Tag: creativiteit

  • Waarom zijn we zo bang om ons te vervelen?

    Waarom zijn we zo bang om ons te vervelen?

    Onze weerzin tegen verveling zit diep. 67 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen dient zichzelf liever een pijnlijke elektrische schok toe dan een kwartier alleen in een ruimte te moeten doorbrengen zonder iets omhanden. Joe Fassler legt uit waarom dat onterecht is.

    Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Reader #19

    Laat even alles uit uw handen vallen en probeer te bedenken wanneer u zich voor het laatst hebt verveeld. En dan heb ik het niet over ‘telefoonverveling’ – de lusteloosheid van generatie Z als gevolg van een overdaad aan digitale input – maar over echte verveling, een gevoel van lusteloosheid door een gebrek aan prikkels. Wanneer hebt u voor het laatst toegegeven aan dat gevoel van lusteloosheid dat zich aandient na een tijdje niksen?

    Het zou me niets verbazen als u het niet meer weet. Verveling is de gesel van ons moderne bestaan en de machtige motor van het Amerikaanse consumentisme draait op volle toeren om het uit te bannen. We laten onze boodschappen en onze kleren thuis bezorgen en platforms als TaskRabbit en Seamless beloven ons te verlossen van alledaagse klusjes zoals de boodschappen, het in elkaar zetten van meubels, lekker uitgebreid koken in het weekend of zelfs het ophalen van een afhaalmaaltijd.

    Podcasts bestrijden de verveling wanneer we ’s ochtends naar ons werk rijden of wanneer we na het eten aan de afwas staan. ’s Avonds kijken we naar series die onophoudelijk doorgaan, waardoor het moment van bezinning na de aftiteling voor eeuwig uitblijft.

    En dan is er natuurlijk nog de mobiele telefoon. Op wachtkamers over de hele wereld staren mensen met gebogen hoofd naar een schermpje. De telefoon, die ons toegang biedt tot alles waar we maar in geïnteresseerd zijn, heeft voorgoed afgerekend met verveling – met ons mobieltje bestrijden we de innerlijke rusteloosheid die ooit kenmerkend was voor ons mens-zijn. Ook al zijn we gestrest, of afwezig, of overwerkt, ook al hebben we last van branderige ogen of hersenmist – we vervelen ons geen moment meer. Anno 2019 is dat nergens meer voor nodig.

    ‘Acedia gezien als een stoornis – het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in het door God geschapen universum’

    Waarschijnlijk is dat geen goede ontwikkeling. Uit recent onderzoek is gebleken dat verveling verrassend positieve effecten heeft, die verband houden met verbeelding en creativiteit. Het blijkt dat al onze inspanningen om verveling uit te bannen ons leven er niet beter op hebben gemaakt. Sterker nog, er wordt ons iets waardevols afgenomen. 

    Voordat we het gaan hebben over de waarde van verveling, is er nog iets anders om in gedachten te houden: verveling is niet van alle tijden. Natuurlijk is er altijd wel iets vergelijkbaars geweest. Maar de manier waarop we ons verhouden tot dat gevoel is in de loop der eeuwen radicaal veranderd, net als onze opvatting over de implicaties ervan.

    In Boredom: The Literary History of a State of Mind, stelt wetenschapper Patricia Meyer Spacks dat het gevoel van verveling van vandaag de dag pas is opgekomen in de achttiende eeuw: ‘Het was een nieuw begrip’, schrijft ze, ‘of misschien zelfs wel een geheel nieuwe ervaring.’ Middeleeuwse denkers schreven over acedia, een woord dat ze hadden geleend van de oude Grieken en dat de benaming was voor een van de zeven hoofdzonden, namelijk luiheid. Net als andere begrippen uit de oudheid, zoals melancholie en lusteloosheid, werd acedia gezien als een stoornis – het tragische onvermogen om de schoonheid te zien in het door God geschapen universum.

    Onze moderne verveling verschilt op twee belangrijke punten van acedia. Ten eerste is het zeer situatiegebonden. Verveling komt meestal van buiten, niet van binnenuit; we vervelen ons wanneer de omstandigheden saai zijn. Ten tweede wordt het niet langer beschouwd als een karaktereigenschap noch als een ernstige zonde tegenover God, maar als iets relatief onbeduidends. Ja, het kan overweldigend zijn, maar verveling is ook grillig, vluchtig. Het is een gevoel dat ook weer kan verdwijnen.

    Spacks komt met verschillende verklaringen voor dit veranderende perspectief, van de afnemende invloed van het geloof tot het toegenomen individualisme – dat laatste heeft het benoemen van diverse gevoelsschakeringen in de hand gewerkt. 

    Maar ze wijst er ook op dat er een correlatie bestaat tussen de definitie van het begrip verveling en de opkomst van de roman als literair genre, een historisch gegeven dat vermoedelijk niet toevallig is: beide hangen samen met de opkomst van het fenomeen ‘vrije tijd’. Zoals Spacks het ziet waren werk en vrije tijd vóór de Industriële Revolutie meer met elkaar vervlochten, waren werk en spel één in de dagelijkse strijd om het hoofd boven water te houden. (Een voorbeeld hiervan is de worksong, het arbeidslied.) Maar naarmate de achturige werkdag zijn intrede deed, ontstond er meer en meer een scheiding tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’. 

    Bestrijding

    In die periode duikt ook voor het eerst het woord ‘verveling’ op. Halverwege de negentiende eeuw kwam je het ineens overal tegen, in krantenartikelen en in romans van Charles Dickens, als verklaring voor de indolentie van de armen en de lethargie van de rijken. Halverwege de twintigste eeuw werd het in brede kring gezien als een onlosmakelijk deel van het bestaan. ‘Life, friends, is boring. / We must not say so’ (Het leven is saai, vrienden. / Laten we het niet zeggen’) schreef de dichter John Berryman in zijn bundel 77 Dream Songs (1964), die hem de Pulitzer-prijs opleverde. Acedia werd gezien als een interne tekortkoming, maar verveling was iets van buitenaf – een natuurlijk fenomeen dat de maatschappij als geheel zo goed mogelijk probeerde in te dammen en te verhullen, maar dat evengoed overal op de loer lag.

    Naarmate deze opvatting van verveling terrein won, zien we een toename van middelen om verveling te bestrijden. Spacks beschrijft de ongekende variëteit aan vermaaksmogelijkheden die hun intrede deden in het Europa van de achttiende eeuw – van circussen en dierentuinen tot toneelopvoeringen – en waaruit uiteindelijk variétévoorstellingen en films voortkwamen.

    Werk was ook een remedie. In De menselijke conditie schrijft Hannah Arendt dat werk ooit werd gerechtvaardigd vanuit de gedachte dat het contemplatie mogelijk maakte. De Industriële Revolutie zette alles op zijn kop: in toenemende mate werden mensen beoordeeld op de veronderstelde waarde van hun werk. Het onvermijdelijke gevolg hiervan was een devaluatie van de tijd waarin niet werd gewerkt – waar nu smalend de term ‘niksen’ voor kon worden gebruikt.

    Vandaag de dag heeft die houding groteske vormen aangenomen, culminerend in de zogeheten hustle culture, waarin van gretige jongeren lijkt te worden verwacht dat ze bereid zijn hun slaap te offeren op het altaar van productiviteit en zich maar al te graag door hun baas laten uitbuiten. Die houding spreekt ook uit de slogans die overal opduiken op de muren bij WeWork: ‘Thank God It’s Monday’ en ‘Never stop getting better’. Wie niet bezig is, bestaat niet.

    Maar misschien is het wel een goed idee om eens wat meer te lummelen – en wie weet juichen de opperheren voor wie we werken dat zelfs toe. Want verveling speelt een cruciale en vaak onderschatte rol bij creativiteit, inspiratie en innovatie – onvervangbare waarden, waar zelfs alle ambitie van de wereld niet tegenop kan.

    Leer- en ervaringsdeskundige Cindy Foley over de voordelen van verveling.

    Verveling mag dan een universeel fenomeen zijn, toch wordt er pas sinds heel kort wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. In een artikel uit 2012 in Perspectives on Psychological Science werd aangetoond dat er zelfs geen klinische definitie is van verveling, al kwamen de auteurs wel met een voorzet: ‘Het aversie opwekkende gevoel een bevredigende activiteit te willen ontplooien, maar daar niet toe in staat te zijn.’

    Die definitie zal ongetwijfeld nog worden bijgesteld naarmate er meer onderzoek wordt gedaan naar wat verveling precies is en wat de gevolgen ervan zijn. Maar de eerste onderzoeken wijzen uit dat verveling op ingrijpende en onverwachte wijze ons gedrag én ons probleemoplossend vermogen kan sturen.

