Tag: consumptie

  • Filosoof Kohei Saito is voorvechter van economische krimp

    Filosoof Kohei Saito is voorvechter van economische krimp

    De Japanse hoogleraar filosofie vindt dat we moeten ontgroeien en minder buitensporig moeten consumeren. ‘Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is.’

    Stel je een wereld voor waarin je maar drie of vier dagen per week hoeft te werken. In je vrije tijd kun je sporten, tijd aan je dierbaren besteden, tuinieren of actief zijn in de lokale politiek. Bezorging binnen 24 uur, reclame en privévliegtuigen zijn verleden tijd, maar gezondheidszorg, onderwijs en groene stroom zijn voor iedereen gratis. Dat is het radicale ideaal dat de marxistische hoogleraar filosofie Kohei Saito voorstaat. Hij houdt een pleidooi voor ‘degrowth’, ‘ontgroei’, een doelbewuste krimp van de economie om zo de rijkdom beter te verdelen en over te gaan op een trager economisch stelsel waarin het welzijn van mens en planeet centraal staat.

    In de VS en andere rijke landen woedt onder voorvechters van klimaatmaatregelen steeds meer discussie over de vraag of economische groei moet worden ontmoedigd om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het stimuleren van duurzame energie en groene technologie zal tot nieuwe banen en meer economische activiteit leiden. En ontwikkelingslanden hebben groei nodig om hun levensstandaard te verhogen.

    Maar pleitbezorgers van krimp zoals Saito en economen zoals Jason Hickel en Tim Jackson zeggen dat het vervangen van fossiele brandstoffen door groene energie niet volstaat. Volgens hen moeten de rijke landen, die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de uitstoot van broeikasgassen, ook gaan minderen in hun energieverbruik en hun gebruik van grondstoffen uit ontwikkelingslanden, en zich meer richten op het voor hun burgers gratis maken van elementaire levensbenodigdheden als voedsel, onderdak, schoon water en energie.

    Waarom denkt u dat er steeds meer interesse is in kritiek op het kapitalisme en in economische krimp in het algemeen?

    De afgelopen decennia zijn onze samenlevingen overal ter wereld ernstig ontwricht door neoliberale hervormingen. En er is veel debat over het oplossen van de klimaatcrisis en het tegengaan van economische ongelijkheid. Maar de maatregelen werken niet en de klimaatcrisis wordt alleen maar erger. De mensen hebben te lijden onder banen zonder zekerheid, lage lonen en veel concurrentie. Mensen worden er ongelukkig van.

    Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie

    Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie. Maar anderzijds: voor mensen die echt op zoek zijn naar een alternatief, die zich echt zorgen maken om de crisis, is er binnen het bestaande kader geen oplossing te vinden. Ik zeg niet dat mijn oplossing alleen zaligmakend is, maar hij raakt wel een snaar, in deze algehele sfeer van onvrede en onbehagen, zeker onder de jongere generatie.

    Ik wil wat dieper ingaan op de kritiek op het kapitalisme zoals u die uiteenzet in Slow Down. Kunt u uitleggen waarom het kapitalisme volgens u de aanjager is van de ongelijkheid in de wereld en van de klimaatverandering?

    Karl Marx heeft aangetoond dat het kapitalisme de tendens vertoont om de economische ongelijkheid te vergroten, omdat onder dat systeem arbeiders worden uitgebuit, zodat het kapitaal zich ophoopt bij een kleine minderheid. En Marx zei ook dat in zo’n systeem van uitbuiting niet alleen mensen, maar ook de natuur wordt uitgebuit. Van die tendens waren we ons jarenlang niet bewust omdat rijke landen zoals de VS, Japan en de EU veel kosten elders konden onderbrengen. We hadden ons rijke leventje veelal te danken aan goedkope producten en grondstoffen die werden verkregen door uitbuiting van mens en natuur in het mondiale Zuiden.

    Door de globalisering heeft het kapitalisme nu de hele wereld veroverd. Dat betekent dat we alle kosten elders hebben ondergebracht. En nu kunnen we er nergens meer mee terecht, want China groeit, Brazilië groeit, India groeit: iedereen wil nu een kapitalist zijn en dan loopt het spaak. We hebben te maken met de wereldwijde ecologische crisis, de pandemie, de klimaatcrisis, de wedijver om grondstoffen, en dat is allemaal nauw verbonden met het kapitalisme en de neiging tot constante groei.

    Veel klimaatbeleid van tegenwoordig, zoals plannen voor een Green New Deal, zijn sterk gericht op meer hernieuwbare energie en groene technologie, met daarbij aanhoudende groei van de werkgelegenheid en de economie. Waarom is dat volgens u niet genoeg om iets tegen de klimaatcrisis te doen?

    Om te beginnen ben ik niet tegen technologie. We hebben hernieuwbare energie nodig. Elektrische auto’s en zo, die hebben we nodig. Ik ben voor het ontwikkelen van nieuwe technologieën en het investeren in goedkopere groene energie. Ik ben geen pleitbezorger van ‘terug naar de natuur’.

    Het probleem is dat we in het streven naar groei steeds meer en steeds grotere producten gaan verkopen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de SUV. Ook al stappen we over op elektrisch rijden, als we steeds grotere auto’s blijven maken, zullen we nog steeds veel energie en grondstoffen verbruiken die vooral uit het mondiale Zuiden komen. Dan komt er dus geen eind aan de roof van land en grondstoffen, de uitbuiting van mijnwerkers en de vernietiging van inheemse gemeenschappen, de ontbossing enzovoort.

    Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen

    Wat volgens mij nodig is: investeer vooral in die groene technologieën. Maar we moeten ook eens gaan praten over bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal auto’s, of van de vleesconsumptie, of van het vliegverkeer. Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen. Dat moet ook prioriteit krijgen.

    Het probleem met het mainstream debat over groen kapitalisme is dat het nooit gaat over het terugdringen van onze buitensporige consumptie en productie, want dat is iets wat het kapitalisme niet kan accepteren. Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is. Daar is het kapitalisme niet toe in staat.

    Daarom komt u met uw alternatieve economische visie van degrowth-communisme. Waarom zou het daarmee beter lukken om de mondiale klimaatdoelen te halen?

