Tag: commercie

  • China ligt aan kop 
in nieuwe race om de ruimte

    China ligt aan kop 
in nieuwe race om de ruimte

    De landing van een Chinees ruimteschip op de achterkant van de maan begin januari betekent een doorbraak voor de ruimtevaart. China liep altijd achter op grootmachten VS en Rusland, maar zijn de rollen nu omgedraaid?

    JA

    De recente Chinese landing op de achterkant van de maan is meer dan alleen een wetenschappelijke doorbraak. Beijing geeft met zijn uitdijende ruimtevaartprogramma ook een sterk signaal af. ‘Dit is veel meer dan alleen een landing,’ zegt Alan Duffy, 
ruimtevaartdeskundige bij de Royal Institution of Australia. 
‘Het bewijst hoe volwassen de Chinese ruimtevaarttechnologie is geworden.’

    De geslaagde landing kwam voor veel wetenschappers als een verrassing: zij hadden verwacht dat die zou mislukken. Geen enkel land was ooit eerder op de achterkant geland. De moeilijkheid is dat die altijd van de aarde afgekeerd staat, wat direct radioverkeer onmogelijk maakt. Chinese onderzoekers wisten 
dit probleem echter te omzeilen door speciaal voor de communicatie met het Chang’e 4-ruimteschip en zijn verkenner een 
verbindingssatelliet te lanceren.

    Begin deze eeuw had vrijwel niemand verwacht dat China zo snel een koppositie in de ruimte zou gaan innemen, aangezien het land nooit veel interesse in ruimtevaart toonde. Toen China in 2003 voor het eerst astronauten in een baan om de aarde bracht, deden westerse waarnemers dit af als een futiele poging om achterstand op de Verenigde Staten en Rusland in te lopen. Maar terwijl het Chinese ruimtevaartprogramma steeds groter werd, nam in de twee landen die al succesvolle programma’s hadden het enthousiasme voor ruimtevaart juist af. In de Verenigde Staten en Rusland kromp het budget, in China groeide het. 
Al in 2007, lang voordat het land de krantenkoppen haalde met baanbrekende prestaties in de ruimte, lanceerde het verkenningsmissies om de achterkant van de maan te onderzoeken.

    En ondanks het veel kleinere budget staat het Chinese 
programma in veel opzichten nu al op gelijke hoogte met het Amerikaanse. Vorig jaar lanceerde China veertig ruimtemissies, ruim twee keer zoveel als in 2017. Deze verrassend snelle vooruitgang is volgens onderzoekers verklaarbaar doordat het land zich bewust richt op prestigeprojecten. Die moeten het land de status van ruimtegrootmacht bezorgen.

    China benadrukt dat het met de missies louter vredelievende bedoelingen heeft. Het Pentagon is daar echter minder van overtuigd en schreef in augustus vorig jaar dat het Chinese 
ruimtevaartprogramma ‘een cruciale rol speelt in moderne oorlogsvoering’. En terwijl de nasa nauw samenwerkt met Rusland, heeft het Amerikaanse Congres dergelijke samenwerkings-projecten met het Chinese ruimtevaartagentschap uit angst voor spionage verboden.

    De succesvolle Chinese landing is mogelijk een bedreiging voor het tanende Amerikaanse leiderschap in de ruimte, zij het niet op dezelfde manier als in 2007. ‘Dit gaat meer over prestige,’ aldus Duffy.

    Auteur: Rick Noack

    Washington Post | Verenigde Staten | dagblad | oplage 475.000
    De grootste krant van Washington en een van ’s werelds meest toonaangevende titels.

    adam minter 1

    Rick Noack is als buitenlandcorrespondent voor The Post grotendeels gevestigd in Berlijn, van waaruit hij schrijft over Australië, 
Nieuw-Zeeland 
en internationale veiligheid.

    Adam Minter is columnist voor Bloomberg. Hij schreef het boek Junkyard Planet: Travels in the Billion-Dollar Trash Trade, 
over de miljarden-industrie van onze afvalbergen.

    NEE

    De landing van het Chinese Chang’e-4 ruimteschip op de achterkant van de maan is een indrukwekkende technische prestatie die laat zien dat China een grootmacht in de ruimte is geworden. Het komende decennium wil het land een ruimtestation in een baan om de aarde brengen, sondes naar Mars en Jupiter sturen en asteroïdenmissies uitzenden. Voor 2030 staat een bemande maanmissie gepland en voor halverwege deze eeuw een permanente kolonie.