    Wetenschappers die de waarde van verveling willen onderzoeken, zullen maar al te vaak deelnemers dwingen uitzonderlijk monotone handelingen te verrichten. Hoe zou u het vinden om een half uur lang nummers uit een telefoonboek voor te lezen of eindeloos naar een repeterende screensaver te kijken, of met één hand rode en groene bonen uit een grote bak op kleur te moeten sorteren? Dit zijn de taakjes die onderzoekers hadden bedacht voor hun proefpersonen in twee studies uit 2014 en een studie uit 2019.

    Deze onderzoeken leverden alle drie dezelfde uitkomst op: de mensen die het saaie taakje hadden moeten uitvoeren gaven in vergelijking met een controlegroep blijk van een grotere inventiviteit bij een volgende oefening, die meer creativiteit vergde. De telefoonboekmensen kwamen met interessantere antwoorden toen hen werd gevraagd nieuwe toepassingen te bedenken voor plastic bekertjes. De mensen die naar de screensaver hadden gekeken kwamen met originelere antwoorden bij een woordassociatiespelletje. En de bonensorteerders blonken uit in het verzinnen van smoesjes om te verklaren waarom ze te laat waren gekomen op een vergadering. De boodschap lijkt duidelijk: verveling doet ergens binnen in ons een mentaal vuur ontbranden.

    Deze tendens is diep geworteld, zo zeer zelfs dat hij niet lijkt niet te zijn voorbehouden aan de mens. Neem bijvoorbeeld de grijze roodstaartpapegaai, een vogel die er heel goed is om kleuren en aantallen te benoemen, maar die steeds wildere en bizarre antwoorden geeft als de puzzels te makkelijk worden, of als ze te veel op elkaar gaan lijken – met andere woorden, als hij zich gaat vervelen.

    Hoewel wetenschappers nog geen duidelijk evolutionair doel hebben gevonden voor verveling, lijken de voordelen onmiskenbaar: verveling zet ons ertoe aan nieuw terrein te verkennen en te zoeken naar een nieuwe aanpak wanneer er te veel sleur in ons werk of onze situatie sluipt. Dan gaan we onderzoeken, variëren, innoveren.

    De romanschrijver

    Het is makkelijker gezegd dan gedaan om je voordeel te doen met deze kennis. Maar onze weerzin tegen verveling zit diep: uit een onderzoek in Science uit 2014 bleek dat 67 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen zichzelf liever een pijnlijke elektrische schok toedienen dan een kwartier alleen in een ruimte te moeten doorbrengen zonder iets omhanden. Als we de keuze hebben, geven we de voorkeur aan een prikkel, zelfs als het pijn doet, boven een moment van stille overpeinzing.

    En tegenwoordig is er aan prikkels geen gebrek. Als het leven je bestookt met eindeloze berichtjes, meldingen en alerts, dan wordt verveling – van de intense, lusteloze soort – steeds onbereikbaarder.

    We hebben zelfs zo’n weerzin ontwikkeld tegen verveling dat we bijna moeten leren hoe we het weer kunnen toelaten in ons leven – en wat we daarbij te winnen hebben. Daarvoor kunnen we goed te rade gaan bij ’s werelds voornaamste experts op het gebied van lummelen, mensen die zich meer vervelen dan wie ook: romanschrijvers.

    Sinds 2013 heb ik meer dan 150 schrijvers geïnterviewd voor mijn column ‘By Heart’ in The Atlantic, een reeks gesprekken over artistieke invloeden en creatieve uitdagingen die de basis vormden voor mijn boek Light the Dark: Writers on Creativity, Inspiration, and the Artistic Process. Wat me tijdens die vele interviews duidelijk werd, is dat schrijvers heel bewust situaties opzoeken waarin ze zich langdurig en intens vervelen. Uit die verstilling – die velen van ons uit alle macht op afstand proberen te houden, al is het met een elektrische schok – komen ideeën voort. Zonder verstilling zouden velen van hen hun werk niet kunnen doen.

