Gebarentaal van chimpansees is begrijpelijk voor mensen
De mens blijkt behoorlijk vaardig te zijn in het ‘lezen’ van het repertoire van gebaren dat veel apen gebruiken: in ruim 50 procent van de gevallen waren mensen in staat de betekenis van de gebaren correct te interpreteren. Dit blijkt uit een onderzoek waarbij meer dan 5500 deelnemers werden ondervraagd, bericht Vice. Het resultaat doet vermoeden dat onze eigen voorouders op soortgelijke wijze communiceerden, voordat onze moderne complexe taal ontstond.
Bewegingen van chimpansees en bonobo’s laten zich vertalen in boodschappen als ‘raak me aan’, ‘spring op mijn rug’ of ‘laten we vriendelijk doen’. Het zette primatologen Kirsty Graham en Catherine Hobaiter van de Universiteit van St Andrews in Schotland aan het denken over de rol die deze gebarentaal kan spelen bij het ontrafelen van de oorsprong van de menselijke taal.
Om deze vraag te onderzoeken, vroeg het duo aan 5656 mensen om een online spel te spelen dat testte of deelnemers de gebaren van niet-menselijke apen in een reeks video’s konden interpreteren. De korte quiz test ‘de hypothese dat taalcompetente volwassen mensen nog steeds toegang hebben tot “familietypische” mensapengebaren’, aldus een studie die onlangs is gepubliceerd in het tijdschrift PLoS Biology.
Bomen kunnen met elkaar communiceren, dragen zorg voor hun nageslacht en raken gestrest. Wortelnetwerken functioneren net als zenuwstelsels. Nautilus in gesprek met wetenschapper Suzanne Simard.
Keuze uit ons archief
We zijn gewend bomen wijsheid en zelfs persoonlijkheid toe te kennen, en toch is het begrip boomintelligentie, in de westerse wereld althans, nieuw. Evenals boomemoties, en boomstress. Als bomen intelligente wezens met gevoel blijken te zijn – zoals de wetenschap aantoont –, gaan we ze dan ook beter beschermen?
Kijk naar een bos: je ziet natuurlijk de stammen en het bladerdek. Steken er een paar wortels kunstig boven de grond en de gevallen bladeren uit, dan zie je die ook, maar je staat nauwelijks stil bij de ondergrondse voedingsbodem die zich misschien wel even dik en ver uitstrekt als de takken boven je hoofd. Fungi worden al helemaal niet opgemerkt, op her en der wat paddenstoelen na; die worden afzonderlijk waargenomen, in plaats van als de uitbottende toppen van een onmetelijk ondergronds raamwerk dat is vervlochten met die wortels. De wereld onder de grond is even rijk als die erboven.
De afgelopen twee decennia heeft Suzanne Simard, hoogleraar aan de faculteit Bosbeheer van de Universiteit van British Columbia, die veronachtzaamde onderwereld bestudeerd. Ze is gespecialiseerd in mycorrhiza’s, de symbiotische verbindingen tussen fungi en wortels die planten helpen voedingsstoffen uit de bodem te absorberen. Na baanbrekende experimenten waaruit bleek hoe koolstof heen en weer stroomt tussen papierberk en douglasspar, ontdekte Simard dat mycorrhiza’s bomen niet alleen met de aarde verbinden, maar ook met elkaar.
Vervolgens toonde Simard aan hoe door mycorrhiza’s verbonden bomen netwerken vormen, met individuen die ze moederbomen noemt in het centrum van gemeenschappen die ook weer met elkaar verbonden zijn en voedingsstoffen en water uitwisselen via een letterlijk pulserend netwerk dat niet alleen bomen omvat maar al het leven in het bos. Deze ontdekkingen hadden ingrijpende gevolgen voor ons begrip van de ecologie van het bos, maar dat was nog maar het begin.
Planten worden niet geacht slim te zijn, althans niet volgens het traditionele westerse denken
Het zijn niet alleen maar voedingsstromen die Simard beschrijft. Het is een vorm van communicatie. Zij – en ook andere wetenschappers die wortels bestuderen, evenals de chemische signalen die planten afgeven en zelfs de geluiden ze maken – hebben bij hun bestudering van planten de factor intelligentie betrokken. In plaats van als biologische automaten zouden we planten kunnen zien als schepsels met capaciteiten die bij dieren zonder meer als leren, herinnering, besluitvorming en zelfs daadkracht worden beschouwd.
Dat is misschien moeilijk voorstelbaar. Planten worden niet geacht slim te zijn, althans niet volgens het traditionele westerse denken. Je kunt ook zeggen dat, hoewel deze gedragingen inderdaad heel bijzonder zijn, ze niet naadloos passen in wat mensen gewoonlijk onder leren en herinnering en communicatie verstaan. Misschien lopen we wanneer we het plantengedrag volgens onze eigen beperkte opvattingen proberen te definiëren wel het risico de unieke kant van hun intelligentie over het hoofd te zien.
Het is een veelzijdige en fascinerende discussie, die nog heel wat onderzoek vereist, onderzoek waarbij rekening zal moeten worden gehouden met het feit dat planten een geestelijk leven hebben. In haar werkkamer op de Universiteit van British Columbia sprak Simard met Nautilus over de betekenis van haar werk.
Kunt u bij wijze van aftrap iets vertellen over de ‘wortelbreinhypothese’ van Charles en Francis Darwin?
Achter een groeiende worteltop zit een groep differentiërende cellen. Darwin dacht dat die cellen bepaalden hoe de wortels zouden groeien en waar ze naar voedsel zouden zoeken. Hij dacht dat het gedrag van een plant in wezen werd gestuurd door wat er in die cellen gebeurde. In het werk dat anderen en ik hebben gedaan – het onderzoeken van familierelaties tussen individuele planten, hoe ze elkaar herkennen en met elkaar communiceren – spelen de wortels ook een rol. Alleen weten we nu meer dan Darwin; we weten dat alle planten, op een handjevol families na, mycorrhizaal zijn: het gedrag van hun wortels wordt gestuurd door symbiose. Het gedrag van de wortel wordt niet alleen bepaald door de cellen in de top van de plantenwortel, maar ook door de interactie daarvan met fungi. Darwin was iets op het spoor. Hij had alleen nog niet het hele plaatje. En ik ben tot de conclusie gekomen dat wortelstelsels en de mycorrhizale netwerken waardoor die stelsels verbonden worden, zijn opgezet als zenuwstelsels en zich als zodanig gedragen, en een zenuwstelses is de kiem van de intelligentie in ons brein.
