Tag: CRISPR

  • Een gen uitschakelen, repareren of vervangen

    Een gen uitschakelen, repareren of vervangen

    Gentechnologie maakt het misschien mogelijk om te voorkomen dat een soort überhaupt ooit uitsterft. Maar moeten we dat wel willen?

    Het blijkt verontrustend eenvoudig – en helemaal niet zo duur – om te knutselen aan de genetische code van een levend wezen. Voor een paar duizend dollar kun je een goede microscoop kopen, een injectieopstelling en een buisje CRISPR-Cas9: het gereedschap waarmee je het DNA van een embryo kunt herschrijven. Voeg daar een stapel petrischaaltjes aan toe, een incubator die het precies 28,5 graden houdt en een beetje hand-oogcoördinatie, en je komt een heel eind.

    Het lastigste is nog het vinden van een constante stroom vers bevruchte zebravisembryo’s. In het Marine Biological Laboratory in Woods Hole, Massachusetts, waar ik tien dagen leerde hoe je genetische editing in de praktijk toepast, is dat geen probleem. Elk uur kan het lab een nieuwe batch produceren. Ik leg tientallen eencellige embryo’s op een rij langs de rand van een glaasje. Onder de microscoop zien ze eruit als vergeelde parels. Met een piepkleine glazen naald prik ik in de cellen. Als ik mis, voelen ze aan als tapiocabolletjes in een glas bubble tea; als ik raak, spuit ik er een precies afgemeten dosis CRISPR-Cas9 in, ontworpen om een gen voor oogontwikkeling uit te schakelen.

    Onder de microscoop zien ze eruit als vergeelde parels.

    Een paar dagen later komen de larven uit hun ei. De correct geïnjecteerde dieren hebben geen ogen. Als ik ze zou laten opgroeien – wat ik niet van plan ben – zouden ze zich kunnen voortplanten met andere blinde vissen, tot ik een aquarium vol genetisch bewerkte wezens had. Het procedé is bedrieglijk simpel. De gevolgen zijn dat allerminst.

    Sinds biochemici Jennifer Doudna en Emmanuelle Charpentier een oud afweersysteem van bacteriën ombouwden tot een universeel DNA-bewerkingsinstrument, is CRISPR-Cas9 een oneindig aanpasbaar gereedschap geworden waarmee mensen de taal van het leven herschrijven. Het systeem herkent specifieke patronen in het genetisch materiaal en knipt die eruit met een enzym – Cas – dat als een moleculair scalpel werkt. Je kunt daarmee een gen uitschakelen, repareren of vervangen. Het wordt al gebruikt om landbouwgewassen productiever te maken, fruit zoeter, rijst minder dorstig. En om ongedierte uit te roeien: door onvruchtbaarheid in muggen of vleesetende maden te bouwen, kun je hele populaties laten verdwijnen. Dezelfde logica kan in de andere richting worden gebruikt. Bedrijven werken aan de ‘terugkeer’ van uitgestorven soorten door genen van hun voorouders in te bouwen in nauwe verwanten. Zo presenteerde een biotechbedrijf recent een nest ‘gede-extincteerde’ dire wolves – in feite grijze wolven waarvan slechts een paar genen voor vachtkleur, formaat en kaak zijn aangepast. De proef laat zien hoe ver we inmiddels zijn. We kunnen soorten richting uitsterven duwen, maar ook proberen hen ervoor te behoeden. En dat brengt ons bij een van de kwetsbaarste ecosystemen ter wereld: de koraalriffen.

    Onderwatersteden

    Koraalriffen beslaan minder dan 1 procent van het oceaanoppervlak, maar huisvesten een kwart van alle vissoorten. Ze beschermen kusten tegen stormen en golfslag, zorgen voor voedsel en inkomsten, en slaan grote hoeveelheden koolstof op. Zonder riffen zouden hele kuststeden en economieën instorten. Maar deze onderwatersteden staan op het punt te verdwijnen. Door opwarming en verzuring van de oceaan raken de miljoenen koraalpoliepen gestrest, werpen ze hun gekleurde symbiotische algen af en blijven er witte, ‘gebleekte’ geraamtes over. Eén bleking kunnen ze soms nog te boven komen. Maar als hittegolven elkaar snel opvolgen, sterft het rif.

    Onder de huidige opwarmingsscenario’s kan tegen 2040 zeventig procent van de Atlantische riffen dood of stervend zijn. Bij een stijging van meer dan twee graden stopt vrijwel alle koraalgroei tegen het einde van de eeuw. We zitten nu al rond de 1,3 graad en bewegen ons razendsnel in de verkeerde richting.

    Stel dat we CRISPR kunnen gebruiken om koraal genetisch beter bestand te maken tegen hitte. Dat zou koraal een grotere overlevingskans geven in een opgewarmde oceaan – en tegelijk de menselijke industrieën redden die van riffen afhankelijk zijn. Maar mogen we de natuur aanpassen om onze eigen fouten te maskeren? En als we dat doen, is het dan nog natuur?

    Voor milieufilosoof Christopher Preston is CRISPR een breekpunt. In zijn boek The Synthetic Age beschrijft hij hoe genediting, de-extinctie en klimaat-engineering ons in staat stellen de natuurlijke wereld op ongekende schaal te herontwerpen. Evolutie kan de snelheid van klimaatverandering niet bijbenen, zegt hij, dus moeten wij haar een handje helpen. ‘De vraag is,’ aldus Preston, ‘welke delen van de wereld we overlaten aan natuurlijke processen – en welke we actief gaan ontwerpen zodat ze “beter werken”.’ In sommige gevallen, vindt hij, is de urgentie zo groot dat we niet kunnen wachten. Koraalriffen, met hun enorme ecologische én economische belang, zouden zo’n geval kunnen zijn. Toch is het verschil tussen kunnen en moeten levensgroot. Niet alle genetische ingrepen zijn technisch haalbaar, en zelfs als dat zo is, is het de vraag of we ze wel willen inzetten. Juist daarom zat ik uiteindelijk boven een petrischaaltje gebogen, kijkend naar pakweg honderdvijftig zebravisembryo’s die ik net had voorzien van een nieuwe genetische instructie.