    Degrowth houdt in dat het bbp niet meer je enige toetssteen voor vooruitgang is. En dat je stopt met dingen die niet echt nodig zijn.

    Je kunt het bbp verhogen door dingen te produceren die niet echt nodig zijn, zoals privévliegtuigen. En ik zeg: misschien hebben we geen behoefte aan die dingen, want ze zijn alleen voor rijkelui en je maakt er de planeet mee kapot. Dus waarom steken we onze energie en ons geld niet in dingen die duurzamer zijn en die iedereen nodig heeft? Zoals gratis internet, gratis openbaar vervoer, gratis onderwijs, gratis zorg. Al die dingen die meestal aan commerciële partijen worden overgelaten, zeker in de VS, moeten uit handen van de commercie worden gehaald.

    Ons huidige model is dat de economie steeds groeit, zodat de taart groter wordt en iedereen een steeds groter stuk krijgt. Maar als we de economie zo laten groeien, produceren we enorm veel overbodige zaken. Als we overgaan op een economie zonder groei, wordt de taart niet meer groter. Dan moeten we de bestaande rijkdom met elkaar delen.

    Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten

    Er zijn natuurlijk dingen die we niet kunnen delen, zoals privé-eigendom. Maar wat we wel kunnen delen is bijvoorbeeld kennis en onderwijs, openbaar vervoer, cultuur, gemeenschappelijke landbouw, elektriciteit enzovoort. Dan kunnen we gelukkiger zijn, over meer essentiële goederen en diensten beschikken en een stabieler leven leiden.

    Dan hebben we niet meer om de twee jaar een nieuwe iPhone. Hebben we geen wegwerpmode meer. Geen industriële vleesproductie. Misschien ook geen McDonald’s meer, maar wel gezonder eten. Dan hebben we duurzamere kleding, die je jarenlang kunt dragen. Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten.

    Sommigen wijzen erop dat het vertragen van de economische groei schadelijk kan zijn voor de landen die nog in ontwikkeling zijn. Wat zou krimp betekenen voor het mondiale Zuiden?

    Ik zeg niet dat het mondiale Zuiden de beginselen van krimp meteen moet omarmen. We moeten daar nog meer wegen aanleggen en huizen, scholen en ziekenhuizen bouwen. We moeten daar ook meer energiecentrales bouwen en zonnepanelen aanleggen.

    Maar ik vind dat ook die landen in hun groei meer prioriteit moeten geven aan het voorzien in basisbehoeften dan aan het stimuleren van winstgevendheid en concurrentie, de manier waarop ontwikkeling nu door de Wereldbank met structurele aanpassingsprogramma’s wordt afgedwongen. We hebben voor het mondiale Zuiden andere ontwikkelingsmodellen nodig.

    Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag

    Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag. Hun ontwikkeling zal onvermijdelijk meer verbruik van energie en grondstoffen met zich meebrengen. Dat legt druk op de planetaire grenzen. Dat betekent dus dat het mondiale Noorden bewust naar krimp moet streven, omdat het zich te ver ontwikkeld heeft en overmatig produceert en consumeert.

    U schrijft in uw boek dat de transitie naar krimp niet van het ene op het andere moment hoeft plaats te vinden, en dat die overgang zelfs nu al gaande is. Kunt u een paar voorbeelden geven van stappen in de richting van degrowth?

    Frankrijk heeft een verbod ingesteld op korte binnenlandse vluchten, dat is een belangrijke stap. Sommige Europese landen experimenteren nu met minder arbeidstijd, zoals een werkweek van vier dagen. Gratis onderwijs en gratis zorg zijn andere voorbeelden. Gratis internet hoort daar ook bij, iets wat Jeremy Corbyn een paar jaar geleden in zijn verkiezingsprogramma had opgenomen.

    Verder de invoering van een maximum op jaarinkomens, en van werknemerscoöperaties, en de nationalisering van sommige bedrijven, zoals nutsbedrijven. Dat zijn een paar elementaire tegenmaatregelen die we binnen het kapitalisme kunnen nemen.

    Volgens sommigen is krimp een te grote politieke opgave en maak je jezelf niet populair als je de bevolking in het mondiale Noorden vraagt om bijvoorbeeld te gaan consuminderen. Wat is ervoor nodig om te zorgen dat de politieke prioriteiten zo breed worden verlegd? Is het wel realistisch om naar krimp te streven?

    In zekere zin is het een utopie, denk ik. Maar de gedachte dat het kapitalisme de komende decennia tot grote bloei zal leiden is ook utopisch, want we krijgen meer natuurrampen, inflatie en oorlogen, en met de klimaatcrisis wordt dat alleen maar erger. Dus het is naïef om te denken dat we op de een of andere manier ons leventje wel kunnen voortzetten. 

    Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild

    Ik denk dat er nu meer mensen zijn, zeker onder de jonge generatie, die radicalere verandering eisen. Ik vermoed dat bewegingen als de Sunrise Movement, Fridays for Future, Extinction Rebellion en Just Stop Oil vijftien jaar geleden nog niet op veel steun onder de bevolking konden rekenen en niet genoeg media-aandacht kregen. Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild. De herwaardering van waarden kan eigenlijk best snel gaan. 

    Capital in the Anthropocene (2020), is in november bij Arbeiderspers uitgegeven als Systeembreuk. Een nieuwe visie op kapitaal, natuur en maatschappij als antwoord op de klimaatcrisis. Het dit jaar in het Engels verschenen Slow Down: The Degrowth Manifesto is nog niet in het Nederlands vertaald.

  • Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Eetbare insecten, een levensvatbaar vleesalternatief?

    Uit Pools onderzoek blijkt dat eetbare insecten uitermate geschikt zijn om milieuproblemen als de hoge CO2-uitstoot en overbevissing tegen te gaan. Maar zullen we ze ooit lekker gaan vinden?

    Tijdens het proeven van eetbare insecten kwam ik erachter dat ik een fobie heb voor nieuwe gerechten. En ik was nog wel naar de Economische Universiteit van Wroclaw (UEW) gekomen in de overtuiging dat ik alles zou gaan proberen. Als het laboratorium van de opleiding Levensmiddelentechnologie zou worden omgetoverd tot een restaurant met een menu à la carte, dan zou je onder andere kunnen kiezen uit linzenpasta, broodjes en brosse koekjes waarin huiskrekelmeel is verwerkt, een chocoladedrankje waaraan versnipperde krekel is toegevoegd en complete insecten met verschillende smaken: honing-mosterd, zure room met uitjes, chili met limoen of gewoon met zeezout.

    ‘Ze zijn echt heel lekker,’ beweert Agnieszka Orkusz, professor aan de UEW.

    De zojuist genoemde kotelet was een combinatie van ‘gewoon’ vlees en larven, die niet versnipperd waren, maar in hun geheel waren toegevoegd, zoals je rozijnen in een kwarktaart doet.

    In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram

    ‘De verhoudingen kun je helemaal zelf kiezen. Hoe meer insecten je toevoegt, hoe meer eiwitten je binnenkrijgt. In 100 gram vlees zit gemiddeld 20 gram eiwit, en in larven gemiddeld maar liefst 60 gram. Daarnaast zit er ook nog calcium, zink en ijzer in. Het is dus een zeer rijke voedingsbron,’ gaat Orkusz verder.

    Het eiwitgehalte van verschillende soorten eetbare insecten ligt tussen de 13 en 81 procent. Ter vergelijking: rundvlees en pluimvee bevatten 19 tot 26 procent eiwit, en vis en zeevruchten 13 tot 28 procent.

    In het geval van insecten is er echter sprake van een barrière. Misschien geldt het niet voor iedereen, maar veel mensen krijgen spontaan een groen gezicht als het over het eten van insecten gaat. Bij de koteletjes zit het probleem hem in het feit dat de larven zichtbaar zijn. Een kotelet met larven associeer ik met iets wat bedorven is, en dat zullen de meeste mensen hebben. Bij sprinkhanen is de drempel waarschijnlijk wat lager, maar ook dan moet je nog een aardige stap zetten voordat je je eraan waagt. En zelfs het besef dat insecten zo veel voedingswaarden bevatten, zal niet altijd helpen.

    Weerzin 

    Het zal dus niet meevallen om zo’n aanbod succesvol op de markt te brengen. We zijn nu eenmaal geen culinaire lekkernijen met insecten gewend, zoals mensen in het Verre Oosten, waar insecten als dagelijkse kost gezien worden. Ook eet men ze daar als streetfood, met alles erop en eraan: pootjes, haartjes, en voelsprieten en dergelijke.

    ‘Dat zijn producten voor degenen die hun weerzin al overwonnen hebben,’ merkt Orkusz droogjes op.

    Die weerzin verdwijnt wanneer er geen insecten te zien zijn. En het maken van zulke producten levert geen enkel probleem op. Het eerder beschreven brood met krekelmeel erin, dat ik moeiteloos weghapte, bevatte 10 procent insectenmeel, maar ze hebben hier al broden gebakken met maar liefst 40 procent insectenmeel, broden met een erg hoog eiwitgehalte dus. Versnipperde insecten zijn ook geschikt voor verschillende soorten worst.

    Er zijn heel wat argumenten die voor het eten van insecten pleiten: ze hebben een hoge voedingswaarde en je hebt er maar weinig voor nodig om ze te produceren, zeker in vergelijking met het fokken van slachtvee. Zo hebben krekels zes keer zo weinig voedsel nodig als koeien, vier keer zo weinig als schapen en twee keer zo weinig als varkens en kippen. Daar komt nog bij dat insecten minder broeikasgassen en ammoniak uitstoten dan boerderijdieren.

    De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee

    ‘De productiekosten voor een kilo insecten zijn vele malen lager dan bijvoorbeeld die voor een kilo pluimvee. Daarom zijn insecten een belangrijk alternatief voor de productie van kostbare eiwitten. De verwerking ervan stelt weinig voor: je hoeft ze alleen maar te drogen en te vermalen. Met deze grondstof kun je heel goed producten maken die rijk zijn aan eiwitten en vezels. Je kunt je natuurlijk afvragen in welke vorm. We hebben hier een aantal standaardproducten, zoals koteletten, koekjes en brood. Maar je kunt van insecten bijna alles maken,’ vertelt Joanna Harasym, professor aan de UEW en directeur van de leerstoel Biotechnologie en Voedselanalyse op de afdeling Vormgevingstechniek.

    In de werkplaats voor levensmiddelentechnologie aan de UEW worden de mogelijkheden van 3D-printers onderzocht. Er wordt gebruikgemaakt van printers met een extruder; die verwerken een basis – een pasta gemaakt van versnipperde insecten vermengd met water –  tot producten met iedere gewenste vorm en smaak.

    ‘Nadat je er een bepaalde vorm aan gegeven hebt, wordt het product gebakken of gedroogd. Insecten bevatten veel onverzadigde vetzuren, daarom moet de warmtebehandeling heel precies gebeuren. Het belangrijkste is dat we op deze manier een product kunnen maken dat aantrekkelijk is voor onze zin-tuigen en niet meer doet denken aan een insect,’ verklaart Harasym.

    In een 3D-printer kun je verschillende pasta’s mengen, bijvoorbeeld van insecten, vlees, groente et cetera. Op die manier kunnen onder andere evenwichtige maaltijden worden samengesteld voor oudere mensen, bijvoorbeeld in de vorm van gelei.

    Neofobie

    Wetenschappers van de UEW hebben een grootschalig onderzoek uitgevoerd om erachter te komen welke factoren onze neofobie voor eetbare insecten minimaliseren. Eén factor ligt erg voor de hand. Het bleek dat iemand die in Azië of Afrika geweest is overduidelijk minder last heeft van neofobie dan mensen die een dergelijke ervaring niet hebben opgedaan. ‘Denk je dat eens in: we gaan naar Azië en onze afschuw verdwijnt compleet. Ineens wagen we ons aan die schorpioen op een stokje of een ander insect.’ 

    Harasym vervolgt: ‘Uit het onderzoek bleek verder dat mensen die naar eigen zeggen van zeevruchten hielden zich vaker onverschrokken aan de insecten waagden. Zowel het een als het ander heeft pootjes en haartjes; een garnaal ziet er eigenlijk gewoon uit als een wit of rood insect.’

    Is het dus puur een kwestie van gewenning? Het punt is dat er in Europa nog weinig gelegenheid is om gerechten te nuttigen met insecten in de hoofdrol. 

    Op de wereld is er een enorme hoeveelheid eetbare insecten te vinden, meer dan 1900 soorten maar liefst. Geschat wordt dat meer dan twee miljard mensen op de wereld verschillende soorten insecten eten. Wie weet of het over een tijdje in Europa mogelijk is om schorpioenen uit een lokale kwekerij te nuttigen, misschien op een stokje of met een laagje suiker? Voorlopig hoeven we daar echter nog niet op te rekenen.

    Tot nu toe heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid drie soorten eetbare insecten groen licht gegeven: sprinkhanen, huiskrekels en meelwormen. De twee laatste vormen de basis van de onderzoeken die op dit moment aan de UEW worden uitgevoerd. Waarom die twee? ‘Ze zijn het goedkoopst en het makkelijkst te produceren. De grondstof halen we uit het buitenland. Voor zover ik weet worden deze krekels en larven in Polen nog niet gekweekt voor menselijke consumptie, maar er zijn enkele bedrijven die met zulke plannen bezig zijn. Sprinkhanen zijn nog niet zo lang toegestaan, daarom is het nog vrij lastig om die bij gecertificeerde bedrijven in te kopen. Dat zal over een jaar al makkelijker zijn,’ aldus Orkusz.

    We moeten ons door een diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen

    De meeste kwekerijen voor eetbare insecten zijn op dit moment actief in Nederland en Italië. ‘Mocht er iemand zijn die in Polen zoiets wil opzetten, in samenwerking met ons, dan is hij van harte welkom. Ook op het gebied van receptuur beschikken wij over alle nodige kennis. Het is nog helemaal niet zo eenvoudig om iets te maken wat qua smaak acceptabel is,’ voegt Orkusz toe. ‘We moeten ons alleen door die diepgewortelde afkeer van insecten heen bijten, en de gewoonten van de consument zijn altijd het moeilijkst te veranderen. Aan de andere kant is de mens nieuwsgierig van aard, dus als het er aantrekkelijk uitziet en het ruikt lekker, dan zal hij het graag willen proberen.’

    De meeltor ‘kweken’ we onbewust (in meelproducten) en krekels springen bij ons in de wei rond, maar die kunnen we beter met rust laten. Misschien zijn ze ook geschikt als voedsel voor mensen, maar vanwege de voorschriften zal niemand er brood in zien om ze op industriële schaal te kweken.

    In Polen worden wel insecten geproduceerd voor in dierenvoer. Er zijn echter nog geen kwekerijen die eetbare insecten voor mensen produceren.

    ‘Eetbare insecten moeten worden gekweekt binnen een gesloten systeem, onder de juiste omstandig-heden en mogen alleen worden verkocht wanneer ze veilig zijn voor de consument. De eisen die hieraan gesteld worden, zijn vastgelegd in Europese verordeningen,’ benadrukt Harasym. ‘In het buitenland zijn ze gewoon eerder begonnen met de productie voor menselijke consumptie. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat dat bij ons ook gebeurt. Ik hoop dat deze vorm van productie binnen twee jaar in Polen van start zal gaan.’

    Economische voordelen

    En wat gebeurt er verder als de insecten eenmaal gekweekt zijn? Op dit punt is het productieproces relatief eenvoudig en goedkoop. Dan worden ze in-gevroren, vervolgens gedroogd, en daarna kun je ze op verschillende manieren gebruiken bij de bereiding van bepaalde voedingsproducten.

    Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart

    ‘De kweek van eetbare insecten levert veel economische voordelen op. Er is weinig inzet van kapitaal of grondgebied voor nodig. Het is zelfs mogelijk om insecten te kweken met afval uit de voedselindustrie, wat veel kosten bespaart. Deze markt zal in de toekomst zeer invloedrijk worden,’ concludeert Orkusz.

    Ook niet onbelangrijk is het feit dat de veeteelt momenteel verantwoordelijk is voor bijna 20 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast kun je moeilijk tot in het oneindige koeien, varkens en pluimvee blijven fokken. Daar zijn enorme hoeveelheden voer en water voor nodig, en ook steeds grotere stukken grond. Of kan de groeiende wereldbevolking haar eiwitten dan misschien uit de zeeën en oceanen halen? Die hebben helaas steeds meer te lijden onder overbevissing. Insecten hebben dus potentieel. Temeer omdat ze voor een groot deel van de mensheid een vertrouwd en welbekend culinair fenomeen zijn. 

    Lees ook:

  • Duurzame mode bestaat niet

    Duurzame mode bestaat niet

    Iedere consument zou moeten weten dat er 7500 liter nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek. En dat de kledingindustrie een van de vervuilendste industrieën ter wereld is. Niet de voetafdruk maar de prijs bepaalt nog altijd het dwangmatige koopgedrag van het winkelend publiek.

    Onderzoek wijst uit dat de kledingindustrie haar ecologische voetafdruk moet verkleinen. Een verplichting die een ingrijpende verandering vereist van de productie- en marketingmethodes van de branche, maar ook van ons consumptiegedrag.

    De cijfers over de CO2-afdruk van de mode-industrie zijn het gesprek van de dag op Instagram en TikTok. De sector is goed voor 10 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgas. Het is waarschijnlijk een van de vervuilendste industrieën ter wereld, na de energie- en de voedingsmiddelensector. Iedere consument zou moeten weten hoeveel water er nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek: 7500 liter. De stranden van Ghana zijn vervuild door tonnen gebruikte kleding, terwijl de Atacama-woestijn in Chili een treurige reputatie geniet als gigantische dumpplaats van tweedehandskleding, het niet-gerecyclede overschot van de 59.000 ton aan kledingstukken die jaarlijks in de haven van Iquique arriveert. Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand. 

    Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand

    Het woord ‘duurzaam’ ligt tegenwoordig op ieders lippen. De Franse start-up Circle Sportswear, in 2019 opgericht door Romain Trébuil, maakt zijn kleding van ‘gerecyclede of recyclebare materialen’, waaronder lyocell, een stof die gemaakt is van cellulose. ‘Het milieu zo min mogelijk belasten, dat is de plicht van onze generatie,’ zegt Adrien Garcia, oprichter van de modesite Réuni die gespecialiseerd is in pre-orderverkoop. En om hun clientèle te behouden die haar consumptie steeds meer wil vergroenen, beginnen ook de grootste kledingfabrikanten en -distributeurs op het gebied van ‘fast fashion’ zich aan te passen.

    De Amerikaanse jeansfabrikant Levi’s heeft sinds april 2021 een nieuwe slogan: ‘Buy better, wear longer’. ‘Wereldwijd is de kledingconsumptie de afgelopen vijftien jaar verdubbeld. Dat kunnen we helpen veranderen door te mikken op betere kwaliteit,’ aldus de fabrikant van de 501 in een reclamespot. ‘We hebben het nu voor het eerst openlijk over duurzaamheid. Maar daar is onze bedrijfscultuur al meer dan dertig jaar op gericht,’ verzekert Diana Dimitian, adjunct-directeur van Levi’s Zuid-Europa. Het Spaanse Inditex, het grootste kledingbedrijf ter wereld, nodigt zijn klanten uit om hun oude kleding voor recycling in te leveren bij een van zijn acht ketens, waaronder Zara. Het Zweedse H&M, ook een grote speler op de fastfashionmarkt, heeft eveneens bakken neergezet die bestemd zijn voor recycling. Geef ons uw oude spijkerbroek in ruil voor een tegoedbon, aldus de distributeur van goedkope kleding.

    En alle grote merken verzekeren dat ze hun toevlucht zullen nemen tot minder vervuilende materialen. Inditex belooft vanaf 2023 in al zijn Zara-winkels alleen nog maar duurzame katoen aan te bieden en vanaf 2025 alleen nog linnen of gerecyclede polyester. H&M zal tussen nu en 2030 volledig overstappen op duurzame materialen. Het Duits-Nederlandse C&A gebruikt al meer dan tien jaar biokatoen, om ‘ons milieu, de katoenproducenten en hun leefomgeving te beschermen’. Het Japanse Fast Retailing belooft aanpassingen op het gebied van zijn beroemde gewatteerde Uniqlo-jacks; in 2020 heeft het merk een voor 100 procent gerecycled jack gelanceerd. Het moederbedrijf garandeert dat zijn CO2-uitstoot in 2050 zal zijn teruggebracht tot nul, en dat in 2030 de helft van de kleding deels van gerecyclede vezels zal worden gemaakt.

    Taboeonderwerp

    Het meest luxe en modieuze segment blijft niet achter. Het LIFE-programma van de Franse groep LVMH (Louis Vuitton Moët Hennessy) richt zich met name op de strijd tegen klimaatverandering en belooft een groter beroep te zullen doen op de kringloopeconomie, terwijl Kering (met onder andere Balenciaga, Brioni, Gucci en Yves Saint Laurent) zegt zich ‘vooral op de aanvoerketen te concentreren’, omdat ‘het behoud van de biodiversiteit en het verkleinen van onze ecologische voetafdruk beginnen bij het “sourcen” van grondstoffen’.

    Toch gaan er steeds meer stemmen op, onder meer van Maxine Bédat van de Amerikaanse denktank New Standard Institute, die zeggen dat dit allemaal niet genoeg is. ‘Omdat duurzame mode geen kwestie van grondstoffen is,’ verduidelijkt Guillaume Declair, medeoprichter van het Franse merk Loom. ‘De hele sector geeft hoog op van de kringloopeconomie en het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Maar als je ziet hoe weinig van alles wat er wordt verkocht gerecycled is, is kringloopmode geen oplossing. Er is een paradigmaverschuiving nodig, een andere manier van produceren,’ meent Elisabeth Laville, oprichter van het adviesbureau Utopies, dat bedrijven begeleidt bij de transitie naar een duurzame toekomst.

    Akkoord van Parijs

    Om zich te houden aan het Akkoord van Parijs van 2015, dat bepaalt dat de gemiddelde temperatuur van de planeet ten opzichte van het pre-industriële tijdperk met niet meer dan 2 graden mag stijgen, zou de kledingproductie tot 2050 met twee derde moeten worden teruggebracht. Maar welk merk is bereid om zijn productie en verkoop te verminderen? Om zich van zijn gematigde kant te laten zien? ‘De groei van het aantal verkochte producten blijft de norm,’ zegt Dimitri Caudrelier, algemeen directeur van adviesbureau Quantis; hij pleit ervoor ‘vraagtekens te zetten bij de businessmodellen van de industrie’. Volgens deze specialist op het gebied van de klimaatstrategie van bedrijven ‘is het onderwerp volume 
    nog altijd taboe in de bedrijfstak’.

    Dat blijkt wel uit het Fashion Pact dat in 2019 werd ondertekend op instigatie van de Franse president Emmanuel Macron, na de G7-top in Biarritz. Meer dan tweehonderd internationale merken zegden toe ‘hun gebruik van milieuvriendelijke materialen tot 2025 met 25 procent te verhogen, en hun gebruik van duurzame energie tot 2025 met 50 procent en tot 2025 met 100 procent’. De overige afspraken gaan over biodiversiteit en de bescherming van de oceanen ‘door beperking van de hoeveelheid plastic verpakkingsmateriaal’. Tot de ondertekenaars behoorde een aantal luxe merken, zoals Chanel, Saint Laurent en Gucci, maar ook merken voor een groter publiek, zoals Adidas, Decathlon, Mango en H&M.

    ‘Maar het Fashion Pact rept met geen woord van fast fashion,’ zegt Elisabeth Laville. ‘Die term komt niet eens in de tekst voor. Dit pact is hooguit een poging om de milieu-impact van fast fashion te beperken. Het lijkt wel of ze hun economische model willen bestendigen zonder er vraagtekens bij te zetten. Dat is ontoelaatbaar,’ zegt ze, verwijzend naar ‘de grote jongens die hun businessmodel niet willen loslaten, ook al is het achterhaald’. Oftewel de grootschalige productie in lage-lonenlanden en de permanente vernieuwing van hun winkelcollecties.

