Om de week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar de Democratische Republiek Congo. Daar is opnieuw een ebola-epidemie vastgesteld. De omstandigheden maken het indammen van het virus dit keer bijzonder moeilijk: gewapende conflicten, wantrouwen in de overheid en teruglopende internationale hulp zetten het toch al broze gezondheidsstelsel verder onder druk.
Wat is er aan de hand?
Er is sprake van een nieuwe uitbraak van het ebolavirus in de Democratische Republiek Congo, met het epicentrum in de provincie Ituri. Het is de zeventiende keer dat het land te maken krijgt met het virus sinds ebola vijftig jaar geleden werd ontdekt, merkt Afrik.com op. De epidemie wordt veroorzaakt door het Bundibugyo-virus. Er bestaat momenteel geen vaccin of specifieke behandeling tegen deze variant, die een sterftepercentage heeft van 50 procent. Symptomen zijn onder andere hoge koorts, intense vermoeidheid, spierpijn, braken en in sommige gevallen bloedingen. In ernstige gevallen kunnen organen worden aangetast.
Het aantal vermoedelijke gevallen in de DRC nadert de duizend, terwijl Oeganda zeven gevallen meldt, aldus het Amerikaanse nieuwsplatform Mongabay. Deze snelle toename wijst erop dat het virus al langer in de regio circuleert dan eerder werd gedacht.
‘We breiden onze activiteiten met spoed uit, maar op dit moment blijft de epidemie een stap voor’
‘We breiden onze activiteiten met spoed uit, maar op dit moment blijft de epidemie een stap voor’, waarschuwde de directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) Tedros Adhanom Ghebreyesus maandag, aldus Reuters. Het Afrikaanse Centrum voor ziektebestrijding en -preventie heeft tien Afrikaanse landen aangewezen die risico lopen: Angola, Burundi, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de Republiek Congo, Ethiopië, Kenia, Rwanda, Zuid-Soedan, Tanzania en Zambia.
Wat maakt het zo lastig om het virus te bestrijden?
Ebola verspreidt zich via lichaamsvloeistoffen zoals bloed, speeksel, zweet en sperma, zodat vooral zorgverleners en mantelzorgers kwetsbaar zijn. Volgens professor mondiale volksgezondheid Devi Sridhar van de Universiteit van Edinburgh is er echter geen gebrek aan kennis. ‘Het is eerder ook gelukt uitbraken onder controle te krijgen’, schrijft ze in The Guardian. De grootste uitdagingen zitten volgens haar in de uitvoering: er is een tekort aan personeel, laboratoriumcapaciteit en logistieke middelen.
Juist die uitvoering is in de DRC bijzonder ingewikkeld. De uitbraak vindt plaats in een conflictgebied waar veel reisverkeer is en waar gezondheidsvoorzieningen door jaren van geweld zijn beschadigd of verwoest. ‘Zelfs onder ideale omstandigheden zijn maatregelen zoals contactonderzoek en isolatie moeilijk uit te voeren’, schrijft spoedeisendehulparts Craig Spencer in The New York Times. In 2014 liep hij zelf ebola op na het behandelen van patiënten in Guinee. ‘De omstandigheden in de DRC zijn allesbehalve ideaal.’
Daarnaast staat de bestrijding van de uitbraak onder druk door een afname van internationale hulp. Na de grote ebola-uitbraak van 2014, waarbij circa elfduizend mensen stierven, werden systemen opgezet om nieuwe uitbraken sneller op te sporen en in te dammen. Maar een deel van die infrastructuur – zoals surveillancenetwerken en internationale samenwerkingsverbanden – is de afgelopen jaren afgebouwd, onder meer door het stopzetten van USAID. ‘Daardoor zijn we minder goed voorbereid dan enkele jaren geleden’, schrijft Spencer. Ook het budget van het noodhulpprogramma van de WHO is sinds 2024 met 37 procent gedaald.
‘We zijn minder goed voorbereid dan enkele jaren geleden’
Maar ook de hulp die wél beschikbaar is, stuit op weerstand. Een groot deel van de lokale bevolking heeft weinig vertrouwen in de overheid of externe hulporganisaties, wat routinematige zorg zoals vaccinatiecampagnes bemoeilijkt, aldus CNN.
Zondagavond liepen de spanningen hoog op toen een groep jonge mannen een ziekenhuis bestormde waar ebolapatiënten worden behandeld in de provincie Ituri. Er zouden meerdere schoten zijn gelost voordat het medisch personeel van het Mongbwalu General Hospital de patiënten kon evacueren, zo meldt Associated Press. De medisch directeur van het ziekenhuis zei dat de aanvallers eisten dat de lichamen van twee familieleden aan hen zouden worden overgedragen. Het was de derde aanval op een zorginstelling in een week tijd.
Hoe groot is het gevaar?
Volgens Professor Devi Sridhar in The Guardian is het onwaarschijnlijk dat de ebola-uitbraak een wereldwijde pandemie wordt, gezien de verspreidingswijze. Des te groter zijn de zorgen over de verwoestende gevolgen voor de DRC en buurlanden. Sridhar vreest een herhaling van de uitbraak in West-Afrika. ‘Er stierven honderden gezondheidswerkers doordat ze patiënten behandelden zonder over adequate persoonlijke beschermingsmiddelen te beschikken. Zorgverleners zijn onmisbaar en moeilijk te vervangen. Het effect was een toename van de moeder- en zuigelingensterfte door een gebrek aan opgeleid personeel, en een stijging van de kindersterfte doordat het standaardvaccinatieprogramma werd verstoord.’
De regeringen van de DRC en Oeganda hebben de aandacht, medewerking en steun van de wereld nodig om deze uitbraak te stoppen, aldus Sridhar: ‘Als het huis van je buurman in brand staat, blijf je ook niet toekijken. Dan help je het vuur te blussen.’
Meer dan 200.000 ontheemden zijn op de vlucht geslagen
Sinds begin januari zijn meer dan tweehonderd gewonden, de meesten geraakt door kogels of granaatvuur, naar het ziekenhuis in Goma gebracht, een gebied waar de gevechten heviger zijn geworden, meldden het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) en lokale bronnen maandag. Strijders van de M23, een gewapende antiregeringsgroep die wordt gesteund door Rwanda en zijn leger, hebben de afgelopen weken snel vooruitgang geboekt en terrein gewonnen op de Congolese strijdkrachten (FARDC).
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Meer dan tweehonderdduizend ontheemden uit plaatsen in het Masisi-gebied, in de provincie Noord-Kivu, zijn de afgelopen twee dagen op de vlucht geslagen,’ meldt het Congolese mediakanaal Radio Okapi. ‘Terwijl ze vluchten, worden deze ontheemden getraumatiseerd door zwaar geweervuur.’ Maandag vonden er volgens lokale bronnen gevechten plaats in de heuvels van Sake, een stad op ongeveer twintig kilometer van Goma.
Gezondheidsfunctionarissen in de Democratische Republiek Congo, het epicentrum van de mpox-uitbraak, zeggen dat ze zelfs niet over de meest basale middelen beschikken om het virus in te dammen en te behandelen. Dat schrijft The New York Times.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Congo heeft beperkte capaciteit om gevallen van waterpokken te diagnosticeren. Dat bemoeilijkt de inspanningen om contacten te traceren en de ware omvang en verspreiding van de uitbraak vast te stellen. Verder is er geen effectieve antivirale behandeling voor mpox in Congo. Het land heeft ook een tekort aan medicijnen om mensen met pijnlijke pokkenlaesies te behandelen. Het fragiele gezondheidszorgsysteem heeft moeite om de geïnfecteerden basiszorg te bieden, waarvan is aangetoond dat het de overlevingskansen verbetert, zelfs als er geen antivirale geneesmiddelen zijn. Ook wacht het land wacht nog steeds op vaccins om gezondheidswerkers en naaste contacten van geïnfecteerden te beschermen en om te proberen de verspreiding van het virus tegen te gaan.
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar de Democratische Republiek Congo, waar een humanitaire crisis van enorme proporties dreigt door aanhoudend geweld tussen milities, wat voor een enorme vluchtelingenstroom zorgt. Wat is er aan de hand, en wat moet er gebeuren om het tij te keren?
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €5 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.
Wat is er aan de hand in de Democratische Republiek Congo?
Hoewel het al lange tijd onrustig is in de Democratische Republiek Congo (DRC), met een binnenlandse oorlog tussen enerzijds regeringstroepen, milities loyaal aan de regering, buitenlandse milities, andere Afrikaanse landen en anderzijds de rebellenbeweging M23, lijkt de crisis nu tot een kookpunt te komen. Op dinsdag kwam de door de Verenigde Naties gerunde website UN News met een update over de DRC. Het agentschap presenteerde harde cijfers, die een somber beeld schetsen van een groeiende crisis.
‘Door de recente gevechten tussen regeringstroepen en de M23-rebellengroep, in combinatie met willekeurige bombardementen, zijn de toch al beperkte middelen voor de opvang van 800.000 binnenlandse ontheemden in de regio en 2,5 miljoen andere ontheemden in de provincie Noord-Kivu flink onder druk komen te staan’.
Volgens de Verenigde Naties zijn de afgelopen weken in de provincie Ituri in het oosten van de DRC ruim tweehonderd burgers gedood en ontvluchtten de afgelopen weken ruim 52.000 mensen gedwongen hun huis. De nieuwe escalatie van het geweld heeft meer dan 2000 huizen verwoest en zeker 80 scholen zijn gesloten of gesloopt.
‘De situatie is uiterst zorgwekkend,’ zei Çaglar Tahiroglu, projectcoördinator bij Artsen zonder Grenzen van het Mweso General Hospital, tegen journalisten van ABC News. ‘Het ziekenhuis is overweldigd. Samen met het ministerie van Volksgezondheid doen we ons best om iedereen te helpen, maar we hebben niet genoeg middelen, waaronder voedsel.’
Ook The Guardian toog naar het Afrikaanse land, om precies te zijn naar hoofdstad Goma. ‘Volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken van de VN wonen alleen al in de buitenwijken van Goma ongeveer een half miljoen mensen in smerige kampen. En er komen steeds meer mensen bij. Alleen al tussen 2 en 7 februari trokken ongeveer 135.000 mensen naar Goma, voornamelijk vanuit de hooglanden rond de stad Saké,’ aldus de humanitaire organisatie, En dan is er ook nog politieke onrust. ‘Jean-Michel Sama Lukonde, de premier van de DRC, heeft dinsdag ontslag genomen, waardoor zijn regering automatisch wordt ontbonden, schrijftNation.‘Lukonde diende zijn ontslag in bij president Felix Tshisekedi.’ De precieze reden achter het vertrek is onduidelijk, maar de beslissing draagt niet bij aan een stabiele regio.
Bovendien zijn er protesten in het land, die voornamelijk gericht zijn tegen westelijke ambassades, omdat die symbool zouden staan voor de houding van het Westen in dit conflict. Ze zijn ‘een aanklacht tegen het gebrek aan wereldwijde aandacht voor de Congolese crisis. De vergelijking met zowel Oekraïne als Israël-Palestina wordt binnen het land zelf vaak gemaakt: waar blijft de aandacht voor de Congolese crisis?’ schrijft The Conversation.
Welke partijen spelen een rol in dit conflict?
De speler die we het meest horen in het conflict in de DRC is M23. De naam M23 verwijst naar de datum van 23 maart 2009, schrijft The East African, ‘toen een einde kwam aan een eerdere opstand onder leiding van de Tutsi’s in Oost-Congo. De groep beschuldigt de regering van de DRC ervan afspraken om de Congolese Tutsi’s volledig in het leger en de regering te integreren, niet na te komen. De groepering zegt alle Tutsi-belangen te verdedigen, vooral tegen etnische Hutu-milities zoals de Democratische Krachten voor de Bevrijding van Rwanda (FDLR), opgericht door Hutu’s die Rwanda ontvluchtten na deelname aan de genocide van 1994 op meer dan 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s.’
M23 zelf werd opgericht in 2012, veroverde zelfs korte tijd de stad Goma en werd vervolgens in 2013 verslagen. Eind 2021 kwam de groep opnieuw op, gevoed door langdurige geopolitieke spanningen tussen de DRC en Rwanda. Sindsdien heeft M23 controle gekregen over grote delen van het land. De rebellenbeweging controleert op het moment van schrijven de toegang tot Goma, een stad die symbolisch en strategisch belangrijk is als grootste stad van Kivu, een mineraalrijke provincie die grenst aan Rwanda.