    Geen ogen

    Een dag na de injectie zag ik hoe de embryo’s zich begonnen te ontwikkelen. De dieren die ik had geraakt, hadden geen ogen; de controlegroep wel. Dat klopte precies met de theorie: het doelwitgen is goed beschreven. Maar ik zag ook iets anders. Veel larven waren kleiner dan normaal. Sommige hadden misvormde vinnen, andere zwommen in kleine cirkels. Was dat het gevolg van het uitschakelen van het ooggen, van de injectietrauma’s, of van een onverwachte bijwerking van CRISPR? Ik had geen idee.

    Voor koraal ligt alles nog ingewikkelder. Zebravissen zijn laboratoriumdieren met een tot in detail in kaart gebracht genoom. Voor de meeste koraalsoorten hebben we die kennis nog niet. Om uit te vinden wat elk gen doet, moeten onderzoekers één voor één genen uitschakelen en kijken wat er gebeurt. Dat is precies waar bioloog Phillip Cleves zich mee bezighoudt. Omdat koraal maar een paar nachten per jaar uitzet – rond het begin van de zomer, na volle maan – moest Cleves zijn lab tijdelijk verplaatsen naar het Great Barrier Reef in Australië, wachtend tot zijn Acropora millepora eindelijk ging paaien. Eenmaal zover, verzamelde hij de bevruchte eieren, legde ze in rijtjes in petrischaaltjes en injecteerde ze met CRISPR-Cas9, gericht op HSF1, een gen dat in allerlei soorten, van gist tot mensen, een rol speelt in hittestress.

    Toen de larven uitkwamen en Cleves ze aan hogere temperaturen blootstelde, stierven de exemplaren waarin HSF1 was uitgeschakeld. De rest overleefde. Met die ene ingreep had hij een sleutelgen geïdentificeerd dat iets zegt over de warmtetolerantie van koraal. In theorie zou je het gen nu kunnen aanpassen om het koraal juist beter bestand te maken tegen hitte. Maar tussen iets stukmaken en iets verfijnen gaapt een kloof. Warmteresistentie is waarschijnlijk polygeen – het resultaat van veel genen tegelijk – en verschilt tussen soorten en populaties. Slechts één gen ‘opvoeren’ zou kunnen neerkomen op een cosmetische ingreep, zoals een grijze wolf wit verven en hem dan een dire wolf noemen.

    Screenshot 2025 11 28 at 4.48.33 PM compressed
    Acropora Millepora — © Unsplash

    Ondertussen voltrekt zich in de riffen zelf een ramp. De afgelopen jaren is er in de Caraïben en de Indo-Pacifische regio een reeks blekingsgolven geweest die hele landschappen hebben weggevaagd. Moleculair ecoloog Kate Quigley, die in West-Australië in grote tanks blekingsscenario’s nabootst om te testen welke koralen de hitte doorstaan, beschrijft vooral de geur: rottende vis. ‘Je ruikt dat er dode koralen zijn nog voordat je in de tank kijkt,’ zegt ze. In haar lab worden de sterkste overlevenden gekruist, en voeren onderzoekers hun gegevens in AI-modellen om te voorspellen welke delen van het rif de beste kandidaten zijn voor toekomstige herstelprogramma’s.

    Zowel Quigley als Cleves benadrukt dat ze hun werk voorlopig binnen het lab willen houden. De noodzaak om genetisch aangepast koraal echt in zee uit te zetten zou voelen als een bekentenis van totale mislukking: dat we er niet in geslaagd zijn de uitstoot van broeikasgassen te beperken en de oceanen te beschermen zoals ze zijn. Geen enkele biotechnologische truc kan de vele andere ecosystemen vervangen die verloren zullen gaan als het klimaat blijft opwarmen.

    Genetische editing

    Koraal is uiteraard niet het enige waar CRISPR een rol in speelt. In de oostelijke Verenigde Staten proberen biologen al decennia de Amerikaanse kastanjeboom te redden, ooit een dominante soort in de bossen, maar begin vorige eeuw vrijwel uitgeroeid door een exotische schimmel. Met genetische editing ontstaat nu kans op een schimmelbestendige variant, die hele bosgebieden ecologisch zou kunnen herstellen. Andere projecten gebruiken CRISPR om planten te verbeteren die giftige metalen uit vervuilde bodems trekken, of om algen meer CO2 te laten opnemen. Sommige futurologen dromen zelfs van genetisch aangepaste fytoplankton die in een klap een groot deel van de wereldwijde uitstoot uit de atmosfeer kunnen halen.

    Maar hoe verder we opschuiven van soortbescherming naar ‘planetair dienstverlenerschap’, hoe scherper de ethische vragen worden. Het herstellen van een kastanjebos of een rif ligt nog dicht bij het klassieke natuurbeheer: we proberen iets terug te brengen dat er ooit was. De oceaan volstorten met aangepaste organismen om ons eigen gedrag te compenseren voelt anders. Dan veranderen we de natuur in een soort schoonmaakdienst. Hebben we het recht om de natuur op die manier te herschrijven, zodat wij nog even kunnen doorgaan met wat haar vernietigt?

