Tag: cultuurschatten

  • Moet Palmyra gerestaureerd worden, of niet?

    Moet Palmyra gerestaureerd worden, of niet?

    Omdat technologie het tegenwoordig mogelijk maakt om zelfs stof uit het verleden te reproduceren, kunnen alle door IS verwoeste gebouwen in Palmyra probleemloos worden hersteld. Maar moet je dat wel willen?

    Simon Jenkins.
    Simon Jenkins.

    JA

    De herovering van de Syrische woestijnstad Palmyra moet iedereen die de vroegere glorie van deze plek heeft gekend plezier doen. Maar nu het stof is neergedaald, arriveert er een nieuw leger: dat van de archeologen, met allerlei vragen, als: hoeveel moet er worden gerestaureerd, hoe en door wie? En van wie is Palmyra eigenlijk, van Syrië of van de hele wereld?

    Voor de verandering wordt er eens niet gedraald. De directeur van de Syrische Dienst voor Oudheden, Maamun Abdelkarim, bezoekt Palmyra deze week om het puin van de gevierde stad te bekijken en voor de herbouw ervan te pleiten. De grootste weldoener en bondgenoot van Syrië, Rusland, heeft de restauratie van Palmyra al vergeleken met die van Leningrad na de Tweede Wereldoorlog. In Italië heeft de vroegere minister van Cultuur Francesco Rutelli ambitieuze plannen om de gevallen tempels van Palmyra met behulp van digitale printtechnieken te reconstrueren.

    De fotografie is tenslotte ook niet ten onder gegaan aan een gebrek aan authenticiteit

    De Amerikaanse jurist-archeoloog Roger Michel gebruikt momenteel soortgelijke technologie met behulp van Harvard en Dubai. Hij beweert dat zijn printers niet alleen de textuur en de oppervlaktecontouren van de steen kunnen reproduceren, maar ook de fysieke structuur ervan. Zij kunnen zelfs het oorspronkelijke stof van een ruïne reconstrueren. Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog heeft de Raad van Europa een nieuwe ideologie ten aanzien van het cultureel erfgoed ontwikkeld. Dat moet worden gestabiliseerd en ‘bewaard blijven zoals het is aangetroffen’. Deze ‘modernistische’ aanpak lag ten grondslag aan het onvermogen van Groot-Brittannië om de steden die tijdens de Blitz werden verwoest te restaureren. Wat in het grootste deel van Europa als hersteld erfgoed werd beschouwd, ging in Engeland door voor betekenisloze nostalgie.

    Uiteraard gaat het over een ‘kopie’ en ontbeert het derhalve ‘authenticiteit’. Maar wat geeft dat? De fotografie is tenslotte ook niet ten onder gegaan aan een gebrek aan authenticiteit. Het Westen heeft het Midden-Oosten politieke en militaire rampen gebracht. De plicht om dat recht te zetten lijkt overweldigend. Zelfs nu nog verwoesten westerse (en Saoedi-Arabische) straaljagers de oude Arabische stad Sanaa in Jemen. Dit is een wereld die dateert van de vroegste tijdperken van de klassieke, christelijke en islamitische cultuur. Het is iedereens erfgoed. Misschien kunnen deze oorlogen de grootste historische revival sinds 1945 opleveren. Het obstakel is niet (een gebrek aan) wilskracht of middelen, maar het onvermogen van veel enthousiastelingen om adequaat samen te werken, of een stompzinnige academische afwijzing van een technologie die de wereld opnieuw kan laten genieten van de wonderen van het verleden.

    Auteur: Simon Jenkins

    Sir Simon Jenkins is een gerenommeerd journalist en commentator. Hij werkt (nu) voor The Guardian, 
de Evening Standard en de BBC, maar heeft bijdragen geleverd voor vrijwel elk Brits medium met enig aanzien. Tussen de bedrijven door schrijft hij lijvige politieke boeken.

    Jonathan Jones.
    Jonathan Jones.

    NEE

    Palmyra mag niet ‘herrijzen’, zoals de directeur van de Syrische Dienst voor Oudheden heeft beloofd. Palmyra mag niet veranderen in een replica van zijn vroegere glorie. Wat resteert van deze oude stad na de verwoesting ervan door IS – en dat is gelukkig méér dan vele mensen vreesden – moet op tactvolle, gevoelige en eerlijke wijze worden bewaard. De eerlijkheid moet beginnen bij de nieuwe roem van Palmyra. Voordat IS deze buitengewone Syrische plaats vorig jaar innam, was Palmyra een naam die vooral bekend was onder archeologen, historici en classici. Door het opblazen van een paar van de mooiste monumenten en het voltrekken van onmenselijke wreedheden tussen alle pracht en praal van Palmyra, heeft het terroristenleger de naam van de plek voorgoed in ieders geheugen gegrift.

