Als het tij niet snel gekeerd wordt, dreigt de Europese Unie haar positie als wereldleider in klimaatgerelateerde technologieën te verliezen. Dat is niet alleen een aderlating voor de leefbaarheid op deze planeet, maar ook voor de concurrentiepositie van de EU.
Begin dit jaar werd de financiering van het EU-platform STEP (Strategic Technologies for Europe Platform), dat opkomende cleantech-oplossingen [technologieën die bijdragen aan een schoner milieu of zorgen voor energiebesparing] moet gaan ondersteunen, teruggebracht van 10 miljard naar slechts 1,5 miljard euro. Bovendien werd een aanzienlijk deel van de resterende middelen geoormerkt voor defensieprojecten, in plaats van voor groene technologieën en klimaatgerelateerde infrastructuurinvesteringen.
Sinds de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni hebben Europese beleidsmakers tegenstrijdige signalen afgegeven over de kans op nieuwe overheidsfinanciering voor de commercialisering en opschaling van schone technologieën. Het ‘Europese concurrentiefonds’ dat voorzitter Ursula von der Leyen van de Europese Commissie heeft toegezegd te zullen bevorderen als onderdeel van haar tweede mandaat, zou investeringen financieren in schone technologie, maar ook in kunstmatige intelligentie, ruimtevaart en andere ‘strategische technologieën’. Hoe de financiering zou worden verdeeld, blijft onbekend.
Er is meer duidelijkheid nodig. Europa is verwikkeld in een mondiale wedloop om het leiderschap op het gebied van groene innovatie, en de concurrenten, met name de Verenigde Staten en China, hebben duidelijk laten zien dat ze willen winnen. Met de Inflation Reduction Act hebben de VS bijvoorbeeld 240 miljard dollar gestoken in de groene technologiesector, waarbij tegenover elke dollar overheidsinvestering 5,50 dollar aan particuliere uitgaven staat.
Bedrijven verhuizen nu al naar de VS en nemen privékapitaal, talent en toekomstige toonaangevende technologie met zich mee
Wanneer snelgroeiende start-ups in eigen land geen toegang hebben tot door de overheid gewaarborgd kapitaal, vertrekken ze. Bedrijven verhuizen nu al van Europa naar de VS en nemen privékapitaal, talent en toekomstige toonaangevende technologie met zich mee. Om deze trend te keren moet de Europese Unie grote hoeveelheden kapitaal vrijmaken om onderzoek en ontwikkeling in de groene technologieën van de toekomst te ondersteunen.
Maar nu de wereld op de rand van een recessie balanceert en de EU-lidstaten onder enorme financiële druk staan, moet dit kapitaal worden verkregen zonder de huidige inkomsten- of financieringsstromen aan te boren. Gelukkig kan één enkele creatieve beleidswijziging een aanzienlijke hoeveelheid kapitaal vrijmaken zonder de overheidsuitgaven te hoeven verhogen. De sleutel is te vinden in het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU.
Het ETS, dat in 2005 werd gelanceerd, werkt als een cap and trade-systeem dat het totale doelvolume aan broeikasgasemissies verdeelt in rechten, die vervolgens worden toegewezen aan bedrijven binnen het ETS-gebied. Een bedrijf dat de toegewezen emissierechten overschrijdt, moet extra emissierechten kopen, ofwel van een bedrijf dat nog emissierechten over heeft, ofwel op openbare veilingen.
Broodnodig
In 2022 genereerde het ETS 38,8 miljard euro aan veilingopbrengsten. De meeste van deze inkomsten vloeien terug naar de lidstaten, die dit geld vooral dienen te besteden aan klimaat- en energiegerelateerde zaken. Maar zelfs als de veilingopbrengsten naar broodnodige cleantech- en groene-infrastructuurprojecten gaan (wat niet altijd het geval is), blijven ze ontoereikend om het investeringsniveau te financieren dat vandaag nodig is.
Maar dit gaat veranderen: naarmate de koolstofprijs stijgt, zullen ook de ETS-inkomsten de komende tien jaar aanzienlijk stijgen. De financiering van cleantech kan evenwel niet wachten; daarom hebben sommige investeerders en beleidsmakers, onder wie Europees Parlementslid Thomas Pellerin-Carlin, de EU opgeroepen om leningen aan te gaan met toekomstige ETS-inkomsten als onderpand, en zo meer kapitaal te genereren voor de groene investeringen van vandaag.
Een soortgelijke aanpak wordt elders al toegepast. Japan kondigde afgelopen februari aan dat het van plan is de komende tien jaar twintig biljoen yen (137 miljard dollar) aan klimaattransitieobligaties uit te geven om groene investeringen te ondersteunen; daarbij gebruikt het de toekomstige inkomsten uit het eigen ETS en de heffing op fossiele brandstoffen om de schuld af te lossen. De aankondiging werd verwelkomd door de markten, de industrie en klimaatinnovatoren.
Lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten zou de EU in staat stellen de uitstoot op de middellange termijn te verminderen
Natuurlijk zou het implementeren van een dergelijke regeling in Europa ingewikkelder zijn, omdat de EU dan namens de lidstaten een collectieve schuld op zich zou moeten nemen. Maar dit zou lang niet zo’n groot politiek obstakel zijn als je zou denken, omdat het ETS al een regeling op EU-niveau is. Het moet dus haalbaar zijn om de Europese leiders zover te krijgen dat ze akkoord gaan met collectief lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten, vooral gezien de duidelijke, verstrekkende voordelen van een betere toegang tot kapitaal voor startende cleantech-bedrijven.
Lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten zou de EU in staat stellen de uitstoot op de middellange termijn te verminderen, en te investeren in de vitale infrastructuur en transformatieve technologieën die nodig zijn om haar klimaatdoelstellingen te halen. Europese beleidsmakers zijn het aan innovatoren op het gebied van cleantech – en aan de Europese burgers – verplicht om dit beleid een kans te geven.
Het doel is om gelijke concurrentievoorwaarden te creëren
De Europese Commissie heeft dinsdag een verordening aangenomen die extra douanerechten oplegt aan elektrische auto’s uit China, die ervan worden beschuldigd oneerlijke concurrentie te stimuleren. Het besluit, dat geldt voor een periode van vijf jaar, werd dinsdagavond gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU en treedt woensdag in werking. Het doel is om weer gelijke concurrentievoorwaarden te creëren om gelijke tred te houden met fabrikanten die ervan worden beschuldigd te profiteren van massale overheidssubsidies.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
China heeft al op het besluit gereageerd. ‘China keurt dit besluit niet goed en accepteert het evenmin. Het heeft een klacht ingediend bij het systeem voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie’, aldus een woordvoerder van het Chinese ministerie van Handel dinsdag in een verklaring.
‘Voor de EU, en in het bijzonder voor Ursula von der Leyen, zendt deze affaire een sterk politiek signaal uit naar China. Daarmee zegt ze eigenlijk: “we kunnen jullie model van het voeden van overcapaciteit in staal, mineralen, productie en andere sectoren niet langer negeren”’, concludeert Politico.
Visa zou de markt voor debetkaarten hebben gemonopoliseerd
Het Amerikaanse ministerie van Justitie kondigde dinsdag aan dat het betaalkaartuitgever Visa gaat vervolgen wegens schending van de concurrentiewet, de zogeheten ‘antitrust law’. Volgens de aanklacht heeft Visa ‘de markt voor debetkaarten illegaal gemonopoliseerd, waardoor banken en bedrijven geen keuze meer hebben en de concurrentie van nieuwkomers in de kiem wordt gesmoord’, aldus Fortune.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Deze praktijken hebben geleid tot ‘een markt waarop Visa illegaal de macht heeft verworven door vergoedingen te vragen die veel hoger zijn dan wat het zou kunnen krijgen op een competitieve markt’, zegt minister van Justitie Merrick Garland. Volgens Garland wordt 60 procent van de debetkaarttransacties in de Verenigde Staten afgehandeld door het Californische bedrijf.