    De ambities van de nasa lijken daar schril bij af te steken. Sinds de laatste maanlanding van de Apollo in 1972 zijn Amerikaanse astronauten niet verder gekomen dan een baan om de aarde. 
Na ontmanteling van het spaceshuttleprogramma kunnen de Verenigde Staten het internationale ruimtestation ISS niet langer op eigen kracht bereiken. Nieuwe presidenten verlegden vaak hun prioriteiten, zodat de nasa dure missies, die al jaren gepland stonden, moest afbreken of herzien.

    Toch gaat het in veel opzichten ook wel goed met het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Een jaar of twaalf geleden stelde het Congres de nasa in staat om publiek-private samenwerkingen aan te gaan. Sindsdien adviseert het overheidsagentschap private ruimtevaartbedrijven en investeert het in hun activiteiten. Elon Musks SpaceX is het bekendste, maar er zijn tientallen bedrijven in de commerciële ruimte-industrie actief. Hun specialisme varieert van de lancering van kleine satellieten tot maanverkenning. De resultaten zijn spectaculair: naar 
schatting van de nasa zelf kostte de ontwikkeling van de Falcon 9-raket door SpaceX maar tien procent van wat het de nasa zou hebben gekost om die te bouwen. Ook elders levert de steun van de nasa veel op. In de komende weken lanceert SpaceX een capsule die Amerikaanse astronauten naar het iss-ruimtestation kan brengen. Ten minste twee andere bedrijven hebben plannen voor een eigen, commercieel, ruimtestation. Tegelijk is de nasa de pure wetenschap niet uit het oog verloren. Er zijn vier missies naar Mars gaande en een naar Jupiter, er cirkelt een sonde om 
de zon en twee ruimteschepen hebben de interstellaire ruimte bereikt. Geen enkel ander land, ook China niet, kan zich hiermee meten: de wetenschappelijke en technologische knowhow 
ontbreekt simpelweg.

    Zolang de vs de commerciële ruimtevaart blijft stimuleren en tegelijk met wetenschappelijke onderzoeksmissies steeds verder reikt, hoeft het land voorlopig niet bang te zijn om ingehaald te worden. Uiteraard heeft ook China het grote potentieel van de commerciële ruimtevaart ingezien en ontwikkelt het een eigen ruimte-industrie. Maar barst er inderdaad een nieuwe ruimterace los, dan hebben de Verenigde Staten alle kans die te winnen.

    Auteur: Adam Minter

    Bloomberg World View | Verenigde Staten | website | bloomberg.com
    Bloombergs blog World View schrijft uitvoerig over de opkomende markten, 
en wordt met toonaangevende schrijvers wereldwijd erkend als autoriteit op het gebied van Rusland, India en China.

  • Bio voor de massa

    Bio voor de massa

    De Europese markt voor biologische producten is booming. Waren deze vroeger alleen te koop in kleine biowinkels, tegenwoordig storten zelfs prijsvechters als Aldi en Lidl zich op de lucratieve groeimarkt. Pure milieuwinst, of verkwanselt de sector zo zijn idealen? Het Brusselse tijdschrift Médor ging op onderzoek uit.

    ‘Ja tegen de diversiteit van lokale bioproducten, nee tegen de macht van het grootwinkelbedrijf.’ Onder die slogan werd afgelopen zomer geprotesteerd tegen de vestiging van een Bio-Planet-supermarkt in de Waals-Brabantse stad Korbeek. En die protesten kwamen uit de biowereld zelf! Onder andere van Archenterre, een kleine producent van biologische groenten en fruit en van Bi’Ok , een van de eerste biologische winkels in Wallonië. Een intern conflict tussen bio-bedrijven – gewoon een gevecht om marktaandeel? Niet alleen. Het protest kwam ook voort uit de angst dat deze brutale nieuwkomer, onderdeel van de Colruytgroep [Belgische multinational met een omzet van 9,5 miljard euro en honderden supermarkten in België, Luxemburg en Frankrijk], met zijn in plastic verpakte en op duizenden kilometers afstand geproduceerde biologische waren het einde zou betekenen van het bio-ideaal: langzame productieprocessen en bewuste consumptie met respect voor mens en milieu.

    ‘Biologische landbouw betekent niets anders dan: geen gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, geen toevoegingen aan bewerkte voedingsmiddelen en geen kunstmest,’ brengt François de Gaultier, landbouwdeskundige en assistent-hoogleraar aan de Hogeschool van de provincie Namen, in herinnering. ‘Dat is alles. Je kunt aan “biologisch” geen eisen stellen die de term zelf niet belooft.’

    Maar voor de activisten moet ‘biologisch’ aan meer criteria voldoen dan alleen aan de officiële. ‘Er zijn twee stromingen in de biowereld,’ zegt Pauline Henrion van Bi’OK, een keten van vier winkels in Waals-Brabant. ‘Aan de ene kant de mensen die gewoon beter willen eten, en aan de andere kant de mensen die het welzijn van de wereld beogen.’ Dat geldt niet alleen voor de klanten maar ook voor de winkeliers: sommigen willen alleen maar verkopen, anderen willen een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij.

    Aldi: ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment’

    In de wereld van het biologisch voedsel draait het tegenwoordig steeds meer om de detailhandel. Nieuwe spelers storten zich en masse op een aantrekkelijke groeimarkt. Claude Gruffat, auteur van 
Les dessous de l’alimentation bio (de achterkant van biologisch voedsel) ziet dat ook. ‘In Frankrijk staan we nu voor een verandering van schaal in de consumptie van biologische producten. De laatste tijd noemt iedereen het een markt. In Frankrijk beslaat die nu 
4 procent van de totale voedingswarenmarkt, en meestal is dat het punt waarop ook nieuwkomers zich ook in de niche willen begeven.’

    4 procent? Dat is precies het marktaandeel dat ‘bio’ heeft op de Belgische voedingsmiddelenmarkt. Een koek die steeds groter wordt, maar waarvoor zich steeds meer eters melden: Bi’OK (4 vestigingen) Bio-Planet (27), Färm (6), Al Binète (4), Sequioa Bio & Natural Market (6), Biocap (4), Biostory (3), Ekivrac (2), La Ruche qui dit oui (102) en ontelbare andere lokale winkels die we hier onmogelijk allemaal kunnen opnoemen…
    Om de schappen in al die nieuwe zaken te kunnen vullen breidt het landbouwaanbod zich uit. Sinds 2003 is het aantal biologische boeren in Wallonië vrijwel verviervoudigd: hun aantal is van 455 gecertificeerde boeren in 2003 gestegen naar 1493 in 2016, ofwel 12 procent van alle Waalse boerderijen. De hoeveelheid bouwland is meer dan verdrievoudigd: van 20.736 hectaren naar 71.289 hectaren, ofwel 10 procent van het Waalse boerenland.

    Ook de grote supermarkten nemen biologische producten nu serieus, en zelf ondervinden zij weer concurrentie van discounters als Aldi en Lidl, die nu 10 procent van de biologische producten verkopen, tegen 1,2 procent in 2008. En daarmee doen ook de prijzenoorlogen hun intrede.
    ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment,’ zegt Julien Wathieu, woordvoerder van de Lidl/Aldi-groep. Ondanks dat agressieve prijsbeleid zijn biologische producten in het algemeen nog steeds duurder dan gewone. En de winstmarges zijn hoger.

    Volgens een onderzoek uit augustus 2017 door de Franse consumentenorganisatie UFC-Que choisir, verdient het grootwinkelbedrijf aanzienlijke marges op de biologische producten. De organisatie vergeleek 24 soorten fruit en groenten en ontdekte dat het groene boodschappenmandje 79 procent duurder uitkwam dan het mandje met conventionele producten. Er zijn twee verklaringen voor die hogere vraagprijs: voor een deel heeft die te maken met de hogere productiekosten in de biosector en voor het andere deel is ze te wijten aan… de extra winstmarges die 
de grote winkelketens erop leggen. Die winst is met name mogelijk doordat deze bedrijven grootschalig kunnen inkopen bij bedrijven uit heel Europa.
    ‘De grootste concurrent, biologisch of niet-biologisch, is Spanje, omdat daar de sociale normen lager zijn,’ verklaart landbouwkundige François de Gaultier. ‘De concurrentie komt ook van Nederland, waar de productie heel sterk gemoderniseerd is, met hightechkassen en geautomatiseerde teelt.’

    Een bezoek aan de Lidl van Molenbeek biedt natuurlijk maar een momentopname, maar klopt precies met het verhaal van de landbouwkundige. Op de afdeling biologische groenten en fruit komen de cocktailtomaatjes uit België, maar de wortelen, courgettes, krielaardappeltjes en citroenen hebben een reis uit Nederland of Spanje achter de rug. Wat al deze producten gemeen hebben? De laagste prijs.