U heeft geschreven dat zenuwnetwerken hun bijzondere eigenschappen danken aan het feit dat ze schaalvrij zijn, wat ook voor plantennetwerken geldt. Wat betekent ‘schaalvrij’? Waarom is dat zo belangrijk?
Alle netwerken hebben schakels en knooppunten. In een bos zijn de bomen knooppunten en fungusverbindingen schakels. ‘Schaalvrij’ betekent dat er een paar grote knooppunten zijn en een heleboel kleinere. En dat is op bossen op veel verschillende manieren van toepassing: je hebt een paar grote bomen en een heleboel kleine bomen. Een paar grote percelen oud bos, en meer kleinere percelen. Dit soort schaalvrije verschijnselen doen zich op vele niveaus voor.
Ziet u ook schaalvrije netwerken op het niveau van individuele bomen, in de interacties binnen één enkel wortelstelsel?
Dat heb ik niet echt gemeten, maar je kunt naar een heleboel dingen kijken. Wortelgrootte bijvoorbeeld. Je hebt een paar grote wortels die allengs dunnere wortels steunen. Volgens mij volgen die hetzelfde patroon.
Een moederboom zal zo nodig zelfs haar eigen nageslacht doden
Wat maakt die configuratie zo bijzonder?
Stelsels ontwikkelen zich in de richting van die patronen omdat die efficiënt en veerkrachtig zijn. Als we denken aan mijn bos, en aan de netwerken die ik heb beschreven, dan is dat een efficiënte opzet voor de uitwisseling van hulpbronnen tussen bomen en voor hun interactie. In onze hersenen zijn schaalvrije netwerken een efficiënte manier om neurotransmitters over te dragen.
Dat netwerken tussen en in bomen soortgelijke eigenschappen vertonen als de netwerken in onze hersenen is zeer verbazingwekkend. In het geval van onze hersenen begrijpen we dat de structuur van deze netwerken tot cognitie leidt. Heeft u voorbeelden van cognitie bij planten?
Hoe definieer je cognitie? Dat vraag ik omdat er een hele groep wetenschappers is die zegt dat we die term niet mogen gebruiken omdat hij voor verschillende dingen staat.
Was het beter geweest als ik het woord ‘intelligentie’ had gebruikt?
Ik heb het woord ‘intelligentie’ in mijn boeken en artikelen gebruikt omdat ik denk dat we vanuit de wetenschap intelligentie aan bepaalde structuren en functies toeschrijven. Wanneer we een plant en het bos ontleden en naar die dingen kijken – Is er een zenuwnetwerk? Is er communicatie? Is er perceptie en ontvangst van boodschappen? Verandert je gedrag afhankelijk van wat je waarneemt? Herinner je je dingen? Leer je dingen? Zou je dingen anders doen als je ze eerder had meegemaakt? – zijn dat allemaal kenmerken van intelligentie. Planten beschikken over intelligentie. Ze beschikken over alle structuren. Ze beschikken over alle functies. Ze beschikken over gedragingen.
Een ander woord dat lastig kan zijn is ‘communicatie’. Ik zou communicatie definiëren als iedere vorm van informatie-uitwisseling. Dat is een erg grote paraplu; het kan bijvoorbeeld van toepassing zijn op de co-evolutie van bessenkleur en vogelvoorkeur, zodat de bessenkleur in de loop van de tijd aantrekkelijker voor vogels wordt en correleert met voedingseigenschappen. Dat is communicatie, maar we categoriseren die anders dan de alarmkreten van eekhoorns bij de nadering van een havik, of het gesprek dat u en ik nu voeren. Waar past plantencommunicatie in dat spectrum?
Precies daar. En wij zijn gevangenen van onze eigen westerse wetenschap; inheemse volkeren weten al heel lang dat planten met elkaar communiceren. Maar zelfs in de westerse wetenschap weten we dat, want je kunt de verdedigingschemie van een bos dat wordt aangevallen ruiken. Er wordt een chemische stof afgescheiden die door alle andere planten en dieren wordt waargenomen, en waar ze hun gedrag op aanpassen. Als we de wetenschap daarop loslaten, gaan we beseffen dat die planten net zo communiceren als wij. Het is niet alleen maar iets vocaals, al meten sommigen zelfs de akoestiek in bomen en realiseren ze zich dat er een heleboel geluiden zijn die wij niet kunnen horen, en dat zou onderdeel van hun communicatie kunnen zijn. Maar ik weet niet hoe ver dat onderzoek is gegaan. In mijn eigen werk heb ik naar de conversatie via chemie gekeken.
Maar als u en ik communiceren, of dat nu via geluiden of geuren gaat, dan zijn er nog steeds individuen bij betrokken met een innerlijk wereldbeeld. Het is een gesprek tussen bewuste individuen en geen uitwisseling van informatie die plaatsvindt zonder enig besef dat die informatie wordt uitgewisseld. Bestaat dat soort communicatie bij planten? Ik stuur niet aan op een hiërarchie waarin het ene type communicatie beter is dan het andere, maar probeer alleen de verschillen te begrijpen.
Ik denk dat u bedoelt of het een doel dient.
De inheemse bevolking van Noord-Amerika wist allang dat bomen kunnen communiceren
Een doel, en ook een plek om dat doel te ontvangen en te versturen. Ten aanzien van de dierlijke intelligentie hebben sommige filosofen het nu over prereflectief zelfbewustzijn. Het idee is dat er een coherente zelfbeleving bestaat, een bewustzijn dat jij jij bent, dat alle dieren bezitten dankzij hun zintuigen en enig herinneringsvermogen. Op het moment dat er perceptie en herinnering is, is er een zelf. Denkt u dat planten een zelf hebben dat op die manier communiceert?