    Ook bij Quantis leeft ergernis. ‘Leidt het Fashion Pact tot een vermindering van de ecologische voetafdruk? Ja, dat is het voornaamste doel. Maar tot een volumeverlaging? Nee,’ zegt Dimitri Caudrelier geïrriteerd. Alma Dufour, woordvoerder van de Franse milieu- en mensenrechtenbeweging Amis de la Terre, noemt het Fashion Pact ‘de grootste grap van de sector. Wie kan geloven dat ze hun CO2-uitstoot zullen reduceren door het gebruik van meer biokatoen en meer ledlampen in hun winkels?’ 

    Prijs bepaalt

    Wat moet er dan gebeuren? De kleding-productie terugverhuizen naar Europa? ‘Door in Frankrijk te produceren in plaats van in China kunnen we de CO2-voetafdruk van de kledingindustrie halveren,’ stelt het Franse verbond van kledingproducenten. Op papier heeft ‘made in France’ alleen maar voordelen. Sommige Franse producenten hebben hun productie al terugverhuisd, in navolging van FashionCube, een groep kledingmerken van het Franse familiebedrijf Mulliez dat afgelopen februari een jeansfabriek heeft geopend in de buurt van de Noord-Franse stad Tourcoing.

    Maar veel Franse merken lopen tegen aanvoerproblemen op. ‘De nationale leveranciers van onze basismaterialen blijven in gebreke,’ zegt een vertegenwoordiger van een confectiebedrijf. Bovendien bieden niet alle sectoren van de kledingmarkt ruimte voor de extra kosten van productie in eigen land. Zo kosten de jeans van FashionCube in Tourcoing 60 euro, wat tweeënhalf keer zo duur is als de gemiddelde vrouwenjeans die in Frankrijk worden verkocht.

    Kunnen we nu zeggen dat de duurzame mode is aangepast aan de economische realiteit van de kledingmarkt? Want de keus van de consument wordt nog altijd bepaald door de prijs. Voor 41 procent van de Fransen is de prijs het eerste aankoopcriterium, terwijl maar 4 procent de voorkeur geeft aan het ecologische en ethische aspect. Tweedehandskleding, die vaak als een middel tegen milieukwalen wordt gezien, ontsnapt niet aan dit fenomeen: 70 procent van de Fransen koopt die om economische redenen.

    Dat is niet erg, volgens Elisabeth Laville, die voorspelt dat de prijs ‘geen obstakel zal zijn voor een duurzamer aankoopgedrag’. Als we haar mogen geloven, zou in de toekomst ‘om zowel economische als ecologische redenen’ kunnen worden gekozen voor een duurzamere modeconsumptie, zoals dat op vervoersgebied met autodelen gebeurt. Alles zou in dat geval afhangen van de mate waarin het consumptiegedrag kan worden aangepast.

    Overconsumptie

    Eenvoudig zal dat niet zijn. Want de goedkope mode heeft ons gedrag ingrijpend veranderd. De marketingmethodes van de fast fashion op sociale media zetten ertoe aan om te kopen zonder rekening te houden met je behoeften, dus tot overconsumptie. En de neurowetenschap heeft aangetoond hoezeer die methodes ons zelfbeeld strelen en onze dopamine, het hormoon van de onmiddellijke behoeftebevrediging, activeren. Onze hersenen ‘zijn een vijand van de planeet’, oppert neurowetenschapper Sébastien Bohler in zijn essay Le bug humain. 

    Er moet een remedie komen tegen ‘dwangmatig koopgedrag’, zegt Dimitri Caudrelier. En een manier om de consumenten te genezen van de boulimie die zich van hen meester kan maken wanneer ze de Primark binnenlopen, het Ierse merk dat ‘ongelooflijke mode voor ongelooflijke prijzen’ belooft, of wanneer ze op de Chinese site Shein klikken, het walhalla voor pubers.

    Diverse milieubewegingen beijveren zich ervoor de sector aan banden te leggen. Zo bepleit Greenpeace een verbod op reclame die schadelijk is voor het milieu ‘door het creëren van kunstmatige waarden, zoals het associëren van koop- en consumptiegedrag met zelfverwezenlijking en plezier’. Het collectief En Mode Climat, afkomstig uit de Franse kledingsector zelf, dringt ook aan op ‘bestraffing van strategieën die de consumptie sterk aanwakkeren’. Bijna vierhonderd Franse kledingbedrijven hebben zich aangesloten bij deze in 2021 opgerichte beweging, die ‘meer regulering’ eist en voorstelt de huidige Franse milieubijdrage van 6 cent per kledingstuk te verhogen tot 5 euro in 2025 voor de vervuilendste kledingmerken.

    Zijn dit allemaal zoete dromers in een gemondialiseerde sector? De Ellen MacArthur Foundation, opgericht door en vernoemd naar de voormalige Britse zeilster, pleit voor een andere weg, die van de persoonlijke kringloopeconomie: ze roept consumenten op te dragen wat ze in hun kast hebben hangen of liggen. Vaker en langer. 

  • De shoppingmall 
is koning in Siam

    De shoppingmall 
is koning in Siam

    In de Thaise hoofdstad Bangkok schieten de overdekte winkelcentra als paddenstoelen uit de grond. Staan ze symbool voor het lege consumptiekapitalisme? Of juist voor de veerkracht van de nieuwe middenklasse?

    Ik ben geboren en getogen in Bangkok. Over welke stad ik ook fantaseer om er te wonen, altijd kom ik uiteindelijk weer uit bij de verstopte, vervuilde, bruisende straten van de hoofdstad van Thailand. Bangkok is mijn thuis. Maar het is wel een vreemd soort thuis. Mijn familie en vrienden wonen er, maar het is ook niet per se een thuis waar je dol op bent. Bangkok is een stad die wordt beleefd en ervaren, en minder een stad die wordt bewonderd of waarvan wordt genoten. Het is een soort haat-liefdeverhouding die moeilijk valt te begrijpen – tenzij je ervandaan komt. Altijd als buitenlandse vrienden vragen wat er te doen is in Bangkok, of wat wij er doen, luidt mijn antwoord: ‘Niet veel.’