    Belgisch-Mexicaanse komkommers

    De eerste Bio-Planet in Brussel ligt in een chique buurt. Al op de besloten parkeerplaats maakt deze zaak in de Brusselse deelgemeente Ukkel je duidelijk dat je hier een duurzaam gebouw binnengaat, met zo min mogelijk CO2-uitstoot, een geheel geïsoleerd gebouw, ledverlichting. Met zijn ruwhouten planken die in de verte de sfeer van een Canadese blokhut oproepen, vertelt deze supermarkt dat hier alles puur natuur is. En gecertificeerd ‘bio’.

    Achter in de zaak doet een met glas afgescheiden gedeelte dienst als koelruimte. Even daarbuiten liggen uien (uit Nederland), sjalotjes (uit Frankrijk), zoete aardappelen (uit de VS en Spanje), afgeprijsde Boni-aardappelen (uit Italië), krielaardappeltjes (uit Engeland), avocado en gember (uit Peru), knoflook (uit Spanje). De losse wortelen komen uit Nederland en de ongewassen wortelen zijn regelrecht uit Spanje gekomen. Maar de frambozen, appels, peren, komkommers en raapjes zijn Belgisch. Net als de tomaten, pompoenen, paprika’s, pepers, kerstomaatjes, sla, spinazie, peterselie, jonge uien, boontjes, radijsjes, courgettes, champignons, venkel, selderie, aubergine en kool. Een van de belangrijkste leveranciers van deze groenten is EcoVeg, een bedrijf dat in 2000 is opgericht door Krist Hamerlinck en Cindy Declercq, op de grens tussen Nederland en België. EcoVeg had in 2016 een omzet van 10 miljoen euro. De familie Hamerlinck runt ook het Luxemburgse Organic Farming Invest, dat via een eigen bedrijf in Mexico levert aan de Amerikaanse markt. Dit bedrijf voorziet de New Yorkers dus van biologische komkommers, na een reis van 4000 kilometer.

    ‘In Wallonië bestaat nog het model van het familiebedrijf met een menselijke schaal, of dat nu biologisch of conventioneel is, terwijl Vlaanderen zich meer op de intensieve landbouw richt,’ zegt Pierre Wiliquet, woordvoerder van de Waalse minister van Landbouw René Collin (cdH). Het is dan ook in Vlaanderen dat BelOrta, de grootste groentekweker van Europa, met een half miljard omzet, groot is geworden. BelOrta is nu ook bezig met de ontwikkeling van een biologische tak.

    ‘We komen nu op een punt dat de gebruikelijke consumentenstandaarden gaan gelden, denkt Claude Gruffat, directeur van de Franse keten Biocoop. ‘Biologisch voedsel was ooit een maatschappijvisie, een gedeeld ideaal, waaraan men een Europees regelement had opgehangen. Nu hebben we alleen nog die Europese regelgeving.’ Anders gezegd: de enige norm die geldt om iets ‘biologisch’ te mogen noemen is die gemeenschappelijke regelgeving.

    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm
    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm

    Al brandt er nog wel ergens een ethisch lichtje in het duister van de massaconsumptie, de Europese biosector is inderdaad zijn glans kwijtgeraakt. Die sector doet nu meer dan het gebruik van pesticiden en kunstmest verbieden. Ze eist gewasrotatie, maar laat producten toe die voor 5 procent uit niet-biologische ingrediënten bestaan en tolereert producten met maximaal 0,9 procent besmetting door genetisch gemodificeerde organismen. Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid betreft biedt het label ‘bio’ geen enkele garantie. ‘We zien nu dat de oorspronkelijke waarden verdwijnen en dat er een oneerlijke concurrentie ontstaat tussen een systeem dat die waarden nog koestert en een systeem waarin alleen het geld telt. Als je het over de waarden van eerlijke landbouw hebt, van eerlijke handel, dat is allemaal verloren gegaan,’ volgens Claude Gruffat.

    De tomaten, komkommers, aubergines, courgettes van EcoVeg zijn te vinden in de schappen van Bio-Planet, maar ook bij supermarktketen Delhaize en bij verscheidene klanten van Interbio. En misschien wel bij iedereen. Want de Waalse kweker levert onder andere aan Färm, Sequoia, Bi’OK, Bio Fagnes, Biocap en aan veel biologische zaken en boerderijwinkels in Wallonië die zo hun assortiment compleet maken.

