Tag: Cooke

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer