Tag: Conte

  • Een kleine stap van hier naar het fascisme?

    Een kleine stap van hier naar het fascisme?

    De term ‘fascisme’ wordt vaak gebruikt om kritiek op machthebbers, politici en denkers kracht bij te zetten, aldus Paolo Mieli, oud-hoofdredacteur van Il Corriere della Sera. Hij waarschuwt dat overmatig gebruik van de term ertoe kan leiden dat we het echte fascisme over het hoofd zien.  

    Keuze uit het archief

    Deze week besloten zeker drie Nederlandse gemeenten om de lokale fractie van Forum voor Democratie (FvD) te boycotten. Het gaat om een meerderheid van de partijen in Den Haag, Rotterdam en Nijmegen. De reden hiervoor is de aanwezigheid van kandidaten op de kieslijst die ook actief waren bij extreemrechtse organisaties.
    Als het gaat over extreemrechtse denkbeelden valt regelmatig het woord ‘fascisme’. Hoe omstreden iemands standpunten ook zijn, bij het gebruik van deze term is voorzichtigheid geboden, aldus dit artikel van Il Corriere della Sera uit 2018. Door jan en alleman voor fascist uit te maken, lopen we het gevaar het échte fascisme niet meer te herkennen.

    Men kan het niet eens zijn met de in de afgelopen maanden genomen maatregelen van de regering-Conte. En in heel veel gevallen zou het zeker gepast zijn een tegengeluid te laten horen, kritiek die op de meest expliciete en krachtige manieren geuit dient te worden. Met name op een moment als dit, nu de voorgestelde begroting dreigt te leiden tot een economische ravage waarin het hele land mogelijkerwijs wordt meegesleurd. Maar het is altijd verkeerd om dergelijke betogen kracht bij te zetten door te zinspelen op de terugkeer van een fascistisch regime.

    Een paar dagen geleden heeft Eurocommissaris voor Economische Zaken, de Fransman Pierre Moscovici boos gereageerd op het onaanvaardbare gedrag van een Europarlementariër van Lega Nord, Angelo Ciocca, die ostentatief zijn schoen op Moscovici’s aantekeningen had gezet. Moscovici zei dat dit gebaar als ‘gevaarlijk’ moest worden beschouwd, omdat ‘het een kleine stap is van hier naar het fascisme’. Ciocca’s gedrag was stuitend, maar wat heeft het fascisme ermee te maken?

    We zouden ons er wel voor hoeden dit aan de orde te stellen als het alleen maar ging om een enkele willekeurige uitspraak, eruitgeflapt door een – overigens niet onbelangrijke – Europese vertegenwoordiger. Maar we weten uit ervaring dat de verwijzing naar het fascisme sinds de tweede helft van de jaren veertig door links (maar niet alleen door links) bijna stelselmatig wordt gebruikt om hun polemiek tegen machthebbers van allerlei slag kracht bij te zetten.

    Niet alleen politici, maar ook economen, rechters, hoogleraren en docenten, priesters, vaders en broers hebben de scheldnaam ‘fascist’ toegevoegd gekregen. De uitoefening van elk soort gezag – hoe gelegitimeerd ook – leidt bijna vanzelfsprekend tot die beschuldiging.

    Hierdoor heeft het woord ‘fascist’ zo langzamerhand elke relatie verloren met de werkelijkheid van de jaren twintig en dertig, toen de term in heel Europa opgeld deed. Alleen al in de Italiaanse politiek zijn maar liefst vijf presidenten met die typering in aanraking gekomen: Giovanni Gronchi, in de tijd dat hij een regering voorstond onder leiding van christendemocraat Fernando Tambroni met steun van de neofascistische MSI (1960); Antonio Segni, toen hij betrokken was bij een verijdelde coup van de militaire inlichtingendienst (1964); Giuseppe Saragat, toen hij werd beschuldigd van het steunen van de strategie van de spanning (1969); Giovanni Leone, toen hij de stemmen van de MSI nodig had om in het Quirinale [de officiële residentie van de Italiaanse president] te komen (1971); Francesco Cossiga, toen hij zich had gecompromitteerd in de stay-behindkwestie (1991).

    Geen jaar zonder

    En toen de belangrijkste naoorlogse premier, Alcide De Gasperi, de communisten uit de regering zette (1947), werd over hem gezegd en geschreven dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’ – iets wat hij inderdaad had gedaan – en wel met zulke methoden dat hij daarmee de deur wijd open had gezet voor een terugkeer op het toneel van de erfgenamen van de Republiek van Salò [de fascistische marionettenstaat die Mussolini in 1943 uitriep in het noorden van Italië en die standhield tot zijn dood in 1945].

    Om maar te zwijgen van Craxi, die in La Repubblica constant werd afgebeeld met het soort laarzen dat Mussolini altijd droeg. En om maar helemaal te zwijgen van Silvio Berlusconi, aan wie op 25 april 1994 uit wrok zelfs de herdenking van het verzet werd ‘opgedragen’. Er zou, kortom, vanaf 1947 tot op de dag van vandaag vrijwel geen jaar zijn voorbijgegaan zonder dat een regeringsvertegenwoordiger blijk gaf van een lichte of meer uitgesproken hang naar autoritaire oplossingen. Wat misschien (en we onderstrepen: misschien) alleen waar was in 1964 en in een aantal perioden aan het begin van de jaren zeventig, zou dus een constante zijn in de Italiaanse politiek.

    Met verschillende intensiteitsniveaus, zeker. Maar nog altijd een constante. Is dat mogelijk? Natuurlijk niet. Voor zover historici hebben kunnen vaststellen, hebben de DC [de Christendemocratische Partij] en de daarmee verbonden partijen – enige zeer minderwaardige exponenten daargelaten – nooit ook zelfs maar een autoritaire optie in overweging genomen. Nooit.

    De begrafenis van Alcide De Gasperi, Italië's belangrijkste naoorlogse premier die in 1947 de communisten uit de regering zette en er toen van werd beticht dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’, 1954, Rome. © Getty Images
    De begrafenis van Alcide De Gasperi, Italië’s belangrijkste naoorlogse premier die in 1947 de communisten uit de regering zette en er toen van werd beticht dat hij ‘de antifascistische eenheid had gebroken’, 1954, Rome. © Getty Images

    Waar komt dat spookbeeld dan vandaan? Het is gemaakt van dezelfde schemerige non-materie waarmee in het oordeel over de internationale politiek de beschuldiging van ‘fascisme’ is vervaardigd ten aanzien van bijna alle oud-presidenten van de Verenigde Staten, en zelfs van de leider van het Franse verzet, generaal Charles de Gaulle, vanwege de manier waarop hij in 1958 de overgang van de Vierde naar de Vijfde Republiek bewerkstelligde. In de werkwijze van al deze mensen heeft men de aanzet tot iets van een autoritaire koers bespeurd, alsof ze vergelijkbaar zouden zijn met een caudillo, een kolonel of een Poetin, een Orbán of een Erdogan avant la lettre.

    De waarheid is echter dat het fascisme in de late jaren zeventig in de westerse wereld naar de achtergrond is verdwenen en dat men door er obsessief naar te verwijzen voortdurend heeft geriskeerd, en nog steeds riskeert, dezelfde fout te maken als politicus en historicus Gaetano Salvemini in 1924 deed: na de moord op Giacomo Matteotti vreesde hij zozeer voor een mogelijke monarchistische militaire staatsgreep dat hij verzuimde tijdig notitie te nemen van een aantal specifieke kenmerken van het mussolinisme. Specifieke kenmerken van nieuwe bewegingen dienen in elk tijdperk te worden gesignaleerd, zonder dat moet worden vervallen tot gemakzuchtige verwijzingen.

    Specifieke kenmerken van nieuwe bewegingen dienen in elk tijdperk te worden gesignaleerd, zonder dat moet worden vervallen tot gemakzuchtige verwijzingen

    Ian McEwan

    Er is ten slotte een laatste, algemener betoog te houden over het gebruik van de term ‘fascist’. In een speech die de Britse schrijver Ian McEwan hield in juni 2015, ter gelegenheid van de jaarlijkse afstudeerceremonie aan het Dickinson College, keerde hij terug naar de jaren zestig waarin – zo vertelde hij – zijn universiteit ‘een psycholoog verbood de theorie te promoten volgens welke intelligentie een erfelijke component bevat’.

    In de jaren zeventig, vervolgde McEwan, werd de grote Amerikaanse bioloog Edward Wilson het spreken op universiteiten onmogelijk gemaakt, omdat hij had gesuggereerd dat er een genetisch element zat in het sociale gedrag van mensen. Beiden ‘werden fascist genoemd’.

    En toen? ‘Hun theorieën zijn nu algemeen geaccepteerd’, zei McEwan. Ook na die lezing is de auteur van The Comfort of Strangers verschillende politieke of culturele initiatieven blijven bekritiseren. Vaak in zeer harde bewoordingen. Maar hij heeft nooit meer verwezen naar het fascisme. En wellicht is het zaak zijn voorbeeld te volgen.

    CONTEXT: Geen jaren dertig

    Michael Wildt, hoogleraar Geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw aan de Humboldt-universiteit in Berlijn vraagt zich af of we ons zorgen moeten maken over rechts-radicale ontwikkelingen in Duitsland. ‘Dat extreemrechtse groepen in staat zijn duizenden sympathisanten op de been te brengen via de sociale media is verontrustend‘, schrijft hij in Die Zeit.

    ‘De “angst voor de ander” heerst vandaag de dag jegens asielzoekers en moslims, vooral in conservatieve partijen. Vluchtelingen worden niet beschouwd als mensen die rechten behoeven, maar als indringers die zo snel mogelijk “uitgezet” moeten worden. Hetzelfde gevoel overheerste destijds ook in burgerlijke kringen.’‘Het politieke debat in Duitsland is in de voorbije decennia heftig en scherp geweest, maar links, conservatief of liberaal hebben zich voortdurend ingespannen om meerderheden te vormen. Extreemrechts – de neonazi’s – heeft dan wel zitting in regionale parlementen en gemeenteraden, maar kan daar weinig uitrichten. Het richt zich ook niet op de bestaande maatschappij als geheel, maar tracht een splitsing aan te brengen langs etnische lijnen. Een dergelijk opzettelijk onderscheid verdraagt zich niet met de de grondwet en dient te vuur en te zwaard worden bestreden.’* (Die Zeit, Hamburg)*

  • Volksmenners zonder volk

    Volksmenners zonder volk

    De nieuwe wanorde, zo kenschetste Il Manifesto het ongekende karakter van de institutionele en politieke chaos die zich na de uitslag van de Italiaanse verkiezingen als een olievlek verspreidde. Maar die kop was meer dan een momentopname, en heeft met het aantreden van de regering-Conte zeker niet aan actualiteit ingeboet.

    De dubbele historische verwijzing – naar de fascistische Nieuwe Orde, maar ook naar Nieuwe Orde van de Italiaanse communist Antonio Gramsci [historisch gezien ontstond de Nieuwe Orde bij de linkerzijde, en stond ze voor een verlangen naar politieke structuurhervormingen] – heeft enerzijds betrekking op de verkiezingen afgelopen maart, die binnen het regeringscentrum tot een reeks zenuwcrisissen hebben geleid. Anderzijds verwijst zij ook naar het nieuwe karakter van de politieke macht. Wat in de honderd dagen van crisis na de aardverschuiving gaandeweg is samengesmolten tot zoiets als ‘de macht’, is wellicht meer dan een simpel provisorisch verbond. Misschien is het de kiem van een nieuwe metamorfose van het ‘populisme van het derde millennium’, waarover politicologen uit de halve wereld zich sinds Brexit en Trump het hoofd breken. Misschien is het zelfs een nieuwe genetische mutatie: door heterogene ‘populismen’ in éénzelfde mal te gieten, is Italië wellicht het laboratorium geworden van de wereldwijde democratische crisis.

    Vergissing

    Degenen die zich denigrerend uitlaten over de coalitie van Lega Nord en de Vijfsterrenbeweging en er etiketten op plakken als ‘roodbruine alliantie’ en ‘Grillo-fascistisch verbond’ – maken een vergissing. Die komt voort uit geestelijke luiheid en uit de weigering in te zien dat we te maken hebben met een ongekend politiek fenomeen, niet zozeer geworteld in de huidige politieke cultuur als wel in het uiteenvallen van de sociale orde. Anders zouden we moeten concluderen waarom de meerderheid van de Italianen – bijna zestig procent – plotseling ‘fascist’ is geworden. En zou het heel moeilijk te begrijpen zijn waarom het electoraat van de Lega zich zo gemakkelijk heeft neergelegd bij een verbintenis met de anarcho-libertarische volgelingen van Grillo – en vice versa.

    Misschien zou Benjamin Arditi ons een handje kunnen helpen, een briljante Latijns-Amerikaanse politicoloog die voor het populisme van het ‘derde millennium’ de metafoor van ‘de ongewenste gast’ heeft gebruikt: een heerschap dat tijdens een diner te veel drinkt, geen goede tafelmanieren in acht neemt, lomp is, te hard praat en hinderlijk probeert te flirten met de echtgenotes van de andere gasten. Hij is onaangenaam en ‘niet op zijn plek’, maar zou zich ook ‘een of andere waarheid over de liberale democratie’ kunnen laten ontvallen, ‘bijvoorbeeld dat die haar fundamentele ideaal heeft verwaarloosd: de volkssoevereiniteit’. Dat is de eerste karakteristieke eigenschap van het new populism: het vindt zijn oorsprong bij een deel van het electoraat heersende gevoel dat het is ingehaald door elders genomen besluiten en dat het de eigen democratische zeggenschap is kwijtgeraakt. En boosheid daarover vinden we terug in alle geledingen van de maatschappij, van rechts tot links.

    De tweede factor is de ‘ontbinding van alle volkeren’. Het mag paradoxaal lijken, maar in het zogeheten ‘ongebreideld populisme’ is het volk ver te zoeken. In de massa die op 4 maart naar de stembureaus ging, bevindt zich niet langer het ‘volk van links’, maar (nu de Lega van Salvini een nationale partij is geworden) ook niet het ‘Padaanse volk’ [uit de Po-vallei] evenmin als het ‘krijg-de-klere-volk’ (nu Vijf Sterren-voorman Di Maio de gedaante heeft aangenomen van een brave regeringsleider): het is een mengeling van alle drie. Ook zijn de sporen goed zichtbaar van de ‘Italiaanse populismen’: het telepopulisme van Berlusconi, daarna het cyberpopulisme van Grillo en tot slot en het populisme van de regering-Renzi. En die allemaal samen lijken nu naar één punt te vloeien: een grote smeltkroes op het vuur van een volk dat verder geen identiteit heeft.

    Het politieke fenomeen is niet geworteld in de huidige politieke cultuur maar in het uiteenvallen van de sociale orde

    Daarom meen ik dat we ons verre bevinden van de verschillende soorten fascisme en neofascisme uit de twintigste eeuw, die ten bate van de homogeniteit van Het Volk extreem op de gemeenschap waren gericht. En ook dat we inmiddels in een wereld leven die volstrekt anders is dan die waarin Gramsci in de eerste helft van de vorige eeuw de Nieuwe Orde bedacht, die de basis zou moeten vormen voor de langdurige hegemonie van links. Dat model van ‘orde’ was gericht op het werk van de arbeider als elementaire cel van de Nieuwe Staat, terwijl de huidige gangbare wereldvisie haar oorsprong vindt in het verdwijnen van het werk als maatschappelijke actor en in de opkomst van een model waarin de markt en het geld de regulerende principes zijn. Het is dan ook een ‘nieuwe wanorde’. Oftewel een hypothetische maatschappij die de wanorde (en de daarmee samengaande flagrante ongelijkheid) tot haar voornaamste stijlkenmerk maakt.

    De politieke macht die oprijst uit de chaos die de ‘neoliberale volwassenwording’ karakteriseert, zet zich niet af tegen dit model, maar plant het ‘anarcho-kapitalistische’ karakter ervan in het hart van de ‘nieuwe politici’. Die zullen nota nemen van het ongenoegen van het ‘buiten spel gezette’ volk, maar zullen het niet zijn autonomie teruggeven. Ze zullen blijven luisteren naar de door verval en marginalisering ingegeven angst van de mensen, maar zullen hun neergang op het hellende maatschappelijke vlak niet stoppen (en er ondertussen wel voor zorgen dat ze hun woede en frustratie afreageren op migranten, Roma en daklozen, volgens de beproefde techniek van de zondebok).

    Ze zullen vermoedelijk een meedogenloze strijd voeren tegen de huidige ‘oligarchieën’ (om vervolgens zelf hun plaats in te nemen), maar zullen niet morrelen aan de ‘fundamenten van het systeem’. Daarom zijn ze juist gevaarlijk: vanwege hun vermogen mee te gaan in onderbuikgevoelens die hun werk doen in de diepte, en tegelijkertijd te botsen met de basislogica’s die werkzaam zijn aan de oppervlakte.

    En precies daarom zou ik er persoonlijk niet al te zeer op rekenen dat hun nieuwe regering binnen afzienbare tijd zal bezwijken aan haar interne tegenstellingen. Of aan een conflict met Europa, want dat zal niet met een moedwillige en bewuste actie door hen ten grave zal worden gedragen. Europa doet in dat opzicht al genoeg zelf, met zijn hang naar zelfmoord.

    Als we de strijd met deze nieuwe populisten willen aangaan, moeten we ons erop voorbereiden dat we te maken hebben met een veelzijdige tegenstander die alleen kan worden bestreden door een krachtige politieke cultuur, die op haar beurt kans heeft gezien haar oorspronkelijke uitgangspunten los te laten en bereid is net zo radicaal te veranderen als datgene is veranderd waarmee we nu worden geconfronteerd. Want de aanstichters van de nieuwe wanorde zullen in elk geval zeker niet worden verslagen door de som aller mislukkingen: een illusoir ‘republikeins front’.

    Auteur: Marco Revelli
    Vertaler: Yond Boeke

    Beeld: De nieuwe Italiaanse premier Giuseppe Conte wordt toegejuicht in Rome, op 2 juni. – © HH

    Il Manifesto
    Italië | dagblad | oplage 90.000

    Gewaardeerd om zijn grafische vormgeving, stevig links georiënteerd, geëngageerd voer voor de Italiaanse intellectueel. Een instituut in Italië, toch wordt het blad vaak gehinderd door financiële tekorten. Publiceert een maandelijkse bijlage met politieke essays.

    CONTEXT: Compromisregering

    Na vallen en opstaan is er nu een compromisregering in Italië, die minder afschrikwekkend is dan de media hadden aangekondigd.

    Het programma van de nieuwe coalitie is een compromis. Het bevat veel voorstellen: over de regelgeving, de corruptie, de maffia, de strijd tegen fraude, het beperken van buitenlandse militaire missies, enzovoort. Ook zijn er hervormingen waarvan de financiële onderbouwing vaag is (het basisinkomen, het minimumloon en de herziening van de pensioenhervorming). En dan zijn er nog de slechte wetten, die onuitvoerbaar zijn of zelfs tegen de grondwet ingaan (zoals de ‘flat tax’ – één belastingtarief voor alle burgers), absurde maatregelen die passen in een politiestaat (tasers voor de ordediensten of de bevoegdheid om op dieven te schieten, ook als die niemand bedreigen) of bij een xenofobe overheid (crèches die alleen gratis zijn voor Italiaanse kinderen). Je kunt er van alles over zeggen, maar niet dat deze regering slechter is dan die van de afgelopen vijftien jaar. Er is zelfs voor het eerst sinds 1994 geen enkele minister bij die is beschuldigd van strafbare feiten of daarvoor is veroordeeld.

    Guiseppe Conte is dus leider geworden van een geheel populistisch kabinet, bestaande uit achttien ministers, onder wie vijf vrouwen. Maar volgens La Repubblica gaat de aandacht niet uit naar deze 53-jarige jurist die tot voor kort totaal onbekend was in Italië. De teugels van de macht zijn nu in handen van de leiders van de twee vicepremiers. Luigi Di Maio, 31 jaar, leider van de Vijfsterrenbeweging, wordt minister van de strategische post Arbeid, Sociale Zaken en Economische Ontwikkeling. Matteo Salvini, 45 jaar, wordt minister van Buitenlandse Zaken. De man, die omschreven wordt als ‘reactionair en ontvlambaar’, kondigde meteen aan dat hij het uitzetten van illegalen zal versnellen. Nog een opvallend figuur is Lorenzo Fontana, 38 jaar, die minister van Gezin en Gehandicapten wordt, en volgens de Italiaanse krant ‘zeer radicale opvattingen over onder andere abortus, vrouwenrechten, lgbt-rechten en asielzoekers heeft’. Het meest omstreden lid blijft de econoom Paolo Savona, 81 jaar, op Europese Zaken. Tegen de krant Libero zei hij: ‘Er is geen Europa, er is alleen Duitsland met een stel bangeriken eromheen.’