en in de ochtendschemer weer precies daar aankomt waar hij deze bizarre misdaad beging. De politie zoekt een man die twee mensen ombrengt en daarbij zo onwaarschijnlijk veel geluk heeft dat hij bijna zoiets als de volmaakte misdaad begaat. 

    Stefan Stampfl is op dit moment de enige die de moordenaar van de Langendonks nog zoekt

    Maar het is beter om op de laatste dag van de Langendonks ergens anders te beginnen. Bij het middagmaal. Marquartstein, een dorp in de Chiemgau, nog geen drie uur met de auto ten zuiden van Neurenberg. Stefan Stampfl stopt voor een klein huis, stapt uit. Voor hem ligt het dal, met de kerktoren, verderweg glinstert de Chiemsee. Een omgeving die door een siersmid vormgegeven lijkt. Stampfl loopt om het huis heen, kijkt de tuin in, waar het klimop over de muur heen groeit, gaat een paar stappen terug, kijkt langs de gevel omhoog, waar de stuc afbrokkelt, het hout verweerd is. Op het balkonhek is de naam nog herkenbaar: ‘Wirtshaus Zum Schlossberg’, de letters zijn al lange tijd niet meer bijgewerkt. Aan alles in deze geschiedenis knaagt de tand des tijds.

    Stefan Stampfl, negenenveertig, is hoofdcommissaris bij de recherche in Traunstein. Een man die in alles een opgeruimde indruk maakt: in zijn kleding, zijn zinnen, zijn stemming. Hij heeft een glad gezicht, krachtige armen, en is 1 meter 95 lang. Harry Langendonk was bijna even lang.

    Stampf onderzoekt vanaf het begin de zaak. In 1997 was hij een van de dienstdoende agenten die het bos op de plek van de misdaad onderzochten. In 2003 zat hij in de speciale commissie (Soko) die nog eens met alle getuigen heeft gesproken, de taxichauffeurs, de omwonenden die de schoten en de schreeuwen gehoord hebben. In 2015 heeft hij de opsporing overgenomen. En nu? Stefan Stampfl is op dit moment de enige die de moordenaar van de Langendonks nog zoekt.

    Bovendien koopt Harry een bierglas met opdruk van het Wirtshaus. Voor thuis.

    Het overwoekerde café in Marquartstein dus. Hier hebben de twee gegeten voordat ze later met hun camper naar de bosrand zijn gereden. De plek van de misdaad. 7 juni 1997, 12.30 uur. Hoewel het buiten mooi weer is, gaan Truus en Harry Langendonk binnen aan een tafeltje zitten. Hij bestelt braadworsten en gebakken aardappeltjes. Hij drinkt er een appelsap bij. Zij eet niets, drinkt alleen een beetje zwarte thee. Ze zijn intussen negen dagen onderweg. Ze vertellen de serveerster over hun reis, zeggen dat ze Reit im Winkl graag willen bezoeken. Bovendien koopt Harry een bierglas met opdruk van het Wirtshaus. Voor thuis.

    Slechts uren later, na de moord, zal de stille passagier met een tweede taxi uit Neurenberg terugrijden. Hij zal de chauffeur lange tijd niet precies zeggen waar hij heen wil, zal zijn bestemming steeds weer veranderen, hij zal ook Marquartstein een keer noemen. Uitgerekend. Hebben de Langendonks hun moordenaar hier al ontmoet, bij het middagmaal?

    Camper

    Truus en Harry Langendonk leidden wat je een normaal, misschien wel gelukkig, leven noemt. Hun bedrijf, een remservice, hadden ze jaren geleden al verkocht. Tijdens hun pensioen wilde ze vooral reizen. Ze hadden een nieuwe camper aangeschaft, een Mercedes, type Westfalia. Het kenteken wordt later in de kranten afgedrukt, ingevoegd onder ‘Registratienummer XY… onopgelost’: VB-13-JK.

    De Langendonks woonden in Delden, twintig minuten van de Duitse grens. Truus, eenenzestig, las graag en verliet het huis nooit zonder gestifte lippen. Harry, drieënzestig, verstopte elk jaar kakelend een paar paaseieren voor zijn kleinkinderen. Ze speelden beiden piano en in hun huis stond een klok die hij als jongeman zelf had gebouwd. Met kerst. Er is een foto van hen waarop hij staat in een leren jasje, een kettinkje aan de pols, zij in een zomerjackje met kortgeknipte haren, ze proosten met elkaar en glimlachen.

    Hun vakantiegeld nemen ze contant mee: guldens, francs, marken en schillings. Ze betalen liever niet met creditcard

    In een Nederlandse reisblad lezen de Langendonks over de Duitse Alpenstrasse. Adembenemend, staat er boven het artikel. Ze besluiten de route te rijden met de camper. Hun vakantiegeld nemen ze contant mee: guldens, francs, marken en schillings. Ze betalen liever niet met creditcard. 