De landing van een Chinees ruimteschip op de achterkant van de maan begin januari betekent een doorbraak voor de ruimtevaart. China liep altijd achter op grootmachten VS en Rusland, maar zijn de rollen nu omgedraaid?
JA
De recente Chinese landing op de achterkant van de maan is meer dan alleen een wetenschappelijke doorbraak. Beijing geeft met zijn uitdijende ruimtevaartprogramma ook een sterk signaal af. ‘Dit is veel meer dan alleen een landing,’ zegt Alan Duffy, ruimtevaartdeskundige bij de Royal Institution of Australia. ‘Het bewijst hoe volwassen de Chinese ruimtevaarttechnologie is geworden.’
De geslaagde landing kwam voor veel wetenschappers als een verrassing: zij hadden verwacht dat die zou mislukken. Geen enkel land was ooit eerder op de achterkant geland. De moeilijkheid is dat die altijd van de aarde afgekeerd staat, wat direct radioverkeer onmogelijk maakt. Chinese onderzoekers wisten dit probleem echter te omzeilen door speciaal voor de communicatie met het Chang’e 4-ruimteschip en zijn verkenner een verbindingssatelliet te lanceren.
Begin deze eeuw had vrijwel niemand verwacht dat China zo snel een koppositie in de ruimte zou gaan innemen, aangezien het land nooit veel interesse in ruimtevaart toonde. Toen China in 2003 voor het eerst astronauten in een baan om de aarde bracht, deden westerse waarnemers dit af als een futiele poging om achterstand op de Verenigde Staten en Rusland in te lopen. Maar terwijl het Chinese ruimtevaartprogramma steeds groter werd, nam in de twee landen die al succesvolle programma’s hadden het enthousiasme voor ruimtevaart juist af. In de Verenigde Staten en Rusland kromp het budget, in China groeide het. Al in 2007, lang voordat het land de krantenkoppen haalde met baanbrekende prestaties in de ruimte, lanceerde het verkenningsmissies om de achterkant van de maan te onderzoeken.
En ondanks het veel kleinere budget staat het Chinese programma in veel opzichten nu al op gelijke hoogte met het Amerikaanse. Vorig jaar lanceerde China veertig ruimtemissies, ruim twee keer zoveel als in 2017. Deze verrassend snelle vooruitgang is volgens onderzoekers verklaarbaar doordat het land zich bewust richt op prestigeprojecten. Die moeten het land de status van ruimtegrootmacht bezorgen.
China benadrukt dat het met de missies louter vredelievende bedoelingen heeft. Het Pentagon is daar echter minder van overtuigd en schreef in augustus vorig jaar dat het Chinese ruimtevaartprogramma ‘een cruciale rol speelt in moderne oorlogsvoering’. En terwijl de nasa nauw samenwerkt met Rusland, heeft het Amerikaanse Congres dergelijke samenwerkings-projecten met het Chinese ruimtevaartagentschap uit angst voor spionage verboden.
De succesvolle Chinese landing is mogelijk een bedreiging voor het tanende Amerikaanse leiderschap in de ruimte, zij het niet op dezelfde manier als in 2007. ‘Dit gaat meer over prestige,’ aldus Duffy.
Washington Post | Verenigde Staten | dagblad | oplage 475.000
De grootste krant van Washington en een van ’s werelds meest toonaangevende titels.
Rick Noack is als buitenlandcorrespondent voor The Post grotendeels gevestigd in Berlijn, van waaruit hij schrijft over Australië, Nieuw-Zeeland en internationale veiligheid.
Adam Minter is columnist voor Bloomberg. Hij schreef het boek Junkyard Planet: Travels in the Billion-Dollar Trash Trade, over de miljarden-industrie van onze afvalbergen.
NEE
De landing van het Chinese Chang’e-4 ruimteschip op de achterkant van de maan is een indrukwekkende technische prestatie die laat zien dat China een grootmacht in de ruimte is geworden. Het komende decennium wil het land een ruimtestation in een baan om de aarde brengen, sondes naar Mars en Jupiter sturen en asteroïdenmissies uitzenden. Voor 2030 staat een bemande maanmissie gepland en voor halverwege deze eeuw een permanente kolonie.
De ambities van de nasa lijken daar schril bij af te steken. Sinds de laatste maanlanding van de Apollo in 1972 zijn Amerikaanse astronauten niet verder gekomen dan een baan om de aarde. Na ontmanteling van het spaceshuttleprogramma kunnen de Verenigde Staten het internationale ruimtestation ISS niet langer op eigen kracht bereiken. Nieuwe presidenten verlegden vaak hun prioriteiten, zodat de nasa dure missies, die al jaren gepland stonden, moest afbreken of herzien.
Toch gaat het in veel opzichten ook wel goed met het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Een jaar of twaalf geleden stelde het Congres de nasa in staat om publiek-private samenwerkingen aan te gaan. Sindsdien adviseert het overheidsagentschap private ruimtevaartbedrijven en investeert het in hun activiteiten. Elon Musks SpaceX is het bekendste, maar er zijn tientallen bedrijven in de commerciële ruimte-industrie actief. Hun specialisme varieert van de lancering van kleine satellieten tot maanverkenning. De resultaten zijn spectaculair: naar schatting van de nasa zelf kostte de ontwikkeling van de Falcon 9-raket door SpaceX maar tien procent van wat het de nasa zou hebben gekost om die te bouwen. Ook elders levert de steun van de nasa veel op. In de komende weken lanceert SpaceX een capsule die Amerikaanse astronauten naar het iss-ruimtestation kan brengen. Ten minste twee andere bedrijven hebben plannen voor een eigen, commercieel, ruimtestation. Tegelijk is de nasa de pure wetenschap niet uit het oog verloren. Er zijn vier missies naar Mars gaande en een naar Jupiter, er cirkelt een sonde om de zon en twee ruimteschepen hebben de interstellaire ruimte bereikt. Geen enkel ander land, ook China niet, kan zich hiermee meten: de wetenschappelijke en technologische knowhow ontbreekt simpelweg.
Zolang de vs de commerciële ruimtevaart blijft stimuleren en tegelijk met wetenschappelijke onderzoeksmissies steeds verder reikt, hoeft het land voorlopig niet bang te zijn om ingehaald te worden. Uiteraard heeft ook China het grote potentieel van de commerciële ruimtevaart ingezien en ontwikkelt het een eigen ruimte-industrie. Maar barst er inderdaad een nieuwe ruimterace los, dan hebben de Verenigde Staten alle kans die te winnen.
Bloomberg World View | Verenigde Staten | website | bloomberg.com
Bloombergs blog World View schrijft uitvoerig over de opkomende markten, en wordt met toonaangevende schrijvers wereldwijd erkend als autoriteit op het gebied van Rusland, India en China.
Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.
Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?
Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.
Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.
De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt
De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.
Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.
De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.
‘Made in Rwanda’
President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.
Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.
De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.
Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.
De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.
Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’
‘Banenverlies in VS’
De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.
Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.
Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.
Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.
‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’
Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.
Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’
De Pool Ryszard Florek is de op een na grootste dakramenfabrikant ter wereld. Al jaren voert hij een verbitterde strijd met de Deense marktleider Velux over oneerlijke concurrentie. Dat Brussel hem hierin niet steunt beschouwt hij – en met hem de rest van Polen – als een groot onrecht.