    Als de Syrische tragedie ooit ten einde komt, als er ergens in de toekomst een vreedzaam Syrië zal bestaan, zullen de toeristen naar een stad toe stromen die nu wordt gezien als een soort Pompeii in de woestijn. En wat zullen ze daar aantreffen? Ruïnes, uiteraard. Palmyra lag al in puin voordat Is de stad bezette en ligt vandaag nog steeds in puin. Mycene, Machu Picchu, het Forum Romanum – ze zijn allemaal niet meer intact of ongeschonden. De sfeer en de poëzie ervan zijn gelegen in hun aantasting door tijd, natuur en geschiedenis. Hoe kunnen deze vreselijke verliezen worden goedgemaakt? 


    Het is altijd ontroerender om de echte dingen uit het verleden te zien – hoezeer ze ook beschadigd zijn – dan namaak

    Dat is de vraag die archeologen zich stellen, en dat lijkt ook 
de hele wereld te verwachten, maar het zou wel eens de verkeerde benadering kunnen zijn. Restauratie is een delicate kunst, en het op een verantwoorde manier behouden van oudheden kan betekenen dat de onontkoombaarheid van het verlies moet worden aanvaard, waar herbouw allerlei valstrikken met zich meebrengt. In Palmyra moet nu eerst de schade zorgvuldig worden vastgesteld. Als er genoeg stukken metselwerk en beeldhouwwerk bewaard zijn gebleven, en in voldoende herkenbare vorm, kan het mogelijk zijn delen van gebouwen of zelfs hele structuren opnieuw overeind te zetten.

    Aan de andere kant doen we de waarheid misschien meer recht als we die fragmenten in een speciaal geconstrueerd museum tentoonstellen. In ons tijdperk van digitale scanners, satellietfotografie en 3D-printers is het verleidelijk te bezwijken voor de zinsbegoocheling dat iedere ruïne gerestaureerd kan worden. Maar de harde les van drie eeuwen moderne archeologie is dat overrestauratie het verleden schade louter toebrengt. Het is altijd ontroerender om de echte dingen uit het verleden te zien – hoezeer ze ook beschadigd zijn – dan namaak. De verleiding om Palmyra te ‘repareren’ en het eruit te laten zien als aan het begin van 2015 is begrijpelijk. Maar zo is de geschiedenis niet. Ter wille van de waarheid, en als een waarschuwing richting de toekomst, moet de situatie nu grotendeels zo blijven als zij is.

    Auteur: Jonathan Jones

    Jonathan Jones is een Britse kunstcriticus. Sinds 1999 schrijft hij voor The Guardian. Hij trad op in de BBC-serie The Private Life of a Masterpiece en was juryvoorzitter van de Turner Prize. Hij staat bekend om zijn provocatieve stijl.

    The Guardian (2x)
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Hoe een van ’s werelds mooiste modernekunstcollecties de Iraanse revolutie overleefde

    Hoe een van ’s werelds mooiste modernekunstcollecties de Iraanse revolutie overleefde

    Na de islamitische revolutie in Iran moest het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran al zijn Picasso’s, Renoirs en Rothko’s van de muren halen. Het verhaal over hoe het de werken sindsdien verging leest als een thriller, met hoofdrollen voor een dappere bewaker, een Witte Huismedewerker en filmbons David Geffen.

    Rond het binnenste van het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran loopt spiraalsgewijs een looppad omlaag, als een ondergrondse versie van het Guggenheim Museum van Frank Lloyd Wright in New York. Van daaruit waaiert een reeks tentoonstellingsruimtes uit, die stuk voor stuk de verbijsterende geheimen prijsgeven van een van de mooiste, zij het vergeten, collecties twintigste-eeuwse kunst ter wereld. Bij een tentoonstelling dit najaar waren abstract expressionistische schilderijen te zien van Kandinsky, Motherwell, Pollock, Rothko en Stella, om maar een paar namen uit de kluis van het museum te noemen. De tuin biedt een permanente expositie met beeldhouwwerken van Ernst, Giacometti, Magritte en Moore. De hal wikkelt zich als een kurkentrekker rond een reusachtige mobile van Calder – de rode vormen glinsteren speels in de ruimte, onder de strenge blik van de ayatollahs Khomeini en Khamenei vanaf hun portretten erboven.

    Op een frisse dag eind oktober is het museum een oase van rust in het centrum van Teheran, een metropool met zestien miljoen inwoners die bijna stikt in het verkeer, de smog en de ongebreidelde bouwactiviteit. De zalen zijn uitgestorven, afgezien van een tiental studenten fotografie die voor een entreeprijs van anderhalve euro Jackson Pollocks meesterwerk Mural on Indian Red Ground (1950) helemaal voor zichzelf hebben. Het bloedrode doek van bijna drie bij tweeënhalve meter vol witte, grijze en zwarte verfspatten is een van de grootste schilderijen die Pollock in deze druppeltechniek maakte, en wordt door velen gezien als een van zijn beste. Veilinghuis Christie’s taxeerde het vijf jaar geleden op 250 miljoen dollar [ruim 190 miljoen euro]. Onder aan het looppad komen de studenten aan bij een tweetal reusachtige Rothko’s. De docent wijst hen op een uitspraak van de schilder die in de buurt van het schilderij staat afgedrukt: ‘Een schilderij gaat niet over een ervaring. Het ís een ervaring.’

    Het overleven van de collectie is ook het verhaal van een heel gewone man, die geen flauw benul had van kunst voordat hij in 1977 bij het museum kwam werken

    Terwijl Iran na de jarenlange sancties in snel tempo het contact met de wereld hernieuwt, ligt in de schaduw van zijn geschiedenis een kroonjuweel te wachten. Het Museum voor Hedendaagse Kunst van Teheran, dat nog werd gesticht door keizerin Farah Pahlavi, de vrouw van sjah Mohammad Reza Pahlavi, herbergde vóór de revolutie van 1979 de grootste verzameling moderne westerse meesterwerken buiten Europa en Noord-Amerika – en verdween toen van de kaart. Nu komt het weer tevoorschijn. Als vervolg op zijn grote tentoonstelling over het abstract expressionisme opende het museum op 20 november een expositie met een mix van Iraanse en westerse kunst. In oktober tekende het een principeakkoord met de Duitse regering om zestig kunstwerken – dertig westerse en dertig Iraanse – vanuit Teheran naar Berlijn te sturen voor een drie maanden durende expositie die komend najaar in Berlijn moet plaatsvinden. Het wordt voor het museum de eerste expositie in het buitenland. Als de politieke en juridische omstandigheden het toelaten komt er in 2017 misschien een nog grotere tentoonstelling bij het Hirshhorn Museum van het Smithsonian Institution in Washington, zegt Melissa Chiu, directeur van het Hirshhorn. ‘Dit is een van de grote ongeziene collecties naoorlogse Europese en Amerikaanse kunst in 
de wereld,’ zegt zij. ‘We hebben deze werken in geen veertig jaar gezien.’

    Jackson Pollock, Mural on Indian Red Ground (1950), in Teheran.
    Jackson Pollock, Mural on Indian Red Ground (1950), in Teheran.

    Na zijn machtsgreep ging ayatollah Ruhallah Khomeini tekeer tegen wat hij ‘Westoxificatie’ noemde, het idee dat de westerse morele en seksuele losbandigheid islamitische landen hadden besmet met een ziekte die alleen genezen kon worden door de strenge hand van islamitische geestelijken. Hij verbood westerse films, muziek en veel boeken, dwong vrouwen om een hoofddoek te gaan dragen en sprak de Iraanse elite bestraffend toe vanwege hun ‘verliefdheid op buitenlanders’. ‘Met een Europese hoed op je hoofd,’ schreef hij, ‘zou je door de straten paraderen en genieten van de naakte meisjes, vol trots op deze “prestatie” en zonder enige acht te slaan op het feit dat het historische erfgoed van het land werd geplunderd.’ Terwijl revolutionairen massaal demonstreerden nadat de sjah en zijn vrouw in januari 1979 waren gevlucht, bracht het museum zijn 1500 westerse kunstwerken in veiligheid in een kluis in de kelder.

    Toen een maand later een militie verscheen, liet museumdirecteur Mehdi Kowsar hun commandant een inventarislijst tekenen, waarop de prijzen stonden die de keizerin voor de werken had betaald. Tien dagen later vluchtte Kowsar, voormalig hoogleraar Kunst aan de Universiteit van Teheran, met zijn gezin naar Italië. Hij is nooit teruggekeerd. Om lastige vragen op het vliegveld te ontwijken had hij de lijst thuisgelaten. Die heeft hij sindsdien niet meer gezien. ‘Het was een zeer gevaarlijke situatie,’ vertelt Kowsar, die nu 79 is en in Rome woont als gepensioneerd hoogleraar Architectuur. ‘Ik hoopte dat niemand iets zou stelen als ze iets officieels ondertekenden.’

    De collectie bleef opmerkelijk intact, afgezien van een Andy Warhol-portret van keizerin Farah, dat jaren geleden door een fanatieke gelovige in een van haar voormalige paleizen aan stukken is gesneden, en een naakt van Willem de Kooning. Dat laatste werd in 1994 op het asfalt van het vliegveld in Wenen verkocht aan de Amerikaanse muziek- en filmtycoon David Geffen, als onderdeel van een driehoeksruil tegen enkele zestiende-eeuwse Perzische miniaturen die in bezit waren van een Witte Huismedewerker in de regering-Clinton. Daarover later meer.

    Iraanse paradox

    Het overleven van de collectie is typerend voor de bredere Iraanse paradox – de strijd van een van de oudste en meest verfijnde beschavingen ter wereld tegen de historische verkramping van fundamentalisme en xenofobie. Maar het is ook het verhaal van een heel gewone man, die geen flauw benul had van kunst voordat hij in 1977 bij het museum kwam werken, en die het beschermen van de westerse kunstschatten tot zijn levenswerk heeft gemaakt.