    Op 29 mei 1997 vertrekken ze vanuit Delden, langs de Rijn, naar de Alpen. Na een paar dagen sturen ze hun dochters een ansichtkaart uit Sigmaringen. Ze bezoeken slot Neuschwanstein en slot Linderhof, ze rijden naar Oberammergau en naar Wieskirche en maken daar overal foto’s die de politie later zal ontwikkelen. Uit Garmisch sturen ze een brief, ze schrijven dat ze in Mittenwald waren. Ze hadden een oude viool bij zich, die ze daar wilden laten taxeren. De politie zal resten daarvan terugvinden in de uitgebrande camper: snaren en werveltjes.

    Stefan Stampfl, de rechercheur, stapt weer in zijn auto, laat het overwoekerde Wirtshaus achter zich en rijdt richting Traunstein. Rechts rijzen de bergen op als stomme getuigen, links strekken de velden zich uit. De politie heeft gereconstrueerd hoe de Langendonks op de plek van de misdaad zijn gekomen. Deze weg kunnen ze genomen hebben. Bij een oud gebouw van de post in Siegsdorf, kort voor Traunstein, stopt Stampfl nog eens. Een saai gebouw, duifgrijs gestuct. In de jaren negentig stonden overal in het land nog telefooncellen, ook hier. Tegen de muur zijn de omtrekken ervan nog zichtbaar.

    Op 7 juni 1997, ergens tussen 13.30 en 14.30 uur, bellen de Langendonks een laatste keer naar huis. Ze spreken met hun schoonzoon, zeggen dat ze bij de Chiemsee zijn, en daar nog wat zullen blijven. Bij de benzinepomp aan de overkant staat een vrouw aan de kassa. Ze ziet hoe Truus Langendonk eerst alleen telefoneert, dan komt haar man erbij, ze wurmen zich met z’n tweeën in de telefooncel. Tot slot zeggen ze dat de munten op zijn. Ze bellen altijd tot de munten op zijn.

    Vanaf het tankstation is het niet ver meer, een paar kilometer die het leven scheiden van de dood

    Ongeveer een kwartier zijn de Langendonks hier geweest, ze tanken en kopen twee ijsjes bij de cassière. De politie zal haar later vragen of er nog iemand anders bij was. Zat er misschien nog iemand in de camper, stond er iemand in de buurt en stapte die ook in?

    Van het tankstation is het niet ver meer, een paar kilometer die het leven scheiden van de dood. Stefan Stampfl rijdt nog eens door Traunstein heen, de B304 op, steeds verder, dan scherp naar links een smalle veldweg in die langs de bosrand omhoog voert, sparren, struiken. Dan blijft hij staan. Bij het Litzlwalchener Hölzl. De plek van de misdaad.

    Litzlwalchen, dat zijn een paar huizen en boerderijen, verder alleen velden en bos. Een dorpje zo nietig en verloren dat het lijkt of het uit de broekzak van een reus is gevallen. Het is mogelijk dat de Langendonks juist daarom hierheen zijn gereden. Omdat het een rustig plekje is.

    Modelvliegers

    7 juni 1997 is een zaterdag. De zon schijnt uitbundig, 23 graden. In Litzlwalchen zijn verschillende modelvliegers bezig. Een echtpaar brengt de hele middag door bij de vliegplaats, recht tegenover de bosrand. In het dorp is een jonge moeder in de tuin bezig, haar man bouwt een vliegengordijn voor de terrasdeur. Een paar huizen verder kijkt een oudere dame tv.

    Tussen 15 en 16 uur. Truus en Harry Langendonk parkeren hun camper langs de bosrand. Verscheidene getuigen zien de auto daar. Ze beschrijven ook dat er een tafeltje en stoelen bij het voertuig staan. Misschien drinken de Langendonks koffie, misschien doen ze een dutje, niemand die het weet.

    Waarschijnlijk is dat ze hier uitrusten. Zeker is dat ze hier sterven.

    Waar de dader ook vandaan komt, wat hij hier ook wil, omstreeks 18 uur schiet hij

    Op enig moment zien de modelvliegers personen bij de camper, maar ze kunnen de politie later niet zeggen hoeveel het er zijn. De hut van de vliegers staat ongeveer 400 meter bij de Langendonks vandaan, hoe moeten ze weten of het er drie zijn, of vier? En waar komt de dader vandaan? Uit het bos, over de veldweg, uit het dorp?

    Waarschijnlijk is er sprake van strijd. Omwonenden melden bij hun verhoor een blaffende stem, zoals bij commando’s. Zeker is dat de dader zijn moorden pleegt aan de kant van het bos, onzichtbaar achter de camper. Waar de dader ook vandaan komt, wat hij hier ook wil, omstreeks 18 uur schiet hij. De modelvliegers horen het, de jonge moeder in de tuin hoort het en verderop in Biebing horen ze de schoten ook. Nu eens worden er twee genoemd, dan weer vier of zes.

    Waarschijnlijk verzet Harry Langendonk zich. Hij heeft op reis een tafelpoot bij zich, die niet bij de camper hoort, om zich te verdedigen, je weet maar nooit. Misschien grijpt hij er naar, hij ligt later buiten de auto, in de struiken. Zeker is dat de dader Harry dood schiet, door het hoofd. Meerdere getuigen horen een vrouw schreeuwen, krijsen, de modelvliegers horen haar, de jonge moeder hoort haar. Truus Langendonk is in paniek, ze krijgt een kogel in de borst.