    Onder de detailhandels is Färm (met zes winkels, binnenkort zeven, in Brussel en Louvain-la-Neuve,) een geval apart. Dit bedrijf geldt als een afschrikwekkend voorbeeld in de sector, die altijd twijfelt aan de goede bedoelingen van mogelijke financiers. Färm is allereerst het verhaal van Baptiste Bataille en Alexis Descampe. Deze twee leerden elkaar kennen tijdens hun studie biologie, en openden vervolgens samen een winkeltje, The Peas, in het Brusselse Etterbeek. Hun ideaal is het verkopen van biologische, lokaal verbouwde producten. Met respect voor de gezondheid, het milieu, de mens.

    Een van hun klanten, een dertigjarige hipster op een fiets, geeft hun zijn visitekaartje. Dat leidt tot gesprekken, tot plannen en de uitvoering daarvan. Plannen om groter te worden. Heel groot. Heel héél groot. Want de fietser zit in de autobusiness. Hij heet Lionel Wauters en is lid van de familie Moorkens, een van de rijkste families van België, die haar fortuin heeft verdiend met de import en verkoop van auto’s, waaronder Mitsubishi en Toyota. Het familiebedrijf heet Alcopa en het is een zwaargewicht met meer dan 2300 medewerkers in 19 landen en een jaaromzet van 1,7 miljard. Tot 2015 was Lionel Wauters lid van de raad van aandeelhouders van het familiebedrijf, die de langetermijnvisie moest bewaken. Deze ingenieur en architect is ook CEO van Urbani, een vastgoedbedrijf dat gespecialiseerd is in ‘duurzaam en gebruiksvriendelijk vastgoed’. Het verhuurt meer dan 160 appartementen, voornamelijk in Brussel.

    De nieuwe partners laten er geen gras over groeien en praten over schaalvergroting. ‘We willen niet groeien om het groeien, maar om werkelijk gewicht in de schaal te kunnen leggen als het om maatschappelijke kwesties gaat,’ verklaarde Färm-oprichter Alexis Descampe. Maar geld telt, en Lionel Wauters wordt in 2015 bestuursvoorzitter van Färm.coop. In zijn kielzog komen zijn oom François Stoop en Olivier van Cauwelaert mee, die ook partner zijn bij Urbani en bij Scale Up, de tak van het bedrijf die duurzame projecten financiert (waaronder nu Färm en vooral Färm Louvain-la-Neuve, waarin Scale Up 750.000 euro heeft geïnvesteerd). Scale Up belooft zijn aandeelhouders een rendement van 7 procent per jaar. De drie mannen zitten nu in de raad van bestuur van Färm-coop en Alexis Descampe is CEO geworden.

    Het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger

    Baptiste Bataille is inmiddels weggewerkt. Een behoorlijke schok voor veel mensen in de biowereld. ‘Hij was de ziel van Färm,’ legt een leverancier uit. Nu echter een verdoemde ziel, die geen antwoord wilde geven op onze vragen. ‘Het vertrek van Baptiste, waarbij wij gezien werden als de schurken in het spel, heeft vooral te maken met een verandering van onze rollen bij het groter worden van Färm,’ verklaart Alexis Descampe. Directeur Olivier van Cauwelaert wijst op het verschil in ambities bij het uitbouwen van de onderneming. ‘Twee jongemannen van nog geen dertig, die een winkel hebben met zes medewerkers en een omzet van een miljoen. Nu is Färm een bedrijf met zes winkels en honderd medewerkers. De stijl van leidinggeven is veranderd. Je moet planmatiger werken, meer als management optreden. En in die ontwikkeling voelde Baptiste zich niet thuis.’ En de waarden van de biowereld, het vermenselijken van de handel, zullen die zich er wel thuis voelen? Want de uitbreiding is nog lang niet afgelopen. Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. Oftewel: een zaak per twee maanden.

    Afgelopen november kondigde de krant L’Echo aan dat de regio Brussel via de regionale investeringsmaatschappij SRIB vijfhonderdduizend euro in het Färm-avontuur zou stoppen, en de grootste aandeelhouder van het bedrijf zou worden. En de winkels zijn maar één aspect van de ontwikkeling van Färm, dat ook producent wil worden. Het idee daarachter? Investeren in de bewerking en de productie om zo een compleet bioplatform te hebben. ‘Als je niet wilt dat de klassieke grootwinkelbedrijven de biosector overnemen, moet je iets doen,’ verklaart Olivier Van Cauwelaert, de vertegenwoordiger van Scale Up. ‘We moeten onszelf niet voor de gek laten houden door het industriële bio-aanbod van Delhaize en Colruyt. Om dat soort volumes wortelen te leveren hebben ze 100 hectaren nodig. Onze producenten werken op tussen de 1 en 20 hectare, en daar verbouwen ze ook nog verschillende gewassen. Dat is een andere filosofie.’ Colruyt wordt dus afgewezen door Färm, dat zelf wordt afgewezen door de kleine biowinkels.

    Nu Färm voor zijn vleesproducten de hele keten in eigen hand heeft, kondigt Olivier Van Cauwelaert vier nieuwe productketens aan – eerlijke ketens waarvan elke schakel door Färm wordt gecertificeerd, wat meteen ook de mogelijkheid biedt om de prijs en de herkomst van de producten te controleren: groenten (met twaalf producenten in de buurt van Louvain-la-Neuve), zuivelproducten, oliehoudende producten en vis. Allemaal zullen ze worden verhandeld onder een andere merknaam dan Färm, zodat ook derden ze kunnen verkopen.

    De medewerkers van het bedrijf maken zich niet zozeer zorgen over de kwaliteit van de Färm-producten, want die staat niet ter discussie. Wel hebben ze hun twijfels over het profiel van de investeerders, hun managementmethoden, hun snelle uitbreidingsplannen en over het wegwerken van een van 
de oprichters. ‘Toen Baptiste eruit ging, hebben we vragen gesteld,’ verklaart een werknemer. ‘Hij stond meer op één lijn met ons, hij streefde naar transparantie. De bestuurders profiteren van het feit dat de medewerkers zich betrokken voelen bij biologische producten. Ze zeggen tegen ons “Jullie zijn de winkel”, hebben het over “färmers” in plaats van werknemers, over “het plan” in plaats van de onderneming. Allemaal nieuwe managementtaal. Maar het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger.’ Is Färm dus een onderneming als alle andere? ‘Nee,’ vindt de medewerker. ‘Je kunt nog wel rechtstreeks contact hebben met Alexis. Er zijn werkgroepen ingesteld. Er heerst wel de sfeer van een collectief.’

    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm
    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm

    Färm zou in een overgangsfase zitten. En dat geldt ook voor het personeel. Alexis Descampe geeft het toe: ‘Met de groei van het bedrijf hebben we een periode gehad waarin er nogal top-down werd gewerkt, maar dat was voor niemand houdbaar.’ Sindsdien zijn er werknemerscomités ingesteld (waar iedereen welkom is) waar gediscussieerd en beslist wordt over verschillende aspecten van Färm, zoals het verantwoord ondernemerschap, de uitbreiding van het plan Färm of de vraag of producten van anderen al dan niet via de website worden aangeboden. (Zo is het bier Ginette uitgesloten, sinds het is opgenomen door ABInBev). Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? En zonder de diversiteit van het huidige assortiment teniet te doen? De mensen uit de biosector die we ernaar hebben gevraagd staan argwanend tegenover alle ontwikkelingen. Wanneer de top van Färm spreekt over ‘samenwerken’ horen kleinere spelers ‘overname’ en ‘standaardisatie’.

    Strohoedje voor reclame

    In de strijd tussen Bio-Planet en Färm kun je als heel kleine speler de klappen ontwijken. Sterker nog, ‘kleine’ producenten worden het hof gemaakt door de nieuwe spelers in de sector. BioPlanet, Färm, e-Farmz, Sequoia, allemaal hebben ze geprobeerd Pia Monville, biologisch boerin uit Court-Saint-Etienne, aan boord te krijgen. Pia werkt samen met haar man al acht jaar op drie hectare grond. Sinds kort voelt ze dat er ‘iets broeit’. ‘Vroeger waren onze klanten heel trouw. Nu bestaat eenderde van onze klantenkring uit “sprokkelaars”, de rest is vast. Voor mij is dat het begin van een teruggang.’ Maar ze heeft elke samenwerking met de nieuwkomers geweigerd. ‘Als ik een deel van mijn zeggenschap kwijtraak, moet ik vast mijn productie verhogen of me gaan specialiseren. Dat zou het einde zijn van wat me altijd voor ogen heeft gestaan. Het kan me niet schelen of ze me aardig vinden of niet. Ik wil goed zijn in wat ik doe. Maar zij willen me vooral een strohoedje opzetten voor hun reclame…’
    Als zo’n samenwerking wel lukt, wordt daar inderdaad overvloedig aandacht aan besteed door de partnerwinkels, die maar al te graag hun landelijkheid en authenticiteit etaleren.