Dat zijn echt goede vragen. Het beste bewijs dat we hebben – en vergeet niet dat wetenschappers heel wat langer naar mensen en dieren hebben gekeken dan naar planten – is waarschijnlijk dat oude bomen verwante zaailingen kunnen herkennen. We begrijpen niet precies hoe ze dat doen, maar we weten dat er zich zeer geraffineerde handelingen voltrekken tussen fungi die met die bewuste bomen geassocieerd zijn. We weten dat die oude bomen hun gedrag zodanig veranderen dat hun eigen verwanten daar baat bij hebben. Daarna reageren de verwanten ook weer op geraffineerde wijze door beter te groeien of een betere chemische toestand te ontwikkelen. Een moederboom zal zelfs haar eigen nageslacht doden als het zich niet op een geschikte groeiplek bevindt.
Dat laatste voorbeeld, van een moeder die haar nageslacht doodt als de omstandigheden ongunstig zijn, raakt aan wat ik probeerde te zeggen. Weet de moederboom dat ze dat doet? Is er een keus? Heeft een moederboom de keus om al dan niet zorg te verlenen, en is ze zich daar dan op enig niveau van bewust?
We hebben zogeheten keuze-experimenten gedaan met een moederboom, een verwante zaailing en een niet verwante zaailing. De moederboom kan kiezen voor welke ze zal zorgen. We ontdekten dat ze eerder voor haar eigen nageslacht zal zorgen dan voor een niet-verwante zaailing. Bij een ander experiment is de moederboom ziek en zorgt ze voor vreemden dan wel verwanten. Ook daar is sprake van een differentiatie. Naarmate ze zieker is en sneller zal sterven zal ze meer voor haar verwanten zorgen.
We hebben heel wat experimenten gedaan waarbij we de gezondheid van de donor, de moederboom, aanpasten aan de gezondheid van de ontvanger, de zaailing, door het schaduw- of stikstof- of waterniveau te veranderen. Belangrijk is in welke conditie beide verkeren; ze kunnen elkaar waarnemen, en dat soort beslissingen wordt aan de hand van de conditie genomen. Als we de ontvangende zaailing minder gezond maken, zal de moederboom meer voedingsstoffen toedienen dan als we dat niet doen. We concentreren ons voornamelijk op eenrichtingsverkeer, van moederboom naar zaailing. De respons van grote oude bomen is moeilijker te manipuleren en te meten omdat er veel meer factoren een rol spelen. Toch denk ik dat we die experimenten moeten doen, want het is gek om het verkeer de andere kant op buiten beschouwing te laten.
Heeft een moederboom een mentaal beeld van die zaailingen? Een mentaal beeld is uiteraard een zeer dierspecifiek concept. Maar heeft de boom een soort innerlijke beleving, hoe die zich ook manifesteert? Heeft ze dezelfde herinnering aan de zaailing als ik aan bijvoorbeeld mijn kat? Ik kan op ditzelfde moment aan mijn kat denken hoewel hij zich in een andere kamer bevindt, niet omdat ik hem waarneem maar omdat ik een mentaal beeld van hem heb.
Je kunt naar de ringen van een boom kijken. De interacties met zaailingen zijn van invloed op het groeitempo; ze zijn van invloed op de hoeveelheid water en voedingsstoffen die wordt opgenomen. Mensen kunnen dit reconstrueren en zeggen: ‘O, de boom hiernaast is in dat jaar doodgegaan. Toen kreeg deze boom meer ruimte.’ Ze kunnen die reacties zelfs in bepaalde delen van de boomstam compartimenteren. Verschillende planten zijn daar op verschillende manieren toe in staat, maar bij alle bomen huist de herinnering in hun ringen. Bij coniferen huizen de herinneringen ook in de chemie van hun naalden. Een altijdgroene boom, bijvoorbeeld, houdt zijn naalden vijf tot tien jaar vast.
Als je de top van een plant afhakt, volgt daarop een enorme respons van stresshormonen
Bij het onderzoek naar dierlijke intelligentie is lange tijd de nadruk gelegd – en dat gebeurt begrijpelijkerwijze nog steeds – op niet-emotionele en niet-affectieve vormen van cognitie. Nu zijn steeds meer onderzoekers ook emoties gaan bestuderen en realiseren ze zich dat die andere vormen van cognitie, zoals herinnering, probleemoplossing en redenering, vervlochten zijn met emotie.
Als je de neurobiologie die aan onze emoties ten grondslag ligt weglaat uit de vergelijking, dan ontwikkelen vaardigheden als probleemoplossend vermogen en logisch redeneren zich niet. Bij planten ging het meeste onderzoek dat ik heb gelezen over de niet-emotionele kant van dingen. Is er bij planten ook sprake van emotie? Ik zou willen dat ik meer afwist van emotie en affectief leren.
Maar toch, stel dat je een groep planten hebt en er eentje gestrest maakt, dan zal de respons enorm zijn. Botanisten kunnen hun serotoninerespons meten. Ze hebben serotonine. Ze hebben ook glutamaat, dat een van onze eigen neurotransmitters is. Daar hebben planten een heleboel van. Ze krijgen deze responsen onmiddellijk. Als we hun bladeren afknippen of er een stel insecten op zetten, verandert al die neurochemie. Ze beginnen heel snel boodschappen naar hun buren te sturen. Is dat een emotionele respons? Ik denk van wel. Maar ik hoor de botanist in mij al zeggen: ‘Dat is geen emotie. Dat is alleen maar een respons.’
Toch denk ik dat we deze parallellen kunnen trekken. Het komt opnieuw neer op taal, op hoe we deze taal toepassen op het kijken naar deze respons bij planten. Ik denk dat het belangrijk is om die communicatiekloof te overbruggen, zodat mensen beseffen dat als je de top van een plant afhakt, daar een enorme respons op volgt. En geen welwillende. Is dat een emotionele respons? De plant probeert zichzelf ongetwijfeld te redden. Er treedt regulatie op. De genen reageren. De plant begint deze chemische stoffen te produceren. Hoezeer verschilt dat van onze eigen productie van een heleboel noradrenaline?
Zijn er dingen die ons ontgaan bij planten omdat we ons eigen idee over intelligentie aan mensen en dieren ontlenen? Zouden er hele manieren van bestaan kunnen zijn waarvoor we niet eens woorden hebben?
Ik denk het wel. Ik denk dat onze benadering van planten veel te utilitair is en dat we ze zonder reden mishandelen. Dat komt volgens mij omdat we oogkleppen ophebben. We kijken niet goed. We gaan er gewoon van uit dat het goedaardige schepsels zijn zonder emotie. Zonder intelligentie. Ze gedragen zich niet zoals wij, dus sluiten we die mogelijkheid uit. Wat ik ook nog wil zeggen is dat ik weliswaar ontdekkingen heb gedaan over die ondergrondse netwerken, over hoe bomen via die fungusnetwerken kunnen communiceren, maar dat de inheemse bevolking van de westkust van Noord-Amerika dat allang wist.
Je vindt het terug in geschriften en mondelinge overlevering. Het idee van de moederboom is al heel oud. De fungusnetwerken, de ondergrondse netwerken die het hele bos gezond en in leven houden, vind je daar ook. Dat die planten op elkaar reageren en met elkaar communiceren, dat vind je allemaal terug. Ze noemden de bomen het bomenvolk. Aardbeiplanten waren het aardbeivolk. De westerse wetenschap heeft daar een tijdlang een stokje voor gestoken en nu komen we erop terug.
Wat voor relaties zijn er nog meer mogelijk? Wat betekent het om mee te leven met de plantenwereld?
Twee woorden dringen zich onmiddellijk op. Het ene is verantwoordelijkheid. Ik denk dat de moderne samenleving zich niet verantwoordelijk heeft gevoeld voor de plantenwereld. Dus het begint bij verantwoordelijk rentmeesterschap. En we moeten weer respect hebben, een respectvolle interactie met bomen, met planten. Robin Wall Kimmerer vertelt in haar boek Braiding Sweetgrass hoe ze het bos in gaat om geneeskrachtige of eetbare planten te verzamelen. Ze vraagt de planten om toestemming. Dat heet respectvol verzamelen. Niet zo van: ‘O, ik zal de plant vragen of ik hem mag plukken, en als hij nee zegt doe ik het niet.’ Het gaat erom dat je de planten observeert en respect hebt voor hoe ze eraan toe zijn. Dat is volgens mij een verantwoordelijke relatie, niet alleen ten opzichte van de planten, maar ook ten opzichte van onszelf en onze kinderen en de talloze generaties voor en na ons. Ik denk dat mensen meteen zullen begrijpen hoe bomen met elkaar in verbinding staan en communiceren. Het begrip daarvoor zit bij ons ingebakken. En ik denk niet dat het ons veel moeite zal kosten om het opnieuw te leren.
Na de gigantische bosbranden in Indonesië in 2015 zijn overal in het land WhatsApp-groepen opgericht. Hun missie: het vuur doven voordat het zich verspreidt.
Keuze uit het archief
Naarmate de aarde opwarmt lijken bosbranden een steeds vaker terugkerend verschijnsel te worden. Dit jaar begon met branden in Los Angeles, in maart was Zuid-Korea aan de beurt, in april brak er brand uit op de Edese heide en begin mei ontstonden er bosbranden in de regio rond Jeruzalem. Afgelopen week kwamen er twee mensen om bij bosbranden in Canada.
Wat kunnen we doen om de gevaren te minimaliseren en te voorkomen dat bosbranden ontstaan en zich verspreiden? In Indonesië vonden ze daar iets op. Na de gigantische bosbranden in 2015 is er een compleet WhatsApp-netwerk op touw gezet om brandhaarden te signaleren, zodat ze meteen in de kiem gesmoord kunnen worden. Dit artikel van Koran Tempo uit 2017 legt uit hoe dit surveillancesysteem in zijn werk gaat.
Op 8 januari 2017 stuurt kolonel Refrizal, commandant van legerpost O42/Garuda Wit in Jambi, om exact vijf uur ’s ochtends het volgende bericht: ‘Mevrouw Ning, kunt u ons de gegevens zenden over de vanochtend door u gesignaleerde brandhaarden?’ Het antwoord volgt onmiddellijk: ‘Surveillancerapport van 5:00 uur West-Indonesische tijd [de archipel strekt zich uit over drie tijdzones]: in de provincie Jambi geen brandhaarden gedetecteerd.’
De legercommandant coördineert de bosbrandsurveillance in de zwaarst getroffen regio’s. Minimaal drie keer per dag wisselen het hoofd van het Bureau voor Meteorologie, Klimatologie en Geofysica in Jambi en hoofd informatievoorziening Kurnianingsih van het weerstation Sultan Thaha in Jambi de relevante gegevens over elk van de potentiële brandhaarden uit. Die informatie wordt verzonden via de satelliet Terra-Aqua en bevat de dagelijkse weersvoorspelling, de temperatuur, evenals de kans op regen en storm. Daarna worden deze gegevens gedeeld in de WhatsApp-groep ‘rampensurveillance Jambi’.
De leden van de WhatsApp-groep beantwoorden de berichten onmiddellijk; ze vragen bijvoorbeeld om de coördinaten van een gedetecteerde brandhaard. Ze snellen dan naar deze plek toe om de gegevens te verifiëren en delen dezelfde dag nog hun waarnemingen via hetzelfde netwerk. Als ze inderdaad een brand ontdekken, is het vaak niet meer dan een berg brandend afval of vuilnis. Toch doven ze ook deze branden, om overslaan te voorkomen.
Praktisch medium
De WhatsApp-groep is uitgegroeid tot een buitengewoon praktisch medium voor informatie-uitwisseling en discussie. Bij elke detectie van een bos- of veldbrand kan er op deze manier onmiddellijk worden gereageerd. De groep werd opgericht in 2015, het jaar waarin ongekende bosbranden de eilanden Sumatra en Kalimantan teisterden. Aanvankelijk had de groep maar 20 leden, maar nu zijn het er al 83. De leden zijn merendeels publieke diensten op regionaal, provinciaal en zelfs landelijk niveau. Er zijn burgemeesters bij, leger-, politie- en brandweercommandanten, ambtenaren die bosbouwvergunningen verstrekken en zelfs journalisten. De leden zijn verplicht om altijd te reageren. ‘Als een van ons niet alert is, wordt hij onmiddellijk door de andere leden tot de orde geroepen,’ zegt de coördinator van de groep Dalmanto, die hoofd is van de rampenbestrijdingsdienst van de regio Jambi.