    Vanwege de hitte kun je er in de openlucht niet zo actief zijn, en Bangkok is dermate dichtbevolkt dat een wandeling in het park of een bezoek aan een museum meer gedoe dan plezier oplevert. Het verkeer en het openbaar vervoer in de stad zorgen ervoor dat het twee keer zo lang duurt als elders eer 
je ergens bent. Sporten of iets kunstzinnigs doen kost geld – je moet je deze creatieve en fysieke inspanningen wel kunnen veroorloven. Wat blijft er dan voor de meeste inwoners van Bangkok over om te doen? De activiteit die het meest geschikt is, en waar we allemaal van kunnen genieten, is het bezoeken van shoppingmalls.

    Alles wat je mogelijkerwijs zou willen hebben, kun je kopen in een shoppingmall in Bangkok

    Alles wat je mogelijkerwijs zou willen hebben, kun je kopen in een shoppingmall in Bangkok. En je kunt er naar de film gaan, of bowlen. Iedere inwoner van Bangkok kan bevestigen dat we de meeste tijd doorbrengen in die shoppingmalls. Daar ontmoeten we mensen, daar wandelen we, eten we, winkelen we. Daar gaan we heen om gezien te worden – of om gewoon ergens heen te gaan. De laatste jaren 
is er een grote toename geweest van het aantal gewone overdekte winkelcentra en duurdere malls, vooral in 
de wijken Siam, Thonglor en Ekamai. Veel oude shoppingmalls, zoals het Emporium, zijn opgeknapt, terwijl kleinere overdekte winkelcentra zoals K Village, The Commons en Seenspace als paddenstoelen uit de grond schieten.

    In haar boek Meeting of Masks probeert Sophorntavy Vorng de reden van die snelle opkomst te achterhalen. Zij stelt dat de spectaculaire toename van het aantal shoppingmalls en andere stedelijke hotspots gelijke tred houdt met de opkomst van de middenklasse. De gewone man zou zeggen dat je tot de middenklasse behoort als je genoeg te eten en genoeg te besteden hebt. En in shoppingmalls kun je eten en geld uitgeven. Er is een ingewikkeld verband tussen de klasse waartoe je behoort en welke shoppingmall je bezoekt in Bangkok. Malls zoals EmQuartier, Siam Paragon en Central Embassy zijn chic, terwijl Tesco Lotus, Central Rama 3 en Big C minder klasse hebben. De middenklasse is de enige groep is het zich kan permitteren om zich in al die verschillende malls te laten zien. De middenklasse eet graag van meer walletjes, wil de luxe van de hogere klasse, maar gaat er ook prat op zich in verschillende sociale milieus te kunnen bewegen.

    In dit tijdperk van sociale media is het voor de Thaise middenklasse gebruikelijk om het beeld van ‘een perfect leven’ neer te zetten. De toename van het aantal shoppingmalls en ‘eetplekken’ is daar een gevolg van. Eten is altijd een integraal onderdeel geweest van de Thaise maatschappij, maar de sociale media hebben iets van prestige toegevoegd aan het uit eten gaan. Als in een restaurant het eten wordt geserveerd, halen de mensen hun telefoon tevoorschijn om een foto te maken van het gerecht en die op Facebook of Instagram te posten.

    Volgens Sophorntavy Vorng weerspiegelt het gedrag van de middenklasse het verlangen om de status te verwerven van de elite of de hogere kringen, met hun rijkdom, macht, roem en connecties. Dat klopt, maar vaak wordt over het hoofd gezien dat die middenklasse ongelooflijk hard moet werken om de huidige positie in de maatschappij vast te houden, in het besef dat ze misschien wel nooit door het Thaise glazen plafond heen kan breken.

    De Siam Paragon shoppingmall met beneden de ingang naar Siam Ocean World. – © Massimo Borchi / HH
    De Siam Paragon shoppingmall met beneden de ingang naar Siam Ocean World. – © Massimo Borchi / HH

    Afglijden in de voedselketen is geen optie, en de ultieme droom is natuurlijk dat je meer dan genoeg geld hebt om uit te geven. Geld maakt niet gelukkig, zoals het gezegde luidt, maar je kunt er wel dingen mee kopen die kunnen bijdragen aan het geluk. Met geld kun je luxe kopen voor jou en je familie. In de Thaise samenleving worden kinderen geacht te werken en te zorgen voor hun ouders als die oud zijn. Daarom doen ze jarenlang werk dat goed betaalt, maar niet het soort werk waar hun hart ligt. Daarom ook leven sommigen zich op sociale media uit in het scheppen van het imago dat ze alles hebben – een knap uiterlijk, een prachtig huis, schitterende kleren en een liefdevol gezin. Het is een soort koesteren van een illusie.

    Vorng beweert ook dat de onvrede van 
hen die niet tot de hogere klasse behoren de oorzaak is van de politieke onlusten tussen de roodhemden [aanhangers van oud-premier Thaksin, meestal afkomstig uit de lagere middenklasse] en de geelhemden, die zich al sinds 2005 voordoen. De macht, de mogelijkheden en de onschendbaarheid van een kleine groep in de samenleving hebben demonstranten aangezet tot geweld, schrijft ze. In mei 2010 stichtten roodhemden tijdens een demonstratie brand in shoppingmall Central World, een daad die wordt omschreven als een ‘bijzonder schrijnend voorbeeld van de reactie van de arbeidersklasse op hun uitsluiting van de Thaise economische vooruitgang en de shoppingmalls, die zo uitbundig symbool staan voor het moderne consumptiekapitalisme’. Maar naar mijn mening is het hele verhaal, zoals de meeste dingen in dit land, te ingewikkeld om één partij de schuld te geven, en is de waarheid te gecompliceerd om te simplificeren.

    In Thailand zijn politieke onlusten niets nieuws, vooral niet in de hoofdstad. Ik ben geboren ten tijde van de Black May-protesten in 1992, toen tweehonderdduizend mensen demonstreerden tegen het militaire bewind van generaal Suchinda Kraprayoon. Verhalen over bruut militair optreden en burgerslachtoffers mogen dan op scholen overal in het land weggemoffeld worden, ze maken nog steeds deel uit van de geschiedenis van Bangkok, er wordt nog steeds fluisterend over gesproken, zij het alleen onder heel goede vrienden. Die verhalen volgen ons overal, net als schaduwen, maar 
we draaien ons zelden om en testen 
ze op hun waarheidsgehalte.

    Wandelen en dromen

    Hoewel Vorngs onderzoek naar het Thaise klassenstelsel belangrijk is, slaagt ze er niet in een overtuigend verband aan te tonen tussen klasse 
en de politieke onrust in het land. 
Door zich alleen te richten op klasse 
als factor voor het geschil tussen de geelhemden en de roodhemden, negeert Vorng andere invloedrijke 
factoren die verweven zijn met het leven in Thailand, zoals propaganda, opvoeding, onderwijs en religie.

    Mijn ervaring als Thaise vrouw, opgegroeid met mensen uit verschillende milieus, heeft me geleerd dat niet alles in mijn land zo zwart-wit is als het lijkt. Klasse is niet altijd de factor die ons verdeelt. De geelhemden zijn niet alleen burgers uit de middenklasse, de roodhemden niet alleen woedende arbeiders.

    Ik heb een arbeider gekend die als het maar even kon naar bijeenkomsten van de roodhemden in Sanam Luang ging, maar ik heb ook een arbeidster gekend die de geelhemden hielp bij de blokkade van luchthaven Suvarnabhumi. Ik heb een vriendin gehad uit de middenklasse wier familie de straat op ging om de ochtend na de militaire coup in 2006 te feesten, maar ik heb ook een docente uit de middenklasse gehad die zonder scrupules haar lessen gebruikte om de standpunten van de roodhemden te verkondigen. Ook heb ik vrienden, familieleden en kennissen uit alle klassen die geen belangstelling meer hebben voor de politiek en die zich uit het debat hebben teruggetrokken, omdat ze alle partijen even slecht vinden. Het maakt nauwelijks uit wie het land bestuurt, zeggen ze: ons dagelijks leven zal daar echt niet beter van worden. Dus ja, het klassenonderscheid wordt misschien gebruikt om de woede bij sommige demonstranten aan te wakkeren, maar het is niet altijd de factor die iemands politieke voorkeur bepaalt.

    We weten alleen zeker dat voor veel mensen in Thailand het leven niet eerlijk is. Sommigen proberen die onrechtvaardigheid te bestrijden door zich aan te sluiten bij een politieke partij, anderen door hard te werken en te overleven en weer anderen door te dromen over en te streven naar betere tijden. In het bijzonder de mensen uit de middenklasse dromen van verandering. Altijd. Daar zijn ze beter in dan de meeste anderen. Ze kunnen dromen omdat ze glimpjes van het paradijs hebben opgevangen in een of andere duistere fantasie, die is ingegeven door manipulaties van de hogere klasse en door hun eigen hoop dat het gras aan de andere kant groener moet zijn.

    Misschien zijn de mensen in de middenklasse niet de onechte, zielloze mensen zoals ze vaak worden afgeschilderd

    Thai zeggen dat we naar de duurdere shoppingmalls gaan om te duen len, wat simpelweg betekent ‘om te wandelen’. En diezelfde wandeling ondernemen we allemaal, keer op keer. We struinen dezelfde winkels af en eten hetzelfde voedsel. Toch komen we steeds terug omdat er niets beters is om naartoe te gaan.

    Misschien vat die wandeling wel samen wat het betekent om tot de middenklasse van Bangkok te behoren. Misschien zijn de mensen in de middenklasse niet de onechte, zielloze mensen zoals ze vaak worden afgeschilderd. Misschien zijn het juist mensen die eeuwig in het tussengebied leven, die doelloos kuieren in helverlichte ruimten, etalages bekijken en maar een heel klein hapje van het feestmaal proeven.

    En schuilt daar niet een ingetogen soort veerkracht in, in dat wandelen en dromen? Ik zou het graag willen geloven. Anders wordt het allemaal zo ondraaglijk treurig.

    Auteur: Pim Wangtechawat
    Vertaler: Paul Bruijn

    Mekong Review
    Cambodja | oplage onbekend

    Kwartaalblad dat in 2010 werd opgericht in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh en tegenwoordig wordt gemaakt in Australië. Recensies, essays, poëzie, fictie, interviews en achtergrondjournalistiek over wat er op cultureel en politiek vlak speelt in Zuidoost-Azië. Zowel een platform voor schrijvers en geleerden in de regio als een politieke stem in landen waar de vrijheid van meningsuiting nogal eens wordt ingeperkt.

    CONTEXT: Shoppingmall in Indonesië minder populair

    De 82 winkelcentra in de Indonesische hoofdstad Jakarta maken een revolutie door om te kunnen overleven. De krant Kompas neemt een tiental van deze malls, zoals ze ook hier worden genoemd, onder de loep. Veertig jaar na de opening is in Blok M, een van 
de oudste winkelcentra, nog maar 37 procent van het oppervlak bestemd voor de detailhandel, tegenover 100 
procent een kleine twee jaar geleden. 
‘Met de indeling die we in 2018 zullen doorvoeren, willen we erkenning krijgen als cultureel centrum,’ zegt Medina Latief, de directrice. Er komen meer cafés en restaurants, en daarnaast zal 5000 vierkante meter worden bestemd voor gedeelde werkruimten (coworking), terwijl een hele etage wordt verhuurd aan onlinewinkels.

    Een ander voormalig winkelcentrum, Pasaraya, is in zijn geheel – zeven verdiepingen – verhuurd aan Go-Jek, het Indonesische Uber. ‘Dat trekt jonge, creatieve mensen. Het centrum is er trots op dat het beschikt over de meest “professionele” moskee van Indonesië’, aldus de krant.

    Pondok Indah Mall daarentegen, een van de luxere winkelcentra, houdt vast aan ‘tastbare koopwaar’. ‘De mensen komen omdat ze producten in het echt willen zien en kunnen aanraken,’ meent de directie. ‘Goedkope spullen kun je online kopen, maar duurdere niet.’