    Het is waarschijnlijk dat het pistool van de dader een keer blokkeert, dat hij een keer doorlaadt, de extractor wipt een onafgevuurd projectiel uit de loop, dat blijft in het gras liggen, alles verloopt heel snel; het kan zijn dat de vrouw nog om hulp schreeuwt, het is mogelijk dat de dader daarom meer haast maakt met zijn waanzin. Zeker is dat hij Truus Langendonk doodt door haar keel door te snijden, dat doet hij ook bij haar man, de duivel mag weten waarom, Harry Langendonk is toch al dood. De duivel mag weten wat hem die dag bezielt.

    Aflevering 719

    Boven in het dorp zit de oudere dame in haar huis en kijkt tv. Ze hoort de schoten, ze hoort het schreeuwen. Ze blijft tv kijken. Op ORF 2 is het dierenprogramma Wie wil mij hebben? bezig. Aflevering 719. De politie leidt daar later het tijdstip van de misdaad uit af. Buiten schijnt de zon, binnen vraagt de presentatrice Edith Klinger om een nieuw thuis voor haar in de steek gelaten honden en katten. En beneden aan de bosrand sterven twee mensen.

    Men zegt altijd – een oude criminologische wijsheid – dat de plaats delict veel zou zeggen over de dader. Hier vertelt die zo goed als niks over hem. Wellicht omdat niet de dader, maar de slachtoffers de plek hebben uitgezocht. Stefan Stampfl zegt: ‘Het is nauwelijks voorstelbaar dat de Langendonks hierheen geloodst werden.’ Ze overnachtten alleen op campings, bij kerken of politiebureau’s. Waarom zouden ze een vreemde volgen naar het bos?

    Getuigen dachten dat er een jager had geschoten – en dat de schreeuwen van een ree waren

    Toch heeft Stampfl zich steeds opnieuw afgevraagd of ze hun moordenaar al eerder op de dag ontmoet kunnen hebben. De stille passagier. Merkt hij die twee op, met hun nieuwe camper, en blijft hij ze volgen? Biedt hij zich aan als kenner van de streek, als reisgids? Maar niets wijst daarop. De serveerster ziet de Langendonks bij het middagmaal alleen met z’n tweeën. De caissière ziet niemand anders bij de benzinepomp. ‘Daarom gaan we ervan uit dat die persoon de Hollanders inderdaad op de plaats delict is tegengekomen.’ 

    FCA8A096 DE7C 4E6E B58C CAFED87D2370
    © Friedrich Bungert/ Süddeutsche Zeitung

    Stampfl zet een paar stappen in de struiken. Het mos klimt omhoog langs de sparren, meer vooraan groeien jonge scheuten. Het bos verandert, maar de vragen blijven. Waarheen trekt de dader zich terug? Posteert hij zich ergens, kijkt hij of er iemand komt: politieauto’s of wandelaars?

    Het paar dat indertijd bij de vliegplaats zat, ziet na de schoten nog iemand bij de camper. ‘Beweging,’ zegt Stampfl, ‘daarom hebben ze er verder niet bij nagedacht.’ Tegen de rechercheurs zeggen ze later dat ze dachten dat er een jager had geschoten – en dat de schreeuwen van een ree waren.

    Mensen bellen de politie als iemand verkeerd parkeert. Mensen bellen de politie als iemand te luidruchtig barbecue’t. Mensen horen schoten, horen geschreeuw, maar de politie wordt niet gebeld. Dat is voor het onderzoek tot op heden de grootste ramp. Voor de dader is het slechts één van de vele momenten waarop hij geluk heeft gehad. Onwaarschijnlijk veel geluk.

    Die stilte

    Die stilte, zegt Tabea Block, die stilte zal ze niet vergeten. Het was een heel rustige dag, zelfs de B304, waar anders altijd auto’s langs razen, was niet te horen. Dan verscheurt een schot de lucht. ‘Een bruut gekrijs, een vrouw.’ Weer schoten, meerdere achter elkaar. Dan niets meer. ‘Ik dacht nog: wat gek.’ Als het jongelui waren die iets idioots uithaalden, dan zou het daarna toch niet stil zijn. Dan zou het pas echt beginnen. 

    Tabea Block was zesentwintig jaar, haar kinderen waren nog klein en ze was hier in de tuin bezig. Een kordate vrouw, vriendelijk, maar met een uitdagend lachje. Zij ging toen naar haar man, die in de kelder een vliegengordijn had gemaakt. Hé, had ze tegen hem gezegd, dat was raar, daarnet, dat schot, en dat geschreeuw. Hm, zei hij, ik weet het ook niet.

    Wat je niet ziet, bestaat toch niet? Of wel?