In de provincie Riau wordt met hetzelfde communicatiesysteem gewerkt en telt de WhatsApp-groep al bijna tweehonderd leden. Indien nodig schakelen de patrouille-eenheden op de grond het leger en de politie in. Elke patrouillemedewerker ontvangt dagelijks een premie van 150.000 roepia’s [11 euro]. Mochten de eenheden op de grond de vlammen niet meester worden, dan roepen ze de hulp in van de blusvliegtuigen van Canadair.
Na de gebeurtenissen van 2015 begon men te beseffen hoe belangrijk dit soort netwerken zijn. De traagheid waarmee toen op de bosbranden werd gereageerd bleek fataal te zijn. Zeven Indonesische provincies, Singapore en gedeeltes van Maleisië stikten tussen juni en november 2015 in de rook van felle bosbranden. De schade bedroeg meer dan 200 biljoen roepia’s [14 miljard euro].
Iedereen, zonder uitzondering, had eronder te lijden. ‘Toen ik mijn scriptiebegeleider te spreken wilde krijgen, lukte dat niet,’ vertelt de 23-jarige student Iliyin Toni, die momenteel stage loopt bij de Dienst Voorkoming Bosbranden van het ministerie van Milieu. In 2015 was hij nog student aan de Tanjungpura-universiteit in West-Kalimantan. Sinds juni 2016 bemant Toni elke vrijdag en zondag de surveillancepost voor bos- en veldbranden. Hij houdt de computerschermen in de gaten, alert op de eerste tekenen van vuur. Van hem en zijn collega’s wordt verwacht dat ze elke ochtend om zeven uur een observatierapport gereed hebben, dat via de satellieten Terra-Aqua en NOA A wordt verspreid. Zelfs de minister van Milieu en Bossen, Siti Nurbaya Bakar, ontvangt het dagelijks op zijn smartphone. Toni was eerder al getuige van de verschrikkelijke bosbranden die Indonesië in 1997 teisterden [in die tijd zuchtte Indonesië bovendien onder een economische crisis, die een jaar later de toenmalige dictatuur fataal werd]. Hij was toen nog een kind en had een zaklamp nodig om in de dichte rook de weg naar school te vinden.
In 2015 was er in de provincie Jambi alleen al voor het bluswerk van het Canadair-vliegtuig 6,52 miljoen liter water nodig
De afgelopen twintig jaar kwamen de bos- en veldbranden regelmatig in alle hevigheid weer terug. In 2015 was er in de provincie Jambi alleen al voor het bluswerk van het Canadair-vliegtuig 6,52 miljoen liter water nodig, en 6,7 ton zout voor de kunstmatige beregening. Om herhaling van deze desastreuze episodes te voorkomen, is de surveillance nu geïntensiveerd. President Joko Widodo riep op 23 januari jongstleden de regiohoofden en ook de commandanten van leger en politie bijeen om over de nationale coördinatie van preventie en bestrijding te overleggen. Hij hield hen voor dat voortaan bij evaluaties de prestaties van de troepen bij het bestrijden van branden meegewogen moesten worden. ‘Dat was ter motivatie bedoeld, niet als waarschuwing. Samen met de bevolking moeten we er alles aan doen om de branden te stoppen. En mocht dat voor jullie als soldaten een risico opleveren, dan moeten jullie bereid zijn dat te nemen,’ hield commandant Naudi Nurdika zijn troepen voor.
Dankzij de intensieve communicatie via WhatsApp-groepen kunnen niet alleen de risico’s worden geminimaliseerd, maar bovendien de trauma’s van de branden en rookwolken van voorgaande jaren worden geheeld.
CONTEXT: Veengebieden in gevaar
Koran Tempo bericht dat een aantal organisaties fel protesteert tegen een wetsvoorstel over palmolieplantages, waarover dit jaar gestemd moet gaan worden. Deze wet kan een gevaar opleveren voor veenlandschappen. Deze ecosystemen, waarin enorme massa’s organisch, CO2-rijk materiaal liggen opgeslagen, hadden bijzonder te lijden onder de branden van 2015. Tijdens de klimaattop in Parijs had president Joko Widodo toegezegd om zich persoonlijk in te zetten voor het herstel en de bescherming van de veengebieden, waarvan Indonesië maar liefst zestig procent van het wereldwijde totaal herbergt. In 2016 werd een decreet aangenomen waarin dit geregeld werd.
Syahrul Fitra, lid van de Koalisi Antimafia Hutan de antimaffiacoalitie voor de bossen) protesteert vooral tegen artikelen 23 en 24 van voornoemd wetsvoorstel, waarin staat: ‘Het is personen of rechtspersonen toegestaan om op minerale gronden of veengebieden oliepalmen te verbouwen. Indien de status van nationale bosgebieden of van onbebouwde grond verandert, mag de regering deze omvormen tot palmolieplantages.’
Volgens vicedirecteur Andi Muttaquien van het Instituut voor Beleidsonderzoek en Belangenbehartiging (ELSAM) vormt het wetsvoorstel ook voor mensen een gevaar. Artikel 29 biedt conglomeraten allerlei mogelijkheden om concessies te verwerven. ‘Maar het welzijn van kleine exploitanten en plantagearbeiders is in het voorstel niet geregeld,’ legt hij uit.
‘Van de naar schatting 10,4 miljoen arbeiders op palmolieplantages in het land, zijn zeventig procent dagloners die geen enkele sociale bescherming genieten’, schrijft Koran Tempo.
Waarom weigeren de Oost-Europese landen vluchtelingen op te vangen? Omdat ze nog steeds leiden aan een collectief trauma uit de communistische tijd, schrijft Slavenka Drakulić.
Tot voor kort leek het erop dat de landen in Oost- en West-Europa naar elkaar toe groeiden en dat de mentaliteit in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie zich steeds meer aanpaste aan de democratische normen. Maar de vluchtelingencrisis heeft een hardnekkige kloof blootgelegd. Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije verzetten zich tegen de verdelingsquota’s, Bulgarije heeft zijn grens gesloten, ook Roemenië voelt niets voor vluchtelingenopvang en Slovenië en Kroatië zeggen dat ze te weinig opvangcapaciteit hebben. Na de laatste verkiezingen heeft Polen zich bij hen aangesloten. Solidariteit? Nee, dank u.