    Als je het slakkenhuis in het museum naar beneden volgt, voorbij het fluwelen koord glipt, rechtsaf gaat bij de bedrijfsstofzuiger en langs de in piepschuim verpakte schilderijlijsten naar de muur loopt, kom 
je bij twee deuren. De stalen deur rechts heeft een deurbel en een blauw bordje waarop staat ‘museumdienst’. Die gaat naar de kluis. Op de deur links staat ‘fotografie’ en die leidt naar een slecht verlichte ruimte met betonnen muren en een versleten divan, die doet denken aan het hokje van de conciërge in de kelder van een New Yorks appartementengebouw.

    Aan een bureau in de hoek zit Firouz Shabazi Moghadan, onder een hoog raam dat nog net boven straatniveau uitkomt. Hij kwam twee weken voor 
de opening bij het museum in dienst, eerst als chauffeur en later, na de revolutie, dertig jaar lang als beheerder van de kluis. Zijn officiële titel: bewaarder.

    Op zijn drieënzestigste is hij nog steeds lang en slank, met donkere ogen die hij dichtknijpt als hij lacht. Twee jaar geleden kwam Shabazi, die toen 
al met pensioen was, terug bij het museum om te helpen het omvangrijke bezit aan Iraanse kunst en fotografie te catalogiseren, net als de westerse collectie, die hij uit zijn hoofd kent.
    Nadat hij door het museum was weggekaapt bij het bedrijf dat er de linoleumvloeren aanlegde, was een van zijn eerste klussen in 1977 geweest om ongeopende kratten met kunstwerken op te sporen die over heel Teheran verspreid waren. De eerste directeur van het museum, Kamran Diba, een neef van 
de keizerin, die architectuur had gestudeerd aan de Amerikaanse Howard University en het museum had ontworpen, kocht in die tijd veel Amerikaanse kunst.

    Tegelijkertijd had de keizerin, die kunstgeschiedenis had gestudeerd in Parijs en een voorkeur had voor Europese kunst, haar eigen kopers ingehuurd. Zij mochten met niemand praten over wat ze deden, vertelt Donna Stein, die in 1975 naar Teheran verhuisde en twee jaar lang kunst inkocht voor de keizerin. Stein werkt nu bij het Wende Museum in Los Angeles. ‘Het was heerlijk, maar ook wel eng,’ zegt 
ze. Tijdens de oliecrisis van 1973 daalden in de hele wereld de kunstprijzen, en Iran werd erg rijk dankzij de verkoop van olie. In 1976 vloog David Nash, het hoofd van de afdeling impressionisme en moderne schilderkunst bij Sotheby’s in New York, naar Teheran met een doos dia’s van schilderijen die door 
verzamelaar Norton Simon uit Los Angeles te koop werden aangeboden, ‘voor krankzinnig hoge prijzen’, aldus Nash. Hij moest een week wachten tot hij eindelijk de beloofde ontmoeting had met de kamerheer van de keizerin, en die las hem vervolgens de hele ontmoeting lang de les over een auteursrechtenconflict dat Iran in die tijd met Sotheby’s had. Hij liet de dia’s achter en ging naar huis, in de veronderstelling dat de reis een ‘totale mislukking’ was geweest.

    Stilleven met Japanse houtsnede door 
Paul Gauguin, 1889. In 1976 aangekocht 
door het musem.
    Stilleven met Japanse houtsnede door 
Paul Gauguin, 1889. In 1976 aangekocht 
door het musem.

    Een paar dagen later vroeg het kabinet van de kamerheer advies aan Nash. Waar moest het op bieden bij de komende veiling van Sotheby’s, waar de nalatenschap van Holocaustoverlever Josef Rosensaft verkocht zou worden? Nash noemde een paar werken, Iran kocht de hele partij. Daarmee haalde het land ook Stilleven met Japanse houtsnede uit 1889 van Paul Gauguin binnen, voor een miljoen euro, een recordbedrag in die tijd voor deze kunstenaar. Volgens Nash is het schilderij nu zo’n 34 miljoen euro waard. De huidige directeur van het museum, Majid Mollanoroozi, zegt dat Japanse verzamelaars een ‘blanco cheque’ hebben geboden voor het schilderij.

    Shabazi nam de revolutionairen twee aan twee mee de kluis in, om ze te laten zien dat daar niets onoirbaars gebeurde. Ze waren geschokt door de kinderlijke plaatjes die ze er aantroffen

    Shabazi nam het beheer over de kluis op zich nadat Kowsar en de andere kunstprofessionals waren gevlucht. Hij had alleen middelbare school gehad, maar ging boeken over kunst lezen om verscheidene westerse schilderijen waarvan de papieren verloren waren gegaan, te kunnen identificeren. Hij begon steeds meer van de werken te houden. Nadat de mannen van de gewapende militie het gebouw een aantal dagen bezet hadden gehouden, stelde het regime een commissie van twintig man aan om het museum te leiden. Zij hadden geen idee wat daar aanwezig was. Shabazi nam de revolutionairen twee aan twee mee de kluis in, om ze te laten zien dat daar niets onoirbaars gebeurde. Ze waren geschokt door de kinderlijke plaatjes die ze er aantroffen.

    ‘Ze zeiden: “Wat is dit? Dat kan ik zelfs nog beter”, vertelt Shabazi. ‘Ik zei dan dat het een Picasso was, en dan zeiden ze: ‘Een Picasso, nou en?’ Terwijl in de straten van Teheran chaos heerste, sloot Shabazi zich het grootste deel van de twee volgende jaren op in de kluis, met de sleutels en de kunstwerken. ‘Ik wilde niet dat er iets mee gebeurde,’ zegt hij.

    De grootste zalen van het museum werden in gebruik genomen als expositiehal voor revolutionaire propaganda, waar de lof gezongen werd van het martelaarschap en het Iraanse verzet tijdens de achtjarige oorlog met Irak in de jaren tachtig. Af en toe verscheen er iemand bij de kluis met een officieel uitziende brief, om een kunstwerk te lenen voor een cultureel centrum of voor een van de weelderige paleizen van de sjah, die nu openbare attracties waren geworden. Shabazi weigerde de kluisdeuren open te doen, omdat hij vreesde dat de geleende werken nooit meer teruggebracht zouden worden. ‘God mag weten waar ik de moed vandaan haalde – terwijl ik normaal gesproken zo’n angsthaas ben,’ zegt hij met tranen in zijn ogen. ‘Voor deze kluis, voor dit museum ben ik een leeuw.’

    Mick Jagger door Andy Warhol in het Museum voor Moderne Kunst, Teheran. De werken worden in de kluis bewaard. – © Reuters
    Mick Jagger door Andy Warhol in het Museum voor Moderne Kunst, Teheran. De werken worden in de kluis bewaard. – © Reuters

    Pas in 1999, tien jaar na de dood van Khomeini en twintig jaar na de vlucht van de sjah organiseerde het museum zijn eerste westerse expositie sinds de revolutie – een pop-arttentoonstelling met werken van Hockney, Lichtenstein, Rauschenberg en Warhol. Er is een wat ongemakkelijke ontspanning ingetreden, die weerspiegelt hoe nu eens de reformisten en dan weer de voorstanders van de harde lijn de overhand hebben in de Iraanse politiek. Sinds 2013 hebben technocraten bij de ministeries van Economie en van Cultuur, aangesteld door president Hassan Rouhani, de beperkingen van de revolutie iets versoepeld, tegen de conservatieven van de veiligheidsdienst en het juridisch apparaat in, die gecontroleerd worden door de Hoogste Leider, ayatollah Ali Khamenei.

    Voor het museum betekent dit dat de directeuren, die onder het ministerie van Cultuur en Islamitische opvoeding vallen, elk jaar een paar weken lang 
wat westerse werken ophangen. Daarbij zorgen ze meestal wel dat ze de conservatieven binnen de overheid niet tegen de haren in strijken met pikante beelden, en ze ook niet al te zeer pijnigen met de gedachte dat het belangrijkste bezit van het museum die wereldcollectie met naoorlogse werken van Amerikanen is, van wie velen homoseksueel of joods 
zijn. Over de rol van keizerin Farah, die nu 77 is en 
in Washington en Parijs woont, wordt helemaal nooit gesproken.

    In de kluis bevindt zich een schat aan kunstwerken die de Iraniërs nooit te zien zullen krijgen, zolang het huidige regime het voor het zeggen heeft. 
Daarbij horen naakten van Pablo Picasso en Edvard Munch, een groot doek van André Derain,_ L’Age d’or,_ met elf ontklede vrouwen die zich vermaken in de natuur, en Gabrielle avec la chemise ouverte van Pierre-Auguste Renoir, een betoverend portret van een jonge vrouw met haar blouse tot haar navel open geknoopt, zodat haar blote borsten te zien zijn.

    Two Figures Lying on a Bed with Attendants door Francis Bacon, 1968, Teheran. ‘Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn.’ – © Reuters
    Two Figures Lying on a Bed with Attendants door Francis Bacon, 1968, Teheran. ‘Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn.’ – © Reuters

    In 2005 vertoonde een stoutmoedige museumdirecteur, Alireza Sami Azar, het drieluik uit 1968 van Francis Bacon, Two Figures Lying on a Bed with Attendants. De twee figuren op het bed zijn, zoals een suppoost van het museum al snel ontdekte, naakte mannen, die allebei op hun rechterzij liggen. De suppoost waarschuwde het ministerie van Cultuur en Islamitische opvoeding, dat bevel gaf om het schilderij te verwijderen. Sami Azar eiste het bevel op schrift en won daarmee tijd, zodat de Britse ambassadeur en andere hoogwaardigheidsbekleders die avond bij de opening van de tentoonstelling het schilderij van Bacon nog konden bekijken.

    ‘Ik zei: “Kijk, het zijn mannelijke figuren, geen vrouwen, en ze zijn half abstract. Het is niet obsceen. 
Het zouden broers kunnen zijn”,’ grinnikt Sami Azar, die nu bij een galerie in Teheran lezingen geeft over kunst. ‘Zij zeiden: “Kom op, we weten dat het homoseksuelen zijn, ze slapen in één bed. Dit gaat ons een schandaal opleveren, net nu de conservatieven aan de macht komen en op zoek zijn naar stokken om ons te slaan.”’

    Het geschreven bevel kwam pas bij het museum aan toen de gasten al gearriveerd waren. Zij hadden dus bij binnenkomst het hele drieluik zien hangen, en toen ze weer weggingen zagen ze alleen nog een spijker op de plek waar het paneel met de slapende mannen had gehangen.

    ‘Kunst kan een brug slaan tussen Iran en het Westen, maar er zijn wel uitzonderingen,’ verklaart Hossein Sheikholeslam, die als radicaal student in 1979 tot de bezetters van de Amerikaanse ambassade behoorde en daarna verschillende vooraanstaande posities bij de revolutionaire overheid bekleedde. ‘Naaktheid en homoseksualiteit zijn niet aanvaardbaar in de Iraanse cultuur,’ zegt hij.

    De kluis

    Van buiten de dubbele grijze deuren van de kluis kun je de bel binnen niet horen rinkelen, maar de klap waarmee de grendel wordt teruggeschoven geeft aan dat er iemand aankomt. Binnen is weer een bel en nog een stalen deur, dit keer een van 15 centimeter dik met een zwart combinatieslot boven de deurknop. Knarsend gaat de deur open en er verschijnt een lange betonnen ruimte met tegen de muren aan beide kanten 32 schuifrekken van vloer tot plafond – metaalgaas gevat in stalen frames. Er zijn maar twee schilderijen zichtbaar: rechts op blokken een streng portret van ayatollah Khomeini en aan de verste muur het vier 
vierkante meter grote meesterwerk van Picasso uit 1927, Le peintre et son modèle, dat door kunsthistoricus Jeremy Melius van Tufts University ‘een van de grootste prestaties uit zijn carrière’ is genoemd.

    Beginnend naast de Picasso trekken Shabazi en zijn door hemzelf uitgekozen opvolger de piepende schuifrekken over hun rail naar het midden van de ruimte, de oudste schilderijen eerst. Het lijkt wel een posterwinkel, met aan elk stalen hekwerk een tiental schilderijen. De collectie begint bij het eind van de negentiende eeuw met werken van Monet, Gauguin, Pisarro, Toulouse-Lautrec, Van Gogh en Rodin. Bij de kunst uit het midden van de twintigste eeuw hangen alleen al aan één rek tien Picasso’s (van het dertigtal dat het museum in bezit heeft), twee Marc Chagalls, een George Braque en een Diego Rivera. Het grootste deel van de collectie, van na de Tweede Wereldoorlog, bevindt zich in het deel van de kluis vlak achter de luchtsluis. Er zijn een stuk of tien werken bij van Jasper Johns en van Robert Rauschenberg en minstens vijftien van Warhol, onder meer een Mick Jagger, een Marilyn Monroe en een serie van tien Mao’s. Het meest waardevol is zijn acrylschilderij uit 1963 van een man die van een gebouw springt, Suicide (Purple Jumping Man). En dan is er nog een van Warhols zeldzame _Death and Disaster-_schilderijen die in 2013 liefst 105 miljoen dollar (80 miljoen euro) opbrachten.

    Werk van impressionist Camille Pissarro tijdens een Moderne Kunst-tentoonstelling in 2005. – © Morteza Nikoubazl / Reuters
    Werk van impressionist Camille Pissarro tijdens een Moderne Kunst-tentoonstelling in 2005. – © Morteza Nikoubazl / Reuters

    Shabazi’s favoriete werken: de Rothko’s, zegt hij, terwijl hij de zware kluisdeur zorgvuldig achter zich dicht trekt. ‘Ik heb heel wat problemen gehad in mijn leven, en van die schilderijen word ik altijd weer rustig.’

    Geregeld melden zich bij het museum kopers voor de schilderijen, onlangs nog een stichting uit Monaco die het drieluik van Bacon wilde kopen voor 103 miljoen euro. Maar niets is te koop, zelfs niet de werken die ontoonbaar worden geacht, vertelt directeur Mollanoroozi. ‘Stel dat we ze verkopen, wat zouden we dan daarvoor in de plaats moeten kopen dat evenveel waard is?’ vraagt hij. Hij hoopt dat de opbrengsten van de tentoonstellingen in het buitenland genoeg geld opleveren voor de eerste acquisities van het museum in veertig jaar, en voor noodzakelijke verbeteringen in het museum, zoals nieuwe verlichting en vloerbedekking en het waterdicht maken van de kluis als bescherming tegen overstromingen.

    Zo’n twaalf jaar geleden wilde Sami Azar veilinghuis Christie’s inschakelen om de naakten te taxeren, in de hoop met de verkoop daarvan nieuwe aanvullingen voor de collectie te kunnen financieren. De toenmalige president Mohammad Khatami stond achter het idee, maar zei dat het parlement er het laatste woord over moest krijgen. Sami Azar besloot om het risico niet te nemen. De kunst verkopen is makkelijk, zei hij. Het geld terugkrijgen van de regering om nieuwe kunst te kopen zou wel eens lastig kunnen zijn.

    De Kooning

    In vier decennia heeft het museum maar één westers werk van de hand gedaan, de De Kooning die in 1994 werd geruild tegen de overblijfselen van een beroemd vierhonderd jaar oud boek met miniaturen, de Shahnama van Shah Tahmasp. De Shahnama, of het Boek der Koningen, was in bezit bij de Amerikaanse familie Houghton, erfgenamen van het fortuin van de glasgigant Corning Glass Works, die het vóór de revolutie al voor 28 miljoen dollar aan Iran hadden 
aangeboden, vertelt Mehdi Hojjat, voormalig onderminister van Cultuur die de ruil organiseerde. De sjah weigerde, maar in 1991 werden de onderhandelingen heropend door Arthur Houghton III, een Amerikaanse diplomaat die op dat moment in het Witte Huis werkte voor de war on drugs. Houghton schakelde daarvoor een Londense kunsthandelaar in en hield de afspraken geheim voor zijn superieuren. Ook tegenover de Iraniërs verborg hij zijn identiteit, omdat hij bang was dat die zich zouden laten afschrikken als ze wisten waar hij werkte. ‘Ik mocht niet bekend worden,’ zegt hij nu.

    Er werd drie jaar over de deal onderhandeld. Aanvankelijk vroegen de bemiddelaars vijf schilderijen voor de Shahnama, waaronder de waardevolle Pollock, een Miró, een Picasso en Renoirs onthullende Gabrielle avec la chemise ouverte. Hojjat legde de kwestie voor aan de Hoge Revolutionaire Raad voor Cultuur, waarbij hij foto’s van de diverse werken liet zien. Uiteindelijk wilden de Iraniërs alleen de De Kooning opgeven, waarop een groteske, misvormde vrouwenfiguur zonder kleren stond afgebeeld.

    Shabazi weet nog goed hoe hij het schilderij bij het ochtendgloren in Teheran in het vliegtuig laadde. Hojjat, die bang was dat de Amerikaanse regering zou proberen het werk in beslag te nemen als compensatie voor andere goederen waarover strijd was, had geregeld dat het snel vanaf de landingsbaan in Wenen naar een kunsthandelaar in Zwitserland zou worden overgebracht. Tegelijkertijd werd de Shahnama in Hojjats vliegtuig geladen en naar Teheran gevlogen. De De Kooning werd aan Geffen in Californië verkocht voor een geschatte 20 miljoen dollar. De familie Houghton kreeg zo’n 11,5 miljoen dollar van de opbrengsten van de Shahnama, de rest ging grotendeels naar tussenpersonen. Geffen verkocht de De Kooning in 2006 voor 137,5 miljoen dollar door aan hedgefondsmagnaat Steven Cohen.

    Hojjat herinnert zich nog goed het verrassendste commentaar dat hij hoorde tijdens de lange besprekingen over wat Iran wel of niet tegen de Shahnama zou ruilen. Een van de religieuze gezagsdragers in 
de hoge revolutionaire raad was heel stellig over Gabrielle avec la chemise ouverte, een portret van de vrouw die als kindermeisje voor de familie Renoir werkte. ‘Dit schilderij van Renoir is heel bijzonder,’ zei de man. ‘Geef dat niet weg.’

    Auteurs: Peter Waldman en Golnar Motevalli
    Vertaler: Annemie de Vries

    Peter Waldman is professor architectuur aan Princeton.

    Golnar Motevalli Golnar Motevalli is vaste verslagggever van Bloomberg.

    Bloomberg
    VS | bloomberg.com

    Opgericht door Michael Bloomberg, burgemeester van New York. Richt zich op de zakelijke en financiële markt.

  • Mogen klassiekers worden gemoderniseerd?

    Mogen klassiekers worden gemoderniseerd?

    Een light-versie schrijven van een klassieker die wordt beschouwd als de eerste roman uit de wereldliteratuur, 
je moet het maar durven. Andrés Trapiello deed er veertien jaar over om de Don Quichot te moderniseren. Een tour de force die hem niet door iedereen in dank wordt afgenomen.

    In de Don Quichot, het beroemde boek dat Miguel de Cervantes zo rond 1600 schreef, staan honderden woorden en uitdrukkingen die in de loop der eeuwen in onbruik zijn geraakt. Het is voor een Spaanstalige anno nu onmogelijk om zonder een woordenboek of de noten onder aan de pagina te raadplegen de tekst volledig te begrijpen van deze klassieke roman, die inmiddels vertaald is in 145 talen en verhaalt over de naïeve ridder Don Quichot die bijgestaan door zijn schildknecht Sancho Panza de strijd aanbindt met windmolens.