    Ze loopt nu de weg af, tot aan de velden. Dan wijst ze naar het bos. Ziet u? ‘Onmogelijk,’ zegt Block. De bomen, de hoek, de plaats delict is van hier af niet te zien. ‘Als ik iets had gezien, dan had ik de politie gebeld. Maar ik heb niets gezien. ’s Avonds dacht ze er al niet meer aan. Wat je niet ziet, bestaat toch niet? Of wel?

    Tabea Block weet nog hoe de rechercheurs voor haar deur stonden. Hoe koud ze het kreeg. IJskoud.  

    Het onderzoek werd indertijd geleid door Werner Weiss. Ruim een week na de misdaad werd hij naar Litzlwalchen geroepen; tot dat moment dacht men nog dat Truus en Harry Langendonk vermoord werden op de plek waar ze ook verbrand werden. ‘Brutale roofmoord bij Neurenberg’ stond er in de Süddeutsche Zeitung. In de Abendzeitung: ‘Nieuw spoor in de dubbelmoord van Neurenberg’. De stille passagier had het voor elkaar gekregen om de plaats delict te verhullen.

    Maar dan voert het onderzoek naar Litzlwalchen. Weiss had dienst; met een collega zocht hij de bosrand af, de veldweg, de weide. Ze vonden patroonhulzen. De bril van Truus. Vertrapt gras. Ze alarmeerden het bureau, de sporen moesten veiliggesteld worden; ze vormden een Soko, bijna zeventig man, het hele protocol.

    Werner Weiss, vierenzestig, ziet er een beetje uit zoals je je een gepensioneerde commissaris voorstelt. In jeans met overhemd, een snorbaard en een donker getinte bril. Ook hij gaat nog eens langs de plaats delict, waar eerder Stefan Stampfl liep. Weiss was hier al jaren niet meer geweest, hij draait een sigaret, rookt en kijkt rond. ‘Elke keer een heel gek gevoel.’ 

    Regen

    Alles op de plaats delict leek indertijd de politie tegen te werken. Niet alleen dat het dagen duurde voordat hij ontdekt werd. Het regende ook, steeds weer. Weiss zegt: ‘Het goot zonder ophouden.’ De hulzen en het uitgeworpen projectiel verraden tenminste nog met welk pistool de Langendonks werden doodgeschoten: een Tokarew, TT-33, kaliber 7.62. Een ordonnanswapen van het Sovjetleger. In Duitsland nogal zeldzaam, in Oost-Europa wijd verbreid. Wat zegt dat over degene die het gebruikt? Ze dachten toen alle kanten op. Eén mogelijkheid: ‘Dit wapen, en vervolgens de keel doorsnijden met een mes – heeft die dader misschien ervaring uit een burgeroorlog?’

    Iemand doodschieten van een of twee meter afstand, dat is één ding. Iets heel anders is het om op hem af te gaan, hem misschien zelfs beet te pakken, zijn lichaamswarmte te voelen, al is het maar een seconde, zijn paniek, razende beelden, hem dan een lemmet tegen de hals te drukken, zo strak als het kan, en dan te trekken. Wie zoiets doet – daarvan gaan de onderzoekers uit – pleegt niet zijn eerste misdaad.

    Maar van één ding zijn ze overtuigd: dat de dader bekend is met de omgeving. Dat hij hier gewoond of gewerkt heeft. Op z’n minst hier op bezoek is geweest. ‘Hij doet alles om het hier bezemschoon te maken,’ zegt Werner Weiss. Hij neemt zelfs het risico om urenlang met twee lijken door de streek te rijden – en komt dan weer terug. ‘Als die niet van hier zou zijn, wat moet die hier dan?’

    7 juni 1997, tot 20.00 uur. De dader gunt zich na de schoten lang de tijd, twee uur. Lang genoeg om tot bezinning te komen, na te denken. Ergens in deze tijdspanne besluit hij op te ruimen. Hij legt de lijken in de camper, klapt het tafeltje en de stoelen in, werpt de tafelpoot in de struiken. Wat hij vindt, laat hij verdwijnen.

    Onopgemerkt rijdt hij de vallende nacht in. Achterin de camper liggen twee lijken

    Tussen 20.00 en 20.15 uur zien meerdere getuigen de camper manoeuvreren en wegrijden van de bosrand. Het is waarschijnlijk dat de dader daarbij het opstapje over het hoofd ziet. Dat hij er ’s morgens nog eens heen gaat, kijkt of hij iets vergeten is, en het ding diep het bos in draagt, enkele honderden meters. Zeker is dat de politie het daar later vindt. Het is overreden, het blik is verbogen, het ligt onder een vermolmde boomstronk.

    De dader rijdt van de veldweg de B304 op. Stefan Stampfl, die hem tot op heden zoekt, kan slechts vermoeden dat zijn route hem dan naar de snelweg voert. Onopgemerkt rijdt hij de vallende nacht in. Achterin de camper liggen twee lijken.

    Aan een van de sparren aan de bosrand hangt een krans, rozen en klimop van plastic en ijzerdraad. De kleur is uit de bloemen verdwenen, maar ze hangen daar nog, al meer dan twintig jaar. Van de familie.