In het Westen verbaast men zich over de weigering van de Oost-Europese landen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Gisteren vroegen ze nog hulp aan Europa, en die hebben ze gekregen ook. Vanwaar dan deze huidige houding? Daar zijn diverse historische redenen voor.
Grote verwachtingen
Op het moment dat ze zich aansloten bij de EU hadden de Oost-Europese landen grote verwachtingen, groter dan kon worden waargemaakt. Naast vrijheid, democratie en respect voor de mensenrechten hoopten de burgers op een beter leven. Voor hun verwachtingen van ‘Europa’ (of van het ‘Westen’) hadden ze verschillende argumenten. Om te beginnen het feit dat zij ook Europeanen waren, die na de Sovjet-bezetting eindelijk in het Europa werden opgenomen waar ze ontegenzeglijk bij hoorden.
Maar het belangrijkste argument was het leed dat hun bevolking was aangedaan tijdens tientallen jaren Sovjettotalitarisme. Dit leed gaf hun de status van slachtoffers. Dat was iets wat het Westen, dat zich in deze periode had ontwikkeld en steeds rijker was geworden, nooit mocht vergeten. De Oost-Europese landen hadden niet alleen recht op deze erkenning, maar ook op een soort schadevergoeding voor alles wat ze hadden ondergaan. Zo dacht men in Oost-Europa over de hulp en de solidariteit van het Westen, waaraan sommigen niet vergaten toe te voegen dat ze ook nog eeuwenlang onder Turkse bezetting hadden geleefd.
De psychologie van het slachtoffer heeft altijd een grote rol gespeeld in deze voormalige communistische landen, vooral omdat de slachtofferstatus materiële winst kon opleveren. Maar toen ze eenmaal onafhankelijk waren en deze status werd erkend, kwamen er plotseling nieuwe slachtoffers, die nog meer slachtoffer waren!
Volgens de totalitaire mentaliteit hoeven slachtoffers zich niet verantwoordelijk te voelen, omdat ze niet verplicht zijn andere slachtoffers te helpen. Daar komt nog bij dat deze landen zich niet alleen solidair moeten tonen met de Europeanen, maar ook met moslimimmigranten met een andere cultuur, andere gewoonten en zelfs een andere huidskleur! De burgers van de voormalige communistische landen zijn niet alleen ondankbaar, ze zijn ook xenofoob geworden.
Terwijl de EU steeds multicultureler werd, sloten de Oost-Europese landen zich steeds meer van de buitenwereld af
Nog niet zo lang geleden werd er oorlog gevoerd in ex-Joegoslavië om onafhankelijke staten te creëren, en de Tsjechische Republiek en Slowakije gingen uiteen. Roemenië heeft voortdurend problemen met zijn Hongaarse en Romaminderheid. Bulgarije heeft geprobeerd zijn Turkse minderheid Slavisch te maken. De houding van Hongarije tegenover de Roma is nog schandaliger omdat er niet tegen wordt opgetreden.
Dit alles valt te verklaren vanuit de wil van deze landen om nationale, liefst etnisch zuivere staten te stichten. Terwijl de EU steeds multicultureler werd, sloten de Oost-Europese landen zich steeds meer van de buitenwereld af.
We mogen niet de rol vergeten die het nationale bewustzijn, de taal en de godsdienst hebben gespeeld bij de verdediging van de nationale en culturele identiteit, die door de totalitaire regimes werd bedreigd. Daarom roept het idee om vreemdelingen op te vangen en te laten integreren angsten op die de xenofobie aanwakkeren. De vraag die dan rijst is de volgende: waarom zou je oorlog hebben gevoerd met je buren en neven als je nu volstrekte vreemdelingen moet opnemen? Waarom zou je, nu je je staat hebt gesticht, omwille van solidariteit afstand moeten doen van je slachtofferstatus en je nationale homogeniteit?
Hoogtepunt
Deze weigerachtige houding is dus niet verbazingwekkend. ‘Ondanks alle druk zullen de Hongaren niet bereid zijn hun culturele model te veranderen, omdat ze binnen hun staat geen parallelle samenleving willen creëren, zoals het geval was toen het Westen een groot aantal migranten uit moslimlanden opving,’ heeft Viktor Orbán openlijk verklaard. Ook al is ze moreel onaanvaardbaar, zijn reactie komt niet helemaal uit de lucht vallen.
In de huidige crisis wenden ook steeds meer West-Europese burgers zich tot conservatieve partijen. De populariteit van de conservatieve en rechts-radicale partijen beleeft een hoogtepunt. In Letland verwijt men de EU dat ze quota’s oplegt en zich gedraagt als Moskou toen dat tienduizenden Russen naar Letland en Estland stuurde. Om vooruitgang te boeken in de vluchtelingenproblematiek zullen we dus enig begrip moeten tonen voor de reacties en het collectieve trauma van de voormalig socialistische landen.
Auteur: Slavenka Drakulić
Vertaler: Peter Bergsma
Slavenka Drakulić is een veel vertaald Kroatisch journalist en auteur die m.n. schrijft over feminisme, communisme en postcommunisme.
Jutarnji List Kroatië, dagblad, oplage 53.000
Opgericht na de onafhankelijkheid van Kroatië in 1991. De ‘Ochtendkrant’ is de op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en biedt veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.
Noord-Europa heeft heel wat te stellen met de zuidelijke landen en de Britten, schrijft Der Spiegel. Maar de rechts-radicale en nationalistische partijen in het Oosten vormen een veel groter probleem.
De ontmoeting, begin januari, tussen de Hongaarse premier Viktor Orbán en Jaroslaw Kaczynski [leider van de conservatieve Poolse partij Recht en Gerechtigheid, die sinds oktober 2015 aan de macht is], markeert het begin van de volgende crisis in de Europese Unie: een hernieuwde wig tussen oost en west. De EU kent al twee grote crises: het noorden tegenover het zuiden en Groot-Brittannië tegenover de rest. Beide dateren niet van vandaag of gisteren, alleen de omvang is veranderd.