Rwanda wordt al langere tijd door de Congolese autoriteiten beschuldigd van steun aan M23. Ook westerse landen, zoals Frankrijk, de Verenigde Staten en België, riepen het land deze week nog op hun troepen en raketsystemen uit Congo terug te trekken. Rwanda reageerde daar dinsdag op en zei volgens Africa News dat het zich verdedigt tegen een ‘dramatische militaire opbouw’ door Congo vlakbij de grens. Het Rwandese ministerie van Buitenlandse Zaken sprak in een verklaring over bedreigingen voor de Rwandese nationale veiligheid, die zouden voortkomen uit de aanwezigheid van een gewapende groepering in Congo, waarvan onder meer vermoedelijke daders van de genocide van 1994 deel uitmaken.Deze rebellengroep, bekend onder de initialen FDLR, ‘is volledig geïntegreerd in het Congolese leger’, schreef de Rwandese regering.
De spanningen tussen Congo enerzijds en Rwanda en bovendien Oeganda anderzijds, gaan zo’n dertig jaar terug, schrijftpersbureau AP. ‘Rwanda en Oeganda kennen een lange geschiedenis van militaire interventies in Congo. De twee landen vielen Congo in 1996 en 1998 binnen en beweerden dat ze zichzelf verdedigden tegen lokale milities.Honderdduizenden Rwandese Hutu-vluchtelingen vluchtten in de nasleep van de Rwandese genocide van 1994 naar Congo en vervolgens naar Zaïre. Onder hen bevonden zich soldaten en militieleden die verantwoordelijk waren voor de slachting van de 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s’.
Om die vermeende genocideplegers aan te pakken, vielen Rwanda en Oeganda jaren later Congo binnen. De spanningen tussen Congo en Rwanda escaleerden in 2021 toen M23 aanvallen pleegde op Congolese soldaten. Van een vredesakkoord uit 2013, dat tien jaar voor relatieve rust had gezorgd, was niets meer over. Inmiddels beschuldigen mensenrechtenorganisaties Rwanda ervan munitie, wapens, militairen en zelfs directe gevechtssteun te leveren aan M23. Zo zou Rwanda raketten hebben ingezet op burgerdoelen in Congo.
Er nemen nog veel meer partijen deel in het conflict in de DRC: volgens rapporten die Deutsche Welle publiceerdezo’n 250 lokale en 14 buitenlandse gewapende groepen, en daarnaast regeringslegers, Afrikaanse vredesmissies en huurlingenlegers. In de eerste plaats het Congolese leger: dat wordt gesteund door loyalistische milities die bekendstaan als Wazalendo – of ‘patriotten’.
Daarnaast zijn in Congo sinds eind vorig jaar troepen uit Zuid-Afrika, Malawi en Tanzania aanwezig, onder een missie van de Southern African Development Community (SADC). Vorige week zei de Zuid-Afrikaanse regering dat er nog eens 2900 soldaten zouden worden gemobiliseerd voor de SADC-missie, die een mandaat heeft tot december 2024. Ook bevinden zich militairen van de VN in het land.
Los van de missies zijn in het land ook troepen van verschillende Afrikaanse regeringen aanwezig voor andere gevechten. Naar verluidt zijn ongeveer duizend Burundese troepen in Noord- en Zuid-Kivu aanwezig als onderdeel van een geheime operatie. Deze militairen zouden in Congolese legeruniformen vechten. De troepen van Burundi vechten naar verluidt vooral tegen in Congo gevestigde gewapende rebellengroepen die zich verzetten tegen de Burundese regering. Een voorbeeld is de RED-Tabara-militie, die verantwoordelijk is voor aanvallen op burgerdoelen in Burundi.
Oegandese troepen vechten sinds 2021 in het oosten van de DRC als onderdeel van een gezamenlijke operatie om de Allied Democratic Forces (ADF) te ontmantelen, een militante groepering die banden heeft met ISIS. De ADF, door de Verenigde Staten en Oeganda bestempeld tot terreurgroep, ontstond in de jaren negentig in Oeganda, maar opereert nu vanuit Noord-Kivu en voert zowel in Oeganda als in Congo aanslagen uit.
En zoals in veel mineraalrijke gebieden bevinden zich in DRC ook Europese huurlingen. Zo ondersteunt het in Bulgarije geregistreerde huurlingenleger Agemira, dat voornamelijk bestaat uit gepensioneerd Frans militair personeel, het Congolese leger. Een tweede groep, Congo Protection, wordt beheerd door een Roemeens ex-lid van het Franse Vreemdelingenlegioen en heeft voornamelijk voormalige soldaten uit Oost-Europa in dienst. Hoewel Congo Protection is gecontracteerd om Congolese legereenheden op te leiden, worden de militairen ook ingezet in rechtstreekse gevechten tegen rebellen.
Wat moet er gebeuren om een verdere crisis te voorkomen?
Een decennia-oud conflict, buitenlandse spelers, een mineraalrijk gebied, armoede en vluchtelingen: de situatie in de DRC ziet er vrij uitzichtloos uit. Wat kan men doen om erger te voorkomen?
De situatie overlaten aan de leiders van de DRC en Rwanda lijkt geen optie. The Africa Report schrijft dat de Congolese president Félix Tshisekedi en de Rwandese president Paul Kagame elkaar onlangs nog, bij een top van de Afrikaanse Unie, publiekelijk in de haren vlogen.
Vanwege de aanhoudende spanningen en het oplopende geweld zit er voor mensenrechtenorganisaties en buitenlandse regeringen weinig anders op dan binnen de regio oproepen tot kalmte en respect voor mensenrechten.
‘Nu meer dan een miljoen binnenlandse ontheemden in en rond Goma opeengepakt zitten en gebrek hebben aan onderdak, voedsel, sanitaire voorzieningen en gezondheidszorg, moeten de internationale partners van DRC hun inspanningen opvoeren om waardige humanitaire hulp te garanderen aan iedereen in nood’, zo zei Tigere Chagutah, regionaal directeur van Amnesty International voor Oost- en Zuidelijk Afrika, deze week. ‘Staten en intergouvernementele organisaties, zowel in de regio als internationaal, moeten hun reactie op deze crisis heroverwegen.’
De Verenigde Staten waarschuwden Rwanda en de Democratische Republiek Congo dinsdag bij de Verenigde Naties dat ze ‘terug moeten stappen van de rand van oorlog’ waar de twee landen op zouden staan, zo meldt Voice of America, alvorens Robert Wood, een Amerikaanse gezant bij de VN, te citeren. ‘Partijen die bij het conflict betrokken zijn en regionale actoren moeten onmiddellijk het vredesproces hervatten – diplomatieke inspanningen, en geen militaire conflicten, zijn de enige weg naar duurzame vrede.’
Eerdere inspanningen van de VS om vrede te bewerkstelligen, hadden weinig succes. In december presenteerden de VS volgens Politico ‘een gedetailleerd voorstel aan de leiders van Congo en Rwanda voor een pact om de gevechten in Oost-Congo te verminderen’. Volgens de nieuwssite stemden de leiders zelfs in met het plan ‘dat Rwanda zijn strijdkrachten tegen 1 januari zou terugtrekken en Congo zijn drones aan de grond zou houden’.
Maar inmiddels is het eind februari, en wordt er heviger dan ooit gevochten. Als de politieke en diplomatieke weg blijkbaar zo moeilijk is, is er dan wellicht een andere oplossing?
Er zijn veel militaire missies in het land, die echter maar weinig succes hebben gehad. Een eerdere missie van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC), waar de DRC deel van uitmaakt, werd in juli 2022 ingezet, onder leiding van Kenia, met zo’n 12.000 man. Het ging echter om een defensieve missie, terwijl de DRC hoopte op meer offensieve acties tegen M23. Een jaar later werd de missie dan ook de deur gewezen door de Congolese regering. De VN-vredesmacht in het land lijkt ook ‘geen potten te kunnen breken’, schrijft Al Jazeera.
‘Congolezen vragen zich af waarom de troepenmacht van de VN hen niet heeft beschermd tegen M23 en andere gewelddadige rebellengroepen, en hun frustratie heeft het afgelopen jaar geleid tot rellen en gewelddadige protesten. De Congolese regering zelf heeft de VN-troepen uiteindelijk verzocht het land te verlaten’.
Dan is er nog Zuid-Afrika, dat samen met troepen uit Malawi en Tanzania een interventiemacht vormt. Zij hebben tien jaar geleden wel succes geboekt in de DRC, maar de vraag is of dat nu weer zal lukken. Voorlopig lijkt het verhaal van de DRC op dat van gewapende conflicten elders in de wereld: de strijdende partijen geven geen haarbreed toe, het leed van onschuldige burgers kan alleen maar groter worden en buitenlandse actoren doen te weinig om het geweld te stoppen. Een uitzichtloze situatie voor een land dat in zijn geschiedenis maar weinig vrede heeft gekend.
Het leger trad op tegen de sekte die het protest organiseerde
Een protest in de Democratische Republiek Congo tegen de Verenigde Naties, georganiseerd door een religieuze sekte, heeft volgens Barron’s aan 48 mensen het leven gekost. Nog eens 75 mensen zouden gewond zijn geraakt. Officieel was de lezing dat er maximaal tien mensen waren omgekomen, maar dat getal blijkt hoger te liggen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
In de Democratische Republiek Congo is de VN-vredesmissie MONUSCO actief met honderden militairen, grotendeels uit andere delen van Afrika. Het is een van de grootste VN-missies ter wereld, maar in het land is er kritiek dat de soldaten te weinig doen om geweld door milities te stoppen. De VN hebben al eerder aangekondigd de stekker uit de vredesmissie te zullen trekken.
Desondanks had de sekte opgeroepen om bases van de VN-missie te bestormen. Congolese militairen trokken vervolgens naar gebedshuizen van de sekte en doodden daar meerdere leden. Ook zouden er sekteleden op de locatie van een radiozender zijn gelyncht. Er zijn naar schatting bijna 170 sekteleden opgepakt.
Geweld tussen de Lendu en de Hema is weer opgelaaid
Bij een aanval, die wordt toegeschreven aan militieleden, zijn veertien mensen omgekomen in de Democratische Republiek Congo. Het incident vond zondag plaats in Gobu, een dorp in de provincie Ituri, volgens lokale bronnen en het leger. Een week eerder werden in hetzelfde gebied zeven andere mensen gedood.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De aanval van zondag werd toegeschreven aan de Codeco, een militie van enkele duizenden mannen die beweert de Lendu-gemeenschap te beschermen tegen de Hema, een rivaliserende etnische groep. De Congolese nieuwssite Politico wijst erop dat Ituri ‘sinds mei 2021 onder staat van beleg is geplaatst, een uitzonderlijke maatregel die is afgekondigd door de president’ om het etnisch geweld in de provincie te beteugelen. Na een decennium van rust is het bloederige conflict in Ituri tussen Hema en Lendu sinds eind 2017 hervat. Daarbij zijn duizenden burgers omgekomen en meer dan anderhalf miljoen mensen op de vlucht geslagen, volgens de VN.
In de regio zijn milities actief die burgerdoelen aanvallen
In de Congolese provincie Ituri zijn de lichamen van tientallen personen gevonden in massagraven. De ontdekking werd gedaan door militairen van de Verenigde Naties, zo meldt Africa News. In de regio is het al langer onrustig door gewapende milities die aanvallen plegen op burgerdoelen.
Eerder deze weken kwamen er meldingen binnen over moordpartijen bij kerken en in dorpen. VN-militairen trokken daarop de regio binnen en ontdekten de massagraven in twee dorpen. Ook werden de lichamen van zeker zes kinderen ontdekt.
Het is al langer onrustig in Congo, waar gewapende milities ondanks beloften van de regering actief zijn. Burgers houden grote demonstraties in de Congolese steden tegen deze groeperingen, maar met name in de landelijke regio’s blijven zij actief. Op de plek waar de massagraven werden gevonden is een alliantie aan milities actief die in de afgelopen twee maanden bijna tweehonderd slachtoffers zou hebben gemaakt.
De regering spreekt van mogelijk meer dan honderd doden
In de Congolese hoofdstad Kinshasa zijn zeker vijftig doden gevallen door aanhoudend noodweer. De zware regenval zorgde voor overstromingen en aardverschuivingen die met name in de armere buurten van de stad voor een ravage zorgden, meldt The East African. Op deze plekken zijn veel huizen illegaal gebouwd met goedkoop materiaal. Ook ontbreken er afwateringssytemen en een degelijke infrastructuur.
In delen van Kinshasa ontstonden sink holes, oftewel grote gaten in de grond, toen de aarde door de regenval plotseling wegzakte. Autoriteiten blijven zoeken naar overlevenden en volgens de nationale regering ligt het daadwerkelijke dodental mogelijk boven de honderd. Ook een van de belangrijkste snelwegen van de stad is overspoeld door de modder en tijdelijk onbruikbaar.
Het is niet voor het eerst dat Kinshasa wordt getroffen door zwaar noodweer en daaropvolgende aardverschuivingen. In 2019 kostte noodweer aan 32 mensen het leven. Daarnaast konden mensen maandenlang niet werken omdat herstelwerkzaamheden in hun omgeving niet op gang kwamen.
De oorlog met Rusland heeft ervoor gezorgd dat de EU haar vizier richt op Afrika voor olie en gas. Het continent heeft die brandstoffen evengoed nodig.
Naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne is de EU al een tijdje wanhopig op zoek naar vervangers voor steenkool, olie en gas. In het document REPowerEU stelt de Europese Commissie zich ten doel ‘Europa vóór 2030 onafhankelijk te maken van Russische fossiele brandstoffen’. Daartoe wil de EU in de eerste plaats samenwerken met ‘internationale partners om alternatieve energiebronnen te vinden’, zoals het gas dat in sommige Afrikaanse landen onder de grond is opgeslagen.
In de afgelopen maanden hebben verschillende Europese ambtenaren Algiers, Dakar, Abuja, Brazzaville en Luanda bezocht om de mogelijkheden voor grotere gasinvoer te onderzoeken. De Europese Commissie heeft een tripartiete overeenkomst ondertekend om de aankomst van Israëlisch gas via Egypte te verzekeren. Bovendien worden de investeringen van Europese ondernemingen in lng-projecten nieuw leven ingeblazen. Enkele voorbeelden: BP in Senegal en Mauritanië; ENI in Algerije, Egypte, Nigeria, Angola en de Republiek Congo; Equinor en Shell in Mozambique en Tanzania.
Afrikaanse ontwikkeling
Aardgas wordt echter niet alleen geëxporteerd, maar ook steeds meer binnen Afrikaanse landen gebruikt. Het wordt veelal gezien als een belangrijke stap richting de energietransitie, en een garantie voor ontwikkeling. Gasflessen kunnen heviger vervuilende energiebronnen als brandhout of houtskool vervangen, die nu nog op grote schaal in Afrikaanse huishoudens worden gebruikt, en die slecht zijn voor de gezondheid.
De belangrijkste toepassing van gas – vooral in een werelddeel waar maar weinig mensen toegang hebben tot stroom – is het opwekken van elektriciteit. Hiervan wordt al gebruikgemaakt in landen als Ghana, dat weliswaar het grootste deel van zijn olie naar internationale markten exporteert, maar gas gebruikt om in elektrische energie te voorzien. Bovendien kunnen zowel de nationale als de regionale markten via pijpleidingen van aardgas worden voorzien.
Momenteel doorkruist de West-Afrikaanse gaspijpleiding het grondgebied van Nigeria, Benin, Togo en Ghana en een andere pijpleiding verbindt Zuid-Afrika met Mozambique. Dat systeem wordt nog verder uitgebreid via verschillende projecten, zoals de Afrikaanse Renaissance-pijpleiding – een van de twee tussen Mozambique en Zuid-Afrika – en een initiatief dat de levering van gas vanuit Tanzania aan Oeganda mogelijk maakt. In Nigeria werkt men ten slotte aan de Trans-Sahara-gaspijpleiding, die reikt tot aan Algerije, en aan een leiding tussen Nigeria en Marokko. Belangrijk aan deze laatste twee pijpleidingen is dat ze kunnen worden aangesloten op de Europese gasnetwerken.
Export leidt hoe dan ook tot de uitputting van een niet-hernieuwbare hulpbron
Maar is dat wel mogelijk, om tegelijkertijd naar buiten toe uit te breiden en intern te optimaliseren? Zijn die twee doelen verenigbaar? Kunnen gasleveringen aan Europa worden verhoogd terwijl tegelijkertijd de Afrikaanse huishoudens en productiesector van energie worden voorzien? Hoe kunnen projecten op de buitenlandse markt worden gecombineerd met de energietransitie waar zoveel mensen in Afrika en Europa terecht om vragen?
Sommigen zijn van mening dat al deze doelstellingen samenvallen. Hun voornaamste argument is het geloof dat groeiende Europese belangstelling zal leiden tot de investeringen die nodig zijn om de energiebronnen te exploiteren. Verder wordt beweerd dat de uitvoer van gas naar Europa Afrikaanse landen aanvullende middelen zal verschaffen om in de eigen ontwikkeling te investeren. Maar er zijn factoren die stemmen tot een minder optimistische houding.
Risico’s van aardgas
De energiebehoeften van Afrika zijn veel groter dan die van Europa. Hoezeer de productie en beschikbaarheid van gas op een gegeven moment ook mogen toenemen, export leidt hoe dan ook tot de uitputting van een niet-hernieuwbare hulpbron. Zo kan een soort hypotheek ontstaan, die de middellange- en langetermijnstrategie voor de ontwikkeling van Afrikaanse energie en industrie in de weg staat.
De infrastructuur die de elektriciteitsvoorziening en de levering van gasflessen aan huishoudens op het continent mogelijk maakt, is niet geschikt voor de export van gas. Waar sprake is van gasexport, ontstaan vaak zogenaamde enclave-economieën. Er zijn talrijke verhalen over mislukte ontwikkelingsprocessen die geworteld waren in de winning en verkoop van natuurlijke hulpbronnen.
De aanleg van meer gasinfrastructuur zou ontwikkeling dus flink kunnen tegenwerken
Ook vanuit andere hoek klinken tegenargumenten, namelijk van Afrikaanse milieugroeperingen: gas is een fossiele brandstof, die bijdraagt aan klimaatverandering. Investeren in gas betekent dus dat er minder geld wordt besteed aan de bevordering van hernieuwbare energiebronnen. De Europese belangstelling zou bovendien van korte duur kunnen blijken, aangezien de EU ernaar streeft haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vóór 2030 drastisch te verminderen. De aanleg van meer gasinfrastructuur zou ontwikkeling dus flink kunnen tegenwerken.
Net als andere onderaardse grondstoffen leidt de aanwezigheid van gas nogal eens tot perverse, politieke situaties in landen waar het sociaal contract tussen heerser en burger op losse schroeven staat. Zo worden de opbrengsten van gasverkoop vaak ingezet om de macht en de rijkdom van machthebbers uit te breiden, en niet om openbare diensten en economische ontwikkeling te financieren.
Het spreekt voor zich dat de stabiliteit van het sociaal contract en van staatsinstellingen in verschillende Afrikaanse landen sterk uiteenloopt. Maar externe partijen maken geen onderscheid tussen meer of minder democratische regeringen. Paradoxaal genoeg kan Europa’s streven om op het gebied van energie autonoom te worden en niet langer afhankelijk te zijn van een autocraat als Vladimir Poetin, uiteindelijk een steun zijn voor andere autocraten.
Toekomstige dilemma’s
Op een moment als dit, waarop iedereen onder hoogspanning staat, zullen Afrikaanse en Europese leiders weinig interesse hebben in deze redenen, die ertegen pleiten om Europa van meer Afrikaans gas te voorzien. Gelukkig neemt dit alles niet de aandacht weg van de tweede en derde strategie van het REPowerEU-plan, waarmee enige vooruitgang kan worden geboekt, namelijk energiebesparing en versnelde overgang op hernieuwbare energiebronnen.
Ook Afrika kan een belangrijke rol spelen bij de productie van deze schone energiebronnen, zowel voor binnenlands gebruik als voor export. Maar ook dit toekomstbeeld levert dilemma’s op. We kunnen nog niet voorzien wat voor evenwicht Afrikaanse leiders vinden tussen de belangen van internationale investeerders en de behoeften van hun eigen burgers.
De handel in Oost-Afrika krijgt een nieuwe impuls nu de Democratische Republiek Congo (DRC) eind maart als zevende lid is toegetreden tot het Oost-Afrikaanse handelsblok EAC. Burundi, Kenia, Rwanda, Zuid-Soedan, Tanzania en Oeganda zijn de andere leden van EAC. Congo is het grootste en dichtst bevolkte land dat nu deel uitmaakt van EAC. Het land brengt een markt van 90 miljoen mensen met zich mee en door de toetreding stijgt het bbp van de regio van 193 miljard dollar naar 240 miljard dollar, schrijft Quartz Africa.
Hoewel de DRC aan vijf EAC-landen grenst, is de handel tussen de DRC en de buurlanden opvallend laag, aldus EABC, de Oost-Afrikaanse Raad voor de Handel. De afgelopen zeven jaar bedroeg het aandeel van EAC-export naar de DRC gemiddeld slechts 13,5 procent. De belangrijkste importeurs van de DRC zijn momenteel China, Zuid-Afrika en Zambia. De verwachting is dat de handel in de regio nu zal toenemen.
De repressieve regering van het straatarme Congo-Brazzaville kocht de afgelopen jaren in alle stilte een enorm arsenaal aan wapens van Azerbeidzjan. Tegenstanders van president Denis Sassou-Nguesso, die er al 36 jaar aan de macht is, zeggen in aanloop naar de verkiezingen van 21 maart dat hij de wapens zal gebruiken om zijn greep op het Afrikaanse land te behouden.
Vorige week publiceerde de Zuid-Afrikaanse kwaliteitskrant Mail&Guardian een artikel gebaseerd op de resultaten van een onderzoek door OCCRP, Organized Crime and Corruption Reporting Project, een internationale journalistieke organisatie die zich volledig richt op georganiseerde misdaad en corruptie. OCCRP ontdekte dat het regime van president Denis Sassou-Nguesso sinds 2015 in het geheim op grote schaal wapens inslaat. Saoedi-Arabië lijkt daarbij op de achtergrond een rol te spelen.
Wapentuig
‘In januari 2020’, zo begint het artikel in Mail & Guardian, ‘wordt in de Turkse haven van Derince, zo’n 100 kilometer ten zuidoosten van Istanboel in een oostelijke uithoek van de Zee van Marmara, het vrachtschip Storm volgeladen met een enorme voorraad wapens. Het schip is geregistreerd in het belastingparadijs Vanuatu en vertrekt met een arsenaal aan mortiergranaten, meerdere raketwerpers en explosieven, afkomstig uit Azerbeidzjan, naar de Republiek Congo, beter bekend als Congo-Brazzaville.’
De Saoedische connectie
Saoedi-Arabië, ’s werelds grootste wapenimporteur, levert zonder scrupules wereldwijd wapens aan conflictgebieden, waaronder Jemen, waar de Saoedi‘s vechten tegen door Iran gesteunde Houthi-rebellen.
In vrachtpapieren wordt Saoedi-Arabië genoemd als ‘sponsorpartij’ van meerdere wapenleveringen in 2016 en 2017 aan Congo-Brazzaville, precies op het moment dat Congo-Brazzaville op het punt stond om lid te worden van de OPEC. Door critici omschreven als een oliekartel waarvan de leden moeten voldoen aan Saoedische productie-eisen, helpt OPEC de Saoedi’s wereldwijd de olievoorziening te domineren. Het effect dat dit op de olieprijzen heeft, kan op zijn beurt de aardolie-inkomsten van de lidstaten opkrikken.
Onder de dertien leden van de OPEC bevinden zich de grootste producenten van Afrika, namelijk Nigeria, Angola en Algerije. Congo-Brazzaville, dat uiteindelijk in 2018 toetrad tot de OPEC, was voor Saoedi-Arabië een begeerd lid omdat het een van de grotere olieproducenten van het Afrikaanse continent is, en het land zou OPEC nog meer gewicht kunnen verschaffen.
Azerbeidzjan is geen volwaardig OPEC-lid, maar het is wel een belangrijke olieproducent.
In totaal belandt meer dan 100 ton aan wapentuig in een gebouw dat het hoofdkwartier lijkt te zijn van de Republikeinse Garde, een elite-eenheid van Congo-Brazzaville, zo blijkt uit vertrouwelijke vrachtpapieren die OCCRP in handen kreeg. De lading, die naar schatting een waarde heeft van tientallen miljoenen dollars, is de laatste van een reeks van tenminste zeventien wapenleveringen die sinds 2015 door het ministerie van Defensie van Azerbeidzjan naar het regime van president Denis Sassou-Nguesso zijn gestuurd, zo blijkt uit vluchtplannen, vrachtpapieren en inventarissen.
Een wijziging van de grondwet betekent dat de 77-jarige Sassou-Nguesso in theorie de rest van zijn leven aan elke verkiezing kan deelnemen
Saoedi-Arabië staat op verschillende vrachtpapieren die zijn geanalyseerd vermeld als ‘sponsorpartij’. Het is onduidelijk wat die sponsoring precies inhoudt, maar het zou kunnen betekenen dat Riyad heeft betaald voor de wapens of voor het transport ervan. Er zijn geen openbare registers van Azerbeidzjan waarin staat dat het land deze wapens heeft geëxporteerd, noch zijn er vergelijkbare registers van Congo-Brazzaville waaruit blijkt dat het Afrikaanse land ze heeft geïmporteerd.
De oppositie in Congo-Brazzaville is bezorgd over de mogelijke bereidheid van president Sassou-Nguesso om geweld te gebruiken om zijn macht te behouden nu de verkiezingen van 21 maart naderbij komen. Zijn goed bewapende veiligheidsdiensten zijn een belangrijke reden waarom hij het Centraal-Afrikaanse land zesendertig jaar heeft kunnen regeren, hetgeen hem tot een van de langstzittende regeringsleiders ter wereld maakt. Zijn partij beheerst het parlement, dat onlangs de grondwet heeft gewijzigd om Sassou-Nguesso opnieuw de mogelijkheid te geven zich kandidaat te stellen, wat tot nationale en internationale afkeuring heeft geleid. De wijziging van de grondwet betekent dat de 77-jarige Sassou-Nguesso in theorie de rest van zijn leven aan elke verkiezing kan deelnemen.
Uit vertrouwelijke documenten die OCCRP in handen heeft blijkt dat de veiligheidsdiensten van Sassou-Nguesso in de acht maanden voorafgaand aan de verkiezingen van maart 2016, en gedurende meer dan een jaar erna, meer dan 500 ton aan wapens in Azerbeidzjan kocht, die in zestien afzonderlijke zendingen werden geleverd. Slechts enkele weken na de verkiezingen begon de regering een meedogenloze campagne tegen een militie van de oppositie, die meer dan een jaar duurde.
Verwoestingen
Oppositieleiders beweren dat de Republikeinse Garde de Azerbeidzjaanse wapens heeft gebruikt in het conflict dat ontstond na de verkiezingen, dat leidde tot een humanitaire noodsituatie die volgens de Verenigde Naties ongeveer 140.000 mensen trof in de regio Pool, in het zuiden van het land. Satellietbeelden in bezit van The New Humanitarian lijken grootschalige verwoestingen te tonen die het resultaat zijn van het gebruik van onder meer raketwerpers en explosieven. Het is overigens niet zeker of het hier om wapens gaat die afkomstig zijn uit Azerbeidzjan, aangezien Congo-Brazzaville zijn wapeninvoer niet registreert.
Het regime van Sassou-Nguesso wordt geconfronteerd met een van de ernstigste schuldencrises in Afrika, en dat roept de vraag op hoe de wapenleveranties konden worden gefinancierd. Uit documenten blijkt dat ten minste twee zendingen die tussen 2016 en 2017 werden afgeleverd, zijn gesponsord door Saoedi-Arabië op het moment dat Riyad de aanvraag behandelde van Congo-Brazzaville om lid te mogen worden van de Organisatie van de Olie-exporterende Landen (OPEC).
‘De regering lijkt zich erop voor te bereiden elk verschil van mening rond de verkiezingen de kop in te kunnen drukken’
Gezien de aanzienlijke oliereserves van Congo-Brazzaville, hadden de Saoedi’s goede redenen om een hun welgezinde Sassou-Nguesso-regering te verwelkomen in de door Saoedi-Arabië gedomineerde club, stelt vooraanstaand wapenexpert Andrew Feinstein, auteur van The Shadow World: Inside the Global Arms Trade. Volgens Africa Times werd Congo-Brazzaville op 22 juni 2018 inderdaad verwelkomd als lid van OPEC.
Feinstein merkt ook op dat de meest recente wapenzending uit Azerbeidzjan wel eens bedoeld zou kunnen zijn om Sassou-Nguesso in staat te stellen Congo-Brazzaville nog langer zijn wil op te leggen. ‘De timing van deze wapenzending maakt buitengewoon achterdochtig, gezien het eerdere harde optreden van Sassou-Nguesso rond verkiezingen’, zo zegt Feinstein. ‘De regering lijkt zich erop voor te bereiden elk verschil van mening rond de verkiezingen de kop in te kunnen drukken.’
De regering van Congo-Brazzaville reageerde niet op meerdere verzoeken van OCCRP om commentaar. Ook het ministerie van Defensie van Azerbeidzjan houdt zich stil, evenals een vertegenwoordiger van dat ministerie wiens naam op meerdere documenten vermeld staat. Tot slot doet ook het ministerie van Defensie van Saoedi-Arabië er het zwijgen toe op vragen over de aard van hun sponsoring van de wapenleveranties.
Boulevard Denis Sassou-Nguesso
De meest recente wapenlading, afgeleverd bij de Republikeinse Garde op Boulevard Denis Sassou-Nguesso 1 in Brazzaville in januari 2020, omvatte 775 mortiergranaten en meer dan 400 kisten met raketten die kunnen worden gelanceerd vanaf vrachtwagens uit het Sovjettijdperk, zo blijkt uit de vrachtpapieren.
De exacte prijs die het Congolese regime voor het wapentransport heeft betaald, kon niet worden geverifieerd, maar een deskundige die de vrachtbrieven heeft onderzocht, denkt dat het om een levering ter waarde van tientallen miljoenen dollars gaat. Een voormalige hoge diplomaat met toegang tot informatie over wapenarsenalen, die anoniem wil blijven uit angst voor represailles door de autoriteiten, heeft de authenticiteit van de vrachtpapieren en andere documenten bevestigd en merkte op dat de verkoopprijs voor de wapens waarschijnlijk ver onder de daadwerkelijke marktwaarde ligt. De documenten omvatten certificaten voor eindgebruikers. Dergelijke documenten worden afgegeven door het land dat wapens invoert, om aan te geven dat de ontvanger niet van plan is om ze door te verkopen.
Volgens de Nederlander Pieter Wezeman, onderzoeker bij het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI), zijn wapens die met korting worden geleverd, vaak overtollige wapens of het betreft wapens die zijn geproduceerd in Bulgarije of Servië, die beide bekend staan om hun goedkope wapenproducten. ‘Het is minder waarschijnlijk dat Congo-Brazzaville een deel van deze uitrusting had kunnen aanschaffen in andere Europese landen omdat die een restrictiever wapenexportbeleid voeren’, aldus Wezeman.
500 ton wapens
De zending van 100 ton vanuit Derince is aanzienlijk, maar valt in het niet bij eerdere wapenleveranties, die volgens documenten tussen 2015 en 2017 vanuit Azerbeidzjan zijn verzonden en die mogelijk afschuwelijke gevolgen hebben gehad.
In zestien transporten werd in die jaren in totaal meer dan 500 ton aan wapentuig naar Congo-Brazzaville gestuurd, waaronder handgranaten, mortiersystemen en miljoenen kogels. Op een eindgebruikerscertificaat worden vijfduizend granaten vermeld die zijn geïmporteerd voor ‘trainings-, antiterrorisme-, veiligheids- en stabiliteitsoperaties’. Het document werd op 3 maart 2016, slechts enkele dagen voor de verkiezingen, ondertekend door een speciale adviseur van president Sassou-Nguesso.
Na de verkiezingen beweerde de oppositie dat de regering had gesjoemeld met de resulaten ten gunste van Sassou-Nguesso en brak er onrust uit in de hoofdstad Brazzaville. De regering gaf de schuld van de onrust aan ‘de Ninjas’, een militie die voornamelijk bestaat uit mensen van de etnische groep Lari en die voornamelijk is gevestigd in de Pool-regio, die Brazzaville gedeeltelijk omsluit.
Volgens een oppositieleider zijn de wapens uit Azerbeidzjan gebruikt om een langdurig gewapend conflict met de Ninjas in Pool aan te wakkeren. Amnesty International veroordeelde het offensief van de regering en sprak van ‘onwettig gebruik van dodelijk geweld door de veiligheidstroepen van het land’. Terwijl de regering nog aan het vechten was met de Ninja’s, vertelden getuigen van bloedbaden aan Amnesty dat vanuit helikopters tientallen bommen waren afgeworpen die een woonwijk en ook een school hadden getroffen.
‘Gedurende het geweld in Pool heeft het regime de strategie van de verschroeide aarde toegepast’, zegt Andréa Ngombet Malewa, leider van de politieke partij Incarner l’Espoir. ‘De wapens die ze van Azerbeidzjan hebben gekocht, werden onmiddellijk bij die operatie ingezet.’
De Baku-Brazzaville-connectie
Azerbeidzjan blijkt dus een belangrijke buitenlandse bondgenoot van Congo-Brazzaville te zijn door het regime te voorzien van goedkope wapens en, minstens zo belangrijk, door strikte geheimhouding. Sassou-Nguesso kocht zijn wapens bij Ilham Aliyev, sinds 2003 president en sterke man van het notoir ondoorzichtige land in de Zuid-Kaukasus, in de wetenschap dat de aankoop van wapens niet zou worden geregistreerd.
Congo-Brazzaville heeft al meer dan drie decennia geen melding gemaakt van wapeninvoer en aangezien er geen wapenembargo bestaat tegen het land, is het ook niet verplicht om dit te doen. Desalniettemin is er een reeks van openbaarmakingen door andere landen die laten zien hoe actief Sassou-Nguesso is geweest op de wapenmarkt. Zo meldde Servië in 2017 dat het 600 machinegeweren naar Congo-Brazzaville had geëxporteerd. Bulgarije stuurde 250 granaatwerpers.
Maar de Azerbeidzjaanse wapenleveringen zijn nooit openbaar gemaakt, ook al blijkt uit documentatie dat het land al sinds september 2015 wapens naar Sassou-Nguesso exporteert. Sommige daarvan waren afkomstig van Transmobile, een Bulgaars bedrijf dat is geautoriseerd om wapens te verhandelen voor Azerbeidzjan, terwijl andere werden gekocht bij Yugoimport, een Servische fabrikant. Geen van beide bedrijven reageerde op verzoeken om commentaar.
Silk Way
De eerste wapenleveringen arriveerden in Brazzaville met vliegtuigen van de Azerbeidzjaanse luchtmacht, maar vanaf 2017 begon Silk Way Airlines, een privé-luchtvaartmaatschappij, de wapens in te vliegen. Mogelijk met als gedachte dat Silk Way als particuliere luchtvaartmaatschappij waarschijnlijk minder de aandacht zou trekken dan zijn militaire tegenhanger.
Silk Way is geregistreerd op de Britse Maagdeneilanden, een belastingparadijs, en was voorheen verbonden aan de familie Aliyev. Naast het afsluiten van lucratieve contracten met de Amerikaanse regering om munitie en andere materialen te mogen transporteren, blijkt uit uitgelekte correspondentie die werd gepubliceerd door de Bulgaarse krant Trud, dat Silk Way tussen 2014 en 2017 vluchten met diplomatieke onschendbaarheid heeft gebruikt om in het geheim honderden tonnen aan wapens te verplaatsen naar mondiale conflictgebieden in de hele wereld. Silk Ways reageerde niet op vragen van OCCRP.
De vrees dat de persvrijheid in de aanloop naar de peilingen wordt bedreigd, is toegenomen
De verwachting is dat Sassou-Nguesso de verkiezingen van 21 maart naar zich toe zal trekken, indien nodig met bruut machtsvertoon. Hij zal het opnemen tegen onder meer Mathias Dzon, zijn voormalige minister van Financiën van 1997 tot 2002, en Guy-Brice Parfait Kolélas, die als tweede eindigde bij de presidentsverkiezingen van 2016. Dat jaar claimde Sassou-Nguesso dat hij 60 procent van de stemmen had gekregen, tegenover slechts 15 procent voor Kolélas. De VS veroordeelden de regering van Congo-Brazzaville destijds wegens ‘wijdverbreide onregelmatigheden en de arrestatie van aanhangers van de oppositie’.
Deskundigen geloven niet dat het de oppositie dit keer beter zal vergaan. Abdoulaye Diarra, onderzoeker Centraal-Afrika voor Amnesty International, zegt dat de regering voorafgaand aan de verkiezingen een campagne tegen politieke tegenstanders voert van intimidatie, pesterijen en willekeurige detentie.
De vrees dat de persvrijheid in de aanloop naar de peilingen wordt bedreigd, is toegenomen nadat Raymond Malonga, een cartoonist die bekend staat om zijn satirische kritiek op de autoriteiten, begin februari door politie in burger uit zijn ziekenhuisbed werd gesleurd en werd meegenomen.
Vanwege de wapentransporten uit Azerbeidzjan maakt de oppositie zich ongerust over het vooruitzicht van geweld rond de verkiezingen. ‘We maken ons zorgen dat de wapens die het regime van Sassou-Nguesso van Azerbeidzjan heeft gekocht, zullen worden gebruikt om de oppositie hard aan te pakken tijdens de komende verkiezingen’, aldus oppositieleider Ngombet. ‘Ze willen niet dat de wereld ziet hoezeer het Congolese volk snakt naar politieke veranderingen.’
In het Nationaal Park Virunga in Congo kwamen de afgelopen twintig jaar al 170 parkwachters om het leven bij gevechten met stropers en rebellen. Toch neemt dankzij hun niet-aflatende inzet het aantal dieren weer toe.
Het is vroeg in de ochtend, aan het Edwardmeer rijst de zon boven de vulkanen aan de oostelijke horizon. Boven het rimpelloze wateroppervlak hangt een laag mist. In het regenwoud leven olifanten, nijlpaarden en buffels, bewaakt door 26 parkwachters vanuit één enkel versterkt kamp. Plotsklaps wordt de stilte ruw verstoord. Er klinkt geschreeuw, er vallen schoten, het geratel van machinegeweren stijgt op. In groten getale rennen de aanvallers door de dichte begroeiing. Sommigen zijn zo dichtbij dat ze speren werpen en pijlen afschieten.
Loodzwaar
Later zullen de parkwachters hun commandanten vertellen dat ze door meer dan honderd man werden belaagd. De ongelijke strijd duurt drie kwartier. Wanneer hun ammunitie dreigt op te raken, trekken de bewakers zich uiteindelijk noodgedwongen terug. Ze hebben de lichamen van drie dode collega’s bij zich. Onder hun tegenstanders zijn minstens tien doden gevallen. ‘Dit is een loodzwaar beroep. Het is verschrikkelijk om collega’s en vrienden te verliezen. Maar we hebben hier bewust voor gekozen en kennen de risico’s die eraan kleven,’ zegt Innocent Mburanumwe, adjunct-directeur van het Nationaal Park Virunga, een uitgestrekt gebied van ruim 8000 vierkante kilometer regenwoud, bergen en savanne in het oosten van Congo.
Het gevecht van vorige zomer was het hevigste in jaren. Er was weinig reden voor vreugde toen het kamp vier uur na de terugtrekking weer werd ingenomen. De ‘sluimerende oorlog’, zoals Mburanumwe deze uitputtingsslag in het Virunga-park noemt, heeft in twintig jaar tijd aan meer dan 170 opzichters het leven gekost, wat het natuurpark de reputatie van een van de gevaarlijkste reservaten ter wereld oplevert. ‘Iedere dag als de opzichters op pad gaan, weten we dat ze onder vuur kunnen komen te liggen. We weten dat een van ons kan sneuvelen, een collega, of wijzelf,’ zegt Mburanumwe.
Virunga, het leefgebied van tal van zeldzame en beschermde diersoorten, waaronder ’s werelds grootste populatie berggorilla’s, wordt van alle kanten bedreigd. Je hebt de gewapende rebellen, gehard door de jarenlange strijd tegen de Congolese regeringstroepen of die van naburige landen, zelfverdedigingsmilities en lokale bandieten, en bushmeat- en ivoorstropers. Tel daarbij op de lucratieve houtskoolindustrie en de bijbehorende houtkap, en de illegale visserij.
De afgelopen maanden werd Congo opnieuw geplaagd door talloze geweldsuitbarstingen, die herinneringen oproepen aan de burgeroorlog die van 1997 tot 2003 in het land woedde en niet alleen aan vijf miljoen mensen het leven kostte maar ook de dierenpopulatie in het oudste Congolese natuurreservaat flink heeft uitgedund.
Waarnemers hopen dat een catastrofe uitblijft, maar hulporganisaties menen dat het enorme Afrikaanse land ‘op de rand van de afgrond balanceert’. Door het oplaaiende geweld zijn meer dan 4,5 miljoen mensen ontheemd geraakt, rebellen hebben duizenden slachtoffers gemaakt en 2 miljoen kinderen worden met de hongerdood bedreigd. Met het vooruitzicht van verkiezingen aan het einde van het jaar is de strijd om land en natuurlijke rijkdommen verhevigd. De nieuwe instabiliteit vormt een bedreiging voor het natuurreservaat. Sinds januari vinden er gevechten plaats tussen Congolese troepen en soldaten van buurland Rwanda, en in het noordelijke deel was er een offensief van de gewelddadige islamitische militie die vorig jaar verantwoordelijk was voor de dood van veertien VN-soldaten.
De parkopzichters worden geworven in omliggende dorpen. Het merendeel is getrouwd en heeft een groot gezin. De parkwachters die zich in de frontlinie bevinden, zijn vaak jong. David Nezehose, 29 jaar, leidt het hondenteam van de opzichters. ‘Ik ben naast het reservaat opgegroeid, dus ik weet hoe belangrijk natuurbehoud is. Mijn opa was hier veertig jaar geleden gids,’ zegt hij. ‘Ik wil de gorilla’s, onze buren, graag beschermen.’
Tegen de tijd dat de relatieve vrede was hersteld, lang na Mobutu’s chaotische val in 1997, was de populatie berggorilla’s geslonken tot een zorgwekkend aantal van driehonderd
Er is een klein maar groeiend aantal vrouwen onder de zevenhonderd parkopzichters die het reservaat op dit moment verdedigen. Angèle Kavira Nzalamingi, 25 jaar, traint de nieuwe rekruten. Ze heeft de marathon van Londen gelopen en hoopt zich nu aan te sluiten bij de snellereactiemacht. Nzalamingi’s carrièrekeuze viel niet bij iedereen in de conservatieve, kleine gemeenschap waar ze vandaan komt in goede aarde. ‘Mijn familie is trots op me, maar veel dorpsbewoners vinden dit geen vrouwenwerk,’ zegt Nzalamingi. ‘Maar ik wilde laten zien dat wij hetzelfde kunnen als mannen.’
Het lot van het Virunga-reservaat gaat hand in hand met de situatie van het land. Het nationaal park werd in 1925 opgericht door de Belgische autoriteiten. In de nasleep van de in 1960 uitgeroepen onafhankelijkheid stond het park er slecht voor, maar onder president Mobutu Sese Seko, de flamboyante, spilzieke dictator die in 1965 de macht greep, keerde het tij.
Augustin Kambale, een opzichter met een lange staat van dienst, kan zich nog herinneren dat duizenden toeristen het reservaat in de jaren tachtig en de vroege jaren negentig bezochten. ‘De neergang begon met de genocide in Rwanda, in 1994, toen een miljoen vluchtelingen de grens overstak en neerstreek in kampen rondom het natuurpark. Ze brachten wapens met zich mee, die zich al snel onder de lokale bevolking verspreidden. De situatie was verschrikkelijk,’ zegt de 57-jarige Kambale.
Tegen de tijd dat de relatieve vrede was hersteld, lang na Mobutu’s chaotische val in 1997, was de populatie berggorilla’s geslonken tot een zorgwekkend aantal van driehonderd. In 2007 voltrok zich ‘een ommekeer’, aldus Kambale, toen verschillende liefdadigheidsinstellingen, de Europese Unie en het Congolese Natuurbeschermingsinstituut de handen ineensloegen. De nieuw aangestelde directeur Emmanuel de Merode, een Belgische aristocraat, voerde ingrijpende hervormingen door. De parkwachters werden beter uitgerust, beter opgeleid én beter betaald. Op dit moment bedraagt het maandloon 250 dollar, naar lokale maatstaven een enorme som geld. Er kwamen ontwikkelingsprojecten van de grond – initiatieven, gericht op de lokale bevolking, en de bouw van waterkrachtcentrales – om zo de lokale economie een impuls te geven en op die manier, naar men hoopt, de aantrekkingskracht van rebellengroepen en criminele bendes te verminderen onder de zes miljoen Congolezen die in de nabije omgeving wonen.
Virunga telt op dit moment duizend berggorilla’s. Ook andere dierpopulaties, zoals die van de bosolifant, zijn toegenomen, en het natuurpark staat weer op de kaart bij toeristen. Lokale bestuurders bejubelen het perspectief dat het park de hele regio, een van de armste van Afrika, biedt. ‘Stel je eens voor wat het betekent als we hier tienduizend toeristen per jaar zouden ontvangen,’ zegt Julien Paluku, gouverneur van de provincie Noord-Kivu.
Maar de lokale economie valt of staat met de veiligheidssituatie. Toen een rebellengroep in 2012 de provinciehoofdstad Goma binnenviel, werd het park gesloten. Op de hobbelige, stoffige weg naar Virunga zijn militaire checkpoints ingericht. Met roestige AK47’s bungelend aan de schouder, ogen verborgen achter een zonnebril, voeren gedemoraliseerde, slecht uitgeruste regeringssoldaten willekeurige controles uit om de illegale handel in bushmeat en houtskool te bestrijden.
In een cellenblok op het hoofdkwartier van het park worden smokkelaars en stropers vastgehouden tot ze aan de lokale autoriteiten worden overgedragen. Voor het gebouw staat een vrachtwagen met een lading in het reservaat geproduceerde houtskool ter waarde van circa 7000 dollar. De vracht zal onder ziekenhuizen worden verdeeld. In een van de cellen ligt de 24-jarige chauffeur, Jean-Paul Gambale. ‘Ik weet dat het verkeerd is, maar ik heb vier kinderen die ’s avonds een rammelende maag hebben. Mijn baas had me 15 dollar toegezegd als ik de vrachtwagen zou besturen.’
Zelden gepakt
De parkwachten geven toe dat de echte verantwoordelijken zelden worden gepakt. Op een muur buiten het cellenblok hangt een aanplakbiljet van een gezochte grote vis, omschreven als een ‘zware crimineel en kandidaat voor de nationale parlementsverkiezingen’.
‘Uiteindelijk zullen we al deze problemen overwinnen,’ zegt Kambale, de ervaren parkwachter. ‘Ik weet dat het bergopwaarts zal gaan met Virunga. Op een dag zijn de gewapende groepen, de criminelen en de stropers verdwenen, dan lopen hier toeristen rond en kunnen de dieren ongestoord leven. Daar ben ik heilig van overtuigd.’
Auteur: Jason Burke
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 146.766
Onafhankelijk kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Online een van de grootste kranten ter wereld.
De Congolese jongerenbeweging LUCHA, die zich geweldloos inzet voor politieke hervormingen en het aftreden van president Kabila, groeit als kool.
Vijf jaar geleden spoedde een groepje vrienden van de universiteit van Goma zich in Oost-Congo door de stromende regen naar huis. Hun reis werd abrupt onderbroken toen bleek dat de straten waren overstroomd. Woedend over het feit dat de regering niet eens een fatsoenlijk afwateringssysteem kan aanleggen, besloten ze ter plekke het heft in eigen hand te nemen. Al schuilend tegen de slagregens richtten ze een nieuwe burgerbeweging op, Lutte pour le changement, die zou strijden voor hervormingen. Broodjeaapverhaal of niet, feit is dat deze organisatie – inmiddels beter bekend onder de afkorting ‘Lucha’ – is uitgegroeid tot grootste bedreiging voor de politieke status quo van het land.
De beweging, geen ngo of politieke partij, plaatst zichzelf buiten het traditionele maatschappelijke middenveld. Ze opereert op geweldloze wijze, zowel op lokaal als op nationaal niveau. Lucha heeft in haar vijfjarige bestaan deelgenomen aan de organisatie van grootschalige demonstraties, die regelmatig leidden tot arrestaties. De beweging streeft naar politieke hervormingen en het aftreden van president Kabila, maar is vooral ook lokaal actief. Zo organiseerde Lucha in de noordoostelijke stad Goma sit-ins om betere toegang tot schoon water te eisen, drong ze aan op hervatting van de aanleg van de weg naar Sake, noordelijker in de provincie, en protesteerde ze tegen wanbeleid bij banken.
‘Deze organisatie speelt een aanzienlijke rol in de bewustmaking van de bevolking,’ zegt Jason Stearns, directeur van de Congo Research Group aan de New York-universiteit, hoewel hij eraan toevoegt dat ‘haar vermogen om de bevolking te mobiliseren vrij beperkt is’.
Maar hoewel LUCHA nog jong en relatief klein is, wordt ze met de dag groter. De beweging heeft inmiddels afdelingen in alle grote Congolese steden, die zich inzetten voor verbeteringen op lokaal niveau en daarnaast onderling samenwerken op gebied van landelijke kwesties. LUCHA heeft in het hele land een aanhang van ongeveer duizend activisten, maar er is veel verloop en vaak geen formeel lidmaatschap. De groep bestaat hoofdzakelijk uit goed opgeleide twintigers – opmerkelijk genoeg vrijwel evenveel mannen als vrouwen.
Kabila
Jongeren vormen een politieke factor van formaat in de Democratische Republiek Congo, waar 63 procent van de bevolking jonger is dan 25 jaar. Van de organisaties die munt slaan uit dit momentum is LUCHA de grootste. Veel LUCHA-leden worden aangetrokken door de unieke structuur en ethos van de groep, die in sterk contrast staan met die van de politieke elite die het land al zo lang domineert. ‘Voor het eerst heb ik het gevoel dat er mensen zijn die denken zoals ik, die zelf in actie willen komen om verandering teweeg te brengen,’ zegt LUCHA-lid Soraya Aziz Souleymane. ‘Het draait niet om geld. Het gaat er niet om zo veel mogelijk centen van hulporganisaties los te krijgen. Het gaat om ethisch leiderschap. Daar ontbreekt het in dit land aan.’
Hoewel LUCHA zich voornamelijk bezighoudt met lokale activiteiten, zijn het de landelijke acties die haar de meeste aandacht opleveren. Toen de afgelopen paar jaar steeds duidelijker werd dat president Joseph Kabila weigerde af te treden, speelde LUCHA een leidende rol bij de protesten om zijn vertrek af te dwingen. In januari 2015 leidde een golf van demonstraties tegen de vermeende pogingen van Kabila om in het zadel te blijven tot 43 doden. In maart verrichtte de militaire politie massa-arrestaties tijdens een prodemocratische bijeenkomst in Kinshasa. Onder de gearresteerden bevonden zich LUCHA-activisten Fred Bauma en Yves Makwambala, die bijna anderhalf jaar werden vastgehouden. Dankzij de aandacht van westerse media en de inzet van internationale mensenrechtenorganisaties kwamen de activisten op vrije voeten, en steeg LUCHA verder in aanzien.
Terwijl 2017 naderde en Kabila niet van zins leek op te stappen, dreigde het land weg te glijden in een spiraal van chaos en geweld. Dankzij de bemiddeling van de katholieke kerk bereikte de regerende partij en de oppositie op 31 december 2016 ternauwernood een akkoord, waarin werd afgesproken dat er binnen twaalf maanden verkiezingen zouden komen, waarna Kabila zou aftreden. Maar uit recente gebeurtenissen blijkt dat Kabila niet van plan is zich aan de afspraken te houden.
In deze uiterst onzekere en gespannen situatie blijft LUCHA de bevolking mobiliseren. Zo organiseerde ze in maart een sit-in voor het VN-kantoor in Lubumbashi om de Verenigde Naties aan te sporen toezicht te houden op de uitvoering van het op 31 december gesloten akkoord.
‘We zijn niet naïef, we begrijpen dat de eerstkomende verkiezingen niet een grote omwenteling met zich mee zullen brengen’
Hoe de jongerenbeweging de komende maanden de druk zal gaan opvoeren is nog niet duidelijk. LUCHA moet blijven balanceren op het dunne koord tussen politieke betrokkenheid en het bewaren van hun integriteit. Volgens Stears wilden een aantal LUCHA-leden ‘een politieke partij beginnen om mee te dingen in de verkiezingen. Maar daar dacht het centraal comité anders over.’ Inderdaad koesteren leden als Souleymane een diep wantrouwen tegen Congo’s huidige politieke arena. ‘We hebben totaal geen vertrouwen in de oppositie. Ze hebben het momentum om Kabila uit het zadel te lichten gesaboteerd. Het zijn hielenlikkers die uit zijn op financieel of politiek gewin,’ zegt ze. ‘Ook het maatschappelijk middenveld vertrouwen we niet.’
Hieruit kan worden afgeleid dat LUCHA vanaf de zijlijn zal blijven opereren. Dit betekent echter ook dat haar invloed op de hoogste machtsregionen beperkt zal blijven. De beweging eist het aftreden van Kabila, maar door zich bewust afzijdig te houden van de politiek, zullen ze ook de volgende president met argusogen bekijken.
Hier schuilt geen tegenstrijdigheid in, vindt LUCHA. ‘Ons werk maakt deel uit van een langdurig proces om een verantwoordelijke regering te creëren. We hebben onze hoop niet zozeer gevestigd op een volgende president. De sociale kwesties die in Congo spelen zijn niet een-twee-drie op te lossen,’ zegt Souleymane. ‘We zijn niet naïef, we begrijpen dat de eerstkomende verkiezingen niet een grote omwenteling met zich mee zullen brengen. Misschien zien we pas echte veranderingen over vijftig jaar, als we leiders hebben die hun verantwoordelijkheid nemen en ons land eindelijk vooruitgang kan boeken.’
Ondanks het besef van de moeilijke taak die Congo te wachten staat, zijn de jonge LUCHA-leden vervuld van hoop. En als de jongerenbeweging net zo hard blijft doorgroeien als in de afgelopen vijf jaar en de bevolking lokaal en nationaal net zo weet te mobiliseren, hebben ze daar alle recht toe.
Auteurs: Ruby Bantariza, Tim Hirschel-Burns, Sophia Schuster
Vertaler: Astrid Staartjes
Dit onlinetijdschrift is gewijd aan analyses over al wat speelt in hedendaags Afrika, en dient tevens als platform voor discussies daaromtrent. De site werd in 2007 gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.
Volgens de VN is ‘Congo de verkrachtingshoofdstad van de wereld’. Tientallen humanitaire organisaties hebben zich op deze ‘markt’ gestort, aangetrokken door de gigantische budgetten die ervoor beschikbaar zijn. In Bukavu, in het oosten van het land, is verkrachting pure business geworden.
Op de applausmeter verslaat Denis Mukwege Angela Jolie met groot gemak. De Congolese arts baant zich een weg door de menigte. Mensen raken hem aan, geven hem een staande ovatie, feliciteren hem met een handdruk of een weinig protocollaire omhelzing. Hij beklimt het podium en de zaal valt op slag stil. Er worden schokkende uitspraken verwacht van deze arts, gebaseerd op wat hij met eigen ogen heeft gezien. Een toekomstige Nobelprijswinnaar. Naast hem de lieftallige vrouw van Brad Pitt, goodwillambassadeur van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN.
De mondiale top over seksueel geweld in conflictgebieden die in juni 2014 in Londen werd gehouden trok 123 landen, 80 ministers, 900 deskundigen, honderden ngo’s, artsen, juristen en vertegenwoordigers van religieuze groeperingen. Elke delegatie had haar ‘eigen’ verkrachtingsslachtoffers meegenomen. Vrouwen die analfabeet waren, die hun dorp of land soms nooit uit waren geweest, was gevraagd het vliegtuig te nemen om tot in de intiemste details kond te doen van het geweld dat ze hadden ondergaan. ‘Verkrachting is in de mode,’ fluistert een Amerikaanse jurist tegen me.
Achter zijn katheder herhaalt Denis Mukwege wat hij al tien jaar onvermoeibaar verkondigt: in de Democratische Republiek Congo wordt verkrachting als oorlogswapen gebruikt. Hij heeft kortgeleden een meisje van twee geopereerd – ‘hersteld’ luidt de officiële term – van wie de vagina door haar belagers was vernield. In zijn land wordt verkrachting gebruikt om een heel volk te vernielen en een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.
Gladde slogans
Ik hoor sleutelwoorden die door de hele wereldpers zullen worden overgenomen – ‘verkrachting als oorlogswapen’, ‘strijd tegen straffeloosheid’, ‘overlevenden van seksueel geweld’ – want ‘slachtoffer’ is achterhaald, voldoet niet langer aan de communicatiebehoeften. Gladde slogans voor glanzend papier.
Congo, ‘verkrachtingshoofdstad van de wereld’. ‘Minstens’ vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van het land, een getal dat naar hartenlust wordt herhaald. Een gruwel waarbij het verstand stilstaat. Dat zou in deze regio één op de elf vrouwen betekenen. Dat is ofwel monsterlijk, ofwel idioot. Waarom sla ik u er dan mee om de oren? Omdat ik het wil begrijpen.
‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw’
Enkele maanden na de top in Londen steek ik de houten brug over de Ruzizi over, de rivier die het kleine Rwanda van het grote Congo scheidt. In 1994 vluchtten tienduizenden Rwandezen via deze kleine grenspost voor de genocide van de Tutsi. Onder hen de handlangers en leiders van de slachtpartij, maar ook burgers, families, vrouwen en kinderen.
Bukavu, de hoofdstad van de regio Zuid-Kivu, waar dokter Mukwege praktiseert, ligt even voorbij deze brug over de Ruzizi, bij de grens tussen de twee landen, op het breukvlak tussen twee werelden.
Mathilde Muhindo (62), een van de oudste activistes van de stad, ontvangt me in het Olame Centrum, een organisatie voor de verdediging van vrouwen die in de beboste heuvels boven de stad gevestigd is, op een open plek waar de regen vrij spel heeft. Ze was erbij toen de inwoners van Bukavu in 1994 de Rwandese vluchtelingen verwelkomden als ‘broers en zussen’. Ze herinnert zich de inzamelingen, de geleende bedden, de aangeboden stukjes grond. En de vluchtelingenkampen, die langzaam hun tentakels uitstrekten en steden werden.
Ze was er ook bij toen Kigali deze kampsteden waar de leiders van de genocide de scepter zwaaiden in 1996 met geweld ontmantelde. Duizenden vluchtelingen gingen terug naar Rwanda, duizenden anderen zochten hun heil in het binnenland van Congo. De leiders van de genocide, die burgers als schild gebruikten, werden opgespoord door Rwandese troepen die werden bijgestaan door Congolese opstandelingen. Het oerwoud werd het toneel van ontelbare misdaden.
Vanaf 1997 zag Muhindo vrouwen verschijnen die verkracht, gewond of verminkt waren; ze hadden dagenlang gelopen of zich vanaf de middenplateaus van Kivu vastgeklampt aan de rug van een motorrijder alsof het een reddingsboei was.
Toen er in 2002 en 2003 vredesakkoorden werden ondertekend, dacht Mathilde Muhindo weer te kunnen ademhalen. De openlijke oorlog liep ten einde, maar uit de as van de rebellengroepen verrezen plaatselijke milities. De criminele facties vermenigvuldigden zich snel. In 2002 publiceerde Human Rights Watch een eerste rapport over de manier waarop verkrachting in Congo als oorlogswapen werd gebruikt, dat onmiddellijk veel aandacht trok. Binnen enkele maanden stroomden de ngo’s en VN-agentschappen in groten getale naar Bukavu en koloniseerden de stad zodanig dat hun aantal van een tiental naar driehonderd steeg.
Dokter Mukwege, de ster van de top in Londen, was toen nog onbekend buiten de regio Kivu. Deze uitstekende chirurg had in Bukavi het Panzi-ziekenhuis opgericht, waar hij de slachtoffers van seksuele martelingen opereerde met behulp van een in Congo nog onbekende techniek, laparoscopie. Hij trok de aandacht van geldschieters en ontving vanaf 2004 financiële steun uit Europa voor het programma ‘Slachtoffers van seksueel geweld’.
Het Panzi-ziekenhuis werd een ontmoetingsplaats, een soort hub voor seksueel geweld. De verkrachting van Congolese vrouwen haalde de televisieschermen in 2009, toen Hillary Clinton de regio bezocht om uiting te geven aan haar ‘bezorgdheid’. ‘Dit land is getuige van een van de ergste wreedheden van de mensheid,’ verklaarde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Een jaar later zei Margot Wallström, de speciale VN-gezant voor de slachtoffers van seksueel geweld in conflictgebieden, het haar na: ‘Congo is de verkrachtingshoofdstad van de wereld.’ Een jaar of tien nadat het geweld zijn hoogtepunt had bereikt maakte de pers van deze karikatuur een kop.
Panzi-koffie en Panzi-T-shirts
‘Seksueel geweld is sexy. Het roept enorm veel emoties op,’ vat Alejandro Sánchez, Vrouwenbeschermingsadviseur van de VN-vredesmacht Monusco in Congo, de situatie met een berustend schouderophalen samen. De juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen, Françoise Bouchet-Saulnier, bevestigt: ‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw.’
Het Panzi-ziekenhuis van dokter Mukwege ligt op een halfuur rijden ten zuiden van het centrum van Bukavu, tegen het omgevingslawaai beschermd door bewakers en hoge hekken. De witte lanen en door bloemen omringde huizen doen denken aan een chique Amerikaanse buitenwijk. Denis Mukwege ontvangt me in de patio die zich langs zijn hele kantoor uitstrekt. Zijn brede glimlach en ogen die alles gezien lijken te hebben maken hem onmiddellijk sympathiek.
De kolossale man is teleurgesteld teruggekomen van de top over seksueel geweld. In Londen werden Panzi-koffie en Panzi-T-shirts verkocht en zijn samenwerking met Angelina Jolie tilde de aandacht voor verkrachting naar ‘stratosferische hoogten’, aldus Susannah Sirkin van de ngo Physicians for Human Rights. Na de top maakte de Wereldbank bekend zestig miljoen euro vrij te maken voor een ‘holistische’ behandeling van ‘minstens vijfhonderdduizend vrouwen en meisjes’ die slachtoffer waren van seksueel geweld. Hij had op meer gehoopt: ‘Ik verwachtte dat men de verkrachtingen een halt zou toeroepen.’
Ik vraag hem om het activiteitenrapport van het ziekenhuis, dat hij me met plezier overhandigt. Ik lees dat het programma ‘Slachtoffer van seksueel geweld’ tussen 2004 en 2013 32.247 vrouwen heeft ontvangen, onder wie echter ook 13.071 vrouwen die ‘specifieke’ gynaecologische zorg nodig hadden, zoals het opereren aan obstetrische fistels, een scheur in de vaginawand die kan optreden na een moeizame bevalling.
Ik ben verbaasd: ‘Dus deze vrouwen zijn niet verkracht?’ De dokter bevestigt dit en legt het graag uit: ‘We wilden niet dat een vrouw zou liegen dat ze verkracht was om gratis geopereerd te kunnen worden. Daarom hebben we ze opgenomen in ons programma, ook al kunt u zien dat onze statistieken twee heel verschillende categorieën onderscheiden.’
Het ziekenhuis heeft dus 19.176 vrouwen ontvangen die slachtoffer waren van seksueel geweld. Waarom blijven de media dan overal ter wereld herhalen dat hij ‘veertigduizend verkrachte en verminkte vrouwen heeft geopereerd’? ‘Dat weet ik niet. Journalisten willen een sappig verhaal.’
En die ‘vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van Congo’? Zelfde laken een pak, dat aantal slaat nergens op. ‘Volgens de VN zijn er sinds 1998 op het hele Congolese grondgebied tweehonderdduizend vrouwen verkracht. Maar het American Journal of Public Health schrijft dat er alleen al in 2007 vierhonderdduizend Congolese vrouwen zijn verkracht, oftewel 48 per uur. En dat zijn nog maar twee van de tientallen schattingen die niet met elkaar stroken.
‘Mensen die zeggen dat verkrachting ‘in de mode’ is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren’
Dus vijfhonderdduizend is hooguit een gok! Waarom zou je je het hoofd breken over zulke details? Waarom zou je erop wijzen dat je in Congo onmogelijk statistische gegevens kunt verzamelen? Dat Congo een land zonder staat is, waar al sinds 1984 geen volkstelling heeft plaatsgevonden, waar geen identiteitskaarten bestaan, waar iedereen twee of drie verschillende voornamen heeft, om nog maar te zwijgen van de achternamen van zowel vaders- als moederskant? Dat het een stuurloos land is waar een groot deel van de bevolking officiële registratie ontloopt?
In de onpersoonlijke vergaderzaal waar we elkaar spreken vraag ik dokter Mukwege naar de verkrachte, gemartelde kinderen waar hij het in al zijn redevoeringen over heeft. Gevallen die volgens hem ‘absoluut traumatisch zijn voor ons personeel’. Deze kinderen, dertig in getal, zijn in 2014 aangevallen in Kavumu, een stad die verscheidene jaren voor het conflict gespaard was gebleven. Er doen geruchten de ronde over mystieke handelingen, bedreven door mannen die rijkdom en roem wilden vergaren door het ontmaagden van kleine meisjes. Dus van oorlogsverkrachtingen is geen sprake. ‘Maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer, het zijn uitzaaiingen van de oorlog!’ verzekert Mukwege.
Dan slaat hij krachtig zijn handen tegen elkaar. Hij heeft genoeg van het gemuggenzift over de gruwelen van zijn dagelijkse praktijk. ‘Mensen die zeggen dat verkrachting “in de mode” is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren terwijl de menselijke waardigheid geweld wordt aangedaan. Dat vind ik walgelijk.’ Hij staat op. Einde interview.
Burgerdaders
Buiten is het klam. Voor het ziekenhuis klampt een jongetje voorbijgangers aan om een taxi te vullen die midden op de weg staat te wachten en het verkeer hindert. De taxichauffeurs luisteren naar Radio Okapi, het uitstekende station van de VN. De verhalen die je er hoort bevestigen, net als de verhalen die ik sinds mijn aankomst heb verzameld, dat verkrachting als oorlogswapen niet de meest courante vorm van verkrachting is. De schuldigen zijn veel vaker burgers.
Ik interview een advocaat, Patient Bashombe, die samenwerkt met het Panzi-ziekenhuis. Hij heeft zich op de verdediging van slachtoffers van seksueel geweld gestort omdat dat, zoals hij ruiterlijk toegeeft, een ‘lucratieve niche’ is. De 64 zaken die hij heeft behandeld betroffen drie verkrachtingen door buitenlandse gewapende groepen, twee door Congolese militairen en 59 door burgers.
Maar dat is natuurlijk minder spectaculair voor de internationale gemeenschap dan ‘verkrachting als oorlogswapen’. Minder glorieus voor de Congolese regering, die liever gewapende groepen beschuldigt dan haar eigen burgers. En minder statusverhogend voor dokter Mukwege.
Waarom wordt er dan toch keer op keer met deze verbijsterende aantallen gezwaaid door de internationale organisaties, de geldschieters en de media? Nzigire, een veertiger uit Walungu, een dorp op vijftig kilometer van Bukavu, heeft het antwoord: ‘Zodat de blanken geld kunnen binnenhalen!’
‘De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt’
‘Geld binnenhalen.’ Enkele duizenden kilometers verderop, in Frankrijk, komt de juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen met dezelfde woedende analyse: ‘De ngo’s in Kivu verzorgen tegenwoordig geen mensen meer, ze zijn alleen op zoek naar statistische gegevens. Ze zoeken vrouwen die verkracht zijn om meer statistische gegevens te verzamelen voor hun pleidooi voor meer budget voor meer programma’s om verkrachte vrouwen te identificeren. Het is een vicieuze cirkel. De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt.’
En de budgetten zijn gigantisch. Volgens een studie van twee Nederlandse onderzoekers, Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, getiteld Fond de commerce (Geldla), is er sinds 2010 meer dan 70 miljoen euro aan seksueel geweld gespendeerd, waarbij de eerder genoemde 60 miljoen van de Wereldbank nog buiten beschouwing is gelaten. Alleen de door de VN geleide missies in Congo hebben tussen januari 2010 en december 2011 al 7,4 miljoen euro opgestreken voor de strijd tegen seksueel geweld, twee keer zo veel als het budget voor de hervorming van de binnenlandse veiligheid van het land, en de helft van de gelden voor het nationale vredesprogramma. En dat in een land dat al bijna twintig jaar door gewapende groepen wordt gedestabiliseerd.
In Bukavu krijg je deze miljoenen niet te zien, laat staan dat je ervan kunt profiteren. Dat krijg je dagelijks ingepeperd. Hier leeft men volgens de ‘taux du jour’, een plaatselijke uitdrukking voor ‘leven bij de dag’. Er is geen werk, geen industrie, geen landbouw, geen elektriciteit tenzij je smeergeld betaalt.
De blanken vormen een aparte sekte en wonen allemaal in het oosten van de stad, dicht bij de Rwandese grens, alsof ze elk moment moeten kunnen vluchten. Ze wonen in elegante villa’s met uitzicht op het meer met zijn Zwitsers-Afrikaanse allure, omringd door hoge muren en prikkeldraad. Ze rijden rond in jeeps, gaan nooit te voet, wagen zich heel zelden in de stad en als ze toch lopen is het op en neer over de onverharde weg die ze goed kennen en die de grote hotels met hun kantoren verbindt.
Vanwege hun aanwezigheid in de stad die al diverse jaren geen conflicten heeft gekend zeggen de inwoners van Bukavu: ‘No viols, no job’: ‘Geen verkrachtingen, geen werk.’ Hoe grappig de mengeling van Frans en Engels ook lijkt, de constatering is onthutsend. Fond de commerce is niet alleen de titel van het rapport van Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, het is ook een constatering die op ieders lippen bestorven ligt. De verkrachtingen hebben de ngo’s gebracht, die ‘programma’s’ hebben gebracht, die financiering hebben gebracht. Geld in overvloed, net als ambitie, hebzucht en aanleiding voor corruptie.
Lijsten
Ik besluit me naar het ‘binnenland’ te begeven om zo dicht mogelijk in de buurt te komen van degenen die van dit financiële manna zouden hebben moeten profiteren, de verkrachte vrouwen. Walungu, op anderhalf uur rijden van Bukavu, is een dorp dat langdurig onder aanvallen van gewapende groeperingen te lijden heeft gehad. In de hoofdstraat van Walungu wemelt het van de organisaties: UNDP (United Nations Development Programme), War Child, Jehova’s getuigen, IEDA (International Emergency and Development Aid), OSD (sociale bijstand aan misdeelden), de juridische kliniek van de Panzi Stichting, APEO (Actie voor het Vergeten Kind), AJP (Vrouwenactie voor Vrede en Gerechtigheid), Save the Children, Belgische Organisatie voor Technische Samenwerking…
Een twintigtal vrouwen wacht me op in de bibliotheek. Ze zijn gekomen op verzoek van Venantie Bisimwa en haar RFDP (Women for the Defence of Rights and Peace).
Ik luister naar hen. Eén ding valt me op: verkrachting is in hun verhalen maar een van de vele gruwelen die zich in de loop der tijd hebben voltrokken, naast moordaanslagen, martelingen, plunderingen, bedreigingen en ontvoeringen. Zo vertelt Bénite, ‘ongeveer’ veertig, dat haar dorp in maart 2005 is aangevallen door ‘mensen uit Rwanda’, waarbij een van haar broers werd gedood en zijzelf met vijf anderen naar het oerwoud werd meegenomen. Een van hen werd vrijgelaten om het losgeld te vragen dat de anderen moest redden. Haar familie had niet genoeg geld om de 130 dollar losgeld te betalen zodat ze hun land moesten verkopen. Bénite werd acht dagen na haar ontvoering vrijgelaten.
Bénite heeft haar verhaal ‘vele tientallen keren’ verteld, maar niemand heeft haar geholpen om haar land terug te kopen en haar leven weer op te pakken. ‘Ik heb op een heleboel lijsten gestaan, maar dat heeft niets geholpen.’
Alle vrouwen in Walungu hebben het over deze ‘lijsten’, deze ‘statistieken’ die het aantal verkrachte vrouwen vermelden en de ngo’s in staat stellen ‘hun behoeften te evalueren’ en geld binnen te halen. In Bukavu had Venantie Bisimwa me het systeem al uitgelegd: ‘Toen ik de coördinatievergaderingen nog bijwoonde, kwam elke ngo en elk VN-agentschap met zijn eigen slachtofferlijst alsof dat het bewijs was van hun goede werk.’
Bénite legt uit hoe de ngo’s de slachtoffers identificeerden: ‘Bij ons organiseerden de buitenlanders een gesprek in een school of kerk, en daarna vroegen ze hun tussenpersonen om de verkrachte vrouwen aan te wijzen.’ Een praktijk waarover Mathilde Muhindo van het Olame Centrum zich nog steeds geschokt toont: ‘Vind je het normaal dat een verkrachte vrouw in het openbaar haar hand opsteekt om te zeggen: “Ik ben verkracht! Ik! Ik!”? Ik weet niet hoe het in Europa gaat, maar hier is zoiets niet normaal.’
De vrouwen in Walungu hebben zich op verschillende lijsten ingeschreven. Het grote aantal namen, die nooit geverifieerd zijn, hebben de statistieken opgedreven. ‘We hebben geen idee wat de invloed van deze onnauwkeurigheid is,’ zegt Marie-Noël Cikuri van de ngo Action d’espoir: ‘Er zijn zo veel dorpen in het oerwoud die nooit benaderd zijn.’
Martin Birindwa Balyahamwabo, een aanhanger van de pinksterbeweging van een jaar of vijftig, draagt een onberispelijk overhemd en laat zijn aktetas, die hij voorzichtig op zijn schoot heeft gevlijd, geen moment los. Hij heeft als ‘tussenpersoon’ gefungeerd voor diverse ngo’s in Nindja, een door veelvuldig geweld getroffen dorp op enkele tientallen kilometers van Walungu. Hij behoorde tot degenen die informatie doorspeelden, behoeften blootlegden. Hij weet zeker dat dat de lijsten niet alleen doublures bevatten, maar ook vrouwen die helemaal geen slachtoffer waren.
Met zijn komische air van beste jongetje van de klas vertelt hij: ‘Soms hoorde ik op de radio dat er honderd vrouwen waren verkracht terwijl het er maar achttien of twintig waren. Mensen waren de dorpen langsgegaan om de vrouwen te laten zeggen dat ze verkracht waren.’
‘Wie dan?’
‘Medewerkers van de ngo’s. De Duitse vereniging Malteser betaalde bijvoorbeeld tussenpersonen in de dorpen om ze verkrachte vrouwen te brengen. Dus die moesten absoluut gevonden worden! Anders zou de hulppost dichtgaan, zou er geen werk meer zijn. Dat is nauwelijks een geheim, weet u. In de gemeenschap heerst een soort verstandhouding: de vrouwen verklaren zich bereid om op de lijsten te komen en daarna mogen ze het voedsel van de ngo’s onderling verdelen. Dat zat me dwars, ik vond het niet kunnen.’
‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is’
Ik speel dit verhaal door aan Johan Bultinck van Malteser. Hij bevestigt dat de tussenpersonen ongeveer twintig dollar per maand kregen. Dat de vrouwen nog lang na hun verkrachting extra hulp probeerden te krijgen, dat er nauwkeurig onderzoek was vereist om ze uit te noodprogramma’s te kunnen weren. En dat de gezondheidscentra hun cijfers moedwillig aandikten om meer financiering te krijgen. Maar wat Malteser betreft is hij stellig: ‘Wij hebben nooit een geval van honderd verkrachte vrouwen in Nindja gehad en we geven de vrouwen geen eten. Ik geloof niet dat dit over Malteser gaat, of ze hebben u maar wat op de mouw gespeld.’
Ik vervolg mijn onderzoek in Kaniola, zo’n dertig kilometer verderop in de heuvels boven Walungu. In het centrum van het dorp bewijst een torentje van roze baksteen eer aan de slachtoffers van de oorlog. Op de binnenkant van de muren staan de namen van de gevallenen met de plaats en datum van hun dood. De slachtpartijen hebben plaatsgevonden tussen 1996 en 2007, met een hoogtepunt in de periode 2006-2007. Ik kijk door het raam van het mausoleum. In de afgesloten ruimte hangen foto’s van vrouwen met opengereten buiken, van mannen met een afgesneden tong, arm of geslacht.
Priester Maurice Bisimwa heeft de beschaamde bekentenissen van de verkrachtingsslachtoffers in zijn parochie aangehoord. Hij weet dat er ‘verzonnen verhalen’ bij zitten, maar daar heeft hij begrip voor: ‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is. Vanwege de armoe…’
Françoise Bouchet-Saulnier van Artsen Zonder Grenzen bevestigt dit: ‘Ik zal nooit zeggen dat de verkrachtingsbusiness profijtelijk is voor de slachtoffers. Die is profijtelijk voor ons, de humanitaire organisaties. Als de slachtoffers tegen ons liegen, dan is het om te overleven, dan is het een aanpassingsstrategie, geen business.’ Ze schudt haar hoofd en zoekt naar woorden om haar collega-ngo’s afdoende op hun nummer te zetten: ‘Het is in de humanitaire wereld dat de cyclus van straffeloosheid doorbroken moet worden!’ Ze vertelt over een ervaring van Artsen Zonder Grenzen: ‘Het was ons opgevallen dat verkrachte vrouwen gemakkelijker voor een consult kwamen als het marktdag was: het was geruststellender om met vriendinnen naar de stad te gaan, en het kostte ze bovendien geen werkdag. Toen we motortaxi’s gingen vergoeden om de gang naar het ziekenhuis te vergemakkelijken, rees het aantal consulten op marktdagen de pan uit. Zeiden die vrouwen dus dat ze verkracht waren om gratis naar de markt te kunnen? Geen idee. Het is iets waar je je voortdurend het hoofd over breekt. We moeten altijd oog hebben voor de negatieve effecten van onze acties. Daar zijn professionaliteit en moed voor nodig, dingen die ontbreken bij al die zondagsredders die Kuifje in Afrika spelen.’
In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’
Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’
Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’
‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’
‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’
‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’
‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’
‘Het totale aantal.’
‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’
‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’
Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.
Zoho CRM – Affordable On-demand CRM
Diverse ngo’s geven desgevraagd toe dat ze de verhalen van de vrouwen niet checken. Dat is hun taak niet, zeggen ze, ze moeten begrip hebben voor het verdriet van de verkrachte vrouwen. Dat in twijfel trekken zou hun trauma nog verergeren. Johan Bultinck, van de Duitse ngo Malteser: ‘Bij de behandeling van de slachtoffers spelen ook vertrouwelijkheid en instemming een rol. Verificatie is niet eenvoudig.’
Terug in Bukavu dringt zich de vraag op: waar zijn die gigantische budgetten gebleven? Wie heeft ‘het geld opgegeten’, zoals men hier zegt? De internationale organisaties draaien eromheen. Alejandro Sánchez van Monusco houdt het op ‘de organisatiezeef’, oftewel de salarissen van de expats. Johan Bultinck van Malteser kiest voor ‘gebrek aan coördinatie’ en ‘een land waar het moeilijk is om te werken’, oftewel corruptie.
In de archieven van de [Congolese] krant Le Souverain vind ik een artikel van mei 2012, getiteld ‘Wie profiteren er van het seksueel geweld in Oost-Congo?’ De journaliste had zich in het geval Mamas for Africa verdiept. Deze Belgische ngo schakelde een kleine Congolese vereniging in die verkrachtingsslachtoffers opving. Mamas for Africa had toegang tot hun foto’s en getuigenverklaringen, stelde mailinglijsten samen en haalde geld voor hen op. Maar al heel gauw kwam de Congolese vereniging erachter dat ‘minder dan een procent van de ingezamelde gelden in hun centrum werd geïnvesteerd’.
In 2008 zei Mamas for Africa een groter huis nodig te hebben om de verkrachte vrouwen op te vangen. De directrice van de Congolese ngo haalde 360 duizend dollar op voor een nieuw opvanghuis met uitzicht op het meer. Maar het gebouw werd algauw een doorgangshuis voor Belgen die op bezoek waren in Bukavu. ‘Een ongebruikelijk concept,’ luidde de ironische conclusie van de journaliste, die bovendien onthulde dat Mamas for Africa in een brief aan de donateurs zei een opleidingscentrum te willen creëren om de inwonende vrouwen van een inkomen te voorzien. Oftewel, ‘het centrum was alleen maar een opvanghuis voordat de vrouwen werden doorgestuurd naar het Panzi-ziekenhuis’.
In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’
Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’
Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’
‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’
‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’
‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’
‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’
‘Het totale aantal.’
‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’
‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’
Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.
De naam Mamas for Africa kwam me opnieuw ter ore tijdens een gesprek met een collega van dokter Mukwege, die zich bezighield met het personeelsbeleid in het Panzi-ziekenhuis. Hij noemde de Belgische ngo een van de meest efficiënte organisaties, die hun de meeste verkrachte vrouwen had aangeleverd.
Naast vrouwen die zeggen verkracht te zijn om hulp te krijgen, organisaties die hun statistieken aandikken om meer geld te krijgen, malversaties op alle niveaus en verhalen die kant noch wal raken, ontdek ik in Bukavu dat er ook mannen zijn die onschuldig in de gevangenis creperen, mannen die ook slachtoffer zijn van de verkrachtingsbusiness.
Deze constatering was de aanleiding voor de studie Fond de commerce van Nynke Douma. In september 2008 was de Nederlandse onderzoeker aanwezig bij een zitting van een mobiele krijgsraad in een Congolees dorp, bedoeld om de plaatselijke bevolking een ‘gerechtelijke show’ voor te schotelen. Een man werd tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens verkrachting. ‘Er klopte niets van de zaak, helemaal niets. Er was geen enkel bewijs. Hoe konden ze mensen op zo’n wankele basis veroordelen?’
Ze ontdekte algauw dat dit proces geen geval op zichzelf was. ‘Het recht op een eerlijk proces wordt momenteel in Kivu met voeten getreden,’ oordeelt Faustin Cirhuza, die in Bukavu werkt voor Advocaten Zonder Grenzen. De ngo’s die opkomen voor verkrachte vrouwen ‘kopen gerechtigheid’, zegt hij. Ze organiseren processen, betalen dagvergoedingen aan rechters en advocaten en sporen de rechtbanken aan om hun zittingen te houden op plekken die zwaar getroffen zijn door het conflict.
Cordaid
Faustin Cirhuza was in 2013 adviseur voor een programma dat werd gefinancierd door Cordaid, een Nederlandse ngo die zestig slachtoffergevallen in de regio Kabare moest behandelen: ‘Zo veel dossiers verzamelen in één jaar, dat is volstrekt onmogelijk! Ze hebben in allerijl zaken geïdentificeerd en alle procedurele regels overtreden. Vaak was er sprake van een flagrant gebrek aan bewijs, van zaken die van geen kanten klopten. De helft van de zaken hebben ze verloren. Ze deden maar wat.’
Waarom hadden ze hun doelen dan niet naar beneden bijgesteld?
‘Het schept werkgelegenheid! Als je je doelen niet haalt vernieuwen de geldschieters je contract niet!’ De advocaat is ontgoocheld: ‘Ze handelen niet in het belang van de mensen. De ngo’s willen geen genoegdoening voor de slachtoffers, ze willen alleen maar een kopie van het vonnis dat ze aan de geldschieters kunnen sturen om te laten zien dat ze goed werk hebben geleverd, dat ze “strijden tegen straffeloosheid”. Ik heb zo veel vrouwen horen zeggen dat ze er spijt van hadden dat ze naar de rechter waren gegaan. Het is dramatisch voor ons land.’
Wanneer ik naar deze zaak informeer, antwoord Astrid Frey van Cordaid: ‘Vrouwen die liegen, die om ons heen draaien om ons hun verhaal te verkopen, dat komt voor. We moeten erg goed opletten, onze programma’s evalueren. Dat is een uitdaging!’ Dan voegt ze eraan toe: ‘Cordaid is in elk geval geen directe speler, wij financieren alleen de programma’s van onze partners.’
Ik loop voor de laatste keer door Bukavu. De lage ochtendzon schijnt op de orchideeën die de gevels roze kleuren. In de haven kom ik Alejandro Sánchez van Monusco tegen. Hij vertelt me dat hij zijn post binnenkort gaat verlaten. ‘Ik ga terug naar Colombia. Het is hier echt een te grote puinhoop.’
In het Europees Parlement ontvangt dokter Mukwege de Sacharovprijs. In geluiddichte radiostudio’s en onder felle tv-lampen herhaalt hij dat er in zijn land wordt verkracht om een volk te vernielen, een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.
Auteur: Marion Quillard
Vertaler: Peter Bergsma
Marion Quillard studeerde in Toulouse, Toronto, Lyon en Lille, en schrijft voor de Franse bladen Revue XXI en 6Mois. Haar werk verscheen eveneens in Libération en op Mediapart.
Genomineerden in de categorie Investigative reporting award
Nizar Manek & Jeremy Hodge (Verenigd Koninkrijk):
Opening the Black Box of Egypt’s Slush Funds
Jürgen Dahlkamp, Sven Becker, Gunther Latsch, Walter Mayr & Jörg Schmitt (Duitsland):
Besondere Verdienste
Jonathan Calvert, George Arbuthnott, Heidi Blake & Bojan Pancevski (Verenigd Koninkrijk):
The FIFA Scandal
Mar Cabra (Spanje):
Swiss Leaks: Murky Cash Sheltered by Bank Secrecy
Roman Anin in samenwerking met FBK (Rusland):
The Values of the Clan
Luke Dale-Harris & Sorin Semeniuc (Verenigd Koninkrijk / Roemenië):
Land Grabbing in the EU: How Rabobank is Profiting of Theft and Abuse in Romania
Anita Vorák (Hongarije):
How the Son-in-Law of Hungary’s Prime Minister Benefited from EU Funds
Marion Quillard (Frankrijk):
Que celles qui ont été violées lèvent la main
Tijdschrift van voormalig Figaro-journalisten, een driemaandelijks avontuur van narratieve journalistiek, bestaande uit grote reportages in tekst, schetsen, foto’s en stripverhalen. Bijzonder grafisch vormgegeven. Gevrijwaard van reclame.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.