    8 juni 1997, vanaf 0.30 uur. De camper parkeert op een bosweg naast de kruising van de snelweg Neurenberg-Oost, een paar kilometer van de stad. De stille passagier is zo ver gereden als maar mogelijk was. In de tank zit nog maar drie liter diesel, het waarschuwingslichtje brandde al een hele tijd. Op de weg ligt een hoop aarde, de dader hobbelt daar wellicht tegenaan, wil misschien nog uitwijken. Hij trekt de sleutel uit het contactslot en laat hem in de camper liggen.

    Gasfles

    0.55 uur. De camper staat in lichterlaaie. De passagier benut een gasfles die hij in het voertuig aantreft, wikkelt een lapje om het ventiel en steekt alles aan. Een verwoestende hitte, de bekleding valt van het dak, van de stoelen blijven alleen staketsels over. Het vuur vernietigt alle DNA-sporen die de dader in de auto achterlaat. De lijken van Truus en Harry verbranden.

    Wanneer twee vrouwen de brand melden, is de stille passagier al onderweg in de stad. Hij vlucht bijna drie kilometer te voet; bezweet zal hij in de Löwenbergerstrasse aankomen. Het is waarschijnlijk dat de brandweer en de politie hem tegenkomen. Blauw zwaailicht, sirenes. Dat hij gestresst raakt, tussen de struiken springt, oversteekt naar de andere kant van de weg en zich verbergt achter schuttingen. Zeker is dat de politie langs de weg steeds weer voorwerpen uit de camper vindt. Dingen die de passagier eerst meeneemt, waarom dan ook – en dan weg gooit.

    De paspoorten van de slachtoffers liggen in het gras, een brillehoes, een notitieboekje. Achter een houten schutting ligt hun portemonnee vol marken en guldens. De dader kan die verloren hebben, waarom zou hij die weg gooien? Het ging hem waarschijnlijk toch om het geld? 

    Staat hij misschien op een van die foto’s?

    Ergens werpt hij het fototoestel van de Langendonks weg. Hij neemt zelfs de tijd om er twee fotorolletjes uit te trekken. Waarom? Staat hij misschien op een van die foto’s? De recherche zal nog een paar foto’s kunnen ontwikkelen: slot Neuschwannstein, Harry aan het meer, Truus in de bergen. Het belichten heeft de beelden onduidelijk gemaakt, alsof iemand er een sluier voor gehangen heeft. De dader tonen ze niet.

    Eerst maakt hij de plaats delict schoon, dan vernietigt hij de meeste van zijn sporen en blijft tot op heden onontdekt. Maar, zegt Stefan Stampfl, ‘ergens heeft hij een fout gemaakt. Misschien hebben we die alleen nog niet gevonden.’

    In Litzlwalchen volgt Stampfl nu een grindweg die het bos in loopt. Het grind knerpt, zonlicht filtert door de bomen, buiten zeilt een modelvliegtuigje boven het veld. Het ziet er bijna belachelijk onschuldig uit. Misschien was dat juist het probleem.

    Honderdveertig ordners

    Stampfl heeft het gebeurde al zo vaak doordacht, en het dossier (honderdveertig ordners) zo vaak doorgelezen. Hij kan het gedrag van de dader niet verklaren. Er zijn momenten waarop hij volledig doelgericht handelt. De afweging of hij het risico zal nemen om met twee lijken in de auto gecontroleerd te worden. ‘En dat heeft hij overwogen, want hij heeft twee uur de tijd gehad.’ Maar er zijn ook momenten waarop hij volkomen chaotisch handelt. Waarom neemt hij spullen mee die voor hem geen waarde hebben, de paspoorten, de brillenhoes, en gooit ze dan toch weg? Geen enkele aanwijzing geeft daar een antwoord op.

    Natuurlijk ook niet op de eigenlijke vraag: waarom dit alles? Stefan Stampfl zegt: ‘Ik denk dat het een toevalstreffer was. Hij ziet de camper, denkt: daar kan ik snel een paar honderd mark jatten. Hij gaat er naartoe, speelt mooi weer, kletst een beetje, peilt de situatie. Dan eist hij geld, en escaleert het.’

    Toeval. Maar waarom dan het wapen? ‘Op die dag had hij het bij zich, waarom dan ook.’ Als hij alleen was. De politie acht het nog steeds mogelijk dat er meerdere daders waren. Dat de stille passagier alleen de schoonmaker was die alles wegwerkte, terwijl de moordenaar onderdook.

    Meer dan driehonders personen hebben Stampfl en zijn collega’s al als mogelijke daders onderzocht. Steeds opnieuw hebben ze geprobeerd uit te vinden waarom de man zo’n haast had om terug te komen. Wie zou zijn ontbreken de volgende ochtend zijn opgevallen?