    Daar komt bij dat CRISPR allesbehalve feilloos is. Het systeem kan genen op de verkeerde plek knippen of reparaties uitvoeren die subtiele fouten tot gevolg hebben. In de kastanjeboomprojecten blijken sommige resistente bomen struikjes te blijven of gevoelig voor andere ziekten; vermoedelijk heeft de edit ergens anders in het genoom schade aangericht. Mijn eigen blinde zebravisjes bleken vaker misvormd of gestunt dan verwacht. In het lab zijn zulke mislukkingen vervelend maar overzichtelijk. In het wild kunnen ze een kettingreactie ontketenen.

    Mijn eigen blinde zebravisjes bleken vaker misvormd of gestunt dan verwacht.

    We weten dat genetisch gemodificeerde aquariumvissen inmiddels hun weg naar Braziliaanse rivieren hebben gevonden, waar ze zich vrolijk voortplanten. Maar zelfs als een ingreep ‘werkt’, kan het resultaat problematisch zijn, zoals wanneer een superkoraalsoort die het in warm water uitstekend doet, andere soorten verdringt, waardoor het rif een kwetsbare monocultuur wordt. Om een heel rif robuuster te maken, zou je in honderden, zo niet duizenden soorten moeten ingrijpen, en bovendien rekening moeten houden met verzuring, bacteriën, vissen en al het onzichtbare leven dat riffen draaiende houdt.

    Hoe dan ook is de geest uit de fles. CRISPR-kits zijn relatief goedkoop en met behulp van AI wordt het steeds eenvoudiger om mutaties te bedenken en te plannen. Er bestaat nauwelijks regelgeving voor wat er met niet-menselijke organismen gebeurt, buiten de ethische grenzen die onderzoekers zichzelf opleggen. ‘Als we ons dan toch als goden gedragen’, schreef milieupionier Stewart Brand ooit, ‘kunnen we dat maar beter goed doen.’

    Goed worden in genetische editing betekent niet alleen efficiënter knippen en plakken, maar ook beter nadenken over het moment waarop we het überhaupt willen inzetten. Voor riffen die nog gezond zijn, klinkt genetische manipulatie als een nachtmerrie. Maar in delen van de Caraïben waar koraal nog slechts als puin op de bodem ligt, zou de tolerantie voor riskante experimenten snel kunnen toenemen. Hoezeer Quigley het idee nu ook verafschuwt, ze sluit zichzelf niet uit. ‘Ik denk dat de tolerantie van mensen voor risicovolle ondernemingen vrij snel zal veranderen zodra dingen echt hard achteruitgaan,’ zegt ze. ‘Het is nou eenmaal verschrikkelijk om je een wereld zonder koraal voor te stellen.’

  • Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Hoe kunnen we de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen? Onderzoekers werken aan superplanten en manieren om ongedierte te bestrijden zonder pesticiden.

    Op een milde novemberochtend laat Ludwig Hirschberg, 56 jaar, zich zakken op zijn veld. Hij knielt op zwarte aarde die schittert in de zon. De jonge wintertarwe is een paar centimeter hoog en glimt groen. Hirschberg steekt een plantje uit met zijn zakmes, houdt het tussen zijn vingers en zegt: ‘Ziet er goed uit.’ Sterke, gezonde wortels, veel scheuten. En, heel belangrijk, er groeit geen onkruid tussen de planten dat ze van licht en voedingsstoffen kan beroven. Hirschberg behandelde de grond vóór het zaaien met glyfosaat, een ‘totaal’ bestrijdingsmiddel dat elke vorm van onkruid doodt. Hij gebruikt ook fungiciden tegen schimmels als echte meeldauw, die de tarwe in de volgende groeistadia zouden kunnen aantasten.

    Hirschberg heeft het graag over de ‘gereedschapskist’ die boeren nodig hebben om goede oogsten te verkrijgen. Daar hoort veel kunstmest en gif bij; gemiddeld wordt in Duitsland bijna drie kilogram bestrijdingsmiddelen per hectare gebruikt [in Nederland was dat in 2020 gemiddeld 7,1 kilo per hectare].

    Dat heeft gezorgd voor een indrukwekkende toename van de oogsten in de afgelopen zestig jaar. Tegelijkertijd zijn de gevolgen van intensieve monocultuur verwoestend: veel bodems raken uitgeput. De biodiversiteit vermindert en daardoor neemt ook de veerkracht van ecosystemen af.

    Van boer tot bord

    Nu zijn politici begonnen de gereedschapskist van de boeren uit te mesten: in augustus heeft de Europese Commissie de zogenaamde ‘van boer tot bord’-strategie goedgekeurd. Tegen 2030 moeten landbouwers het gebruik van pesticiden met de helft en dat van meststoffen met minstens 20 procent verminderen. Inmiddels is er al een verbod ingesteld op sommige neonicotinoïden. Dat zijn zenuwstoffen die schadelijke insecten doden, maar die ook het richtingsgevoel van bestuivers zoals wilde bijen verminderen. In 2023 zal glyfosaat, na een lange en verhitte discussie, eindelijk worden afgeschaft, mede omdat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de werkzame stof als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ beschouwt. Afgelopen zomer waren er luide protesten van boeren in heel Europa; in Nederland waren er zelfs gewelddadige rellen.

    Ludwig Hirschberg beheert het landgoed Perdoel, een van de oudste en grootste boerenbedrijven in Sleeswijk-Holstein, gelegen tussen bossen en meren. Hij is geen hardliner, voor hem is het vanzelfsprekend dat boeren meer moeten doen voor de biodiversiteit, bijvoorbeeld met bloeistroken, heggen en hagen, en gevarieerde vruchtwisseling. Hirschberg teelt al lange tijd tuinbonen, die stikstof in de bodem binden zodat er minder kunstmest nodig is. Maar, waarschuwt hij, ‘als de richtlijnen op zo’n ingrijpende manier veranderd worden, zullen we een groot deel van de opbrengsten verliezen en wordt voedsel nog duurder.’