Hij ging nooit meer naar Brussel, had hij boos geroepen, en er een stroom verwensingen aan toegevoegd. Zelfs het woord ‘maffia’ viel. Maar nog geen vier weken later staat Ryszard Florek opnieuw in de aankomsthal van Zaventem. Een gedrongen man, midden zestig, weinig haar, weinig nek. Zijn toch al kleine ogen staan deze morgen nog wat slaperig, hij ziet er afwisselend vermoeid en strijdvaardig uit.
Midden in de nacht is Florek thuis in het Poolse Nowy Sacz opgestaan. Zijn vrouw heeft twee boterhammen voor hem gesmeerd, daarna is hij in anderhalf uur met de auto naar Krakau gereden, daarvandaan naar Frankrijk gevlogen en uiteindelijk naar Brussel. Veel moeite, alleen maar om een vrouw te ontmoeten over wie hij zegt: ‘Ik vertrouw haar niet.’
Ergens moeite voor moeten doen heeft hem nooit afgeschrikt, Florek is een man van de lange termijn. En had hij echt kunnen weigeren toen de EU-commissaris voor Mededinging hem voor een gesprek uitgenodigde? Margrethe Vestager is een van de machtigste vrouwen van de EU, en Florek heeft haar nodig. Of hij haar nu wel of niet vertrouwt. Daarom heeft hij zijn eerdere voornemen laten varen en is hij weer naar Brussel gekomen. De afgelopen jaren was hij hier al vier keer. ‘Dit is echt de laatste keer,’ zegt hij bezwerend.
Oneerlijke concurrentie
Florek is ondernemer. In het zuiden van Polen heeft hij een fabriek voor dakramen, Fakro, met 3400 werknemers de op een na grootste dakramenfabriek ter wereld. Na Velux, veruit de grootste speler op deze kleine, zeer gespecialiseerde markt. Al jaren voeren Fakro en Velux een verbitterde strijd. Om marktaandeel, winst, oneerlijke concurrentie, mogelijk om spionage.
En niet in de laatste plaats gaat het over Europese cohesie. Want Fakro is een paradepaardje uit de nieuwe EU-landen, terwijl Velux uit het oude deel van de EU komt. De groep behoort tot de Deense VKR-holding, haar hoofdkantoor staat in Hørsholm, ten noorden van Kopenhagen. Het gevecht tussen de twee ondernemingen laat zien hoe snel de oude kloof tussen Oost en West weer kan opensplijten. Het verklaart ook waarom de huidige Poolse regering zo’n succes heeft met haar agressieve anti-Europese stemmingmakerij.
Florek verwijt zijn concurrent dat deze misbruik maakt van zijn dominante positie en oneerlijke methodes gebruikt om Fakro te bestrijden. Daarom heeft hij vijf jaar geleden bij de EU een klacht ingediend vanwege oneerlijke concurrentie. Zijn hoop was dat de EU hem zou bijspringen en voor gerechtigheid zou zorgen, en dat ze hem zou compenseren voor de ongelijkheid tussen de opkomende onderneming uit het Oosten en de dominante reus uit het Westen. Maar de Commissie heeft nog steeds niets besloten, en hoe langer het onderzoek duurt, des te bozer Florek wordt – op Velux, zijn nare concurrent, op de EU, en op Margrethe Vestager, de commissaris voor Mededinging die hij vandaag voor het eerst ontmoet.
Ryszard Florek komt uit Tymbark, een klein plaatsje in het zuiden van Polen, niet ver van de Slowaakse grens. Zijn vader was meubelmaker, zijn ouders hadden daarnaast een kleine boerderij. Dat was mogelijk omdat de communisten hier, ver van Warschau, oogluikend toestonden dat de mensen privé grond bezaten. Enthousiast vertelt Florek hoe hij als kind op het land van zijn tante appels ging plukken, die in kisten verpakte en daarna verkocht: ‘Mijn eerste onderneming!’ Na de val van het communisme heeft de regio enkele zeer succesvolle middelgrote bedrijven voortgebracht: een ijsfabriek, een vleesfabrikant, een specialist in garagedeuren. En natuurlijk Florek, de dakramenkoning. Je moet je deze streek een beetje voorstellen als Baden-Württemberg: een broedplaats van zelfbewuste middenstanders. ‘De mensen werken hier harder dan elders,’ zegt Florek.
Buitenlandse investeerders daarentegen hebben zich hier tot nu toe nauwelijks laten zien. Het landschap is prachtig, maar Nowy Sacz en Tymbark zijn nog altijd moeilijk te bereiken. Traag slingert de weg zich door het heuvelachtige land dat aan de Karpaten grenst; het maanzaad bloeit, appels hangen te rijpen. Overal langs de weg staan kerken en kruisen. Politiek is de streek stevig op de hand van regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS). De enige ondernemingen uit het Westen die de weg hiernaartoe hebben gevonden, zegt Frolek, zuigen geld weg in plaats van te investeren: ‘Lidl en [de Duitse drogisterijketen] Rossmann helpen niet om de economie te ontwikkelen, ze romen haar alleen af.’ Recht tegenover zijn fabriek heeft de Duitse supermarkt een filiaal geopend.
Het bedrijfsterrein ligt aan de rand van Nowy Sacz. Ter ere van de komst van de Duitse verslaggever heeft Florek de zwart-rood-gouden vlag laten hijsen. In de entreehal staat op een witte, marmeren sokkel een gouden plaquette met de Poolse adelaar, een onderscheiding van de president. Florek vertelt: in 1977 mocht hij voor het eerst naar het Westen, hij was toen voorzitter van de academische sportbond aan de Technische Universiteit van Krakau. Een vriend zorgde voor een stage in Hannover. Daar zag de aankomend ingenieur dat wat zijn verdere leven zou bepalen: dakramen. Die waren tot dan toe in het Oosten onbekend, het communisme stopte de daken dicht met karton. Terug in Polen richtte Florek zijn eerste bedrijf op, een meubelfabriek, maximaal tien werknemers mocht hij aanstellen. Machines haalde hij uit Duitsland: een niet meer gebruikte kegelsnijder, een vierzijdige schaafmachine. Investeringen voor een toekomst die snel zou beginnen.
Het begrip wereldmarkt moet je met een korreltje zout nemen, want lang niet elk klimaat en type woning is geschikt voor dakramen. Meer dan de helft wordt in Duitsland en Frankrijk verkocht
In 1990, na de val van het IJzeren Gordijn, was Floreks grote moment aangebroken. Hij was 38, een man in zijn beste jaren, hij had ervaring en was ambitieus. Met open armen begroette hij de nieuwe, aanvankelijk ongebreidelde vrijheid: ‘In die tijd was alles toegestaan wat niet verboden was.’ In zijn garage ontwikkelde Florek het eerste dakraam. Samen met een partner richtte hij Fakro op. Zijn vrouw deed de boekhouding. Al snel waren de garage en de oude meubelmakerij te klein. Florek kocht het huidige terrein aan de rand van stad. De verkoopcijfers gingen snel omhoog, de inhaalvraag in Oost-Europa was groot. En stap voor stap waagde Fakro zich ook in het Westen. In 1997 produceerde hij voor het eerst meer dan honderdduizend dakramen.
Ryszard Florek is een van degenen die in Oost-Europa bleven maar het kapitalisme snel omarmden. Ongetwijfeld een van de ‘winnaars van de Wende’ – tot Velux op het toneel verscheen.
Eerlijk gezegd bestond Velux allang. De Deense ingenieur Villum Kann Rasmussen was er in 1941 in geslaagd iets te doen waarvan veel ondernemers alleen maar konden dromen: hij had een product uitgevonden en korte tijd later een bedrijf opgericht, waarvan de naam voortaan identiek was met het product. Dakramen en Velux zijn voor veel mensen hetzelfde. Al even sterk is de positie van het bedrijf. De Europese Commissie gaat ervan uit dat de Denen met hun dakramen in 2012 een wereldmarktaandeel van 72 procent hadden. Velux heeft zeventien fabrieken in negen landen, wereldwijd heeft de VKR-holding meer dan 14.000 werknemers. Het begrip wereldmarkt moet je overigens met een korreltje zout nemen, want lang niet elk klimaat en type woning is geschikt voor dakramen. Meer dan de helft wordt in Duitsland en Frankrijk verkocht.
De markt in Oost-Europa was nog niet open, of Velux breidde uit naar Polen. In 1990 openden de Denen een kantoortje in Warschau. Toen Fakro net begon, was de westerse concurrent al aanwezig. In 1993, zegt Florek, attaqueerde Velux voor de eerste keer: de wereldmarktleider verlaagde de prijs van zijn standaardramen met 30 procent. De Poolse markt was voor Velux bijzaak, maar voor Fakro van levensbelang. ‘Dat was de eerste slag,’ zegt Florek. ‘Toen begreep ik dat het niet makkelijk zou worden en dat we zelf moesten groeien.’ Een paar jaar later kwam de tweede slag: Velux verplaatste een groot deel van zijn productie naar Polen. Voor Florek stond dit gelijk aan een oorlogsverklaring, maar voor de managers in Hørsholm was het een voor de hand liggend besluit: de productiekosten, vooral de lonen, waren in Oost-Europa een fractie van die in het Westen. Tel daarbij op dat Polen over enorme bossen beschikt. Polen beschikte dus niet alleen over goedkope arbeidskracht, maar ook over een massa grondstoffen.
Het Westen dat het Oosten uitbuit: een verhaal dat in de Midden- en Oost-Europese landen tot op de dag van vandaag veel weerklank vindt en ook door de regering in Warschau graag wordt gebruikt. Die zou een deel van de economie het liefst ‘herpoloniseren’. Daarom heeft ze de op een na grootste bank van het land, een dochter van Unicredit, genationaliseerd. En ze heeft een ‘supermarktbelasting’ ingevoerd die uitsluitend op grote, buitenlandse detailhandelsketens is gericht. ‘We zijn niet principieel tegen buitenlandse investeringen. Maar kapitaal heeft altijd een paspoort,’ is de onderbouwing van Piotr Glinski, plaatsvervangend minister-president, voor het wantrouwen in buitenlandse beleggers en de poging van zijn regering om binnenlandse ondernemingen te beschermen. Aan de extra belasting voor zeer grote supermarkten heeft de EU-commissaris voorlopig een einde gemaakt.
Velux heeft zich door deze vaderlandslievende koers niet laten afschrikken. Het Deense concern heeft nu vier productievestigingen in Polen, bijna uitsluitend voor de export. Daar, op de markt in Frankrijk, Duitsland en Rusland, wordt geconcurreerd. Van de oorspronkelijk bijna 25 fabrikanten van dakramen zijn er nog maar een handvol over. Velux heeft ook zijn bedrijf willen kopen, vertelt Florek, dat was in 1999. Maar de Pool wees dat af. Daarop is de strijd geëscaleerd.
David en Goliath
In dit debat beschouwt Florek zichzelf als de Poolse David die tegen de Deense Goliath vecht. Maar in plaats van zijn slinger te gebruiken, vertrouwde Florek op de belofte die de EU voor zijn land betekende: bindende regels en gelijke rechten voor toegang tot de interne Europese markt. In zijn ogen beschikt de EU over een geweldige macht. Inderdaad wordt de mededingingsautoriteit in Brussel over de hele wereld gevreesd, en Margrethe Vestager, de EU-commissaris, heeft daar haar aandeel in geleverd door de Amerikaanse internetgigant Google onlangs tot een recordboete van 2,2 miljard euro te veroordelen. Want tot de regels voor de binnenlandse markt hoort een apart hoofdstuk. ‘Ondernemingen die de markt beheersen’ mogen hun positie niet misbruiken, bijvoorbeeld door kleine ondernemingen met dumpprijzen uit de markt te drukken. Maar de mededingingsautoriteit moet wel kunnen bewijzen dat het om misbruik gaat: lage prijzen zijn niet per definitie verboden.
Tien jaar geleden heeft de Europese Commissie de klachten tegen Velux voor het eerst onderzocht. Ze zag er toen, bij gebrek aan bewijs, van af om in te grijpen. Maar Florek is niet iemand die snel opgeeft en makkelijk grenzen accepteert. Het terrein waarop hij in de loop der tijd zijn bedrijf heeft opgebouwd ligt langs een spoorlijn, een lastig obstakel. Desondanks heeft Florek verder gebouwd: een tunnel van honderd meter lang en vijf meter breed verbindt het oude en het nieuwe fabrieksterrein. Volgens Florek is het ‘de eerste privétunnel van het land’.
Zomer 2102 begint hij opnieuw en dient bij Brussel een tweede mededingingsklacht in. De opsomming van de vergrijpen die Florek zijn concurrent ten laste legt, is lang. Velux zou in het geheim prijsafspraken hebben gemaakt met de vakhandel. Door ontoelaatbare exclusiviteitsafspraken werden bouwmarkten en dakdekkersbedrijven gedwongen om geen Fakro-ramen meer in te zetten. Met een goedkoop merk, Rooflite, heeft Velux zogenaamd geconcurreerd, maar alleen om Fakro uit de markt te drukken. En helemaal bizar: om zijn Poolse concurrent in diskrediet te brengen zou Velux deze goedkope ramen hebben voorzien van een warrige, onbegrijpelijke montagehandleiding in het Pools. ‘De dakdekkers moesten denken: Poolse rotzooi!’ zegt Florek boos.
Fabro-fabriek in Polen. – Fabro
Florek en zijn juristen hebben 184 gevallen van misbruik verzameld, het originele klaagschrift telt 300 pagina’s. De bijlagen beslaan nog eens 1100 pagina’s: documenten, cijferreeksen, getuigenverklaringen. Een voormalig werknemer van Velux verklaart bij notariële akte dat hij nog nooit voor een bedrijf heeft gewerkt dat zo tegen concurrenten te werk ging als Velux. Op de afleveringsbon voor een bouwmarkt staat: ‘Om te voorkomen dat Fakro-ramen worden gebruikt, bieden wij u Velux-ramen aan, waarbij we het prijsverschil door middel van een creditnota zullen vergoeden.’ Naar de mening van Florek zijn de bewijzen eenduidig en zijn de vergrijpen tegen het mededingingsrecht openlijk zichtbaar. De Commissie kan zo beslissen. Maar de Commissie beslist niet. Ze onderzoekt.
Dus doet Fakro er nog een schepje bovenop, stuurt meer documenten, nog meer bewijs. Drie juristen van de onderneming en een advocatenkantoor in Krakau houden zich ermee bezig. Ook huurt Florek een Duitse advocaat in. Wellicht, hoopt hij, worden Duitsers in Brussel serieuzer genomen dan Polen. Bovendien hopen de rechtsgedingen tussen de firma’s zich op. Inbreuken op patenten, merkenrecht, voorlopige beschikkingen: meestal is de Deense onderneming de klagende partij. Advocaten van Fakro vergaderen met experts van de Europese Commissie, en in juli 2013 gaat Florek voor het eerst zelf naar België. ‘Wat moeten we doen als Brussel niet naar ons luistert?’
In de eerste jaren na de toetreding van Polen tot de EU stijgt de omzet van Fakro nog, maar sinds enige tijd stagneert de verkoop van dakramen. In Duitsland, een van de belangrijkste afzetmarkten, zit het Poolse bedrijf al jaren in de rode cijfers. Florek zegt: ‘We zouden zo tweeduizend nieuwe mensen kunnen aannemen, als Velux ons niet zo tegenwerkte.’ Behalve dakramen produceert Fakro ook schuiftrappen, een markt waarop de Denen zich niet begeven.
In december 2015 krijgt Florek eindelijk een brief. ‘Betreft: zaak AT.40026 − Velux’. Afzender is Johannes Laitenberger, directeur-generaal van de Brusselse mededingingsautoriteit. In 25 kantjes legt Laitenberger ‘namens de Commissie’ uit dat de EU tot nu toe niet voldoende aanknopingspunten heeft gevonden om een zaak tegen Velux te openen. Onder verwijzing naar Europese verdragen schrijft hij dat de Commissie slechts ‘beperkte middelen’ ter beschikking heeft en daardoor niet in staat is ‘bij ieder mogelijk vergrijp tegen het Europese mededingingsrecht een onderzoek te beginnen’. Ze moet ‘prioriteiten stellen’.
De brief is een eerste waarschuwing, er ligt nog geen besluit. Maar Florek is sprakeloos. Uitgerekend de zogenaamd almachtige Commissie, die geweldige Brusselse machinerie die het tegen Google opneemt, zou niet genoeg middelen hebben om de zaak van een Poolse middenstander op te pakken? Drieënhalf jaar heeft hij zitten wachten, en nu legt een directeur-generaal hem uit dat zijn verzoek geen prioriteit heeft. De ondertoon die hij meent te horen is nog moeilijker te verdragen dan het vooruitzicht dat zijn klacht misschien wordt afgewezen. ‘Het gaat niet over onze levensstandaard, daar zorgen we zelf wel voor,’ zegt hij, ‘maar we willen gelijke kansen en gelijke rechten! We willen geen witte neger zijn!’ We, dat zijn de Midden- en Oost-Europeanen.
Afrekening
Het antwoord dat zijn advocaten opstellen lijkt op een afrekening. Ze verwijten de Commissie een ‘gebrek aan integriteit’, de Brusselse ambtenaren zouden ‘onbetrouwbaar’ handelen, ze zijn ‘onverschillig’, ‘oppervlakkig’ en ‘unfair’. De autoriteit veronachtzaamt haar taak en benadeelt kleinere bedrijven, vooral uit de nieuwe lidstaten, die juist extra bescherming nodig hebben. Want de westerse concurrentie heeft tenslotte tientallen jaren voorsprong.
Door deze reactie wordt de klacht definitief tot een politieke kwestie. En de woede van Florek verandert het gebruikelijke perspectief volledig: terwijl de Europese Commissie de regering in Warschau voorhoudt dat die de rechtstaat ontmantelt, verwijt Florek de Brusselse autoriteit juist dat die het vertrouwen in het recht ondermijnt. ‘Dit is niet de Unie die we willen. Nu hebben we alleen Kaczynski nog’. Jaroslaw Kaczynski, voorzitter van de PiS, geldt in Warschau als de sterke man. Voor de meeste mensen in de westelijke EU-landen werkt hij als een rode lap. Florek weet dat heel goed, hij provoceert opzettelijk.
Florek is geen aanhanger van de Poolse regeringspartij, hij heeft er nooit op gestemd. Maar in dit gevecht is elke ondersteuning welkom. En zijn verwijten passen prima in het verhaal dat de Poolse regering vertelt: de Europese Unie staat aan de kant van de grote concerns en de oude lidstaten. ‘Veel kleine landen hebben al moeten meemaken dat hun belangen in de EU met voeten werden getreden,’ zei Witold Waszczykowski, de Poolse minister van Buitenlandse Zaken, onlangs in een interview. Florek rekent voor dat het grootste deel van de winst en de waarde-creatie die Velux met zijn dakramen uit Polen realiseert, naar Denemarken gaat.
Om zijn verwijten tegen de Europese Commissie te onderbouwen heeft Florek een onderzoek laten uitvoeren. Het heeft als titel: ‘(On)eerlijke concurrentie: Worden bepaalde landen door het Europese mededingingsrecht bevoordeeld?’ Een Poolse denktank heeft de mededingingszaken van de afgelopen jaren geanalyseerd en komt tot een verrassende conclusie. Sinds de toetreding van de Midden- en Oost-Europese landen heeft de Brusselse beschermer van de vrije concurrentie ‘nooit de kant van een onderneming uit de nieuwe lidstaten gekozen’, als die een klacht had ingediend tegen een onderneming uit de oude EU. In maart, bij zijn tot nu toe laatste bezoek aan Brussel, heeft Florek het rapport overhandigd. Naast hem zat Ryszard Legutko, Europarlementariër voor de PiS. ‘Het is bedroevend en schokkend dat ondernemingen uit het zogenaamde nieuwe Europa niet op gelijke behandeling kunnen rekenen,’ zei Legutko. Fakro is er een ‘stuitend voorbeeld’ van.
In Brussel worden de verwijten beslist van hand de gewezen. ‘Een van de fundamentele principes van ons onderzoek is onpartijdigheid,’ zegt Margrethe Vestager. Dat betekent ‘dat we alle ondernemingen gelijk behandelen, of ze nu Europees zijn of uit het buitenland komen, of ze uit het oosten, het westen, het noorden of het zuiden van Europa komen.’ Nooit, en dat is heel belangrijk voor haar, heeft de Commissie zich aan de zijde van een onderneming geschaard, zoals in de studie wordt geformuleerd. ‘Wij staan aan de kant van de feiten en van de wet, en aan die van de Europese consument.’ Inderdaad is het onderzoek dat Florek in Brussel presenteerde slechts gebaseerd op een klein aantal gevallen. Er zijn sinds 2006 slechts vier zaken door de Commissie onderzocht waarbij een onderneming uit Oost-Europa een West-Europese onderneming verweet dat ze misbruik maakte van haar dominante marktpositie.
‘We betalen lokale belastingen, we geven meer dan vierduizend mensen werk, we investeren en we ontwikkelen een keten van toeleveranciers. Dat is allemaal pure meerwaarde’
Niet ver van het vliegveld van Warschau, gemakkelijk bereikbaar voor zakenreizigers, ligt The Park: zes splinternieuwe kantoorgebouwen, veel glas, veel grind, met praktische hokjes voor rokers ertussenin. Carlsberg, Goodyear, IBM, het internationale kapitaal dat in Polen opereert heeft hier zijn bruggenhoofd. In een van de gebouwen op de eerste verdieping bevindt zich het bureau van Jacek Siwinski. Sinds vier jaar is hij directeur van Velux Polen; daarvoor heeft hij lang voor een Duitse firma gewerkt.
Siwinski vraagt begrip voor het feit dat hij niet in detail op de beschuldigingen van Fakro kan ingaan. Het enige wat hij erover kwijt wil, is dit: ‘Alles waarvan Fakro ons beticht is ongegrond en niet gebaseerd op feiten.’ Siwinski weet ook dat daarmee niet alles gezegd is. Nu Floreks verwijten in steeds bredere kring aandacht trekken − zelfs de plaatsvervangend minister-president heeft zich erover uitgesproken − dreigt de Deense onderneming in Polen imagoschade te lijden. Ook Velux heeft daarom onderzoek laten doen, eveneens door een Pools instituut. In vijftig pagina’s worden het belang van de onderneming en het nut van buitenlandse investeerders voor de Poolse economie beschreven.
We lezen het volgende. In de afgelopen vijf jaar heeft Velux in Polen 138 miljoen euro geïnvesteerd. Op de vier vestigingen werken intussen meer dan vierduizend werknemers, en zelfs het management bestaat vrijwel uitsluitend uit Polen. Daarmee werken er meer Polen bij Velux dan bij Fakro. Tot de eigenaardige aspecten van dit debat hoort dat in zekere zin Polen tegen Polen worden opgezet. Kostenefficiency was bij het besluit over de vestigingsplaats ook belangrijk, geeft directeur Siwinski toe, ‘maar inmiddels gaat het veel meer over kwaliteit’. Poolse arbeiders zijn goed opgeleid, het Poolse hout is uitstekend.