    Ruim tweeduizend aanwijzingen, en geen enkele voerde tot dusver naar de dader

    Ze hebben alle huizen in de buurt nagetrokken: moest hij naar zijn gezin, had hij hier een auto staan? Ze zijn alle boerderijen langs gegaan: moest hij naar de stal? Ze hebben de wegwerkers ondervraagd die in die periode aan de B304 werkten, moest hij naar zijn werk? Ze hebben de kazerne in Traunstein gecheckt en de bosbezitters, een bruiloft en alle feestjes die dat weekend gevierd werden, de krantencolporteurs en de matrassenverkopers die toen van deur tot deur gingen.

    Maar overal: niets.

    Ook doen ze onderzoek in Oostenrijk, naar een man uit de buurt van Graz. Stampfl rechercheert langzaam naar hem toe: was hij in 1997 een keer in Traunstein? Stampfl trekt het net rond hem steeds verder dicht: waar heeft hij gewoond? Nog dichter: in welke auto’s reed hij? Stampfl doet weken, maanden onderzoek. Dan is het een zaak van minuten, seconden uiteindelijk. Komt er een fax van de rederij: de man zat op een schip in Noorwegen toen de Langendonks werden vermoord.

    Ruim tweeduizend aanwijzingen, en geen enkele voerde tot dusver naar de dader. Toch weet de politie hoe hij er ongeveer uit zag. De taxichauffeurs konden hem heel goed beschrijven: de stille passagier was tussen dertig en vijfendertig jaar oud, ongeveer 1 meter 80 tot 1.85 lang en sprak Oostenrijks, misschien ook Beiers. Haar: blond, sluik, halflang. Hij leek een beetje op prins IJzerhart, een beetje de jonge Rod Stewart. In elk geval geen alledaags gezicht. Hoe kan hij zich zo lang verborgen houden?

    Frank Behring zit in het kleine park bij de zuidelijke uitgang van het Hauptbahnhof van Neurenberg. Eigenlijk heet hij anders, maar omdat zijn echte naam een beetje ongewoon is, zou de dader hem probleemloos via Google kunnen vinden. Dus moet hij hier Frank Behring heten. In de jaren negentig reed hij in de weekenden vaak een taxi, ook in die nacht in juni 1997. Hij was het die de stille passagier terug gereden heeft naar de Chiemgau. Niemand in dit verhaal heeft zoveel tijd met hem doorgebracht als Behring.

    Daar, zegt hij nu, en wijst op de postbusgrijze uitgang, daar kwam de man het station uit.

    8 juni 1997, om 2.30 uur. De stille passagier stapt in Frank Behrings taxi, gaat opnieuw achterin zitten. Ook Behring vallen meteen zijn natte haren op, het colbertjasje draagt de man intussen over de arm. Of Behring ook langere ritten doet? Zeker. Of hij met een creditkaart kan betalen? Nee. Behring heeft geen uitleesapparaat bij zich. Contant dus.

    Het grootste deel wil de passagier deze keer niet in francs betalen maar in schillings. Bovendien heeft hij nog 30 mark. Zoveel als Wolfgang Stahl, de eerste taxichauffeur, hem een paar minuten geleden heeft gewisseld.

    Notitieboekje

    Frank Behring is een pietje precies, bijna pijnlijk precies. Hij heeft zijn notitieboekje meegebracht, hij heeft alles opgeschreven, flarden herinnering, brokstukken van zinnen, alles wat hem achteraf nog te binnen geschoten is. De recherche roept hem steeds opnieuw op, confronteert hem met verdachten, hij wordt een keer onder hypnose verhoord. Ze proberen Behring uit te wringen als een spons. Als iemand hun iets over de stille passagier kon vertellen, was hij het.

    ‘Erg spraakzaam was hij niet,’ zegt Frank Behring nu op het parkbankje. ’Wat opviel aan die figuur was dat die kleren niet bij hem pasten.’ Het kan zijn dat de dader zich heeft omgekleed, misschien had hij dat pak uit de bagage van Harry Langendonk genomen. Het kan zelfs zijn dat hij een pruik op had.

    Na 2.30 uur. Behring probeert op de een of andere manier met de stille passagier in gesprek te komen. De man zegt dat hij zijn vriendin graag wil treffen. Dat hij haar is misgelopen. Maar hij weet blijkbaar helemaal niet precies waar hij heen wil. In Neurenberg heeft hij het over München. Ongeveer 30 kilometer later, ter hoogte van Hilpoltstein, vraagt hij naar het centraal station van München. Vijf minuten later wil hij naar het Noordooststation, waar dat ook is, en daarna naar de luchthaven, tot hij overschakelt naar Traunstein, naar Marquartstein. Weet hij dat zijn slachtoffers daar gegeten hebben?

    Dan een telefoontje: het DNA van een man, iemand die ze nog niet kenden

    Het lijkt haast alsof de stille passagier met de routewijzigingen in deze nacht ook steeds een paar raadsels wil opgeven, kruimels die zijn vervolgers oprapen, maar ze kunnen hem niet vinden.