Vroeger waren er inkomensverschillen tussen het economisch sterkere noorden en het armere zuiden. Tegenwoordig zijn er economische onevenwichtigheden, wat niet hetzelfde is. Ook het conflict met Groot-Brittannië is al oud. Een kwart eeuw geleden onderhandelden de Britten al over een uitzonderingspositie binnen de Monetaire Unie. Dit jaar houden ze een referendum over het EU-lidmaatschap. Het oost-westconflict in deze vorm is echter nieuw.
Het resultaat is een interessante geometrische constructie: een kloof tussen het noorden en het zuiden, tussen het westen en het oosten, en tussen het centrum en de periferie. Welkom in het nieuwe Europa.
In West-Europa gaat de strijd tussen links en rechts, in Oost-Europa tussen rechts en extreemrechts
Het conflict met de Britten zal dit jaar hoe dan ook worden beslecht. Het conflict tussen noord en zuid zal de EU misschien nog vijf of tien jaar verscheuren. Ik heb er steeds minder fiducie in dat Duitsland en Italië in één monetaire unie naast elkaar kunnen bestaan. Op een gegeven moment wordt de psychische druk gewoonweg te groot.
Het oost-westconflict is daarentegen een politieke waterscheiding die zijn weerga in de EU niet kent. In West-Europa domineren normaal gesproken twee grote partijen het politieke spectrum, de ene centrumlinks, de andere centrumrechts. Maar in verscheidene Oost-Europese landen – zoals nu in Polen en Hongarije – gaat de strijd tussen rechts en extreemrechts. Van buitenaf lijkt het bijna onmogelijk Orbán nog rechts in te halen, ook al is zijn partij, Fidesz, in het Europese Parlement formeel aangesloten bij de fractie van de christendemocraten. Maar zijn gevaarlijkste tegenstander in Hongarije is de nationalistische partij Jobbik.
Nieuw rechts in Oost-Europa veracht de liberale landen in het Westen. Vanuit hun optiek is Duitsland liberaal, en staat Merkel links van het midden. Een politiek van open grenzen voor vluchtelingen is wat hun betreft ondenkbaar. Orbán beveiligt zijn grenzen met prikkeldraad.
Nieuw rechts in Oost-Europa is overigens niet volledig homogeen. Orbán bewondert Vladimir Poetin, Kaczynski haat de Russische president. Enkele rechtse politici, zoals de voormalige Tsjechische president Václav Klaus, zijn radicaal op het gebied van marktwerking. Kaczynski is dat bepaald niet.
Ondemocratisch
In Duitsland zouden Orbán en Kaczynski misschien als rechts-radicalen worden bestempeld en onder observatie van de binnenlandse veiligheidsdienst worden gesteld. Hun regeringen hebben de onafhankelijkheid van justitie, pers en zelfs de centrale banken aanzienlijk beperkt. Wat er in deze landen gebeurt, is absoluut niet verenigbaar met de democratische grondbeginselen van de EU.
Vanuit onze optiek wekt echter nog iets anders verbazing. Hoe komt het dat in deze landen op dit moment nationalistische gevoelens bovenkomen, juist nu ze zijn toegetreden tot de EU? Als Orbán of de Kaczynski’s tien jaar eerder waren gekozen, dan was ons hun lidmaatschap bespaard gebleven. Nu is dat niet meer ongedaan te maken.
Vergeleken met Oost-Europa zijn de Britten perfecte teamplayers
En zelf willen ze niet uittreden, want het lidmaatschap van de EU is financieel aantrekkelijk. Dat is een belangrijk verschil met de Britten. De voorstanders van een Brexit verwachten duidelijke economische voordelen. Velen van hen zijn conservatief, maar er zitten ook veel linkse politici tussen. Als je naar Orbán en Kaczynski kijkt, zie je opeens dat we veel gemeen hebben met de Britten. Groot-Brittannië heeft weliswaar ook een rechts-conservatieve partij, UKIP, maar die is bij de laatste verkiezingen compleet geïmplodeerd. Nog meer dan bij ons bestaat politiek daar uit een klassieke strijd tussen een conservatieve en een sociaaldemocratische partij. Geschillen met EU-partners worden opgelost via onderhandelingen, niet met eenzijdige besluiten. De Britten respecteren geldend recht. Ze willen het veranderen, niet schenden.
Het unilateralisme van het Oosten zal de volgende breuklijn zijn in de politieke geometrie van de EU. Met zo veel van die zwakke plekken moet je niet verbaasd staan als het vroeg of laat tot een echte breuk komt. Ikzelf beschouw de uitbreiding van de EU naar het Oosten achteraf als een grote fout. We hebben landen de EU binnengehaald die Europese integratie geen snars interesseert. Vergeleken met hen zijn de Britten altijd perfecte teamplayers geweest.
Der Spiegel Duitsland, weekblad, oplage 976.000
Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.
De Spaanse schijver Jordi Soler vergelijkt de communicatie van politici in zijn land met de tuinmetaforen van meneer Chance in Jerzy Kosinski’s Being There: een verzameling oneliners die overal en eindeloos kunnen worden herhaald.
In zijn roman Being There (1970) vertelt Jerzy Kosinski het verhaal van een man die buiten de samenleving opgroeide. Van jongs af aan woont hij met een rijke man en diens personeel in een huis waar hij nooit een voet buiten de deur zet. Straatgeluiden en wat hij toevallig op tv ziet geven hem een vermoeden van de wereld aan de andere kant van de tuinmuur. Omdat hij als tuinman werkt, weet hij alles van de verschillende groeistadia van bomen, van bloemen, struiken en de wereld die zij vormen. Geen wonder dus dat hij alleen tuintaal spreekt.
Op een dag moet Chance het huis en de tuin verlaten, de enige werkelijkheid die hij kent. Dankzij Kosinski’s verhaalkunst vindt hij een nieuw onderkomen bij een erg invloedrijke man, een vriend van de president van de Verenigde Staten, die verbijsterd is door de manier waarop Chance zich uitdrukt. Hij spreekt uitsluitend in tuintermen.
Metaforen
Het personage praat zo omdat hij geen andere werkelijkheid kent, maar de mensen horen in zijn taalgebruik lumineuze allegorieën en wijze metaforen. Zo is de president vol bewondering als Chance hem vertelt hoe hij denkt over de economische crisis die de Verenigde Staten doormaakt: ‘Elke tuin maakt een bloeiperiode door. Je hebt het voorjaar en de zomer, maar ook de herfst en de winter, daarna komen het voorjaar en de zomer weer. Zolang je de wortels niet doorsnijdt is alles goed en zal alles goed blijven.’
Zijn metaforische taal – die dat in feite niet is – maakt van Chance een gewilde adviseur met een briljante toekomst in de Amerikaanse politiek. [Hieronder is een fragment te bekijken. De hele film bekijkt u hier.]
Meneer Chance is zo’n romanpersonage dat je de werkelijkheid vanuit een ander perspectief laat zien: zijn tuinmetaforen vormen een zeer klein, maar effectief arsenaal aan ideeën, te vergelijken met wat de Spaanse politici onlangs tijdens de verkiezingscampagne hebben laten horen. Wat een politicus in de eenentwintigste eeuw te zeggen heeft bestaat welbeschouwd uit niet meer dan een verzameling oneliners die dienst kunnen doen als krantenkoppen en eindeloos kunnen worden herhaald op de radio, op televisie en, vooral, op de sociale media; in Spanje zijn bijna 24 miljoen mensen online.
Zoals kranten tegenwoordig geen eenheid meer zijn maar een samenraapsel van duizenden nieuwsberichten, zoals platen zijn verworden tot een kakofonie van losse nummers en speelfilms in stukken worden gehakt om er televisieseries van te maken, zo moet wat de politicus te zeggen heeft verpakt worden in een handzaam setje korte, welluidende oneliners die pakkend, licht en gestroomlijnd zijn zodat ze probleemloos door cyberspace kunnen vliegen. De lange toespraken van Fidel Castro voor een stadion vol bekeerlingen waar hij acht à tien uur lang aan een stuk door oreerde – zonder ook maar een slok water te drinken en dus zonder te plassen – behoren tot de twintigste eeuw.
Als Twitter mijn enige informatiebron was geweest had ik gezworen dat Podemos de verkiezingen zou gaan winnen
Maar wat is de houdbaarheidsdatum van een politicus die in een sporthal een uur lang de longen uit zijn lijf staat te schreeuwen in een wereld waarin we zonder dat we uit onze stoel hoeven te komen een piano kunnen kopen, nieuwe vrienden kunnen maken of (virtuele) seks kunnen hebben? De dag van de verkiezingen volgde ik Mariano Rajoy, Pedro Sánchez, Pablo Iglesias en Albert Rivera op Twitter. Als Twitter mijn enige informatiebron was geweest had ik gezworen dat Podemos de verkiezingen zou gaan winnen. De verspreiding van microinformatie, van microkreten, de uitputtende manier waarop deze partij micropolitiek bedrijft, de hyperactiviteit op de sociale media; dat is zonder enige twijfel de basis van hun succes.
Het is uiteraard een mondiaal fenomeen. Overal op de wereld maken politici gebruik van de sociale media om permanent in contact te staan met hun volgers, om hen vierentwintig uur per dag te bestoken met een klein repertoire oneliners. Het is een wereld van verschil met hoe het een volgeling van een politicus in de vorige eeuw verging: zodra de bijeenkomst was afgelopen, hoorde hij niets meer van de kandidaat.
Micropolitiek, dat handjevol oneliners van een verkiesbare politicus dat eindeloos rondzingt op de sociale media, heeft in Spanje een pervers trekje. In een land waar men niet gewend is om te debatteren, om rustig ideeën en opvattingen met elkaar te bespreken, waar iedereen maar dan ook iedereen zijn mening luidkeels en ongenuanceerd opdringt – of dit nu in het parlement is, in praatprogramma’s op tv of aan de bar in het café –, heeft micropolitiek veel meer gewicht dan in landen waar de kiezer de mogelijkheid heeft om dankzij een ruim aanbod aan debatten kennis te nemen van de ideeën, de stijl, de taal, de cultuur en het reactievermogen van een politicus met regeerambities die op zijn falie krijgt.
Van een openbaar debat tussen kandidaten word je in Spanje niet veel wijzer en in de sporthallen vind je tegenwoordig alleen nog maar mensen die in staat zijn om in levenden lijve urenlang hysterische politieke retoriek aan te horen. De overgrote meerderheid – een meerderheid die almaar toeneemt omdat een nieuwe generatie kiezers zich aandient – moet het doen met dat half dozijn algemeenheden online die met elkaar het versimpelde, tot hapklare brokken teruggebrachte verkiezingsprogramma vormen. Zes stellige uitspraken, die de kandidaat persoonlijk naar de accounts van zijn volgers stuurt, moeten het voor de rest vaak vage verkiezingsprogramma maskeren.
In een onbewaakt ogenblik
Terug naar de roman van Jerzy Kosinski. Had meneer Chance niet in de jaren zestig van de vorige eeuw maar in onze tijd triomfen gevierd, dan had hij ongetwijfeld zijn kleine ideeënarsenaal op Twitter en Facebook rondgestrooid. Zijn tuinmetaforen hadden hem duizenden volgers opgeleverd. Met zijn populariteit op de sociale media en zijn aanzien zou hij, zonder verdere inhoud, een verkiezingscampagne hebben kunnen voeren en, in een onbewaakt ogenblik, de verkiezingen hebben gewonnen.
Halverwege de roman merkt een vrouw het volgende op over meneer Chance: ‘Hij is geen huichelachtige idealist en geen routineuze technocraat.’ Oftewel, hij wentelt zich in een prettige politieke middelmatigheid en is kort van stof: aan die handvol ambigue metaforen kan hij zich geen buil vallen. Daar gaan de verkiezingscampagnes naartoe. De kandidaten hoeven niet langer in sporthallen de longen uit hun lijf te schreeuwen. Ze zijn alleen te zien in een gecontroleerde setting, in radio- en televisiestudio’s, in lange portretten in de pers terwijl hun spindokters op de sociale media vierentwintig uur per dag hun zeer kleine, maar effectieve repertoire aan ideeën herhalen. Micropolitiek baart micropolitici.
Auteur: Jordi Soler
Vertaler: Henriëtte Aronds
Jordi Soler (1963) is auteur van twee dichtbundels en tien romans. Hij is een van de belangrijkste literaire stemmen van zijn generatie.
Beeld bovenaan: Filmstill uit Being There.
El País Spanje | oplage 397.000
Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.