    Het goede nieuws – hoewel niet voor iedereen – is dat er sinds kort een gemoderniseerde versie bestaat, verzorgd door de (Spaanse) schrijver Andrés Trapiello, die er veertien jaar aan heeft gewerkt. Maar deze tour de force is enkele geleerden in het verkeerde keelgat geschoten: ze spreken van ‘humaniteitsschennis’. Zo beweert universitair docent David Felipe Arranz bijvoorbeeld dat door deze ‘light prose’-versie het origineel van Cervantes niet meer wordt verkocht. ‘De woorden die de beste schrijver van onze taal gebruikt, mogen niet op een dergelijke manier worden verminkt,’ voegt hij eraan toe.

    María Antonia Garcés, specialist in het werk van Cervantes, is juist erg enthousiast over de ‘durf’ van Trapiello en begrijpt de ophef niet. Volgens haar zijn dit soort bewerkingen van alle tijden. ‘De aanpassingen vallen eigenlijk reuze mee en de tekst wordt er niet wezenlijk door aangetast. Alles wat men doet om goede literatuur nader tot de lezer te brengen is welkom, zelfs verfilmingen of een toneelversie,’ meent Garcés. Ze legt uit dat de taal in Cervantes’ tijd nog volop in ontwikkeling was en dat de tekst dus zinnen bevat die voor een moderne lezer onbegrijpelijk zijn.

    Windmolens in Consuegra.
    Windmolens in Consuegra.

    Men kan de Don Quichot niet lezen in een editie zonder noten, want er zijn tal van historische verwijzingen die verklaard moeten worden, stelt ze, en dat geldt ook voor archaïsche woorden en gezegden. ‘Trapiello toont een groot respect voor de tekst van Cervantes, en dankzij hem kunnen veel lezers nu zonder angst het boek openslaan in de zekerheid dat ze zullen begrijpen wat ze lezen.’

    Al even enthousiast is de Colombiaanse dichter Darío Jaramillo Agudelo, die meent dat Trapiello de aangewezen persoon is voor een dergelijke klus. ‘Zijn twee romans over onderwerpen ontleend aan Don Quichot zijn uitstekend en verraden een grote kennis van zaken. Bovendien is Trapiello een van de grote Spaanstalige vertellers van dit moment.’ Jaramillo, die het werk van Cervantes door en door kent, verzekert dat hij elke keer als hij het boek opnieuw leest weer wordt verrast. ‘Ik ben zeker van plan die vertaling naar de eenentwintigste eeuw te gaan lezen, want er zijn dingen uit het zeventiende-eeuwse origineel die ook ik gewoon niet begrijp.’

    Hoe dan ook, kritiek kan altijd nog scherper worden aangezet. De Spaanse succesauteur Arturo Pérez-Reverte besloot de Don Quichot te ontdoen van alle hoofdstukken die niet direct te maken hebben met de twee hoofdpersonages. Zijn editie, die in januari van dit jaar het licht zag, werd door sommigen bestempeld als ‘vreselijk’.

    Ook de Amerikaanse schrijver Ilan Stavans, die zijn hele leven heeft gewijd aan Spaanstalige literatuur, kreeg de volle laag. In 2002 waagde hij het boek te vertalen in het ‘Spanglish’, in de hoop dat het werk zo lezers zal vinden in de frisse, opkomende cultuur van de latino’s in de VS, waar het Spanglish de nieuwe lingua franca is. Hij werd neergesabeld en uitgemaakt voor ‘verkrachter van de Spaanse taal’ en ontving zelfs doodsbedreigingen, ‘de ergste vorm van lafheid’, volgens Stavans. Hij denkt dat het boek van Trapiello is uitgekomen op een cruciaal moment in de geschiedenis van Spanje. ‘Het land maakt een van de ergste crises door en zoekt naar zijn wortels. Daarbij lezen de Spanjaarden hun Don Quichot niet meer. De avonturenroman is nu veel populairder in het buitenland.’

    Zoveel lezers, zoveel ervaringen. Álvaro Bautista, hoogleraar Literatuur, las geen woorden maar verhalen, gebeurtenissen en personages toen hij voor het eerst de Don Quichot las. ‘Elke zin in archaïsch Spaans koesterde ik als een prachtig mysterie. Ik vond het leuk dat de taal me op het verkeerde been zette, want men moet niet vergeten dat al in de tijd van Cervantes zelf sommige uitdrukkingen en woorden verouderd waren.’

    Docent Alexander Erazo houdt zich wat de controverse aangaat op de vlakte. Hij leest de klassieker al jaren met zijn klas. ‘Het is onmogelijk dat alle leerlingen meteen gegrepen worden door het boek. Volgens mij moet je eerst een inleiding geven waarin je vertelt over de tijd waarin een dergelijk werk is geschreven.’

    De polemische versie van Trapiello zal zeker niet de laatste zijn. Zoals Ilan Stavans zegt: ‘In elke taal worden de klassieken gemoderniseerd: Dante in het Italiaans, Molière in het Frans, Goethe in het Duits, om nog maar te zwijgen van de Bijbel, misschien wel de meest geactualiseerde – en verkeerd begrepen – tekst van de mensheid.’

    Catalina Villa