    Tot op heden geven de mensen tips, elke drie, vier weken. Stefan Stampfl trekt ze allemaal na. Jaar na jaar gaat voorbij en steeds weer zijn er van die momenten waarop hij heel even euforisch wordt. In 2015 vinden ze een gespecialiseerd laboratorium in Innsbruck, waar ze de portemonnee van de Langendonks nog eens laten onderzoeken. Ze laten elke naad lostornen, elke schilfer komt onder de microscoop. Dan een telefoontje: het DNA van een man, iemand die ze nog niet kenden. ‘Toen was ons duidelijk dat de dader er met zijn vingers ingezeten had en de biljetten had gezien.’ Dan de volgende domper. Stampfl zegt: ‘een gerechtigde sporenlater.’ Iemand van de familie had de portemonnee in handen gehad.

    De dochters

    Het beeld schokt een beetje als de drie vrouwen inloggen, camera’s worden in- en uitgeschakeld, nog eens inloggen, dan verschijnen ze op het beelscherm, elk in eigen huis, met kamerplanten, keukenkastjes, hartverwarmend normaal: Monique, Ellen en Karin Langendonk. De dochters van Truus en Harry.

    Karin en Ellen zijn een tweeling, beide negenenvijftig. De ene met kortgeknipt haar, de ander met een indianenkapsel. Monique is de oudste, tweeënzestig, met een diepe stem. Vrouwen met twee levens – een voor, en een na de moord op hun ouders. Ze waren indertijd juist begin dertig – en opeens waren ze wees.

    Wat je niet ziet, dat bestaat toch niet? 

    Ze beginnen meteen te vertellen over die krankzinnige eerste maanden, die onwerkelijke tijd. Karin zegt: ‘Ik had het gevoel alsof ik in Tatort meespeelde.’ In het nieuws werden familiefoto’s getoond, cameraploegen belegerden het huis in Delden. Toen de mensen van de boulevardpers allang weer weg waren, brachten politie-genten de sieraden die hun ouders gedragen hadden.

    De drie zussen waren altijd heel close, en toch waren ze plotseling erg alleen. Ellen zegt: ‘We hebben het elk voor onszelf verwerkt.’ Een beetje zoals nu op het beeldscherm: drie gezichten, elk in haar eigen venster. Monique, de oudste, keek jarenlang naar geparkeerde auto’s. Ging door de stad en prentte zich kentekens in, zomaar. ‘Zodat ik de politie kan helpen als er iets gebeurt.’

    Karin droomde steeds weer van haar ouders, juist in de eerste maanden. Hoe konden ze dood zijn? Toen ze weg reden, leefden ze toch nog? Het punt is dat de dader hun niet alleen hun moeder en vader heeft afgenomen, maar ook het afscheid. De dochters hebben het stoffelijk overschot van hun ouders nooit gezien, ze hebben afscheid genomen van twee houten kisten. De politie heeft hun ontraden om de kisten te openen.

    Wat je niet ziet, dat bestaat toch niet? Monique Langendonk zegt: ‘Wij zullen nooit weten of ze daarin lagen. Maar het moet wel zo zijn. Ze hebben zich sindsdien nooit meer aan ons vertoond.’

    Als een pop

    8 juni 1997, voor 3.36 uur. Het blijft een vreemde rit. Het valt Frank Behring op dat de man volkomen rustig op de achterbank zit, als een pop. Later herinnert hij zich dat de passagier iets vertelde over een symfonieorkest, over klassieke muziek. De Langendonks hadden toch een viool bij zich, de wervels in de verkoolde resten, ze wilden het instrument toch laten taxeren. De rechercheurs halen half Mittenwald overhoop, spreken met de vioolbouwers, de knechten, maar niets, overal niets.

    8 juni 1997, 3.36 uur. Frank Behring slaat af bij de Raststätte Holledau. De man wilde naar Marquartstein, maar Behring weet in de Chiemgau de weg niet. Hij koopt een kaart bij het tankstation, de stille passagier blijft zitten. Op de Raststätte zijn overal camera’s, ze registreren de taxi, laten zien dat er op de achterbank iemand zit, maar de taxi blijft precies zo staan dat zijn gezicht schuilgaat achter een zuil. Was Behring maar een tiende seconde vroeger of later gestopt, dan zou de man vol in beeld zijn geweest. 

    3.41 uur. De taxi rijdt verder. Hoeveel geluk kan iemand hebben? Geluk dat niemand in Litzwalchen de politie belt. Geluk dat hij op de rit naar Neurenberg nergens gecontroleerd wordt. Geluk dat de bewakingscamera op de Raststätte hem mist. En geluk dat de regen de sporen aan de bosrand voor altijd uitwist.

    Die vervloekte hoop. Eerst draagt ze je, dan laat ze je vallen

    Een paar jaar geleden was er in Beieren een amnestieregeling: een jaar lang konden de mensen illegale wapens inleveren bij de kantoren van de Landrat – ongestraft. Stefan Stampfl wilde weten of daarbij ook een of andere Tokarew opdook. Het wapen van de misdaad werd nooit gevonden, maar de verschoten munitie is een van de belangrijkste sporen, allemaal in databanken opgeslagen. Stampfl en zijn collega’s doen navraag, en inderdaad werd het model in de Landkreis Traunstein en Berchtesgadener Land meerdere malen ingeleverd. Om precies te zijn: meer dan dertig van die pistolen. De spanning stijgt.

    De pistolen worden onderzocht. Stampfl brengt ze zelf naar München, naar het laboratorium van het Landeskriminalamt. Hij kijkt over de schouder van de deskundige mee wanneer de projectielen onder een stereomicroscoop worden vergeleken. Hij denkt aan de bezoeken van de zusjes Langendonk in Traunstein. Hij denkt aan de wenskaarten die ze elk jaar met kerst sturen.

    Hij hoopt. En wordt teleurgesteld. Die vervloekte hoop. Eerst draagt ze je, dan laat ze je vallen. Steeds opnieuw. Intussen probeert Stampfl niet meer opgewonden te zijn als een spoor duidelijker wordt.

    Ellen Langendonk zegt: ‘Wij hopen niet al te zeer.’ Monique Langendonk zegt: ‘Uit zelfbescherming.’ Karin Langendonk zegt: ‘Het is gebeurd, en je moet ermee dealen. We moeten dealen met veel dingen die daar gebeurd zijn.’

    Vijfentwintig jaar

    Bijna vijfentwintig jaar is de dader al op de vlucht. 51.000 euro beloning voor de tip die tot zijn arrestatie leidt. Het grootste deel komt van de dochters. Soms belt Stampfl ze op en vraagt of ze het bedrag handhaven. Een formaliteit eigenlijk. De brekende stem aan de andere kant. De sprakeloze seconden. Ja, elke keer weer. Hoe lang de misdaad ook geleden is, ze blijft voor de betrokkenen toch steeds nabij.

    Wolfgang Stahl, de eerste taxichauffeur bekijkt sinds de moord de mensen die ’s nachts bij hem in de auto stappen met meer aandacht. Heeft zich vaker omgedraaid, om gezichten te monsteren.

    Tabea Block, de omwonende, heeft een hond aangeschaft. Van haar huis tot de plaats delict is het maar een paar minuten lopen. Ze is er nooit meer heen gegaan.

    ‘Waarom, jochie, heb je dat gedaan? Wat ging er in je om? Wat is hier gebeurd?’

    Werner Weiss, de gepensioneerde commissaris, is zelf eigenaar van een camper. Vroeger zou hij die zonder nadenken aan een bosrand parkeren. Sindsdien altijd weer die bedenkingen.

    Frank Behring, de tweede taxichauffeur, bergt tot op heden alles over de zaak op in een map: notities, foto’s, krantenartikelen. Alles netjes en accuraat, meestal zelfs met de verschijningsdatum erbij.

    Stefan Stampfl, de rechercheur, rijdt elke drie of vier maanden naar de bosrand, stapt uit en staat daar dan gewoon, met de handen in de zakken. Dan denkt hij na, zegt Stampfl. ‘Waarom, jochie, heb je dat gedaan? Wat ging er in je om? Wat is hier gebeurd?’ Dan rijdt hij verder. 

    Monique Langendonk, de oudste dochter maakt soms mee dat mensen klagen over hun zieke ouders. Over de zorg, de stress. Dan denkt ze bij zichzelf: waar klagen jullie over? Hoe graag zou zij haar ouders verzorgen.

    Omkeren

    8 juni 1997, voor 5 uur. Frank Behring rijdt met de stille passagier verder naar het zuiden, over de A8, de Bernauer berg, langs de Chiemsee, daar waren Truus en Harry Langendonk nog, ze hebben foto’s gemaakt op Herrenchiemsee. In Grabenstätt slaat Behring rechtsaf naar Marquartstein. Dan buigt de man voor het eerst naar voren en vraagt hoe laat het is. Dan wil hij opeens omkeren, meteen. De passagier verandert zijn bestemming voor de laatste keer. ‘Ik heb hem gezegd: U moet toch zo langzamerhand weten waar u heen wilt.’

    Plotseling weet de man verbazend goed de weg. Hij loodst Behring naar Traunstein, door de stad heen. Zegt: rijdt u daar langs en daar langs, verder, naar de B304, steeds verder, tot aan het bos. Behring herinnert zich dat de passagier nog eens vraagt hoe laat het is. Waarom vraagt hij steeds naar de tijd?

    Op een bepaald moment zegt de man: daarginds komt nu een bushokje, daar wil hij uitstappen. ‘Bushokje’, dat woord heeft Behring onthouden. Naar de plek waar Truus en Harry Langendonk vermoord werden is het van hier af maar een paar honderd meter. Over ongeveer twee uur valt de eerste regen.

    5.10 uur. Behring stopt midden op de weg, dat kan hier om deze tijd. De rit kost uiteindelijk 500 mark. De man geeft hem 30 mark en 3300 schilling. ‘Toen zei hij nog: zo snel zijn 500 mark weg.’ Je bent gek, denkt Frank Behring. Was dan met de trein gegaan. Dan stapt de stille passagier uit. Behring ziet hem nog in de achteruitkijkspiegel, ziet hoe hij het bos in loopt.

    En dan is hij verdwenen.

    Lees ook: