Tag: concentratie

  • Een gezonde democratie vraagt om aandacht

    Een gezonde democratie vraagt om aandacht

    Onze aandachtsspanne bedraagt inmiddels een armzalige 47 seconden. Maar sommige verhalen, zoals het postkantoorschandaal (een Britse versie van het toeslagenschandaal), weten nog steeds onze aandacht te trekken en onze woede aan te wakkeren.

    Het kost gemiddeld vierenhalve minuut om deze column te lezen, dus je moet een paar pauzes incalculeren om je erdoorheen te slaan.

    Dit is een column over… Sorry, waar was ik gebleven?

    O ja, dit is een column over onze aandach… wacht even…

    Sorry, ik kreeg een appje. Zo grappig.

    Maar goed, aandacht, en hoe dat in het komende jaar…

    Shit, weer een mailtje. Moment.

    Dat filmpje dat ik net zag over een auto-ongeluk op Insta, je gelooft je ogen niet. Iemand die in zo’n knoert van een SUV achter het stuur in slaap sukkelt… Maar ik dwaal af.

    Als we de sociale wetenschappers mogen geloven, bedroeg onze gemiddelde aandachtsspanne twintig jaar geleden tweeënhalve minuut. En nu nog maar 47 seconden. In 47 seconden kun je pakweg 120 woorden lezen, ongeveer zoveel als ik er nu geschreven heb, en dan… Hè nee toch, gaat het nou regenen als ik straks naar huis moet? Sorry, toch even kijken.

    Ik heb deze cijfers gehoord – gehoord, ja, luisterend naar een podcast, niet starend naar een schermpje – in de voortreffelijke Ezra Klein Show van The New York Times. Klein sprak daarin met Gloria Mark, een hoogleraar aan de University of California, Irvine, die zich gespecialiseerd heeft in onderzoek naar het hoe en wat van ons concentratievermogen.

    Omdat mensen zichzelf wijsmaken dat het wel meevalt met hun aandachtsspanne, heeft haar team dat door slimme software laten meten, en zo kwamen ze uit op dat vrij dodelijke getal van 47 seconden. Daarmee scoren we wel hoger dan een mug of een goudvis, maar misschien is het toch niet helemaal wat we hadden gehoopt na een slordige vier miljoen jaar evolutie.

    Klein omschrijft onze huidige wereld als een ‘aandachtsgestoorde maatschappij. We hebben tig dingen ontwikkeld die om onze aandacht schreeuwen en ons steeds meer opjagen, van tv tot TikTok.’ Daar kan hij weleens gelijk in hebben. En dan het verschijnsel van nieuws mijden.

    Ben je daar nog? Want als je even wilt checken wanneer je pakjes nou bezorgd gaan worden, geen punt hoor

    Het aantal mensen dat gestopt is met het lezen van of kijken naar bepaalde soorten nieuws is in het Verenigd Koninkrijk in vijf jaar tijd verdubbeld. Zo’n 40 procent van ons zegt het nieuws nu soms of zelfs vaak te mijden. Gevraagd naar het waarom zeggen de respondenten dat het nieuws te negatief is, te deprimerend. Sommigen vertrouwen het niet, anderen trekken het niet. Een flinke minderheid klaagt dat ze er niets mee kunnen. Ze voelen zich machteloos.

    Ik moest aan deze cijfers denken toen ik de verbluffende impact zag van ITV’s dramaserie over het Britse postkantoorschandaal. Binnen enkele dagen was de publieke verontwaardiging zo aangezwollen dat de autoriteiten als de wiedeweerga op hun schreden moesten terugkeren en alsnog met één pennenstreek honderden onterechte veroordelingen van postkantoorhouders hebben vernietigd.

    Het is niet zo dat dit verhaal in de jaren daarvoor geen aandacht kreeg van journalisten. Speciale vermelding verdienen wat dat betreft onder meer Computer Weekly, de Daily Mail, The Times, de BBC en het blad Private Eye. Maar om de een of andere reden kreeg het niet de aandacht van de massa. Die klikte op een grappig plaatje of keek de andere kant op.

    Zullen we hier even pauzeren zodat je, weet ik veel, een koekje kunt eten of zo?

    In de jaren twintig van de vorige eeuw voerden twee politieke denkers, John Dewey en Walter Lippmann, een lang en beroemd geworden debat over de relatie tussen media en democratie. Dat was honderd jaar geleden, dus dat debat had de vorm van dikke turven met stofomslag. Lippmann schreef een boek. Dan snoof Dewey misnoegd en zette hij zich aan het schrijven van een weerwoord. En het publiek lustte er wel pap van. Grote aandachtsspanne toen nog, weet je wel.

    Lang verhaal kort – want ik weet dat je op het punt staat even je banksaldo te checken –, Dewey vond het een essentiële bestaansvoorwaarde voor een gezonde democratie dat we nieuws tot ons nemen. Als kiezers hebben we een soort burgerplicht om geïnformeerd te blijven, want dan kiezen we vanzelf de beste mensen om ons te vertegenwoordigen.

    Leuk bedacht, wierp Lippmann tegen. Maar in zijn ogen was de grote massa gedoemd om buitenstaander te blijven, terwijl veel van wat de overheid doet, gedaan wordt en gedaan moet worden door insiders en deskundigen. En hij was ook van mening dat de pers nooit in staat zou zijn om de kiezers naar behoren te informeren.

    Aanhaken

    Ik heb mezelf altijd tot het Dewey-kamp gerekend, zoals waarschijnlijk de meeste journalisten. Maar ik geef toe dat zijn theorie spaak loopt als de kiezers afhaken of… Ach wat, ik moet echt even kijken waar dat pakje nou blijft.

    Maar bij het treurige verhaal van het postkantoorschandaal is het beeld veel genuanceerder. De makers van de tv-serie zullen de eersten zijn om toe te geven dat hun serie niet gemaakt had kunnen worden zonder het harde onderzoekswerk dat journalisten al bijna vijftien jaar in de zaak hadden gestoken. Zij stelden de vragen, verzamelden de cijfers, zetten vraagtekens bij de officiële verklaringen en schetsten zo stilaan de contouren van een groot schandaal. Daarna was er nog wat briljant scenarioschrijfwerk, regie en spel voor nodig om een versie van het verhaal neer te zetten die eindelijk breed aansloeg en publieke verontwaardiging wekte. 

    Dus misschien had Dewey toch gelijk. We kunnen het niet overlaten aan de ‘deskundigen’, zoals Lippmann wilde. De publieke opinie kan wel degelijk gemobiliseerd worden en een orkaan van protest veroorzaken die geen politicus meer kan negeren. Maar dan moeten we juist aanhaken, niet afhaken. Zoals we deden met Mr Bates vs The Post Office, vier afleveringen lang.

    Dus stop met dat nieuws mijden en hou je kop erbij. Onze democratie hangt ervan af.

  • Verpesten sociale media ons vermogen om ons te focussen?

    Verpesten sociale media ons vermogen om ons te focussen?

    Doomscrolling en brain rotting zijn relatief nieuwe termen die verwijzen naar de negatieve impact van sociale media op ons concentratievermogen. Is er reden tot zorgen? Twee opiniemakers gaan in debat.

    ‘Het feit dat degenen die het meeste risico lopen zich het meest bewust zijn van het probleem is bemoedigend nieuws’

    ‘Als je de laatste overblijfselen van het menselijk intellect door de gootsteen wilt zien spoelen, typ dan de woorden “skibidi toilet” in op YouTube’, schrijft Siân Boyle in The Guardian. De video van elf seconden toont een geanimeerd hoofd dat uit een toiletpot steekt terwijl het de onzinnige tekst ‘skibidi dop dop dop ja ja’ zingt. De clip is meer dan 215 miljoen keer bekeken en leidde tot honderden miljoenen verwijzingen op TikTok en andere sociale media. ‘Het is dan ook toepasselijk dat brain rot zojuist is benoemd tot het Oxford-woord van het jaar.’ Het woordenboek definieert brain rotting als ‘de veronderstelde verslechtering van de mentale of intellectuele toestand van een persoon, vooral als het resultaat van overconsumptie van (online) materiaal dat als triviaal of onuitdagend wordt beschouwd’. Volgens Boyle zijn maar weinig mensen zich ervan bewust hoe letterlijk technologie onze hersenen verpest en hoe onmiskenbaar dwangmatig internetgebruik onze grijze massa vernietigt.

    Brain rot werd bijna twintig jaar geleden al voorspeld toen wetenschappers de effecten bestudeerden van een destijds nieuwe uitvinding genaamd e-mail. Ze bestudeerden met name de impact die een onophoudelijk spervuur van informatie zou hebben op de hersenen van de deelnemers. ‘Constante cognitieve overbelasting had een negatiever effect dan het innemen van cannabis, waarbij het IQ van de deelnemers gemiddeld met 10 punten daalde’, schrijft Boyle. ‘En dat was nog voordat smartphones het internet binnen handbereik brachten, wat ertoe heeft geleid dat de gemiddelde volwassene in het Verenigd Koninkrijk nu minstens vier uur per dag online is (waarbij gen Z-mannen vijf en een half uur per dag online zijn en gen Z-vrouwen zes en een half).’

    Boyle haalt aan dat de afgelopen jaren een overvloed aan academisch onderzoek van onder andere de Harvard Medical School, de Universiteit van Oxford en King’s College London bewijs heeft gevonden dat het internet onze grijze hersenmassa doet krimpen, de aandachtsspanne verkort, het geheugen verzwakt en onze cognitieve processen verstoort. 

    ‘Onderzoek na onderzoek beschrijft hoe kwetsbaar we zijn voor door het internet veroorzaakte hersenrotting’

    ‘Onderzoek na onderzoek beschrijft hoe kwetsbaar we zijn voor door het internet veroorzaakte hersenrotting. Te veel technologie tijdens de ontwikkelingsjaren van de hersenen wordt door sommige academici zelfs “digitale dementie” genoemd.’ Mensen die vaak met meerdere online platforms bezig zijn, hebben een verminderd geheugen en een verminderde aandachtsspanne. Dit bleek uit een analyse van gegevens die over een periode van tien jaar waren verzameld door geheugenpsychologen aan de Stanford University in 2018. Dr. Gloria Mark, hoogleraar informatica aan de Universiteit van Californië en auteur van Attention Span, heeft bewijs gevonden voor hoe drastisch ons vermogen om te focussen afneemt. In 2004 stelden Mark en haar team van onderzoekers vast dat de gemiddelde aandachtsspanne op een scherm tweeënhalve minuut bedroeg. In 2012 was dat 75 seconden. Zes jaar geleden was dat nog maar 47 seconden. ‘En toch lijken we weinig te doen om het tij te keren,’ betreurt Boyle. 

    ‘Maar het is niet helemaal onze schuld als technologie ons minder intelligent maakt. Het is tenslotte ontworpen om ons volledig op te slokken,’ merkt Boyle op. ‘Silicon Valleys smerigste ontwerptruc – die overal aanwezig is als je het eenmaal hebt opgemerkt – is de oneindige scroll, het zogeheten doomscrolling’. Doomscrolling wordt vergeleken met het “bodemloze soepkom”-experiment, waarbij deelnemers gedachteloos uit een soepkom blijven eten als deze steeds wordt bijgevuld. ‘Een online feed die constant wordt “bijgevuld” manipuleert het dopaminerge beloningssysteem van de hersenen op een vergelijkbare manier. Deze krachtige dopamine-gedreven cyclus van eindeloos scrollen kunnen verslavend worden.’

     ‘In de afgelopen jaren hebben antitechnologiebewegingen aan kracht gewonnen’

    Maar wat gebeurt er als we geen grip krijgen op onze afnemende cognitieve gezondheid? ‘De voormalige Google-ontwerpethicus Tristan Harris vertelde het Amerikaanse Congres in 2019 dat miljarden mensen nu hun informatie ontvangen van platforms waarvan het bedrijfsmodel de winst koppelt aan hoeveel aandacht ze vangen, waardoor een race ontstaat om aandacht te trekken door onze hagedissenhersenen te hacken – met dopamine, angst, verontwaardiging – voor winst”.’ Zijn waarschuwingen zijn grimmiger dan ooit, schrijft Boyle. ‘Hij zei dat “overtuigende technologie een enorm onderschatte en machtige factor is die de wereld vormgeeft” en dat “deze technologie de controle heeft genomen over de pen van de menselijke geschiedenis en ons naar een catastrofe zal drijven als we het niet terugnemen”.’

    De term brain rot werd populair gemaakt door jonge mensen op sociale media die het meeste risico lopen op de gevolgen ervan. ‘Het feit dat degenen die het meeste risico lopen zich het meest bewust zijn van het probleem is bemoedigend nieuws,’ aldus Boyle. De eerste stap in de richting van een verandering is volgens haar het begrijpen van het probleem, en dat gebeurt volgens haar steeds meer. ‘In de afgelopen jaren hebben antitechnologiebewegingen aan kracht gewonnen,’ Van tieners die zich afkeren van dumbphones tot campagnes voor een smartphonevrije jeugd; het zijn volgens Boyle ‘groene scheuten voor een toekomst waarin we in staat zijn om onze geest terug te winnen’. ‘Misschien heeft Skibidi Toilet dus toch meer betekenis: een bewustzijn van waar de menselijke intelligentie zich op dit moment bevindt. Het kan nu twee kanten op: zo verder, of met een U-bocht omkeren.’

    Siân Boyle is freelance schrijver en journalist, gespecialiseerd in longform journalistiek. Ze heeft gepubliceerd in onder andere The Sunday Times, The Guardian, The Independent, en Huff Post.


    ‘Studenten kunnen nog steeds boeken lezen, ze kiezen er alleen voor om dat niet te doen’

    ‘We zien afleiding ten onrechte als een nieuw fenomeen. De vermeende aandachtscrisis zou beter omschreven kunnen worden als een verschuiving in prioriteiten’, schrijft Marion Thain, hoogleraar cultuur en technologie aan het King’s College in Londen en directeur van het Digital Futures Institute, in Irish Examiner

    Volgens Thain hebben we de neiging te denken dat het predigitale tijdperk ongeveer hetzelfde was als nu, maar dan zonder onze talloze digitale afleidingen. ‘Dat was niet zo. Afleiding is niets nieuws’. Aan het eind van de negentiende eeuw konden Londenaren tot wel twaalf postbezorgingen per dag verwachten. Brieven werden vaak uitgewisseld met een frequentie waarvan we nu denken dat die alleen sinds de komst van e-mail voorkomt. ‘Er wordt soms beweerd dat afleiding de onderliggende cognitieve crisis van het digitale tijdperk is, en er is zeer reële en terechte bezorgdheid onder jongere generaties, maar het is ook belangrijk de huidige zorgen in een bredere historische context te plaatsen,’ stelt Thain.

    ‘Zou het degenen die klagen over ons groeiende onvermogen om aandachtig een concert van klassieke muziek bij te wonen, helpen om te weten dat de achttiende-eeuwse symfonie niet werd ontworpen met de verwachting van een publiek dat met voortdurende, verrukte aandacht luisterde? Of dat de middeleeuwse monniken geen smartphones nodig hadden om te geloven dat hun werk werd bedreigd door de demon van de afleiding, Titivillus?’

    Beschuldigingen van een afnemende aandachtsspanne zijn volgens Thain een vrij consistent onderdeel van het verhaal van de moderniteit. ‘Zelfs in het begin van de twintigstee eeuw identificeerde schrijver en criticus Ezra Pound de verschuiving van poëzie naar proza als het gevolg van een afgeleid lezerspubliek dat niet in staat was om de taalkundige dichtheid van verzen bij te wonen.’

    ‘Studenten zien het lezen van boeken als het luisteren naar vinylplaten – iets wat vooral een overblijfsel is van een vroegere tijd’

    Auteur Jonathan Bate sprak onlangs in het BBC Today-programma over hoe de huidige onderwijssystemen studenten voortbrengen die niet meer in staat zijn om lange romans te lezen. Dat ging volgens Bate ten koste van de vaardigheden concentratie en kritisch denken. ‘Bate betreurt de dagen waarin hij een groep studenten kon vragen om drie Charles Dickens romans in een week te lezen. Maar Bates drie-eenheid van Great Expectations (ongeveer 187.000 woorden), David Copperfield (ongeveer 358.000) en Bleak House (ongeveer 356.000) zou een gemiddelde lezer in totaal ongeveer 50 uur kosten. Zelfs een frenetieke skim-read zou weinig tijd overlaten voor kritische reflectie en zou vrijwel zeker niet bevorderlijk zijn voor de geestelijke gezondheid,’ werpt Thain tegen.

    Thain verwijst ook naar het artikel van Rose Horowitch in The Atlantic met als kop: The elite college students who can’t read books. In het artikel wordt gesteld dat veel middelbare scholen in de Verenigde Staten hebben besloten om minder nadruk te leggen op literaire teksten, zoals romans en gedichten, en in plaats daarvan korte tekstfragmenten gebruiken. Tegelijkertijd compliceert Horowitch dit beeld door te opperen dat we misschien niet zozeer een afname zien in het lezen van lange teksten, maar eerder een verschuiving in wat en hoe geconsumeerd wordt. Ze schrijft dat een paar professoren haar vertelden dat hun studenten het lezen van boeken zien als het luisteren naar vinylplaten – iets waar een kleine subcultuur misschien nog steeds van geniet, maar wat vooral een overblijfsel is van een vroegere tijd. Ook benadrukt ze dat we tegelijkertijd het publiek voor luisterboeken aanzienlijk hebben zien groeien. ‘Haar artikel suggereert dat we misschien niet zozeer getuige zijn van een verlies van de vaardigheid om een lange roman te lezen als wel van een verschuiving in waarden: studenten kunnen nog steeds boeken lezen, ze kiezen er alleen voor om dat niet te doen,’ aldus Thain. 

    Dit alles wil volgens Thain niet zeggen dat we zelfgenoegzaam moeten zijn. ‘Verre van dat: Het is essentieel dat we begrijpen wat de winst en het verlies zijn van onze verschuivende aandacht en wie het meest wint en verliest bij deze nieuwe aandachtseconomieën.’ 

    Een meer diffuse focus kan andere cognitieve spieren trainen en andere beloningen opleveren

    Nog fundamenteler is het volgens haar dat we nadenken over welke soorten aandacht we nastreven en waarom. ‘Wat psychologen wel eens unifocale aandacht noemen is slechts één manier om aandacht te hebben, en het is niet altijd de meest nuttige.’ Dat lieten Chris Chabris en Dan Simons zien in hun experiment uit 1999 dat bekendstaat als het Onzichtbare Gorilla Experiment. De proefpersonen werd gevraagd om het aantal worpen in een basketbalwedstrijd te tellen, maar ze merkten de persoon in het gorillapak niet op die midden in de wedstrijd op het veld danste. ‘Concentratie op één ding kan ons verblinden voor belangrijke maar onverwachte gebeurtenissen.’ Een meer diffuse focus kan andere cognitieve spieren trainen en andere beloningen opleveren. ‘Ontwikkelt de jongere generatie vormen van aandacht die ouderen moeilijk begrijpen of waarderen, maar die nieuwe voordelen kan bieden?

    Als voorbeeld noemt ze de snelle, schriftelijke uitwisselingen van instant messaging. En de kunst van de gevatte, geestige uitdrukking in 140 of 280 tekens. ‘En wat te denken van de behendigheid en reflextraining van de fysieke en mentale bewegingen van videogames, of de sociaal verspreide vormen van collectieve aandacht die mogelijk zijn in online omgevingen?’

    Deze vragen kunnen en moeten we volgens Thain stellen, terwijl we ons tegelijkertijd bewust zijn van de reële problemen in de huidige aandachtseconomieën. ‘Misschien kan de geschiedenis ons leren flexibeler om te gaan met de manier waarop we long form van cultuur presenteren, ermee omgaan en ervan genieten. En in een context die nog maar enkele decennia geleden onvoorstelbaar was, kunnen we wellicht ook het potentieel herkennen.’

    Marion Thain is hoogleraar Cultuur en Technologie aan het King’s College in Londen en directeur van het Digital Futures Institute. 

  • Hoe Hollywood onze ogen stuurt

    Hoe Hollywood onze ogen stuurt

    Al sinds de begindagen van Hollywood weten regisseurs onze blik feilloos naar hun hoofdrolspelers te trekken. Neurowetenschappers komen er nu langzaam achter hoe dit werkt.

    De actiefilm Iron Man 2 (2010) is nog maar een klein halfuur bezig of er volgt een reeks explosies tijdens een autorace in de straten van Monaco. De scène is een technisch hoogstandje, met een serie explosies, auto’s die over de kop slaan, overal uitslaande vlammen, en duizenden toeschouwers die in paniek slaan. Tijdens een bijeenkomst van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences kreeg Jon Favreau, de regisseur, de oogbewegingen te zien van mensen in de zaal die naar deze scènes keken. Favreau zei opgetogen – en opgelucht – te zijn om te merken dat iedereen naar de acteurs keek (Robert Downey Jr en Mickey Rourke), en dan met name naar hun gezicht en hun handen, en dat niemand naar de omstanders keek. De omstanders zijn namelijk allemaal gegenereerd door de computer, en als je heel goed kijkt zie je ook dat ze niet echt zijn. Zolang het publiek niet al te goed keek kon Favreau (die tevens de producent was) flink bezuinigen op deze effecten en het geld gebruiken voor de dingen die echt bepalend zijn.

    Dit fenomeen – dat de ogen van het publiek allemaal naar hetzelfde gaan – is typerend voor de bioscoop. Het gaat niet op voor het echte leven. Maar in film wordt heel handig gebruik gemaakt van editing, framing en andere technieken om tot in detail te bepalen waarnaar precies wordt gekeken. De afgelopen honderdvijfentwintig jaar hebben filmmakers wereldwijd proefondervindelijk een soort informele wetenschap van de blik ontwikkeld, door middel van een groot aantal experimenten met de menselijke waarneming. De resultaten zijn niet terug te vinden in neurowetenschappelijke of psychologische werken, al lees je er wel soms iets over in boeken over cinematografie of editing, of in wetenschappelijke artikelen waarin een specifieke film wordt geanalyseerd. Andere inzichten zijn terug te vinden in de films zelf, maar zijn nog niet expliciet beschreven. De afgelopen jaren zijn wetenschappers begonnen met het ontginnen van deze enorme, informele database, met soms opzienbarende conclusies.


    Om te begrijpen wat een film met de blik doet, moet je iets weten van de werking van het oog buiten de bioscoop. In het gewone, dagelijkse leven schieten onze ogen twee tot drie keer per seconde van de ene plek naar de andere, waarbij ze bepaalde dingen registreren en andere dingen negeren. Die snelle oogbewegingen heten saccades. Waarom doen we dat? Omdat onze hersenen proberen een zo compleet mogelijke weergave te creëren van wat er om ons heen gebeurt met behulp van een camera – het oog – die slechts op een heel klein vlakje een hoge resolutie heeft. Als bepaalde visuele informatie belangrijk is om een situatie in te schatten, moeten we onze blik daar echt op richten om het te kunnen coderen.

    De manier waarop mensen oogbewegingen gebruiken om een situatie te verkennen kent een bepaald ritme, waarbij wordt geschakeld tussen een snelle, verkennende modus en een tragere modus waarbij informatie wordt vergaard.

    De eerste pogingen om deze mechanismen te doorgronden vonden plaats in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen psychologen Julian Hochberg en Virginia Brooks van Columbia University de overgang bestudeerden van deze snelle verkennende modus naar de tragere modus waarin informatie wordt vergaard.

    In latere onderzoeken werd bestudeerd welke visuele aspecten de blik weten vast te houden. Hierbij kwam men tot de ontdekking dat de mens geneigd is vooral te kijken naar delen van een beeld met randen, met een groot contrast tussen licht en donker, of met een heel duidelijke structuur of gemarkeerde punten, zoals een hoek.

    In een natuurlijke omgeving zijn er meestal diverse plekken waar de blik naartoe wordt getrokken. Op het strand zijn er misschien een paar parasols met een sterk contrast, een paar palmbomen met een duidelijke structuur, en een paar strandstoelen met allerlei randen en hoeken. Tijdens de verkennende fase zal bij vrijwel iedereen die dit tafereel in zich opneemt de blik even blijven hangen bij de meeste van deze focalisatiepunten, maar hoe lang de blik daar blijft rusten zal voor iedereen weer anders zijn, afhankelijk van de verschillen in het interne controlesysteem. De blik van een surfer zal misschien even blijven hangen aan een surfplank die tegen een boom staat, terwijl de blik van een zeiler eerder zal worden getrokken door een boot aan de horizon.

    Na een cut zijn er veel oogbewegingen – al helemaal na de vele cuts binnen een doorlopende scène

    Een van de verschillen tussen een scène in de werkelijkheid en in de film, is dat een film bewéégt. In hoeverre kijken mensen daardoor ook naar andere elementen? In een recent experiment hebben Parag Mital, Tim Smith, Robin Hill en John Henderson van de University of Edinburgh de oogbewegingen bestudeerd van een aantal mensen die naar willekeurige video’s keken, onder meer reclameboodschappen, documentaires, trailers, nieuwsberichten en muziekvideo’s. Een aantal effecten was vergelijkbaar met de blik bij het kijken naar stilstaande beelden. Mensen kijken nog altijd naar plekken met veel contrast, en naar hoeken. Maar bij bewegende beelden treden andere effecten op de voorgrond: mensen kijken naar dingen die bewegen, en naar dingen die van licht naar donker gaan, of van donker naar licht. Vanuit evolutionair oogpunt is dat heel logisch: dingen die veranderen zijn waarschijnlijk belangrijker voor hoe je moet handelen dan dingen die er gewoon zijn. Om preciezer te zijn: de ogen volgen nieuwe bewegingen die je kunnen attenderen op iets waarop je snel moet reageren – iets wat valt, of een dier dat beweegt.

    Wil dat zeggen dat we de slaaf zijn van bewegingen? Schieten we niet langer heen en weer tussen verkennen en informatie vergaren en laten we ons gijzelen door bewegingen, of het nu in de film is of in de realiteit? Aan Washington University in Saint Louis werk ik samen met Michelle Eisenberg, een promovenda. Wij hadden allebei het vermoeden dat ons visuele systeem gewoon zou doorgaan met schakelen – met als verschil dat in het geval van voortdurende beweging de overgang van de verkennende modus naar de informatie vergarende modus zou worden aangestuurd door veranderingen in de actie, en niet door markeerpunten of licht.

    Neem nou de opening van Orson Welles’ A Touch of Evil (1958). Drieënhalve minuut lang volgen we de twee hoofdpersonen in een complexe scène in een nachtelijk grensplaatsje. Zowel camera als acteurs zijn voortdurend in beweging. Hoe schakelen we in een dergelijke situatie? Wij hadden een hypothesis, gebaseerd op laboratoriumonderzoek waarbij was aangetoond dat mensen een voortdurende activiteit als vanzelf ontleden in een opeenvolging van afzonderlijke gebeurtenissen. Dat ontleden lijkt voortdurend te gebeuren wanneer we anderen handelingen zien uitvoeren, en waarschijnlijk ook wanneer we zelf handelingen uitvoeren. Als ik u bijvoorbeeld een filmpje zou laten zien van een man die een band verwisselt, zult u dat als vanzelf opbreken in verschillende gebeurtenissen, zoals het tevoorschijn halen van de krik en het opkrikken van de auto. Bij de overgang tussen deze gebeurtenissen laten grote delen van uw cortex een kortstondige toename van metabolische activiteit zien – dit kunnen we vaststellen met behulp van functionele MRI. Misschien dat ons visuele systeem telkens wanneer er zich zo’n overgang voordoet, reageert alsof we een nieuw beeld te zien krijgen, met weer een verkennende fase en een daaropvolgende fase van informatie vergaren?


    Om dat vast te stellen hebben we de oogbewegingen van kijkers gevolgd, met behulp van een moderne versie van het infraroodcamerasysteem dat Hochberg en Brooks gebruikten bij mensen die naar filmpjes keken van mensen die alledaagse dingen deden. De filmpjes duurden een paar minuten en toonden mensen die een band verwisselden, planten in de aarde zetten, of voorbereidingen troffen voor een feestje. We vroegen de mensen om eerst gewoon naar de filmpjes te kijken, en bij de tweede keer kijken telkens op een knop te drukken bij een overgang tussen verschillende handelingen – het moment waarop de ene handeling ten einde is en de volgende aanvangt. Vervolgens analyseerden we wat hun ogen deden rond de wisseling van handeling. We vonden bewijzen voor de veronderstelde overgang: tegen het einde van een handeling waren de oogbewegingen meestal klein en de tussenpozen vaak wat langer. Zodra zich dan een nieuwe handeling aandiende werd de tijd tussen de oogbewegingen korter en de bewegingen zelf duurden langer. Zodra de overgang van handelingen achter de rug was, kwam alles weer tot rust. Deze opeenvolging doet denken aan de systeemovergang van informatie vergaren naar verkennen, die we aanvankelijk ook hadden waargenomen wanneer tijdens een diavoorstelling een nieuwe afbeelding in beeld verscheen.

    In een vakkundig gemaakte film gebruiken de regisseur en de editor verschillende technieken om de visuele overgangen te sturen – al dan niet bewust. Ten eerste is de handeling in scène gezet. Ten tweede is alles gefilmd met camera’s die heel bewust op een bepaalde plek zijn neergezet, die misschien zelfs bewegen en die gebruikmaken van kunstlicht. Tot slot – en dat is misschien nog wel het belangrijkste – wordt het beeldmateriaal gemonteerd, meestal met de bedoeling een coherent verhaal te vertellen. Dit zijn allemaal technieken waarmee niet alleen de volgorde van de handelingen wordt gemanipuleerd, maar ook de volgorde van de visuele overgangen die onze hersenen helpen de voortdurende stroom van handelingen op te breken in een reeks episodes, die we stuk voor stuk verwerken als een beeld: eerst verkennen we het beeld, vervolgens proberen we het in een context te plaatsen, en uiteindelijk gaan we alle details invullen. Door te knutselen met de shot layout en door te editen, manipuleren filmmakers het visuele proces op een manier die vaak experimenteel en nieuw is.

    Waar het om oogbewegingen gaat is de laatste manipulatietechniek vermoedelijk de belangrijkste. Editen is deels een verzameling afzonderlijke shots tot een geheel vormen. Tegenwoordig bestaan veel edits uit de meest simpele vorm van verbinden denkbaar: een cut, waarbij een van de twee segmenten domweg achter de andere wordt geplaatst, zonder overgang. (Meer ingewikkelde edits, zoals fades, wipes of iriseffecten, waren altijd al populairder maar werden minder vaak gebruikt.) Editen heeft grote gevolgen voor de oogbewegingen. Na een cut zijn er veel oogbewegingen – al helemaal na de vele cuts binnen een doorlopende scène. Vaak wordt de blik met de oogbewegingen naar het midden van het scherm geleid. Het zou kunnen dat dit een standaardreactie is op een visuele verstoring.

    Mensen hebben ook de neiging te gaan knipperen bij een cut. Dat zou een reactie kunnen zijn op een plotselinge verandering van de lichtintensiteit waarmee een cut gepaard kan gaan. Het zou er ook op kunnen duiden dat onze hersenen de visuele onderbreking zien als een teken dat ze heel even mogen ontspannen, en van de gelegenheid gebruikmaken om de ogen te bevochtigen. Tot slot, maar daarom niet minder belangrijk: bij het kijken naar een film die is geëdit, maken we meer oogbewegingen. Bij natuurlijke stimuli is er sprake van twee tot drie oogbewegingen per seconde, bij het kijken naar een video die niet is geëdit gaat het om zo’n vier bewegingen per seconde, maar zodra er sprake is van editen loopt dat op tot rond de vijf per seconde.

    Praktisch

    Sturen wanneer het publiek waarnaar kijkt is belangrijk vanuit praktisch oogpunt: filmmakers kunnen bezuinigen op die delen van de film waar we toch niet naar kijken, zoals aannemers bezuinigen door de zolder niet te verven. Deze informatie kan ook nuttig zijn voor bepaalde artistieke doeleinden.

    Ik sta ervan te kijken dat de betere filmmakers proefondervindelijk bepaalde dingen aan de weet zijn gekomen die ik moet weten, als wetenschapper die onderzoek doet naar perceptie. Tegelijkertijd denk ik dat mijn vakgebied een belangrijke bijdrage kan leveren aan de praktijk van de cinematografie. Kunstenaars en vakmensen voeren talloze experimenten uit – je probeert iets, kijkt hoe het uitpakt, laat het aan een paar vrienden zien, organiseert misschien zelfs een screening en stelt daar een paar vragen over. In de loop der tijd ontwikkel je een soort intuïtie en stel je voor jezelf een aantal vuistregels op. Door het gedrag en de fysiologie in kaart te brengen van mensen die ergens naar kijken, real time, kan mijn vakgebied er wellicht aan bijdragen dit proces te bespoedigen en meer voor het voetlicht te brengen.

    Auteur: Jeffery M. Zacks
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: Maratha Mandir-theater in Moembai. – © Reuters / Danish Siddiqui

    Aeon
    Verenigd Koninkrijk | aeon.co/magazine

    Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.