    En dat dan uitgerekend vandaag de dag, nu mondiale crises zich toespitsen. In de oorlog tegen Oekraïne gebruikt Poetin genadeloos de graanvoorraden als wapen. En als gevolg van de klimaatverandering komen hittegolven en droogte steeds vaker voor. Door hittegolven in India dit voorjaar zijn de opbrengsten naar schatting met 10 tot 35 procent gedaald; in Duitsland is de graanoogst in het droogtejaar 2018 met 16 procent ingezakt.

    Maar hoe moet je de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen?

    Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen

    Harold Verstegen is hoofd mondiale productontwikkeling bij zaadproducent KWS in Einbek, Nedersaksen. Het beursgenoteerde bedrijf heeft wereldwijd meer dan vijfduizend mensen in dienst, uiteenlopend van moleculaire biologen tot veldwerkers. Veredelaars zijn overal in de wereld op zoek naar de superplanten van de toekomst – planten die ondanks extreme weersomstandigheden een stabiele opbrengst geven en van nature resistent zijn tegen schadelijke organismen.

    ‘We screenen het genetisch materiaal van planten op wenselijke eigenschappen en veredelen ze vervolgens verder,’ legt Verstegen uit. Maar het duurt acht tot tien jaar voordat een nieuw ras op de markt kan worden gebracht. Verstegen wil dat proces gaan versnellen. Daartoe willen agro-ingenieurs zaadproducenten in staat stellen een in Duitsland omstreden methode toe te passen: groene genetische manipulatie.

    Simone Lange, onderzoeksmedewerker bij KWS, opent de deur van een van de vele kassen. Op de vloer staan honderden potten met tarweplanten van ongeveer een meter hoog, de aren verpakt in plasticfolie. Hier geldt veiligheidsniveau 2 voor ‘genetisch gemodificeerde organismen’ (GGO’s), die in de EU streng gereglementeerd zijn. ‘De tarwe mag niet openbloeien zodat ze geen andere planten kan bestuiven,’ zegt Lange.

    De zogenaamde Crispr-Cas-genschaar heeft de genetische samenstelling van de tarwe gewijzigd om het gewas resistenter te maken tegen schimmelziekten. Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen. Zodra de aren van de genetisch gemodificeerde tarwe rijp zijn, zal Simone Lange ze oogsten. ‘Elke aar bevat ongeveer vijftig tot zestig tarwekorrels,’ zegt ze. ‘De helft gaat naar resistentietests, de andere helft naar conserveringsveredeling.’

    Het betreft een project van Pilton, de Duitse vereniging van plantenkwekers, waarin schimmeltolerantie van tarwe wordt bestudeerd met behulp van nieuwe kweekmethoden. En het is ook een vertoning: kijk eens wat we kunnen, als je het ons maar toestaat.

    De mensen van KWS hadden iets meer dan twee jaar nodig om hun tarwe te ontwikkelen. Dat is aanzienlijk minder dan met conventionele kweekmethoden nodig is. Deze nieuwe tarwe zou kunnen betekenen dat boeren minder chemicaliën op de velden hoeven te gebruiken.

    Reële omstandigheden

    In 2023 wil de EU opnieuw beslissen of met Crispr-Cas gemodificeerde planten onder de GGO-regelgeving blijven vallen. Veel wetenschappers pleiten voor versoepeling. Hun belangrijkste argument is dat er met Crispr-Cas geen genoverdracht is van de ene plant naar de andere. Daarom zijn het geen ‘transgene organismen’. 

    De onderzoekers verzetten zich ook tegen het zwart-witdenken dat het debat domineert. Leopoldina, de Duitse Nationale Academie van Wetenschappen, en de Duitse Onderzoeksstichting vinden de algemene classificatie van genetisch gemodificeerde planten als GGO’s ‘ongegrond en onuitvoerbaar’. Ze pleiten voor een gedifferentieerde regelgeving die gericht is op de concrete veranderingen in de plant en niet alleen op de kweekmethode. En ze roepen op tot het vergemakkelijken van veldonderzoek. Alleen onder reële omstandigheden kan de genetische basis van eigenschappen als zout-, droogte- en hittetolerantie beter worden begrepen.

    Maar kan het nieuwe gereedschap daadwerkelijk aan de hoge verwachtingen voldoen? Voor schimmelresistentie in tarwe kregen de KWS-onderzoekers bijvoorbeeld een zogenaamde gen knock-out voor elkaar: een enkel deel van het genoom werd uitgeschakeld. Er zijn echter tientallen genen betrokken bij gewenste eigenschappen zoals droogteresistentie. Het is moeilijk om ze allemaal te veranderen. Vooral omdat het genoom van tarwe zeer complex is.

    Agro-ecoloog Angelika Hilbeck van de ETH Zürich vindt genoombewerking belangrijk, omdat het nieuwe wetenschappelijke inzichten zou kunnen opleveren. ‘Maar niemand heeft behoefte aan de huidige producten,’ zegt ze. Die verrijkten immers enkel de industrie. ‘We kijken vooralsnog altijd puur naar de plant, naar de genetica. Ik raad juist aan om naar buiten te kijken, naar het ecosysteem.’ Want planten zijn teamspelers.

    Het doel is vergroening van het conventionele landschap, niet de volledige omschakeling naar biologisch

    Wat dat betekent is te zien op een stoffig veld in Brandenburg. Op een warme dag iets eerder in het jaar sjokt Kathrin Grahmann in wandelschoenen door een zonnebloemveld en inspecteert ze de planten. Ze zijn gegroeid tot verschillende hoogtes, wat het oogsten bemoeilijkt. Maar ze dragen allemaal vruchten, volledig zonder pesticiden. ‘Het waren lieveheersbeestjes die hen redden van een bladluizenplaag,’ zegt Grahmann.

    De wetenschapper leidt een tienjarig project van het Leibniz Instituut voor Landbouwlandschapsonderzoek, onder de naam Patch Crop. Op 70 hectare bij Müncheberg in Brandenburg worden gerst, koolzaad, soja, tarwe, zonnebloemen, haver, lupinen, maïs en rogge verbouwd.

    Daartoe zijn 32 velden aangelegd van elk 76 bij 76 meter. Kleine percelen waarvan de onderzoekers hoge verwachtingen koesteren: ze willen uitzoeken hoe de interactie tussen planten, bodem, nuttige insecten en plagen het ecosysteem versterken. Bovendien werken de onderzoekers nauw samen met robotfabrikanten die kleine, autonome voertuigen ontwikkelen om onkruid te schoffelen en fruit te oogsten.

    ‘Voor ons is het bijzonder spannend om te zien wat er aan de grenzen van de velden gebeurt,’ zegt Grahmann. De lieveheersbeestjes, bijvoorbeeld, verzamelden zich aanvankelijk op het veld met de voorjaarshaver. Nadat dat gerijpt was, gingen ze naar de zonnebloemen en vonden daar hun volgende grote maaltijd, de bladluizen. Die brengen virussen over en veroorzaken bladverlamming, maar ze hadden geen schijn van kans.

    ‘Normaal wordt op een dergelijk gebied slechts één gewas geteeld,’ zegt Grahmann. Nuttige insecten zouden er niet lang blijven. Dat is anders bij dit experiment, waar de vruchtwisseling dicht bij elkaar plaatsvindt.

    Drones

    Maar diversiteit betekent veel werk. Om voordeel te halen uit het multiculturele veld, moet je het eerst begrijpen. En daarom wordt waarschijnlijk geen enkel ander landbouwgebied in Duitsland zo nauwkeurig gemeten als deze grond in Brandenburg. Hier liggen 180 sensoren begraven; zij sturen elk kwartier gegevens over temperatuur en bodemvochtigheid naar een radiomodule. Speciale apparaten – gaschromatografen – analyseren chemische verbindingen, zoals het stikstofgehalte in het sojaveld. Die plant behoort tot de peulvruchten en kan stikstof in de bodem vasthouden, waardoor op kunstmest wordt bespaard. Drones vliegen over de gebieden en observeren de groei en biomassa.

    ‘Ons doel is om landbouwers wetenschappelijk verantwoorde analyses te bieden die hen in staat stellen aan de EU-regelgeving te voldoen en toch stabiele opbrengsten te realiseren,’ zegt Grahmann. Ze zegt dat vergroening van het conventionele landschap het doel is, en niet de volledige omschakeling naar biologisch.

    Op sommige percelen worden kunstmest en pesticiden op de conventionele manier gebruikt. Bij andere wordt de hoeveelheid eerst met een derde, later met de helft verminderd; weer andere hebben extra bloeistroken. De onderzoekers tellen regelmatig hoeveel ongedierte zich op een plant heeft gevestigd. Ze willen drempelwaarden vaststellen. Landbouwers passen vaak uit voorzorg beschermingsmiddelen toe – de duurste vorm van ongediertebestrijding, voor zowel mens als natuur.

    De onderzoekers van het Leibniz-Instituut moeten gedurende twee jaar gegevens verzamelen voordat zij deze systematisch kunnen evalueren. Maar er zijn al bemoedigende aanwijzingen. ‘In wintertarwe gebruikten we 30 procent minder bestrijdingsmiddelen en behaalden we dezelfde hoge opbrengsten,’ vertelt Grahmann.

    Ludwig Hirschberg is sceptisch als hij zulke cijfers hoort. ‘In een droog jaar kan ik goed zonder pesticiden voor mijn tuinbonen, maar in een nat jaar lukt dat niet,’ zegt hij. Het is een vergissing te veronderstellen dat als iets één jaar werkt, het altijd zal werken, meent hij.

    In plaats van algemene verboden zou Hirschberg graag zien dat politici concrete doelen stellen voor de bescherming van soorten. ‘Hoeveel wouwen of brandganzen moeten hier in het district Plön waargenomen worden om te kunnen zeggen dat het niet langer bedreigde soorten zijn?’ Met dergelijke concrete doelstellingen zouden boeren veel meer betrokken en gemotiveerd zijn, meent hij. Daarvoor zouden ze pas echt hard werken.

  • Met DNA kanker te lijf

    Met DNA kanker te lijf

    De Amerikaanse biochemicus Jennifer Doudna is een drijvende kracht achter CRISPR, een revolutionaire techniek voor het ‘herschrijven van DNA’ die zou kunnen helpen bij de genezing van kanker. Technologiesite The Verge – die vijf jaar bestaat – interviewde haar over haar verwachtingen voor het jaar 2021.

    Misschien hebt u weleens gehoord van CRISPRcas9, of kortweg CRISPR, een techniek om in te grijpen in genetisch materiaal. CRISPR, dat in 2012 is geïntroduceerd, werkt als een soort schaar die DNA kan knippen en bepaalde stukken genetisch materiaal kan herordenen of toevoegen, met opmerkelijke, sciencefictionachtige resultaten: CRISPR kan helpen om muggen te maken die geen malaria overbrengen, en het kan worden gebruikt om buitengewoon gespierde honden te kweken, of zelfs minivarkens. Bij de mens wordt de techniek getest om te kijken of ze kan helpen in de strijd tegen kanker – door de immuuncellen van patiënten te verwijderen en te bewerken, en de gewapende cellen vervolgens weer terug in het lichaam te brengen, waar ze de jacht op kankercellen kunnen openen. Een van de wetenschappers achter deze techniek is Jennifer Doudna, een biochemicus die is verbonden aan de Universiteit van California in Berkeley. Samen met Emmanuelle Charpentier, Martin Jinek en Krzysztof Chylinski is Doudna erin geslaagd het systeem van bacteriën die de strijd aanbinden met virussen zodanig te manipuleren dat de veelgeprezen celaanpassingstechniek is ontstaan.

    Hoe kijkt het publiek aan tegen CRISPR?

    ‘Het publiek heeft het idee dat deze ontwikkeling nog in een zeer vroeg stadium is. Men heeft er wel van gehoord. Het acroniem klinkt mensen bekend in de oren. Ik neem weleens een taxi en dan zegt de chauffeur soms: “O, houdt u zich bezig met CRISPR? Ja, daar heb ik weleens wat over gelezen.” Mensen moeten nog altijd moeite doen om te bevatten waar het over gaat en wat het betekent, voor hen persoonlijk en voor onze toekomst. In algemene zin is het altijd lastig voor mensen om te bevatten dat het tijd kost voordat een nieuwe technologie ook echt realiteit is. Op het terrein van de CRISPR-technologie voor genetische manipulatie zien we dat het allemaal opmerkelijk snel gaat, wetenschappelijk gezien. De technologie is nog maar iets van vier jaar oud, en nu al heeft dit de manier veranderd waarop wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd. Ook het commerciële landschap is erdoor veranderd – er zijn inmiddels veel bedrijven die deze technologie gebruiken.

    Maar voor veel mensen is het moeilijk te begrijpen waarom het zo lang duurt voordat er een nieuw geneesmiddel is ontwikkeld. Als ik realistisch ben kan dat nog wel een jaar of tien duren, want het kost tijd om ons ervan te verzekeren dat het veilig en effectief is.’

    We zien heel voorzichtig de eerste tests van CRISPR-technologie bij mensen. Hoe denkt u dat het er in 2021 voorstaat?

    ‘De komende vijf jaar zullen heel interessant zijn op dit terrein. In 2021 zullen er ongetwijfeld meer klinische tests worden gedaan. De tests die momenteel zijn toegestaan, hebben allemaal betrekking op kanker. Men is bezig met een bepaald type aanpassing dat zou kunnen aanslaan bij kanker – en wel door de eigen immuuncellen van de patiënt zo te programmeren dat ze kankercellen opsporen en vernietigen. Dat is een opwindend vooruitzicht, maar als we verder in de toekomst kijken zullen we steeds meer pogingen zien, en naar ik hoop ook steeds meer klinische tests, die zijn bedoeld om genetische aandoeningen van het bloed, de ogen en de lever te bestrijden. Als we nog iets verder in de toekomst kijken, dan richt het zich wellicht ook op ziekten die ander weefsel aantasten. Daarbij denk ik dan aan Duchenne, een spierziekte, waar je veel over hoort. Ook taaislijmziekte komt veel aan de orde.’

    Jennifer Doudna.
    Jennifer Doudna.

    Wat voor tests kunnen we de komende vijf jaar bijvoorbeeld verwachten met betrekking tot sikkelcelanemie? [Een erfelijke aandoening waarbij de rode bloedlichaampjes door een afwijkend type hemoglobine sikkelvormig raken, wat zuurstofgebrek veroorzaakt.]

    ‘Met de technologie voor genaanpassing die momenteel beschikbaar is, zijn we al in staat het defect te repareren dat verantwoordelijk is voor sikkelcelanemie bij cellen die in een laboratorium zijn gekweekt. De uitdaging is nu om die techniek zo in te zetten dat hij aanslaat bij patiënten. Daartoe moet de genaanpassingstechnologie ingrijpende veranderingen aanbrengen in de bloedcellen. We moeten in staat zijn in te grijpen in de bloedstamcellen, zodat die het bloedvatenstelsel voorzien van nieuwe cellen die geen sikkelvormige afwijking hebben. Het mooie is dat hier momenteel in heel veel laboratoria heel hard aan wordt gewerkt. Ik denk dat we belangrijke ontwikkelingen zullen blijven zien op dit terrein.’

    Als je bijvoorbeeld kijkt naar taaislijmziekte, hoe ziet de toekomst er dan uit als we zeggen: ‘We gaan dit zo aanpakken dat de genetische mutaties die wij teweegbrengen niet worden doorgegeven aan onze kinderen?’

    ‘Verschillende laboratoria die aan diverse technieken voor taaislijmziekte werken, hebben successen geboekt in laboratoria. Men is in staat geweest genaanpassingen te doen aan weefsel dat in het laboratorium is gekweekt en dat overeenkomt met het weefsel van mensen met taaislijmziekte. We weten dat de technologie hiertoe in staat is. Nu moeten we wederom de kloof overbruggen tussen wat zich in het laboratorium afspeelt en wat we graag zouden willen doen in tests, en dat dan op een veilige manier. Er is duidelijk nog veel werk te verzetten, maar het is zijn spannende tijden, omdat je langzaam gaat zien hoe de puzzelstukken in elkaar zouden kunnen grijpen. Er is een manier om CRISPR toe te passen bij embryo’s, maar die hebben we nog niet tot op de bodem onderzocht, deels vanwege het ethische aspect en deels omdat we nog niet helemaal in kaart hebben gebracht wat het zou kunnen gaan betekenen.’

    Wat zou het aanpassen van embryo’s kunnen betekenen voor bijvoorbeeld taaislijmziekte of spierziekten?

    ‘Een van de interessante dingen op dit moment is dat er vier landen zijn die toestemming hebben gegeven om CRISPR-experimenten te doen bij menselijke embryo’s. We hebben het er dan alleen over om deze techniek te gebruiken in een heel vroeg embryonaal stadium om te onderzoeken hoe effectief het is, en of het veilig is, en of het de gewenste mogelijkheden biedt om veranderingen aan te brengen aan het menselijke genoom – veranderingen die, in principe, ziekten kunnen genezen. Afhankelijk van de uitkomsten van deze experimenten zal er meer interesse komen, en meer druk, om verder onderzoek te doen naar de toepassing van bepaalde vormen van genetische manipulatie bij embryo’s. Daarom is het zo belangrijk er nu een open debat over te voeren, al zijn we momenteel nog niet zover met de technologie. Hoe kunnen we zorgen dat we een ethisch verantwoord pad bewandelen? Er zijn geen simpele antwoorden, maar ik heb het gevoel dat er in de toekomst redenen kunnen zijn om te zeggen: “Het is in bepaalde gevallen misschien ethisch onverantwoord om het níét voor die doeleinden te gebruiken.” Ervan uitgaande dat kan worden aangetoond dat bepaalde toepassingen bij embryo’s veilig en zinvol zijn.’

    ‘Ja, ik maak me zorgen, maar die zorgen zijn niet specifiek gerelateerd aan deze technologie’

    Boezemt deze technologie, de macht van deze technologie, u op wat voor manier dan ook angst in?

    ‘Als ik kijk naar wat me zorgen baart, aangaande deze technologie, dan is dat eigenlijk hoe weinig we weten van de werking van genen, met name de interactie van genen binnen ons eigen genoom. Niet alleen bij mensen, maar ook bij andere organismen. Een van de grootste vragen is of we, misschien pas over tientallen jaren, geconfronteerd zullen worden met onbedoelde gevolgen wanneer we gebruikmaken van deze technologie om permanente wijzigingen aan te brengen in de kiembaan van een embryo. Hoe ga je om met die vraagstukken? Ik weet het niet. Kun je dierproeven doen? Misschien, maar als we echt die kant op willen komt er toch een moment dat je het op een mens zult moeten uitproberen. Alleen al het nadenken over de vraag hoe je dat moet doen, hoe je zelfs maar het onderzoek moet opzetten om de gegevens te vergaren die nodig zijn om tot een afgewogen besluit te kunnen komen, is een ongekende uitdaging.’

    Maakt u zich weleens zorgen dat er mensen zullen zijn die deze technologie voor onethische doeleinden zouden kunnen aanwenden?

    ‘Zeker maak ik me daar zorgen over, maar eerlijk gezegd baart het kernwapenarsenaal me minstens zo veel zorgen. We beschikken over andere technologieën die ook zonder meer heel invloedrijk zijn en die ook kunnen worden ingezet door mensen die andere ethische normen aanhangen dan wij graag zouden zien. Dus ja, ik maak me zorgen, maar die zorgen zijn niet specifiek gerelateerd aan deze technologie.’

    We hebben het voornamelijk over de mens gehad. Staan we voor andere uitdagingen wanneer het gaat over het modificeren van gewassen of dieren? Zijn de risico’s en de voordelen in theorie anders?

    ‘In termen van technologie zijn de uitdagingen vergelijkbaar, maar de details verschillen. Bij planten is het bijvoorbeeld een heel spannende ontwikkeling dat we in theorie veel sneller dan vroeger, en in ieder geval veel preciezer, veranderingen in het DNA kunnen aanbrengen. Dat betekent bijvoorbeeld dat we geen zaden hoeven te muteren met behulp van chemicaliën, om vervolgens te proberen een selectie te maken van planten die de verlangde reacties vertonen – de manier waarop het nu gaat, als we eerlijk zijn. Met voldoende informatie kunnen we heel precies de verlangde verandering in het gen aanbrengen, zonder te hoeven gokken welke veranderingen ook nog elders in het DNA van dat organisme gaan plaatsvinden. Dat klinkt heel aantrekkelijk, maar ook hier is het de vraag hoe we die verandering aanbrengen. Hoe krijgen we die modificerende moleculen ín de plant? Planten hebben een celwand, wat het nog lastiger maakt om tot in de cel door te dringen. Wat we met CRISPR feitelijk doen is op een bepaalde plek een scheurtje aanbrengen in het DNA. Dan neemt de cel het over om het scheurtje te repareren. En precies daar vindt de mutatie plaats. Bij planten is dat proces niet zo makkelijk te sturen. Bij dieren is het ook lastig, maar bij planten weten we maar betrekkelijk weinig over hoe het precies in zijn werk gaat. Het onderzoek zal erop gericht zijn greep te krijgen op dat proces.’

    Hoelang denkt u dat het gaat duren voor we bijvoorbeeld gemodificeerde muggen in de natuur zullen aantreffen?

    ‘Dat zal op korte termijn het geval zijn. Er is heel veel belangstelling, vooral bij diverse instellingen die zich bezighouden met de vraag: hoe kunnen we technologie aanwenden om de verspreiding van ziekten tegen te gaan? Ziekten als zika of dengue, en andere ziekten die door insecten worden overgebracht, hebben een ongekende negatieve invloed op de mensheid. Het is van cruciaal belang om op een creatieve manier na te denken over het gebruik van nieuwe technologieën bij de bestrijding van ziekten. Nogmaals, daarbij moeten we niet de ogen sluiten voor de mogelijke gevaren van het werken met dergelijke organismen, en we moeten zorgen dat we alle richtlijnen en voorschriften volgen om onbedoelde milieu-effecten te voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld door proeven te doen met gemengde muggenpopulaties in een gecontroleerde omgeving, en dan te kijken wat er in de loop der tijd gebeurt. Dat is gewoon de wet van de natuurlijke selectie. Als een bepaald organisme binnen een populatie een reproductief nadeel heeft, zal het in de loop der tijd door zijn soortgenoten worden verdrongen. Of andersom. 
Als het reproductieve voordelen heeft, zal de populatie binnen die omgeving in de loop der tijd groeien, als alle andere factoren gelijk blijven. Dat fenomeen doet zich nu al voor met die gemodificeerde muggen.

    Omdat deze proeven worden gedaan binnen een gecontroleerde omgeving, is de verwachting dat wetenschappers steeds verfijndere methoden zullen vinden om gebruik te maken van technologieën die bepaalde eigenschappen van muggen kunnen sturen, eigenschappen die gunstig zijn voor de mens, en te garanderen dat deze eigenschappen op de lange termijn binnen de populatie behouden blijven, maar zonder onwenselijke, onbedoelde gevolgen.’


    Zijn er bredere toepassingen? Kunnen we in theorie dieren die nu leven modificeren en min of meer terugwerken naar een dinosauriër, of een mammoet?

    ‘Er is heel veel belangstelling voor wat we “het terugbrengen van uitgestorven dieren” noemen: het idee dat je een organisme dat niet langer op aarde rondloopt kunt terughalen; het herintroduceren van genen die bij het uitsterven verloren zijn gegaan. Er zijn verschillende pogingen gedaan om bijvoorbeeld de wolharige mammoet weer tot leven te wekken. Dat is geen echte dinosauriër, maar het zou behoorlijk spectaculair zijn wanneer men erin zou slagen. Ik heb ook weleens gesproken met Beth Shapiro van de Universiteit van California in Santa Cruz. Zij bestudeert bijvoorbeeld beren, en evolutionaire patronen bij beren en vogels. Er zijn zeker mogelijkheden bij dat soort dieren. Het is een veel grotere uitdaging om echt een dinosauriër terug te halen. We weten niet precies wat de DNA-sequentie is van een dinosauriër.

    U herinnert zich wellicht nog dat het verhaal van Michael Crichton in Jurassic Park stoelde op de aanname dat er insecten in hars waren gevangen, en dat die insecten bloed van dinosauriërs bevatten, en dat daar DNA in zat waarmee nog sequenties konden worden opgebouwd. Helaas is DNA een chemische stof die geen 65 miljoen jaar meegaat. Ik denk dan ook niet dat het erg waarschijnlijk is, maar misschien is het wel mogelijk om de kennis die we hebben vergaard over amfibieën en vogels te combineren, en van daaruit verder te gaan. Ik weet niet hoe dicht men in de buurt kan komen van een echte dinosauriër, maar we zullen ongetwijfeld veel aan de weet komen over de genetische kenmerken van het DNA dat verantwoordelijk is voor enkele van de eigenschappen die we dinosauriërs toedichten.’

    Ziet u de toekomst met vertrouwen tegemoet?

    ‘Ik heb wel vertrouwen in de toekomst, ja. Ik zou er graag op willen wijzen dat veel van de technologieën die de laatste decennia zo in de belangstelling staan – en CRISPR valt ook in deze categorie – het gevolg zijn van zeer fundamenteel onderzoek. Het gaat meestal niet om een gerichte poging om iets uit te vinden, of om een technologie of een idee of een inzicht te ontwikkelen – vaak komen dit soort dingen tot stand dankzij onderzoekers die op ogenschijnlijk zeer verschillende terreinen van wetenschap werkzaam zijn en die door omstandigheden, en domweg door hun data heel grondig te analyseren, tot inzichten komen waaruit ofwel nieuwe technologieën ontstaan, ofwel een nieuw, fundamenteel begrip van de natuur. Ik wil dat graag benadrukken, omdat er in de Verenigde Staten, en ook elders op de wereld, veel druk wordt uitgeoefend op wetenschappers om zich meer te specialiseren, om zich te richten op een specifiek probleem: laten we kanker genezen, laten we een breinonderzoek opzetten om het bewustzijn te doorgronden, of iets in die geest. Ik wil niet zeggen dat dergelijke onderzoeken geen waarde zouden hebben, maar ik denk dat we niet te ver moeten afdwalen van het idee dat we, als we eerlijk zijn, nog te weinig afweten van onze natuurlijke wereld om te kunnen voorspellen uit welke hoek de volgende inzichten of technologieën afkomstig zullen zijn. Ik hoop dat onze nieuwe regering ondersteuning zal blijven bieden aan fundamenteel onderzoek dat wetenschappers en onderzoekers in de Verenigde Staten en de rest van de wereld in staat stelt een positieve impuls te geven aan de gezondheid van de mens.

    Auteur: Elizabeth Lopatto
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Jennifer Doudna ontving voor haar werk onder meer de Dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en de dr. Paul Janssen Award for Biomedical Research.

    The Verge
    Verenigde Staten | theverge.com


    The Verge is een toonaangevende technologiewebsite die zich naar eigen zeggen ‘op het snijpunt tussen technologie, wetenschap, kunst en cultuur’ beweegt. Je vindt er naast nieuwsberichten en diepgravende reportages ook recensies van de nieuwste hightechproducten (tablets, smartphones en software), podcasts en veel videomateriaal. The Verge werd opgericht in 2011 en is in handen van de Amerikaanse mediagroep Vox Media.