Klopt het, zoals Florek beweert, dat de belasting en de winst vooral naar Denemarken vloeien? ‘Wij doen hetzelfde als lokale ondernemingen,’ antwoordt Siwinski. ‘We betalen lokale belastingen, we geven meer dan vierduizend mensen werk, we investeren en we ontwikkelen een keten van toeleveranciers. Dat is allemaal pure meerwaarde.’ Waar en hoeveel belasting Velux betaalt, verklapt hij niet.
Maar een woordvoerder van de onderneming uit Hørsholm stuurt ongevraagd twee artikelen op uit een Deense krant, in Engelse vertaling. De Deense politie heeft een onderzoek ingesteld naar een voormalig medewerker van Velux op verdenking van industriële spionage, zo luidt het bericht. Via een Duitse tussenpersoon zou hij Fakro documenten met inside-informatie hebben aangeboden. Florek bevestigt dat hij inderdaad met de tussenpersoon heeft gebeld, maar zegt dat hij nooit documenten heeft ontvangen. Ook de Deense onderzoekers hebben zich nog niet bij hem gemeld. Hij vermoedt ‘een nieuwe provocatie van Velux. Die Denen zijn rovers.’
Voor het hoofdkantoor van de Europese Commissie in Brussel wapperen 28 EU-vlaggen, een voor elke lidstaat. Een obelisk herinnert aan Robert Schuman, de ‘voorvechter van het verenigde Europa’. Ryszard Florek draagt een grijze aktetas; voor het gesprek met Margrethe Vestager wordt hij begeleid door drie juristen en een voormalig parlementslid dat nu voor Poolse firma’s lobbyt. De commissaris moet beslissen: ofwel haar autoriteit begint formeel een zaak tegen Velux, maar dan moeten de ambtenaren wel tamelijk zeker zijn van hun zaak, of ze wijst Floreks klacht af en speelt zodoende de EU-kritische krachten in Polen in de kaart. Dat Vestager zelf uit Denemarken komt en daardoor vooringenomen kan zijn, maakt de zaak er niet eenvoudiger op.
Onrecht
Mededingingszaken worden in Brussel uiterst discreet behandeld zolang er nog geen besluit is genomen. Florek ontmoet de commissaris op de tiende verdieping van het hoofdkantoor van het commissariaat, waar ze kantoor houdt. Een van de Poolse juristen moet tijdens het gesprek tolken, want Florek spreekt wel vloeiend Duits maar geen Engels. De commissaris en twee medewerkers zitten tegenover de Fakro-delegatie.
Van tevoren heeft Florek aantekeningen gemaakt. Hij wil de commissaris nog eens de situatie van zijn bedrijf schetsen, maar hij wil vooral vertellen wat hij verwacht – van Europa, van de mededingingsautoriteit, van Vestager. Tot slot wil hij de bedrijfsresultaten van Fakro in Duitsland laten zien, die steeds slechter zijn geworden omdat Velux, naar zijn idee, unfair te werk gaat. ‘Wat moet ik doen?’ wil hij haar tot slot vragen. Maar de commissaris heeft een ander doel. Zij moet Florek erop voorbereiden dat ze hem mogelijkerwijs moet teleurstellen.
De mededingingsautoriteit van de EU mag dan veel macht hebben, er werken maar achthonderd mensen. Dat is niet veel als je de grootste economie ter wereld wilt reguleren. De ambtenaren in Brussel moeten fusies controleren, staatshulp toetsen, het mededingingsrecht handhaven. Alleen al het [Duitse] Bundeskartellamt heeft 375 medewerkers, bijna de helft van dat in de EU, voor die paar nationale zaken. Het almachtige Brussel lijkt alleen van veraf een reus: hoe dichterbij je komt, hoe kleiner hij wordt. De Commissie moet daarom voor ieder individueel geval de afweging maken: hoe waarschijnlijk is het dat een onderneming heeft gezondigd tegen het mededingingsrecht? En, wat vaak over het hoofd wordt gezien: hoe waarschijnlijk is het dat dat vergrijp ook bewezen kan worden? ‘De Commissie moet haar zaken zo goed onderbouwen dat ze de toetsing door de rechters van de EU kan doorstaan,’ zegt Vestager nadrukkelijk.
Aan de ene kant de emoties en belangen van een hartstochtelijk ondernemer, aan de andere kant de koele – vaak al te koele – ratio van de Brusselse autoriteit. In het kantoor van de commissaris stuiten die twee vanmiddag op elkaar. In Vestagers visie zou er al veel gewonnen zijn als Florek een beetje tot bedaren kon worden gebracht. En als hij ermee zou willen stoppen de EU in Polen als maffia te blijven aanduiden, zelfs als de Commissie uiteindelijk niet in zijn voordeel beschikt. Het gesprek duurt bijna twee uur, veel langer dan verwacht. Ongebruikelijk weinig spraakzaam haast Florek zich na afloop naar Zaventem. Heeft hij gelijk gekregen? Is de man uit Polen groot onrecht aangedaan? Of heeft hij zich vergaloppeerd?
Ongetwijfeld speelt Velux het keihard. Of de Denen in strijd handelen met de regels voor de binnenlandse markt is voor een buitenstaander nauwelijks te zien. Maar de verwijten van Florek gaan veel verder dan hetgeen waarvoor Vestager verantwoordelijk is. De economische achterstand die de ‘nieuwe’ landen dertien jaar na hun intrede in de EU nog steeds hebben, kan ook door het mededingingsrecht niet worden opgeheven. Maar de strijd van Florek weerspiegelt een stemming die overal in Midden- en Oost-Europa heerst: het gevoel tweederangs Europeanen te zijn. Zijn aanklacht is niet alleen van belang voor Fakro, zegt Florek: ‘Heel Oost-Europa wacht op het resultaat.’
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
De succesvolle Aziatische metropolen Hongkong en Singapore worden vaak in één adem genoemd. Toch hebben de twee steden tegengestelde kapitalistische modellen: de een is ultraliberaal, de ander ultradirigistisch. Le Monde legde de rivalen langs de meetlat.
De rivaliserende steden Hongkong en Singapore vergelijken zich onophoudelijk met elkaar. Er gaat geen week voorbij of er is een enquête of peiling waarin ze met elkaar wedijveren, of het nu over de beheersing van het Engels gaat (voorsprong Singapore), over het aantal beursintroducties (voorsprong Hongkong) of zelfs over het gemiddelde IQ (gelijkspel: de twee steden zouden tot de wereldtop behoren). De kleinste nieuwtjes van de een worden angstvallig in de gaten gehouden door de ander.
Zo lanceerde de Michelingids in 2016 een editie voor Singapore – zeven jaar na Hongkong, het werd tijd! Eind februari maakte de pers in Hongkong melding van een sterke stijging van de watertarieven in Singapore, en vroeg zich meteen af of zo’n maatregel er ook in zat voor Hongkong.
De rivaliteit strekt zich uit tot alle sectoren, met name die van de ‘FinTech’ (nieuwe financiële technologieën). Hongkong hield van 7 tot 11 november 2016 zijn FinTech Week. Singapore ging daar drie dagen later overheen met zijn FinTech Festival. Hongkong groter, Singapore schoner; Hongkong Chinezer, Singapore kosmopolitischer; Hongkong dynamischer, Singapore ordelijker – aan het spelletje ‘zoek de verschillen’ tussen de Aziatische schijntweeling komt nooit een eind.
Tegenovergestelde modellen
Beide steden wekten in de eerste helft van de negentiende eeuw de hebzucht van de Britse kroon. De twee ‘parels van de Oriënt’, gescheiden door 2600 kilometer zee, waren strategisch gelegen langs de maritieme zijderoute: Singapore met de Straat van Malakka, Hongkong met de Parelrivierdelta. Hun identiteit is daarom sterk getekend door de internationale vrijhandel, en beide hebben hun essentiële rol daarin weten te behouden. In 2005 onttroonde Singapore Hongkong als grootste containerhaven ter wereld, om in 2010 zelf naar de tweede plaats te worden verwezen door Shanghai. Hongkong nam revanche door de grootste luchthaven voor vrachtverkeer te wereld te worden.
Ten tijde van de kolonisatie was hun geringe omvang een voordeel. ‘De twee gebieden waren gemakkelijk te besturen voor het Verenigd Koninkrijk, dat dan ook flink investeerde in infrastructuur (opslagplaatsen, wegen, waterleiding) en openbare instellingen (rechtbanken, scholen, ziekenhuizen). Daarna zijn er andere initiatieven genomen, zoals een enorm programma voor sociale huisvesting,’ aldus Donald Low van de Lee Kuan Yew-school voor Openbaar Bestuur van de Nationale Universiteit van Singapore. Ook het rechtssysteem is een erfenis van de Britse kolonisator. ‘De rechtsstaat die beide steden kennen onderscheidt ze van alle andere landen in de regio,’ voegt Low eraan toe. ‘Alleen op die manier konden ze uitgroeien tot geloofwaardige financiële centra.’ Zowel Singapore als Hongkong richtte een agentschap op om corruptie te bestrijden. Dit weerhoudt beide er overigens niet van om te flirten met de status van belastingparadijs.
Beide voormalige parels aan de Britse kroon hebben hun bijzondere ontwikkeling natuurlijk mede te danken aan hun geografische ligging, aan het uiterste noorden en zuiden van de Zuid-Chinese Zee. Hongkong, dat zich in 1997 bij de Volksrepubliek China aansloot (volgens het principe ‘een staat, twee systemen’), is altijd sterk op China georiënteerd geweest. Het is inmiddels een belangrijk financieel centrum voor grote Chinese bedrijven. Singapore is de onontkoombare metropool van Zuidoost-Azië en het Zuid-Pacifische gebied geworden.
Na twee eeuwen parallelle ontwikkeling behoren de twee steden tot de wereldtop op het gebied van moderniteit en technologie. Toch hebben ze ook de nodige crises en epidemieën gekend. Bovendien zijn ze tussen 1941 en 1945 door de Japanners bezet. Hun wegen scheidden zich met het uitroepen van de Republiek Singapore in 1965, nadat de stad zich in 1963 had afgescheiden van de Federatie van Maleisische Staten en onafhankelijk was geworden. Hoewel de microstaat zich aan de Britse betutteling heeft ontworsteld, zijn de Britse instituties en het architecturale erfgoed er behouden gebleven, evenals het Engels als lingua franca, waarvan de gesproken variant met zijn speciale intonatie zich tot het singlish (Singapore English) heeft ontwikkeld. Het Engels dat er gesproken wordt is nog altijd van een hoger niveau dan dat in Hongkong, dat weliswaar tot 1997 Engels is gebleven maar waar slechts 6 procent van de bevolking de taal voldoende beheerst en slechts 1,5 procent deze vloeiend spreekt, volgens een studie van de Universiteit van Hongkong uit 2015.
Tegenwoordig onderscheiden de steden zich vooral door hun diametraal tegenovergestelde maatschappijmodellen. Het ‘dirigistische’ model van Singapore, waarvan de resultaten overal ter wereld bewondering afdwingen, behoort tot de meest geavanceerde en vreemdste van de planeet. Alles wordt er berekend, geanalyseerd, voorzien en gemonitord. ‘Planning’ is het sleutelwoord. De stad belichaamt orde, properheid, veiligheid, excellentie en perfectie. Singapore is tegenwoordig de ‘smartste’ van de ‘smart cities’: up-to-date, doelmatig, duurzaam en toonaangevend op onderzoeksgebied.
De openbare orde lijkt er tot het uiterste doorgedreven, zoals blijkt uit het beroemde verbod op kauwgum. Ook het milieu is een prioriteit. In Hongkong zijn het de burgers die, geconfronteerd met de apathie van de overheid, het initiatief nemen om de stranden schoon te maken. Wie in Singapore afval niet in een vuilnisbak deponeert, riskeert de eerste keer een boete van 1350 euro, de tweede keer het dubbele en de keer daarna vijf keer zoveel. Hardnekkige overtreders worden gedwongen te werk gesteld bij de gemeentereiniging.
Sinds de onafhankelijkheid heeft Singapore nauwelijks sociale conflicten gekend, afgezien van twee stakingen (in 1986 en 2012) die beide nog geen twee dagen duurden. De Hongkongers gaan meerdere keren per jaar massaal de straat op. In de herfst van 2014 transformeerde de jeugd verschillende wijken in de stad tot surrealistische kampen om te protesteren tegen het plan van Beijing om de invloed van stemmingen te beperken. Dit zogeheten ‘parapluprotest’ duurde 79 dagen, wat in de tuinstad ondenkbaar zou zijn. ‘Singapore is het eerste land ter wereld dat het communisme in de marxistische zin van het woord heeft gerealiseerd,’ chargeert Jake van der Kamp, commentator van de ultraliberale South China Morning Post. ‘Zo’n 85 procent van de woningen wordt gesubsidieerd door de staat, de regering houdt naast andere belastingen 37 procent van alle salarissen in voor een collectief verzekeringsfonds en de hele zakenwereld staat onder overheidstoezicht.’
De buitenlanders mogen maar twee soorten werk doen: werk waarvoor de Singaporezen hun neus optrekken of werk waarvoor kwalificaties zijn vereist die ter plekke niet voorhanden zijn
De Singaporese regering bestuurt haar volk met dezelfde chirurgische precisie. Het geboortebeperkingsbeleid van de jaren zeventig, dat niet gespeend was van eugenetische trekjes, was zo doeltreffend dat de tegenovergestelde opdracht, aan het eind van de jaren tachtig, niet aansloeg. Om in de behoeften van de plaatselijke economie te voorzien moet de stad sindsdien mensen van buiten laten komen. Inmiddels is 40 procent van de bevolking van buitenlandse afkomst, wat het toch al multiculturele, Chinees-Indonesisch-Maleise Singapore een veel kosmopolitischer gemeenschap maakt dan Hongkong, dat voor 95 procent door Chinezen wordt bevolkt. De buitenlanders mogen maar twee soorten werk doen: werk waarvoor de Singaporezen hun neus optrekken of werk waarvoor kwalificaties zijn vereist die ter plekke niet voorhanden zijn. Nieuwe ondernemingen die zich er komen vestigen worden actief ondersteund.
Waar de dynamische Singaporese overheid altijd tuk is op verbeteringen, is het gebrek aan visie bij de overheid in Hongkong een vast thema onder lokale zakenlui. Hongkong zou zijn critici kunnen antwoorden dat het zijn dynamiek en aantrekkelijkheid dankt aan zijn bewoners en zijn markteconomie, en niet aan de overheid. In tegenstelling tot Singapore hangt Hongkong het ultraliberalisme aan. De economie zou er zelfs de liberaalste ter wereld zijn, volgens de zeer conservatieve Amerikaanse denktank Heritage Foundation. De werkloosheid van maar 3 procent (tegen 2 procent in Singapore) lijkt aan te tonen dat dit recept ook werkt.
Behalve vanwege de vrijheid en faciliteiten voor ondernemers is Hongkong ook aantrekkelijk vanwege zijn belastingstelsel. Door de geringe douanebarrières is het bijna een vrijhaven. Een beroemd voorbeeld blijft de afschaffing van de accijns op geïmporteerde wijn in 2008, die de ontwikkeling van een hele economische sector mogelijk maakte. Een ander voorbeeld is de markt voor moderne kunst die bloeiender is dan in Singapore, waar toch forse subsidies bestaan. Binnen enkele jaren hebben zich internationaal gerenommeerde galeries en grote veilinghuizen in Hongkong gevestigd, evenals een beurs voor moderne kunst, Art HK, die al snel werd opgekocht door wereldleider Art Basel. ‘De dynamiek van Hongkong is onvergelijkbaar. Dat is voor een groot deel te danken aan buurman China,’ bevestigt een ondernemer die beide steden goed kent. De energie die wordt geleverd door de nabijheid van China is onmiskenbaar. Singapore, daarentegen, is een beetje provinciaals. ‘De Hongkongers komen naar Singapore om op adem te komen; de Singaporezen gaan naar Hongkong om zichzelf weer te motiveren,’ zo vat een Singaporese taxichauffeur de situatie samen op grond van zijn dagelijkse observaties.
De Hongkongers koesteren hun vrijheden en aarzelen niet om daarvan te profiteren, tot leedwezen van Beijing. ‘De ironie wil dat de burgers in Hongkong het recht hebben om te betogen en hun ongenoegen te uiten maar dat ze niet hun eigen leiders kunnen kiezen, terwijl in Singapore, waar kritiek amper wordt getolereerd, de burgers het recht hebben om naar de stembus te gaan,’ constateert Cherian George, hoogleraar Journalistiek.
Paradoxaal genoeg hebben deze zeer verschillende systemen tot soortgelijke resultaten geleid, en tot soortgelijke gebreken. Geen enkele ontwikkelde economie ter wereld kent momenteel zulke grote verschillen tussen rijk en arm als deze twee steden. Op de grote avenues van Hongkong duwen dubbelgevouwen oude vrouwtjes karretjes met kartonnen dozen voor recycling voort tussen glimmende Ferrari’s en Tesla’s. Huisvesting is zo duur voor wie geen toegang heeft tot sociale woningbouw, dat een Chinese ondernemer op het idee is gekomen om ‘capsuleappartementen’ te introduceren, een moderne versie – met wifi – van de oude ‘kooiwoningen’, stapelbedden met tralies ervoor die dienst deden als onderkomen.
De twee steden blinken ook uit in crony capitalism, nepotistisch kapitalisme. Op een ranglijst van de grootste plutocratieën ter wereld die in 2014 werd opgesteld door het Britse weekblad The Economist, prijkte Singapore op de vijfde en Hongkong zelfs op de eerste plaats. Onder het mom van grote economische vrijheid is Hongkong in vijftig jaar tijd uitgegroeid tot een oligarchie waar maar enkele families de dienst uitmaken in de belangrijkste economische sectoren.
Als we de balans opmaken van het voortdurende duel tussen de twee steden, lijken economische argumenten zwaarder te wegen dan elke andere politiek-filosofische overweging. De vrees voor een braindrain van Hongkong naar Singapore is een steeds terugkerend thema in de pers van Hongkong. Met als reden de exorbitant hoge huren, de luchtvervuiling en de toenemende bemoeienis van China. Of, doodeenvoudig, het charmeoffensief van de Singaporese regering. Singapore lijkt zich plotseling te bevrijden van zijn lichte minderwaardigheidscomplex. De periode van beroering die de wereld momenteel doormaakt, heeft de kritiek op het sociale en politieke model doen verstommen. Dat doet weliswaar verstikkend aan, maar als puntje bij paaltje komt is het behaaglijk en geruststellend.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders).
CONTEXT: Washington of Beijing? Een dilemma voor Singapore
De stadstaat ging een keus tussen de supermachten altijd slim uit de weg, maar dreigt nu voor het blok te worden gezet.
Washington of Beijing: voor Singapore, dat 14.000 keer kleiner is dan China en een militaire bondgenoot van de VS, is het lastig kiezen. Beijing sluit overal in Zuidoost-Azië bondgenootschappen, terwijl Washington met twee monden blijft spreken over de duur van zijn betrokkenheid bij de regio. Lee Kuan Yew, de stichter van de in 1965 uitgeroepen Republiek Singapore, onderhield uitstekende betrekkingen met zowel Henry Kissinger, als met Deng Xiaoping, van 1956 tot 1967 secretaris- generaal van de Communistische Partij van China. Lee Kuan Yew bracht zelfs zijn ‘vakantie’ door in Taiwan; dat ging allemaal probleemloos. Maar de tijden zijn veranderd.
‘Binnen drie tot vijf jaar dreigt Singapore moeilijke keuzes te moeten maken,’ voorspelt Donald Low van de Nationale Universiteit van Singapore. Tot overmaat van ramp hebben de Verenigde Staten op 23 januari jl. het Trans-Atlantisch Partnerschap (TPP) geannuleerd, een verkiezingsbelofte van Donald Trump. ‘Dat heeft de Singaporese regering ernstig in verlegenheid gebracht,’ bevestigt een diplomaat. ‘Hier is de vrijhandel meer dan een religie, het is het hart van het systeem. Als de internationale handel tot stilstand komt, gaat Singapore dicht.’ In werkelijkheid beschikt Singapore nog altijd over een twintigtal bilaterale vrijhandelsverdragen, met onder andere de VS, Japan en China. Dat neemt niet weg dat de houding van Washington weinig goeds belooft voor het regionale evenwicht en dat Singapore beseft hoe kwetsbaar zijn positie is.
Singapore wordt inmiddels ook het hof gemaakt door China. De economische betrekkingen tussen de twee nemen een hoge vlucht. En Beijing duldt geen kritiek meer van deze stadstaat die het als Chinees beschouwt
In augustus 2016 verzekerde president Barack Obama: ‘Singapore is de ankerplaats van onze aanwezigheid in de regio.’ Dit bondgenootschap berust op een memorandum van overeenstemming. ‘De marinebasis van Changi ontvangt Amerikaanse vliegdekschepen, het commando van de Amerikaanse strijdkrachten in de Grote Oceaan heeft zijn logistieke basis in Sembawang (aan de noordkant van Singapore) en de VS beschikken over een eskader op de luchtmachtbasis Paya-Lebar,’ aldus Eric Frecon, onderzoeker aan het marine-instituut en coördinator van het Observato- rium voor Zuidoost-Azië.
Singapore wordt inmiddels ook het hof gemaakt door China. De economische betrekkingen tussen de twee nemen een hoge vlucht. En Beijing duldt geen kritiek meer van deze stadstaat die het als Chinees beschouwt. In november 2016 liet China zijn ongeduld blijken door negen Singaporese pantservoertuigen die terugkwamen uit Taiwan, waar Singapore al meer dan veertig jaar zijn troepen laat oefenen, tijdens een tussenstop in Hongkong in beslag te nemen. De voertuigen werden teruggegeven ter gelegenheid van het Chinees Nieuwjaar. Er was minstens één geheime missie naar Beijing nodig om dat voor elkaar te krijgen.
Een andere bron van Chinese ergernis is het feit dat Singapore in juli 2016 het Hof van Arbitrage heeft ingeschakeld in het conflict over de Zuid-Chinese Zee. Als reactie daarop voerde de Global Times, de propagandatabloid van de Communistische Partij van China, een felle lastercampagne tegen Singapore. Sommigen mompelen dat de boodschap is doorgekomen: de oefeningen in Taiwan zijn opgeschort, in elk geval ‘voorlopig’. Hoe dan ook lijkt de ergste kou tussen de landen uit de lucht. De vergadering van de bilaterale samenwerkingsraad, die in 2016 wegens spanningen was geannuleerd, is op maandag 27 februari jl. alsnog gehouden in Beijing.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.