    Schrijvers zijn duursporters als het om verveling gaat, en de strategieën waarover ze mij in de loop der jaren hebben verteld zijn heel verschillend en zeer persoonlijk. David Mitchell heeft de Apple-homepage geïnstalleerd als startscherm, zodat hij bij het openen van zijn browser niet wordt afgeleid door allerlei interessants. Celeste Ng schrijft voornamelijk ’s nachts en ’s ochtends vroeg, als de stroom e-mails en andere vormen van afleiding enigszins is opgedroogd. Moshin Hamid heeft de gewoonte om tot de verbeelding sprekende wandelingen te maken – een kleine tien kilometer, elke dag opnieuw, puur om ruimte in zijn hoofd te creëren en zijn gedachten te laten dwalen. En Jonathan Franzen zorgt dat hij niet te veel tijd op internet doorbrengt zodat er tijd overblijft voor introspectie.

    ‘Ik moet zorgen dat ik echt bij mezelf kan blijven,’ zei hij tegen me. ‘Bij mijn kern, waar daar ontspruit mijn werk. Als ik daar te ver vandaan raak, word ik de zoveelste die van alles verkondigt en herhaalt wat er al is. ‘Als schrijver probeer ik aandacht te besteden aan dingen waar mensen zich niet van bewust zijn.’

    Om het anders te formuleren: Verveling gaat om het ontwikkelen van de kracht om in je eentje in de kamer te blijven zitten waar niets gebeurt, om verstilling te verkiezen boven een elektrische schok. Want dan gaat de geest vanzelf op zoek naar ongewonere, wildere mogelijkheden – en dat is het moment waarop we in staat zijn tot dingen waar we zelf nog wel eens van konden opkijken. 

    ‘Als je goed kijkt, is het een illusie dat het fenomeen verveling op zijn retour zou zijn’

    Geïnspireerd door deze schrijvers heb ik mijn eigen manieren ontwikkeld om in een dergelijke toestand te geraken. Voor The Paris Review heb ik een stuk geschreven over een routine die ben gaan koesteren: elke avond voor het slapengaan zet ik de router uit, zodat ik ’s ochtends niet wordt verleid door het felle, verveling-verdrijvende licht van mailtjes, Twitter en het nieuws.

    ’s Ochtends probeer ik altijd te schrijven, maar zelfs als ik uiteindelijk niet veel verder kom dan wat op mijn gitaar spelen of in een dichtbundel bladeren, levert het me een helderheid op die de hele dag bij me blijft. Ik probeer altijd prioriteit te geven aan die productieve verstilling en ik ga het steeds meer missen als ik er geen tijd voor uittrek om de tijd te doden.

    Maar verveling zal altijd weer de kop opsteken. Als je goed kijkt, is het een illusie dat het fenomeen verveling op zijn retour zou zijn. En zodra je verveling gaat zien als iets om te koesteren, zie je overal nieuwe mogelijkheden: doe die oortjes uit als je gaat rennen en luister naar je ademhaling. Laat in de trein je telefoon gewoon in je tas zitten en laat je blik over de gezichten van je medereizigers glijden. De geest heeft een zekere verstilling nodig om zich tegen te verzetten. Het kan je veel opleveren, als je het de kans geeft.

  • Zes vragen over dromen

    Zes vragen over dromen

    Wetenschappers komen steeds meer te weten over dromen. Waarom zijn ze bijvoorbeeld zo vreemd? En dromen mannen en vrouwen anders? New Scientist zet de laatste inzichten op een rij.

    Dromen zijn zo vreemd en voor ons zo betekenisvol dat we vaak de behoefte hebben ze aan anderen te vertellen, soms op het langdradige af. Maar als je weet wat er in het brein gebeurt tijdens het dromen, begint het veel zinniger te worden, en kan het interessantere gespreksstof opleveren dan wanneer je simpelweg je hart uitstort over de avonturen die je hersenen ’s nachts meemaken. Je vrienden zullen je dankbaar zijn. Dromen zijn veel belangrijker dan je zou denken – en we lijken er steeds minder te krijgen. Laten we het dus eens hebben over een paar algemene vragen over de nachtelijke hallucinaties die we dromen noemen.

    1. Waarom zijn dromen zo vreemd?

    Er is een goede reden waarom dromen zo grillig en eigenaardig zijn. Herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen in het leven – de zogenaamde episodische herinneringen – worden opgeslagen in het deel van de hersenen dat de hippocampus heet, en tijdens de Rapid Eye Movement (REM)-slaap worden signalen uit de hippocampus stopgezet. Dat betekent dat we, als we dromen, geen toegang hebben tot specifieke herinneringen aan dingen die in het verleden hebben plaatsgevonden.