    Voor Pia Monville is het duidelijk: ‘Je voelt gewoon dat de klassieke detailhandels de marketing overnemen, en zich voordoen als ons. Ze profiteren van ons imago.’

    De bio-mainstream wil alles voor zichzelf hebben, tot en met de boerin zelf. Bij de Biostory in Ottignies staan tien gezichten afgebeeld met de slogan: ‘Onze lokale producenten hebben talent’.

    ‘Die barbecue waarop ze zogenaamd hun producenten ontmoeten, is in werkelijkheid een barbecue met de groothandelaren,’ beweert Pia. Inderdaad zijn maar drie van die gezichten boeren die direct aan Biostory leveren. De anderen zijn groothandelaren uit België of Griekenland.

    Ook bij Bio-Planet schuiven ze graag de Belgische producenten naar voren. Die heten Steven Lauwers, uit Duffel (Herbio) of Lies Heyns (Provamel) en zijn te zien in het magazine of op de website van Bio-Planet. Volgens de supermarkt is het bedrijf Provamel gevestigd in het West-Vlaamse Welvegem. Maar volgens de LinkedIn-pagina van de sympathiek ogende producente Lies Heyns is zij eigenlijk ‘Senior Divisional Strategic Buyer’ bij Alpro. Dat bedrijf, dat producten op basis van soja maakt, is inderdaad gevestigd in Welvegem (maar het valt te betwijfelen of de soja uit België komt) en vermeldt een jaaromzet van 448 miljoen euro in 2016. Dat klinkt ineens heel wat minder landelijk.

    De strijd tegen de commercie is een ongelijke strijd. Maar toch kan ook een kleine producent wel uit die ruif mee-eten. ‘Wij vertellen onze klanten wat er allemaal gebeurt op het land,’ zegt Benoît Redant, van de boerderij ‘As veyou l’porê?’ in Jallet (1,5 hectare biologische groenten). ‘Op onze Facebookpagina zetten we geregeld foto’s van het leven op de boerderij, van de aardappeloogst met ons paard. We houden ook om de twee jaar een open dag, en dat is veel werk. Ik zou subsidie moeten vragen voor de voorlichting over biologisch voedsel die ik geef!’ Het resultaat: elke week komen er tweehonderd mensen boodschappen doen.

    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm
    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm

    Voor dit artikel heeft _Médor _zo’n twintig kleine producenten gesproken. Telers uit heel Wallonië die op kleine oppervlaktes (van 1 tot 10 hectare) hun groenten verbouwen. Hoe het verder zal gaan met deze onzekere bedrijfstak begint zich af te tekenen. De landbouwers die hadden gegokt op de logica van de ‘schappen’ hebben het moeilijker dan de anderen, en over de verwachting dat biologische sector een goede toekomst biedt, ook economisch gezien, zijn de meningen verdeeld. ‘De verkoopprijs van biologische producten blijft hoger,’ zegt Ariane Beaudelot van Biowallonie, een organisatie die producenten en detailhandelaren bij elkaar brengt. ‘De producenten krijgen een hogere marge, maar dat is niet de enige factor. De prijzen van biologische producten blijven hoog omdat de vraag altijd groter is dan het aanbod.’

    Wat niet wegneemt dat de ongerustheid over de komende jaren opkomt. Wat zal er gebeuren als het aanbod de vraag overstijgt? Zal met de komst van financiers van de ‘oude wereld’, van de Lidls en de Colruyts de werkwijze van de conventionele landbouw ook doordringen in de biologische landbouw? Voor de producenten is het van levensbelang dat ze zelf de baas blijven: zelf hun prijzen kunnen vaststellen, zelf bepalen hoe en aan wie ze verkopen, om zo macht te houden tegenover de detailhandelaren. Of om het zelfs zonder hen te doen.

    Een mogelijkheid daartoe is de vorming van coöperaties. Of gebruikmaken van een platform, mogelijk gemaakt door de internettechnologie die belooft consumenten en producenten met één klik bij elkaar te brengen.

    Dat is de koers die La ruche qui dit oui! volgt, de Franse start-up die in 2013 ook in België werd gelanceerd [sinds 2016 is er ook een Nederlandse tak: Boeren en Buren]. Dit bedrijf heeft een hoge vlucht genomen, met een jaaromzet van 3,5 miljoen euro en telt nu bij ons 102 ‘ruches’ (bijenkorven) waar voor 
5 miljoen euro per jaar wordt verkocht. Het principe is eenvoudig: een ‘abeille’ (bij) kan zelf een ruche beginnen waarin hij of zij consumenten en producenten probeert te verenigen; de ene groep kan er lokaal geproduceerde (niet per se biologische) producten kopen en de andere kan er zijn koopwaar verkopen. Deze mensen ontmoeten elkaar uiteindelijk fysiek, in een gezellige ambiance, om de koop te sluiten. Het doet denken aan Airbnb of BlaBlaCar: de site houdt zich vooral bezig met het betaalplatform en promotie en zorgt voor een zeer effectieve site. En verdient 8,35 procent per transactie. Degene die de ruche heeft georganiseerd, verdient ook 8,35 procent voor zijn dienstverlening. Dit is een prima idee voor kleine producenten die graag hun klantenkring willen uitbreiden, maar niet de financiële middelen hebben om in een webshop te investeren. En het is ook verleidelijk voor consumenten die belang hechten aan ‘korte ketens’. Want zij hoeven zich nergens aan te verbinden. Maar dat is ook meteen de beperking van dit idee.

    Bij dit systeem draait het om ‘vrijheid’ en de consequentie daarvan is de afwezigheid van regels. Er bestaat wel een overeenkomst van goed gedrag tussen de drie partijen, maar die heeft geen juridische waarde. Dat bevestigt ook Hannes Van den Eeckhout, de Belgische directeur van La ruche qui dit oui! ‘We voelen er niet voor om er een juridisch kader aan te geven. We streven naar zelfregulering; in het geval van een conflict stellen we ons op als bemiddelaars, en in 90 procent van de gevallen werkt dat goed.’

    Ze moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken

    Het bedrijf benadrukt wel dat het zich niet opstelt als overkoepelende organisatie, maar als dienstverlener en dat het de bijen dus ook niet in dienst heeft. Maar de bijen die een korf beginnen, verplichten zich wel voor een schijntje tot werk dat hen ‘minstens tien uur per verkoop’ kost, volgens de bijen die wij hebben gesproken. Zij moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken.

    In Frankrijk hebben enkele plaatselijke producenten al in 2014 alarm geslagen, en de organisatie bestempeld tot ‘die Parijse horzels’. Hun kritiek: Het zijn opportunisten. Ze willen meesurfen op een vraag uit de markt, door mensen op een onzekere basis voor zich te laten werken, zonder ze in dienst te nemen. La Ruche qui dit oui! rekent een marge terwijl de boeren en mensen die verantwoordelijk zijn voor de korven het werk doen. Het is gewoon de ‘UberPop van de landbouw’. Dit protest is inmiddels weggezakt, maar het toont wel aan dat de sector van het ‘bewust consumeren’, die bezig is de niche te verruilen voor de mainstream, moeite heeft om zijn oorspronkelijke waarden overeind te houden.

    Auteurs: Olivier Baily, Sandrine Warsztacki, Chloé Andries, Céline Gautier, m.m.v. Steven Vanden Bussche (Apache) en François Heinrich
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Alexis Descampe en Baptiste Bataille, de stichters van bioketen Färm, in 2013. Baptiste is intussen weg. – © HH

    Médor
    België | medor.coop

    Médor is een Belgisch Franstalig tijdschrift dat onderzoeksjournalistiek bedrijft, sinds 2014 online en vanaf eind 2015 ook op papier. Het wordt uitgegeven door een coöperatie van journalisten, waarin ook lezers kunnen participeren. Het verschijnen van het eerste nummer op papier werd vertraagd doordat het Belgische bedrijf Mithra Pharmaceuticals vooraf bezwaar maakte tegen de inhoud, die eerder online was verschenen, omdat ‘reputatieschade’ aan het bedrijf zou worden toegebracht. De rechter verwierp het gevraagde verschijningsverbod, omdat ‘dit neigt naar censuur’. Médor wisselt artikelen uit met het Nederlandstalige magazine Apache.be, dat eveneens vanuit Brussel wordt gemaakt door een groep voormalige journalisten van het dagblad De Morgen. ‘Médor is onafhankelijker dan een Vlaamse nationalist en vrijer dan een Waalse regionalist samen’, aldus een slogan.