    Maar we hebben wel toegang tot algemene herinneringen aan mensen en plekken die de ruggengraat van onze dromen vormen. Tegelijkertijd wordt activiteit in hersengebieden die van doen hebben met emotionele processen geprikkeld, waardoor een overdreven emotioneel verhaal wordt gevormd dat die herinneringen aan elkaar rijgt.

    Heb wat geduld en laat me een van mijn recente dromen als voorbeeld gebruiken. Ik droomde dat het huis waarin ik ben opgegroeid omringd was door water; ik moest proberen het raam uit te vliegen om te ontsnappen, maar ik was vergeten hoe ik moest vliegen. Het overweldigende gevoel was emotie – angst en vrees over het stijgende water en mijn onmacht om te vliegen.

    Een ander deel van de hersenen, de dorsolaterale, prefrontale cortex die ons vermogen tot zowel logisch redeneren als het nemen van beslissingen regelt, is ook stilgelegd. Ik vraag me dus niet af waarom het water zo snel stijgt en ook niet waarom ik terug ben in mijn ouderlijk huis, en zelfs niet waarom naar de vrijheid vliegen een optie is.

    Dit verschil in hersenactiviteit vergeleken met die in wakende toestand, helpt de vraag te beantwoorden waarom we het gevoel hebben dat we zo weinig controle hebben over onze dromen – we zijn toeschouwers, voor de gezelligheid meegegaan – en waarom we pas als we wakker worden vreemd opkijken van al die eigenaardige dingen. In mijn dromen haal ik vaak onderwater adem, alsof dat volslagen normaal is.

    2. Dromen we alleen in de REM-slaap?

    De studie van dromen – die eeuwenlang meer een oefening in vindingrijke verklaringen was dan iets wat bij benadering ook maar wetenschap mag worden genoemd – begon pas echt in 1953, toen Eugene Aserinsky en Nathaniel Kleitman van de Universiteit van Chicago elektroden plaatsten op het hoofd van vrijwilligers en ze tijdens verschillende slaapstadia wakker maakten. Ze ontdekten de REM-slaap en het verband met dromen.

    Recente experimenten hebben aangetoond dat we tijdens onze hele slaapperiode dromen, en niet alleen in de REM-slaap. Maar we vergeten de meeste. Dromen die voorkomen in diepe slaap zijn meestal onemotioneel, niet levendig, handelen over eenvoudige dingen en zijn moeilijk te herinneren. Kortom: saai. In de REM-slaap komen de klassieke dromen voor, die met de bizarre nevenschikkingen, fysiek onmogelijke kunststukjes, schokkende, ontroerende en onbegrijpelijke ervaringen. Als de REM-slaap onderbroken wordt, vergeten we die ervaringen.

    Trouwens, veel mensen hebben zich afgevraagd of onze ogen in de REM-slaap bewegen om naar droombeelden te ‘kijken’. Sommige tekenen wijzen erop dat dit inderdaad zo is.

    3. Waarom is het moeilijk om je dromen te onthouden?

    Sommige mensen houden vol dat ze nooit dromen, maar zij hebben het mis. Dat weten we door experimenten waarin mensen tijdens de nacht in verschillende stadia wakker gemaakt worden. Iedereen droomt, maar niet iedereen herinnert zich die dromen. Dat kan verband houden met hersenactiviteit – diegenen die zich vaker dromen herinneren hebben, slapend en wakend, een grotere activiteit in twee delen van de hersenen die betrokken zijn bij het stimuleren van beelden en het opslaan van herinneringen dan mensen die zich hun dromen niet herinneren.

    Paul McCartney droomde de melodie van Yesterday en Dmitri Mendeleev de structuur van het periodiek systeem

    Het heeft ook te maken met hoe je slaapt. Tijdens de REM-slaap doen we moeite om nieuwe herinneringen te vormen, zegt Robert Stickgold van de sectie slaapmedicijnen aan Harvard Medical School. Als we tijdens of vlak na een droom wakker worden, kunnen we die ‘vastgrijpen’ voor hij wegglipt – met andere woorden, we kunnen hem coderen in onze langeretermijnopslag. Dus als je ’s nachts wakker wordt, herinner je je fragmenten van dromen. Maar als je wakker wordt door de wekker en je REM-slaap wordt onderbroken, dan kun je die herinnering hoogstwaarschijnlijk niet vasthouden. Zelfs als je midden in een droom was en niet in een diepe, droomvrije sluimerstaat, verstoort die plotselinge omschakeling – van slapen en dromen naar wakker worden en de wekker uitzetten – het herinneringsproces.

    4. Waar dienen dromen voor?

    Daar zijn veel theorieën over. Een daarvan is dat dromen een evolutionaire functie kunnen hebben, om ons op de proef te stellen in scenario’s die van belang zijn om te overleven. Dit kan verklaren waarom mensen vaak zeggen dat ze in hun dromen achterna gezeten of aangevallen worden. Omgekeerd kunnen ze juist de harde schok van een emotioneel trauma verzachten. Aan de andere kant hebben veel mensen verklaard dat dromen creatief denken kunnen stimuleren, zoals Paul McCartney die de melodie van Yesterday droomde (toen hij wakker werd, improviseerde hij er tekst bij om de melodie maar niet te vergeten) en Dmitri Mendeleev die de structuur van het periodiek systeem droomde. Dit idee wordt experimenteel ondersteund met studies die aantonen dat mensen beter scoren in creativiteitstests na een dutje waarin ze in een REM-slaap verkeerden.

    5. Hebben mijn dromen een betekenis?

    Sigmund Freud beweerde dat ‘de interpretatie van dromen de koninklijke weg is naar de kennis van de onbewuste activiteiten van de geest’. Hij dacht dat het onbewuste zich bezighield met ‘afwijkende’ gedachten, en dat dromen in de eerste plaats een middel waren om wensen te vervullen. Maar dat die ideeën binnen de wetenschap nu uit de gratie zijn, betekent niet dat droominterpretatie onmogelijk is. Waar je over droomt evenals de emotionele sfeer van de droom weerspiegelen waarschijnlijk wat je hersenen belangrijk vinden. Onderzoek toont aan dat als je de hele dag Tetris speelt, je hersenen beslissen dat je over Tetris moet dromen. Als je ergens ongerust over bent, zal je brein je vast een droom geven met ongerustheid als dominante emotie. Een grote hoeveelheid onderzoek dat ontwaakervaringen en droominhoud registreert, wijst uit dat je ervaringen overdag in overeenstemming kunnen worden gebracht met de inhoud van je dromen – maar ook veel andere, ogenschijnlijk los van elkaar staande belevingen, kunnen zich in je dromen wurmen.

    Proberen om je dromen te analyseren en interpreteren zou therapeutisch kunnen werken of inzicht kunnen geven, zegt Mark Blagrove van Swansea University in Groot-Brittannië, maar hij waarschuwt dat zulks volgens sommigen niet méér inzicht geeft dan het lezen van je horoscoop of nadenken over je dagdromen. Er zouden experimenten voor nodig zijn om te testen of uit dromen belangrijke, persoonlijke informatie valt op te maken. En zelfs dan betekent het nog niet dat dromen bedoeld zijn om die informatie over te brengen. Als de evolutie ons dromen heeft gegeven als boodschappen over onszelf, had ze het beter moeten aanpakken door te zorgen dat ze gemakkelijker te onthouden zijn.

    Sommige droomanalyses duiden erop dat vrouwen evenveel over mannen als over vrouwen dromen, terwijl mannen meer over andere mannen dromen

    6. Dromen mannen en vrouwen anders?

    Sommige droomanalyses duiden erop dat vrouwen evenveel over mannen als over vrouwen dromen, terwijl mannen meer over andere mannen dromen. Michael Schredl, van het Central Institute of Mental Health in Mannheim, Duitsland, heeft gedocumenteerde droomverslagen die aantonen dat mannen dikwijls dromen van vechten met andere mannen, terwijl vrouwen vaker dromen over vriendelijke interactie met mensen. Een paar jaar geleden schreven Christina Wong en collega’s van de University of Ottawa, Canada, een computerprogramma om te proberen onderscheid te maken tussen de dromen van mannen en vrouwen. Het programma kon in zo’n 75 procent van de gevallen correct het geslacht van de dromer aanwijzen. Het lijkt dat er genderverschillen in dromen bestaan, maar voorlopig is het nog te vroeg om te zeggen waarom.

    Auteur: Rowan Hooper

    Beeld: © Getty

    New Scientist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 125.000

    Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.